CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[I25.04087] Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 112 december 2024

Commissie Ruimte 24 juni 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen visie Lies Frankenweg 112.010 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Archeologie dr Cultuurhistorie

Een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven

Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

VESTIGIA

V2649

Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland Een inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven

Rapportnummer:

V2649

Projectnummer:

V23-5597

ISSN:

1573 - 9406

Status en versie:

Definitief, versie 2.0

In opdracht van:

Gemeente Lansingerland

Rapportage: Plaats en datum:

Amersfoort, 12 december

Niets uit dit werk mag worden verveelvoudigd en/ofopenbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook, daaronder mede begrepen gehele of gedeeltelijke bewerking van het werk, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Vestigia BV

Vestigia BV Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort telefoon 033 277 92 00 info@vestigia.nl

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

Locatiegegevens Toponiem Z locatie

Lies Frankenweg 1

Plaats

Berkel en Rodenrijs

Gemeente

Lansingerland

Provincie

Zuid-Holland

Oppervlakte plangebied

0,25 ha.

Oppervlakte onderzoeksgebied

Circa 22m2

Diepte grondwerkzaamheden

Nog onbekend

Huidig grondgebruik

Bewoning en bos

RD-coördinaten van het plangebied

90.890

444.685

Opdracht Initiatiefnemer

Gemeente Lansingerland

Opdrachtgever

Gemeente Lansingerland Postbus 1 2650 AA Berkel en Rodenrijs

Contactpersoon Contactgegevens

^^^^^^^^^^^@lansingerland.nl 14 010

Soort onderzoek

Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven, KNA 4.1 Protocol 4003

Zaakidentificatienummer (Archis)

5622131100

Uitvoering

Uitvoerder

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie

Beheerdocumentatie

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie; DANS Data Station

Projectleider

senior

Projectmedewerkers

KNA-archeoloog

(actorregistratienummer

senior KNA-archeoloog KNA-archeoloog BA KNA-archeoloog BA

Datum uitvoering onderzoek

6 augustus 2024

Bevoegd Gezag Bevoegd Gezag

Gemeente Lansingerland

Deskundige namens het bevoegd gezag

Erfgoed Delft archeologie@delft.nl

Depot

Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland archeologischdepot@pzh.nl Controle

Gecontroleerd door Ter goedkeuring opdrachtgever

senior KNA-archeoloog d.d. 28-10-2023 voorgelegd

aan

de

28-10-2024

Beoordeeld door het Bevoegd Gezag

29-11-2024

Status

Definitief

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

3

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

Inhoudsopgave Samenvatting...................................................................................................................................................... 5 1 Inleiding...................................................................................................................................................... 6 1.1 Plangebied en projectomgeving........................................................................................................ 6 1.2 Doel van het onderzoek.................................................................................................................... 6 1.3 Onderzoekseisen en -vragen.............................................................................................................6 1.4 Leeswijzer...........................................................................................................................................7 1.5 Woord van dank................................................................................................................................. 7 2 Landschappelijk en archeologisch kader...................................................................................................

8 2.1 Landschappelijke context...................................................................................................................8 2.2 Archeologische context..................................................................................................................... 9 2.3 Tweede Wereldoorlog (LS04)..........................................................................................................12 2.4 Cultuurhistorische context.............................................................................................................. 12 2.5 Gespecificeerde archeologische verwachting..................................................................................14 2.6 Mogelijke verstoringen.................................................................................................................... 15 3 Onderzoeksmethode................................................................................................................................. 16 3.1 Voorbereiding en veldwerk.............................................................................................................

16 3.2 Uitwerking en rapportage................................................................................................................16 3.3 Medewerkers onderzoek................................................................................................................. 16 4 Resultaten veldonderzoek.........................................................................................................................17 4.1 Landschap en de situering van deverhoging en muurwerk............................................................17 4.2 Sporen en structuren........................................................................................................................18 4.3 Vondsten........................................................................................................................................... 22 4.4 Monster.............................................................................................................................................22 5 Conclusie en advies.................................................................................................................................. 23 5.1 Conclusie veldonderzoek.................................................................................................................

23 5.2 Waardering....................................................................................................................................... 23 5.3 Archeologisch monumentenzorg-advies ........................................................................................24 6 Formele beantwoording onderzoeksvragen............................................................................................ 25 6.1 Bodemopbouw en genese ................................................................................................................ 25 6.2 Sporen, structuren en vondsten......................................................................................................26 6.3 Archeologische Monumentenzorg (AMZ)...................................................................................... 27 Literatuur en digitale bronnen.........................................................................................................................28 Afbeeldingen, tabellen, kaarten en bijlagen....................................................................................................29 Kaart 1: Ligging plangebied...............................................................................................................................

31 Kaart 2: Alleputtenkaart................................................................................................................................... 32 Kaart 3: Allesporenkaart................................................................................................................................... 33 Kaart 4: Allesporenkaart ten opzichte van de kadastrale minuut 1811-1832.................................................. 34 Kaart 5: Hoogtemetingen van en rondom molenlocatie geplot op kadastrale minuut 1811-1832.................. 35 Kaart 6: AMZ-advieskaart ................................................................................................................................ 36 Bijlage 1: Noordwestelijk lengteprofiel in werkput 3...................................................................................... 37 Bijlage 2: Geologische en Archeologische perioden........................................................................................ 38

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

4

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

Samenvatting Aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs is op 6 augustus 2024 een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was om de locatie en omtrek van de fundering van de middenmolen in de Westpolder te karteren. Op basis van de bevindingen kan de gemeente Lansingerland bij de herontwikkeling van het plangebied rekening houden met de restanten van de molenstomp, zodat deze in situ bewaard kan blijven. Binnen het plangebied zijn tijdens het veldonderzoek resten van de overkluizing van de voor- en achterwaterloop, meer bekend staand als molentocht of boezem, aangetroffen. De (fundering van de) molenstomp zelf is niet aangesneden in de proefsleuven als gevolg van verschillende praktische belemmeringen. De molen was gelegen op een natuurlijke verhoging in het landschap die veroorzaakt is door de aanwezigheid van een getij-inversierug en naar een getijvlakte waarin veen is ontgonnen. Vanwege de overkluizing van de molentocht waarboven de molen was gebouwd is het bouwrijp maken op deze locatie gepaard gegaan met de egalisatie van het bouwvlak waarvoor een dunne ophoging is opgebracht.

Op basis van de uitkomsten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven concludeert Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie, voor het plangebied Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, dat een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is. De begrenzing van de vindplaats is een oppervlak van ruwweg 23 x 13 m. De exacte situering van de fundering van de molenstomp is niet bekend. Die bevindt zich binnen dit oppervlak, alsmede de beschoeiing en overkluizing van de boezem of molentocht en de opvulling daarvan. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert dit gehele ensemble tot de vindplaats te rekenen en in situ te behouden.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

5

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

1

Inleiding 1.1 Plangebied en projectomgeving

Het plangebied is gelegen aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland (Kaart 1). Het betreft het kadastraal perceel BKL01-B-2651, met een oppervlakte van circa 0,25 ha. Binnen dit plangebied is de ontwikkeling van vier woonkavels voorzien. Het plangebied valt binnen het ontwikkelingsgebied ‘Westpolder i Bolwerk deelplan 4-West, deelplan 6 ŭ Rand Bolwerk’, waarvoor in 2020 door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen is uitgevoerd en in 2023 een aanvullend archeologisch en cultuurhistorisch vooronderzoek inclusief grondboringen. Uit dit vooronderzoek is gebleken dat binnen het plangebied in het verleden een molen heeft gestaan. De fundering van de molenstomp is mogelijk nog in de ondergrond aanwezig. De locatie van de archeologische resten van de molenstomp dienen echter te worden gekarteerd en gewaardeerd. 1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven is in algemene zin het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel, dat gebaseerd is op het vooronderzoek, en specifiek om vast te stellen dat wel of geen behoudenswaardige archeologische vindplaats aanwezig is. Met betrekking tot het aspect van behoudenswaardig dient de inhoudelijke en fysieke kwaliteit (waaronder de begrenzingen) van aangetroffen archeologische sporen en vondsten te worden bepaald aan de hand van de aard, ouderdom, omvang en conservering. Specifiek voor dit onderzoek dienen de proefsleuven voor het betrouwbaar lokaliseren en begrenzen van de molenstomp. Afhankelijk van wat wordt aangetroffen, kan mogelijk een bijdrage worden geleverd aan onderzoeksvragen in de NOaA 2.0 (Archeoregio Hollands veen- en kleigebied en de perioden Late Middeleeuwen), de thema’s in de Provinciale Onderzoekagenda Zuid-Holland, en andere lokale onderzoekagenda’s. Deze vergaarde informatie is vervat in projectdocumentatie en in eventuele vondsten en monsters. Tevens zal de verkregen informatie worden benut voor het definiëren en waarderen van eventuele archeologische vindplaatsen. 1.3

Onderzoekseisen en -vragen

In het voor het Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven opgestelde Programma van Eisen1 staan de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:

Bodemopbouw en genese 1. 2. 3. 4. 5.

6.

Hoe is de bodemopbouw lithologisch, lithogenetisch, en stratigrafisch? Is sprake van een intact bodemprofiel? Waar wel Z niet en indien niet wat is daarvoor de verklaring (aard, diepte, oorzaak van de verstoring)? Is de bodemkundige situatie overeenkomstig de verwachting op basis van het vooronderzoek? Waar wel/niet en indien niet wat is daarvoor de verklaring? Is een (of meer) vegetatiehorizont(en) aanwezig? Zo ja, wat is er te zeggen over een datering, eventuele fasering, sporen van prehistorische bodembewerking en wanneer de bodem is ontstaan? Hoe zijn de eventueel aangetroffen stratigrafisch gescheiden bodemlagen te duiden? Gaat het hier om ophogings- of bewoningslagen, of is er anderszins sprake van het voorkomen van archeologische cultuurlagen, sporen en/of vondsten? Wat is de diepte, dikte en datering van de deze lagen?

1 Van Someren 2024.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

6

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

7.

Welke post-depositionele processen hebben plaatsgevonden? In hoeverre is sprake van erosie en aantasting of verstoring van archeologische resten door dit soort processen?

Sporen, structuren en vondsten 8. Wat is de aard, datering en spreiding van de aangetroffen sporen en uit welke perioden dateren ze? 9. Hoe gaaf zijn de sporen bewaard? 10. Zijn sporen van de in- en effluentsloten aanwezig? 11. Zijn de funderingsresten van de molen aanwezig in de ondergrond? 12. Wat is de omtrek en exacte locatie van de molenstomp? 13. Wat is de aard, datering en samenstelling van de archeologische vondsten? 14. Hoe is de conservering van de verschillende archeologische materiaalcategorieën inclusief de paleoecologische resten? 15. Welke vindplaatsen kunnen aan de hand van de sporen en vondstmateriaal worden onderscheiden en wat is hiervan de omvang? 16. Wat is de waardering van de vindplaats(en) conform bijlage IV van de KNA? 17. Indien geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is hiervoor de verklaring? 18. Wat is de omvang en aard van eventuele verstoringen? Archeologische Monumentenzorg (AMZ) 19. Moet de in het vooronderzoek geformuleerde archeologische verwachting voor het plangebied worden bijgesteld? 1.4

Leeswijzer

Het rapport gaat eerst in op de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2), waarna de voorbereiding en uitvoering van het veldwerk worden besproken (hoofdstuk 3). Hierna worden achtereenvolgend de onderzoeksresultaten gepresenteerd met betrekking tot het landschap, sporen en structuren (hoofdstuk 4). Tijdens het onderzoek zijn geen vondsten gedaan of monsters genomen, dus hier zal niet dieper op worden ingegaan. In hoofdstuk 5 volgt een conclusie op basis van de resultaten het archeologisch onderzoek. In het afsluitende hoofdstuk 6 worden de onderzoeksvragen, voor zover de resultaten dit toelaten, beantwoord. 1.5

Woord van dank

Het project is uitgevoerd in prettige samenwerking met gemeente Lansingerland. Daarnaast danken wij ook die ons haar keuken en toilet liet gebruiken.

van RuLo Aannemingsbedrijf en de de bewoonster van de molenaarswoning,

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

7

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

2

Landschappelijk en archeologisch kader

Voor het plangebied is zoals vermeld in 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hieronder volgt voor het gemak van de lezer een samenvatting. Voor de volledige tekst en afbeeldingen wordt verwezen naar het betreffende bureauonderzoek.2 2.1

Landschappelijke context3

De maaiveldhoogte in het plangebied schommelt rond de 5,00 m -NAP, maar ter plaatse van de voormalige molenstomp lig een lage verhoging die reikt tot 3,20 -NAP. Volgens de geologische kaart uit 2017 ligt het plangebied op de grens van een zone aan de zuidzijde waar zich een restant van afgegraven Hollandveen in de bouwvoor bevindt, op de mariene getijdenafzettingen van het Laagcomplex van Delfland/Laagpakket van Wormer, en waar de top van de zandafzettingen van het Laagpakket van Delfland en/of de Laag van Rijswijk dieper liggen dan 5 m -NAP.4 Aan de noordzijde ligt het plangebied in een zone waar het Laagcomplex van Delfland aan het maaiveld ligt, en waar de top van de zandafzettingen van het Laagcomplex van Delfland of de Laag van Rijswijk dieper liggen dan 5 m -NAP. Op de geomorfologische kaart is het plangebied gekarteerd als een getij-inversierug. Op de bodemkaart is het plangebied grotendeels gekarteerd als tochteerdgronden. Tochteerdgronden zijn kleibodems met een humeuze bovenkant die aanwezig zijn in droogmakerijen. Tijdens het booronderzoek van 2020 kon niet worden geboord in het plangebied vanwege het ontbreken van de betredingstoestemming.5 Wel is aan de west- en oostzijde geboord binnen de zone die als getijinversierug is gekarteerd (destijds bekend als ‘Rand Bolwerk’) en ten noorden hiervan, het deelgebied ‘Deelplan 6’.

Een significant gedeelte van het betreffende plangebied was destijds opgehoogd als voorbelasting van de ondergrond. Het was daardoor, ook met het gebruik van een mechanische aqualockboor, niet altijd mogelijk om de boringen te zetten. Direct onder de recent opgebrachte ophoging bevond zich een verstoorde bovenlaag. Gezien de aanwezigheid van puin en geglazuurd aardewerk/bloempot zal dit in de recente tijd zijn gebeurd. Daarnaast heeft het plaatsen van de voorbelasting al in zekere mate het gewenste effect gehad, namelijk het zetten van de ondergrond ten behoeve van de bouw. In het zuidelijk deel van het plangebied is voornamelijk zwak siltige klei en kleiig rietveen aangetroffen. In twee boringen betrof het bosveen. Binnen dit zuidelijk deel gaat het om eutroof veen. Omdat zoveel zwak siltige klei is aangetroffen, zal het gaan om deksedimenten die niet waren doorsneden door actieve geulen. Op deze veen- en kleigronden zal weinig bewoning hebben plaatsgevonden, aangezien ze regelmatig overstroomden en het grondwater hoog lag. De sedimenten waren, afgezien van de delen die waren voorbelast, slap en zeer onontwikkeld. In dit deel van het plangebied is wel zandige klei aangetroffen, maar uitsluitend in het westelijk deel. Deze zone zal dichter bij een kreek hebben gelegen.

Desondanks zijn in deze kreekoeverafzettingen geen archeologische potentieel waardevolle lagen aangetroffen met rijping, humusaanrijking, of archeologische lagen. Het is daarom waarschijnlijk dat deze afzettingen nooit lang aan het oppervlak hebben gelegen. Zodoende zijn deze gebieden archeologisch weinig interessant. In het direct zuidelijk gelegen deelplan 7 werden geen aanwijzingen van bodemvorming waargenomen in de boringen; de tussen twee geulen gelegen gebieden waren te nat voor bewoning. Het plangebied deelplan 6 I Rand Bolwerk lijkt derhalve in de periferie te hebben gelegen. In vergelijking met deelplan 7 heeft het deelplan 6 een lagere verwachting, aangezien het op grotere afstand van de Gantel is gelegen. De zandige afzettingen zijn, in tegenstelling tot het onderzoek bij deelplan 7, hier alleen aangetroffen in boring 4577014.

2 Weerheijm et al. 2020. 3 Overgenomen uit Weerheijm et al. 2023. 4 Berendsen 1997; Vos I De Vries 2013. 5 Weerheijm I Van Puijenbroek 2021.

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

8

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

De resultaten van het aanvullende booronderzoek, uit 2023, sluiten aan bij het onderzoek dat direct ten oosten en westen van het onderhavig plangebied is uitgevoerd.6 In de boringen is onder een bouwvoor van 10-65 cm vooral zwak siltige klei en kleiig veen aangetroffen. Dit soort sediment is kenmerkend voor komgronden. Hier werd enkel kleisediment afgezet bij overstromingen, terwijl in rustige periodes veen ontstond. Alleen onderin de boringen, vanaf een diepte van 185 centimeter beneden maaiveld of meer, kunnen zandlagen worden aangetroffen. Deze wijzen op een getijdesysteem met hogere stroomsnelheden. In geen van de boringen zijn cultuur- of kenmerken van bodemvorming aangetroffen die kunnen duiden op een archeologische vindplaats van de periode vóór de inpoldering. Een van de boringen (5353-01) is gezet in de watergang, of boezem, voor het wegmalen van het polderwater. Tot 1,9 m -mv is de grond verstoord en bevat kleine fragmenten bouwpuin, vervolgens is tot 2,5 m -mv detritus met kleine fragmenten bouwmateriaal en dan is de overgang naar de natuurlijke kleibodemlagen. De twee boringen 5353-02 en 5353-03 liggen ten noorden van de molenlocatie en boring 5353-04 ligt ten zuiden daarvan. Deze zuidelijke boring ligt geomorfologisch op de getij-inversierug en daarin bevindt zich tussen 1,35 en 3,50 m -mv een kleiig veenpakket.

In die twee noordelijk gelegen boringen is een dergelijk dik veenpakket niet aanwezig, daarin zijn een en twee dunne lagen van een paar decimeter. Wat wel opvalt is dat de molenlocatie zich bevindt op een overgang van een hoger gelegen naar een lager gelegen deel in het landschap, de overgang van de getij-inversierug naar vlakte van getij-afzettingen. 2.2

Archeologische context7

Ten noorden van het plangebied zijn drie vondstlocaties geregistreerd met Zaak ID 2092613100 en een vondstlocatie met Zaak ID 2212047100.8 Van noord naar zuid: Binnen deelplan 4-West ligt de vondstlocatie met Zaak ID 2212047100 en objectnr. Vondstlocatie 1083763. Hier is bij een booronderzoek in 1999 (Noordrand III) houtskool aangetroffen. Deze vindplaats wordt ‘vindplaats 2’ genoemd in BOORrapport 52 en op stratigrafische gronden gedateerd in het Neolithicum. Deze vondstlocatie is op de gemeentelijke beleidskaart als puntlocatie met de aanduiding Zone I opgenomen. Tijdens een booronderzoek in 2020 is het gebied rondom vindplaats 2 verder gekarteerd; hierbij zijn geen indicatoren aangetroffen. Iets ten zuiden daarvan, nog steeds binnen deelplan 4-West bij de Stationssingel, ligt Zaak ID 2092613100, met objectnr. Vondstlocatie 1055671. Bij een veldkartering in 1988 is hier een stuk vuursteen gevonden met de brede datering Paleolithicum-IJzertijd, verder geen gegevens. Net ten zuiden van de Stationssingel, in deelplan 6, staat Zaak ID 2092613100, met eveneens Zaak ID 2092613100, en objectnr. voor de vondstlocatie 1055670. Volgens de toelichting is hier een scherf Paffrath-aardewerk gevonden uit de Late Middeleeuwen. Verder naar het zuiden, binnen deelplan 6, ligt de derde vondstlocatie met Zaak ID 2092613100, en objectnr.

1055669: dit keer twee stuks vuursteen, met een datering Neolithicum (‘afval’) en een datering Paleolithicum-IJzertijd (type onbekend). Binnen een straal van 500 m rondom het plangebied zijn nog drie vondstlocaties geregistreerd die afkomstig zijn van de zelfde grootschalige onderzoeken: Bij de Victor van Vrieslandsingel aan de oostzijde van het plangebied ligt Zaak ID 2092613100 en objectnr. 1055672: bij de veldkartering in 1988 is hier een scherf Pingsdorf-aardewerk gevonden. Bij de Westpolderstraat aan de oostzijde van het plangebied ligt Zaak ID 2212047100 (objectnr. vondstlocatie 1083764), waar tijdens booronderzoek in het kader van het hierboven reeds genoemde onderzoek Noordrand III houtskool in boringen is aangetroffen. Dit is ‘vindplaats 3’ in het BOORrapport 52 en op stratigrafische gronden gedateerd in het Neolithicum.

6 Weerheijm et al. 2023. 7 Overgenomen uit Weerheijm et al. 2023. 8 Respectievelijk Visscher 1990 en Peters 2000.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

9

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

-

aan de oostzijde van het plangebied bij de huidige Alet Schoutensingel ligt een vondstlocatie met hetzelfde Zaak ID nummer (objectnr. vondstlocatie 1055673): bij de veldkartering in 1988 is hier een scherf Paffrath-aardewerk gevonden uit de Late Middeleeuwen. Binnen een straal van 300 meter rondom het plangebied zijn in Archis 17 onderzoeken geregistreerd. Het zijn een bureauonderzoek ten behoeve van de gemeentelijke verwachtings-Zbeleidskaart, een bureauonderzoek, elf booronderzoeken, één proefsleuvenonderzoek, twee (veld)karteringen en twee archeologische begeleidingen (Tabel 1). Archis3 zaakID

Archis 2 OMG

Jaar

Type onderzoek

Toponiem

Plaats

2026022100

10140

1995

Booronderzoek

nvt

nvt

2073919100

13327

2005

Veldkartering

2092613100

5390

1988

Veldkartering

Oude Leede

nvt

2101311100

14763

2005

Booronderzoek

Zuidpolder

Delfgauw

21180 55100

17153

2006

Booronderzoek

Boezemkering

Berkel en Rodenrijs

2148885100

21558

2007

Begeleiding

2157365100

22736

2007

Booronderzoek

2175330100

25324

2007

Begeleiding

Westpolder/

Bolwerk,

hoofdstructuurelement LOLL5

AHR-leidingtrace

Berkel

S

Rodenrijs-Delft Industrieweg 113/119 AHR-leidingtrace

Berkel en Rodenrijs

Pijnacker Berkel en Rodenrijs

Berkel

S

Rodenrijs-Delft

Pijnacker

2206783100

29869

2003

Booronderzoek

Polder Oudeland

Berkel en Rodenrijs

2209204100

30204

2008

Booronderzoek

Industrieweg 119

Berkel en Rodenrijs

2212047100

30561

1999

Booronderzoek

Noordrand III

Berkel en Rodenrijs

2221354100

31895

2008

Booronderzoek

Wijk Westpolder

Berkel en Rodenrijs

2264090100

37871

2009

Verwachtingskaart

2310584100

44248

2010

Proefsleuven

2364109100

51335

2012

Booronderzoek

Westpolder Z Bolwerk deelplan 7

Berkel en Rodenrijs

2412944100

57685

2013

Booronderzoek

Leeweg 23 b

Berkel en Rodenrijs

4891383100

2020

Bureauonderzoek

4918429100

2020

Booronderzoek

BO

t.b.v.

verwachtings-

en

beleidskaart Westpolder/Bolwerk,

deelplan

scope 2

Westpolder Z Bolwerk deelplan 4West, deelplan 6 S Rand Bolwerk Westpolder Z Bolwerk deelplan 4West, deelplan 6 S Rand Bolwerk

Berkel en Rodenrijs

Berkel en Rodenrijs

Berkel en Rodenrijs

Berkel en Rodenrijs

Tabel 1: De in Archis geregistreerde onderzoeken binnen een straal van 300 meter rondom het plangebied. Bron: RCE7Archis3.

Het plangebied valt zoals vermeld binnen de begrenzing van een bureauonderzoek (Zaak ID 4891383100) en een booronderzoek uit 2020 (Zaak ID 4918429100) in het kader van de ontwikkeling van de deelgebieden Westpolder Z Bolwerk deelplan 4-West, deelplan 6 S Rand Bolwerk. Op basis van deze onderzoeken zijn de betreffende deelgebieden vrijgegeven, maar het onderhavige plangebied is vanwege het ontbreken van betredingstoestemming destijds niet onderzocht. Verder valt het onderhavige plangebied valt binnen de begrenzing van enkele onderzoeken die al eerder binnen het gebied hebben plaatsgevonden. De oudste onderzoeken binnen het gebied zijn de grootschalige

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

10

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

veldverkenningen en booronderzoeken voor de plangebieden Oude Leede uit 1990 (Zaak ID 2092613100)9 en voor de Randstadrailverbinding Zoetermeer-Rotterdam uit 1996 (Zaak ID 2026022100), die hierboven al zijn genoemd.10 Voor het plangebied is de ‘Vindplaats 2’, in het booronderzoek uit 1999 (Zaak ID 2212047100) van belang. Het betreft een grote zone (ca. 2 ha) waarin 13 boringen houtskool bevatten op een diepte van ruim 4,00 m onder maaiveld (ruim 9,50 m -NAP). Het rapport vermeldt11: “Hier is onder de Afzettingen van Calais III veen (Hollandveen) aangetroffen, gelegen op klei. In het profiel is zichtbaar, dat twee geulen zijn ingesneden in een veen-op- kleipakket. In beide geulen is eerst klei afgezet. Vervolgens is in de noordelijke geul zandige klei en in de zuidelijke geul zand afgezet. Het duidt bij beide geulen op twee fasen in de sedimentatie. Eerst is bij een geringe stroomsnelheid klei afgezet. De geulen slibden langzaam dicht. Ook het veen raakte met klei overdekt. Daarna volgden de zandige afzettingen. Het water, dat het sediment meevoerde, heeft daarbij waarschijnlijk deels de oude geulen gevolgd. Door de aanwezigheid van de geulen in het veen-op-kleigebied werd het gebied ontwaterd, waardoor activiteiten op de klei of op het veen konden plaatsvinden.

In vindplaats 2 is houtskool op twee niveaus aangetroffen: één in de top van de klei, het andere niveau in de top van het veen. Gezien de bodemopbouw kunnen de houtskoolresten in het Neolithicum geplaatst worden. Hoe de “bult van veenop-klei” tussen twee geulen landschappelijk benoemd moet worden, is niet duidelijk. Er zijn geen oeverwallen herkenbaar. Mogelijk zijn de oeverwallen niet herkenbaar door erosie, of misschien mogen we aan het volgende denken. Geulen hebben zich onder invloed van de zeespiegelstijging ingesneden in het landschap, maar de stijging verliep zo snel, dat oeverwallen niet tot ontwikkeling konden komen. Deze redenering volgend, zal het gebied door de relatief snelle zeespiegelstijging slechts incidenteel en dan nog kortstondig toegankelijk zijn geweest, misschien slechts enkele jaren. Mensen gingen toch voor korte activiteiten het gebied in, zoals bijvoorbeeld de vindplaats bij Bergschenhoek aantoont.” Zoals vermeld zijn bij het booronderzoek uit 2020 verder geen archeologische indicatoren aangetroffen, zodat is geadviseerd hier geen verder onderzoek uit te voeten.

Nabij het huidige plangebied is langs het spoor en bij het station nog een aantal onderzoeken uitgevoerd, waaronder een booronderzoek uit 2005 (Zaak ID 2101311100) en twee begeleidingen in 2007 (Zaak ID 2148885100 en 2175330100); alle drie in het kader van het AHR-leiding tracé Berkel en Rodenrijs-Delft. Deze rapporten waren niet traceerbaar in Archis of het E-depot. In 2012 is binnen deelplan 7, direct aan de zuidzijde van het huidige plangebied, een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Zaak ID 2364109100).12 Aan het maaiveld van het betreffende plangebied liggen de kleiige dekafzettingen van de Gantel, een getijdeninbraak dateren in de IJzertijd. In het gebied liggen twee ZW-NO lopende geulen van dit Gantelsysteem, opgevuld met zandige, gelaagde vullingen. Onder deze afzettingen liggen de kleiige afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze gaan rond 3,00 m -mv (6,80 en 4,60 m -NAP) geleidelijk over in veen. Onder het veen is in een boring het Laagpakket van Wormer bereikt. Het veen ligt op ongeveer 3 m -mv (6,80 en 4,60 m -NAP), de overgang is meestal niet erosief. Zeer lokaal is de top van het veen geërodeerd. De kleien tussen de kreekgeulen zijn slap en ongerijpt, het is dus zeer onwaarschijnlijk dat hier bewoning heeft plaatsgevonden. Hoewel de bodem in vrijwel het gehele plangebied intact is, zijn geen aanwijzingen voor duidelijke bodemvorming aangetroffen.

Evenmin zijn archeologische indicatoren aangetroffen. De gebieden tussen de kreekgeulen waren zeer waarschijnlijk te nat voor bewoning; het is zeer aannemelijk dat men zich ook niet op de kreekgeulen en ruggen heeft gevestigd. In dit verband kan worden verwezen naar de onderzoeksresultaten van het proefsleuvenonderzoek naar deelplan 10, middenin het deelplan 7. Op basis van dit proefsleuvenonderzoek

9 Visscher 1990. 10 Oude Rengerink 1996. 11 Peters 2000, 13-14. 12 Weerheijm Z Pierik 2012.

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

11

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

werd geconstateerd dat de locatie deelplan 10 in een ver verwijderd gelegen zijtak van het Gantelsysteem was gelegen, ongeschikt voor bewoning. In 2005 is wat verder naar het zuiden (ten zuiden van deelplan 7) binnen de locatie LOLL5 een booronderzoek uitgevoerd (Zaak ID 20 73919100).13 Hier zijn over een lengte van 650 x 35 m in totaal 56 boringen gezet. Hierbij zijn geen vindplaatsen aangetroffen. De trefkans op sporen uit het Neolithicum werd voor LOLL5 (nog steeds) als middelhoog ingeschat; de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de Romeinse Tijd als laag omdat de ongerijpte klei uit deze periode te slap is geweest voor vestiging van de bewoning. Deze verwachting werd geëxtrapoleerd voor deelplan 10. Op basis van het onderzoek werd voorgesteld voor LOLL5 geen verder onderzoek uit te voeren. Vervolgens zijn binnen deelplan 10 een tweetal kleine booronderzoeken uitgevoerd: aan de Industrieweg 113/119 in 2007 (Zaak ID 21573 65100)14 en aan de Industrieweg 119 in 2009 (Zaak ID 2209204100).15 Tijdens beide onderzoeken werd een fosfaathoudende laag aangetroffen die mogelijk verband hield met langdurige menselijke aanwezigheid vanaf de Romeinse tijd. Geadviseerd werd om op beide locaties een kleine proefsleuf aan te leggen.

Het onderzoek voor (het gehele) deelplan 10 vond uiteindelijk plaats door het aanleggen van negen proefsleuven door ADC in 2010 (Zaak ID 2310584100).16 Tijdens dit onderzoek werden geen archeologische sporen of vondsten aangetroffen. Op basis van de bodemopbouw werd geconstateerd dat het onwaarschijnlijk was dat er zich binnen het plangebied bewoningssporen hebben bevonden. De locatie deelplan 10 lag in een ver verwijderd gelegen zijtak van het Gantelsysteem en was waarschijnlijk te nat voor bewoning. Wat verder naar het zuidwesten is in 2003 een booronderzoek uitgevoerd (Zaak ID 2206783100).17 Bij dit onderzoek zijn in een groot aantal boringen geul- en oeverafzettingen gevonden, maar werd geconstateerd dat de precieze loop van de stroomdraden van de geulen niet te herleiden waren uit het booronderzoek. 2.3

Tweede Wereldoorlog (LS04)18

Het plangebied ligt op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) niet binnen een zone waarin een verhoogde verwachting op het aantreffen van militair erfgoed bestaat.19 Op de IKME staan binnen het plangebied geen resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed. Wel kunnen in deze zone in zijn algemeenheid resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen. Er zijn hiervoor echter geen aanwijzingen. Er zijn ook geen historische luchtfoto’s beschikbaar waarop eventuele bijzonderheden te zien zijn.20 2.4

Cultuurhistorische context21

Het dorp Berkel ontstond in de 10e eeuw in de veengebieden van Holland. Het grondgebied werd vanuit een lange as in cultuur gebracht: de as Berkel - Rodenrijs - Noordeinde. De ontginningen in het gebied van Berkel en Rodenrijs begonnen ten zuiden van Berkel, waarvoor de gegraven waterloop de Leede als ontginningsas diende. Ook de Rotte functioneerde als ontginningsbasis. Door slootjes te graven waardoor het natte gebied kon afwateren, werd de drassige grond rijp gemaakt voor akkerbouw en veeteelt. De boerderijen werden vooraan op de kavels gesitueerd, bij de ontginningsbasis. Daardoor kwamen langgerekte boerderijlinten tot stand, zoals nog te zien is in het oude centrum van Berkel en Rodenrijs. Het landschap dat aan het eind van de ontginningsfase was ontstaan, bestond uit een lappendeken van aan

13 Koot I Reneerkens 2005. 14 Verschoor et al. 2007. 15 Louwe et al. 2009. 16 Loopik I Huizer 2011. 17 Kruidhof 2003. 18 Overgenomen uit Weerheijm et al. 2023. 19 http:IIwww.ikme.nl/. 20 https:IInimh-beeIdbank.defensie.nl/. 21 Overgenomen uit Weerheijm et al. 2023.

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

12

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

elkaar grenzende polders. Deze waren verschillend van grootte, maar steeds op dezelfde manier verkaveld in lange, evenwijdige percelen en steeds omgeven door dijken en kades met een wetering erlangs. De ontgonnen gronden waren aanvankelijk geschikt voor akkerbouw. Het veen klonk echter in en oxideerde als gevolg van de ontwatering. De bodemdaling maakte na verloop van tijd akkerbouw onmogelijk, waarna men omschakelde op veeteelt. Daarnaast nam de vraag naar turf toe. Het inwoneraantal in de omliggende steden Delft, Gouda en Rotterdam nam in de 14e eeuw toe. Hierdoor steeg in het bos-arme West Nederland de vraag naar turf als brandstof. Het veen werd dus weggegraven om opgestookt te worden, niet alleen in woonhuizen, maar ook in bierbrouwerijen, zoutziederijen, blekerijen, ververijen, steenbakkerijen, enz. Aanvankelijk werd bij de vervening het veen vanaf het maaiveld weggegraven tot aan de grondwaterspiegel. Toen omstreeks 1530 de ‘baggerbeugeľ werd uitgevonden, kon nog dieper worden gedolven. Het landschap veranderde hierdoor ingrijpend: de veenpolders, ruim 4 m diep uitgebaggerd, veranderden in watervlaktes. Het water bedreigde door golfafslag dijken, polderkaden, wegen en de dorpen. Daarom werd omstreeks 1776 besloten, in Berkel en Rodenrijs de Noord-, West- en Zuidpolder droog te malen met behulp van windmolens (droogmakerijen).

De vroegste betrouwbare kaart met betrekking tot het plangebied is de kaart van Kruikius uit 1712. Op deze kaart zijn binnen het plangebied geen boerderijen, molens of andere objecten te zien. Op de kaart Droogmakinge van Noord-, Zuid en Westpolders onder Berkel, Rodenrijs en Tempel door D. Graat, 1776, is binnen het plangebied een molen afgebeeld. De West-, Noord- en Zuidpolder werden tussen 1772 en 1776 drooggemalen met drie windmolens met schepraderen.22 Door de drie molens strategisch te plaatsen (twee aan de rand van de polder en één er middenin), konden ze na drooglegging dienst blijven doen voor de afwatering van de polder. De molen in het plangebied betreft de middenmolen, ook wel Molen van de Westpolder of Kerfwateringse molen genoemd, een achtkante bovenkruier.23 De Westpolder viel onder het waterschap Polder Berkel, dat in 1976 opging in het Hoogheemraadschap van Delfland. In de digitale archieven is weinig te vinden over deze molen, behalve enkele afbeeldingen. De uiterlijke kenmerken van de molenaarswoning kloppen niet (meer?) met de huidige situatie. Op de kadastrale minuut 1811-1832 (minuutplan Berkel, sectie B, blad 03) is binnen het plangebied ongeveer op de zelfde locatie als de huidige bebouwing een langwerpig gebouw zichtbaar, en een molen.

De percelen zijn in eigendom van De droogmakerij van Berkel en betreffen een tuin (845), een boomgaard (846) en de watermolen en het erf (847). Op het erf staan naast de molenaarswoning nog twee kleine bijgebouwen (zonder aanduiding) aangegeven. In de tweede helft van de 19e eeuw werd een vijzelmolen bijgebouwd, om de capaciteit van de drie molens te vergroten. Pas nadat deze in 1882 vervangen was door een vijzelstoomgemaal en vervolgens in 1926 was omgebouwd tot ruwoliegemaal, konden de windmolens definitief worden afgebroken. Dit gebeurde rond 1928.24 De grote ontwikkelingen in Berkel beginnen vanaf het begin van de 20e eeuw. In 1908 werd de spoorlijn Rotterdam Hofplein - Den Haag Laan van NOI aangelegd, dwars door de Westpolder. De tuinbouw langs de Berkelse vaarten ontwikkelde zich razendsnel en werd de toekomst van Berkel en Rodenrijs. Na de Tweede Wereldoorlog gaat de groei van Berkel en Rodenrijs snel. Naast de schaalvergroting van de kastuinbouw vanaf 1940-1950, wordt ook op grote schaal woningbouw gepland. In eerste instantie breidde Berkel zich voornamelijk oostwaarts van het historische centrum uit, vanaf 1975 voornamelijk noordwaarts. Vanaf 1990 wordt de Westpolder in westelijke richting voor nieuwbouw ontwikkeld. Ter verbetering van

22 Nota Cultuurhistorie Plus 2012, p. 13. 23 https://allemolens.nl 24 https://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&tbnummer=01162.

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

13

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van de nieuwe wijk, werd in 2008 het station Berkel Westpolder geopend. 2.5

Gespecificeerde archeologische verwachting25

Binnen het plangebied komen naar verwachting geul- en dekafzettingen van het getijsysteem van de Gantel aan maaiveld voor: De zandig opgevulde geullichamen van de Gantel hebben een middelhoge verwachting vanaf de Late IJzertijd tot de Nieuwe tijd. Onder de dekafzettingen wordt binnen 3 m -mv veen verwacht. Bovenop het veen kunnen bewoningssporen uit de IJzertijd/Romeinse tijd worden aangetroffen. Onder het veen (ongeveer 4-5 m - mv) ligt het Laagpakket van Wormer. Op de zandige geulen kunnen Neolithische vondsten verwacht worden. Binnen het plangebied is ook nog sprake van een puntlocatie met de resten van een watermolen en historische bebouwing vanaf het begin van de 19e eeuw (perceel Lies Frankenweg 1). Deze verwachting kan als volgt worden samengevat: 1. Datering ^ Middelhoge archeologische verwachting op archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd, met de nadruk op het Neolithicum, en eventueel IJzertijd/Romeinse tijd. Resten uit de Late Middeleeuwen kunnen in theorie worden verwacht, maar daarvoor zijn geen aanwijzingen op basis van het beschikbare cartografische materiaal. ^ Een hoge archeologische verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe tijd (bebouwing en oude watermolen). ^ Een lage archeologische verwachting voor resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd voor de rest van het plangebied.

2. Complextype ^ Nederzetting: (Semi-permanente) huisplaats Neolithicum ^ Nederzetting: huisplaats Ijzertijd tot en met de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Binnen het plangebied is aantoonbaar sprake van historische bebouwing uit de Nieuwe tijd, waaronder een molenaarswoning en een molen. 3. Omvang ^ 50-1000+ m2 (semi-permanente) huisplaats Neolithicum. ^ 500-2000 m2 huisplaats IJzertijd t/m Late Middeleeuwen ^ 150 m2 Historische bebouwing Nieuwe tijd ^ 100 m2 molenplaats 4. Diepteligging ^ (Semi-permanente) huisplaats Neolithicum: ca. 4-5 m -mv ^ Nederzetting: eventuele resten uit de Nieuwe tijd kunnen direct vanaf het maaiveld worden aangetroffen. ^ Molenplaats: eventuele resten uit de Nieuwe tijd kunnen direct vanaf het maaiveld worden aangetroffen. 5. Gaafheid en conservering ^ Waarschijnlijk goed. De grondwaterstand is in dit gebied relatief hoog waardoor organische resten (vondsten en paleobotanische resten) zeer waarschijnlijk goed bewaard zijn gebleven, met name in dieper gelegen sporen. 6. Locatie ^ binnen het gehele plangebied kunnen archeologische resten worden verwacht, met daarbij

25 Overgenomen uit Weerheijm et al 2023.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

14

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

7. ^ ^

^ 8. ^ 2.6

resten van historische bebouwing. Uiterlijke kenmerken Jachtkampjes: sporen van haardkuilen, vuursteen concentraties. Nederzetting: voor Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen een spreiding van vondstmateriaal zoals aardewerk, dierlijk bot, bewerkt natuursteen, metaal etc., en sporen zoals (verkavelings)greppels, paalgaten en afvalkuilen; voor de Late Middeleeuwen aangevuld met periode specifiek keramiek (aardewerk/steengoed/porselein) en bouwmateriaal (baksteen/dakpan), glas, natuursteen. Organische materialen, zoals leer, bewerkt of constructiehout, en textiel kunnen met name in diepe sporen goed bewaard zijn gebleven. Historische bebouwing Nieuwe tijd: nederzettingsresten zoals hierboven, aangevuld met funderingen, kelders, vloeren, uitbraaksleuven etc. Mogelijke verstoringen Het gebied is waarschijnlijk relatief onverstoord. Mogelijke verstoringen26

Voor het plangebied bestaan geen aanwijzingen voor grootschalige verstoringen. Op de Verstoringsbronnenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en BIS Nederland zijn ter hoogte van het plangebied geen vergraven gronden gekarteerd; wel ligt het plangebied in een ‘20e-eeuws landinrichtingsproject’, een ruilverkaveling tussen 1950-1959.27 Bij het Bodemloket zijn geen gegevens geregistreerd voor het gebied.28 Bedreiging van eventueel aanwezige archeologische waarden Het doel van het proefsleuvenonderzoek is om de locatie en omtrek van de fundering van de molenstomp alsmede van de verhoging, waarop de middenmolen in de Westpolder was opgebouwd, te karteren. Op basis van de bevindingen kan de gemeente Lansingerland bij de herontwikkeling van het plangebied rekening houden met de archeologische resten van de molen, zodat deze in situ bewaard kunnen blijven.

26 Overgenomen uit Weerheijm et al 2023. 27 Deze kaart is een selectie uit het bestand 'Vergraven Gronden', van WUR. In 2012 is er door Alterra een GIS-bestand samengesteld

met een overzicht van grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen, waarbij de opbouw van het bodemprofiel tot ten minste 40 cm diepte is gewijzigd. Hiervoor is informatie opgevraagd bij instanties en organisaties die werkzaamheden (laten) uitvoeren en/of administreren in verband met vergunningverlening en instanties die landgebruik in kaart brengen. 28 https://www.bodemloket.nl/.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

15

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

3 3.1

Onderzoeksmethode Voorbereiding en veldwerk

Het onderzoek is uitgevoerd conform de in de beroepsgroep geldende richtlijnen, vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) en het door de gemeente vastgestelde Programma van Eisen. Voorafgaand aan het onderzoek is een Plan van Aanpak opgesteld, gebaseerd op het Programma van Eisen, waarin de opgravingstrategie en de gehanteerde methoden en technieken staan beschreven. Het onderzoek betrof een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven. In totaal zijn vier proefsleuven (werkput 1 tot en met 4) aangelegd in plaats van de beoogde vijf in verband met de aanwezigheid van bomen, struiken, bebouwing, bestrate paden, en fragmenten asbest (Kaart 2). Tevens is de locatie en omvang van een aantal proefsleuven aangepast om dezelfde redenen en nutsvoorzieningen die niet op de KLIC stonden afgebeeld. De Historische Vereniging Berkel en Rodenrijs heeft enige tijd geleden op eigen initiatief en zonder afstemming met de gemeente Berkel en Rodenrijs enkele zoeksleuven handmatig gegraven om de locatie van de voormalige molen te bepalen. Eén van de door de vereniging gegraven putjes lag nog open met hierin een fragment muurwerk. Voor de volledigheid van het onderzoek is het putje door Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie gedocumenteerd als werkput 5.

De archeologisch leesbare vlakken zijn in elke put opgeschaafd, gefotografeerd, beschreven en digitaal ingemeten. Alle aangetroffen sporen zijn schoongemaakt, gefotografeerd, beschreven, en digitaal ingemeten. Alle foto's zijn genomen met een digitale camera met een minimale resolutie van 8 megapixels. Bij de aanleg van het vlak is continu met een metaaldetector gezocht naar metaalvondsten en ook de stort is na aanleg van het vlak met een metaaldetector geïnspecteerd op eventueel aanwezig metalen fragmenten en voorwerpen. Bij het onderzoek zijn geen vondsten verzameld of monsters genomen. Om inzicht te krijgen in de lokale bodemopbouw is in bijna alle proefsleuven een profielkolom van 1 m breed gedocumenteerd. In werkput 3, de meest noordoostelijke werkput, is een lengte profiel gedocumenteerd. In werkput 4 is geen profiel gedocumenteerd, omdat deze veelal was verstoord door nutsvoorzieningen. De sporen zijn om administratieve redenen per werkput genummerd door middel van een combinatie van het werkputnummer en het spoornummer, zodat elk spoor een uniek nummer bevat (zoals S2001). Nummers 900 tot 998 zijn toebedeeld aan lagen en nummer 999 voor het aanduiden van recente verstoringen. Een laag in put 3 krijgt dan bijvoorbeeld nummer S3900. De sporen worden in dit rapport aangeduid met een ‘S’ gevolgd door het nummer. 3.2

Uitwerking en rapportage

De uitwerking heeft plaatsgevonden conform de in de beroepsgroep geldende richtlijnen vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) en conform het Programma van Eisen. Alle informatie zal na afloop van de analyse en verslaglegging aangemeld worden bij Archis en het E-depot, en de documentatie zal worden aangeleverd aan het Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland, conform de daarvoor geldende normen en eisen in de KNA en het van het provinciaal depot. 3.3

Medewerkers onderzoek

Het veldwerk is uitgevoerd door (senior KNA-archeoloog), (KNAarcheoloog BA), en (KNA-archeoloog BA). Het mechanisch hydraulisch graafwerk hierbij was in handen van de firma Rulo. Het verslag is opgesteld door De kaarten van Vestigia zijn vervaardigd door De algehele projectleiding aangaande het voortraject en projectvoortgang lag in handen van (senior KNA-archeoloog).

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

16

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

4

Resultaten veldonderzoek

Het proefsleuvenonderzoek heeft sporen en lagen opgeleverd die per werkput uniek zijn genummerd, met als resultaat drie spoornummers en tien laagnummers. In onderstaande Tabel 2 staat een overzicht van alle uitgegeven nummers. Type

Aantal

Werkputnummers

4

Spoornummers

3

Laagnummers Vondstnummers

10 -

Monsternummers

-

Tabel 2: Overzicht uitgegeven nummers per type.

4.1

Landschap en de situering van de verhoging en muurwerk

Voor het landschappelijk onderzoek zijn profielen gedocumenteerd in werkput 1 tot en met 3. Het profiel in werkput 3 leent zich het best voor de bodembeschrijving binnen het onderzoeksgebied (Afbeelding 1 en Bijlage 1). In de top van de bodemopbouw ligt een bouwvoor (3900) en daaronder een 20e-eeuwse antropogene ophogingslaag (3910). De daaronder gelegen lagen 3920 tot en met 3924, alsmede 3926 hellen allemaal af in noordoostelijke richting, voor de onderste laag 3925 is dat niet duidelijk. Dat de positie van de molen zich bevindt op een verhoging in het landschap blijkt uit Kaart 5. De molen is gebouwd bovenop de boezem, zodat het schoeprad het water kon wegmalen. Daarvoor zal de boezem overkluisd zijn met metselwerk en om daarboven de molen kunnen bouwen zal de locaties zijn geëgaliseerd door een pakket grond op te brengen. Ons inziens zijn de lagen 3920 tot en met 3921 en 3926 de hiervoor opgebrachte egalisatielagen. Vermoedelijk is laag 3924 de bouwvoor ten tijde van de bouw van molen. De 20e-eeuwse ophogingslaag is vermoedelijk het resultaat van de sloop van de molen, gezien de daarin aanwezige puinconcentraties en stukken plastic zaten. In werkputten 1 en 2 zijn alleen de bouwvoor en de 20e-eeuwse ophogingslaag waargenomen.

Afbeelding 1: Noordwestelijk lengteprofìel in werkput 3.

Op kaart 5 is te zien dat ter op de molenlocatie de maaiveldhoogte varieert tussen 3,22 en 3,65 m -NAP. Vanaf de gededuceerde molenstomplocatie richting het noorden daalt het maaiveld naar 5,17 m -NAP, richting het noordoosten naar 4,72 m -NAP, en richting het oosten naar 4,61 m -NAP. Rondom deze verhoging schommelt de maaiveldhoogteligging tussen 4,84 en 5,55 m -NAP. De ophoging op de natuurlijke verhoging is vanwege de overkluizing van de boezem, die op de kadastrale minuut 1832 aan de westzijde

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

17

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

van de molen is weergegeven. Dat deze overkluizing waarschijnlijk nog in de ondergrond aanwezig is, blijkt uit het stuiten van de boringen over de boezem tijdens het booronderzoek in 2023.29 Dit doet dan vermoeden dat deze opgebrachte verhoging als egalisatie vooral de straal rondom de voormalig molenstomp is, die reikt tot het muurwerk van de boezem. Daarbuiten is het de natuurlijke bodemopbouw waarin deze daling van maaiveld de overgang markeert van de getij-inversierug naar de vlakte met getijdafzettingen. 4.2

Sporen en structuren

Het was niet mogelijk om de fundering van de molenstomp aan te snijden in de vier proefsleuven als gevolg van de aanwezigheid van bomen, struiken, bebouwing, bestrate paden, en fragmenten asbest. Het muurwerk in werkputten 1, 4 en 5 is te relateren aan de overkluisde boezem waarboven de molen was gebouwd. In totaal zijn drie sporen aangetroffen in de vorm van muurwerk (Kaart 3). De sporen behoren op basis van de overeenkomende kenmerken en ligging tot dezelfde structuur. De structuur betreft de overkluizing van de voor- en achterwaterloop, of boezem, die aan de zuidzijde onder de middenmolen heeft gelegen. De waterloop moest ten eerste worden beschermd tegen afkalving waarvoor het metselwerk als beschoeiing diende. Ten tweede ondersteunde het de overkluizing waarboven de molen was gebouwd om het schoeprad aan te drijven waarmee het polderwater werd weggemalen en geloosd. De overkluizing bestaat uit twee parallel liggende muren met aan de oostzijde vleugelwanden die een v-vormige uitlaat vormen. In de meest westelijke werkput is enkel de noordelijke wand van de overkluizing waargenomen. Er is een poging gedaan om door middel van boringen de tegenhanger te lokaliseren, maar door het vele puin en wortels in de bodem is dit niet gelukt. S1001 is muurwerk dat onderdeel heeft uitgemaakt van de noordelijke wand van de overkluizing (Afbeelding 2).

Het recht liggende muurwerk met een noordoost-zuidwest oriëntatie is minimaal 2,00 m lang en 0,45 m breed. De vleugelwand is minimaal 1,30 m lang en 0,45 m breed. De hoogte van de bovenzijde van het muurwerk ligt tussen 3,90 en 4,20 m -NAP. Aan de noordzijde van het muurwerk zijn zes versnijdingen waargenomen. De onderzijde is niet vrijgelegd. Het muurwerk bestaat uit geelbakkende handgevormde bakstenen van het formaat 16,0 á 16,4 x 7,4 á 7,7 x 4,0 á 4,4 cm. Op basis van de kleur en het formaat kan gesteld worden dat het ijsselstenen betreft. De bakstenen zijn met een grijze kalkmortel in afwisselende koppen- en strekkenlagen gemetseld. Van het muurwerk is een 5-lagenmaat gemeten van 22,5 cm. S5001 is muurwerk dat onderdeel heeft uitgemaakt van de zuidelijke wand van de overkluizing (Afbeelding 3). Het recht liggende muurwerk met een noordoost-zuidwest oriëntatie is minimaal 0,70 m lang en 0,45 m breed. De vleugelwand is minimaal 1,00 m lang en 0,45 m breed. De hoogte van de bovenzijde van het muurwerk ligt op 3,80 m -NAP. Het muurwerk heeft minimaal één versnijding. De onderzijde is niet vrijgelegd. Het muurwerk bestaat uit geelbakkende handgevormde bakstenen van het formaat 16,4 á 17,0 x 7.2 á 8,0 x 4,0 cm. Op basis van de kleur en het formaat kan gesteld worden dat het ijsselstenen betreft.

De bakstenen zijn met een grijze kalkmortel in afwisselende koppen- en strekkenlagen gemetseld. Van het muurwerk is een 5-lagenmaat gemeten van 22,5 cm. S4001 is muurwerk dat onderdeel heeft uitgemaakt van de noordelijke wand van de overkluizing (Afbeelding 4). S4001 ligt in het verlengde van S5001 en is minimaal 0,70 m lang en 0,45 m breed. De hoogte van de bovenzijde van het muurwerk ligt op 3,70 m -NAP. Het muurwerk is enkel in het vlak vrijgelegd, dus het is niet bekend of deze versnijdingen heeft, hoe diep deze is, wat het metselverband is, en wat de 5- of 10-lagenmaat is. Het muurwerk bestaat uit geelbakkende handgevormde bakstenen van het formaat 15,4 á 16,4 x 7,4 á 7,6 x 4,0 cm. Op basis van de kleur en het formaat kan gesteld worden dat het ijsselstenen betreft. Als voegspecie is grijze kalkmortel gebruikt.

29 Weerheijm et al. 2023, kaart 2 boorpuntenkaart.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

18

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

Afbeelding 2: Si001 in werkput 1.

Afbeelding 3: S5001 in werkput 5.

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

19

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

Afbeelding 4: S4001 in werkput 4.

Afbeelding 5: Foto van de middenmoten in de Westpolder met overkluisde voorwaterloop. Datering onbekend. Bron: allemolens.nl

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

20

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

De ligging van het muurwerk komt overeen met de overkluizing van de voor- en achterwaterloop die op de kadastrale minuut 1811-1832 staat afgebeeld (Kaart 4). De V-vormige uitlaat ligt bij de voorwaterloop waar het scheprad van de middenmolen het water de tussenboezem in maalde. De ligging van het meest westelijke muurwerk komt overeen met de overkluizing van de achterwaterloop. De voorwaterloop en de hierbij horende bakstenen overkluizing zijn bekend van een historische foto en een schilderij van de molen (Afbeelding 5 en Afbeelding 6). De overkluizing is vergelijkbaar met die op de foto van de nog steeds bestaande molen de Valk (Afbeelding 7). Alhoewel deze molen dateert in de 18e eeuw en in de buurt is gelegen van de onderhavige middenmolen, heeft deze geen onderdeel uitgemaakt van dezelfde molengang. De overkluizing van de watergangen onder de molen die zo illustratief zichtbaar zijn in afbeeldingen 6 en 7 zetten reikte zeer waarschijnlijk van de voor- en achterzijde van de waterloop en strekte zich uit onder de gehele molenstomp. De fundering van de molen kon derhalve ter plaatse van deze overkluizing niet diep zijn. Het is voorstelbaar dat de bakstenen overkluizing van de watergang dankzij de boog- en gewelfconstructie mede de druk van molen heeft afgevoerd en daarmee tevens heeft gefungeerd als onderdeel van de fundering van de molen.

Afbeelding 6: Schilderij met de titel: 1689 “Middelste” molen, in Westpolder in polder Berkel, 1990. Voor de molen is de overkluisde voorwaterloop afgebeeld. Bron: ArchiefHoogheemraadschap van Delfland.

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

21

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

Afbeelding 7: Historischefoto van molen de Valk bovenop de overkluiste voor- en achterwaterloop gemaakt van bakstenen.

4.3

Vondsten

Het proefsleuvenonderzoek heeft geen vondsten opgeleverd. 4.4

Monster

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen sporen of lagen aangetroffen die nader onderzocht dienen te worden. Om deze reden zijn er geen monsters genomen en is verdere analyse niet nodig.

VESTIGIA Archeologie Sí Cultuurhistorie, rapport V2649, definitief, versie 2.0, d.d. 12 december 2024

22

V23-5597Archeologisch proefsleuvenonderzoek aan de Lies Frankenweg 1 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland

5

Conclusie en advies

5.1

Conclusie veldonderzoek

Op basis van de resultaten kan gesteld worden dat binnen het plangebied zonder twijfel een kleine, geringe ophoging, resten van de overkluizing van de voor- en achterwaterloop aanwezig zijn, de opvulling van waterloop, en vermoedelijk de fundering van de molenstomp. De ophoging is het gevolg van het overkluizen van de waterloop zodat daarbovenop de molen kon worden gebouwd om het schoeprad aan te drijven.Tijdens het veldonderzoek zijn geen funderingsresten van de feitelijke molen zelf aangetroffen, omdat de proefsleuven niet over de volledige lengte naar het centrum konden worden uitgegraven. Het is echter voorstelbaar de bakstenen overkluizing van de waterloop, waarin het scheprad hing dat door de molen werd aangedreven, mede als fundering heeft gefungeerd van de molen. 5.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=7b235014-69f1-4b23-926e-608e5306208e