CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 28 oktober 2021, gemeente landsmeerBij agendapunt: Het realiseren van een nieuwe woning ter vervanging van een bestaande woning op het perceel De Gouwe 17, Landsmeer.26.976 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 25

DUURZAAMHEID Algemeen Rijksbeleid Het duurzame beleid van de Nederlandse overheid is vastgesteld in onder andere de Energieagenda (2016). Het doel van deze agenda is om de transitie naar een CO2-arme energievoorziening in 2050 te bewerkstelligen. In het Klimaatakkoord van Parijs is vastgelegd de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de twee graden Celsius, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad Celsius te realiseren. Dat vraagt om een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie, tot dichtbij nul in het jaar 2050. Elektriciteit wordt dan duurzaam opgewekt, gebouwen worden voornamelijk verwarmd door aardwarmte en elektriciteit, bedrijven hebben hun productieprocessen aangepast, er wordt niet langer op aardgas gekookt en er rijden vrijwel alleen maar elektrische auto’s. Tot 2020 neemt de CO2-uitstoot fors af. Doorzetten van het huidige beleid is na 2020 echter onvoldoende om een geleidelijke transitie mogelijk te maken. Zonder aanvullend beleid zal de CO2-uitstoot zelfs weer kunnen toenemen. Voor de bestaande woningvoorraad betekent een geleidelijke transitie dat jaarlijks 170.000 woningen aangepast dienen te worden. Voor de nieuwbouw van woningen bepaalt de Europese EPBDrichtlijn de ambitie om tot bijna energie-neutrale gebouwen te komen.

Vanaf 2021 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan overeenkomstige wettelijke vereisten. Nieuwe woningen moeten worden voorzien van warmtepompen, zonnecollectoren en extra isolatie en eisen worden gesteld aan de maximum vervuiling van auto’s. Provinciaal beleid De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. Van de acht meest urgente ontwikkelingen in de leefomgeving van Noord-Holland hebben twee ontwikkelingen direct verband met duurzaamheid, namelijk Energietransitie en Klimaatverandering. Bij deze twee ontwikkelingen moet dan ook ingezet worden op een duurzame economie en klimaatadaptie. NoordHolland wil in 2050 een klimaat neutrale en volledig circulaire provincie zijn, in lijn met de nationale doelstelling op dit gebied. Deze ambitie is gekoppeld aan de doelstelling van het Klimaatakkoord om te komen tot 49% CO2-reductie in 2030. De transitie naar opwekking en gebruik van duurzame energie heeft consequenties voor de energiehuishouding en de energie infrastructuur. Noord-Holland energieneutraal op eigen grondgebied is niet haalbaar, zo blijkt uit onderzoek. Gemeentelijk beleid De gemeente Landsmeer beschikt over de Duurzaamheidsvisie Landsmeer 2018-2024, waarin de visie van de gemeente op duurzaamheid is opgenomen. Aan de hand van diverse thema’s wordt de visie op duurzaamheid uiteengezet.

Deze thema’s zijn: • Energie (elektriciteit en warmte); • Klimaat, Water & Groen (klimaatverandering en landschap); • Afval & Grondstoffen (circulaire economie); • Mobiliteit (emissie); • Milieu- en Leefomgevingskwaliteit (bodem, luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid); • Duurzame Gemeentelijke Organisatie. Voor het thema Energie gaat het om het beperken van het gebruik van fossiele brandstoffen en de uitstoot van broeikasgassen. Dit o.a. vanuit het doel de klimaatverandering (voor zover mogelijk) af te remmen. Dit kan worden bereikt door enerzijds in te zetten op energiebesparing en het zoveel mogelijk verlagen van de energievraag en anderzijds door in te zetten op het verduurzamen van het energieaanbod. De gemeente stimuleert daartoe onder andere het toepassen van zonnepanelen bij bouwprojecten.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 26

Relatie tot ontwikkeling De nieuwe vrijstaande woning zal voldoen aan de eisen inzake energieprestatie uit het Bouwbesluit 2012, maar ook aan de EPC. Het verwarmingssysteem bestaat uit een combi-warmtepomp die in de bodem wordt aangebracht. Daarnaast worden zonnepanelen aangebracht op het dak van de woning. Daarnaast zal de isolatie van de woning verbeterd zijn ten opzichte van de huidige woning die is gebouwd in 1965.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het Rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid met betrekking tot duurzaamheid.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: • Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. • Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat: • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; • Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 27

Figuur 9. Uitsnede risicokaart, plangebied paars omcirkeld (bron: www.nederland.risicokaart.nl).

Op de risicokaart in bovenstaande figuur worden een aantal risicovolle inrichtingen / transportroutes in de nabije omgeving van het plangebied weergegeven. Het betreft: • LPG-station aan de IJdoornlaan in Landsmeer; • LPG-station aan de Vorticellaweg 2 in Amsterdam; • Zwembad De Breek, Sportpark 7 in Landsmeer; • Transportroute voor gevaarlijke stoffen via de A10. LPG-station aan de IJdoornlaan in Landsmeer Voor het plaatsgebonden risico van het tankstation geldt in nieuwe situaties een risicocontour van 110 meter. Ten aanzien van het groepsrisico geldt een invloedsgebied van 150 meter. De projectlocatie ligt op ruime afstand van dit tankstation, namelijk op ca. 1500 meter, en ligt daarmee ruim buiten de risicocontouren. LPG-station aan de Vorticellaweg 2 in Amsterdam Op een iets grotere afstand ligt nog een tankstation. Voor dit tankstation geldt hetzelfde als voor het bovenstaande tankstation. Zwembad De Breek, Sportpark 7 in Landsmeer; Het zwembad is een risicobron in verband met chloor, maar kent een plaatsgebonden risicocontour van 1 meter. Bovendien is het geen risicovolle inrichting in het kader van de Bevi. Transportroute voor gevaarlijke stoffen via de A10 Ten zuiden van de projectlocatie op een afstand van ca. 1,5 km ligt de A10, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De plaatsgebonden risicocontour ligt op de weg en reikt daarmee niet tot het projectgebied.

Bovendien worden met de beoogde ontwikkeling slechts in zeer beperkte mate personen toegevoegd. Het groepsrisico is op basis van het vigerende bestemmingsplan kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en dit zal als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet toenemen.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 28

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: • woningen; • onderwijsgebouwen; • ziekenhuizen; • verpleeghuizen; • verzorgingstehuizen; • psychiatrische inrichtingen; • kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling maakt een geluidsgevoelig object mogelijk, namelijk een vrijstaande woning. Het plangebied is gelegen binnen een 30 km/u zone, wat betekent dat er geen sprake is van een onderzoeksplicht op basis van de Wgh (vanaf 50 km/u). Er kan worden gesteld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat, gelet op de ligging in een rustige wijk.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 29

Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen: •

buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. buisleidingen voor vergiftige stoffen. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.

• • •

Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla. De aanleiding hiervoor is dat epidemiologisch onderzoek laat zien dat kinderen in de leeftijd tot 15 jaar, die bij bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk een verhoogde kans hebben op leukemie. Deze mogelijk verhoogde kans zou zich voordoen bij langdurige blootstelling aan een veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla.

Of de velden leukemie veroorzaken en hoe dan, is onbekend. Voor leukemie bij kinderen tot 15 jaar geldt dat er wel een statistisch verband wordt gevonden met de afstand tot een hoogspanningslijn en, daarvan afgeleid, met de hoogte van het magneetveld. Er is echter geen verklaring voor die samenhang. De oorzaak kan het magneetveld zijn, iets anders dat met afstand tot een hoogspanningslijn samenhangt of toeval.1 De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt. Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.2 Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.

1

Meer en gedetailleerde informatie over de uitgevoerde onderzoeken en over de conclusies die daaraan worden verbonden, vindt u op de website van het

Kennisplatform Elektromagnetisch Velden (www.kennisplatform.nl ) onder ‘Onderwerpen’>’Hoogspanningslijnen en elektriciteitsvoorziening’. Het Kennisplatform helpt burgers en werknemers wetenschappelijk onderzoek over de relatie tussen magneetvelden en gezondheid te begrijpen en op waarde te schatten en verenigt de kennis van organisaties zoals TNO, DNV GL (voormalig KEMA), GGD en RIVM 222

AbvRS, 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:238

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 30

Relatie tot ontwikkeling Op circa 1,1 kilometer van het plangebied bevindt zich de hoogspanningslijn Coenplein – Diemen. Deze hoogspanningslijn heeft een spanning van 380 kV en een indicatieve zone van tweemaal 105 meter. De netbeheerder is TenneT. Figuur 10. Uitsnede Netkaart, plangebied paars omcirkeld (bron: RIVM).

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: • woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 31

•

kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van één woning. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.5) de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan eveneens geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Figuur 11. NIBM-rekentool (geraadpleegd op 25 januari 2021).

In aanvulling op het bovenstaande wordt opgemerkt dat binnen de ontwikkeling geen gevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) mogelijk worden gemaakt. Ook om deze reden is een aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek niet nodig. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 25 januari 2021). Tabel 2. Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM 2,5 ter plaatse van de projectlocatie (bron: nsl-monitoring.nl). Jaar GCN-achtergrondconcentratie locatie ID 139811 NO2 (µg/m3)

PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

24,8

19,4

11,0

2030

16,4

17,3

9,1

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 32

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie.

Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door Van der Goes & Groot een Aerius-berekening uitgevoerd naar de effecten op beschermde gebieden. De rapportage is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Ten behoeve van de sloop van de woning aan De Gouwe 17 is in een eerder stadium al een sloopvergunning afgegeven. In dat kader is het aspect ecologie al beoordeeld. Er is geen sprake van (de noodzaak tot) een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 33

Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich in de nabije omgeving van meerdere Natura 2000-gebieden, namelijk: • Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, 0,06 kilometer; • Markermeer en IJmeer, 8,4 kilometer; • Polder Westzaan, 8,5 kilometer. Figuur 12. Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden, plangebied aangegeven middels blauwe i (bron: Atlasleefomgeving).

De projectbijdrage van de aanleg (zonder saldering) is 0,03 mol/ha/jaar en de projectbijdrage van het gebruik (zonder saldering) is 0,00 mol/ha/jaar. Bij (interne) saldering van het bestaande gebruik op de referentiedatum blijkt dat de huidige projectbijdrage van zowel aanlegfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Deze bijdragen worden als verwaarloosbaar beschouwd. In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing en de aanleg van een warmtepomp (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden.

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Parkeren Vooralsnog bezit de gemeente Landsmeer geen parkeerbeleid of parkeernota. Om deze reden worden de parkeernormen uit CROW-publicatie 381 gehanteerd voor het berekenen van het aantal benodigde

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 34

parkeerplaatsen. In de huidige situatie is een vrijstaande woning aanwezig binnen het plangebied. In de toekomstige situatie wordt wederom een vrijstaande woning gerealiseerd binnen het plangebied. Het plangebied is gelegen in een gebied waar 754 adressen per vierkante kilometer aanwezig zijn. Het gebied is daarom aan te merken als ‘weinig stedelijk’. Daarnaast bevindt het plangebied zich in de ‘rest bebouwde kom’ van Landsmeer. Voor een vrijstaand koophuis geldt een parkeernorm van minimaal 1,9 parkeerplaatsen en maximaal 2,7 parkeerplaatsen. In de huidige situatie zijn er twee parkeerplaatsen aanwezig op de inrit behorend tot de vrijstaande woning. In de toekomstige situatie worden vier parkeerplaatsen gerealiseerd. Twee parkeerplaatsen worden naast de woning gerealiseerd en twee parkeerplaatsen worden voor de woning gerealiseerd. Daarmee wordt ruim voldaan aan de parkeernorm, die maximaal 2,7 parkeerplaatsen bedraagt. Verkeersgeneratie en ontsluiting Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW-publicatie 381 geraadpleegd. Hierbij hebben de invoergegevens uit de paragraaf ‘parkeren’ als uitgangspunt gediend. De verkeersgeneratie zal in de huidige en toekomstige situatie gelijk blijven en bedraagt minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Het plangebied wordt in de toekomstige situatie hetzelfde ontsloten als in de huidige situatie.

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Ten behoeve van deze ontwikkeling is op 25 januari 2021 de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de gegeven antwoorden concludeert het systeem dat zij geen belang heeft bij de plannen. Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden ondervangen met standaard maatregelen. De beoogde ontwikkeling heeft geen (significant) negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van de projectlocatie Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer.

Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 35

Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit In de huidige situatie is circa 272 vierkante meter binnen het plangebied verhard. In de toekomstige is circa 622 vierkante meter verhard, waardoor het verhard oppervlak met circa 350 vierkante meter toeneemt. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone, waterkering of watergang. Riolering In het plan is er sprake van een lozing van afvalwater en hemelwater op een bestaand gemengd stelsel. Samen met de gemeenten heeft het hoogheemraadschap de ambitie het hemelwater zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater.

Daarnaast bevindt een gedeelte van het plangebied zich binnen een zonering voor afvalwatertransport, zie onderstaande figuur. In dit geval betreft het de signaleringszone van een persleiding. Dit houdt in dat beperkingen kunnen gelden ten aanzien van eventuele (bouw)werkzaamheden. Het is binnen deze zone niet zonder overleg toegestaan om objecten te plaatsen of werkzaamheden uit te voeren die een risico vormen voor het functioneren van de rioolpersleiding, zoals: • • • • • •

het planten van bomen en/of diepwortelende beplanting het uitvoeren van zware transporten; het opstellen van materieel op het tracé van de leiding; de opslag van (zwaar) materiaal; het werken aan- en/of realiseren van werken boven het tracé van de leiding; het graven of heien nabij de leiding.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 36

Figuur 13. Uitsnede kaart digitale watertoets, zonering afvalwatertransport. Plangebied bij benadering aangegeven.

In het geldend bestemmingsplan is deze rioolpersleiding eveneens opgenomen door middel van een dubbelbestemming. In onderstaande figuur is deze dubbelbestemming ten oosten van het plangebied gevisualiseerd. Het plangebied bevindt zich op minstens 20 meter van de rioolpersleiding. Figuur 14. Uitsnede bestemmingsplankaart, oranje pijl wijzend naar dubbelbestemming rioolpersleiding (bron: QGIS, eigen bewerking).

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 37

(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.

Relatie tot ontwikkeling In jurisprudentie is bepaald dat bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, gekeken moet worden naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging een rol spelen (o.a. rechtbank Gelderland van 3 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4105 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:694). Geconcludeerd kan worden dat voor wat betreft de voorgenomen ontwikkeling, geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling. Mede gelet op het feit dat er geen negatieve gevolgen voor het milieu plaatsvinden en het slechts de vervangende nieuwbouw van één vrijstaande woning betreft, kan niet gesproken worden van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarnaast zijn ook andere categorieën die vermeld staan op de C of D lijst in onderhavige situatie niet aan de orde. Er geldt derhalve geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.

Conclusie Het opstellen van een aanmeldnotitie m.e.r. is niet noodzakelijk vanwege de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 38

5

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan De Gouwe 17 te Landsmeer is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Landsmeer en de initiatiefnemer. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie De initiatiefnemer heef contact gezocht met de buren van nummer 15 en nummer 19. Naar aanleiding van dit overleg is besloten om het poolhouse te spiegelen. In het oorspronkelijke plan was het poolhouse ingetekend aan de zijde van nummer 19. Het poolhouse wordt nu in goed overleg aan de zijde van nummer 15 gerealiseerd.

Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van het indienen van zienswijzen te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 39

6

CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel een vrijstaande woning te realiseren binnen het plangebied. De bestaande vrijstaande woning zal hiervoor worden gesloopt. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen als bedoeld in Artikel 2.12, lid 1 sub a onder 3 van de Wabo (Waboafwijkingsprocedure). Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 40

Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO

Pagina | 41

APS - Milieu B.V.

Tappersweg 12E 2031 ET Haarlem Tel.: (023) 538 51 91 info@apsmilieu.nl www.apsmilieu.nl

Verkennend bodemonderzoek + asbest in grond R18-B374 De Gouwe 17 Landsmeer

Opdrachtgever: Maxilon BV De Gouwe 15 1121 GC Landsmeer Mei 2018 NL52 RABO 0175 8032 77 NL44 INGB 0002 0722 15 KvK Haarlem: 34123303 BTW nr: 815463844B01

APS - Milieu B.V.

Inhoudsopgave 1 Inleiding .............................................................................................................................. 4 1.1 Doel en opzet van het onderzoek ................................................................................. 6 2 Vooronderzoek ................................................................................................................... 7 2.1 Historie ........................................................................................................................ 7 2.2 Bodemopbouw en geohydrologie ................................................................................ 8 2.3 Hypothese en strategie verkennend bodemonderzoek................................................. 8 2.4 Hypothese en strategie verkennend asbestonderzoek .................................................. 9 3 Uitvoering ......................................................................................................................... 10 3.1 Veldwerk verkennend bodemonderzoek ................................................................... 10 3.2 Veldwerk verkennend asbestonderzoek .................................................................... 11 3.3 Laboratoriumonderzoek.............................................................................................

12 4 Analyseresultaten.............................................................................................................. 13 5 Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................ 14 6 Betrouwbaarheid............................................................................................................... 15

Bijlage 1. Topografische kaart............................................................................................. 16 Bijlage 2. Kadastrale kaart................................................................................................... 18 Bijlage 3. Locatietekening met boorpunten / inspectiegaten ............................................... 20 Bijlage 4. Boorstaten ........................................................................................................... 22 Bijlage 5. Toetsingskader .................................................................................................... 26 Bijlage 6. Referenties .......................................................................................................... 35 Bijlage 7. Monsternemingplan asbestonderzoek ................................................................. 37 Bijlage 8. Monsternameformulier asbestonderzoek ............................................................ 40 Bijlage 9. Fotorapportage .................................................................................................... 43 Bijlage 10. Analysecertificaten ........................................................................................... 46

2

APS - Milieu B.V.

Samenvatting Soort onderzoek Aanleiding tot het onderzoek

verkennend bodemonderzoek NEN-5740 + asbest in grond NEN-5707 omgevingsvergunning aanvraag

Projectcode

R18-B374

Opdrachtgever

Maxilon BV

Adres opdrachtgever

De Gouwe 15

Woonplaats en postcode

1121 GC Landsmeer

Locatiebenaming

De Gouwe 17 te Landsmeer

Locatieadres

De Gouwe 17

Locatie plaats en postcode

1121 GC Landsmeer

Kadastrale aanduiding

Sectie B, nummer 1978, gemeente Landsmeer

Coördinaten

X: 123562 / Y: 493832

Oppervlakte onderzoekslocatie

250 m2

Te onderscheiden deellocaties

geen

Aantal boringen en peilbuizen Datum veldwerk

4 waarvan 1 is afgewerkt met een peilbuis + 4 asbestgaten 03-05-2018

Datum watermonsters

16-05-2018

Aantal analyses

5, waarvan 1 grondwatermonster 1x asbest in grond Er is geen asbest aangetoond

Aanwijzingen asbest Aangetroffen verontreinigingen

Conclusies en aanbevelingen

De zandige bovengrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. De kleiige ondergrond is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, koper, cadmium en PAK. De zandige ondergrond is matig verontreinigd met zink. De venige ondergrond is matig verontreinigd met kobalt en licht met minerale olie. De diepe kleiige ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen en barium. - Uitsplitsen mengmonster MM03 voor zink en MM04 voor kobalt

3

APS - Milieu B.V.

1 Inleiding In mei 2018 heeft APS-Milieu in opdracht van Maxilon BV te Landsmeer een verkennend bodemonderzoek met asbest uitgevoerd op de locatie De Gouwe 17 te Landsmeer. Het onderzoek is uitgevoerd conform BRL SIKB 2000, protocol 2001 plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, protocol 2002 het nemen van grondwatermonsters en protocol 2018 locatieinspectie en monsterneming van asbest in bodem. APS-Milieu verklaart dat er geen andere relaties bestaan met de opdrachtgever van het bodemonderzoek anders dan die van opdrachtgever versus opdrachtnemer. Onderstaande verklaren de veld- en/of rapportagewerkzaamheden conform de geldende normen en onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd. Naam: Certificaatnummer: Ondertekening:

Rapportage 2000 Naam: Onderzoeksbureau: Ondertekening:

Dhr. G. Baars VB-028

Mevr. MSc. J. Schroeder APS-Milieu B.V.

Rapportage vrijgegeven door: Naam: Ing. J.J. de Vlieger Onderzoeksbureau: APS Milieu B.V. Certificaatnummer: VB-028 Ondertekening:

4

APS - Milieu B.V.

De aanleiding tot het uitvoeren van het bodemonderzoek is de aanvraag van een bouw- of sloopvergunning in het kader van de gemeentelijke Bouwverordening (Woningwet). Het doel van een bodemonderzoek in het kader van de Woningwet is het vaststellen of de locatie geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Een dergelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd als verkennend bodemonderzoek volgens de NEN-5740, waarbij het vooronderzoek dient te voldoen aan het verminderde basisniveau volgens de NEN-5725. De onderzoekslocatie wordt bepaald door de bouwlocatie. In geval van een woonbestemming dient ook de eventuele tuin bij het huis te worden onderzocht. Vanwege het asbestverdachte karakter van de bebouwing is tevens een verkennend onderzoek asbest conform de NEN-5707 uitgevoerd.

5

APS - Milieu B.V.

1.1 Doel en opzet van het onderzoek Doel van een verkennend bodemonderzoek is: • Bepalen of er al dan niet van bodemverontreiniging sprake is, conform de Wet Bodembescherming. • Eventueel bepalen of er een nader onderzoek gewenst is naar de ernst van de bodemverontreiniging. • Eventueel verkrijgen van een eerste indicatie van de verspreiding van de verontreiniging, zonodig door heranalyse van afzonderlijke monsters. De opzet van een verkennend onderzoek omvat de volgende fasen: • • • • • • • • •

Vaststellen van het (juridische) kader van het onderzoek. Verrichten van (historisch) vooronderzoek naar mogelijke verontreiniging. Verrichten van vooronderzoek naar geohydrologie en bodemopbouw. Opstellen van hypothese en onderzoeksstrategie voor het bodemonderzoek. Uitvoering veldwerk (boringen, peilbuizen en bemonsteringen). Uitvoering laboratoriumanalyses in een erkend RvA geaccrediteerd laboratorium. Interpretatie van de resultaten van het onderzoek. Toetsing van hypothese en strategie. Eventueel herhalen van (enkele van) de voorgaande fasen als de hypothese en strategie niet toereikend blijken te zijn geweest. • Bepalen of er sprake is van bodemverontreiniging, en indicaties geven over de verspreiding ervan. • Eventueel bepalen of nader onderzoek gewenst is. • Rapportage en eindbespreking.

6

APS - Milieu B.V.

2 Vooronderzoek 2.1 Historie De ligging van de locatie is aangegeven op de topografische kaart (bijlage 1) en tevens op een kadastrale tekening (bijlage 2). Ook zijn er foto's gemaakt van het onderzochte terrein (bijlage 10). Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2009, strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek. In bijlage 5 is een overzicht van de verkregen gegevens opgenomen. De onderzoekslocatie is gelegen in Landsmeer. Het perceel is eigendom van mevr. A. M. C. Klaasen en staat kadastraal bekend onder de aanduiding B 1978 van de gemeente Landsmeer. De totale oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt ongeveer 250 m2, een gedeelte van het bovengenoemde kadastrale perceel. De bestemming is en blijft wonen. In de omgeving is voornamelijk sprake van woongebied. Momenteel is het perceel in gebruik als woning. Ongeveer 25 procent van de locatie is bebouwd. Bij de Omgevingsdienst IJmond zijn gegevens opgevraagd van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie en de ligging van ondergrondse tanks. Ook is het Bodemloket geraadpleegd. Uit de verkregen gegevens blijkt dat voor de locatie in het verleden geen bodemonderzoeken bekend zijn. Ook zijn geen ondergrondse tanks bekend.

In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn de volgende historische bodembedreigende activiteiten bekend en de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: De Gouwe Verkennend onderzoek t.b.v civieltechniek 2013 (Kwinfra Milieu; 13026rap1) De grond is maximaal licht verontreinigd met zware metalen. Plaatselijk sterke of matige verontreinigingen aangetroffen. Uit de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst IJmond blijkt dat zowel de boven als de ondergrond in de ontgravingsklasse wonen vallen. Conclusie vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als verdachte locatie beschouwd. Op de onderzoekslocatie zijn geen bodembedreigende activiteiten bekend.

7

APS - Milieu B.V.

2.2 Bodemopbouw en geohydrologie De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Landsmeer. Er is geen sprake van een bodembeschermingsgebied. Het maaiveld ligt op ongeveer NAP –1 m. De bovenste 15,5 meter van de bodem zijn een complexe eenheid van Holocene afzettingen, bestaande uit zand- en kleimengels met veen. De volgende 1,6 meter zijn twee zandpakketen van de Formatie van Boxtel. Tussen 17,1 m-mv en 34,8 m-mv ligt een zandige eenheid van de Formatie van Kreftenheye. Daaronder ligt de Eem Formatie.

2.3 Hypothese en strategie verkennend bodemonderzoek Aan de hand van een vooronderzoek (uitgevoerd volgens de NEN-5725) worden deellocaties benoemd waarvoor verschillende hypothesen gelden met betrekking tot de (mogelijke) bodembelasting. In de onderstaande tabel worden de deellocaties en de daarvoor geldende aannames (aard en voorkomen van de verontreiniging) nader uitgewerkt. De hypothese “verdachte diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL)” wordt gesteld als er uit het vooronderzoek blijkt dat er op de locatie mogelijk diffuse bodembelasting heeft plaatsgevonden met een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming. Hierbij valt te denken aan ophooglagen. Er wordt op deze deellocaties verontreiniging in de grond en/of het grondwater verwacht met bepaalde stoffen. De subhypothese “kleinschalig” is van toepassing op kleinere locaties (<1 ha) of op grotere locaties als deze kleinschalig zijn verkaveld, bebouwd zijn en/of een sterk wisselend gebruik kennen. Overzicht van deellocaties en gevolgde strategie code LOCA

deellocatie gehele onderzoekslocatie

strategie NEN-5740 verdacht toplaag ondergrond freatisch grondwater (met PB)

8

schaal 250 m2

boringen

analyses

0 3 1

2 2 1

opmerking

APS - Milieu B.V.

2.4 Hypothese en strategie verkennend asbestonderzoek Aan de hand van de in het historisch onderzoek verzamelde gegevens en de uitgevoerde terreininspectie is voor de locatie een hypothese opgesteld met betrekking tot de mogelijke bodembelasting met asbesthoudend materiaal. De hypothese “verdachte bovengrond diffuse bodembelasting heterogeen verdeeld” wordt gesteld als er uit het vooronderzoek blijkt dat er op de locatie mogelijk diffuse bodembelasting heeft plaatsgevonden met een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming. Hierbij valt te denken aan: • ophooglagen en stortingen van asbestverdacht puin dan wel asbestverdachte grond of baggerspecie; • bodem met restanten asbestverdacht materiaal door onzorgvuldige sloop/onderhoud van gebouwen; • bodem met restanten asbesthoudend of asbestverdacht granulaat; • bewerkte bodem na plaatselijk of oppervlakkige bodembelasting door brand-, explosie-, stormschade, verwering/uitspoeling, enz; De subhypothese “kleinschalig” is van toepassing op kleinere locaties (<1 ha) of op grotere locaties als deze kleinschalig zijn verkaveld, bebouwd zijn en/of een sterk wisselend gebruik kennen. Na het stellen van deze hypothese voor de locatie werd een onderzoeksstrategie gekozen teneinde de hypothese te kunnen toetsen.

In de onderstaande tabel worden de deellocaties en de daarvoor geldende aannames (aard en voorkomen van de verontreiniging) nader uitgewerkt. Overzicht van deellocaties en gevolgde strategie code

deellocatie

strategie

schaal

LOCA

gehele onderzoekslocatie

NEN-5707 verdacht gaten tot 0,5 m-mv boringen tot ongeroerde laag

250 m2

9

gaten/ boringen

analyses

4 1

1 1

opmerking

APS - Milieu B.V.

3 Uitvoering 3.1 Veldwerk verkennend bodemonderzoek Het veldwerk bestond uit het uitvoeren van boringen, het plaatsen van een peilbuis en het nemen van grond- en grondwatermonsters. Van alle boringen zijn boorbeschrijvingen gemaakt conform de NEN-5104, welke zijn opgenomen in bijlage 4. De bodemopbouw bestaat uit zand voor de bovengrond en veen en klei voor de ondergrond. Ter plaatse van boring 1 is op 1,5 m-mv een ondergrondse obstructie aanwezig. Het grondwater is minimaal een week na plaatsing van het filter bemonsterd.. In het veld is de grondwaterstand ingemeten en zijn de geleidbaarheid, de pH en de troebelheid van het grondwater bepaald. De monsters zijn gekoeld getransporteerd en opgeslagen. In de onderstaande tabellen zijn de veldwerkgegevens, evenals de zintuiglijke waarnemingen weergegeven. Overzicht van boringen, peilbuizen en zintuiglijke waarnemingen boring 01

diepte boring (m-mv) 1,51

01-1

1,51

01-2

1,51

01-3

1,51

02

3,50

03

3,80

04

3,80

datum 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018 3-5-2018

van - tot (m-mv) 0,80 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 1,51 0,80 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 1,51 0,80 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 1,51 0,80 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 1,51 0,70 - 1,00 2,00 - 3,50 0,70 - 1,00 1,50 - 3,40 3,40 - 3,80 0,50 - 1,00 1,50 - 3,40 3,40 - 3,80

waarnemingen sporen roest resten grind Gestaakt obstructie sporen roest resten grind Gestaakt obstructie sporen roest resten grind Gestaakt obstructie sporen roest resten grind Gestaakt obstructie resten grind resten hout, resten riet resten grind resten hout, resten riet laagjes zand, resten riet resten grind, sporen roest resten hout, resten riet laagjes zand, resten riet

Overzicht grondwatermonstername PB 02

van - tot (m-mv) 1,50 - 2,50

gws (m-mv) 1,00

EC (µS/cm) 1820

10

pH

troebelheid (NTU)

datum

7,4

15,7

16-5-2018

APS - Milieu B.V.

3.2 Veldwerk verkennend asbestonderzoek Ten behoeve van de visuele inspectie werd de onderzoekslocatie met een oppervlakte van circa 250 m2 opgedeeld in rasters van 1 bij 1 meter. De inspectie is uitgevoerd op een zonnige dag. De gehele onderzoekslocatie was verhard met tegels. De lovatie wordt derhalve als niet inspecteerbaar geclassificeerd. Bij de inspectie werden op het maaiveld geen stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het veldwerk t.b.v. het verkennend onderzoek bestond uit het graven van 4 inspectiegaten van 30 cm lang, 30 cm breed en circa 50 cm diep. Hieruit werden per inspectiegat monsters genomen van ongeveer 3 kg. De monsters zijn samengesteld tot één veldmengmonster en aan het laboratorium aangeboden. Tevens is er één boring geplaatst tot 2 m-mv. In het opgeboorde materiaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de tabel van 3.1 zijn de veldwerkgegevens, evenals de zintuiglijke waarnemingen weergegeven, corresponderende met de bovenste 50 cm van de boringen.

11

APS - Milieu B.V.

3.3 Laboratoriumonderzoek De in het veld genomen monsters zijn volgens het onderstaande schema ter analyse aangeboden aan een door de RvA geaccrediteerd laboratorium. Eventueel zijn grondmonsters gecombineerd tot mengmonsters. Bij grondwateronderzoek worden in verband met verschillende soorten analyses, voorgeschreven wijze van bemonstering en conservering, soms meerdere monsters uit een filter genomen. Overzicht van uitgevoerde analyses en samenstelling mengmonsters grond code

omschrijving

MM01

mengmonster; zandige bovengrond

MM02

mengmonster; kleiige ondergrond

MM03

mengmonster; zandige ondergrond

MM04

mengmonster; venige ondergrond

MM05

mengmonster; diepe kleiige ondergrond

VMM01

mengmonster; asbestverdachte grond

deelmonsters (traject in m-mv) 01 (0,05 - 0,50) 02 (0,05 - 0,50) 03 (0,05 - 0,50) 04 (0,05 - 0,50) 02 (0,50 - 0,70) 03 (0,50 - 0,70) 01 (1,00 - 1,50) 02 (1,00 - 1,50) 03 (1,00 - 1,50) 04 (1,00 - 1,50) 02 (2,00 - 2,50) 03 (2,50 - 3,00) 04 (3,00 - 3,40) 03 (3,40 - 3,80) 04 (3,40 - 3,80) 01 (0,05 - 0,50) 02 (0,05 - 0,50) 03 (0,05 - 0,50) 04 (0,05 - 0,50)

analyse pakket

Filterdiepte (m mv) 1,50 - 2,50

analyse pakket

Standaard pakket incl LUOS

Standaard pakket incl LUOS Standaard pakket incl LUOS

Standaard pakket incl LUOS

Standaard pakket incl LUOS Asbest in bodem conform NEN 5898

Overzicht van uitgevoerde analyses grondwater code

omschrijving

02-1-1

grondwatermonster

12

Standaardpakket grondwater

APS - Milieu B.V.

4 Analyseresultaten De resultaten van het laboratoriumonderzoek zijn in de onderstaande tabellen getoetst aan de meest recente versie van de AW2000- en interventiewaarden uit de circulaire bodemsanering, waarbij de gemeten waarde zijn omgerekend volgens het gehalte organisch stof en kleidelen (lutum). Het toetsingskader is bij dit rapport opgenomen als bijlage 6. Tevens zijn de analyseresultaten getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) om een indicatie te krijgen van de bodemfunctieklasse en de hergebruikmogelijkheden van de grond. Voor een volledig overzicht van de gemeten waarden wordt verwezen naar de analysecertificaten in bijlage 11. Overschrijdingstabel grondmonsters, toetsing grond volgens Wbb en Bbk code MM01 MM02

Traject (m-mv) 0,05 - 0,50 0,50 - 0,70

MM03 MM04

1,00 - 1,50 2,00 - 3,40

MM05 VMM01

3,40 - 3,80 0,05 - 0,50

>AW

>T

Koper [Cu] (0,04) Zink [Zn] (0,25) Cadmium [Cd] (0,02) Kwik [Hg] (0,02) Lood [Pb] (0,38) PAK 10 VROM (0,16) Zink [Zn] (0,5) Minerale olie C10 Kobalt [Co] (0,75) C40 (0,03) Er is geen asbest aangetroffen

>I

Bbk

-

Altijd toepasbaar Klasse industrie

-

Klasse industrie Klasse industrie

-

Altijd toepasbaar

Overschrijdingstabel grondwatermonsters, toetsing grondwater volgens Wbb code 02-1-1

Traject (m-mv) 1,50 - 2,50

>AW

>T

>I

Molybdeen [Mo] (0,07) Barium [Ba] (0,02)

-

-

13

APS - Milieu B.V.

5 Conclusies en aanbevelingen Bodemonderzoek. De zandige bovengrond (MM01) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’. De kleiige ondergrond (MM02) is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, koper, cadmium en PAK. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’. De zandige ondergrond (MM03) is matig verontreinigd met zink. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’. De venige ondergrond (MM04) is matig verontreinigd met kobalt en licht met minerale olie. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’. De diepe kleiige ondergrond (MM05) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’. Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen en barium. De hypothese verdacht wordt voor de locatie bevestigd. Geconcludeerd kan worden dat de locatie licht tot matig verontreinigt is. Asbestonderzoek. Er is geen asbestverdacht materiaal op of in de grond aangetroffen. In VMM01 is eveneens geen asbest aangetoond. De hypothese verdacht wordt niet bevestigd.

Op basis van onderhavig verkennend bodemonderzoek asbest kan gesteld worden dat de locatie vrij is van verontreiniging met asbest. De onderzoeksresultaten vormen een belemmering voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Op basis van onderhavig bodemonderzoek is het niet mogelijk om vast te stellen of er op de locatie sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging (>25 m3 sterk verontreinigd bodemvolume). Aanbevolen wordt een nader bodemonderzoek uit te voeren naar de ernst en omvang van de aangetroffen matige verontreinigingen met zink en kobalt in de ondergrond. Hiertoe kunnen eerst de deelmonsters van MM04 separaat onderzocht worden op kobalt en de deelmonsters van MM03 separaat onderzocht worden op zink om een beter beeld te krijgen van de ruimtelijke verdeling van de verontreinigingen.

14

APS - Milieu B.V.

6 Betrouwbaarheid Bodemonderzoeken worden door APS-Milieu op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de daartoe bestaande normen (protocollen) en gangbare inzichten. Indien in opdracht van de klant, en eventueel in overleg met het bevoegde gezag, is afgeweken van de gangbare normen en/of protocollen van onderzoek, dan wordt dit in de rapportage uitdrukkelijk vermeld. APS-Milieu aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de gevolgen die deze afwijkingen kunnen hebben voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van het onderzoek. Alle door de veldwerker uitgevoerde metingen (locatietekening, grondwaterstanden, laagdikte, enz.) zijn alleen van toepassing op het bodemonderzoek en kunnen niet dienen als basis voor exacte maatvoering van een bouwproject en/of andere doeleinden. Maar ook indien conform de protocollen wordt gewerkt blijven er enige beperkingen van kracht, met betrekking tot de betrouwbaarheid van de resultaten van dit onderzoek. a. Kwaliteit van het vooronderzoek Een bodemonderzoek wordt uitgevoerd op basis van een vooronderzoek. Een dergelijk vooronderzoek bestaat uit het verzamelen van (historische) gegevens over de locatie, een inspectie van de locatie en verzamelen van gegevens over bodemopbouw en hydrologie. Indien belangrijke feiten over de locatie niet worden achterhaald, bestaat de kans dat de hypothese en de strategie van het onderzoek niet voldoen.

Het onderzoek geeft dan onvoldoende informatie en is dus minder bruikbaar of betrouwbaar. APS-Milieu acht zich niet aansprakelijk voor de gevolgen van onvolledig of onjuist opgegeven informatie in het kader van het vooronderzoek. b. Restrisico De monsterdichtheid welke de protocollen voorschrijven heeft tot gevolg dat kleine verontreinigingskernen kunnen worden gemist. Dit beperkte restrisico wordt aanvaardbaar geacht, omdat de kosten van bodemonderzoek anders te hoog zouden oplopen. APS-Milieu acht zich niet aansprakelijk voor dergelijke normale restrisico’s. c. Veroudering De onderzoeksresultaten vormen slechts een momentopname. De resultaten en conclusies kunnen verouderen door drie oorzaken: • Er wordt nieuwe verontreiniging toegevoegd aan de locatie. • Bestaande verontreiniging is mobiel en verspreidt zich verder. • De normstelling door de overheid verandert. APS-Milieu acht zich niet aansprakelijk voor de gevolgen van veroudering van de rapportage. 15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=c27f1183-3fdb-41c1-8ccb-9eb65f79814c