CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[I24.14369] Bouwhistorische verkenning Lies Frankenweg 1door BAAC Bureau voor archeologie en bouwhistorie12 augustus 2024

Gemeenteraad 17 juli 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen visie Lies Frankenweg 118.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ÍREVECOEUK ŵr/į*-'

BAAC BE

TvVZi.

ETHANS

jerjfïí

Berkel en Rodenrijs Lies Frankenweg 1 Molenhuis, boerderij Bouwhistorisch verkenning

CONCEPT

BAAC Rapport B-24.0315

BOSSCHE

VEW

Groot Deiijki

Auteur: /ìhntftĩt ‘ç/ ĩ'ĩorŗ o/j

Definitief rapport 12 augustus 2024

ISSN:

1873-9350

Redactie: Veldwerk: Teksten: Waardering:

DATUM VELDWERK DATUM CONCEPT DATUM DEFINITIEF

4 juni 2024 26 juni 2024 12 augustus 2024 (geheel conform concept, met toevoeging van addendum)

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of BAAC.

BAAC Bureau voor archeologie en bouwhistorie Graaf van Solmsweg 103, 5222 BS 's-Hertogenbosch. Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl

Bouwhistorische verkenning

2

nl 1.1

Het belang van monumenten

Sleutelbegrip in iedere bouwhistorische verkenning, is het begrip monumentwaarde. In deze eerste paragraaf zal dit begrip worden verklaard en de betekenis ervan worden uitgelegd. Het woord Monument is afgeleid van het Latijnse woord Monumentum, waarmee datgene wordt bedoeld, dat doet herinneren.1 In de oudheid gaat het dan hoofdzakelijk om objecten die opzettelijk gemaakt werden om iemand of een gebeurtenis in herinnering te brengen; een grafmonument of een overwinningsmonument. In de Nederlandse taal wordt het woord monument in ieder geval in de zestiende eeuw al gebruikt. Het is in die tijd een aanduiding van schriftelijke getuigenissen en documenten, opgeschreven herinneringen.2 In latere eeuwen raakt de term in zwang voor sinds lange tijd bestaande bouwwerken, gebouwen die herinneren aan de samenleving van weleer. Het zijn gebouwen met een belangrijke historische functie of die exemplarisch zijn voor een indrukwekkend architectonisch tijdsbeeld. Gaandeweg de negentiende eeuw ontstaat daarbij de woordafleiding monumentaal, die aanvankelijk niet zozeer betrekking heeft op de herinnering, als wel op de omvang van nieuw te realiseren gebouwen en bouwdelen. De reden daarvan is vermoedelijk dat monumenten in vroegere tijd vrijwel per definitie groots en indrukwekkend waren. Later neemt de huidige definitie de overhand. Groei aantal rijksmonumenten vanaf 1965 80 000

70.000

60 000

50000

? 40.000

tvIV

50000

20.000

10000

0

Bron. RCE - Monumentenregister

1 http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/monument. 2 M. Philippa e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam 2003-2009.

3

Een monument is in de monumentenwet van 1961 gedefinieerd als een ten minste 50 jaar oud werk, dat van algemeen belang is vanwege de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de volkskundige waarde. De term schoonheid is daarbij een opvallend, subjectief criterium, dat niet los kan worden gezien van de algemeen geaccepteerde architectonische traditie (in publicaties) en de hedendaagse tijdsgeest. Dat laatste besef, zorgde er in 1988 bij de vernieuwing van de monumentenwet, mede voor dat de voorwaarde van een halve eeuw ouderdom, werd geschrapt. In de Erfgoedwet van 2016 wordt een monument gedefinieerd als een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed.3 De aanwijzing van monumenten is decennialang primair de taak van het rijk geweest. Sinds de decentralisatie van de monumentenzorg in 1988, is die verantwoordelijkheid geleidelijk aan steeds meer bij lokale overheden (gemeenten) komen te liggen. Sommige gemeenten maakten hier gretig gebruik van, andere gemeente zien de noodzaak van het aanwijzen van gemeentelijke monumenten tot de dag van vandaag niet in. De aanwijzingsprocedure is in de loop der tijd weinig veranderd. Doorgaans gaat er aan de aanwijzing een inventarisatie- en selectieprocedure vooral. Slechts zelden wordt er diepgaand onderzoek verricht ten behoeve van de toekenning van de beschermde status.

Het woord Waarde wordt in het kader van bouwhistorisch onderzoek gelijkgesteld aan belang of betekenis, waarbij onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen de betekenis voor de mens nu en de betekenis in vroegere tijd. Een waarde is iets waar een persoon of een (deel van een) samenleving betekenis uit put, omwille van een gezamenlijke of individuele identiteit. Belang zou etymologisch zijn voortgekomen uit een inspanning, een gevoel of verlangen om iets te (be)reiken. Uiteraard kennen we het woord waarde ook in economische zin, waarin het in schrift is terug te voeren tot in de tiende eeuw. In een traject van planvorming en plantoetsing is die ogenschijnlijk dubbele betekenis niet altijd even handig, omdat financiële investeringen moeten renderen, en waarde vooral wordt geassocieerd met het maken van winst. Men moet daarbij echter niet vergeten dat de geldelijke waarde in behoorlijke mate wordt bepaald door hoezeer een persoon iets wil hebben (hoeveel betekenis het voor die persoon heeft, zijn of haar identiteit aanspreekt, is er mede bepalend voor hoeveel die persoon bereid is te betalen). Monumentwaarde staat gelijk aan de betekenis van historische zaken voor het collectieve geheugen, de herinnering aan de samenleving/maatschappij in een specifieke tijd. 1.2

Het doel van een bouwhistorische verkenning

Het toekennen van de juridische status van monument door de minister (rijksmonument) of door het college van burgemeester en wethouders (gemeentelijk monument), heeft als consequentie dat bij verbouwingen getoetst moet worden of de geplande ingrepen niet te veel ten koste gaan van de monumentale waarde van het gebouw. Doorgaans geschiedt de toekenning van de monumentstatus op grond van een redengevende omschrijving, een document van één of twee pagina's waarin in meer algemene bewoordingen wordt aangegeven waarom een gebouw de status van monument krijgt toebedeeld. De redengevende omschrijving is vrijwel nooit uitgebreid genoeg om een verbouwplan te kunnen toetsen, om de eenvoudige reden dat de informatie over het gebouw daarvoor in kwantiteit en kwaliteit ontoereikend is. Het college (en in sommige gevallen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) dienen zich dus nader te laten informeren. Dat kan door de eigenaar of betrokken architect, maar dat verdient vanuit het oogpunt van objectiviteit doorgaans niet de voorkeur. In die gevallen wordt de eigenaar van het gebouw gevraagd om een bouwhistorische verkenning op te laten stellen door een onafhankelijk opererende marktpartij.

3 cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. (uit: Erfgoedwet 2016)

i-mi:

Bouwhistorische verkenning

4

De bouwhistorische verkenning is dus bedoeld om zowel de eigenaar, de ontwerper als de toetsende instantie te informeren over de bouwgeschiedenis van het gebouw, de object-specifieke eigenschappen van exterieur, interieur en vooral constructies en de monumentale waarden die in het geheel en in de onderdelen waaruit het gebouw is opgebouwd, vertegenwoordig zijn.

Het college laat zich bij de toetsing van plannen adviseren door de plaatselijke monumentencommissie. Het is echter een vrij hardnekkige misvatting dat een monumentencommissie louter is bedoeld om plannen te beoordelen. Een goede monumentencommissie is een gezelschap professionals dat met de initiatiefnemer voor de ontwikkeling van het monument meedenkt en op grond van hun expertise en ervaring suggesties kan doen die zowel het plan als het monument (de monumentwaarde) ten goede komen. Vrijwel altijd is er sprake van een gemeenschappelijk doel: door een kwaliteit hoogwaardige ingreep het monument voor de lange termijn behouden. De bouwhistorische verkenning draagt hier in hoge mate in bij, omdat het kennis overdraagt die voor een succesvol bouwplan onontbeerlijk is en de dialoog tussen eigenaar, planvormer en monumentencommissie bevordert (onder andere door een helder definitieapparaat, waardenstellingen en waarderingsplattegronden). 1.3

Bouwhistorisch onderzoek

Bouwhistorici analyseren de constructies, de gevels én het interieur van historische gebouwen. Vormen, materialen en bouwtechnieken hebben veelal tijdsgebonden eigenschappen die door de bouwhistoricus worden herkend. Daardoor wordt het voor de bouwhistoricus mogelijk om inzicht te geven in de wijze waarop het pand werd gebouwd, en hoe het daarna door verbouwingen is getransformeerd in het gebouw zoals dat tegenwoordig is. Het is voor de bouwhistoricus niet zo belangrijk hoe iets er uit ziet, als wel waarom iets er uit ziet zoals het er uit ziet, waarbij de kernvraag doorgaans luidt: "Hoe werd dit gemaakt en waarom maakte men het zo?". Vermoedelijk wordt er al vanaf dat er monumenten zijn, bouwhistorisch onderzoek verricht. In de moderne tijd gebeurde dit aanvankelijk vooral door architecten (in wording) en door lokale historici. De onderzoekdiscipline kreeg een belangrijke impuls als gevolg van de vele herstel- en restauratievraagstukken die zich tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog aandienden. In die periode kwam er de Tijdelijke Wet Monumentenzorg waarin stond dat onroerende zaken vermeld in de Voorlopige lijst der Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst (1908-1933), niet mochten worden gesloopt of veranderd zonder toestemming van de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen.

Het doel van het onderzoek was in die tijd nog louter het vergroten van kennis, en spitste zich vrijwel uitsluitend toe op middeleeuwse bouwkunst. Kennis werd onder andere opgedaan door gebouwen, constructies en bouwsporen in muurwerk in te meten en in (reconstructie)tekeningen uit te werken. In de regel ging het onderzoek gelijk op met archeologisch onderzoek. Niet zelden werd het bouwhistorisch onderzoek in de jaren na de Tweede Wereldoorlog door een archeoloog uitgevoerd. Een specifieke opleiding tot bouwhistoricus bestond lange tijd niet. Bouwhistorici werden tot ongeveer twintig jaar geleden, in de praktijk opgeleid. Een aantal gemeenten bood die mogelijkheid bij hun bouwhistorische diensten. Die opleidingsplaatsen werden doorgaans ingevuld door mensen met een bouwkundige en/of een kunsthistorische opleiding. Technische Universiteiten (met name Delft), gaven de mogelijkheid om te specialiseren in restauratietechniek of bouwhistorie. Pas in 1997 werd in Utrecht gestart met een post-HBO opleiding Bouwhistorie en Restauratie. Het is de tijd waarin ook de eerste Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek worden gepubliceerd. Die richtlijnen werden in 2009 voor het laatst herzien en beschrijven het proces van bouwhistorische onderzoek en de voorwaarden waaraan een deugdelijk onderzoeksrapport dient te voldoen.

Het nut van het bestuderen van constructies, structuren en afwerkingen is voor de bouwhistoricus primair het vergroten van kennis omtrent het bouwen in het verleden. Die kennis is in brede zin

5

noodzakelijk om op verantwoorde wijze met gebouwd erfgoed in Nederland om te gaan. Daarbij valt niet alleen te denken aan restauraties, maar ook aan verbouwingen of constructief herstel. Bouwhistorische kennis zal daarnaast helpen bij het doorgronden van het gebouw. Begrip van hoe een gebouw in het verleden werd ontworpen, welke keuzes er gemaakt werden ten behoeve van de constructie én duiding van de elementen die in en aan het gebouw te vinden zijn, helpen allemaal om de herinnering aan vroegere tijd in leven te houden, voort te laten bestaan. Maar kunnen ook helpen om een bouwprogramma op efficiënte wijze tot ontwerp uit te werken.

Vaak blijft bij een verkenning veel aan het ook van de bouwhistoricus verborgen. Links de situatie vóór ontmanteling, rechts na, met een achttiende-eeuwse balklaag, een negentiende-eeuwse schouw en een voormalige buitengevel (zestiende-eeuws) met daarin dichtgezette vensteropeningen. Voorbeeld: Breestraat 68 in Leiden.

1.4

De beperkingen van een bouwhistorische verkenning

De bouwhistorische verkenning wordt in de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek (2009) gedefinieerd als een bouwhistorische opname op hoofdlijnen Voor kleine ingrepen in monumenten, kan zo'n verkenning in principe volstaan, maar de beperkingen zijn groot. Zo wordt er doorgaans bij een veldonderzoek ten behoeve van een verkenning geen materiaal verwijderd (geen licht destructief onderzoek). Dat is een probleem voor kennisvergaring én waardering omdat niet duidelijk wordt of er achter huidige afwerklagen (vloerbedekkingen, muurverf, voorzetwanden, verlaagde plafonds) monumentale afwerkingen schuil gaan. Onder een recente vloerbedekking kunnen oude parketvloeren, geoliede 'kindervoetjes' of terrazzovloeren onopgemerkt blijven. Voorzetwanden kunnen het zicht ontnemen op verborgen paneeldeuren, wandbespanningen, lambriseringen of zelfs muurschilderingen. Schilderingen kunnen overigens ook heel goed schuil gaan achter witte latex of muurverf.4 Het is dus goed om hier expliciet vermeld te hebben, dat de waardering die in deze rapportage is opgenomen, louter is gestoeld op de onderzoeksgegevens die tijdens de verkenning konden worden verzameld en in deze rapportage is gepresenteerd. De kans dat tijdens de verkenning monumentale afwerkingen onopgemerkt zijn gebleven, is redelijk groot, vooral bij de gebouwen die sinds circa 1980 niet meer ingrijpend zijn verbouwd.

Op basis van ervaring ligt rond 1980 het omslagpunt van verbouwen met behoud van oude(re) lagen naar verbouwen na complete ontmanteling tot op casco. Een bouwhistorische verkenning is een opname op hoofdlijnen (non-destructief) en kent de nodige beperkingen.

Een beperking van de voorliggende verkenning is ook dat het een platte weergave in tekst is, van een ruimtelijke structuur. Voor de auteur en de eigenaar van het gebouw is het vrij eenvoudig om de tekst te vertalen naar een drie dimensionaal beeld, voor leden van een monumentencommissie is 4 Onder bouwhistorici wordt ingeschat dat een verkenning slechts een tipje van de sluiter van de bouwgeschiedenis wordt opgelicht. Hoe ouder het object, hoe lastiger het vaak is om voldoende kennis te vergaren binnen de kaders van een verkenning.

i-mi:

Bouwhistorische verkenning

6

dat vaak in veel mindere mate het geval. Het is om die reden voor een eigenaar altijd aan te raden om de monumentencommissie in de fase van plantoetsing uit te nodigen voor een rondgang door het gebouw, bij voorkeur ná kennisgeving van de uitkomsten van de bouwhistorische verkenning. In de gevallen dat dat niet tot de mogelijkheden behoort, en er toch behoefte is aan extra verbeelding van het gebouw, kan BAAC de complete fotodocumentatie die tijdens het veldwerk gemaakt is, ter beschikking stellen. Er is een uitvoerige fotodocumentatie gemaakt ten behoeve van deze rapportage. Niet alle veldfoto's zijn in het rapport opgenomen. De foto's kunnen u digitaal worden toegestuurd. U kunt een verzoek sturen naar: g.oldenmenger@baac.nl

1.5

Monumentwaarde

1.5.1 De toetsingscriteria en toetsingskader Het bepalen van het belang, de betekenis van een gebouw of object, is inmiddels een primaire taak van de bouwhistoricus. De onderzoeker hanteert daarbij conform de Richtlijnen voor Bouwhistorisch Onderzoek (2009) in principe twee criteria, te weten; de mate van authenticiteit en de mate van zeldzaamheid. De term authentiek is afgeleid van het Latijnse authenticus, wat staat voor 'met eigen hand voltrekken', 'uit eerste hand' en vindt haar oorsprong als rechtsterm. Binnen het recht wordt het gebruikt als aanduiding van een oorspronkelijk gegeven, op iets dat als echt is vastgesteld of dat een exacte kopie is van het origineel (dat laatste is interessant met het oog op de duiding van het belang van restauratiefasen die gepaard gaan met grootschalige vernieuwing van substantie). Het ontrafelen van de bouwgeschiedenis gaat altijd gepaard met het bepalen van de mate van oorspronkelijkheid van een gebouw als geheel, alsmede van de onderdelen waaruit het is samengesteld. Het is daarbij goed om te beseffen dat de mate van authenticiteit van ieder monument in meer of mindere mate is aangetast, en dat die aantasting doorgaans groter is dan op het eerste oog wordt ingeschat. Het komt vaak voor dat een historische verbouwing als resultaat zowel een aantasting van een bestaande als een toevoeging van een nieuwe betekenislaag heeft.

Dit wordt meestal geduid met de term "historische gelaagdheid", een term die in principe altijd op gespannen voet staat met authenticiteit. Strikt genomen zou van iedere bouwfase afzonderlijk de mate van authenticiteit kunnen worden bepaald daaraan kleeft wel als nadeel dat dit relatief gunstig uitpakt voor een recentere verbouwing (waarvan het resultaat mogelijk nog geheel intact is). Authenticiteit is als zuiver toetsingscriterium lastig te implementeren om vier redenen. De mate van authenticiteit en zeldzaamheid zijn primaire toetsingscriteria.

Ten eerste kan de mate van authenticiteit, of misschien beter de verwachting die we daarbij hebben, niet los worden gezien van de ouderdom van een object of de termijn die is verstreken tussen het ten uitvoer brengen van de bouw en de verbouwing(en) tot aan het moment van toetsing. De mate van authenticiteit van een gebouw uit de jaren zestig is bijna per definitie hoger dan de mate van oorspronkelijkheid van een middeleeuws gebouw. Dat wil niet zeggen dat het jongere gebouw met een hogere mate van authenticiteit ook een hoger erfgoedbelang vertegenwoordigt dan een ouder gebouw dat door de tijd heen vaker zal zijn aangepast aan veranderende omstandigheden in tijd. Ten tweede zijn er bouwtypen, boerderijen bijvoorbeeld, waar de continue aanpassing, veelal op meest pragmatische wijze, een essentie van (landelijke) cultuur vormen. De mate van authenticiteit staat hiermee in feite op gespannen voet. Daarop aansluitend, ten derde dus, kan op de mate van authenticiteit niet worden getoetst zonder daarbij het beschouwingsniveau duidelijk aan te geven. Van een zestiende-eeuwse boerderij zijn de gebinten meestal de enige elementen die terug te

7

l:r.T.T«C

voeren zijn op de bouwtijd. De mate van authenticiteit van de gebintconstructie kan daarbij hoog zijn (beschouwingsniveau constructie), maar dat geldt niet voor de mate van authenticiteit van de boerderij als geheel. Wie hier in de zestiende eeuw geboerd heeft, zal bijna niets van de boerderij in huidige hoedanigheid herkennen. Kastelen zijn hiervan ook een voorbeeld, omdat ook dat vrijwel in essentie veranderlijke gebouwen zijn. Wellicht is het beter om de mate van authenticiteit per bouwfase uit te splitsen en niet per gebouwonderdeel, waarbij de betekenis van iedere bouwfase in de bouwchronologie uiteen wordt gezet en aangegeven wordt in welke mate de onderdelen behorende bij die bouwfase in authentieke staat verkeren. Daaraan kleven echter ook nadelen, met name ten aanzien van de samenhang tussen de verschillende bouwfasen en de (bouwkundige) logica die doorgaans aan de basis ligt van die samenhang.

De Richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek uit 2009. Te downloaden via: https:llwww.cultureelerfgoed.nllpublicatieslpublicatiesl2009I0H0Hrichtlijnen-bouwhistorisch-onderzoek

Als laatste speelt - zoals hierboven al aangegeven - de bepaling van de mate van authenticiteit een ingewikkelde rol, wanneer er sprake is van reconstructief restauratiewerk en restauraties waarbij met behoud van vorm een materiaalsoort (historische substantie) is vernieuwd. Hoe dient de mate van authenticiteit te worden beoordeeld bij een gevel waarvan de achttiende-eeuwse schuifvensters zijn vernieuwd door materiaal en vorm exact over te nemen? Conform de definitie van authentiek, kan iets dat exact gelijk is aan het origineel, voor authentiek doorgaan. Kan een exacte kopie van een venster worden bestempeld als authentiek of moeten we hier spreken van een toestand die soortauthentiek is. Wanneer de betekenis van een exacte kopie op grond van toetsing op authenticiteit voor een authentiek venster even groot is als voor een soort- of kopie-authentiek vensters, vervalt de grond om het behoud van het authentieke venster na te streven. Door de eigenaar en de monumentenzorg wordt een vervangend onderdeel doorgaans als een minder grote aantasting geduid dan door een bouwhistoricus, omdat deze informatie put uit karaktereigenschappen (bouw- en bewerkingssporen van het onderdeel) die bij vernieuwing onherroepelijk verloren gaat.

ESES

Bouwhistorische verkenning

8

De term zeldzaam is in principe vrij eenvoudig te duiden, het geeft aan dat iets weinig voorkomend is. Gewoonlijk wordt er getoetst of een historisch object, of één van de onderdelen waaruit het is samengesteld, in de huidige tijd nog veel of juist weinig voorkomt. Die historische terugblik is echter niet van oudsher met de term zeldzaam verbonden. Het woord zelden werd in de middeleeuwen gebruikt om in de eigen tijd ongewone of wonderlijke zaken of fenomenen te benoemen en groeide in de zestiende eeuw uit tot zeldzaam, nog steeds met dezelfde betekenis. Het zou goed zijn om in bouwhistorische rapporten aan te geven of bepaalden aspecten van een gebouw in de bouwtijd zeldzaam waren (denk daarbij aan atypische constructies of vroege voorbeelden van een bepaald venstertype), óf dat er sprake is van een fenomeen dat juist na verloop van tijd weinig voorkomend is geworden. Denk daarbij aan een negentiende-eeuwse éénkamerwoning. Iets dat in de huidige tijd zeldzaam is, kan in het verleden een veelvoorkomende standaard zijn geweest. Andersom is ook mogelijk. De relatieve eenvoud van de term zeldzaamheid vertaalt zich niet in een gemakkelijke implementatie tijdens toetsing. Daarbij spelen verschillende factoren een rol.

De belangrijkste complicatie is misschien wel dat bij bouwhistorische verkenningen doorgaans wordt volstaan met een zogenaamde interne waardenstelling waarbij het toetsingskader wordt bepaald binnen de scope van het object. Het moge duidelijk zijn dat toetsing op grond van de mate van zeldzaamheid hier tot problemen leidt, omdat zeldzaamheid een breder toetsingskader vereist. In de richtlijnen wordt aangegeven dat een contextuele waardenstelling al heeft plaatsgevonden bij geregistreerde monumenten. Dat impliceert dat rijk en gemeenten hun monumentenbestand als een gebalanceerde collectie hebben ingericht, wat in de praktijk vaker niet dan wel het geval is. Meestal bestaat een monumentenbestand uit een periodiek gevulde hoeveelheid gedateerde redengevende omschrijvingen, vaak op basis van het exterieur en de meest uiteenlopende waarderingsmethodieken. Actualisatie van monumentenbestanden en het opstellen van collectiebeschrijving met aandacht voor samenhang komt helaas maar zeer sporadisch voor. Ingewikkeld aan de zeldzaamheid is dat het niet los kan worden gezien van ervaring. De mogelijkheden voor onderzoekers om in een kort tijdsbestek een groot referentiekader op te bouwen (heel veel gebouwen te onderzoeken en te zien), zijn beperkt, mede omdat de meeste onderzoeksrapporten met het oog op privacyaspecten niet gepubliceerd worden.

Wat zeker ook lastig is, is de geografische begrenzing van het toetsingskader. Moet er in geval van rijksmonumenten landelijk op zeldzaamheid worden getoetst en bij gemeentelijke monumenten en niet monumenten op regionaal niveau? Kan er überhaupt wel binnen die kaders worden getoetst? Kwantitatieve gegevens ontbreken veelal. Het ontbreken van goede monumentenbeschrijvingen per gemeente doet zich ook hier voelen evenals het uitblijven van onderzoekagenda's met daaruit voortvloeiende programma's van eisen. Een expliciete onderzoeksvraag als hoeveel neorenaissance panden zijn in Eindhoven beschermd?zijn in de dagelijkse praktijk een uitzondering.5 Het opbouwen van een breed referentiekader wordt ook bemoeilijkt door het uitblijven van specialisatie binnen het bouwhistorische vakgebied. Met name op het punt van de toetsing van de mate van zeldzaamheid zorgt dat voor moeilijkheden. Het is voor iemand die zich specialiseert in Interbellumboerderijen, in kerken uit de wederopbouwperiode of in fabrieksgebouwen veel gemakkelijker om in relatief korte tijd een deugdelijk referentiekader op te bouwen dan voor een bouwhistoricus die door heel het land van een stoomgemaal, naar een schoolgebouw, een woonhuis en een graansilo trekt. Een bouwhistorische verkenning kent de nodige beperkingen.

De monumentwaarde is altijd bepaald op grond van de in de rapportage gepresenteerde onderzoeksgegevens. Het is mogelijk dat bij de verkenning monumentale constructies, elementen en afwerkingen verborgen zijn gebleven achter recente(re) afwerkingslagen. 5 Onderzoeksvraag in verband met mogelijke verplaatsing van het gemeentelijke monument Aalsterweg 310.

9

l:r.T.T«C

1.5.2 Waardengradaties Bij het opstellen van een waardenstelling schrijven de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek drie categorieën voor: hoge monumentale waarde, positieve monumentale waarde en indifferente monumentale waarde. De betekenis van die gradaties is in de richtlijnen nogal abstract beschreven, over de implicaties (consequenties voor de planvormer en plantoetsers, laten de richtlijnen zich niet uit). - Hoge monumentwaarde wordt omschreven als van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. - Positieve monumentwaarde wordt opschreven als van belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of het gebied. - Onder indifferente monumentwaarde dienen volgens de richtlijnen zaken geschaard te worden die van relatief weinig belang zijn voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. Het onderscheid tussen van cruciaal belang, van belang en van relatief weinig belang, is in de richtlijnen niet gegeven. Er mag vanuit worden gegaan dat de te hanteren toetsingscriteria (de mate van authenticiteit en de mate van zeldzaamheid) een doorslaggevende rol spelen. Zaken die zowel authentiek als zeldzaamheid zouden in dat geval in aanmerking komen voor toekenning van hoge monumentwaarde, zaken die niet authentiek en niet zeldzaam zijn, vertegenwoordigen dan indifferente monumentwaarde.

Dat laat over de zaken met positieve monumentwaarde die wel authentiek maar niet zeldzaam óf wel zeldzaam maar niet authentiek zijn. Dit is ook de basis waarop door BAAC in principe waardengradaties worden toegekend. In de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek wordt niet duidelijk gemaakt wat de praktische implicaties van de waardengradaties voor planvormers en plantoetsers is. In de volgende paragraaf proberen we dat te ondervangen door richting te geven aan de omgang met de verschillende waardencategorieën. Hier willen we uiteenzetten dat 'positief' bevestigend is. Het is een "JA, er is sprake van monumentwaarde". Men zou dit als een basiswaarde kunnen omschrijven. De indicator 'hoog' past men doorgaans toe om voor zaken die verheffend zijn, de basis overtreffen. Gesimplificeerd zou men kunnen stellen dat er bij toekenning van hoge monumentwaarde sprake is van een verbijzondering (wederom op grond van de mate van authenticiteit én zeldzaamheid). Het is een "JA, er is sprake van monumentwaarde; dit is bijzonder". Tenslotte is het goed om opgemerkt te hebben dat indifferente monumentwaarde niet hetzelfde is als geen monumentwaarde. De indicator indifferent geeft aan dat de monumentwaarde ondergeschikt is aan de overige monumentale onderdelen van het object.

BAAC is van mening dat er in vrijwel alle panden ook zaken aanwezig zijn die in het geheel geen monumentwaarde vertegenwoordigen (denk aan recente vloerbedekkingen, gipsplafonds eigentijds meubilair. De huidige richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek houdt hier echter geen rekening mee. Daarom zullen zaken die geen monumentwaarde vertegenwoordigen in deze rapportage gelijkgesteld worden aan zaken waarvan de monumentwaarde ondergeschikt is.

1.6

Implementatie van de resultaten van de bouwhistorische verkenning

1.6.1 De consequenties van de toegekende waarden De door de bouwhistoricus vervaardigde rapportage met waardering en waardenstellingen kan gebruikt worden door architecten en planontwikkelaars ter inspiratie voor noodzakelijk geachte ontwikkelingen en door overheden en monumentencommissies om de rapporten en verbouwplannen te toetsen. De kennis over het historische bouwen stelt de bouwhistoricus ook in staat om bij objectgericht onderzoek uitspraken te doen ten aanzien van de monumentale waarde, van het object als geheel en van de onderdelen waaruit het is samengesteld. Daarbij wordt gebruik

ESES

Bouwhistorische verkenning

10

gemaakt van de richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek (2009) waarin als toetsingscriteria de mate van authenticiteit en zeldzaamheid zijn genoemd. - Hoge monumentwaarde: van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied . (BAAC associeert dit doorgaans met bijzonder of uitzonderlijk omwille van de hoge mate van authenticiteit en zeldzaamheid). Voor onderdelen waaraan hoge monumentale waarde is toegekend, geldt dat deze zaken op louter bouwhistorische gronden absoluut behouden dienen te blijven. Omdat er bij het maken van een kwalitatief hoogwaardig plan dat voldoet aan de huidige voorschriften op het gebied van veiligheid, duurzaamheid en functievereisten meer komt kijken dan alleen het bouwhistorische belang, blijkt het in de praktijk niet altijd mogelijk om zaken die hoge monumentwaarde vertegenwoordigen volledig intact te laten. Dit moet echter wel dégelijk het streven zijn van zowel eigenaar, planvormer en toetsende instanties. Met andere woorden: Bij zaken die hoge monumentwaarde vertegenwoordigen is het behoud een zéér zwaarwegende factor bij de afweging van algemene belangen (de betekenis van het monument voor de samenleving) met de belangen van de eigenaar/ontwikkelaar. Aanpassingen zijn niet ondenkbaar.

In eerste instantie moet dan echter worden gedacht aan aanpassingen die de bestaande monumentwaarde ondersteunen: herstel van details, terugbrengen van oorspronkelijke kleurstellingen, het verwijderen van waarde-verstorende elementen of in bepaalde situaties reconstructie. Indien bij de afweging van alle factoren de conclusie is dat aantasting van delen met hoge monumentwaarde onafwendbaar is, dan geldt dat eigentijdse ingrepen met zorg moeten worden uitgevoerd en dat daarbij de historische toestand van het gebouw maatgevend is. Óf er moet duidelijk aantoonbaar sprake zijn van een duurzame ingreep of toevoeging die voor het monument een wezenlijk, nieuwe betekenislaag geeft die essentieel is voor het voortbestaan van het monument als geheel. Aanpassing van elementen met hoge monumentwaarde kan gevolgen hebben voor de monumentale status van het gebouw als geheel. - Positieve monumentale waarde: van belang voor de structuur en/of de betekenis van het object of gebied. (BAAC beschouwt dit doorgaans als basiswaarde en kent het toe op grond van hoge mate van authenticiteit óf hoge mate van zeldzaamheid). Voor onderdelen waaraan positieve monumentale waarde is toegekend, geldt dat er bij het maken van verbouwplannen, vanuit bouwhistorisch oogpunt, gestreefd moet worden naar behoud er van.

Het monumentale belang van deze elementen dient zorgvuldig afgewogen te worden tegen de belangen van de eigenaar/ontwikkelaar en factoren als veiligheid, duurzaamheid en milieuaspecten. Aanpassingen van positief gewaardeerde onderdelen zijn denkbaar wanneer de aard en de monumentale waarde van het geheel blijven bestaan of worden versterkt en er sprake is van het toevoegen van kwaliteit. Substantiële aantasting van positief gewaardeerde onderdelen kan gevolgen hebben voor de monumentstatus van het gebouw. - Indifferente monumentale waarde: van relatief weinig belang voor de structuur en/of de betekenis van het object als gevolg van een aantasting van de mate van authenticiteit of de veelvoorkomendheid. Vanuit bouwhistorisch oogpunt bestaan er geen zwaarwegende argumenten om het volledige behoud van indifferent gewaardeerde onderdelen na te streven. Wijzigingen behoren doorgaans tot de mogelijkheden, sloop in veel gevallen ook wanneer dat ten goede komt van het behoud van positief en hoog gewaardeerde onderdelen van het gebouw. Reconstructief herstel kan in uitzonderlijke gevallen leiden tot opwaardering van indifferent gewaardeerde onderdelen naar positief (bijvoorbeeld door reconstructie van deuren, vensters en details).

11

l:r.T.T«C

1.6.2 Objectiviteit Omdat de toekenning van monumentwaarde geen exacte wetenschap is, is iedere waardering onderhevig aan subjectiviteit. De mate van authenticiteit is voor een ieder nog wel vrij goed te beoordelen, al speelt wel altijd de vraag op welke niveau er getoetst wordt (op objectniveau, structuurniveau, elementniveau of zelfs afwerkingsniveau) en liggen de verwachtingen ten aanzien van de oorspronkelijkheid bij een wederopbouwpand doorgaans hoger dan bij een woonhuis dat de oorsprong in de zestiende eeuw heeft. Lastiger wordt het al bij de beoordeling van de mate van zeldzaamheid, omdat dit sterk afhangt van het kenniskader waarover de bouwhistoricus beschikt. In de bouwhistorische discipline is er maar weinig kwantitatieve gegevens beschikbaar met betrekking tot bouwhistorische zaken. Bij BAAC stellen we een waardering naar eer en geweten op. De opdrachtgever krijgt een conceptrapport om er voor te zorgen dat wat in het rapport geschreven staat, begrijpelijk en duidelijk genoeg is. Invloed op de waardering heeft de opdrachtgever niet. Tenzij de opdrachtgever kan aantonen dat bij de waardering een vergissing is gemaakt met betrekking tot de mate van authenticiteit of de mate van zeldzaamheid van een element in het gebouw. Evengoed heeft een toetsende instantie geen invloed op de waardering en de waardenstellingen in onze rapportages.

Wél heeft een monumentencommissie de mogelijkheid om van de waardering in de rapportage af te wijken. De commissie kan de zo objectief mogelijke waardering en waardenstellingen van BAAC overnemen óf naast zich neerleggen. Dat laatste dient uiteraard wel door de commissieleden te worden gemotiveerd.

l:r.T.T«C

Bouwhistorische verkenning

12

2.1 Administratieve gegevens Plaats: Berkel en Rodenrijs Adres: Lies Frankenweg 1 Monumentenstatus: Geen ('cultuurhistorisch waardevol object') Historische functies: Molenhuis (?) en boerderij Toekomstige functie: Onbekend BAAC-project: B-24.0315 Type onderzoek: Bouwhistorische verkenning Datum veldwerk: 4 juni 2024 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland Uitvoerende: BAAC 's-Hertogenbosch Uitvoerder: BNB)

Het gebouw weergegeven op een kaartuitsnede afkomstig van bagviewer.kadaster.nl. Door het kadaster is het bouwjaar 1950 geregistreerd, wat vermoedelijk betrekking heeft op het bijgebouw. Toekenning van het bouwjaar 1950 werpt het vermoeden op dat er in dat jaar verbouwd of bijgebouwd moet zijn.

2.2 Programma van Eisen en beperkingen BAAC is gevraagd om een bouwhistorische verkenning uit te voeren van Lies Frankenweg 1 in Berkel en Rodenrijs. Het gebouw wordt op moment van schrijven anti-kraak bewoond. Er bestaan plannen om het pand te slopen en op de locatie vier nieuwe woonhuizen tot stand te brengen. Lies Frankenweg 1 is door de gemeente Lansingerland aangeduid als een 'cultuurhistorisch waardevol object'. Het is om die reden dat meer inzicht is gevraagd in de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden om die waarden bij de voorgenomen herontwikkeling van de locatie in de planvorming mee te laten wegen. Een bouwhistorische verkenning van het huis moet daarbij helpen.

13

l:r.T.T«C

Veldwerk vond plaats op dinsdag 4 juni en nam ongeveer anderhalf dagdeel in beslag. De bouwhistoricus is toegang tot het gebouw verleend en werd in de gelegenheid gesteld om zelfstandig en op eigen tempo door het pand te gaan en waarnemingen te verrichten. Het veldwerk kende een non-destructief karakter. Dit zorgde voor enkele beperkingen, waarvan de grootste de aanwezigheid van porisostenen klampmuren in het interieur vormden. Hierdoor konden gevels niet van binnenuit worden verkend en kon bijvoorbeeld ook niet vastgesteld worden of balken van de zoldervloer van oudsher in de gevels aanwezig zijn. Een andere beperking was de isolatie van zolder, waardoor dakbeschot grotendeels uit het zicht bleef. Er is een sterk vermoeden dat onder een deel van het huis nog een kelder aanwezig is. Een toegang tot die kelder, is niet aangetroffen. In aanvulling op het veldonderzoek is online in beeldbanken naar beeldmateriaal gezocht. Uiteraard is ook het archief van het kadaster geraadpleegd en is in oude kranten naar vermeldingen van het pand gezocht.

Door de dicht begroeide tuin om het pand, is een overzichtsfoto met daarop het gehele huis, niet te maken.

2.3 Geregistreerd monument Het pand is geen geregistreerd monument. Op de CHW van de gemeente is het pand aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevol object. Beleid is aan die vermelding niet gekoppeld.

l:r.T.T«C

Bouwhistorische verkenning

14

3.1 Historische informatie Omstreeks 1773 werd de droogmakelij van Berkel opgericht om een aantal uitgeveende plassen droog te maken. Dit volgde op het droogleggingsbesluit (octrooi 1767)6, dat als resultaat de drooglegging van drie polders, die de Noordpolder, Zuidpolder en Westpolder werden genoemd had. Om de polders droog te maken en te houden, werden in de polders windwatermolens met schepraderen gebouwd. In de Westpolder kwamen drie windwatermolens aan één watergang. De eerste molen werd aangeduid met ondermolen (middenin de polder), de tweede met middenmolen en de derde die het water de boezem in sloeg met bovenmolen. Het betrof achtkantige grondzeilers die in hun hoedanigheid kort voor de sloop op foto's zijn vastgelegd (molendatabase.nl). In 1851 werd in deze polder een vijzelmolen gebouwd, in 1882 vervangen door een vijzelstoomhulpgemaal (molens bleven dus werken, het gemaal diende als ondersteuning, bijvoorbeeld bij hoogwater of gebrek aan wind). In 1926 werd het gemaal omgebouwd om het op ruwe olie te laten functioneren. Het gemaal maakte van dat moment de windwatermolens overbodig. De molens werden dan ook gesloopt, wat in 1928 gebeurde. Sloop of gedeeltelijke sloop viel ook de molenaars(zomer)woningen bij de molens ten deel, zo blijkt uit kadastraal onderzoek. Na verwijdering van de molen werd iedere locatie omgevormd tot erf, met daarop een boerderij.

Overigens is het zeker niet ondenkbaar dat de molenaars naast de bediening van de molen ook inkomsten verwierven middels agrarische inspanningen.

De westpolder op een kaart uit 1777 met daarop de drie molens. Bij de molens zijn geen huizen getekend, maar dat hoeft niet te betekenen dat er van meet af aan geen (zomer)huizen bij de molens hebben gestaan.

6 https://www.molenwereld.com/assets/files/nr-113-maart-2008.pdf

15

l:r.T.T«C

Het voorliggende rapport heeft betrekking op de locatie van de middelste windwatermolen van de Westpolder. Die molen zou in het verleden ook wel aangeduid zijn met de naam Kerfwateringse molen, al heeft dit volgens andere bronnen - die het volgens ons bij het rechte eind hebben betrekking op de bovenmolen van de Westpolder. Fundamenten van de molen zijn in de ondergrond nog (deels) aanwezig en ook de overkluisde watergang is vermoedelijk nog grotendeels intact.

De bovenmolen, middenmolen en ondermolen op foto, gemaakt kort voor de sloop van de molens in 1928. Op geen van de foto's zijn de molenaarswoningen te zien.

3.2 Kadastraal Onderzoek Een prettig uitgangspunt voor ieder kadastraal onderzoek, vormt de kadastrale minuut waarin percelen en opstallen voor het eerst met een landelijke dekking nauwkeurig in bouwvlak zijn vastgelegd. De kadastrale minuut van Berkel en Rodenrijs, sectie B3, dateert van 1832 en toont een ledige polder met aan de dijken de drie eerder genoemde poldermolens. De molens zijn gesitueerd op een overkluizing van de watergang en hebben een achthoekige grondvorm. Alle drie de molens zijn voorzien van meerdere bijgebouwen. Bij de bovenmolen is sprake van een L-vormig huis en twee bijgebouwen, één op een vierkant grondvlak (vermoedelijk een hooiberg, de kleur die is gebruikt wijkt af van de overige gebouwen) en één met een rechthoekig grondvlak (vermoedelijk een schuurstal). De bijgebouwen zijn kort op het huis gesitueerd.

De bovenmolen met huis en daarbij vrijwel zeker een hooiberg en schuurstal.

ESES

Bouwhistorische verkenning

16

Het huis bij de ondermolen in het hart van de polder is een relatief langgerecht, rechthoekig gebouw. Naast dit gebouw is een vierkant figuur getekend, wat vrijwel zeker een hooiberg moet zijn geweest. Van een afzonderlijke schuurstal is hier geen sprake.

Detail van de kadastrale minuut met daarop de ondermolen. Bij de molen is een huis en enkel een hooiberg getekend.

Het huis bij de middenmolen is een relatief langgerekt huis met aan de korte, op de molen gerichte gevel een vierkante uitstulping die we ook bij de bovenmolen zien weergegeven, maar niet bij de ondermolen. Wat de functie van deze uitbouw is geweest, en of het een oorspronkelijke uitbouw betreft, is niet duidelijk geworden. Op de minuut zijn ook boerderijen buiten de polder te zien met dit soort uitbouwen. Op het erf van het huis zijn twee bijgebouwen getekend, waarbij opvalt dat de vermoedelijke hooiberg dichtbij het huis ligt (zoals ook bij de andere molens), doch dat het gebouw dat we als een schuurstal interpreteren, aan de overzijde van de watergang is gesitueerd. Een logische verklaring hiervoor hebben we niet kunnen vinden (wellicht heeft het met ontsluiting van de schuurstal vanaf de weg te maken).

Detail van de kadastrale minuut met daarop de middenmolen, het huis en de bijgebouwen.

17

l:r.T.T«C

1^

L*"

rVJT

I

Wanneer we de huizen van de drie molens op van de kadastrale minuut op een rij zetten, dan kunnen we vaststellen dat alle huizen dezelfde breedte hebben. Het huis van de bovenmolen is korter dan de rest, maar in oppervlak nagenoeg gelijk, door de L-vormige plattegrond. Het huis van de ondermolen (rechts) is korter en ontbeert een uitbouw tegen één van de korte gevels. De hooibergen zijn ongeveer even groot.

Bij de Onderliggende Aanwijzende Tafel (OAT) waarin administratieve gegevens behorend bij de kadastrale minuut zijn geschreven, is de nodige informatie over de molens te vinden. Alle bouwwerken van de middenmolen zijn gelegen op perceel B-847 dat omschreven is als watermolen en erf. De bijgebouwen zijn in de OAT dus niet genoemd. Perceel B-845 is een tuin, perceel B-846 is als boomgaard in gebruik. Grond en gebouwen zijn eigendom van de Droogmakerij van Berkel. In de kadastrale legger van de droogmakelij (legger 39) is in dienstjaar 1867 vereniging van percelen vermeld. Die vereniging is niet met hulpkaart of veldtekening gedocumenteerd. Het bezit is overgebracht naar legger 396, op naam van de 'Polder van Berkel'. Perceel B-847 is omschreven als watermolen, erf en huis. In dienstjaar 1930 is opgetekend dat er sloping plaats heeft gevonden. Daarna is het geheel in de legger omschreven als huis en erf onder hetzelfde perceelnummer. Hierop volgt in dienstjaar 1933 de vermelding van een kadastrale vereniging en wordt een nieuw perceelnummer toegekend, namelijk B-2651. Dit is omschreven als huis, schuur en erf. In dienstjaar 1952 is opgetekend dat er splitsing plaatsvindt. Daarna is er sprake van twee huizen, schuren en erf, nog steeds in eigendom van de Polder van Berkel.7 In dienstjaar 1967 is er sprake van verkoop.

De nieuwe eigenaren zijn Petrus Arnoldus en Arnoldus Petrus van Schijndel, beide veehouders in de Westpolder van Berkel en Rodenrijs. De beschrijving van het eigendom blijft hierbij gehandhaafd. Nog steeds is er sprake van twee huizen en (twee) schuren. In dienstjaar 1973 vindt verkoop plaats. De koper is Joannes Henricus van Groningen. Op zijn legger is van huizen geen sprake meer. Perceel B-2651 wordt omschreven als schuren en erf. Wanneer Jetty Frederika Jacoba Holzhauer medeeigenaar wordt, is er wel weer sprake van een huis. Perceel B-2651 is op de legger omschreven als huis, schuur en erf (zie kadastrale leggers 13, 396, 1610, 2313, 3101 en 4093). Er zijn zeer weinig kadastrale hulpkaarten en kadastrale veldtekeningen aangetroffen die betrekking hebben op de percelen B-847 en B-2651. Gelukkig zijn de kaarten die wél in het archief van het kadaster konden worden achterhaald, bijzonder interessant. De oudst aangetroffen hulpkaart stamt uit dienstjaar 1933. De hulpkaart laat alle drie de molens in de Westpolder zien. Of eigenlijk laat zij zien dat al deze drie molens zijn gesloopt. Bij de weergave van het terrein van de 7 Het is niet ondenkbaar dat de huidige schuur aan de straat een tijd als woning is aangemerkt. Het is ook mogelijk dat in het huidige huis sprake is geweest van een dubbelwoning.

i-mi:

Bouwhistorische verkenning

18

bovenmolen is te zien dat ook de hooiberg en de schuur van de kaart zijn verdwenen. Ten westen van de oude huisplaats is een nieuw gebouw verrezen, vrijwel zeker een boerderij. De tekening van de ondermolen laat ook zien dat niet alleen de molen, maar ook de hooiberg is verdwenen. Het huis lijkt ook gesloopt te zijn. Op de plaats van het huis is een nieuw gebouw te zien, dat langer én breder is (wat het weinig waarschijnlijk maakt dat van het oude gebouw meer dan één van de lange zijgevels behouden kon blijven). Het nieuwe gebouw krijgt een L-vormig grondplan als gevolg van twee haaks op elkaar aansluitende bouwdelen. Vermoedelijk werd na de sloop van de molen op de plek van het oude molenhuis ook hier een boerderij gebouwd. Het nieuwe huis van de bovenmolen en het nieuwe huis van de ondermolen zijn bekend van foto's van kort voor de sloop (zie paragraaf 3.4). Het huis bij de fundamenten van de ondermolen is in 2008 gesloopt.

De bovenmolen, middenmolen en ondermolen op de kadastrale minuut (boven) en de kadastrale hulpkaart uit dienstjaar 1933.

De kadastrale hulpkaart uit dienstjaar 1933 laat ook de veranderingen bij de locatie van de middenmolen zien. Duidelijk is dat de molen en de schuur(?) ten zuiden daarvan, zijn gesloopt. Percelen 845, 846 en 847 worden tot één perceel samengevoegd, wat het aannemelijk maakt dat boomgaard (B-846) en tuin (B-845) hun vroegere functie hebben verloren. Op de hulpkaart is een huis getekend met dezelfde breedte als het huis dat ongeveer honderd jaar eerder op de kadastrale minuut is weergegeven én op dezelfde plek. Aan de noordzijde is het nieuw getekende huis echter ingekort ten opzichte van de bebouwing op de kadastrale minuut, aan de zuidzijde is het daarentegen juist uitgebreid. Verder valt op dat de hooiberg op de hulpkaart gehandhaafd is. Op basis van deze kadastrale gegevens, wordt het mogelijk geacht dat in het huidige gebouw een oudere kern bestaat van een pand dat op de kadastrale minuut al is weergegeven. Waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk moeten duidelijk maken of er inderdaad nog van een oude(re) kern sprake is.

19

l:r.T.T«C

Detail van de kadastrale hulpkaart waarop de veranderingen rond 1930 zijn opgetekend. De oppervlakte van het nieuw getekende huis is vrijwel gelijk aan het oppervlak van het huis oude huis van de bovenmolen. Wanneer we uitgaan van een meetfout in 1832 (het huis van ondermolen twee is langer getekend dan het in feite was), komt de oppervlakte van de woning bij de middenmolen overeen met het oppervlak van het huis van de ondermolen zoals getekend in 1832.

De veldtekeningen die aan de basis liggen voor de hulpkaarten, geven vaak aanvullende informatie. De wijzigingen tijdens sloop van de drie molens zijn op één veldtekening vastgelegd. Ten aanzien van de bovenmolen is opgetekend dat er sprake is van sloping, stichting en vereniging. Dit past bij wat we gezien hebben op de hulpkaart. Bestaande bebouwing werd gesloopt en een nieuw huis werd gesticht. Op de veldtekening is ten noorden van het nieuwe huis een zevenzijdig bouwwerkje te zien dat een hooiberg moet voorstellen. Ook bij de ondermolen is op de veldtekening opgetekend dat het hier gaat om sloping, vereniging en stichting. De gebouwen zijn alle als geheel nieuw opgetrokken weergegeven op de veldtekening (alle gevels in rode lijn), zoals dat ook bij de bovenmolen het geval is. Richten we de blik op de weergave van de middenmolen op de veldkaart, dan valt direct op dat hier geen stichting is vermeld, maar bijbouw. Op de tekening zijn met rode lijn nieuwe gevels/geveldelen weergegeven. Aan de hand van de maatvoering op de tekening, kan worden vastgesteld dat het bestaande pand aan de noordzijde 3,8 meter werd ingekort en dat het aan de zuidzijde ongeveer 4,9 meter werd vergroot.

Belangrijk voor de bouwhistorische verkenning is ook de vermelding van 'hs' in het nieuw aangebouwde deel, omdat dit staat voor 'huis', terwijl in het ouder deel 'schr' is geschreven, wat voor schuur staat. Waar tegenwoordig dus de keuken is te vinden, was in 1933 sprake van een schuur.

l:r.T.T«C

Bouwhistorische verkenning

20

Detail van de veldtekening uit dienstjaar 1933. Er is bij de 'gesloopte bovenmolen' sprake van sloping, stichting en vereniging, waarbij we een geheel nieuw gebouw in rode omlijning zien weergegeven.

Detail van de veldtekening uit dienstjaar 1933. Er is bij de 'gesloopte ondermolen' sprake van sloping en stichting, wat overeenstemt met de gehele rode omlijning van huis en schuur op de kaart.

21

Detail van de kadastrale hulpkaart uit dienstjaar 1933 waarop we aan de zuidzijde een uitbreiding zien, en aan de noordzijde een inkorting of redres. Hs in de kaart staat voor Huis, Schr voor Schuur.

3.3 De bouwtekening Bij het stadsarchief Rotterdam is geïnformeerd of er in het archief bouwtekeningen van Lies Frankenweg 1 zijn gearchiveerd. Er is een dossier van panden aan de Lies Frankenweg aanwezig, maar of hierin voor het onderzoek relevante stukken aanwezig zijn, kon niet worden medegedeeld. Binnen de kaders van de verkenning is van een bezoekje aan het archief vooralsnog afgezien.

l:r.T.T«C

Bouwhistorische verkenning

22

3.4 Historische foto's Er zijn tijdens het onderzoek geen historische foto's aangetroffen waarop het huis nabij de fundamenten van de middenmolen is te zien. We zullen ons moeten behelpen met foto's van de huizen die nabij de plek van de boven- en ondermolen omstreeks 1930 geheel nieuw zijn gebouwd. Het is goed om hier op te merken dat deze gebouwen, zoals uit het kadastraal onderzoek is gebleken, gebouwd zijn in de tijd dat de molens werden gesloopt en dat er dus nimmer 'molenaars' in de huizen hebben gewoond. De gebouwen zijn boerderijen gebouwd op voormalige molenerven. Van het huis dat werd gebouwd op het erf van de gesloopte ondermolen, is één foto aangetroffen, gepubliceerd in Molenwereldvan maart 2008. De foto is kort voor de sloop van het gebouw gemaakt. We zien het huis met in de achtergrond de haaks daarop geplaatste schuur, zoals weergegeven op de kadastrale hulpkaart van dienstjaar 1933. Het huis is éénlaags onder een met pannen gedekt zadeldak voorzien van overstek bij de kopgevel. De kopgevel lijkt de oorspronkelijke gevelindeling te hebben, met op de begane grond twee vensters met een negenruits raamindeling en op de zolder één smaller vensters waarvan de raamindeling niet duidelijk is te zien. Door de vensters op de begane grond zijn twee rechthoekige gevelopeningen in de linker zijgevel te zien, waarbij de voorste opening mogelijk een deuropening is.

Van de rechter zijgevel is de voorste helft te zien. Hierin zijn twee vensters onder rondboog te onderscheiden. Daarnaast zien we een reeks balklaagankers die erop wijst dat de zoldervloer een enkelvoudige balklaag heeft. Een aantal ankers is voorzien van extra lange schieters en geeft daarmee de positie van de kapspanten aan. Qua vormgeving van het huis vallen vooral de negenruits vensters op en de toepassing van rondboogvensters in de zijgevel, omdat dit omstreeks 1930 als zeer traditioneel kan worden aangemerkt. Op basis van de verschijningsvorm alleen, zouden we het pand op de foto eerder in de late negentiende- of de vroege twintigste eeuw hebben gedateerd (met dien verstande dat er dan sprake zou zijn geweest van schuifvensters en niet van vaste ramen op de begane grond). Het is overigens niet uit te sluiten dat vaste ramen ná 1930 in de plaats zijn gekomen van schuiframen, die we van foto van het huis op de plek van de bovenmolen kennen. Aanwijzing voor aanpassing van het pand op het erf van de gesloopte ondermolen, vormt het gegeven dat de gevels zijn gewit, wat men meestal deed om aanpassingen in het metselwerk of de gevelindeling te maskeren.

Opname 'ondermolen' Westpolder (herkomst: Molenwereld).

23

l:r.T.T«C

Van het huis op het erf van de gesloopte bovenmolen zijn twee foto's op de website van de Historische Vereniging Berkel en Rodenrijs aangetroffen. De eerste foto toont het huis nagenoeg frontaal en is in de jaren tachtig gemaakt, vermoedelijk kort voor de sloop van het gebouw. We zien in een open terrein met om het huis enkele bomen, een in schoonmetselwerk uitgevoerde topgevel met dezelfde opzet en indeling als het huis op het erf van de gesloopte ondermolen. Op de begane grond is één venster aanwezig, de andere gevelopening is dichtgezet. Het venster heeft een tweeruits onderraam en een drieruits bovenraam. Typologisch loopt dit soort vensters, dat met name in het eerste kwart van de twintigste eeuw werd toegepast, omstreeks 1930 wel op het eind. Op de zolder zien we een iets kleiner, maar typologisch identiek venster. Het is aannemelijk te maken dat het huis op het erf van de vroegere ondermolen ook dit soort vensters in de kopgevel gehad moet hebben. Bij vergelijking van beide gebouwen valt op dat alleen bij de 'bovenwoning' bij de vensters van de begane grond strijkbalkankers zijn toegepast.

Huis op het erf van de gesloopte bovenmolen van de Westpolder (HVBR A0859).

Op een overhoeks gemaakte foto uit 1983 is goed te zien dat er sprake is van schuifvensters. De bovenramen komen iets verder naar voren dan de onderramen van de vensters. In de rechter zijgevel is een schuifvensters horende bij het woongedeelte te onderscheiden (dus geen rondboogvensters hier) én een schuurVstaldeur. Op de foto menen we ook vast te kunnen stellen dat het pand aan de achterzijde (schuur/stal) is uitgevoerd als schilddak of met wolfseind. Hier biedt een derde foto van het pand uitkomst. Die foto toont namelijk een deel van de achtergevel van het gebouw. Het deel waarin dus een schuur/stal is ondergebracht. Op de foto zien we dat de in schoonmetselwerk uitgevoerde achtergevel een afgetopte topgevel is, beëindigd met een wolfseind. De gevel heeft één vensteropening, hoog in het midden van de gevel. De vensteropening bevat een venster met in het kozijn een vast vierruits raam. De indeling vertoont grote overeenkomst met de kopgevel van Lies Frankenweg 1! Wat we op de foto ook kunnen vaststellen, is dat de kopgevel - die dus op basis van het kadastraal onderzoek aantoonbaar van omstreeks 1930 dateert - met handvormstenen is gemetseld. In de gevel is op niveau van de zoldervloer een groot aantal gevelankers te zien. Op de foto zijn verder een regenwaterput te zien en een buitenprivaat.

ESES

Bouwhistorische verkenning

24

m Molenhuis aan de bovenmolen (HVBR A0509, 1983).

Huis op het erf va de bovenmolen van de Westpolder (HVBR A0861).

25

4.1 De situering Het landschap rondom Berkel is aan veel veranderingen onderhevig geweest. Gebeurtenissen die in het verleden een groot stempel op het gebied hebben gedrukt, zijn de veenwinning, de droogmakerijen en in de tegenwoordige tijd het sterk uitdijen van infrastructuur en de kom van het dorp. Tot deze laatste ontwikkeling kan ook de grotendeelse bebouwing van de achttiende-eeuwse Westpolder worden gerekend. De polder behield lange tijd het oorspronkelijke agrarische karakter, ook toen door de polder een spoorbaan werd aangelegd. Tot in de twintigste eeuw waren en behoudens de drie molens nauwelijks huizen (boerderijen) in de polder gelegen. Dat veranderde geleidelijk aan, beginnend in de Interbellumperiode met de eerste uitbreidingen van het dorp, aanvankelijk vooral aan de oostkant van de polder, daarna ook langs de noordzijde. Op het einde van de Wederopbouwperiode verrezen in het gebied en aan de randen nieuwe buurten en wijken, een ontwikkeling die zich aan het begin van de eenentwintigste eeuw voortzette en naar verwachting binnen afzienbare tijd resulteert in volledige bebouwing van het vroegere agrarische landschap. De ontwikkelingen hebben geresulteerd in de grotendeelse teloorgang van de achttiende-eeuwse percelering en de watergangen die benodigd waren om de landbouwgronden (met name weiden) droog genoeg te houden.

Van de spaarzame bebouwing die in de achttiende en de negentiende eeuw in de polder te vinden was, resteert bovengronds nagenoeg niets meer. 4.2 De bouwmassa Het pand Lies Frankenweg 1 heeft op basis van met name het kadastrale onderzoek een samengestelde bouwmassa die zeer waarschijnlijk in drie fasen tot stand is gekomen. Wat vermoedelijk in de basis nog het oudste bouwdeel is (bouwdeel 1), is een langgerekt éénlaags bouwwerk onder een zadeldak, dat aan de korte noordzijde met een niet oorspronkelijk dakschild (namelijk omstreeks 1930 tot stand gebracht) eindigt. Tussen 1832 en circa 1928 was dit bouwdeel bijna vijf meter langer, waarna het volgens kadastrale gegevens werd ingekort. De zolder is laag en ongeschikt als verblijfsruimte. Een bouwdeel waarvan vast staat dat het omstreeks 1930 werd bijgebouwd, bouwdeel 2, is in het verlengde van bouwdeel 1 opgetrokken. Het grondplan is nagenoeg vierkant. Er is sprake van een begane grond en een zolderverdieping. Door een lage borstwering op de trekken is een min of meer volwaardige zolderverdieping ontstaan. We zien dat ook bij de nieuw gebouwde huizen op de erven van de gesloopte boven- en ondermolen (zie paragraaf 3.4). Een kadastraal veldwerk heeft aangetoond dat bouwdeel 2 direct na de realisatie als woonhuis in gebruik is genomen en dat bouwdeel 1 op dat moment als schuur fungeerde.

Bouwdeel 3 is niet onder een kap, maar onder een plat dak gebracht. De bakstenen waarmee de gevels zijn gemetseld, wijzen op een oorsprong in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Vrijwel zeker is dit in of kort na 1973 gebeurd, toen het geheel in bezit kwam van de familie van de voorlaatste bewoner van het pand. De gevelbekleding van dit bouwdeel is op de begane grond voorlangs de gevels van bouwdeel 2 getrokken, dat daardoor op de begane grond geheel is ingekapseld.

ESES

Bouwhistorische verkenning

26

De bouwdelen waaruit het gebouw is samengesteld.

27

5.1 Het exterieur 5.1.1 De korte noordgevel De op het noorden gerichte kopgevel van bouwdeel A is een éénlaags gevel voorzien van een recente dakgoot die met beugels aan de kap is bevestigd. Vanwege de dichte tuinbeplanting op zeer korte afstand van de gevel, is het maken van een overzichtsfoto niet mogelijk. Het is zelfs al lastig om in het veld een goed overzicht van de gevel te verkrijgen. De gevel is in schoonmetselwerk uitgevoerd. Daarbij is in een redelijk losjes kruisverband met kalkmortel gemetseld (voegwerk in portlandcement is van latere datum). De bakstenen meten 15,5-16,5 x 7,5 x 3,75-4 centimeter met een tienlagenmaat van 47 centimeter. Op verschillende stenen is beroeting aangetroffen, op andere zien we restanten van pleisterwerk. Beide zijn een aanwijzing voor hergebruik van de in de gevel verwerkte baksteen, aangezien in deze sporen in de huidige context geen enkel verband is te brengen. De gevel is ter rechter zijde in verband gemetseld met de lange westgevel van het pand, wat betekent dat beide gevels gelijktijdig zijn opgetrokken. Ter linkerzijde is van een netjes gemetselde hoek met de lange oostgevel geen sprake. Hier is vast te stellen dat de korte noordgevel ouder is dan het aansluitende deel van de lange oostgevel. Daar is dus sprake van een faseverschil.

De veldwerkschets van de korte noordgevel die in het verleden een deuropening en een centrale vensteropening heeft gehad en vermoedelijk ook een kelderlicht.

ESES

Bouwhistorische verkenning

28

Het toekennen van een datering aan de korte noordgevel is geen gemakkelijke opgave. In eerste instantie maakt de gevel een negentiende-eeuwse of zelfs nog oudere indruk. Op basis van het kadastrale onderzoek moeten we echter concluderen dat de huidige kopgevel vóór circa 1930 nog niet kan hebben bestaan. Het gebouw dat we op de kadastrale minuut zien verbeeld, strekt zich in noordelijke richting bijna vijf meter verder uit. Het lijkt er derhalve sterk op dat de oostgevel nog geen honderd jaar oud is en pas rond 1930 werd opgetrokken, in de tijd dat de molen werd gesloopt. Wat die gedachte ondersteunt, is een centraal in de gevel dichtgemetselde vensteropening. Een dergelijke vensteropening zien we op foto ook bij het aantoonbaar pas rond 1930 gebouwde huis op het erf van de bovenmolen (zie paragraaf 3.4). Ook op die foto zien we overigens een met handvormsteen en in kruisverband gemetselde gevel. De dichtgezette vensteropening meet ongeveer 60 centimeter in de breedte bij circa 65 centimeter in de hoogte. Die hoogte lijkt overigens niet oorspronkelijk te zijn. De opening is vermoedelijk in het verleden aan de onderzijde vergroot.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=aa72c1f0-d205-4fd9-9df0-1bdc7b4e284a