Bijlage I Plan MER windenergie Lansingerland
Tekst van het document
Plan-MER Windenergie Lansingerland Provincie Zuid-Holland
Datum Status Versie
22-09-2025 Definitief 1.0
Auteur Tweede lezer
Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:
info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl
© Bosch & Van Rijn 2025 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Inhoudsopgave SAMENVATTING
3
Inleiding en overzicht doelen Uitgangspunten Beoordelingscriteria Beoordeling Resultaten Mitigerende maatregelen
HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3 4.4
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11
HOOFDSTUK 6 6.1 6.2
Samenvatting
3 5 10 12 13 16
INLEIDING
18
Welkom in het MER Aanleiding Werkwijze Doelen van het MER Leeswijzer
18 18 19 21 21
UITGANGSPUNTEN
22
Inhoud MER Referentie-windmolen Onderzoeksaanpak Onderzoeksopstellingen stap 1 Optimalisatievarianten 2 Referentiesituatie
22 22 23 27 28 28
EFFECTBEOORDELING STAP 1
32
Inleiding Energie Leefomgeving - geluid Leefomgeving – gezondheid Leefomgeving – slagschaduw Externe veiligheid Landschap Cultuurhistorie & Archeologie Ecologie Recreatie en Economie Samenvatting effectbeoordeling stap 1
32 33 37 48 56 62 75 88 94 101 108
OPTIMALISATIE
110
Inleiding Nadere beschouwing per windmolenpositie Optimalisatie Optimalisatievarianten
110 110 111 113
EFFECTBEOORDELING STAP 2
118
Inleiding Energie Leefomgeving – geluid Leefomgeving – gezondheid Leefomgeving – slagschaduw Externe veiligheid Landschap Cultuurhistorie & Archeologie Ecologie Recreatie & Economie Samenvatting effectbeoordeling stap 2
118 118 119 124 129 133 146 150 157 160 163
VERVOLG
166
Leemten in kennis Mitigerende maatregelen
166 168
2
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
6.3
HOOFDSTUK 7 BIJLAGE A BIJLAGE B BIJLAGE C BIJLAGE D BIJLAGE E BIJLAGE F
Samenvatting
Monitoring
170
BIJLAGEN BEGRIPPENLIJST BELEIDSKADER ECOLOGISCHE RISICOANALYSE VISUALISATIES SLAGSCHADUWDUUR PER WONING GELUIDSBELASTING PER WONING
171 172 172 172 172 172 172
3
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Samenvatting Inleiding en overzicht doelen Dit document is een milieueffectrapport (MER1) dat de milieugevolgen beschrijft van onderzoeksopstellingen met windmolens binnen de gemeente Lansingerland. De opdrachtgever voor dit plan-MER is de provincie Zuid-Holland. Gedeputeerde Staten (GS) van Zuid-Holland gebruiken de milieuinformatie bij het aanwijzen van de meest geschikte locatie(s) voor de ontwikkeling van windenergie binnen de gemeente Lansingerland. Deze aanwijzing vindt plaats met een Projectbesluit2. Dit plan-MER bevat objectieve informatie over de effecten van windmolens op de omgeving en maakt geen keuzes en geeft geen voorkeuren aan; de beoordeling moet voor zich spreken en GS helpen bij hun locatiekeuze. Figuur 1
De gemeente Lansingerland.
1
2
Samenvatting
Er zijn twee soorten milieueffectrapportages(MER): een plan-MER en een project-MER. Een planMER dient ter onderbouwing van een plan of beleid. Een project-MER dient ter onderbouwing van een vergunningaanvraag voor een concreet project. Dit rapport betreft een plan-MER, maar voor de leesbaarheid wordt vaak volstaan met MER. Een projectbesluit is één van de kerninstrumenten uit de Omgevingswet. In de Elektriciteitswet is voorgeschreven dat GS dit instrument inzetten voor besluitvorming over de ontwikkeling van windenergie.
3
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Provincie Zuid-Holland en gemeente Lansingerland hebben als d circa 15 MW aan duurzame elektriciteit te produceren met beh energie. Daarmee levert Lansingerland een bijdrage aan het totale doel voor lokale opwekcapaciteit in 2030, die volgens het ‘Coalitieakkoord 2023-2027’3 6,3 tot 6,8 TWh bedraagt. In eerdere onderzoeken van Pondera (2021) en Bosch en van Rijn (2023) zijn belemmeringenstudies uitgevoerd. Vanuit wet- en regelgeving zijn er gebieden waar windmolens niet kunnen worden ontwikkeld. Denk bijvoorbeeld aan gebieden met een kleine afstand tot woningen. Alleen gebieden waar op voorhand geen belemmeringen zijn voor windmolens4, zijn opgenomen in dit plan-MER. Dat zijn de gebieden A, B en C (zie Figuur 2). De technische ruimte binnen deze gebieden (aangeduid met groene arcering) is de ruimte waarbinnen windmolens, rekening houdend met wet- en regelgeving, technisch mogelijk zijn. De technische ruimte is gebaseerd op de afmetingen van de referentieturbine en geeft de ruimte aan waar de mast van een windturbine kan worden geplaatst. Figuur 2
De drie zoekgebieden en de technische ruimte waarbinnen onderzoeksopstellingen zijn gemodelleerd.
3 4
Samenvatting
Https://www.zuid-holland.nl/politiek-bestuur/coalitieakkoord-2023-2027 Op verzoek van opdrachtgever worden windturbines in dit MER aangeduid als ‘windmolen’
4
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Doel MER Het MER heeft twee primaire doelen: ➢ Inzichtelijk maken van de milieueffecten van windmolens (190m tiphoogte) binnen de zoekgebieden. ➢ Onderzoek naar de haalbaarheid van de doelstelling van 15MW binnen de zoekgebieden; Omdat het plan-MER veel verschillende thema’s onderzoekt is het niet eenvoudig om enkel op basis van milieuinformatie een meest geschikte locatie te onderscheiden. Een locatie kan op het ene thema goed scoren, maar op een ander thema juist minder. Uit het MER blijkt dat er geen locatie is die over de breedte beschouwd ‘goed’ of ‘slecht’ scoort. De daadwerkelijke keuze voor de begrenzing van een voorkeursgebied voor lokale opwek met behulp van windenergie zal een afweging zijn waarbij zowel milieutechnische, maar ook maatschappelijke, economische en politieke belangen een rol spelen. Doel van het MER is om te zorgen dat het milieubelang in deze afweging een volwaardige plaats heeft. GS van Zuid-Holland verwerken hun locatiekeuze in een (ontwerp) voorkeursbeslissing. Dit betreft een tussenstap in de projectprocedure de leidt tot de vaststelling van een projectbesluit in de zin van de Omgevingswet. De locatiekeuze in de (ontwerp)voorkeursbeslissing is niet als ‘voorkeursalternatief’ toegevoegd aan en beoordeeld in het MER.
De afweging van het voorkeursgebied tegen de achtergrond van de milieueffecten die in het plan-MER inzichtelijk zijn gemaakt vindt plaats de (ontwerp)voorkeursbeslissing.
Uitgangspunten Het MER is uitgevoerd volgens de notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) die bij de start van de mer-procedure is opgesteld. De definitieve NRD vormt samen met de daarin verwerkte zienswijzen én het advies van de commissie voor de Mer het uitgangspunt voor het MER. Het detailniveau van de uitgevoerde onderzoeken is afgestemd op het feit dat sprake is van een plan-MER, het aantal zoekgebieden en de al eerder uitgevoerde onderzoeken voorafgaand aan de NRD en het MER. Met betrekking tot de thema’s geluid, slagschaduw en externe veiligheid zijn modelberekeningen uitgevoerd aan de hand van de kenmerken van een referentiewindmolen. Er is nog geen ecologisch veldonderzoek uitgevoerd, alleen een ecologische risicoanalyse. Veldonderzoek vindt plaats in de vervolgfase, bij de voorbereiding van een omgevingsvergunningaanvraag. Beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland, waaronder alle Natura 2000-gebieden) zijn in dit MER al uitgesloten voor grootschalige opwek.
Samenvatting
5
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Belemmeringen en mogelijkheden Diverse belemmeringen beperken de ruimte voor grootschalige opwek door wind. Denk hierbij aan bijvoorbeeld woningen, beschermde natuurgebieden en infrastructuur. Zie de NRD5 voor een volledig overzicht van de meegenomen belemmeringen en de daaruit voortvloeiende resterende mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie.
Windmolenposities Er zijn concrete windmolenposities ingetekend binnen de technische ruimte in de zoekgebieden (zie Figuur 3 t/m Figuur 7). Aan de hand van de gemodelleerde opstelling zijn effecten berekend, inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Met deze onderzoeksopstellingen ontstaat een eerste beeld van de effecten van windturbines in de zoekgebieden. Het is belangrijk om te melden dat de windmolenposities zoals gebruikt in het plan-MER nog niet vaststaan, ze worden enkel gebruikt om milieueffecten van windenergie in de zoekgebieden te beoordelen. Bij het intekenen van windmolenposities is onder meer rekening gehouden met de onderlinge afstand van windmolens, waarbij is uitgegaan van representatieve windmolens met een tiphoogte van 190 meter, een ashoogte van 115 meter en een rotordiameter van 150 meter. De hoogte is voor het grondgebied van de gemeente Lansingerland een maximumhoogte gezien de hoogtebeperkingen rondom luchthaven ‘Rotterdam-The Hague airport’.
Effectbeoordeling in twee stappen In dit plan-MER is sprake van een effectbeoordeling die in twee stappen is uitgevoerd: in de eerste stap zijn de milieueffecten in kaart gebracht voor een maximale invulling van de drie onderzoeksgebieden. Dit betekent dat er binnen de technische ruimte een maximaal aantal windmolens zijn gemodelleerd. Hierbij is rekening gehouden met een minimale onderlinge afstand van drie keer de rotordiameter. Vervolgens is onderzocht wat van deze maximale onderzoeksopstellingen de milieueffecten zouden zijn.
5
Samenvatting
https://www.zuid-holland.nl/politiek-bestuur/gedeputeerde-staten/besluiten/besluit/notavan-beantwoording-notitie-reikwijdte-en-detailniveau-windenergie-in-lansing#:~:text=Op%205%20november%202024%20heeft%20het%20college%20de,te%20laten%20leggen%20voor%20het%20indienen%20van%20zienswijzen.
6
° Figuur 6
Samenvatting
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland De optimalisatievarianten in (een combinatie) van de zoekgebieden A en oordeling stap 2.
9
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Uit de effectbeoordeling stap 2, die is uitgevoerd met dezelfde be teria en dezelfde scoregrenzen als in stap 1, blijkt dat op enkele grote verschillen optreden tussen de verschillende varianten. Dit geldt voor de thema’s Leefomgeving - Slagschaduw, Cultuurhistorie & Archeologie, Ecologie en Recreatie & Economie. Op het thema Geluid scoren de varianten 2, 3 en 6 duidelijk beter dan de overige varianten. Deze varianten hebben gemiddeld een (relatief) grote afstand tot omliggende woningen. De varianten 5, 7 en 8 scoren slechter op dit thema, in vergelijking met de andere varianten. Met betrekking tot het thema Gezondheid scoren de varianten 3, 4, 5 en 6 het beste. De varianten 1,2 en 7 hebben een slechtere score en variant 8 leidt duidelijk tot de grootste effecten op dit thema. Op het gebied van de externe veiligheid ontstaat een gevarieerd beeld, net als bij de effectbeoordeling stap 1. De varianten 4 t/m 7 scoren iets slechter vanwege hun ligging op een bedrijventerrein en de bijkomende risico’s op personen in de nabije omgeving. Variant 1 scoort duidelijk het beste, aangezien die variant volledig in het open veld ligt. Landschappelijk scoort variant 8 het beste.
De overige varianten hebben zowel voor- als nadelen op landschappelijk gebied: er zijn varianten die dichtbij- of in het Groene Hart liggen, er zijn varianten die goed aansluiten op landschappelijke lijnstructuren terwijl deze varianten wel weer visueel interfereren met aanwezige elementen. Een nadere beoordeling van de geschiktheid van een variant op het thema Landschap is afhankelijk van de weging van de verschillende subcriteria voor dat thema.
Mitigerende maatregelen In de plan-MER fase kunnen geen concrete, individuele mitigerende maatregelen worden beschreven; er is namelijk nog geen sprake van een concreet windproject en er is nog geen sprake van een initiatiefnemer. Wel geeft het MER algemene en veelgebruikte maatregelen mee, zodat een inzicht ontstaat in de mogelijkheden voor het vervolgtraject. Geluid Windmolens produceren geluid. Als dit zou leiden tot normoverschrijding bieden alle windmolenfabrikanten standaard geluidreducerende modi aan. Een windmolen draait dan periodiek in een geluidreducerende modus, bijvoorbeeld in de nachtperiode. Dergelijke maatregelen leiden tot een lagere geluidbelasting maar hebben ook enig productieverlies tot gevolg. Alternatief is dat initiatiefnemer kiest voor een windmolentype met een lager jaargemiddeld brongeluid, gebaseerd op de windverdeling op locatie. Slagschaduw Wanneer windmolens meer slagschaduw op omliggende woningen produceren dan wettelijk toegestaan dienen zij te worden stilgezet. Deze stilstand duurt Samenvatting
16
°
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
totdat de slagschaduw niet langer over de betreffende woningen gelijke stilstand is geautomatiseerd, waarbij de gegevens van om ningen in het besturingssysteem van de windmolens worden ingeregeld. Onderdeel van de vergunningprocedure is onderzoek of eventuele wettelijke verplichting tot stilstand leidt tot een onrendabel project. Vleermuizen Als uit projectspecifiek ecologisch onderzoek blijkt dat een windpark een significant negatief effect op vleermuizen heeft, kunnen mitigerende maatregelen getroffen worden in de vorm van een stilstandregeling, waarbij windmolens onder bepaalde omstandigheden automatisch stilgezet worden. Vleermuizen zijn doorgaans met name actief in de schermerperiode van de late zomer en vroege herfst, mits het niet te hard waait en/of regent. Hogere windsnelheden komen in deze maanden minder vaak voor dan in de andere maanden waardoor het periodiek stilzetten een gering effect heeft op de economische haalbaarheid. Vogels Er zijn mitigerende maatregelen bekend voor omstandigheden waarbij het risico op aanvaring met vogelsoorten kan worden verlaagd. Dergelijke systemen zijn kostbaar en op dit moment alleen voor relatief grote windparken rendabel te installeren. Ook staat de betrouwbaarheid van detectiesystemen voor vogels nog niet voor alle bevoegde gezagen vast.
Noodzaak en haalbaarheid van eventuele toepassing van dergelijke systemen dient op projectniveau te worden onderzocht.
Samenvatting
17
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Welkom in het MER Voor u ligt het plan-MER Windenergie Lansingerland. Dit milieueffectrapport beschrijft de milieueffecten van windturbines in verschillende zoekgebieden in de gemeente Lansingerland. Dit rapport maakt het voor GS van Zuid-Holland mogelijk om een onderbouwd besluit te nemen over een voorkeursgebied voor windenergie. Het rapport toont de resultaten van de beoordeling aan de hand van beoordelingscriteria en geeft informatie over de onderzoeksmethode en achtergrondinformatie. Waar mogelijk zijn de resultaten ondersteund met verbeeldingen (figuren) en visualisaties.
1.2
Aanleiding Provincie Zuid-Holland wil haar verantwoordelijkheid nemen en een bijdrage leveren aan de uitvoering van het klimaatbeleid door het realiseren van lokale opwek van duurzame energie. Op 19 juni 2023 is het provinciale coalitieakkoord ‘Krachtig Zuid-Holland 2023-2027’ gepresenteerd. Hierin hebben de coalitiepartijen opgenomen dat de provincie op zoek gaat naar een alternatieve locatie voor windenergie op het grondgebied van de gemeente Lansingerland. Ter onderbouwing van dit doel heeft de provincie Zuid-Holland in de gemeente Lansingerland een locatieonderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheden voor windenergie. Bosch & van Rijn heeft hiervoor in opdracht van de provincie Zuid-Holland een technisch-ruimtelijk onderzoek, een financiële analyse en een marktconsultatie met stakeholders uitgevoerd. Het doel hiervan was om de haalbaarheid van verschillende locaties binnen de gemeente Lansingerland uitvoerig te onderzoeken. Aangezien dit onderzoeken voortbouwt op een eerder onderzoek van Pondera, noemen we het onderzoek van Bosch en van Rijn de ‘second opinion’. De provincie heeft de bevindingen uit de second opinion en de marktconsultatie verwerkt in de definitieve Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Daarin staat beschreven welke (milieu)thema’s in dit plan-MER worden onderzocht en tot op welk detailniveau.
Samengevat worden de mogelijke effecten op de leefomgeving onderzocht om zo tot een weloverwogen locatiekeuze te komen, rekening houdend met de leefbaarheid binnen de gemeente Lansingerland. De meest geschikte locatie voor windenergie wordt vastgelegd in de zogeheten voorkeursbeslissing, een tussenstap in de projectprocedure waarmee het projectbesluit voor windenergie wordt voorbereid. Het eindresultaat bestaat uit een projectbesluit en daarin geïntegreerde vergunningen. Een voorkeursbeslissing vormt een plan-m.e.r.-plichtig plan (als die beslissing vooruitloopt op een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit en dat is het geval met circa 15 MW
Inleiding
18
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
windenergie). Met voorliggend plan-MER wordt invulling gege plan-mer-plicht. Met het projectbesluit en daarmee gecoördinee greerde vergunningen wordt de ontwikkeling van windenergie op een locatie daadwerkelijk mogelijk gemaakt. Herziening omgevingsbeleid 2025 Dit plan-MER is primair opgesteld ten behoeve van de voorkeursbeslissing voor windenergie in Lansingerland. Secundair wordt het plan-MER, vrijwel gelijktijdig met de voorbereiding van die voorkeursbeslissing, ook gebruikt als onderbouwing bij de besluitvorming over de Herziening Omgevingsbeleid 2025 (Herziening 2025). Met de Herziening 2025 worden de zoekgebieden Kruisweg-oost en Noordpolder opgenomen in de omgevingsverordening. Zoekgebied BleizoWest staat al in de omgevingsverordening.
1.3
Werkwijze In het plan-MER zijn onderzoeksgebieden beoordeeld op de thema’s en aspecten die in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau zijn aangekondigd. Om effecten van windenergie te kunnen beoordeling is het noodzakelijk om onderzoeksopstellingen met windmolens te modelleren. In een plan-MER worden deze opstellingen, in tegenstelling tot een project-MER, gemodelleerd zonder inzicht in grondeigendom of initiatiefnemers. Een plan-MER wordt immers uitgevoerd door het bevoegd gezag, ter voorbereiding op een plan of programma. Gelet op de specifieke opgave om ruimte te vinden voor de ontwikkeling van circa 15 MW opgesteld vermogen aan windenergie in de gemeente Lansingerland, vertaald in een opstelling met minimaal 3 windmolens, bevat het planMER een effectbeoordeling in twee stappen. Effectbeoordeling stap 1 In een eerste stap zijn opstellingen met windmolens gemodelleerd in de zoekgebieden A, B en C zoals die in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau zijn begrensd.
Om te voorkomen dat de uitkomst van de beoordeling wordt beïnvloed door het ontwerp van de opstelling zijn de opstellingen in de drie zoekgebieden volgens dezelfde principes ontworpen: ➢ In alle onderzoeksopstellingen wordt eenzelfde referentietype windmolen gemodelleerd; een windmolen met ashoogte van 115 m, een rotordiameter van 150 m en een tiphoogte van 190 m ➢ In een onderzoeksopstelling wordt een minimale onderlinge afstand aangehouden van 3 maal de rotordiameter ➢ Voor de effectbeoordeling van de drie onderzoeksgebieden wordt uitgegaan van een maximale invulling van de beschikbare technische ruimte voor windenergie in het betreffende zoekgebied Effectbeoordeling stap 2 Provincie Zuid-Holland is op zoek naar een geschikte locatie voor de ontwikkeling van circa 15 MW aan windenergie binnen de gemeentegrenzen van
Inleiding
19
°
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
Lansingerland. De aangewezen zoeklocatie Prisma-Bleizo is na deels ontwikkeld als bedrijventerrein en in het nog niet ontwik West zijn woningen voorzien. Daarmee neemt de ontwikkelruimte voor windenergie in dit zoekgebied af. Omdat de zoektocht zich toespitst op circa 15 MW, vertaald in een opstelling met 3 windmolens, heeft een tweede effectbeoordeling plaatsgevonden teneinde zoveel mogelijk beslisinformatie te vergaren voor de aanwijzing van een geschikte windlocatie. In deze tweede beoordeling zijn varianten gemodelleerd die vanuit één thema zo optimaal mogelijk zijn ingestoken. Het aantal varianten dat is beoordeeld in het MER is niet uitputtend, ze zijn gekozen om de breedte aan mogelijkheden voor windenergie en bijbehorende milieueffecten inzichtelijk te maken. De optimalisatievarianten zijn gemodelleerd aan de hand van de inzichten die zijn verkregen uit de effectbeoordeling in stap 1. De wijze waarop ze tot stand zijn gekomen wordt toegelicht in paragraaf 4.3. Daar wordt tevens onderbouwd waarom alleen een beoordeling heeft plaatsgevonden van optimalisatievarianten bestaande uit 3 windturbines.
De uitgangspunten voor het modelleren van onderzoeksopstellingen zijn als volgt: ➢ Waar mogelijk is gebruik gemaakt van dezelfde windmolenposities als in stap 1 ➢ Waar nodig zijn nieuwe windmolenposities gekozen om over aanvullende milieuinformatie te beschikken ➢ Op verzoek van opdrachtgever zijn enkele varianten beoordeeld waarin windmolenposities uit verschillende onderzoeksgebieden zijn gecombineerd Omdat alle opstellingen een gelijk aantal windmolens hebben is de energieopbrengst bij de beoordeling van optimalisatievarianten in stap 2 eveneens gelijk. De verschillen in opbrengst zijn althans niet relevant voor de locatieafweging. Het aspect energieopbrengst is daarom in stap 2 niet beoordeeld (alleen in stap 1). Het heeft ook geen toegevoegde waarde om in stap 2 naast een absolute beoordeling nog een relatieve beoordeling uit te voeren. Het plan-MER bevat geen beoordeling van een voorkeursalternatief of voorkeursvariant. Het voorkeursgebied voor windenergie wordt onderbouwd en vastgelegd in de voorkeursbeslissing. Modellering van (milieu)effecten Voor de beoordeling in het plan-MER is gebruik gemaakt van een Geografisch Informatie Systeem (GIS) waarin allerlei geografische data is gecombineerd. Voor de modellering van geluidbelasting is gebruik gemaakt van een geluidmodel, te weten Geomilieu.
Modellering van schaduwcontouren heeft plaatsgevonden met behulp van het software programma windPRO. Voor de berekening van externe veiligheidsrisico’s is gebruik gemaakt van gegevens van windmolenfabrikanten (kenmerken van windmolens), het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid -Module 4 en het rekenprogramma Save-W. Voor de fotovisualisaties is gebruik gemaakt van Cyclomedia waarbij de windmolens zijn gevisualiseerd met behulp van het programma windPRO.
Inleiding
20
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
1.4
Doelen van het MER Het doel van het plan-MER is om de geschiktheid van locaties voor de ontwikkeling van windenergie binnen de gemeente Lansingerland te beoordelen en informatie aan te reiken aan GS van Zuid-Holland. Daarmee wordt GS in staat gesteld om mede aan de hand van milieuinformatie een voorkeur te bepalen voor de ontwikkeling van windenergie en voor dat voorkeursgebied een projectbesluit voor te bereiden (al dan niet in combinatie met een omgevingsvergunning). De locatieafweging staat in het plan-MER centraal. Het is aan een initiatiefnemer van een windpark om, ten tijde van de vergunningsfase, onderzoek te doen aan de hand van één of meer concrete opstellingen met windmolens en daarover te rapporteren aan het bevoegd gezag, waarbij de omgeving de gelegenheid moet hebben om te participeren in de besluitvorming.
1.5
Leeswijzer Voorafgaand aan het plan-MER is een niet-technische samenvatting opgenomen. Het plan-MER zelf is meer geschikt voor lezers die zich beroepsmatig bezig houden met besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen en milieueffectrapportages. De samenvatting is toegevoegd met het oog op belangstellenden (inwoners, bedrijven) en bestuurders. Het plan-MER start met een inleiding in Hoofdstuk 1 en een beschrijving van de uitgangspunten voor het plan-MER in Hoofdstuk 2. Vervolgens zijn de resultaten van effectbeoordeling stap 1 te vinden in Hoofdstuk 3. In Hoofdstuk 4 wordt beschreven hoe de resultaten van effectbeoordeling stap 1 hebben geleid tot de optimalisatievarianten. Deze resultaten van de beoordeling van deze optimalisatievarianten zijn te vinden in Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 geeft tot slot een overzicht van de Leemte in kennis en de mogelijkheden rondom mitigatie en monitoring. Hoofdstuk 7 bestaat uit diverse bijlagen.
Inleiding
21
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Het vermogen van een windmolen is voor het plan-MER niet relev immers geen samenhang tussen milieueffecten en geïnstalleerd verhouding tussen windaanbod, ashoogte, rotordiameter en vermogen is wel zeer bepalend voor de energieopbrengst. Enkel met het oog op de energieopbrengst is als referentie gekozen voor een opgesteld vermogen van 6,0 MW per windmolen. Omdat de tiphoogte voor dit plan-MER is begrensd op 190 m (zie Notitie reikwijdte en detailniveau) heeft het modelleren van opstellingen met kleinere windmolens geen toegevoegde waarde, de verschillen in milieueffecten met kleinere windmolentypen, bv 150 m tiphoogte, zijn gering. Daarbij is van belang dat in dit MER geen vergelijking van alternatieve opstellingen plaatsvindt, er vindt alleen een locatieafweging plaats aan de hand van fictieve onderzoeksopstellingen. Het toevoegen van fictieve opstellingen met een ander windmolentype heeft géén toegevoegde waarde. Figuur 8
Afmetingen van de referentiewindmolen
2.3
Onderzoeksaanpak Het plan-MER wordt uitgevoerd in meerdere stappen. Zoals in de NRD is vermeld, is voor het gehele grondgebied van gemeente Lansingerland een technisch-ruimtelijke analyse uitgevoerd. Uit de analyse blijkt welke gebieden zijn belemmerd als het gaat om ontwikkelingsmogelijkheden voor windenergie en welke gebieden in technisch-ruimtelijke zin mogelijkheden bieden voor windenergie. Het resultaat van die analyse vormt het vertrekpunt voor het plan-MER. De gebieden waar windenergie op voorhand niet is uitgesloten zijn geclusterd in drie onderzoeksgebieden. Binnen die gebieden worden opstellingen met windmolens gemodelleerd en worden de effecten op de omgeving van die opstellingen beoordeeld. Deze effectbeoordeling vindt plaats in twee stappen.
Uitgangspunten
23
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Voor alle windmolenposities in stap 1 en 2 geldt dat deze alléén den voor het in kaart brengen van de milieueffecten. Ze staan ni men ook nog geen basis voor het projectbesluit. Het is aan een initiatiefnemer om binnen het voorkeursgebied, dat mede tot stand komt aan de hand van de informatie uit het plan-MER, een concrete opstelling met windturbines voor te bereiden die wordt vastgelegd in het projectbesluit en vergunningen.
Effectbeoordeling 1 (onderzoeksgebieden)
2.3.1
In de eerste stap van de effectbeoordeling zijn drie onderzoeksgebieden voor windenergie beoordeeld aan de hand van een opstelling met windmolens die uitgaat van een maximale invulling van het onderzoeksgebied. Deze maximale invulling bestaat uit onderzoeksposities die binnen de technische ruimte zijn ingetekend op basis van uitgangspunten uit de NRD6. Zie figuur 2 voor een verbeelding van onderzoeksopstellingen. Naast de beoordeling van de maximale opstellingen binnen de zoekgebieden A, B en C (bestaande uit respectievelijk 7, 3 en 4 molens), zijn de molens op enkele criteria ook individueel beoordeeld. Denk bijvoorbeeld aan het aantal woningen binnen 500 meter (Zie Figuur 72). Dit geeft inzicht in de mate waarin individuele onderzoeksposities impact hebben op de leefomgeving.
Effectbeoordeling 2 (optimalisatievarianten)
2.3.2
In vervolg op de beoordeling van effecten in stap 1 zijn enkele optimalisatievarianten geformuleerd die zijn samengesteld op basis van de informatie die in de eerste stap op tafel is gekomen. De effectbeoordeling in stap 2 is bedoeld om milieuinformatie te verkrijgen over geoptimaliseerde opstellingen met windenergie. Gelet op de specifieke doelstelling van provincie Zuid-Holland voor de lokale opwek met behulp van windenergie binnen de gemeentegrenzen van Lansingerland hebben alle optimalisatievarianten in stap 2 een gezamenlijk opgesteld vermogen van circa 15 MW. De redenen voor dit uitgangspunt in stap 2 zijn als volgt: ➢ 15 MW is het doelbereik: het plan-MER is met dit uitgangspunt specifiek gemaakt voor de situatie in gemeente Lansingerland waarin de bijdrage aan de totale RES-doelstelling 15 MW is. ➢ Een gelijk vermogen maakt een eerlijke vergelijking van effecten mogelijk. In stap 2 worden zowel optimalisatievarianten binnen de drie zoekgebieden beoordeeld als opstellingen die zijn gelegen in meerdere zoekgebieden. Het gaat bijvoorbeeld om een opstelling die zowel in zoekgebied A als zoekgebied B is gelegen als een opstelling die zowel in zoekgebied B als C is gelegen. Voor een
6
Uitgangspunten
Bijvoorbeeld op het gebied van onderlinge afstand en aan te houden afstanden tot andere objecten.
24
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
toelichting op de totstandkoming van de optimalisatievarianten zen naar paragraaf 4.3
2.3.3
Effectbeoordeling 3 (VKA) Na uitvoering van effectbeoordeling 1 en 2 wordt, mede aan de hand van die beoordelingen, een voorkeursgebied bepaald in het ‘plan’ waarvoor dit planMER wordt uitgevoerd: de voorkeursbeslissing. Deze voorkeursbeslissing (VKB) is een vrijwillige stap in de projectprocedure en vormt een plan-m.e.r.-plichtig plan. De voorkeursbeslissing betreft een gebied waarbinnen windenergie mogelijk wordt gemaakt. Dit kan een deel van een oorspronkelijk zoekgebied zijn of juist een combinatie van (delen) van meerdere zoekgebieden. Figuur 9 geeft een visueel overzicht van de verschillende stappen in het onderzoeksproces.
Figuur 9
De verschillende stappen in het onderzoek
2.3.4
Technische ruimte voor windenergie Voorafgaand aan het plan-MER is er een ruimtelijk onderzoek gedaan. Hierin is in kaart gebracht welke ruimtelijke belemmeringen er zijn voor windmolens. Deze analyse is uitgebreid toegelicht in de NRD: alle obstructies die voortvloeien uit landelijke wet- en regelgeving zijn meegenomen. Door in kaart te brengen op welke plekken er geen windmolens geplaatst kunnen worden, ontstaat er ook een helder beeld van waar ze wel mogelijk zijn. Dit gebied wordt de technische ruimte genoemd. Alle onderzoeksopstellingen (en optimalisatievarianten) zijn gemodelleerd binnen deze gebieden.
Uitgangspunten
25
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
polder waar de landschapsstructuur die is ontstaan als gevolg va ning en droogmakerij nog steeds zichtbaar is. Ten westen van de afgelopen 10 jaar, zowel ten noorden als ten zuiden van de A12 het bedrijventerrein Prisma/Bleizo ontwikkeld. Bleizo-West vormt een resterend nog niet ontwikkeld deelgebied binnen Prisma/Bleizo. In de huidige situatie is sprake van een leefomgevingskwaliteit die hoort bij stedelijk gebied en die in hoge mate wordt beïnvloed door effecten van bedrijvigheid en verkeer, zoals ook in overige delen van de metropoolregio Rotterdam Den Haag het geval is. Het gaat om diverse vormen van verkeer zoals railverkeer, wegverkeer en luchtvaartverkeer. Gelet op het huidige aanwezige geluidklimaat, dat niet overal gelijk is, worden de geluideffecten van windmolens niet alleen individueel beoordeeld maar ook in cumulatie met overige bronnen. Voor wat betreft veiligheid geldt dat er geen sprake is van de aanwezigheid van risicorelevant bronnen waarvoor keteneffecten in beeld zouden moeten worden gebracht. Met betrekking tot landschap geldt dat - gezien de hoge mate van verstedelijking in en rond de gemeente Lansingerland - er niet overal hoogwaardige landschappen aanwezig zijn. Alleen bij de Klappolder is er nog een relatief groot open gebied aanwezig. Dit blijkt ook uit Figuur 51. Dit is een klei droogmakerij.
Naast dit cultuurlandschap is het landschap binnen de gemeente te beschrijven als ‘glaslandschap’ en ‘Steden en dorpen’. Deze onderverdeling is opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. De referentiesituatie voor ecologie is beschreven in de deelrapportage ecologie die is opgenomen in Bijlage C bij het plan-MER. Woningbouw Bleizo-West Gemeente Lansingerland en provincie Zuid-Holland bereiden een bestuursovereenkomst voor waarin afspraken worden gemaakt over diverse ruimtelijke ontwikkelingen in Lansingerland, waaronder de beoogde ontwikkeling van windenergie en de beoogde ontwikkeling van woningen op de locatie BleizoWest. Deze ontwikkeling is niet aangemerkt als autonome ontwikkeling omdat nog geen zicht is op een concreet plan of besluit. De ontwikkelingen op BleizoWest spelen, alhoewel ze geen deel uitmaken van de referentiesituatie, uiteraard wel een rol bij de afweging van een voorkeurslocatie voor windenergie.
2.6.2
Autonome ontwikkelingen De referentiesituatie in een mer bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. Autonome ontwikkelingen zijn ruimtelijke ontwikkelingen waarover besluitvorming in voorbereiding is maar waarvoor nog geen plannen zijn vastgesteld of besluiten zijn genomen en die daarom geen deel uitmaken van de huidige situatie. Mits de ontwikkelingen voldoende concreet zijn kunnen deze verwachte ontwikkelingen worden beschouwd in het plan-MER. In en rond de onderzoeksgebieden worden op dit moment de volgende autonome ontwikkelingen onderscheiden:
Uitgangspunten
29
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
• • •
De woningbouwlocatie Lange Vaart ten zuiden van zoekg weg-Oost7; De Driehoek Noordpolder, ten zuiden van zoekgebied C: Noordpolder8; De woningbouwlocatie Merenweg ten oosten van zoekgebied C: Noordpolder9.
Deze woningen in deze ontwikkelgebieden worden meegenomen bij de beoordeling van effecten van windenergie. Horti Science Park Provincie en gemeente zijn het eens over de ontwikkeling van een Horti Science Park in Bleiswijk, ten zuiden van de Laan van Mathenesse en ten noorden van de Violierenweg, zoals voorzien in de visie Lansingerland Home of Horti Science en het bijbehorende uitvoeringsplan. Het gaat om een gecombineerde ontwikkeling van onderwijs, onderzoek, glastuinbouw en huisvesting van medewerkers. Voor de ontwikkeling is in april 2025 een omgevingsvergunningaanvraag ingediend. Alhoewel nog geen ontwerpvergunning is verleend wordt deze majeure ontwikkeling wel beschouwd als autonome ontwikkeling in dit planMER. Ondergrondse hoogspanningsverbinding Naast de woningbouw, is er ook sprake van een ondergrondse hoogspanningsverbinding die ten noorden en parallel aan de A12 wordt aangelegd. De gemeente Lansingerland heeft daar officieel toestemming voor verleend10. Naar verwachting is de verbinding eind 2025 gereed11. Het tracé is al opgenomen in de belemmeringenanalyse.
7
8 9
10 11
Uitgangspunten
Chrome-extension://efaidnbmnnnibpcajpcglclefindmkaj/https://www.lansingerland.nl/wpcontent/uploads/2024/06/Wissing-0808-Bleiswijk-posters-bewonersavond-voor-website.pdf https://www.blauwhoed.nl/project/driehoek-noordpolder https://www.lansingerland.nl/direct-regelen/wonen-verhuizen-verbouwen/wonen/wonenin/nieuwbouwprojecten/woningbouw-bleiswijk/ https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2023-374339.html https://www.tennet.eu/nl/projecten/provincies/zuid-holland/zuidplaspolder
30
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
De bruto productie per windmolen is vervolgens vermenigvuldig tal windmolens waarmee de opstelling in het onderzoeksgebied steld. Bij de berekening hebben we aangenomen dat een verlies van 13% optreedt ten opzichte van de bruto productie. Deze verliesfactor wordt vaker toegepast en geeft een realistische optelsom weer van allerlei factoren die ervoor kunnen zorgen dat de windmolen niet, of niet op volle kracht draait. Op deze manier is per onderzoeksgebied de te verwachten netto parkproductie in GWh/jaar bepaald. Dit beoordelingscriterium scoort ongeacht de hoeveelheid opgewekte energie (beperkt) positief. Vermeden emissies De opwek van elektriciteit met behulp van windenergie kan de opwek met behulp van fossiele energiebronnen (aardgas en steenkolen) vervangen. Daarmee wordt de uitstoot van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen, die samenhangt met verbranding van fossiele brandstoffen, verminderd. Voor elke KWh opgewekte stroom kun je berekenen welke emissies worden vermeden als dezelfde hoeveelheid stroom wordt opgewekt met fossiele bronnen. Het vermijden van emissies naar de lucht vormt geen afzonderlijk beoordelingscriterium omdat de waarden lineair gerelateerd zijn aan de te verwachten opbrengst en niet afhankelijk zijn van de locatie.
Toch wordt voor een aantal belangrijke luchtverontreinigende stoffen aan de hand van kentallen inzicht gegeven in hoe groot de vermeden uitstoot ten hoogste kan zijn. Dit geeft meer informatie over de impact van windmolens dan alleen zou blijken uit de energieopbrengst. De gemiddelde fossiele emissiefactor voor elektriciteitsproductie in Nederland bedraagt in 2030 naar verwachting 0,357 kg CO2/kWh13. De windmolens in Lansingerland zullen pas rond 2030 gebouwd worden. Dit maakt dat er in de berekening rekening gehouden is met deze prognose. Voor berekening van de emissies van luchtverontreinigende stoffen die ontstaan bij fossiele opwek van elektriciteit zijn kengetallen gebruikt uit een rapportage van CE Delft14. Met behulp van deze kentallen is een berekening gemaakt voor: CO2, NOX, SO2, PM en VOS waarbij PM staat voor particulate matter, ook wel bekend als fijnstof. Dit zijn deeltjes kleiner dan 10 micrometer die door de lucht zweven. VOS staat voor Vluchtige Organische Stoffen. Dit zijn koolwaterstoffen die makkelijk verdampen. Ook bij de ontwikkeling, bouw en afbraak van een windmolen komt uitstoot vrij. De hoeveelheid uitstoot die daarbij vrijkomt kan worden gerapporteerd in een levenscyclusanalyse15.
13
14 15
https://www.rvo.nl/sites/default/files/2022-05/CE_Delft_210338_Emissiefactor_Elektriciteit Fossiele Bronnen DEF.pdf https://ce.nl/wp-content/uploads/2021/03/CE_Delft_4F65_defnotitieMO.pdf https://www.vestas.com/content/dam/vestas-com/global/en/sustainability/reports-and-ratings/lcas/LCA%20of%20Electricity%20Production%20from%20an%20onshore%20EnVentus%20V150-6.0.pdf.coredownload.inline.pdf
Effectbeoordeling stap 1
34
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
° Figuur 14
Opbrengst per onderzoeksopstelling, uitgaande van een energieproductie windmolen per jaar.
Figuur 15
De ligging van de netstations ten opzichte van de windmolenposities van effectbeoordeling stap 1.
Effectbeoordeling stap 1
36
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
leefomgeving16 geluidgevoelig zijn: het gaat voornamelijk om g een woon,- onderwijs,- of gezondheidszorgfunctie. Geluidsperceptie De mate waarin geluid van windmolens wordt waargenomen, hangt af van meerdere factoren, waaronder: ➢ ➢
➢ ➢ ➢ ➢
Afstand tot de windmolen: hoe dichterbij, hoe hoger het geluidsniveau Bodemtype en bebouwing: harde oppervlakken (zoals asfalt of water) reflecteren geluid beter dan zachte bodems (zoals gras of bos). Het bodemtype heeft dus invloed op de waarneming. Aanwezigheid van obstakels: gebouwen of geluidswallen kunnen geluid deels reflecteren of absorberen. Binnenshuis versus buitenshuis: binnen is het geluidsniveau lager dan buitenshuis. Er kan binnen wel sprake zijn van resonantie in kamers Individuele gevoeligheid: sommige mensen ervaren geluid sterker door leeftijd gerelateerde gehoorveranderingen. Visuele aanwezigheid: wanneer windmolens zichtbaar zijn zullen mensen eerder hinder hiervan ervaren dan wanneer deze uit het zicht zijn.
Laagfrequent geluid Bij de voorbereiding van veel windenergieprojecten wordt gevreesd voor laagfrequent geluid van windmolens. Windmolens produceren geluid dat bestaat uit een breed spectrum van frequenties, waaronder zowel hoge als lage tonen. Een windmolen veroorzaakt daarmee geluid in het deel van het geluidspectrum dat wordt aangeduid als laagfrequent geluid (20-160 Hz). Het geluid van 0-20 Hz wordt aangeduid als infrageluid (soms aangeduid als ‘onhoorbaar geluid’). Van belang is dat bij geluidoverdracht demping door de lucht plaatsvindt. Hoge frequenties worden op korte afstand van de bron gedempt, lagere frequenties worden tot op grote afstand van de bron verspreid. Op een afstand waarbij aan een jaargemiddelde standaardwaarde van 45 dB Lden wordt voldaan, bestaat een groot deel van het geluid uit laagfrequent geluid omdat het hoogfrequente geluid grotendeels is gedempt. Omdat laagfrequent geluid deel uitmaakt van het totale geluid van windmolens komt het terug in de geluidberekeningen en in de geluidnormering (en de hinderbelevingsonderzoeken die aan de normering ten grondslag liggen). Er bestaat in Nederland geen aparte norm voor laagfrequent geluid van windmolens.
Uit diverse onderzoeken17 van RIVM blijkt dat geluid van windmolens leidt tot meer hinder dan geluid van andere bronnen maar dat er geen bewijs is voor specifieke effecten van de laagfrequente component noch van infrageluid. RIVM heeft ook geen bewijs gevonden voor de stelling dat infrageluid met een geluidniveau ver onder de gehoordrempel enig effect kan hebben18.
16
17
18
https://wetten.overheid.nl/BWBR0041313/2024-01-01#Hoofdstuk3 Afdeling3.5 Paragraaf3.5.1_Artikel3.21 Van Kamp & van den Berg, Health Effects Related to Wind Molen Sound, Including Low-Frequency Sound and Infrasound, 2018 Van Kamp & van der Berg, Health effects related to windmolen sound: an update, 2020)
Effectbeoordeling stap 1
38
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
Tonaal geluid Tonaal geluid is geluid met één of meerdere pieken in het geluid zijn tonen hoorbaar die corresponderen met deze geluidsfrequenties. Als de pieken in het laagfrequente deel van het geluidsspectrum liggen, is er sprake van tonaal laagfrequent geluid. Tonaal geluid kan optreden terwijl aan de jaargemiddelde norm wordt voldaan. Windmolens horen echter geen tonaal geluid te produceren. Om die reden wordt daar vooraf ook geen onderzoek naar gedaan. In de geluidnormering wordt ook geen rekening gehouden met een toeslag voor tonaliteit (zoals bij andere geluidbronnen wel het geval is). Toch zijn er een aantal windparken waar er tonaal geluid lijkt op te treden. Met behulp van geluidmetingen en analyses van die metingen is bij enkele bestaande windparken aangetoond dat sprake is van tonaal laagfrequent geluid. Daarmee wijken de windmolens af van de opgave van de fabrikant. Als een windmolen tonaal geluid produceert is sprake van een afwijking en moet deze bedrijfssituatie worden beëindigd. Daarvoor moet in de omgevingsvergunning een norm en een handhavingsvoorschrift voor tonaal geluid worden opgenomen. De Staatssecretaris van I en W heeft aangekondigd dat zij een norm voor tonaal geluid van windmolens voorbereidt, als onderdeel van de nieuwe landelijke windmolenbepalingen. Deze norm wordt opgenomen in de Omgevingsregeling.
In het plan-MER wordt het aspect tonaal geluid van windmolens niet beoordeeld. Uitleg Lden en Lnight Geluid van windmolens wordt uitgedrukt in dB Lden waarbij dB staat voor decibel en Lden staat voor Level day-evening-night. Lden is een dosismaat voor het jaargemiddelde geluidsniveau over een hele dag, waarbij extra gewicht wordt gegeven aan de avond en nacht. Dit komt omdat geluid in de avond- en nachtperiode hinderlijker is dan in de dagperiode. Lnight is een maat voor het jaargemiddelde geluidsniveau tijdens de nachtperiode. Deze periode is extra belangrijk omdat mensen dan slapen. Geluidhinder in de nacht kan in theorie, vanaf bepaalde geluidniveaus, leiden tot slaapverstoring, hetgeen een grotere impact heeft op de gezondheid dan geluid overdag. Daarom wordt Lnight apart beoordeeld, naast de dag-avond-nachtwaarde (Lden).
Effectbeoordeling stap 1
39
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
windmolentypes. Het referentiewindmolentype is weergegeven i zijn types stiller (deze liggen lager in de figuur) en er zijn ook type in de figuur). Figuur 17
Jaargemiddelde bronsterkte van windmolentypen.
De Vestas V150-6.0MW is gekozen als referentiewindmolen voor de verschillende milieuthema’s en de berekening van de energieopbrengst. Qua geluid is dit een type met een gemiddelde geluidsemissie. In een plan-MER gaat het primair om een vergelijking tussen de verschillende zoekgebieden en varianten. Vanuit dit oogpunt lijkt het windmolentype niet relevant. Toch heeft het rekenen met een gemiddeld type het voordeel dat de geluidsberekeningen een realistisch beeld geven van de te verwachten geluidsbelasting. Een ‘worst-case’, luid windmolentype resulteert in veel negatieve beoordelingen, terwijl een stil windmolentype mogelijk ten onrechte het beeld geeft dat er nauwelijks impact is op de huidige akoestische situatie. In Figuur 18 wordt de geluidscurve weergegeven van de referentiewindmolen.
Effectbeoordeling stap 1
42
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
3.3.3.4
Bodemabsorptie en -reflectie
Geluid weerkaatst verschillend op verschillende bodems. Een absorberende bodem neemt een deel van het geluid op, terwijl een reflecterende bodem het grootste deel van het geluid weerkaatst: een harde ondergrond, zoals water, beton of asfalt reflecteert geluid, terwijl een zachte ondergrond zoals akkers of grasland juist geluid absorbeert. De absorberende of reflecterende waarden van bodems hebben dus invloed op de afmeting van geluidscontouren. De onderstaande afbeelding laat de gehanteerde bodemwaarden zien. Figuur 20
Harde en zachte bodems rondom de windmolens.
3.3.3.5
Immissiepunten
Gevoelige objecten zijn woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen. De gegevens uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van januari 2025 zijn gebruikt. Verder is er gekeken naar autonome ontwikkelingen rond de onderzoeksposities. Voornamelijk rondom onderzoeksopstelling C zijn er diverse woningbouwontwikkelingen. Binnen de plangebieden van deze autonome ontwikkelingen zijn willekeurig stippen geplaatst die worden meegenomen als gevoelig object. Deze methode is verdedigbaar omdat het nu nog niet in detail mogelijk is om te zeggen waar de woningen uiteindelijk gerealiseerd zullen gaan worden.
Effectbeoordeling stap 1
44
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
° Figuur 21
Voorbeeld van beschouwde gevoelige objecten en de autonome ontwikk onderzoeksopstelling C. De overige beschouwde gevoelige objecten word in Figuur 26.
3.3.3.6
Rekenmodel
Met het softwarepakket Geomilieu (v2024) zijn geluidberekeningen uitgevoerd. Het resultaat is weergegeven in Lden geluidcontouren. De Lden dosismaat geeft een rekenkundige waarde waarbij, vanwege de hinderlijkheid, wordt gerekend met een toeslag voor de avond- en nachtperiode van respectievelijk 5 en 10 dB. De dosismaat Lden is gehanteerd omdat de landelijke geluidnorm ook wordt uitgedrukt in deze dosismaat. Aan de hand van deze contouren is bepaald wat de hoeveelheid woningen is die binnen de geluidcontouren zijn gelegen die corresponderen met de beoordelingscriteria. Naast de Lden waarden zijn tevens Lnight waarden berekend. Dat betreft het jaargemiddelde waarde in de nachtperiode (23:00 tot 07:00), zonder toeslag. Omdat Lnight waarden overeenkomen met daadwerkelijke jaargemiddelde geluidniveau in dB(A), dat je met metingen kunt controleren (in tegenstelling tot de rekenkundige Lden waarden), is ervoor gekozen om de beoordeling van Lnight waarde als extra beoordelingscriterium toe te voegen aan het plan-MER.
3.3.4
Resultaten De onderstaande figuren geven de dB Lden contouren weer als vaste lijn en de (bijbehorende) dB Lnight figuren als stippellijn.
Effectbeoordeling stap 1
45
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
° Figuur 22
De 47-, 45-, en 42 dB Lden en de 41-, 39-, en 36 dB Lnight contouren voor onde A.
Figuur 23
De 47-, 45-, en 42 dB Lden en de 41-, 39-, en 36 dB Lnight contouren voor onderzoeksopstelling B.
Effectbeoordeling stap 1
46
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
3.4.3
Rekenmethode Windmolengeluid kan als hinderlijk ervaren worden. De mate waarin windmolengeluid als hinderlijk ervaren wordt, is beschreven in een zogenaamde dosiseffectrelatie. De huidige wetenschappelijke inzichten op het gebied van de gezondheidseffecten van windmolens betreffende deze dosis-effectrelatie zijn onderstaand toegelicht. TNO heeft de dosis-effectrelatie (verhouding tussen geluidsimmissie en hinderpercentage) voor windmolengeluid bepaald20. Dat wil zeggen: hoe hoeveel hinder treedt op bij verschillende geluidsniveaus. Figuur 25 toont deze relatie. De onderzoeksresultaten zijn ook gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift21. Hoewel windmolens in de afgelopen jaren groter zijn geworden is deze dosis-effectrelatie nog steeds geldig. Dit blijkt onder andere uit een meer recent WHO-rapport (Environmental Noise Guidelines for the European Region, 2018), dat zich baseert zich op diezelfde publicatie en komt tot dezelfde conclusies22. Er zijn geen onderzoeken bekend waarin de kwantitatieve relatie tussen de hoeveelheid geluid en de hoeveelheid hinder uit het oorspronkelijke onderzoek wordt betwist.
Figuur 25
Links: de relatie tussen Lden en het percentage gehinderden (wt_%A) en ernstig gehinderden (wt_%HA) binnenshuis door geluid van windmolens. De gestippelde lijnen geven de benaderingen weer. Rechts: de discrete geluidswaarden en hun bijbehorende percentage ernstige hinder23.
In 2017 en 2018 heeft het RIVM een grootschalig literatuuronderzoek uitgevoerd (van Kamp & van den Berg, Health Effects Related to Wind Turbine Sound, Including Low-Frequency Sound and Infrasound, 2018) waarin 32 wetenschappelijke artikelen uit de periode 2009-2017 zijn geanalyseerd. Dit onderzoek concludeert: Geluid van windturbines leidt tot meer hinder dan geluid van
20 Janssen, Vos, & Eisses, Hinder door geluid van windmolens, 2008 21 Janssen & Vos, Eisses, & Pedersen, A comparison between exposure-response relationships for wind molen annoyance and annoyance due to other noise sources, 2011 22 Daarbij moet worden opgemerkt dat het WHO-rapport een uitspraak doet over hinder buitenshuis, terwijl motivering voor de 47 dB Lden zich baseert op de hinderpercentages binnenshuis. 23 Janssen, Vos, & Eisses, A., Hinder door geluid van windmolens, 2008
Effectbeoordeling stap 1
49
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
andere bronnen. Er is geen bewijs voor een specifiek effect v quente component noch van infrageluid. Een meer recent literatuuronderzoek van het RIVM (van Kamp & van der Berg, Health effects related to wind turbine sound: an update, 2020) concludeert dat uit beschikbare literatuur niet blijkt dat laagfrequent geluid van windmolens voor extra hinder zorgt ten opzichte van ‘gewoon’ geluid. De literatuur liet zien dat omwonenden minder hinder hebben van windmolens als ze betrokken worden bij de plaatsing ervan. RIVM voert een grootschalig onderzoek uit om de dosis-effectrelatie voor geluid van windmolens te actualiseren. De resultaten van dat onderzoek worden eind 2026 verwacht. In de uitspraken ECLI:NL:RVS:2023:1433 r.o. 27.2 en ECLI:NL:RVS:2023:1446 r.o. 41.2 stelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vast dat in het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) een chronologische samenvatting bevat van de bevindingen van de belangrijkste onderzoeken vanaf 2007. In het deskundigenbericht staat dat er voldoende bewijs is voor hinder, maar dat er geen bewijs is voor andere gezondheidseffecten als gevolg van windmolengeluid met uitzondering van slaapverstoring.
Voor slaapverstoring is er wel een verband gevonden, maar hiervoor zijn maar een beperkt aantal studies gedaan en de resultaten daarvan zijn volgens de STAB niet eenduidig. Er is volgens de STAB geen wetenschappelijk bewijs geleverd voor een causaal verband tussen laagfrequent geluid en infrageluid van windmolens en “Wind Turbine Syndrome” (WTS) of “Vibro Acoustic Disease” (VAD). 3.4.3.1
Ernstige hinder als gevolg van windmolengeluid
Op advies van de commissie-voor de mer wordt ten eerste het aantal ernstig gehinderden van sec het windmolengeluid in kaart gebracht, gevolgd door de ernstige hinder als gevolg van de toename van cumulatieve geluidniveau. TNO heeft de dosis-effectrelatie (verhouding tussen geluidsimmissie en hinderpercentage) voor windmolengeluid bepaald24. Dat wil zeggen: hoeveel hinder treedt op bij verschillende geluidsniveaus. Figuur 25 toont deze relatie. Voor geluidsgevoelige objecten in de ruime omgeving van het windpark is de jaargemiddelde geluidbelasting op de gevel berekend. Voor alle woningen met een geluidsbelasting van > 37 dB Lden, is voor de verschillende onderzoeksopstellingen berekend wat de jaargemiddelde geluidsbelasting als gevolg van de windmolens is. Een geluidwaarde van 37 dB Lden is als ondergrens gehanteerd omdat de kans op ernstige hinder (binnenshuis) bij lagere geluidswaarden minder is dan 0,5%, dus afgerond 0%
24
Janssen, Vos, & Eisses, Hinder door geluid van windmolens, 2008
Effectbeoordeling stap 1
50
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
° Figuur 26
Ligging van alle gevoelige objecten binnen de 37 dB Lden-contouren. Al de meegenomen in het onderzoek naar mogelijke ernstige hinder.
Op basis van de dosis-effectrelatie uit Figuur 25 is te berekenen hoe groot het verwachte percentage ernstig gehinderden is binnen objecten met een geluidsniveau van 37 dB Lden of meer. Door vervolgens dit percentage te vermenigvuldigen met het gemiddelde aantal bewoners per pand krijgen wij het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden bij elk gevoelig object. De optelling van alle objecten geeft het statistisch verwachte aantal ernstig gehinderden als gevolg van de windmolenposities in de onderzoeksopstellingen. De berekening van het hinderpercentage maakt gebruik van de polynome functie die is gegeven in Janssen, Vos, & Eisses, A. (2008): %𝐻𝐴𝑏𝑖𝑛𝑛𝑒𝑛= −107,6 + 9,656 𝐿𝑑𝑒𝑛−0,289 𝐿𝑑𝑒𝑛2 + 0,002894 𝐿𝑑𝑒𝑛3 Wij gaan uit van het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Lansingerland om te komen tot een gemiddeld aantal bewoners per gevoelig object: 2,59 personen per huishouden25. 3.4.3.2
Ernstige hinder als gevolg van een toename in cumulatief geluid
Er is altijd sprake van een huidige geluidsituatie. De komst van windmolens wordt óók ten opzichte van deze situatie beoordeeld. Het verschil tussen de huidige en toekomstige geluidssituatie kan namelijk worden berekend. Het 25
https://allecijfers.nl/gemeente/lansingerland/
Effectbeoordeling stap 1
51
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
RIVM heeft geluidkaarten per geluidsbron en heeft deze kaarten s tot één rasterkaart met het cumulatieve geluidsniveau in Lden . 26
Het is goed om te vermelden dat geluid van verschillende bronnen verschillende maten van hinder veroorzaken: windmolengeluid wordt bijvoorbeeld als hinderlijker ervaren dan wegverkeerslawaai. Onderstaande figuur toont de zogenaamde dosis-effectrelaties van verschillende soorten geluid: voor een bepaald geluidsniveau (horizontale as) toont deze grafiek hoe hinderlijk dit geluid wordt ervaren (percentage ernstig gehinderden, verticale as). Figuur 27
Relatie tussen Lden en het percentage ernstig gehinderden (binnenshuis) bij verschillende bronnen (Verheijen, et al., 2009). De normen voor railverkeer (68 dB Lden) en wegverkeer (58 dB Lden) zijn met rode cirkels weergegeven en leiden tot vergelijkbare hinderpercentages
Om recht te doen aan dit verschil in hinderlijkheid zijn er rekenregels27 vastgelegd om geluid van wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en industrie op te kunnen tellen. Bij het cumuleren van geluid van verschillende geluidbronnen vindt een omrekening plaats afhankelijk van de hinderlijkheid van het geluid. De cumulatieberekening houdt dus rekening met het verschil in hinderlijkheid van verschillende geluidsbronnen. De cumulatieve (d.w.z. opgetelde) geluidsbelasting kan op eenzelfde manier worden weergegeven als de individuele geluidsbronnen. Deze dosis-effectrelatie voor het cumulatieve geluidniveau is weergegeven in Figuur 28.
26 27
https://data.overheid.nl/dataset/7133-geluid-in-nederland--ldenDe rekenregels voor cumulatie van geluid zijn te vinden in artikel 3.25 van de Omgevingsregeling
Effectbeoordeling stap 1
52
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
° Figuur 28
Dosis-effectrelatie van gecumuleerde geluidsbelasting (zwarte lijn)28. Tev guur de onderverdeling in ‘GES-scores’ opgenomen. Een GES-score is een k duiding van de milieukwaliteit die zich baseert op de cumulatieve geluidsbelasting.
De cumulatieve geluidsbelasting op een woning leidt tot een percentage ernstig gehinderden. Voordeel van deze methode is dat niet alleen de hinder als gevolg van windmolengeluid, maar ook de bestaande situatie in de beoordeling wordt betrokken. Voor elk zoekgebied is in dit plan MER wat in de referentiesituatie het aantal ernstig gehinderden is, om vervolgens te berekenen wat de toename van dat aantal is als gevolg van de windmolens. Dit vormt het beoordelingscriterium in het plan-MER.
Resultaten
3.4.4
Uit de gecombineerde gegevens van het RIVM29 blijkt dat het huidige gecumuleerde geluidsniveau nabij de A12, op de bedrijventerreinen en rond de HSL, relatief hoog is.
28
29
Bron: Handboek GES, 2018 p. 122. Om per woning de hinder nauwkeuriger te berekenen is de een tweedegraads polynome functie berekend die de zwarte lijn zeer goed benadert (R2 = 0,996): 𝑦 = 0,0296𝑥 2 − 2,4197𝑥 + 50,097 Kaarten Geluid in je omgeving | Atlas Leefomgeving
Effectbeoordeling stap 1
53
Plan-MER Windenergie Lansingerland DefinitiefProvincie Zuid-Holland
°
oriëntatie is in het algemeen verticaal, maar kan ook sc bijvoorbeeld een dakraam in een schuin dak (onder hoek). Bij beschouwing van de slagschaduw van een windpark dat uit meerdere windmolens bestaat worden de schaduwperiodes van de afzonderlijke windmolens opgeteld voor zover de schaduwen elkaar niet overlappen. 3.5.3.1
Hinder van slagschaduw
Slagschaduw als gevolg van de bewegende wieken van windmolens wordt als hinderlijk ervaren wanneer deze schaduw over ramen valt (omdat daardoor grote lichtintensiteitsverschillen optreden). Daarom moet het effect nauwkeurig in beeld gebracht worden. Ditzelfde effect is buitenshuis veel minder hinderlijk, omdat daar de basislichtintensiteit veel hoger is. 3.5.3.2
Aannames
De berekening gaat uit van de realistische gemiddelde situatie. Hiertoe worden een aantal aannames gedaan om de situatie te benaderen zoals die werkelijk zal optreden: ➢ Correctie voor de gemiddelde zonneschijnduur; De zon schijnt (overdag) niet altijd, vanwege de aanwezigheid van bewolking (en mist). Op basis van klimatologische gegevens van het KNMI voor de gemiddelde zonneschijnduur wordt een maandelijks getal afgeleid voor de kans dat de zon daadwerkelijk schijnt. Voor het onderzoek in dit projectgebied is gebruik gemaakt van KNMI-gegevens van meetstation. ➢ Correctie voor stilstand; Als een windmolen niet draait, is er ook geen sprake van slagschaduw. Dit is bijvoorbeeld het geval bij lage windsnelheden (minder dan ca. 3 m/s), omdat de windmolen dan (nog) niet draait. Bij zeer hoge windsnelheden (boven 25m/s) wordt een windmolen uit veiligheidsoverwegingen stilgezet. Ook worden windmolens stilgezet tijdens onderhoudswerkzaamheden. ➢ Correctie voor de windrichting; Op basis van windmetingen op de gondel wordt de windmolen zo gedraaid dat bladen altijd in de richting staan waar de wind vandaan komt. Afhankelijk van de gemiddelde windrichtingsverdeling wordt een correctiefactor afgeleid, aangezien de grootte en positie van de schaduw verandert met de positie van de gondel.
➢ Minimale zonhoek; In het voor- en najaar staat de zon relatief lang laag aan de hemel en kan op grotere afstand slagschaduw optreden. Bij zonsopkomst en zonsondergang is het licht vrij diffuus en wordt de molen vaak aan het zicht onttrokken door gebouwen en begroeiing. In deze studie is uitgegaan van een minimale zonhoek van 3 graden. Schaduw bij een zonnestand lager dan drie graden wordt als niet-hinderlijk beoordeeld. ➢ Minimale bedekking van de zon door de wieken; Hinderlijke slagschaduw wordt veroorzaakt door het contrast tussen licht en donker. Bij Effectbeoordeling stap 1