Bijlagen T21.10323 Nota bodembeheer 2021-2031
Tekst van het document
Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 4.4.2 Toepassen grond op moes-/volkstuin(complex)en (>200m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen).
4.4.2 LOKALE MAXIMALE WAARDEN BODEMKWALITEITSZONE TOEPASSEN GROND OP MOES-/VOLKSTUIN(COMPLEX)EN (>200 M²), SCHOOLTUINEN EN ONVERHARDE KINDERSPEELPLAATSEN In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeente stelt daarentegen bij moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen 7 strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeente moet de grond die wordt toegepast op bestaande moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. Met de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ wordt voor lood voldaan aan het aanvullend advies van de GGD GHOR Nederland over lood in de bodem en gezondheid[15]. De nieuw aan te leggen moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen moeten worden voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. Met de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ wordt voor lood voldaan aan het aanvullend advies van de GGD GHOR Nederland over lood in de bodem en gezondheid.
De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (zie § 6.2.1). Als de grond verdacht is voor verhoogde gehalten met asbest, wordt asbest ook in de partijkeuring meegenomen. Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbestverdacht/-houdend materiaal (zie § 4.5 en § 4.6). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59).
7
Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 24/59
De Lokale Maximale Waarde voor bestaande moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. De nieuw aan te leggen onverharde moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en kinderspeelplaatsen moeten worden voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse Natuur’. De kwaliteit moet zijn aangetoond met een partijkeuring (zie § 6.2.1) Als de grond verdacht is voor verhoogde gehalten met asbest, wordt asbest ook in de partijkeuring meegenomen. Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbestverdacht/-houdend materiaal (zie § 4.5 en § 4.6). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59).
4.4.3 LOKALE MAXIMALE WAARDEN TOEPASSEN GROND TER PLAATSE VAN EN TOEPASSEN GROND UIT AANGEWEZEN ONVERHARDE (WEG/SPOOR/METRO)BERMEN MET DE BODEMFUNCTIEKLASSE 'INDUSTRIE' (BODEMLAAG 0-2 M-MV) Onderbouwing en definiëring Lokale Maximale Waarden Van onverharde bermen van wegen/spoor/metro is het bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van: — depositie uitlaatgassen (PAK, lood); — afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood); — funderingsmateriaal (zware metalen en PAK); — toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); — uitloging vangrails (zink); — slijtsel van bovenleidingen, stroomafnemers en slijtage van rails (cadmium, lood, koper, zink); — toepassing van bestrijdingsmiddelen voor het vrijhouden van het spoor van onkruid. De onverharde (weg/spoor/metro)bermen in de gemeente die in de bodemfunctie ‘Industrie’ vallen, zijn verdacht voor bodemverontreiniging en daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Hierdoor bestaat er voor het toepassen van (weg/spoor/metro)bermgrond in (weg/spoor/metro)bermen een dubbele onderzoeksinspanning. Van zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem moet met een onderzoek de kwaliteit worden vastgesteld.
Omdat het bekend is dat onverharde bermgrond van drukke spoor-, metro- en openbare wegen belast wordt met verontreinigende stoffen, wordt het niet milieuvriendelijk geacht dat bij aangewezen onverharde (weg/spoor/metro)bermen wordt uitgegaan van het generieke kader van het Besluit waarbij de mogelijkheid bestaat dat alleen schone grond mag worden toegepast. De gemeente vindt het niet duurzaam dat eventueel toegepaste schonere grond als gevolg van het drukke (weg/spoor/metro)verkeer alsnog wordt verontreinigd. De gemeente vindt het daarom aanvaardbaar om voor de onverharde (weg/spoor/metro)bermen die zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’, Lokale Maximale Waarden vast te stellen zonder dat hierbij risico’s optreden. Voor alle onverharde (weg/spoor/metro)bermen in de gemeente die in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ vallen mogen juridisch gezien geen Lokale Maximale Waarden worden opgesteld. Voor deze gebieden is namelijk de kwaliteit van de ontvangende bodem niet bekend. Maar om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, worden de volgende Lokale Maximale Waarden vastgesteld. De
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 25/59
gemeente staat lokale verslechtering toe in de taluds en de onverharde (weg/spoor/metro)bermen die in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ vallen met grond uit de gemeente Lansingerland die voldoet aan maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (zie de kaartbijlagen 6). De Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de Maximale Waarde van het bodemgebruik van deze aangewezen onverharde (weg/spoor/metro)bermen. Hierdoor treden er bij het bodemgebruik geen risico's op als grond met de kwaliteitsklasse 'Industrie', ‘Wonen’, ‘Landbouw’ of ‘Natuur’ wordt toegepast. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59). Met onverharde bermen wordt bedoeld de strook grond naast de het spoor, de metro of de openbare weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 1,0 meter diepte, en heeft gerekend vanaf de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1. in bijlage 1): — de erfgrens of — de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of — de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of — als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).
Voor wegbermen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. De Lokale Maximale Waarde voor taluds en de onverharde bermen van het spoor, de metro of de openbare weg met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’, is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59). Toepassen grond uit aangewezen onverharde (weg/spoor/metro)bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ Als het voornemen bestaat grond uit de gemeente, uit een (weg/spoor/metro)berm die in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ valt (en uitgesloten gebied op de ontgravingskaarten) toe te passen, gelden de volgende regels: — Voorafgaand aan de toepassing in onverharde (spoor)wegbermen met de functieklasse ‘Industrie’ moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen (weg/spoor/metro)bermgrond (zie § 6.2.1). De resultaten van het indicatieve onderzoek (maximaal vastgestelde gehalten) moeten worden getoetst aan de eisen van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’.
Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast: • Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond op of in de onverharde (weg/spoor/metro)bermen worden toegepast. • Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. De grond kan ook aanvullend worden gekeurd (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring kan de grond worden toegepast. • Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. — Voorafgaand aan toepassing elders moet een partijkeuring worden uitgevoerd (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Door het uitvoeren van indicatief onderzoek en het stellen van toetsregels en maximale waarden wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond opnieuw binnen de gemeente wordt toegepast.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 26/59
Voorafgaand aan de toepassing van grond uit een onverharde (weg/spoor/metro)berm met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ in onverharde (weg/spoor/metro)berm met de functieklasse ‘Industrie’, moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen bermgrond. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast.
4.4.4 LOKALE MAXIMALE WAARDEN TOEPASSEN GROND TER PLAATSE VAN RELATIEF SCHONE GEBIEDEN MET DE BODEMFUNCTIE ‘INDUSTRIE’ (BODEMLAAG 0-2 M-MV) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond uit de gemeente met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ te vergroten, staat de gemeente toe dat op de relatief schone (toekomstige) bedrijvenparken ‘Oudeland’, ‘Oudeland-West’ en ‘Prisma’ (bodemlaag 0-2 m-mv), grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ mag worden toegepast (zie de kaartbijlagen 6). De kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan het bodemgebruik in dit gebied. Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59.
De Lokale Maximale Waarde voor de relatief schone (toekomstige) bedrijvenparken ‘Oudeland’, ‘Oudeland-West’ en ‘Prisma’ (bodemlaag 0-2 m-mv) is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59).
4.4.5 LOKALE MAXIMALE WAARDEN TOEPASSEN GROND TER PLAATSE VAN RELATIEF SCHONE GEBIEDEN MET DE BODEMFUNCTIE ’WONEN’ (BODEMLAAG 0-2 M-MV) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond uit de gemeente met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ te vergroten, staat de gemeente toe dat op de relatief schone (toekomstige) woonwijken van Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, en Bleiswijk (bodemlaag 0-2 m-mv), grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast (zie de kaartbijlagen 6). De kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is gelijk aan het bodemgebruik in dit gebied. Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59).
De Lokale Maximale Waarde voor de relatief schone (toekomstige) woonwijken van Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, en Bleiswijk (bodemlaag 0-2 m-mv) is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59).
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 27/59
4.5 TOEPASSEN VAN GROND MET BODEMVREEMD MATERIAAL (STEENACHTIGE MATERIALEN, PLASTIC, PIEPSCHUIM ETC.) Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Binnen het grondgebied van de gemeente is het toepassen van grond met bijmengingen toegestaan mits: — De bijmenging bevat niet meer dan 20 gewichtsprocent aan steenachtige materialen en organische materialen/meststoffen en bij zorgvuldig ontgraven niet is te voorkomen dat de grond of baggerspecie daarmee is vermengd (onnodig bodemvreemd materiaal zoals bijvoorbeeld stukken rioolbuis, trottoirbanden of stoeptegels): • Steenachtige materialen in een grootte kleiner dan 63 mm, zoals resten van baksteen, cement of beton, schelpen, natuur- of breuksteen. • Organische materialen/meststoffen, die van nature verworden tot humus, onbewerkt hout. — De bijmenging bevat niet meer dan 2 gewichtsprocent aan steenachtige materialen en niet-organische materialen/meststoffen, dat doorgaans geen onderdeel uitmaakt van de bodem en voorafgaand aan het ontgraven of bewerken of toepassing van de grond of baggerspecie eenvoudig kan worden verwijderd (onnodig bodemvreemd materiaal): • Steenachtige materialen in een grootte kleiner dan 63 mm, zoals koolassen, sintels of slakken.
• Andere bodemvreemde materialen zoals huishoudelijk/industrieel afval, ijzer, asfalt, verf, potscherven, keramische tegels. • Kunstmatige meststoffen en restanten van verduurzaamd of geverfd hout. — De bijmenging bevat niet meer dan 2 volumeprocent aan lichte bijmengingen, dat doorgaans geen onderdeel uitmaakt van de bodem en voorafgaand aan het ontgraven of bewerken of toepassing van de grond of baggerspecie eenvoudig kan worden verwijderd (onnodig bodemvreemd materiaal zoals plastic, piepschuim, blik e.d. zodat sprake is van een sporadische bijmenging. — Het bijgemengde bodemvreemde materiaal is niet-asbestverdacht. — Het bodemvreemde materiaal heeft geen afwijkende kleur en/of geur. De initiatiefnemer is verantwoordelijk dat deze voorafgaand aan het grondverzet aandacht besteedt aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de grond (zie aanleveren van historische gegevens; § 6.1). De initiatiefnemer laat tijdens de grondwerkzaamheden zijn uitvoerder hierop visueel controleren. Het is niet toegestaan om (ongezeefd) grond toe te passen als die een bijmenging heeft van meer dan het hierboven toegestane percentage bodemvreemd materiaal. Uiteraard kan het voorkomen dat er een steenachtig materiaal voorkomt in een diameter groter dan 63 mm zoals een enkele baksteen. In die situatie, bij twijfel of grenssituaties beslist de DCMR of sprake is van te grote bijmenging.
Het is toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civiel technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal wordt getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Wordt tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal waargenomen, dan worden de werkzaamheden door de uitvoerder gestaakt (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit[16]) en meldt hij dit direct aan de DCMR. Veelal wordt dan het spoor van de Wet bodembescherming gevolgd en volgt een verkennend bodemonderzoek naar asbest in grond. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die op een bodemverontreiniging wijzen. Wordt in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal vastgesteld, of wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan wordt dit direct gemeld bij de toezichthouder (de DCMR).
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 28/59
4.6 TOEPASSEN GROND OP BEPAALD BODEMGEBRUIK MET ASBESTVERDACHT/-HOUDEND MATERIAAL Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd, is het onder de volgende voorwaarden toegestaan licht met asbest verontreinigde grond toe te passen: — Tot en met 50 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfuncties ‘Natuur’, ‘Landbouw’ en ‘Wonen’ maar ook onverharde kinderspeelplaatsen, moes-/volkstuincomplexen en schooltuinen. — Tot en met 100 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’. Burgers of bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen.
Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het volgende: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[17] of NEN 5897[18] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. In bijlage 1 is nader ingegaan op puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming: totdat de Omgevingswet inwerking treedt is dat de provincie Zuid-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (zie bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[19]). Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds -gewogen- én ≤10 mg/kg ds -gewogen- aan respirabele vezels) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld (zie § 4.5), én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel-technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen.
Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd, is het onder de volgende voorwaarden toegestaan licht met asbest verontreinigde grond toe te passen: – Tot en met 50 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfuncties ‘Natuur’, ‘Landbouw’ en ‘Wonen’ maar ook onverharde kinderspeelplaatsen, moes-/volkstuincomplexen en schooltuinen. – Tot en met 100 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 29/59
4.7 TOEPASSEN PFAS-HOUDENDE GROND EN VERSPREIDEN PFAS-H0UDENDE ONDERHOUDSBAGGERSPECIE 4.7.1 DEFINIËREN TOEPASSINGSWAARDEN PFAS-HOUDENDE GROND EN TE VERSPREIDEN PFAS-HOUDENDE ONDERHOUDSBAGGERSPECIE Zoals uit onderzoeken is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFAS-verbindingen vastgesteld. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. Om beter invulling te geven aan de voorkomende variatie, wordt door de gemeente voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen in de grond van de gemeente gedefinieerd. Deze zijn gebaseerd op de mogelijkheden die het geactualiseerde tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie[20] biedt (zie tabel 4.2 op de volgende bladzijde). Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeente, vindt de gemeente de gedefinieerde toepassingseisen een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFASverbindingen in de gemeente toe te staan.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 30/59
Tabel 4.2: Toepassingswaarden PFAS-verbindingen in de grond
Toepassingswaarden PFAS-verbindingen (in µg/kg ds) Toepassen van grond in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen 8: ‘Wonen’ of ‘Industrie’ (boven grondwaterniveau9 tot maximaal 2,0 m-mv) Stof
PFOA (som, lineair, vertakt)
7,00*
PFOS (som, lineair, vertakt)
3,00*
Elke andere PFAS-verbinding
3,00*
Toepassen van grond in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen: ‘Landbouw’ of ‘Natuur’ (boven grondwaterniveau tot maximaal 2,0 m-mv) PFOA (som, lineair, vertakt)
1,90**
PFOS (som, lineair, vertakt)
1,40**
Elke andere PFAS-verbinding
1,40**
Toepassen grond onder grondwaterniveau10 en/of dieper dan 2,0 m-mv PFOA (som, lineair, vertakt)
1,90**
PFOS (som, lineair, vertakt)
1,40**
Elke andere PFAS-verbinding
1,40**
Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in het buitengebied PFOA (som, lineair, vertakt)
1,90**
PFOS (som, lineair, vertakt)
1,40**
Elke andere PFAS-verbinding
1,40**
*
Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en baggerspecie bij de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Op basis van de huidige inzichten is er bij de aangegeven waarden geen sprake van risico’s voor de gezondheid en overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem. ** Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen.
8 9 10
Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 31/59
4.7.2 TOEKOMSTIGE BIJSTELLING VAN DE VOORLOPIGE LANDELIJKE ACHTERGRONDWARDEN EN (TOEPASSINGS)WAARDEN VOOR PFASHOUDENDE GROND Tot en met 2021 wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgt de gemeente de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond worden aangepast, evalueert de gemeente deze met de in deze nota bodembeheer gedefinieerde toepassingswaarden voor hergebruik van PFAS-houdende grond en het verspreiden van PFAS-houdende baggerspecie. Indien van toepassing worden de toepassingswaarden gewijzigd en zo nodig bestuurlijk vastgesteld.
4.8 TIJDELIJKE UITNAME VAN GROND BIJ GRAAFWERKZAAMHEDEN BIJ ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR EN GROENVOORZIENINGEN Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: — er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; — er geen tussentijdse bewerking11 plaatsvindt; — de grond onder dezelfde condities weer worden toegepast; de onderlaag 1-2 m-mv wordt weer onderlaag en de bovenlaag 0-1 m-mv wordt weer bovenlaag. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovenlaag en de onderlaag worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en onderlaag gescheiden tijdelijk op te slaan.
Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten verruimt de gemeente voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op onverdachte locaties, hoeven de bovenlaag (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 1,0 meter diepte) en de onderlaag (bodemlaag vanaf 1,0 tot en met 2,0 meter diepte) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. In § 4.22 is aangegeven dat de bodemkwaliteitskaart niet kan worden gebruikt voor de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. De gemeente maakt hierop een uitzondering voor graafwerkzaamheden bij tijdelijke uitname van grond bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen: de zintuiglijk niet verontreinigde bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze worden beoordeeld als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte.
11
Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (zie Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid).
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 32/59
Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst en niet gescheiden is ontgraven, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. In 2020 is een richtlijn opgesteld voor risico gestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem[21]. De gemeente adviseert deze richtlijn aan te houden zodat onderzoekstijd en -geld naar asbest in de bodem kan worden bespaard. Voor tijdelijke uitname van grond, bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 6.1, § 7.1, § 7.2.1 en § 7.2.3. NB
Bij tijdelijke uitname van grond op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd, kan conform de CROW 400[22] de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde12 (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden. Bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op onverdachte locaties hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld toten met 1,0 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag vanaf 1,0 tot en met 2,0 meter diepte) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De zintuiglijk niet verontreinigde bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag in op dezelfde wijze worden beoordeeld als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte.
4.9 TOEPASSEN GROND IN EEN GROOTSCHALIGE TOEPASSING De toepassing van grond in een grootschalige toepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige toepassing neemt in de planfase contact op met de DCMR. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige toepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de DCMR vastgelegd. De gemeente verplicht de initiatiefnemer om voor het werk een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de DCMR. Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct aan de DCMR worden gemeld (zie ook § 7.6). Afhankelijk van de beoordeling van de DCMR moet de initiatiefnemer aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ én aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling. De vastgestelde Rotterdamse toetsingsnormen voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zijn hier niet van toepassing (zie ook § 3.1 van de samenvatting van het Rotterdamse beleid). Hierdoor wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden.
Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen, zie § 4.4). Als de gemiddelde waarden van een bodemkwaliteitszone voldoen aan de emissietoetswaarden, dan is het toegestaan dat de geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2) gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn: 12
80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 33/59
— De grond is afkomstig van een gebied dat onderdeel uit maakt van de bodemkwaliteitskaarten (zie voor de uitgesloten gebieden de rapportages van de bodemkwaliteitskaarten). — De grond die wordt toegepast voldoet aan het maximaal percentage bodemvreemd materiaal zoals is omschreven in § 4.5 en het maximaal toegestane gehalten met asbest (zie § 4.6). Toepassen PFAS-houdende grond De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing boven grondwaterniveau13 voldoet aan de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’, of een betere kwaliteit: — PFOA: 7,0 µg/kg ds. — Alle andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds. De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing onder grondwaterniveau14 moet voldoen aan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden: PFOA: 1,9 µg/kg ds en de andere PFAS-verbindingen: 1,4 µg/kg ds. Oók moet worden aangetoond dat de PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de PFAS-houdende grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voor PFASverbindingen voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59).
4.10 TOEPASSEN GROND AFKOMSTIG VAN BUITEN HET BODEMBEHEERGEBIED VAN DE GEMEENTE De gemeente accepteert de geldige bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel bij grondverzet van de gemeenten Goeree-Overflakkee, Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. Grond die niet afkomstig is uit de gemeente Lansingerland of de voornoemde gemeenten moet altijd zijn gekeurd (zie § 6.2.1). De toe te passen grond van buiten de gemeente Lansingerland moet voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit (zie kaartbijlage 4). Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 4.4.2). Ook gelden bij grondtoepassingen in opdracht van de gemeente, de aanvullende eisen voor asbest verdacht/-houdend materiaal (zie § 4.5).
4.11 MELDEN EN ONDERZOEKEN KLEINE PARTIJEN GROND (KLEINER DAN 50 M3) Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone baggerspecie kleiner dan 50 m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (zie ook § 7.2.2). Het is echter niet redelijk om voor alle kleine partijen niet-schone grond een onderzoek (bijvoorbeeld een partijkeuring) te verlangen en bij toepassing deze te melden.
13 14
Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: Tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: Op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 34/59
De gemeente verruimt de vrijstelling voor onderzoek en meldplicht voor een kleine partij grond. De vrijstelling is afhankelijk van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 4.3 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. Het heeft echter de voorkeur, dat kleine partijen vrijkomende grond worden verzameld tot maximaal 25 m 3 (zie artikel 4.3.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL 9335 protocol 9335-1[23]. Volgens paragraaf 6.1 van BRL 9335 – protocol 9335-1 kunnen partijen grond tot 100 ton worden ingenomen op basis van beperkte voorinformatie, dus ook grond die niet geanalyseerd is op PFAS-verbindingen. Individuele kleine partijen PFAS-houdende grond kunnen, afhankelijk van de acceptatiecriteria, ook bij erkende grondverwerkers (reiniger, grondbank) worden aangeboden. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt ter onderbouwing van de kwaliteit van de aangeboden grond. Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de eigenaar van de ontvangende locatie. Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt in het openbaar gebied.
Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (zie § 6.1). Tabel 4.3: Regels voor keuring en melding van kleine partijen grond.
Grondstroom
Van gebieden waar de bodemkwaliteitskaart niet van is geaccepteerd of geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld
Volgens grondstromenmatrix vrij grondverzet15
Schone grond Hoeveelheid
≤50 m3
>50 m3
Keuring?
Nee
Ja
Melden?
Nee, wel toestemming vragen aan eigenaar
Ja, zie § 7.2
Beperking bij de toepassing?
Van gebieden van de eigen en geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten Volgens grondstromenmatrix geen vrij grondverzet15
≤50 m3
>50 m3
≤25m3
>25m3
Nee, tenzij een bepaald bodemgebruik* Nee, wel toestemming vragen aan eigenaar
Nee, tenzij een bepaald bodemgebruik*
Nee, tenzij een bepaald bodemgebruik*
Ja
Ja, zie § 7.2
Ja, zie § 7.2
Binnen de zone
Afhankelijk van keuringsresultaten
Bepalingen uit § 4.5 en § 4.6 en er mag geen sprake zijn van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie
*
Als een partij kleiner is dan 25 m3 en de toepassingslocatie heeft of krijgt een bepaalde gevoelige bodemgebruik (moes- /volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen16), dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeurig waaruit blijkt dat de kwaliteit van de grond voldoet aan de gestelde toepassingseis of Lokale Maximale Waarde (zie § 4.4.2).
15
Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld. Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.
16
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 35/59
4.12 TOEPASSING VAN GROND UIT EEN TIJDELIJKE OPSLAG Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (zie § 6.2.1). Een partijkeuring op de grond van een tijdelijke opslag is niet noodzakelijk, de bodemkwaliteitskaart mag als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond gebruikt worden, als wordt aangetoond dat de grond: 1. afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit de vragenformulier met historische gegevens; zie § 6.1); én 2. afkomstig is uit een zone van de eigen of geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2); én 3. niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL SIKB 9335 [24] of de BRL SIKB 7500[25]. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd (zie hiervoor artikel 4.3.1 Regeling bodemkwaliteit) door de initiatiefnemer.
Minimaal moet de onderstaande informatie administratief worden vastgelegd: — de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, — de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en — de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL 9335 – protocol 9335-1. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan moet een bedrijf dat is erkend voor het BRL 9335 – protocol 9335-1 worden ingeschakeld om de partij te legaliseren. In § 6.3.5 van het BRL 9335 – protocol 9335-1 is hiervoor een mogelijkheid beschreven. Dit document ziet expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk afvalbeheerplan (LAP3) [26] als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing.
4.13 TERUGSANEERWAARDEN EN HERGEBRUIK GROND OP LOCATIES MET EEN AANTEKENING WET BODEMBESCHERMING (LOCATIE MET DE BESCHIKKING “ERNSTIG”) Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt onder andere voor: — De terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen[27]). — Het aanvullen van de ontgravingsput, het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering of het tijdelijk opslaan van grond.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 36/59
4.13.1 TERUGSANEERWAARDEN EN HERGEBRUIK GROND De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit Uniforme Saneringen en de Regeling Uniforme Saneringen[28]) geregeld: Wet bodembescherming Circulaire artikel 4.1.2 1. Bodemfunctie 2. Gemotiveerd afwijken met behulp van een saneringsplan BUS/RUS RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4 1. Vastgestelde Lokale Maximale Waarden 2. Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, de Achtergrondwaarde (AW2000) als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld 3. Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen Deze terugsaneerwaarden worden ook geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (veroorzaakt voor 1 januari 1987); bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond. Nieuwe bodemverontreinigingen (ontstaan vanaf 1 januari 1987) moeten volledig worden gesaneerd. Hiervoor is de gemeente bevoegd gezag. Het is mogelijk dat in uitzonderlijke gevallen de Lokale Maximale Waarden (zie § 4.4) niet toereikend zijn voor een sanering. Zo zou het kunnen zijn dat er voor een specifieke situatie de saneringskosten te hoog oplopen, terwijl verwacht wordt dat er op basis van locaties specifieke omstandigheden geen sprake is van een risico.
In die situatie moet een saneringsplan worden opgesteld en de hierin gehanteerde terugsaneerwaarden op basis van een uitgebreid onderzoek naar risico’s (bijvoorbeeld een triadeonderzoek) worden onderbouwd. Het toepassen van grond om een saneringsdoelstelling te behalen valt onder het bevoegde gezag van de Wet bodembescherming. Voor de gemeente is dat de provincie Zuid-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (zie § 2.1.1 in bijlage 2) en voldoet aan de toepassingsvoorwaarden uit deze nota bodembeheer. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. Voor grond, afkomstig uit de gemeente Lansingerland, gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 5). Voor grond van buiten de gemeente Lansingerland gelden de generieke toepassingseisen van het Besluit (zie de kaartbijlagen 6). Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 4.5 (bijmenging bodemvreemd materiaal) en § 4.6 (asbestverdacht/-houdend materiaal) van toepassing.
4.13.2 MELDEN TOEPASSEN GROND OP EEN SANERINGSLOCATIE Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (zie § 7.2.1). Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming en een saneringsplan is opgesteld, moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Voor de gemeente is dat de provincie Zuid-Holland, zie ook de website: https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/ruimte/bodemondergrond/bodemsanering-beheer/ of het klikpad: start › onderwerpen › ruimte › bodem en ondergrond › bodemsanering en beheer. De Provincie Zuid-Holland die deze taken heeft gemandateerd aan de DCMR; 010-2468140, info@dcmr.nl). De dubbele meldingsplicht geldt niet voor BUS-saneringen (zie artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit).
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 37/59
4.14 BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN BIJ HET TIJDELIJK OPSLAAN EN HET TOEPASSEN VAN GROND 4.14.1 VAN DE BODEMKWALITEITSKAART UITGESLOTEN LOCATIES EN GEBIEDEN In de gemeente zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in hoofdstuk 2 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het volgende: — Het toepassen van grond van deze locaties of gebieden moet voorafgegaan worden door een partijkeuring (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond als volgt worden toegepast: • Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse 'Industrie' of beter, dan mag de grond op worden toegepast op een locatie waar de vastgestelde kwaliteit voldoet aan de daar geldende toepassingseis. • Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor 'Industrie' overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. • Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. De onderzoeksresultaten moeten worden gemeld aan de DCMR.
— Als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, moet de ontvangende bodem onderzocht worden met een verkennend bodemonderzoek (zie § 6.2.2). Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteit gelden de toepassingseisen van het omliggende gebied (zie § 4.20).
4.14.2 PROVINCIAAL BESCHERMDE GEBIEDEN Op het grondgebied van de gemeente liggen provinciale beschermingsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn archeologie en cultuurhistorie en Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS). Voor een actueel beeld van de ligging van deze gebieden wordt verwezen naar de website van de provincie ZuidHolland (www.zuid-holland.nl). De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. Voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden restricties zijn ten aanzien van de werkzaamheden. Bij grondwerkzaamheden binnen beschermingsgebieden wordt het provinciale beleid gevolgd.
4.15 VERSPREIDEN ONDERHOUDSBAGGERSPECIE (GENERIEK KADER BESLUIT BODEMKWALITEIT) 4.15.1 VERSPREIDEN ONDERHOUDSBAGGERSPECIE IN EEN OPPERVLAKTEWATERLICHAAM Voor de gemeente is voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in een oppevlaktewaterlichaam het Hoogheemraadschap van Delfland (grondgebied voormalige gemeente Berkel en Rodenrijs) en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (grondgebied voormalige gemeenten Bergschenhoek en Bleiswijk) het bevoegd gezag. Hiervoor moet contact worden opgenomen met het Hoogheemraadschap van Delfland (www.hhdelfland.nl) of het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (https://www.schielandendekrimpenerwaard.nl/).
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 38/59
4.15.2 VERSPREIDEN ONDERHOUDSBAGGERSPECIE OP HET AANGRENZEND PERCEEL In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de onderhoudsbaggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 4.1. In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’. <Ontvangstplicht> Verspreiden over Vrij toepasbaar aangrenzend perceel
Achtergrondwaarden (AW2000)
Niet verspreidbaar over aangrenzend perceel
Maximale Waarden verspreiden over aangrenzende percelen en interventiewaarde droge bodem
Figuur 4.1. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen. Voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: — Voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel en aan de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht. — De baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid. — Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. — De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld. Voor weilanddepots, een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie, gelden aanvullende eisen: — De kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen. — De tijdelijke opslag mag maximaal drie jaar duren. — De tijdelijke opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt vijf dagen van tevoren gemeld. — De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanaf het weilanddepot in een nuttige toepassing worden gebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is uitgezonderd als nuttige toepassing.
Verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel en tijdelijke opslag in weilanddepot Voor het verspreiden van baggerspecie uit watergangen op aangrenzende percelen of in een weilanddepot (artikel 35, onder f, Besluit) gelden dezelfde toepassingswaarden als voor andere vormen van toepassen van baggerspecie op de landbodem boven het grondwaterniveau (zie § 4.7.1, tabel 4.2, blz. 31/59). Ook dan komt het uitgangspunt van standstill namelijk niet in het geding. Omdat de baggerspecie in een watergang daarin door afspoeling van grond van de aangrenzende terreinen is terechtgekomen, zal de baggerspecie over het algemeen dezelfde kwaliteit hebben als de landbodem waarop de baggerspecie wordt toegepast. Daarom is het bij al uitgevoerde onderzoeken niet altijd nodig om de kwaliteit van de baggerspecie te bepalen. Wel wordt aangeraden om bij nieuw uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen te doen om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een voor de watergang niet-representatieve verontreiniging als gevolg van een lokale bron (puntbron). Door het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, zal de bestaande bodemkwaliteit verslechteren. Deze lokaal sterker verontreinigde baggerspecie mag daarom niet worden toegepast.
Voor onderzoeken naar de kwaliteit van baggerspecie die na 8 juli 2019 (de datum waarop het tijdelijk handelingskader van kracht werd) zijn uitgevoerd, is het wenselijk om ook op PFAS te analyseren. Dit is niet nodig als de waterbeheerder, in afstemming met de DCMR, heeft aangetoond dat de PFAS-gehalten in de baggerspecie in haar beheergebied ruimschoots aan de toepassingswaarden voldoen. SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 39/59
Voor het toepassen van baggerspecie uit watergangen op de kant is het in het kader van de dubbele toets die normaal gesproken voor toepassen op de landbodem geldt, niet nodig om de bodemkwaliteit vast te stellen. Dit heeft geen toegevoegde waarde omdat de uitkomsten voor het mogen toepassen geen relevante informatie opleveren. Het uitgangspunt is namelijk dat de baggerspecie als afgespoelde grond weer op de landboden kan worden toegepast zonder dat dit tot verslechtering leidt. Het voorgaande komt overeen met de huidige praktijk bij het onderhoud van watergangen door waterschappen waarbij periodiek baggerspecie op de kant wordt gezet. Deze praktijk kan dus doorgang vinden.
4.16 GEBRUIK VAN DE BODEMKWALITEITSKAART BIJ BODEMVERONTREINIGENDE ACTIVITEITEN Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is voor bodembedreigende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving, in tegenstelling tot het Activiteitenbesluit, geen nulsituatie-onderzoek meer verplicht. Het nulsituatieonderzoek bij de start van een activiteit is geen milieubeschermende maatregel, maar een grondslag voor een eindsituatie-onderzoek. Hiermee kan het bevoegd gezag toetsen of door de bodembedreigende activiteit verontreiniging heeft plaatsgevonden. Als de gemeente heeft voorgeschreven dat een nulsituatie-onderzoek verplicht is, dan moet dit worden uitgevoerd. Ook kan op vrijwillige basis een nulsituatie-onderzoek worden uitgevoerd, ter ondersteuning van het (later uit te voeren) eindsituatie-onderzoek. Het eindsituatie-onderzoek is verplicht. Het eindsituatie-onderzoek hangt samen met de beëindiging van de activiteit. Per activiteit wordt aangegeven of bij beëindiging een eindsituatie-onderzoek nodig is. Als er geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan Als er geen nulsituatieonderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan de 80-percentielwaarde17 van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4, kolom 80P).
Voor activiteiten waarop de Europese Richtlijn industriële emissies het milieubeschermingsbeginsel van "Integrated Pollution Prevention and Control" (IPPC) van toepassing is, blijft volgens de Europese Richtlijn industriële emissies (art. 22) het nulsituatie-onderzoek wel verplicht. Het bevoegd gezag moet deze opnemen in de omgevingsvergunning. De bodemkwaliteitskaart(en) zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt.
4.17 VOORKOMEN VERSPREIDEN INVASIEVE EXOTEN (FLORA) BIJ GRONDVERZET Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde invasieve exoten (flora) een steeds belangrijkere rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. De uitheemse Japanse duizendknoop brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen wil de gemeente de verspreiding van deze invasieve exoten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeente stelt dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van invasieve exoten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen[29] opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat 17
80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 40/59
er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een invasieve exoot (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de gemeente. Als een invasieve exoot (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/.
4.18 GELDIGHEIDSDUUR VAN EEN UITGEVOERD ONDERZOEK De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. De NEN 5740 [30] of en het BRL 1000 – protocol 1001[31] stellen geen voorwaarden aan de actualiteit van onderzoeksgegevens. De gemeente beschouwt de onderzoeksresultaten als een momentopname en zijn daarom niet ‘onbeperkt houdbaar’. Bij een al uitgevoerd onderzoek moet de initiatiefnemer aan de DCMR (namens de gemeente) aannemelijk maken dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen: — of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit; — of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan; — qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is; — in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. Stelt de DCMR (namens de gemeente) vast dat de onderzoeksresultaten hun actualiteitswaarde hebben verloren, dan kan, met instemming van de DCMR, nog worden overwogen om de verouderde onderzoeksgegevens met een indicatief/beperkt onderzoek te verifiëren of aan te vullen.
Een volledig nieuw onderzoek volgens de BRL 1000 – protocol 1001, de NEN 5740 of NEN 5707 is dan niet nodig. Bij twijfel beslist de DCMR of het bewijsmiddel gebruikt mag worden.
4.19 UITGEVOERDE PARTIJKEURING OF SPECIFIEK ONDERZOEK VAN DE NEN 5740 EN GEBRUIK ONTGRAVINGSKAART De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) of een specifiek onderzoek van de NEN 5740 18 is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (zie § 6.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart.
18
Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
SOB012160 – Nota bodembeheer gemeente Lansingerland SOB012160.RAP004 Opdrachtgever: Gemeente Lansingerland
WSP 10 augustus 2021 pagina 41/59
4.20 UITGEVOERD ONDERZOEK EN GEBRUIK TOEPASSINGSKAART Uit een uitgevoerd onderzoek volgens de NEN 5740 of een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) kan blijken dat de kwaliteit van de ontvangende bodem waarin de locatie is gelegen slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld. In die situatie geldt de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis.