CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

BV21.0004 Verslag commissie Ruimte van 12 januari 2021

Commissie Ruimte 9 maart 2021, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststelling verslag vorige vergadering20.613 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

VERSLAG Commissie Ruimte BV21.0004 Datum vergadering

: 12 januari 2021

Digitaal aanwezig via Teams: Commissieleden: Leefbaar 3B : Henk Meester, Jan Pieter Blonk, Georgine Zwinkels VVD : Matthijs Machielse CDA : Hans van der Stelt, Charles van Harn WIJ Lansingerland : Jan Jumelet, Jan Alsemgeest CU : Kees Willem Markus, Arjen Hofman D66 : Michiel Muis, Ronald van der Stad GroenLinks : Menno Duk, Anja de Geus PvdA : Petra Verhoef, Valmir Xhemaili Wethouders

: Simon Fortuyn en Kathy Arends

Aanwezig in de raadszaal: Voorzitter : Nelleke Bouman Commissiegriffier : Karin Koemans Afwezig VVD

: Mauriel van As

1. Opening en mededelingen voorzitter De voorzitter, om 20.00 uur: Dames en heren, leden van de commissie ruimte, een ieder die afgestemd heeft op deze vergadering, de wethouders, die ik al gehoord heb en ook de inspreker, een ieder hartelijk welkom op deze eerste vergadering in het nieuwe jaar. U heeft net allemaal de persconferentie gehoor. Wij zitten voorlopig nog in lockdown, de maatregelen gaan sowieso nog door tot begin februari, dus wij zitten sowieso nog wel een keer achter dit apparaat en u achter de keukentafel of wat dan ook. Ik ga nog even de presentielijst na: De heer Alsemgeest, de heer Blonk, de heer Duk, mevrouw De Geus, de heer Van Harn, de heer Hofman, de heer Jumelet, de heer Machielse, de heer Markus, de heer Meester, de heer Muis, de heer Van der Stad, de heer Van der Stelt, mevrouw Verhoef, de heer Xhemaili, mevrouw Zwinkels: aanwezig. De heer Machielse: De heer Van As is afwezig. 2. Insprekers De voorzitter: We hebben vanavond één inspreker, de heer Aardoom namens de klankbordgroep senioren Bleiswijk. Inspreker: De heer Aardoom: Allereerst dank voor het feit dat ik, mijn naam is Jan Aardoom, als vertegenwoordiger van de Klankbordgroep Seniorenbouw Bleiswijk iets mag zeggen over punt 5a van de agenda. Het gaat over het vraagstuk participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Zoals u weet is de KSB betrokken bij het proces om te komen tot realisatie van woningen, meer in het bijzonder seniorenwoningen, in Bleiswijk. De locaties Merenweg en Langevaart zijn hiervoor in beeld. Wij als KSB hebben inbreng gehad bij de door de raad vastgestelde nota van uitgangspunten en nu zitten we ook aan tafel als het gaat om het masterplan. Wat we hebben begrepen, is dat deze gang van zaken van de kant van de gemeente als positief wordt ervaren. Ik kan u melden: dat geldt zeker ook voor ons. Juist vanwege de betrokkenheid geven wij dus graag een reactie op het genoemde agendapunt en dan met name op punt 3 uit het bespreekstuk, dat voor ligt. Verder willen we graag iets mee geven voor discussie als het gaat om het faciliteren van participatie. Aan het eind reiken wij u nog een voorstel aan over een praktische rolinvulling voor ons als KSB, een invulling, die wij graag u zouden willen aangaan. Ik kom daar later op terug. Vraag 3 in het voorliggende stuk luidt: wanneer in het proces moeten omwonenden en betrokkenen worden geïnformeerd? Ons antwoord zou zijn: vanaf het allereerste begin dat processen worden opgestart. Ik begreep ondertussen, dat in de Heraut vorige week een vraagstelling is gedaan. Eén

1/22

vraag was ook: wanneer zou u willen worden geïnformeerd? 91% van de respondenten heeft dit antwoord ook gegeven. Dat betekent dus, dat we niet in een later stadium daarbij betrokken willen worden als zaken al meer geconcretiseerd of uitgewerkt zijn. Op zo’n moment tekent zich vaak al een bepaalde richting of mening af, zoiets kan dan de discussie over andere ideeën of opvattingen in de weg zitten en dat zou jammer zijn. We zijn benieuwd hoe u dit als commissie ziet. Als het over het faciliteren gaat, zouden wij u graag het volgende willen meegeven. De gemeentelijke overheid faciliteert in de praktijk, bijvoorbeeld in de vorm van subsidies, maatschappelijke organisaties, verenigingen en andere instellingen bij de uitvoering van taken en activiteiten. In het licht van de participatiediscussie zou naar ons idee eveneens nagedacht moeten worden bij de vraag in hoeverre ook participatiepartners gefaciliteerd zouden moeten worden. De mate waarin hangt natuurlijk af van wat in een concrete casus precies wordt verwacht van betrokkenen en wat zij aan invulling kunnen bieden. Ons idee dus: enige mate van faciliteren is reëel. Dat vloeit voort uit de zin in het voorliggende stuk en ik citeer: een bestuur dat participatie niet invult als moetje, maar participatie vormgeeft naar de bedoeling. Ook hier zijn wij erg benieuwd naar hoe u dit zit. Tot zover wat meer onze algemene beschouwingen.

Nu het voorstel van onze kant over de toekomstige rol van ons als KSB. Een voorstel, ook in het licht van de participatieaanpak. Wij bieden als KSB onze medewerking aan om een traject participatie-invulling in praktijk te brengen. Een oefening met elkaar als het ware met het participatievraagstuk; een soort van proefproject. Op basis ervaringen en evaluaties kunnen de uitkomsten door het bestuur van uw gemeente werkende weg worden gebruikt om tot een verdere precisering te komen. Ons als organisatie helpt het om onze rol in dit soort processen helderder en scherper voor ogen te krijgen. Wat dat betreft, kan ik mee geven, dat we in een ontwikkelingsfase zitten. Kortom: dit leidt tot een win/win situatie voor allebei de partijen. Wat houdt ons aanbod in grote lijnen in? 1. De werkwijze van de gemeente met de KSB als participant in het ontwikkelproces Merenweg en Langevaart wordt gecontinueerd en verder versterkt. 2. Voor het onderdeel opstellen woonvisie, waar nu mee is gestart om te komen tot de opstelling van een nota van uitgangspunten, wordt eenzelfde wijze voorgestaan. Dit geldt ook voor onderwerpen, die zich in de toekomst nog aandienen in het kader van het ontwikkelproces Merenweg en Langevaart. Helemaal in lijn met de nieuwe omgevingswet. 3. Er worden nadere afspraken gemaakt over de mate en wijze van faciliteren. Tot slot nog iets over de naamgeving van onze groep.

De naamgeving klankbordgroep seniorenbouw Bleiswijk suggereert dat wij alleen het belang voor ogen hebben van senioren. Primair is dat inderdaad onze insteek. Maar uiteraard realiseren we ons, dat er meerdere belangen spelen in een ontwikkelproces. Wij sluiten onze ogen daar niet voor. Sterker nog, bij de vorige vergadering is ook al gemeld, dat er meer dan 30 aanmeldingen binnen gekomen zijn bij de klankbordgroep. Uit die aanmeldingen kan worden afgeleid, dat er vanuit meerdere disciplines deskundigheid kan worden ingebracht. Deskundigheid vanuit die hoeken, laten wij dan nadrukkelijk een rol meespelen in onze rolopvatting. Wij benadrukken nog een keer dat het om een voorstel op hoofdlijnen gaat. Graag zouden wij met u om tot een set van nadere afspraken te komen. Een set van afspraken dat als doel heeft om tot een goede praktijkoefening te komen m.b.t. het invulling geven aan het vraagstuk van de participatie. En waar zowel u als gemeente en wij als KSB ons voordeel mee kunnen doen. Tot zover de inbreng voor discussie. Wij zijn heel erg benieuwd naar uw reacties. Dank u wel. De heer Blonk, L3B: Dank u wel voor uw inspreektekst. Fijn, dat we hem van tevoren al hebben kunnen lezen. Mijn vraag aan u is: wat verstaat u onder de wijze en mate van faciliteren? De heer Aardoom: Dat is voor ons ook nog een vraag, waar we met u over van gedachten willen wisselen.

Als je daadwerkelijk inhoud geeft aan participatie, dan vergt dat tijd en dat vraagt om een stuk ondersteuning. Afhankelijk van hoe je dat proces exact gaat invullen, zal je met elkaar moeten kijken hoe zo’n proces gefaciliteerd wordt. Dat kan door middel van subsidie, dat kan door iets aan ondersteuning te bieden. Dat is helemaal afhankelijk van hoe je participatie invulling geeft. Als je dat niet alleen beperkt tot een vraag en een inspraakreactie geven, maar als je ook verwacht van de participatiepartner, dat hij meedenkt in het proces, en dat hij misschien zelfs een stukje medeverantwoordelijkheid draagt, dan gaat dat toch wel wat verder. Ik denk dat we met elkaar na moeten denken over: hoe ondersteun je zo’n participatiepartner. Nogmaals, wij hebben daar nog geen uitgebreide opvatting over, maar dat is ook de vraag waarover we in gesprek willen. De heer Jumelet, WIJ: Toen inspreker inging op de KSB, ging hij met name in op de letter S van de naam. Ik had gehoopt, dat u ook iets zou zeggen over de letter B. Waarom? Omdat de vraag die zich dan opdringt is: in hoeverre vertegenwoordigt u ook de ouderen vanuit de andere kernen, die wellicht belangstelling hebben voor deze bouwlocaties? Wat bedoel ik daarmee? In hoeverre zoekt u dan ook samenwerking met de ouderenbonden of soortgelijke vertegenwoordiging in andere kernen, zodat u eigenlijk met één mond de participatie in kan.

Of zegt u feitelijk: wij pakken het belang van de ouderen of senioren in Bleiswijk en de rest moet zelf maar aansluiten. Ik ben een beetje op zoek. Aan de ene kant kunnen we veel verwachten van de gemeente, maar kan de gemeente verwachten, dat KSB een bredere vertegenwoordiging is dan alleen maar de senioren van Bleiswijk, omdat er ook samenwerking wordt gezocht. Hoe kijkt u daar tegenaan in het participatieproces? De heer Aardoom: In eerste instantie wil ik

2/22

verwijzen naar wat onze voorzitter gezegd heeft in de vorige vergadering van uw commissie ruimte, waar dit punt ook nadrukkelijk een punt van bespreking is geweest, of in ieder geval is er van onze kant iets over gezegd. Primair hebben wij gezegd: wij staan en gaan voor de senioren van Bleiswijk. Aan de andere kant, en dat is ook nadrukkelijk duidelijk gemaakt. De wereld eindigt niet bij de grenzen van Bleiswijk, we zijn ook onderdeel van Lansingerland. In dat opzicht zal je je ogen niet kunnen sluiten voor het feit, dat er dus ook buiten Bleiswijk, maar binnen Lansingerland, problematieken gelden, waar ook Bleiswijk een rol in heeft. We hebben als klankbordgroep daarover gezegd: daar sluiten wij onze ogen niet voor. Aan de andere kant: de insteek van de klankbordgroep, zoals die nu werkt en functioneert, is primair, en ik zeg heel nadrukkelijk primair, want het is niet alomvattend, alleen en exclusief voor Bleiswijk, maar primair wel vanuit de insteek opgezet: voor Bleiswijk. Maar de bereidheid om over de grenzen heen te kijken is in ieder geval aanwezig. We realiseren ons, dat Bleiswijk in dat opzicht onderdeel is van de gemeente Lansingerland. Maar dat is ook wat de voorzitter in de vorige commissievergadering in andere bewoordingen heeft gezegd. De heer Muis, D66: Dank aan u, heer Aardoom. Dank voor uw inbreng op dit punt. Dat kunnen we volledig onderschrijven.

Uw voorstel is natuurlijk heel sympathiek. Als dat wordt gezegd in de commissie, dan betekent dat dat we er niets mee gaan doen, maar in dit geval denk ik dat dat niet zo is, want er komen nog verschillende momenten, zoals het opstellen van de participatieverordening, nota en visie op burgerparticipatie. Ik denk dat uw aanbod daar zeker in meegenomen kan en zal moeten worden. Ik denk dat er zeker ruimte voor is. De wethouder, die hier over gaat, luistert ook mee, dus ik zou u vooral willen aanraden om die processen goed in de gaten te houden, zodat u ook daar op de juiste momenten deze waardevolle input kunt geven. Dank u wel. De heer Markus, CU: Ik sluit me even aan bij de woorden van de heer Muis. Wel een aanvullende vraag. U legt u tip, vraag, aanbod nu in deze commissie neer. Heeft u dit aanbod ook neergelegd bij het ambtelijk apparaat / de wethouder, die al betrokken zijn geweest bij de projecten rondom Bleiswijk? De heer Aardoom: Wat betreft het ambtelijk apparaat: daar zijn we mee in gesprek, wat ik aan het begin van mijn inspraak al gezegd heb. Wij hebben een input geleverd als het gaat over een nota van uitgangspunten, die de gemeenteraad in december heeft vast gesteld. Wij hebben ook een zeer frequent overleg over het plan Merenweg en Lange Vaart, daar zijn we gesprekspartner. Met de projectleider zitten we zeer regelmatig om de tafel.

Ons verzoek is, ook als het gaat om de woonvisie, met de projectleider woonvisie om op zo’n zelfde manier te gaan samenwerken. Ik heb geprobeerd de projectleidster te contacten, maar dat contact is nog niet tot stand gekomen, maar ik zal dat zeker doen. Met de betrokken wethouder hebben wij nog geen contact gehad, maar dat komt. Vorige week woensdag in de Heraut werden wij geconfronteerd met de agenda en daar zagen wij het onderwerp participatieverordening op staan. Wij hadden afgelopen donderdag onze vergadering en toen hebben we gezegd: dan moeten we in ieder geval ons even kenbaar maken en ons presenteren. We hebben de wethouder dus nog niet gesproken, maar de suggestie die u indirect wel een beetje doet, zullen we zeker doen. De heer Markus: U doet een aanbod in uw bijdrage, hoe u mee wilt denken over participatie. Ik snap, dat u dat pas kort bedacht heeft, maar ik raad u aan dat aanbod ook even te doen richting de contacten die u al heeft, want dat versnelt het e.e.a. zeer. De heer Aardoom: Zeker. Dank voor de suggestie. Voor de projectleider ruimtelijke zaken hebben wij deze inspraaktekst. Donderdag of vrijdag hebben we een overleg. Bij de projectleidster voor de woonvisie ga ik de punten zeker aankaarten. De heer Markus: Helder, dank u wel. De voorzitter: Ik zie verder geen vragen meer vanuit de commissie. Dan is dit agendapunt hierbij beëindigd.

Meneer Aardoom, dank voor uw inbreng. U kunt bij het onderwerp het e.e.a. aanhoren. 3. Vaststelling verslag vorige vergadering d.d. 1 december 2020 De voorzitter: Volgens mij zijn er geen op- of aanmerkingen gekomen. Er wordt nee geschud. Bij deze vast gesteld. 4. Vaststelling agenda en inventarisatie rondvragen De voorzitter: U heeft de agenda gekregen en ik kan alvast melden, dat u bij punt 7.a actualiteiten uit het college u deze niet heeft aangetroffen, want naar ik begrepen heb, zijn de actualiteiten vandaag in het college van B&W geweest, dus hopelijk zal dat één dezer dagen naar ons toekomen. Dus punt 7.a heb ik niet als schriftelijk item, maar misschien zijn er straks wethouders die nog iets te melden hebben, maar dat horen we straks. Inventarisatie rondvraag: De heer Blonk, L3B: Het gaat over de Rodenrijseweg 2a en 2b. In de vorige commissievergadering is daar ook over gesproken n.a.v. een inspreker. Ik heb de tekst van de vragen al naar de collegae van de commissie ruimte via de griffie laten sturen.

3/22

5. Bespreekpunten: 5.a Participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen De voorzitter: Dit is een voorstel van een aantal commissieleden geweest. De spreektijd is 5/3. Ik begin bij de CU, die het naar voren gebracht heeft samen met de VVD en D66. In die volgorde zal ik u de gelegenheid geven om te spreken, om daarna op volgorde van grootte verder te gaan, dan kunt u ongeveer weten wanneer u aan de beurt bent. De heer Markus, CU: Naar aanleiding van de discussie over het participatietraject bij villa De Lans, maar ook bij andere particuliere projecten, zoals driehoek Noordpolder, locatie Treurniet en er zijn er vast nog meer, hebben we als CU samen met VVD en D66 aangegeven om in deze commissie met elkaar verder te spreken over participatietrajecten bij particuliere initiatieven, omdat we toch vaak merken, dat de discussies heel vaak daar over gaan. Het is ons streven, een mooi doel, om die discussie niet te voeren, want participatie moet gewoon goed verlopen bij dit soort initiatieven. Nu beseffen we, dat het een goed streven is, maar dat het zeker lastig is. We hopen dat het opstellen van een participatieverordening, daar kom ik later nog op terug, hierin verder de discussie kan stroomlijnen, wat het makkelijker maakt.

Want uiteindelijk wil je er toch naar toe, dat initiatieven, die worden ontplooid door particulieren, goed met de omgeving worden besproken en dat die goed worden meegenomen. Het is wat ons betreft ook een eerste aanzet om te komen tot zo’n verordening. Ik heb ook zeker niet de illusie dat we vanavond met oplossingen gaan komen, want het is lastig genoeg om dat met elkaar te bespreken. Ik hoop, dat we als commissieleden met elkaar het gesprek aan kunnen gaan, elkaar oplossingen, ideeën, gedachten kunnen aanreiken, hoe we omgaan met participatie bij particuliere trajecten. En dat het ambtelijk apparaat en de wethouder goed meeluisteren, zodat ze voor die verordening al een hoop input kunnen ophalen. Niet dat ik de wethouder niet wil betrekken in de discussie, maar ons inziens is het gewoon een discussie tussen commissieleden. Het is natuurlijk een heel breed onderwerp. We hebben vaak over dit soort gedachten gesproken, daarom willen we het een beetje beperken tot particuliere initiatieven en hoe het hele participatietraject verloopt. Over andere discussies, zoals hoe de raad betrokken wordt bij projecten, daarover komt zeker later nog een bespreekpunt, dus dat proberen we vanavond een beetje terzijde te laten. Om het een beetje te stroomlijnen hebben we 7 vragen opgesteld vanuit een uitvoerend achtergrond verhaal.

Wat betreft dat laatste: alle dank naar de griffie, want die heeft dit opgesteld. Het is fijn om op die manier goed samen te werken. Dank ook aan VVD en D66 om hierin samen op te trekken. Dan wil ik graag naar de 7 vragen, die we hebben opgesteld. De eerste is misschien een beetje een open deur, maar we hebben hem toch maar opgesteld: is een kader eigenlijk wel nodig of kunnen we zonder? Wat de CU betreft, hebben de discussies, die ik net noemde, rondom villa De Lans, Noordpolder, Treurniet aangetoond, dat een kader hard nodig is, waar we als raad op kunnen toetsen of dat gevolgd is. Wat ons betreft is een kader om participatie onmisbaar als het gaat om dergelijke trajecten. Het is wat ons betreft ook onmisbaar, dat wij dat kader ook vast stellen, want het heet niet voor niets een kader en wij zijn niet voor niets een kaderstellend orgaan. Wat ons betreft: volmondig ja. Dan: moet er verschil zijn in participatie? Dat is een lastige. Gevoelsmatig zit er zeker verschil tussen grote en kleine projecten. Maar aan de andere kant: een groot project met weinig impact kan misschien heel weinig weerstand oproepen, terwijl een villa aan een bepaalde weg in Berkel, wat misschien een klein project is, een enorme discussie oproept. Dit soort zaken zijn niet makkelijk met een lijntje te knippen en misschien moeten we dat ook helemaal niet willen.

Misschien moet er geen verschil zijn in groot of klein, weinig of veel impact en moet er gewoon altijd eenzelfde participatie worden gevolgd en worden toegepast. Is de omvang van participatie, hoeveel mensen je erbij betrekt, afhankelijk van de impact die een project heeft. Het zou zomaar kunnen, dat een beslisboom daarin kan helpen. Wij denken, dat er helemaal geen verschil zit, dat je het altijd moet doen, en dat de hoeveelheid mensen, die je betrekt, afhangt van de impact die het project heeft in de omgeving. Wanneer in het proces moeten bewoners worden geïnformeerd? De heer Aardoom zei het ook: dat moet zo vroeg mogelijk. Maar wat is zo vroeg mogelijk? We hebben ook een beetje gekeken naar hoe dergelijke trajecten verlopen in de oude plannenmakerij. Met de omgevingswet gaat het iets anders. Op dit moet een particuliere initiatiefnemer een principeverzoek indienen bij het college van B&W en het college van B&W neemt dan een principebesluit of ze wel of niet haar medewerking verleent. Wij vinden: op het moment dat het college medewerking verleent, dan moet het participatietraject op het laatst starten. Dan moet het traject beginnen en dan is het aan initiatiefnemer om dit verder op te pakken. Uiteraard kan dit eerder, maar dat is dan aan initiatiefnemer, om dat te doen. Dat lijkt ons een goede start.

Moet de raad worden geïnformeerd over de voortgang van het participatietraject? Als dat principebesluit door het college is genomen, dat is een collegebesluit, dat is openbaar en dat moet proactief met de raad worden gedeeld. Die verslagen moeten niet enigszins verstopt op de website worden gezet. Dan weet de raad, dat een dergelijk initiatief speelt. Wij denken, als het participatietraject dan goed verloopt, iedereen op de hoogte is en er weinig weerstand is, dat het college ons daarover niet hoeft te informeren. Op het moment dat het college merkt, dat er weerstand is, onrust is, dat ze dat dan meldt bij de actualiteiten uit het college in de commissie. Dan zijn we als raad op de hoogte. Dit kan gewoon kort. Dan ligt het aan

4/22

de raadsleden om, naar eigen welbevinden, daarop te acteren. Mag een bestemmingsplan naar de raad als het participatietraject aantoonbaar niet is uitgevoerd? Of niet goed is verlopen. Dat vinden wij niet. De participatieverordening moet dan ook dusdanig duidelijk zijn, dat het ook getoetst kan worden. Een stuk, dat naar de raad komt en niet voldoet aan dat traject, is wat ons betreft kansloos. Dat moet niet naar de raad. Dat zou een harde eis moeten zijn: voordat het naar de raad gaat, moet het traject goed verlopen. De kanttekening hierbij is wel, dat soms de gedachte is dat bij participatietrajecten iedereen het met elkaar eens moet zijn. Dat hoeft natuurlijk absoluut niet zo te zijn. Een heel goed participatietraject kan nog steeds ertoe leiden, dat partijen lijnrecht tegenover elkaar blijven staan. Dat kan ook, dan kan het traject nog steeds goed doorlopen zijn. Dan zullen we daar als raad een finaal oordeel over moeten vellen. Dat vind ik wel een belangrijke kanttekening bij participatie. Het staat niet gelijk aan elkaar moeten overtuigen. Wie neemt de regie? Daar zit een groot verschil tussen initiatieven, die getrokken worden vanuit de gemeente of vanuit particulieren. Als het gaat om particuliere initiatiefnemers, moet het echt vanuit die initiatiefnemers worden getrokken.

De gemeente heeft geen aandeel in zo’n plan, wil onafhankelijk blijven en moet gewoon kunnen toetsen of het traject goed is doorlopen. Grote projecten als Wilderszijde en Bleiswijk worden echt vanuit de gemeente getrokken, dus het is duidelijk dat zij de regie hebben, maar bij particuliere initiatieven moet het echt bij de initiatiefnemer liggen. De gewenste route om alles vast te leggen is wat ons betreft een participatieverordening, die opgesteld moet worden bij de omgevingswet, dus die zou er eind van het jaar moeten liggen. Nu gaan er geluiden, dat de wet weer wordt uitgesteld. De Eerste Kamer heeft een hoop vragen gesteld, die de minister niet tijdig kan beantwoorden, dus wellicht schuift het hele zwikkie dan weer op. Maar dat moet niet voor de participatieverordening gelden. We vragen hier al langer om, dus wij vinden dat er eind van het jaar een verordening moet liggen, die goedgekeurd is door de raad. Dat betekent dat we voor die tijd met elkaar het gesprek aan moeten gaan. De hele invulling, van hoe je participatie vorm moet geven, daar kom ik bij deze vragen niet aan toe, dat komt zeker nog als we over de participatieverordening komen te spreken. Wat ons betreft is in ieder geval de gewenste route om middels een participatieverordening alles vast te leggen, hoe we dit willen gaan vormgeven. Even kort nog richting inspreker. Dank daarvoor. Een goede gedachte.

De wethouder luistert mee, dus ik hoop dat de idee die u heeft om participatie verder te helpen, kan delen. Wellicht kunnen jullie daarin samen optrekken. Dat was het voor mijn eerste termijn. De heer Machielse, VVD: Ik ben vanavond alleen namens de VVD. Wij hebben de afgelopen jaren heel veel plannen besproken in deze commissie, waarbij we vaak de discussie hebben gevoerd met elkaar over: is er nu wel of niet goede participatie geweest? De discussie gaat vaak over: zijn we nu wel of niet meegenomen of zijn we het nu wel of niet eens? Dat is een discussie waar je uiteindelijk als commissie en als raad niet tussen wil komen te staan. Dat is een proces van soms vele jaren, waarbij we er echt voor moeten zorgen, dat we een situatie of een proces ontwerpen met elkaar, waarin ieder zijn plekje heeft en ook kan kennen. Ik ben dan ook bijzonder blij, dat we dit bespreekpunt hebben in deze commissie. Dank aan de mede-indieners, de heren Muis en Markus, voor de voorbereiding hier naartoe, want dat geeft wel een heel interessante kans om van alle partijen in deze commissie te horen hoe hiernaar gekeken wordt. Ik wil er dan ook maar direct mee aanvangen, want het is zeer belangrijk, dat we duidelijke kaders gaan opstellen voor de participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ik ga een klein schot voor de boeg doen en ik hoor graag hoe andere partijen daar over denken.

Wanneer een ontwikkelaar komt bij de gemeente met: ik heb een initiatief, ik wil zus en ik wil zo, dat kan een particulier zijn, die een woning wil bouwen of een ontwikkelaar die er 10 wil bouwen, maar in ieder geval ieder particulier initiatief, dat we een handreiking hebben: leuk ontwikkelaar, goed idee, maar dit is wel wat we van u verwachten van participatie. Een ontwikkelaar weet, dat hij dat wettelijk moet doen, maar hoe daar invulling aan gegeven moet worden voor deze gemeente is waar wij met elkaar invulling aan mogen geven. Ik denk dan ook eigenlijk, als je bij vraag 2 komt, dat het eenzelfde handreiking moet zijn. De heer Markus vatte het ook al treffend samen: je kan 1 villa bouwen, waarbij de rest van de straat letterlijk de straat op gaat, omdat ze het er niet mee eens zijn, en je kan een klein wijkje bouwen, waar misschien niemand moeite mee heeft. Je weet het van tevoren niet. Dus juist één vast proces gaan vast stellen kan helpen, ook voor het college, maar zeker ook voor ons als commissie en later als raad, om vroegtijdig te weten: zijn er hier nu bepaalde issues, zaken, problemen, waar we rekening mee moeten houden, leven hier bepaalde zorgen waar we aandacht aan moeten besteden? Als ik dan op vraag 3 kom, dan denk ik dat ik het helemaal eens ben met de heer Markus, dat die participatie ten laatste moet beginnen wanneer het college een principebesluit neemt.

De heer Aardoom noemde in zijn inspraak: zo vroeg mogelijk. Dat is een mooi begrip. Als je nu kijkt naar dorpsvilla De Lans, waar we recentelijk over hebben gesproken in deze commissie, dan is dat letterlijk gestart met een ontwikkeling, die tijdens de bouw van een ander project een grondeigenaar tegen kwam en zo aan de babbel raakte over het idee om op zijn grond dorpsvilla De Lans te gaan realiseren. Als je zegt ‘zo vroeg mogelijk’ dan zou dan al moeten worden begonnen met participatie, terwijl het wel helpt om iets van iets van plannen te hebben of een schetsontwerp van: dit is wat we eigenlijk van plan zijn. Ik denk eigenlijk, dat wat een ontwikkelaar doet in aanloop naar het principebesluit van het college mooi parallel kan lopen aan wat

5/22

een ontwikkelaar gaat doen op het gebied van participatie. Als dan het principebesluit bij het college wordt aangevraagd en wel of niet wordt genomen, in het geval van wel, moet daar natuurlijk gelijk die handreiking bij zitten: beste ontwikkelaar, leuk initiatief, het college wil in principe meewerken, maar weet wel, we hebben wel deze en deze verwachtingen van u over hoe u de omgeving gaat betrekken. Dan uiteraard willen wij als raad, in ieder geval de VVD, daarover geïnformeerd worden, maar dat mag kort en bondig, want participatie is juist niet iets van de raad, dat is iets van de inwoners. Als het college een principebesluit neemt, krijgen wij daar al een brief van. Het zou leuk zijn als daar bij staat: er is aangevangen met participatie zus en zo. Maar het allerbelangrijkste is, daar ben ik het wederom eens met de heer Markus, dat als daar zorgen zijn, dat we dat ook vroegtijdig weten. Ergens is het wel bijzonder, misschien niet het goede woord, dat de twee, drie weken voor een commissievergadering het drukst zijn in de mailbox en telefoon van een commissielid als daar een particuliere ontwikkeling op de agenda staat, want dat is het moment waarop veel inwoners, als zij zorgen hebben over een project, terecht en begrijpelijk aan de bel gaan trekken. Maar dat kan soms wel als een verrassing komen en soms ook wel daardoor wat onhandig uitkomen.

Als het college nu ook al vroegtijdig weet dat er bepaalde zorgen leven, dan kunnen wij daar ook in betrokken zijn en weten wat er aan komt. Participatie gaat niet over het allemaal eens worden, het is niet polderen totdat we in het midden zijn geëindigd, maar het gaat wel om iedereen zijn mening laten uiten en een plekje geven in het plan of bewust niet, maar dan ook terug koppelen. Punt 5, mogen de plannen naar de raad als het participatietraject aantoonbaar niet goed is doorlopen? Wat mij betreft niet, maar dan krijg je de vraag: wat is aantoonbaar niet goed verlopen? Ik heb daar niet direct een antwoord op, dus ik vind dat nog wel een leuke uitdaging voor het college en de ambtenaren als we komen bij stap 7 om nu eens na te gaan denken over: hoe kunnen we een participatietraject meetbaar maken of in ieder geval beoordeelbaar maken? Ik zou het zelf niet direct weten, maar het is wel een wens, die ik heb namens de VVD, om daar wat meer handen en voeten aan te geven. Wat cruciaal is en blijft voor ons is, dat de verantwoordelijkheid voor participatie blijft liggen bij de initiatiefnemer. Als het een gemeentelijk project is, is dat de gemeente, maar bij een puur particulier traject moet de initiatiefnemer volgens ons altijd verantwoordelijk blijven voor de participatie.

Niet alleen zodat hij het zelf uitvoert, maar ook zodat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor de participatie en de inhoud daarvan. Uiteindelijk is het ook zijn project. Wijzigingen die komen vanuit het participatietraject zullen ook door de ontwikkelaar verwerkt moeten worden. Wij voelen er niet voor om die rol als gemeente over te nemen. We zouden dan eigenlijk alleen maar een keten toevoegen, die eigenlijk niets kan beslissen over de inhoud van dat plan. Je krijgt daar een heel gekke constructie mee. Los daarvan, verantwoordelijk maken van de ontwikkelaar, maar ook verantwoordelijk houden van de ontwikkelaar. Dan denk ik, tot slot, dat de gewenste route vanuit de VVD is natuurlijk, dat het college komt met een voorstel voor die participatieverordening in het kader van de omgevingswet, maar ik wil er nog echt iets aan toevoegen en ik hoop, dat de wethouder daarover iets kan zeggen in haar beantwoording, ik denk dat mevrouw Arends de beantwoording zal doen: denk ook aan de tussentijd. Het is leuk, dat we nu een participatieverordening nu moeten maken en dat het enigszins samen valt met dit bespreekpunt is ook mooi, maar zelfs al gaat de omgevingswet in conform planning, dan nog steeds hebben we misschien wel vijf, zes particuliere ontwikkelingen gehad, waarbij we nog niet gebruik hebben kunnen maken van die participatieverordening.

Dat zou ik willen voorkomen, zeker als we nu de goede discussie kunnen hebben over waar we naar toe willen met participatie, als commissie. Dan moeten we dat ook zo snel mogelijk gaan borgen. Dat is een uitdaging, die ik de wethouder mee wil geven. Ik ben benieuwd naar haar reactie. Tot slot in de richting van de heer Aardoom wil ik ook nog zeggen, dat wij natuurlijk zeer waarderen welke ondersteuning jullie kunnen geven aan participatietrajecten. Maar ik vind het vanavond wat vroeg om toe te zeggen welke rol ik daar voor jullie weggelegd zie. Ik merk dat bij trajecten, waarbij de gemeente het initiatief heeft genomen, zoals in Bleiswijk, jullie daar proactief op hebben aangehaakt. Zeer positief. Laten we kijken, als we een participatieverordening hebben, of we daar een apart stuk kunnen wijden aan belangengroepen of georganiseerde participatiegroepen en kijken welke rol we daaraan kunnen geven. Ik denk dat dat het moment is om daar nader over te praten. In de tussentijd waardeer ik uw werk, blijf dat doen. Ik ga afsluiten met de woorden: dank u wel. De heer Muis, D66: Allereerst dank aan collega raadslid de heer Markus voor het opstellen, mede namens D66 en VVD. Alle fracties hebben afgelopen periode kunnen zien, dat de besluitvorming rond een aantal particuliere projecten niet optimaal is verlopen.

Dat leidde tot teleurstellingen en onnodige discussies, zeker aan het eind van de besluitvorming. Vandaar ook dit bespreekstuk. Het is ook maar een deel van het probleem, dat te maken heeft met de participatie. Dat is net ook al aangegeven door de heer Markus. Daarnaast zijn er nog andere redenen waarom er veel discussie is bij ruimtelijke ontwikkeling projecten. Bijvoorbeeld de kaders die de raad stelde en de mate waarin we daar van afwijken of niet, verwachtingen die de gemeente wel of niet wekt bij een ontwikkelende partij en natuurlijk ook het handelen van het college. Daar gaan we het allemaal niet over hebben vanavond, maar vooral over de participatie die wij wensen vanuit particuliere ontwikkelaars en initiatiefnemers. Voor de andere punten zullen we een volgend bespreekstuk maken als wij dit allemaal met elkaar hebben besproken. Dan is het

6/22

goed om daar ook eens wat dieper op in te gaan. Dat is het kader voor vanavond. Dan de antwoorden vanuit D66 op de vragen, die we gezien hebben. Als eerste: wij vinden het noodzakelijk dat er kaders komen. Daar kunnen we snel over zijn. De tweede vraag: wat ons betreft maakt het ook niet uit hoe groot of klein een plan is qua omvang. Het gaat dus vooral om de verwachte impact, wat er in het verleden is afgesproken, wat er tot op heden mogelijk was en in hoeverre we daarvan af willen wijken. Dan het derde punt: vanaf het allereerste moment willen wij bewoners betrekken. Wat is dan dat allereerste moment? De heer Markus geeft aan: een principebesluit van het college. Dat zou in principe goed kunnen, maar dan komen we precies op het punt, waar we nog een andere discussie over moeten hebben: wat gaat er precies aan vooraf, aan zo’n principebesluit? Hoe kleden we dat op de juiste manier in, zodat ook daar de juiste verwachtingen worden gewekt, anders zit je als raad toch weer aan de achterkant te werken. Maar in principe denk ik: je moet wel iets hebben, een richting op papier, om te kunnen starten met de participatie. Dan stap 4: de raad hoeft wat ons betreft niet over elke stap te worden geïnformeerd, maar de raad moet zo vroeg mogelijk in staat worden gesteld om een mening te geven over ontwikkelingen, zeker als ze afwijken van bestaande kaders.

Ook een ontwikkelende partij moet ervan doordrongen zijn of worden, dat draagvlak en instemming van de raad in het hele traject en vooral aan het eind essentieel is voor besluitvorming en dus ook voor realisatie. Ook een college of wethouder doet er verstandig aan de raad uit zichzelf tijdig te informeren en ook te voeden, zo ja en onder welke voorwaarden een ruimtelijke ontwikkeling wenselijk of onwenselijk is. Bijvoorbeeld de driehoek, daar zijn we ook allemaal bekend mee. Als je weet, dat er nooit echt een principiële discussie is gevoerd over woningbouw, dan is het best wel gedurfd om een principebesluit te nemen, dat je daar woningbouw wil. Dan weet je dus op wat voor discussie je kunt rekenen. Vraag 5, plannen waarbij de participatie aantoonbaar niet goed is verlopen: wat ons betreft mogen die niet door naar de raad. De heer Machielse vroeg hoe je aangeeft, dat iets aantoonbaar niet goed is gegaan. Hij gaf zelf eigenlijk al het antwoord: met zo’n handreiking. Als je die handreiking hebt, kun je volgen of die stappen zijn gevolgd. De griffie kan ons daar ook in helpen om dat objectief te beoordelen. Zijn de stappen wel of niet goed daarin gevolgd? Dan is het een kwestie van: ben je het ermee eens of ben je het er niet mee eens? Maar dan kan je niet zeggen, dat het niet is gebeurd of niet goed is gebeurd. Dan vraag 6.

De regie zou wat ons betreft voor de participatie bij de ontwikkelende partij moeten liggen. De gemeente moet kunnen toetsen, moet erop toe kunnen zien, maar moet niet zelf dat gaan uitvoeren, want dat wordt zij zelf verantwoordelijk voor hoe het loopt en dat moeten we daar laten, bij degenen die iets willen. Dan de laatste vraag, vraag 7. Hoe zorgen we ervoor dat de participatie anders wordt vorm gegeven? De genoemde participatieverordening lijkt ons een goed idee. Het strekt alleen wel verder dan de participatie bij particuliere ruimtelijke projecten. De participatieverordening zal dan ook input moeten zijn voor een nog op te stellen visie op burgerparticipatie en een nota burgerparticipatie. Het college moet dus niet alleen komen met een participatieverordening, maar ook aangeven hoe de raad en de samenleving, zoals de heer Aardoom vanavond heeft aangegeven, betrokken zal worden bij het opstellen daarvan, zeker als er al ideeën zijn hoe dat zou kunnen, dan zou ik dat als wethouder met beide handen aangrijpen. Ik denk dat deze discussie een mooie start is en wellicht in de tweede termijn kunnen we nog ingaan op die participatieverordening. De heer Blonk, L3B: Allereerst wil ik de fracties van D66, VVD en CU bedanken voor het agenderen van dit belangrijke onderwerp.

Op 17 februari 2012, 9 jaar geleden, heeft onze raad de nota burgerinitiatieven en burgerparticipatie Lansingerland onder de naam ‘inwoners aan zet’ vast gesteld. Ik zal een aantal citaten oplezen uit die nota. Citaat 1: de gemeenteraad en het college van Lansingerland hebben burgerparticipatie tot één van de speerpunten van hun beleid gemaakt. De afgelopen jaren, mijn conclusie nu, de afgelopen 9 jaar is dit voor beide verre van een speerpunt geweest. Citaat 2: onze ambitie is dat we in 2014 alle plan- en beleidsvorming zoveel mogelijk via interactieve beleidsvorming laten verlopen. We willen een open houding naar elkaar en met een vooraf afgesproken aanpak samen met betrokken inwoners en eventueel externen deskundigheid ontwikkelen. Hebben we dat gedaan de afgelopen jaren? Mondjesmaat, maar niet structureel. Het college, maar ook wij als raad, hebben er zeker steken laten vallen. Die steken moeten we oppakken en niet meer laten vallen. Dat is onze opdracht als ik naar de toekomst kijk. Dus zowel het college maar ook raad. Citaat 3: er wordt voorgesteld een accountmanager burgerinitiatieven en burgerparticipatie in te zetten. Hebben wij die op dit moment, zo’n functionaris? Nee, die hebben we niet. De afgelopen 9 jaar is daar soms weleens op ingezet, maar niet structureel en omlijnd.

Laten we die aanbeveling 3 van de rekenkamer, september 2019, opvolgen om zo’n functionaris aan te stellen. Dan kom ik bij citaat 4: burgerparticipatie kan alleen een succes worden als naast de raad en het college ook medewerkers zich ervan bewust zijn, dat burgerinitiatieven, inspraak en interactieve beleidsvorming kansen en uitdagingen bieden en als ze daarvoor goed geoutilleerd zijn. Dat moet dus nu nieuw leven ingeblazen worden. Samenvattend: raad, college en ambtelijke organisatie hebben zich sinds 17 februari 2012 onvoldoende gehouden aan het beleid, vastgesteld in die nota ‘inwoners aan zet’. Dat was ook de conclusie van de rekenkamer. Maar nu vooruit kijken, want we moeten vooruit en die burgerparticipatie moet goed vorm krijgen in het belang van inwoners van Lansingerland en in het belang van de hele gemeente Lansingerland, ook de raad, het

7/22

college en de ambtelijke organisatie. De nota van 9 jaar geleden moet aangescherpt worden aan de huidige tijd. Een nieuw beleidskader moet worden opgesteld, aanbeveling 1 van de rekenkamer. Raad, college en ambtelijke organisatie moeten zich de komende tijd veel meer inzetten op burgerparticipatie. Burgerparticipatie moet van een stiefkindje een bruisende tiener worden op weg naar volwassenheid. Een goed geoutilleerde burgerparticipatiebeleid, daar moeten we naar toe, en een goede uitvoering daarvan in de komende 10 jaar. Ik wil nog een viertal punten aangeven. De reikwijdte van het beleid zal breder moeten zijn dan alleen ruimtelijke ordening en milieu. Op 10 februari is er een beeldvormingsavond in twee blokken over burgerparticipatie. Het moet in een vroeg stadium voor alle belanghebbende duidelijk zijn wat er verwacht kan worden, zowel positief als negatief. Ik denk daarbij aan de participatieladder. Het derde punt. Informatie naar alle belanghebbenden moet goed geregeld zijn. Zij moeten de kans hebben gehad om op de hoogte te zijn van de plannen. Daar moeten we strikt en duidelijk over zijn. En het moet ook duidelijk zijn of iemand wel of niet een belanghebbende is, want dat is vaak ook nog lastig om vast te stellen. Dan kom ik nu aan de beantwoording van de 7 vragen van de drie fracties. Vraag 1, duidelijke kaders voor participatie: ja, die moeten er komen.

Een open deur, maar ook logisch dat wij daar ja op antwoorden. Vraag 2, verschil in participatietrajecten, in grote op kleine plannen. Nee, daar mag geen verschil in zijn. Anderen hebben dat ook al aangegeven. Een plan met weinig impact op de omgeving kan wel ingrijpend zijn voor een enkele buurman of buurvrouw. Dus één en dezelfde procesbeschrijving moet er zijn voor die participatie, voor grote en kleine projecten. Vraag 4, moet de raad geïnformeerd worden over de voortgang van de participatie? Ja, ik vind dat dat moet. Dat moet schriftelijk naar de raad. Dat moet in ieder geval gedaan worden voor de ter inzage legging van zo’n plan. Vraag 5, mogen plannen naar de commissie of de raad als het participatietraject niet aantoonbaar goed is doorlopen? Nee, dan mag het niet naar de raad. Ik begrijp ook wel, dat het moeilijk is om te zeggen: wanneer is het wel of niet goed? Maar daar moeten we op een later tijdstip uit komen. Als in de raad of commissie blijkt, dat het participatietraject van een bepaald onderwerp niet goed is verlopen, moet het voorstel terug gestuurd worden naar het college. Punt 6, wie neemt de regie bij particuliere trajecten? De gemeente of de initiatiefnemer? Daar twijfelen wij nog over. We weten nog niet wat daar verstandig in is. Als je het aan de initiatiefnemer overlaat, dan moet er heel duidelijk een richtlijn zijn, waar je je aan moet houden.

Je moet ook aangesproken kunnen worden, sancties gezet moeten kunnen worden op het moment dat initiatiefnemer zich daar niet aan houdt. Ik vind het lastig om daar op dit moment een helder antwoord op te geven, hoe je dat moet doen. Voor ons nog een beetje een vraagteken. Vraag 7, een goed plan om de participatieverordening vast te stellen. Sowieso opstellen dit jaar in samenhang met participatie op andere werkterreinen. Participatie is een belangrijk onderdeel van de omgevingswet. In het kader van deze wet moet er dus een participatieverordening worden opgesteld en uitgewerkt in participatiebeleid. Ook als die wet uitgesteld wordt, moeten we dat zo snel mogelijk doen. Dat was het. Hartelijk dank. De heer Van der Stelt, CDA: Ook dank vanuit het CDA richting de collega’s van D66, VVD en CU voor het agenderen van dit bespreekstuk. Heel belangrijk, dat we dit doen. Dat hebben we recent ook weer mee gemaakt. Ook belangrijk naar de toekomst toe, wat collega Blonk en anderen al hebben aangegeven, met het oog op de omgevingswet. Dit is no regret. Ook als de wet wordt uitgesteld, moeten we dit doen om duidelijkheid te verschaffen naar onze inwoners en initiatiefnemers en uiteraard ook naar onszelf. Er is al veel gezegd door vorige sprekers, waar ik van harte bij kan aansluiten.

Ook een beetje omwille van de tijd skip ik allerlei verdere inleidende bespiegelingen en ga ik door naar de beantwoording van de vragen. Vraag 1: ja, vanzelf. Dat moeten we doen, daar hebben we behoefte aan. 2, is er verschil in participatietraject voor grote of kleine plannen. Wat ook door andere sprekers al is aangegeven: ja, er is een verschil, maar het moet wel op voorhand duidelijk zijn wat de minimale vereisten zijn, waaraan burgerparticipatie moet voldoen. Ja, we kunnen of zullen daar ongetwijfeld in verdere uitwerking nog wel wat verbijzonderingen aan geven als het gaat om grotere of kleinere plannen. Of plannen waarvan we vinden, constateren of kunnen verwachten, dat ze grotere impact hebben op de omgeving. Wanneer in het proces moeten omwonenden en betrokkenen worden geïnformeerd? Bij aanvang, wanneer projecten op stapel staan. Dan moet duidelijk zijn hoe het participatietraject gestalte krijgt. Moet de raad worden geïnformeerd over de voortgang? Ja, ik heb ook de neiging om te zeggen: dat moet gebeuren. Het tempo of de periodiciteit waarmee dat gebeurt, daar moeten we het even nader over hebben. We kunnen daar als raad eigen initiatief in nemen om daar vinger aan de pols te houden.

Mogen plannen naar de commissie of raad als het participatietraject aantoonbaar niet goed is verlopen? Niet naar de raad, wel naar de commissie vanzelfsprekend, want dat is de plek waar we over de voortgang en eventuele hiaten en zaken die beter kunnen en moeten in de participatie hebben te bespreken. Wie neemt de regie bij particuliere trajecten? Wat ons betreft is dat primair aan de initiatiefnemer, dus de particuliere initiatiefnemer bij deze vraag. Als het gaat om gemeentelijke initiatieven is dat natuurlijk de gemeente. Dus de regie bij de initiatiefnemer, maar ik vind wel dat de gemeente en daarmee de kadersteller wat betreft de te hanteren spelregels er wel op moeten toezien, dat die participatie loopt zoals we met elkaar afspreken. Is de gewenste route dat het college op basis van deze discussie komt met een participatieverordening? Dat heb ik aan het begin al aangegeven: dat vind ik inderdaad de route.

8/22

Laten we hier met elkaar in verder gaan en zorgen dat er een participatieverordening komt, die ongeacht het tempo van de omgevingswet kan dienen als een volstrekt helder kader voor onszelf en voor onze inwoners. In de richting van inspreker, de heer Aardoom, wil ik zeggen dat ik zijn of hun initiatief zeer waardeer. Ongeacht dat het een initiatief is vanuit Bleiswijk willen we het toch breder aanvliegen. Ik vind ook, dat we onze omgeving moeten betrekken bij deze participatieverordening. Het zal in nauw overleg moeten gaan of hetgeen we voorstellen ook aansluit bij wat onze inwoners ervan verwachten. Dank u wel. De heer Jumelet, WIJ: Als je terugkijkt naar eerdere initiatieven die we genomen hebben, ik dacht dat dat was in 2012, en het rekenkamerrapport dat recent voorgelegd is, dan bekruipt je wel de gedachte, ook als je kijkt naar de toekomst: wees duidelijk over het doel van participatie en hoe de belangenafweging plaats vindt. Niets is frustrerender voor onze inwoners als blijkt dat er verwachtingen worden gewekt, die niet waargemaakt kunnen worden, ook als het gaat om participatie. Ik ga ook niet allerlei bespiegelingen houden vooraf, maar aan de hand van de vragen probeer ik een aantal dingen te poneren.

Vraag 1, het opstellen van duidelijke kaders voor participatie? Daar zeggen wij als alle andere partijen hartgrondig ja op, want het is heel belangrijk, dat vooraf goed duidelijk is, zowel voor initiatiefnemer als voor onze inwoners, dat participatie en de regels daar duidelijk zijn. Is er een verschil tussen participatietrajecten bij grote of kleine plannen? Het lastige is: waar leg je de grens? Hoe schat je dat in? Het is wat mij betreft meer een procesverhaal, dan dat je precies met een meetlat kan zeggen: dat valt onder klein en dat valt onder groot. Zo’n beslisboom, wat eerder al gesuggereerd is, dat zou waarschijnlijk toch een goede, begaanbare weg kunnen zijn. Het moment van informeren, vraag 3. Eigenlijk staan wij voor zo spoedig mogelijk. Het gevoel dat mensen kunnen krijgen, dat ze voor een voldongen feit worden geplaatst, dat frustreert het participatietraject ten diepste. Dus in die zin zo spoedig mogelijk de mensen betrekken. Vraag 4, over het informeren van de raad. Dat is een lastige vraag wat ons betreft. Op het moment dat je een participatieverordening hebt en daarover spelregels over hebt afgesproken, waar eigenlijk al door het college op wordt toegezien, dat die ook worden uitgevoerd, is wel de vraag: wat is de rol van de raad dan lopende het proces? Ik vind wel dat wij een bepaalde rolvastheid moeten hebben.

Als het gaat om de rol van het college, de rol van de raad, dat vind ik wel lastig, in die zin, dat je als raad daar wel lopende het proces controle op gaat uitoefenen. Daarbij de vraag: is dat een gelukkige keuze? Moet je niet meer in relatie tot vraag 5, want uiteindelijk doet het college voorstellen aan de raad, moet het college dan niet de beoordeling doen, of zij het voorstel met daarbij of ze de participatie voldragen vindt, om het voor te leggen aan de raad. Of dat zij het terug stuurt omdat de participatie niet goed is. Het gaat even over de rolvastheid van het college en van de raad gedurende het proces. Vraag 6, wie neemt de regie bij particuliere projecten? Daar zou je in eerste instantie zeggen: de particuliere initiatiefnemer. Als het gaat om grotere projecten, en dat is ook al gezegd door meneer Markus of Machielse, daar is het de rol van de gemeente. Ik maak hierbij toch ook weer de opmerking: wie vertegenwoordigt wie dan in dat participatieproces? Ik neem even als voorbeeld de nieuwbouw in Bleiswijk.

Als de gemeente het participatieproces inzet, nodigt de gemeente dan een aantal belangenvertegenwoordigers uit? Of wacht je tot die zich aandienen? Dat is ook mijn vraag aan inspreker: wie vertegenwoordig je dan? Ik begrijp het, de senioren in Bleiswijk, maar er ligt voor de gemeente een breder belang en dat zijn ook de senioren vanuit de kernen Bergschenhoek en Berkel. Mag je dan de vraag stellen aan bijvoorbeeld de seniorenvertegenwoordigers van Bleiswijk om zich dan ook te verstaan met de vertegenwoordigers in bredere zin vanuit Lansingerland? Ter voorkoming, dat je op een gegeven moment bijvoorbeeld als gemeente drie of vier seniorenvertegenwoordigers aan tafel hebt, die wellicht elkaar zelfs nog tegen zouden kunnen spreken. Je wilt toch proberen het participatietraject zodanig te laten zijn, dat je met een vertegenwoordiging aan tafel zit, die voldoende de belanghebbenden vertegenwoordigt. Ik zeg niet, dat de KSB niet een juiste vertegenwoordiging is, maar wel in hoeverre je de eis mag stellen aan deze vertegenwoordiging, mag je de eis stellen wellicht: ik vind dat u zich ook moet verstaan met anderen, die soortgelijke groeperingen vertegenwoordigen binnen de samenleving van Lansingerland. Dat kan natuurlijk ook voor jeugd of andere specifieke groepen zijn. Als het gaat om vraag 7, daar is het antwoord ook ja op.

De omgevingswet zal wellicht wat lang op zich laten wachten, begrijp ik, maar ik denk dat het ons grote belang is dat we heel snel met een participatieverordening gaan komen, omdat je toch in meerdere voorbeelden ziet, dat het heel kritisch is als het gaat om participatie. Dit was onze bijdrage, heel veel is al gezegd. Een goed initiatief van de drie partijen. Ik hoop dat we heel snel het vervolg te bespreken kunnen krijgen. Dank u wel. Mevrouw De Geus, GL: Ik wil ook de fracties van de CU, D66 en VVD bedanken voor het agenderen van dit bespreekpunt. Dit is een heel belangrijk onderwerp. Wij zien het vanavond eigenlijk als een eerste scan, een eerste bespreekpunt. Het is te groot en te belangrijk om dit even af te vinken, wij willen daar graag op een later tijdstip verder over doorgaan. Ik wil ook dank uitspreken aan de inspreker, de heer Aardoom van de klankbordgroep uit Bleiswijk, en zijn voorstel op hoofdlijnen als praktijkoefening in de participatie. Dan nu de gestelde vragen. Ik moet tot mijn schande zeggen, of niet echt schande, maar ik hoor het iedereen keurig op volgorde zeggen en ik heb het helemaal door elkaar gegooid. Wij zijn van

9/22

mening, dat het nodig is, of noodzakelijk is, duidelijk de kaders te maken bij ruimtelijke ontwikkeling. Het maakt daarbij niet uit of het project groot of klein is, want je kunt niet tegen een omwonende zeggen waarbij ergens achter een groot gebouw komt te staan: u mag daar niet in participeren, want u bent maar alleen, u bent met te weinig, om er iets over te zeggen. Deze buurtbewoner heeft ook recht op participatie. Wij vinden het ook belangrijk, dat het vrijwel aan het begin van het project plaats vindt, de participatie, en dat we geen toestanden krijgen zoals bij de dorpsvilla. Ik heb het al eerder horen noemen door anderen vanavond. Het heeft ook niet echt veel nut om plannen naar de raad te laten gaan, wanneer duidelijk is dat participatie niet of niet juist heeft plaats gevonden. Het is verspilling van tijd. We begrijpen wel, dat het eventueel naar de commissie kan gaan, maar als we het naar de raad laten gaan, dan kunnen we op problemen achteraf rekenen. Ook wil de raad regelmatig op de hoogte gehouden worden door het college, één keer in de zoveel tijd of bij wijzigingen en dergelijke. Wie de regie heeft? Zodra de kaders voor de participatie duidelijk zijn, ligt het eraan of het de gemeente of particulier is. Bij de laatste lijkt het logisch, dat de particulier de initiatiefnemer is in het participatietraject.

Dit aan de hand van een duidelijke handreiking, die dus nog gemaakt moet worden. Hoe dat precies ingevuld gaat worden, dat weet ik niet, daar moeten we het op een later tijdstip over hebben. Ik ben ook wel benieuwd wat de wethouder vanavond te melden heeft na alles wat er gezegd en gevraagd is inmiddels. Misschien kan er op een later moment een afvaardiging uit de fracties komen, die bij elkaar gaan zitten om te praten over de invulling van dit traject, maar dat komt allemaal later aan de orde. We krijgen in ieder geval op 10 februari ook nog een beeldvormingsavond aangaande burgerparticipatie. Dat maakt misschien ook iets meer duidelijk. Hier wil ik het bij laten, dank u wel. De heer Xhemaili, PvdA: Ik wil ook allereerst de indieners bedanken voor dit bespreekstuk, want het is broodnodig om hierover samen in conclaaf te gaan. In de nieuwe omgevingswetvisie zal aan de voorkant het participatieproces plaats vinden. Wat mijn fractie betreft, gaan we ook in die geest de komende tijd werken. Ook al wordt de omgevingswet uitgesteld, moeten we wel in de geest van de omgevingswet participatie gaan toepassen. Echter, bij ruimtelijke vraagstukken heb je al heel snel met verschillende maatschappelijke belangen te maken, waarbij het NIMBY-effect of –geluid het meest hoorbaar is.

Het is daarom belangrijk om verschillende belangen tijdens participatie met elkaar af te wegen en dat in een vroeg stadium. Maar wanneer is participatie dan goed? Je kan een perfect participatietraject hebben doorlopen, de weerstand hoeft daardoor niet perse minder te worden. Wanneer is een participatietraject geslaagd? Wat onze fractie betreft, moeten we niet alleen denken vanuit de belangen van omwonenden, maar ook bij participatie ook aan de belangen van de projectontwikkelaar, toekomstige bewoners van huizen, dan wel bedrijven, die zich willen vestigen in Lansingerland. Wat ik eigenlijk wil zeggen: wat veel belangrijker is, dat wij ervoor willen zorgen dat we een betrouwbare overheid zijn, een betrouwbaar gemeentebestuur, die alle belangen meeweegt en heldere kaders stelt. Dat zijn we helaas niet altijd, zoals bij villa De Lans, omdat we teveel meegaan in de klachten van omwoners en te weinig de kansen voor anderen meewegen. Dus het NIMBY-effect. Het grote, algemeen maatschappelijk belang wordt dan vergeten. Mijn oproep is om dat toch goed af te wegen, dat maatschappelijk belang en niet teveel op de negatieve geluiden van het NIMBY-effect in te gaan. Wel mee wegen natuurlijk, maar een breed spectrum van participatie. Ik ga nu in op de vragen.

Is het opstellen van duidelijke kaders voor participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen noodzakelijk? Ja, wat ons betreft wel, want het hoort ook bij de nieuwe omgevingswet. Dus hoe eerder we dat geregeld hebben, hoe meer wij de vruchten ervan plukken. Is er verschil in participatietraject voor grote of kleine plannen? In principe niet, maar hoe groter de impact is op de omgeving, hoe meer participatie je moet toepassen, maar in wezen is er geen verschil, want bij beide projecten, hoe groot of hoe klein, moet je participatie in gang zetten. Wanneer in het proces moeten omwonenden betrokken of geïnformeerd worden? Dat is al eerder benoemd: zo vroeg mogelijk, maar pas als de gemeente en een projectontwikkelaar het eens zijn op basis van bestaande bestemmingsplannen en andere voorwaarden. Niet als er niets op papier staat, maar wel als er iets is om over te praten. Moet de raad worden geïnformeerd over de voortgang van de participatie? Ja. Vraag 5, mogen plannen naar de commissie of raad als het participatietraject aantoonbaar niet goed is doorlopen? Nee, maar dat gebeurt in de regel ook niet. Vraag 6, wie neemt de regie bij particuliere projecten, de gemeente of de initiatiefnemer? De projectontwikkelaar komt met een voorstel, dus die moet ook de participatie gaan organiseren. Daar kan de gemeente natuurlijk wel een faciliterende rol hebben en ook de raad informeren.

Vraag 7, is het de gewenste route, dat het college op basis van deze discussie komt met een participatieverordening? In die zin ja, want het is een voorloper op de omgevingswet, die dat ook van ons vraagt. Dank u wel. De voorzitter: We gaan naar wethouder Arends. U heeft de vragen en antwoorden gehoord van de commissieleden. Er is ook verwezen naar de nota van 2012, het rapport van de rekenkamer. Er zijn de nodige items naar voren gebracht t.a.v. burgerparticipatie, waarvan we allemaal weten, dat er een beeldvorming komt in februari aanstaande. Misschien kunt u uw licht laten schijnen op hetgeen u allemaal gehoord heeft. Aan u het woord.

10/22

Wethouder Arends: Ik heb ongelooflijk veel goede dingen gehoord. Ook heel belangrijk, dat u dit vanavond heeft geagendeerd. O.a. de heer Blonk gaf aan: participatie is echt een belangrijk onderwerp. Dat geldt niet alleen voor particuliere initiatieven, ook al is de inbreng van dit bespreekstuk vooral gericht op particuliere initiatieven, maar is het onderwerp eigenlijk op alle beleidsterreinen binnen de gemeente van waarde. De aanbevelingen van de rekenkamer en de daarop volgende motie van de gemeenteraad zijn ook aanleiding om te komen tot een nieuwe nota burgerparticipatie. Mevrouw De Geus noemde het al even: er wordt een beeldvormende avond georganiseerd op 10 februari. Daarna wordt er participatiebeleid opgesteld over al die beleidsterreinen. Dan hangt het er vanaf op welke manier, welke invulling, welke fases en hoe worden alle inwoners bij elk proces betrokken? Mijn collega de heer Fortuyn, vanavond ook aanwezig, is portefeuillehouder van het opstellen van die nota van burgerparticipatie. Het is heel goed, dat u vanavond al stil staat bij participatie in de ruimtelijke ordening, want dat is gewoon niet meer weg te denken bij de ruimtelijke ordening en alle fases die daar in naar voren komen. Dan is het zo, dat er al veel gebeurt en ook op goede manieren gebeurt, naar tevredenheid, ook van betrokkenen.

U heeft daar vanavond ook de inspraak over gehoord, als het gaat over het initiatief, dat de gemeente neemt in Bleiswijk aan de Lange Vaart en de Merenweg. Maar zoals u ook schetst: er zijn ook minder goede ervaringen. Wij onderschrijven de behoefte, die u vanavond laat zien om kaders met elkaar vast te stellen over die participatie in brede zin, maar ook in ruimtelijke ordening en zeker ook bij particuliere initiatieven. Het is niet alleen maar een wens, het is ook echt een noodzaak in die ruimtelijke ontwikkeling om een participatiebeleid vast te stellen, die volgt voor de omgevingswet, aanvullend daarop om te komen tot de vervanging van de inspraakverordening naar een participatieverordening. U heeft er vanavond met elkaar over gesproken. We hechten er ook aan, meneer Machielse noemde dat ook even: het staat wel allemaal in de planning, de heer Fortuyn komt ermee, maar we gaan ook in gesprek over de omgevingsvisie, samen met collega Van Tatenhove. We komen in het vierde kwartaal bij u terug over dat participatiebeleid. Het is nu aan u de vraag: hoe gaan we daar de aankomende periode dan mee om? De heer Machielse noemde dat ook al. Eigenlijk vind ik dat ook een belangrijke vraag.

Mijn voorstel zou zijn om vanuit het college u in maart een brief te sturen met hoe we mogelijk in de aankomende periode, hoe het college dat ziet, om invulling te geven aan het participatietraject als het gaat over de particuliere initiatieven, zoals u dat vanavond heeft geagendeerd. Daarin heeft u al veel input gegeven. Mevrouw De Geus vroeg dat ook: wat gaat u daarmee doen? Wij hebben echt goed geluisterd, ik heb goed geluisterd, het college, maar ook de ambtenaren. Er zijn meerderen, die op dit moment mee luisteren, want volgens mij hebben we een gezamenlijke behoefte om duidelijkheid voor een ieder te creëren en ook een set van kaders met elkaar vorm te geven voor de lange termijn in de omgevingsvisie voor alle beleidsterreinen, als het gaat over de hele burgerparticipatie, maar zeker ook qua particuliere initiatieven. Daarvoor wil ik met het college een voorstel naar u doen toekomen, voor de aankomende periode, hoe we daar dan mee om kunnen gaan. Wat ik daarnaast wil benoemen, is dat ik vanavond veel gelijkgestemden hoor in de discussie. Daar ben ik ook wel heel erg blij mee. Het college is daar ook blij mee. Er is eenzelfde beeld over hoe we dat vorm willen gaan geven. Dat is mijn inbreng op de eerste reactie van alle inbreng van de commissieleden. Dank u wel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=b55abeb2-50d1-4f30-9715-d0876af65906