I21.08731 Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening" (excl. bijlagen bij de toelichting)
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
28 Asbestverdachte bovengrond: In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm maximaal een gehalte van 1,1 mg/kg d.s. aan hechtgebonden amfibool en serpentijn asbest aangetoond. Dakrand loods: De bovengrond is matig glashoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. De bovengrond is sterk verontreinigd met serpentijn- en amfiboolasbest. Het gehalte overschrijdt ruim de interventiewaarde. Het materiaal betreft voornamelijk niet-hechtgebonden asbest. Op basis van de analyseresultaten en de zintuiglijke waarnemingen worden de sterke loodverontreinigingen in de grond als afgeperkt beschouwd. De sterke verontreiniging bevindt zich enkel in de bovengrond. De geschatte omvang van de sterke loodverontreiniging bedraagt 15 m3 (0,45 x 33 m2). De meer zuidelijk gelegen sterke verontreiniging lood (rondom boring 106) bevindt zich in boven en ondergrond en heeft tevens een omvang van 15 m3 (0,5 x 30 m2). De sterke verontreiniging wordt als afgeperkt beschouwd. De herkomst van beide puntverontreinigingen is niet eenduidig te herleiden en worden gezien als twee losstaande gevallen van bodemverontreiniging.
Uitgaande van de mate en het volume van de geconstateerde grondverontreiniging op de onderzoekslocatie (minder dan 25 m³ sterk verontreinigde grond per puntverontreiniging) is er geen sprake van ernstige bodemverontreiniging. Wel is geadviseerd om de rapportage ter beoordeling voor te leggen bij het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten). Als er graafwerkzaamheden plaatsvinden wordt geadviseerd om de sterke puntverontreinigingen met lood te saneren conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan van aanpak. Gelet op de beperkte omvang van de bodemverontreiniging worden er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Conclusie Geadviseerd wordt om de aangetroffen verontreiniging met lood en asbest op deellocatie B te saneren. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Valletta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 januari 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Valletta worden hiermee in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
29 archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn , dan is vooronderzoek nodig. Algemeen uitgangspunt is dat verwachte archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden moeten blijven. Het provinciaal ruimtelijk beleid voor terreinen van provinciaal belang is vastgelegd in de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit (par. 4.3.5 Archeologie) en uitgewerkt in de Verordening Ruimte (artikel 2.4.4 Archeologie en Romeinse Limes). Per 18 april 2013 is de beleidsnota Archeologie Lansingerland in werking getreden, vastgesteld 28 maart 2013. Per 7 maart 2017 is deze geactualiseerd. Met het vaststellen van deze Archeologienota (en de daarmee samenhangende archeologische verwachtingen en –beleidsadvieskaart) wil de gemeente Lansingerland de onderstaande doelstellingen realiseren: 1. Een beknopt inzicht geven in het geldende Rijks- en provinciale archeologiebeleid. 2. Aangeven met welke wettelijke verplichtingen de gemeente rekening dient te houden. 3. Weergeven welke archeologische verwachtingen er zijn in Lansingerland. 4. De aanwezige archeologische verwachtingen vertalen in archeologisch beleidsadviezen en vrijstellingen. 5. Het verankeren van deze archeologische beleidsadviezen, door ze op een kaart te verbeelden (zie de zogenaamde archeologische beleidsadvieskaart). 6. Het benoemen en helder maken van overige beleidskeuzes. 7.
Het verschaffen van inzicht in de organisatorische gevolgen die samenhangen met de archeologische adviezen en overige gemaakte beleidskeuzen. Archeologische vondsten moeten altijd bij de gemeentelijke archeoloog worden gemeld. Daarbij doet het er niet toe of de gemeente of een burger de grondeigenaar is en of de vondst toevallig is of het resultaat van onderzoek. In de Erfgoedwet is een meldingsplicht opgenomen. Deze meldingsplicht houdt in dat degene die archeologische waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, die waarnemingen meldt bij het Rijk. Melden bij de gemeentelijke archeoloog is eveneens toegestaan, deze zal dan zorgdragen voor de doormelding aan het Rijk. Het niet melden van een archeologische vondst is door de wetgever strafbaar gesteld.
Figuur 10: Archeologische beleidskaart 2016 Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
30 Vanwege het ontbreken van een arcering wordt uit figuur 10 opgemaakt, dat ter plaatse een lage archeologische verwachtingswaarde geldt. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek en/of het opnemen van een archeologische dubbelbestemming is daarom niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Sinds 1 januari 2012 is artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en verdient cultuurhistorie nadrukkelijk aandacht in een bestemmingsplan. De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”; deze is inzichtelijk gemaakt in de cultuurhistorische atlas. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van het beleid. Uit de cultuurhistorische atlas (figuur 11) blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde waarden betreffen het bebouwingslint langs de Bergweg-Noord en de Dorpsstraat. De voorgenomen herontwikkeling van het plangebied heeft hier geen (negatieve) invloed op.
Figuur 11: Uitsnede provinciale cultuurhistorische atlas Op 12 juli 2017 is de Nota Cultuurhistorie Plus 2012 in werking getreden. Deze nota vormt de basis voor de gemeentelijke ambitie: “uitgroeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is”. De nota vertelt de ruimtelijke geschiedenis van het gebied. Ook de samenhang tussen de verschillende disciplines van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid, zoals ruimtelijk beleid en stedenbouw, beleid ten aanzien van het landschap, welstandsbeleid, monumentenbeleid en het beleid met betrekking tot de openbare ruimte, wordt duidelijker. Het gebiedstype woon- en werklinten is van toepassing aan de Hoeksekade. Het gaat om glastuinbouw- en sierteeltgebieden, ruimtelijk gedomineerd door kassencomplexen. Vanaf begin 20e eeuw heeft de tuinbouw zich ontwikkeld in de droogmakerijen. In de periode na 1945 is met name de glastuinbouw explosief gegroeid, het laatste decennium gevolgd door de sierteelt. De kenmerkende ruimtelijke structuur van de droogmakerijen is bij de ontwikkeling van de glastuinbouw gedeeltelijk zichtbaar gebleven, met name in de waterstructuur (tochten), in mindere mate in de verkavelingsstructuur. De verkavelingsrichting, haaks op de historische linten, is in stand gebleven. De kavelgrootte is echter met de opkomst van de glastuinbouw sterk vergroot.
Behalve aan de historische linten, liggen de kassencomplexen aan later aangelegde (insteek)wegen in de droogmakerijen en aan de N209-omleidingen bij Bergschenhoek en Bleiswijk. Kenmerkend voor de glastuinbouw is dat wonen en werken in veel gevallen gecombineerd worden.
Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
31 De woningen in de linten bestaan veelal uit één laag met kap en zijn uitgevoerd in zeer uiteenlopende individuele vormgeving. Door de aanwezigheid van de tuinderswoningen, zijn de afzonderlijke (familie)bedrijven herkenbaar. Dit gegeven, in combinatie met de zeer diverse, individuele vormgeving van de woningen, heeft een schaalverkleinend effect, ondanks de eenvormigheid en de omvang van de kassen. Cultuurhistorisch waardevolle objecten en landschapselementen moeten worden geduid en beschermd via bestemmingsplan (bijvoorbeeld door een dubbelbestemming). Ter plaatse aan de Hoeksekade is het welstandsbeleid vrij, echter kennen monumenten en cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken een bijzonder welstandsniveau met specifieke objectcriteria. In het plangebied is hiervan echter geen sprake. Op 15 november 2016 is de Erfgoedverordening gemeente Lansingerland 2016 in werking getreden. De Erfgoedverordening is vernieuwd vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Omgevingswet.
In aansluiting op de Erfgoedwet is gekozen voor een brede Erfgoedverordening die conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen). De verordening ziet niet op archeologie. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk en van aantasting van cultuurhistorische waarden is, bij het ontbreken van deze waarde, geen sprake. De woningen worden ingepast in het woon- en werkgebied.
4.3
Water
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan, aanvullend op het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK), dat zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het oppervlaktewater beheert. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW, 2000) schrijft voor dat in 2015 alle waterlichamen een “goede ecologische toestand” (GET), en voor sterk veranderde/kunstmatige wateren een “goed ecologisch potentieel” (GEP) moeten hebben bereikt. De chemische toestand moet voor alle waterlichamen (natuurlijk en kunstmatig) in 2015 goed zijn. Het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel (NBW-actueel, 2008) is een actualisatie van het oorspronkelijk NBW uit 2003.
Het betreft een overeenkomst tussen het rijk, de provincies, het Inter Provinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen. Het beleid van WB21 en KRW zijn belangrijke pijlers van het akkoord. Het NBW heeft tot doel om in 2015 het watersysteem op orde te hebben en daarna op orde te houden anticiperend op veranderende omstandigheden zoals onder andere de verwachte klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en toename verharde oppervlak. In de actualisatie 2008 is meer nadruk gelegd op klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave, ontwikkelingen in de woningbouw en infrastructuur en de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
32 Ook het hoogheemraadschap heeft haar beleid vastgelegd in een waterbeheerplan. Deze beleidsplannen, inclusief het gemeentelijk Waterplan Lansingerland, zijn er allemaal in hoofdzaak op gericht, dat ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkeld moeten worden. Deze beleidsterm heeft dan ook vooral betrekking op het zoveel mogelijk (binnen de ontwikkeling) neutraliseren van de negatieve hydrologische gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen in ruimte en tijd. Hierbij speelt de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' een belangrijke rol. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is opgesteld voor de planperiode 2016 - 2021. Het Nationaal Waterplan is in december 2015 door de ministerraad vastgesteld. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen.
De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan, vervangt daarmee op onderdelen het beleid uit de Nota Ruimte. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren. Hiervoor geldt de AMvB Ruimte. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor wordt een afzonderlijke AMvB opgesteld. Waterwet De Waterwet van 22 december 2009 vervangt een aantal bestaande wetten, zoals het Waterbeleid 21e eeuw en de Kaderrichtlijn Water, op het gebied van waterbeheer. De Waterwet is gericht op integraal waterbeheer, met de doelstelling voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen.
De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstige waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal Waterplan Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Dit plan bepaalt het waterbeleid.
Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
33 waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. Voor een klein aantal onderdelen blijft het provinciale waterplan 2010-2015 ongewijzigd van kracht. Waterbeheerplan 2016-2021 De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Het algemeen bestuur heeft op 29 juni 2016 het Waterbeheerplan 20162021 ‘Met mensen en water’(WBP) vastgesteld. Het hoogheemraadschap heeft het plan opgesteld met inbreng van diverse partijen tijdens regionale bijeenkomsten: onafhankelijke experts, belanghebbende organisaties, mede-overheden en enkele bewonersorganisaties. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het hoogheemraadschap voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. De taken worden uitgevoerd uit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Bijgedragen wordt aan de leefbaarheid van het gebied en vergroten de toekomstbestendigheid en duurzaamheid van het watersysteem. Het hoogheemraadschap gaat actief in gesprek met de omgeving en staat open voor initiatieven van inwoners, bedrijven en partners.
Particuliere initiatieven, die kunnen bijdragen aan duurzaam waterbeheer, worden gestimuleerd via een bijdrageregeling. Het Waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het hoogheemraadschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: • Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe; • De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; • Het waterhuishoudkundige systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; • Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.
In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. In het voorheen geldende Waterbeheersplan schrijft het hoogheemraadschap het volgende voor met betrekking tot randvoorwaarden bij ruimtelijke ontwikkelingen: “Verhardingstoename groter dan 500 m2 compenseren door realisatie van voldoende waterberging volgens NBW-systematiek: maatwerk”. De benodigde aanvullende waterberging wordt door het hoogheemraadschap berekend volgens de landelijke norm (NBW afspraken). De norm verschilt per gebiedsfunctie (woongebied, bedrijfsterrein of glastuinbouwgebied) en is mede gebaseerd op de actuele klimaatontwikkelingen en de daaraan gelieerde wateropgave in het gebied. De benodigde aanvullende waterberging wordt berekend als volume en doorgaans omgerekend in een wateroppervlak of percentage. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
34 • • •
• • •
compenserende waterberging wordt in beginsel gerealiseerd door het graven van open water; wanneer compensatie in het plangebied niet mogelijk is, dan wordt de compensatie in ieder geval gerealiseerd in hetzelfde peilgebied; wanneer er geen mogelijkheid is om compenserende waterberging te realiseren binnen het plangebied of het peilgebied kan in overleg met het hoogheemraadschap een andere positie worden bepaald. Tevens zijn onder restricties bepaalde vormen van alternatieve waterberging bespreekbaar; waterberging wordt gerealiseerd vóór uitvoering van het plan; het aanbrengen van >500 m2 verharding is vergunningplichtig op grond van de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard; de berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan.
Daarbij: • Hoofdwaterstructuur met de bestemming "water" opnemen op de verbeelding. In bepaalde gevallen volstaat een aanduiding binnen een andere bestemming ook; • In toelichting en bij voorkeur in regels opnemen dat op grond van de Keur onderhoudsstroken langs de hoofdwatergangen moeten worden vrijgehouden. Indien de ligging van de onderhoudsstroken exact bekend is, is het gewenst deze ook op de verbeelding op te nemen; • Vastleggen van belangrijke peilregulerende kunstwerken op verbeelding en in de regels. De voorwaarden in de regels moeten een goede bedrijfsvoering niet hinderen. Wateraanvulling opnemen in toelichting en indien belangrijk ook in regels. Bij minder belangrijke plannen kan ook worden verwezen naar de watervergunning. Uitgangspunt is dat vervuiling van het watersysteem (en het milieu) moet worden voorkomen. Bij ontwikkelingen moeten geen nieuwe vervuilingsbronnen worden geïntroduceerd. Uitlogende metalen, PAK's, bepaalde coatings en andere stoffen kunnen leiden tot belasting van het oppervlakteen grondwater. Wanneer afstromend water (licht) verontreinigd is, moet het afstromend worden gezuiverd met behulp van zuiveringsvoorzieningen. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe schoonhouden, scheiden, zuiveren (3-traps-strategie waterkwaliteit).
Verontreinigingen worden in beginsel voorkomen, vervolgens worden deze aangepakt bij de bron. Het verdient de voorkeur bij de inrichting van nieuwe terreinen preventieve maatregelen te nemen die onkruidbestrijding met betrekking tot chemische bestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk voorkomen. Lozingen in oppervlaktewater van hemelwater die als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijv. zinken of koperen daken) verontreinigd zijn geraakt zijn vergunningplichtig. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen op straatverharding is ongewenst en mag volgens wettelijke gebruiksvoorschriften uitsluitend volgens de DOB-methode (Duurzaam OnkruidBeheer) worden toegepast. Waterplan Lansingerland De gemeente Lansingerland en de hoogheemraadschappen werken samen om een goede waterkwaliteit te realiseren. In het Waterplan Lansingerland staat hun gezamenlijke visie en de plannen en maatregelen tot 2040. De thema’s die beschreven staan in het Waterplan Lansingerland van 29 april 2010 zijn voldoende en schoon water, veilige kaden en dijken, grondwater, riolering en afvalwaterzuivering, beheer en onderhoud, recreatie en samenwerking. Het doel van het Waterplan is het maken van afspraken, waarmee een robuust, veilig en duurzaam watersysteem gerealiseerd kan worden.
Dit watersysteem moet voldoen aan landelijke en Europese normen en moet gebaseerd zijn op een gezamenlijke visie van gemeente en hoogheemraadschappen. Onderdelen hiervan zijn: a. een samenhangende beschouwing van de ambities, ruimtelijke ontwikkelingen en (water)problemen; Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
35 b. een integrale (ruimtelijke) visie op het grondwater, oppervlaktewater en de riolering; c. een concreet maatregelenpakket voor de realisatie van maatregelen. De doelgroep van het stedelijk Waterplan bestaat uit bestuurders (van de gemeente en de hoogheemraadschappen), bewoners, beleidsmakers en beheerders. Het Waterplan heeft geen wettelijke status, maar fungeert als koepelplan en integraal kader voor afspraken over watermaatregelen tussen gemeente en hoogheemraadschappen. Op 30 juni 2011 is de eindrapportage van het Waterplan vastgesteld. In het plan staat beschreven dat 50% van oevers natuurvriendelijk ingericht moeten zijn. Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2020 In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2020 (GRP) staat beschreven hoe de gemeente omgaat met afvalwater, hemelwater en grondwater. De ambities voor de huidige planperiode concentreren zich met name op het in stand houden van het systeem, het vernieuwen van de basisrioleringsplannen (BRP’s) en het uitbouwen van kennis over het functioneren van het systeem door meten en monitoren. Waar in de voorgaande planperiode de focus lag op maatregelen ter verbetering van het rioolstelsel zullen in deze planperiode nieuwe inzichten worden vergaard waar vervolgens weer nieuwe maatregelen uit zullen volgen.
Ook wordt de samenwerking en afstemming binnen de (afval)waterketen tussen Lansingerland, het hoogheemraadschap van Delfland, het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en andere gemeenten in de regio voortgezet en versterkt. De gemeente hecht daarnaast belang aan duurzaam verwerken van hemelwater, zoals het scheiden van schone en vuile waterstromen (daar waar kansen zijn) en het op locatie vasthouden/verwerken van hemelwater. Maar wel vanuit een realistisch oogpunt, waarbij ook de kosten die het met zich mee brengt worden meegewogen. Watertoets Huidig watersysteem Het plangebied is volgens de provinciale risicokaart gelegen in dijkring "Zuid-Holland"; deze ring is onder andere gelegen langs de Nieuwe Maas en de Hollandsche IJssel. Het betreft hier een primaire waterkering met een beschermingsniveau van 1 op 10.000 jaar. Dit betekent dat de waterkering bescherming biedt tegen een extreem hoogwaterpeil dat gemiddeld genomen eens in de 10.000 jaar voorkomt. Daarnaast is het plangebied ook gelegen binnen de regionale dijkring “Centraal Holland”. Hier geldt een beschermingsniveau van 1 op 100. Geen van de waterkeringen, dan wel de bijbehorende beschermingszones, zijn binnen het plangebied gelegen. Bij een eventuele doorbraak van de waterkeringen is het mogelijk dat het plangebied onder water komt te staan.
Een groot deel van het bebouwingslint langs de Hoeksekade is aangesloten op een gemengd rioolstelsel. Dit betekent, dat het relatief schone hemelwater tegelijk met het (huishoudelijk) afvalwater wordt afgevoerd. Het eindgemaal op de hoek Leeuwhoekweg / Sporthoekpad transporteert dit afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Kralingseveer. Toekomstig watersysteem Het hoogheemraadschap stelt dat sprake is van een middelgroot plan waarbij minimaal 15% van de toename gecompenseerd moet worden, minus de 500 m2 vergunningvrije toename. Door de realisatie van het voorgenomen bouwplan neemt het verhard oppervlak vanwege daken, tuinen en ontsluiting toe met netto circa 2550 m2 (3050 m2 min 500 m2) Dit betekent, dat minimaal 383 m2 aan watercompensatie plaats moet vinden. In het plangebied komt een waterpartij, nieuwe watergang en wordt een bestaande watergang verbreed. Dit leidt tot een toename van het wateroppervlak met circa 400 m2, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de compensatieverplichting. In het stedenbouwkundig plan en daarmee ook in dit bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden, door aan deze gronden de bestemming ‘Water’ toe te kennen.
Omdat het plangebied niet is gelegen in (de nabijheid van) een waterkering, noch in de daarbij behorende beschermingszone, heeft de Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
36 voorgenomen ontwikkeling geen invloed hierop. Omdat geen parkeerkelders worden voorzien, treden ook geen effecten op het grondwatersysteem op. De voorziene woningen worden voorzien van een gescheiden rioolstelsel, waardoor het afval- en het hemelwater gescheiden worden afgevoerd. Het hemelwater wordt geloosd op de omliggende watergangen. Het vuilwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen, wordt de nieuwe bebouwing voorzien van duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen. Zink, lood, koper en PAK´s-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Kortom, de planontwikkeling heeft geen negatief effect op de wateraspecten. Extra verhard oppervlak wordt ruim voldoende gecompenseerd met extra wateroppervlak. Voor realisatie van het plan is het aanvragen een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast geldt voor enkele werkzaamheden een meldingsplicht, zoals voor het verbreden/verlengen van de watergangen. Op 6 februari 2019 is het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard met het verzoek om een advies uit te brengen conform artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
De reactie van het hoogheemraadschap en de gemeentelijke reactie daarop is opgenomen in de nota inspraak en overleg en staat van wijzigingen die als bijlage 10 bij deze toelichting is gevoegd Het complete wateradvies van Econsultancy van 5 november 2018 is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting.
4.4
Geluidhinder
Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. Wegverkeerslawaai Uit het akoestisch onderzoek van Econsultancy van 15 oktober 2018 (bijlage 3) blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen alleen ten gevolge van het gedeelte van de Hoeksekade waar 30 km/uur gereden mag worden, wordt overschreden met 1 dB op één woning. Daarom heeft voor dit gedeelte van de Hoeksekade een afweging van geluidsreducerende maatregelen plaatsgevonden. Op basis van de maatregelenafweging worden zowel bron- als overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. De maatregelen stuiten op overwegende financiële en stedenbouwkundige bezwaren. Omdat er alleen een overschrijding optreedt ten gevolge van het 30 km/uur deel van de Hoeksekade, hoeft geen hogere waarde worden vastgesteld. Overige geluidsbronnen Wgh Omdat het plangebied niet is gelegen binnen de toetsingszone van een zoneplichte spoorweg en/of binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein, is toetsing aan de betreffende normen uit de Wet geluidhinder niet aan de orde.
Naast de bronnen uit de Wgh zijn er nog twee andere bronnen relevant voor het plangebied. Luchtvaartlawaai Het plangebied is op circa 4,3 kilometer van de luchthaven Rotterdam The Hague Airport gelegen. Op grond van de geldende omzettingsregeling van de luchthaven gelden momenteel geen beperkingen ter plaatse van het plangebied. De toekomstige woningen zijn immers gelegen buiten de 35 KeBestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
37 contour. Het plangebied ligt in het verlengde van de start-/landingsbaan van het vliegveld, waardoor vliegtuigen op een hoogte van circa 250 meter passeren. Uitgaande van een gemiddelde bezetting van 2,4 mensen per woning, leidt realisatie van het bouwplan (13 woningen) tot circa 32 extra gehinderden. Gezien de huidige persoonsdichtheid binnen de 20 Ke-contouren wordt deze beperkte toename acceptabel geacht. De gemeente en de ontwikkelaar zijn zich bewust van deze situatie en zullen de toekomstige bewoners bij de aankoop van hun woning attenderen op het feit dat hun woning is gelegen binnen de invloedssferen van Rotterdam The Hague Airport. Tevens is met de ontwikkelaar afgesproken dat in het koopcontract hiervoor een kettingbeding wordt opgenomen, zodat ook nieuwe kopers hiervan op de hoogte zijn. Daarnaast is de herontwikkeling van deze locatie al geruime tijd voorzien en opgenomen in zowel de provinciale, als de gemeentelijke structuurvisie. Het anticiperen op toekomstig beleid voor de luchthaven, waarvan de richting en uitkomst nog onzeker is, is gezien het bovenstaande niet wenselijk. Bedrijfslawaai Gelet op de uitspraak van de Raad van State is door SPA WNP ingenieurs akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting van het naastgelegen bedrijf ter plaatse van de voorziene woningen. In bijlage 14 is dit onderzoek d.d. 22 april 2021 opgenomen.
Omdat het naastgelegen bedrijf geen medewerking heeft verleend aan het uitvoeren van metingen bij het bedrijf om op basis van deze metingen (en berekening) de geluidemissie van het bedrijf in kaart te brengen, is ervoor gekozen om de, door het bedrijf veroorzaakte, geluidniveaus gedurende 7 dagen te monitoren middels een onbemande meetpost. Op basis van de meetresultaten is de geluidemissie van het bedrijf bepaald en is beoordeeld of de bedrijfsvoering van het bedrijf door de woningen nadelig wordt beïnvloed én of een voldoende woon- en leefklimaat bij de geprojecteerde woningen kan worden gegarandeerd. In de rapportage zijn de uitgangspunten en de resultaten van het akoestisch onderzoek weergegeven. Hierbij is uitgegaan van een worstcase benadering, waarbij ervan is uitgegaan dat de gemeten achtergrondniveaus volledig werden bepaald door de kassen. Daarnaast is rekening gehouden met een worstcase inschatting van de verkeersbewegingen op het terrein van betreffend bedrijf. Uit het onderzoek blijkt dat met de nieuw te bouwen woningen (en met het vaststellen van een maatwerkvoorschrift voor de nachtperiode van minimaal 42 dB(A)) de activiteiten van het bedrijf in overeenstemming zijn met de geluidnormen van het Activiteitenbesluit en dat het bedrijf (dus) niet wordt beperkt en dat bovendien sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Voor zover de gecumuleerde geluidbelasting ter plaatse van de woningen aan de hand van de Methode Miedema als ‘tamelijk slecht’ gekwalificeerd wordt, komt dit voornamelijk door vliegtuiglawaai. Het aandeel van de bedrijfsvoering – dat in de geluidopnames niet of nauwelijks te horen was - in de gecumuleerde geluidbelasting is verwaarloosbaar. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd, dat het thema geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen herontwikkeling.
4.5
Luchtkwaliteit
Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen, verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
38 concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 μg/m³ voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg is een grens van 1500 woningen bepaald. Het project ligt heel ver onder deze grens. Het project leidt dus ‘niet in betekenende mate’ tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Bovendien ligt de planlocatie niet binnen een dergelijke zone.
Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier – op basis van in te voeren verkeersgegevens - worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het omslagpunt waarbij een project eventueel een bijdrage van betekenis kan leveren ligt bij circa 1250 voertuigbewegingen (auto’s zonder vrachtverkeer) per etmaal. Het aantal verwachtte vervoerbewegingen als gevolg van de 13 grondgebonden woningen ligt beduidend lager dan dit aantal, waarmee het project NIBM is.
De grootschalige concentratiekaarten (GCN-kaarten) van luchtverontreinigende stoffen zijn bekeken. De kaarten (figuur 12 en 13) geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2016 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide circa 22 μg/m3 en voor fijn stof is dit circa 17,5 μg/m3. De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 μg/m3 en voor fijn stof 40 μg/m3. Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven en dat daarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
39
Figuur 12: Kaart stikstofdioxide
Figuur 13: Kaart fijnstof
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
40 het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de risicobron. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De wetgeving verdeelt gevoelige objecten in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. Deze verdeling is gemaakt om bepaalde groepen mensen in het bijzonder te beschermen. Dit onderscheid resulteert in een aantal criteria en anderzijds in met naam genoemde objecten. Kwetsbare objecten zijn woningen en gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van minimaal 50 personen verblijven gedurende een aaneengesloten tijd. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen verminderd zelfredzaam zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardenhuizen, kinderdagverblijven). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
Om eventuele belemmeringen en risico’s op het gebied van externe veiligheid in beeld te brengen is de risicokaart (figuur 14) geraadpleegd. Aan hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
41
Figuur 14: Provinciale risicokaart Mobiele risicobronnen Op een afstand van circa 500 meter ten noordwesten van het plangebied is een buisleiding W-521-01 voor aardgas gelegen. Het betreft hier een leiding van de Gasunie, met een diameter van circa 12,44 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. De bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontour ligt niet buiten de leiding. De Gasunie geeft aan op welke afstand van een leiding het uitvoeren van een groepsrisicoberekening noodzakelijk is. Voor een leiding met deze diameter en druk van strekt deze contour (invloedsgebied) zich uit tot 150 meter aan weerszijden van de leiding. Omdat de voorgenomen ontwikkeling ruim buiten deze contour is gelegen, wordt gesteld dat deze geen invloed heeft op het groepsrisico. Een nadere beschouwing en/of verantwoording van deze bron is niet aan de orde, zoals ook Econcultancy concludeert in haar rapport van 5 november 2018 (bijlage 5). Ook over de N209 worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Aangezien deze weg niet in het Basisnet Weg is opgenomen, wordt gesteld dat het aantal transportbewegingen minimaal is. Uit het bestemmingsplan “Leeuwenhoekweg” blijkt dat het om circa 3.527 bewegingen gaat. De stofgroep GF3 (brandbare gassen, zoals LPG) leidt hierbij tot het grootste invloedsgebied: 355 meter vanuit het midden van de weg.
Het plangebied ligt op zo’n 540 meter afstand en daarmee buiten het invloedsgebied. Een nadere beschouwing en/of verantwoording van deze bron is daardoor niet aan de orde. Het bouwplan ligt ook ruimschoots buiten de 200 m zone waarbinnen conform art. 8 van het Bevt verantwoording over het GR moet worden afgelegd. Stationaire bronnen In de omgeving van het plangebied zijn drie stationaire bronnen aanwezig, te weten: • Een gebouw voor de productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en warm water op het perceel Leeuwenhoekweg 56 W-078, gekoppeld aan eerdergenoemde aardgastransportleiding, waarvoor een invloedsgebied van 150 meter geldt. • Brandstofservicestation op het perceel Burgemeester van Oostenweg 7, zonder LPG-verkoop. • Brandstofservicestation op het perceel Bergweg-Zuid 70, met LPG-verkoop. Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
42 De afstand van deze bronnen tot aan het plangebied bedraagt circa 550 resp. 950 en 1280 meter. Gezien deze afstanden staat vast dat de bij deze bronnen behorende risicocontouren en invloedsgebieden niet over het plangebied zijn gelegen. Een nadere beschouwing en/of verantwoording van deze bronnen is daardoor niet aan de orde. Op een afstand van circa 4.300 meter is het vliegveld Rotterdam The Hague Airport gesitueerd. De bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontour is niet over het plangebied gelegen. De locatie valt zelfs juist buiten de PR-contour 10-7. Wel bevindt het plangebied zich in het verantwoordingsgebied groepsrisico. Vandaar dat een groepsrisicoberekening is uitgevoerd voor deellocatie A, waarvan ook in dit bestemmingsplan gebruik wordt gemaakt. Dit rapport is als bijlage 6 toegevoegd. Uit deze berekening blijkt, dat de toevoeging van de woningen niet leidt tot een berekenbare toename van het groepsrisico. Omdat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie het groepsrisico meer dan 1.000 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde, wordt een nadere verantwoording niet noodzakelijk geacht. Het plan is aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) ter advisering voorgelegd. De reactie van de VVR en de gemeentelijke reactie daarop is opgenomen in de nota inspraak en overleg en staat van wijzigingen die als bijlage 10 bij deze toelichting is gevoegd.
4.7
Ecologie / flora en fauna
De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en planten- en diersoorten (soortenbescherming). Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavig project worden twee woningen gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies.
Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde gebieden zijn uitgesloten; het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Boezems Kinderdijk op ruim 13 km en op 14 km de Reeuwijksche plassen. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofdstructuur - EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De dichtstbijzijnde onderdelen van de NNN zijn op ongeveer twee kilometer ten zuidwesten van het plangebied gelegen (ecologische verbindingszone). Daarnaast bevinden zich op een afstand van circa vier kilometer nog enkele gebieden die zijn aangewezen als bestaande en nieuwe natuur. Doordat de voorgenomen herontwikkeling niet leidt tot ingrepen in of direct nabij deze zones, zijn effecten redelijkerwijs uit te sluiten. Er is geen sprake van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS.
Belangrijke weidevogelgebieden bevinden zich op circa vier kilometer ten westen van het Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
43 plangebied. Door deze relatief grote afstand is verstoring door geluid, licht en/of beweging redelijkerwijs uit te sluiten. Effecten op weidevogelgebieden zijn dan ook niet aan de orde. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In een rapport van Econsultancy van 15 oktober 2018 (bijlage 1) zijn de bevindingen verwoord uit de quickscan flora en fauna.
De bevindingen zijn dat ten aanzien van algemene broedvogels overtredingen voorkomen kunnen worden door het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden. Ten aanzien van mogelijk in de omgeving rondom de locatie verblijvende vleermuizen wordt geadviseerd om verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en daarmee zo min mogelijk strooilicht veroorzaken, of om andere vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen, zoals grondgebonden zoogdieren en amfibieën, zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Door eventuele dempingswerkzaamheden zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt.
Omdat op eventuele verwachte inheemse vissensoorten de zorgplicht van toepassing is, wordt aanbevolen om ten tijde van een eventuele uitvoering de werkwijze vast te leggen in een separaat opgesteld ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Met betrekking tot gebiedsbescherming zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op het plangebied geen negatieve effecten te verwachten. Met betrekking tot de bescherming van houtopstanden wordt bij een velling van binnen het plangebied aanwezige beschermde houtopstanden en bomen aanbevolen om bij de gemeente een vergunning aan te vragen. Daarbij is een herplantplicht van toepassing. Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling zijn tegenstrijdigheden met de Wet natuurbescherming te voorkomen. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen – zie tabel V en bovenstaande – goed mogelijk is.
4.8
Milieuhinder
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Bij deze toets blijft een eigen bedrijfswoning buiten beschouwing. Een bedrijfswoning van derden wordt als reguliere burgerwoning beschouwd. Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
44 In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn aan de bedrijven dan wel bedrijfsactiviteiten milieucategorieën en richtafstanden toegekend. De genoemde afstanden zijn adviserend en indicatief, de situatie ter plaatse kan reden zijn om hiervan af te wijken. Bedrijven worden beoordeeld op gevaar, stof, geur en geluid. Deze brochure is als hulpmiddel (niet als blauwdruk) opgesteld om toe te passen bij plannen en toetsmomenten van ruimtelijke ontwikkeling, aldus ook de ondertitel van de brochure. De brochure is niet bedoeld om bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu te worden geraadpleegd. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren. Wel is dit een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. Milieucategorie in relatie tot afstand ‘rustige woonwijk’ 1 10 meter 2 30 meter 3.1 50 meter 3.2 100 meter 4.1 200 meter 4.2 300 meter. De afstanden zijn de afstanden tussen de bedrijvigheid/voorzieningen en de milieugevoelige bestemming; dus in beginsel de afstand van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. De VNGpublicatie geeft richtafstanden tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit geldt ook voor lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid. Ter plaatse is sprake van gemengd gebied. Dit is in de uitspraak van de Raad van State van 17 juni 2020 bevestigd. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele milieubelastende functies. • • •
Leeuwenhoekweg 52: Een bedrijf in zaadveredeling, te duiden als categorie 2-bedrijf; Sportvoorzieningen/Sporthoekpad 1-3: Hier vinden veldsporten plaatsvinden en wordt verlichting gebruikt. Het is een categorie 3.1 activiteit. Kas met WKK achter Hoeksekade 111-2/111-i en 111-k: Er is sprake van een categorie 2 bedrijf.
Om vast te stellen of deze activiteiten hinder opleveren voor de voorziene woningen, is een onderzoek naar de milieuzonering uitgevoerd voor deellocatie A. Dit rapport is als bijlage 7 toegevoegd. Leeuwenhoekweg 52 Voor het zaadveredelingsbedrijf Monsanto is uitgegaan van glastuinbouw met gasverwarming, milieucategorie 2. Op basis van deze milieucategorie geldt een afstand van 10 meter voor geluid en gevaar. In werkelijkheid is deze afstand veel groter. Omdat de VNG-bundel “bedrijven en milieuzonering” geen milieucategorie toekent aan de specifieke bedrijvigheid, zoals deze aan de Leeuwenhoekweg 52 plaatsvindt, is ook de specifiek te verwachten relevante milieuhinder in beeld gebracht aan de hand van de beschikbare vergunningen. Voor de woningen op deellocatie A levert deze nadere toetsing geen hinder op. Gezien de woningen op deellocatie B op grotere afstand van dit bedrijf liggen dan de woningen op deellocatie A, zullen de woningen op deellocatie B ook geen hinder ondervinden van dit bedrijf. Sportvoorzieningen/Sporthoekpad 1-3 Voor de veldsporten aan het Sporthoekpad geldt een afstand van 30 meter voor geluid met aandacht voor veldverlichting. De dichtstbijzijnde, (bestaande) woning van het plan ligt op ruim 60 m en de afstand tot de veldverlichting is circa 85 m, waardoor er ruim aan de richtafstand wordt voldaan.
Bestemmingsplan “Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie B, 1e herziening“ Toelichting, Vast te stellen, 3 mei 2021
45 Kas met WKK achter Hoeksekade 111-2/111-i en 111-k Dit glastuinbouwbedrijf valt ook onder ‘ glastuinbouw met gasverwarming’, milieucategorie 2. Op basis van deze milieucategorie geldt een afstand van 10 meter voor geluid en gevaar. Om te voorkomen dat de werkelijke afstand van de woningen tot de perceelsgrens van het bedrijf minder wordt dan 10 meter is in het bestemmingsplan een 10 meter brede strook opgenomen met de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – voor bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken’. In de regels wordt bepaald dat “Het gebied ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - voor bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken' is geen achtererfgebied zoals bedoeld in artikel 1 behorende bij bijlage II van het Besluit omgevingsrecht voor zover het gaat om voor bewoning gebruikte bijbehorende bouwwerken.“ Deze 10 meter zorgt er ook voor dat lichthinder als gevolg van assimilatieverlichting wordt voorkomen. Niet voor bewoning bedoelde bouwwerken mogen wel opgericht worden. De Raad van State heeft deze methodiek akkoord bevonden in haar uitspraak van 17 juni 2020. De WKK ligt op een dusdanige afstand van de woningen dat hiervan geen hinder zal worden ondervonden zoals is beschreven in het akoestisch rapport (bijlage 13).
De planregeling die garandeert dat op de stroken grond tussen de nabijgelegen bedrijvigheid en de voorziene woningen geen voor bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken mogelijk zijn, is door de Raad van State in de uitspraak van 17 juni 2020 goedgekeurd. Zoals in paragraaf 4.4 (Geluidhinder) over industrielawaai al beschreven, is in aanvulling op bovenstaande toetsing aan de hand van de VNG Brochure naar aanleiding van de uitspraak van 17 juni 2020 van de Raad van State akoestisch onderzoek gedaan en een rapport opgesteld. Dit rapport is als bijlage 14 aan de plantoelichting toegevoegd. Uit het rapport blijkt met de nieuw te bouwen woningen (en met het vaststellen van een maatwerkvoorschrift voor de nachtperiode van minimaal 42 dB(A)) de activiteiten van het bedrijf in overeenstemming zijn met de geluidnormen van het Activiteitenbesluit en dat het bedrijf (dus) niet wordt beperkt en dat bovendien sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er kan, inclusief de bovengenoemde planregeling en het maatwerkvoorschrift, worden voldaan aan de richtafstanden. Derhalve zal in het plangebied sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. De voorgenomen ontwikkeling vormt ook geen belemmering voor de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling waar dit plan in voorziet.