Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Datum Auteur Controle
De Gouwe 17 te Landsmeer Versie 3.0 21006
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
19 mei 2021
S. Elfrink MSc I.M.E. Hazeleger
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1 2
3
4
5
6
Inleiding Projectbeschrijving
4 5
Projectlocatie Projectplan Geldend bestemmingsplan
5 5 7
Ruimtelijk beleid
11
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
11 13 17 18
Omgevingsaspecten
21
Stedenbouwkundige motivering / Landschappelijke inpassing Motivering behoefte / Ladder voor duurzame verstedelijking Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Duurzaamheid Externe veiligheid Geluid Kabels en leidingen Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling
21 21 22 23 24 26 27 29 29 31 33 34 35 38
Beschrijving uitvoerbaarheid
39
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39 39
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
40
Bijlagen 1 Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek (APS milieu B.V., 2018) 2 Asbestinventarisatie (APS milieu B.V., 2020) 3 Aeriusberekening (Van der Goes & Groot, 2020) 4 Advies watertoets (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, 2020)
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 3
1
INLEIDING In opdracht van de heer Buter heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van een woning ter plaatse van De Gouwe 17 te Landsmeer. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het geldende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het geldende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 4
2
PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan De Gouwe 17, aan de oostkant van Landsmeer. Rondom de projectlocatie is, met uitzondering van de oostkant, de woonbebouwing van Landsmeer gelegen. De oostzijde grenst aan groen met direct daarachter het water van de Nieuwe Gouwe. Het plangebied staat kadastraal bekend als LMR02 - B – 1978 en heeft een oppervlakte van circa 600 vierkante meter. Tevens is de kavel uitgebreid met een stuk van het achterliggende kavel, kadastraal bekend als LMR02 – B – 1314. Dit betreft een uitbreiding van circa 156,7 vierkante meter. Het terrein daar weer achter is tevens verkocht aan de opdrachtgever. In totaal bedraagt het plangebied circa 750 vierkante meter. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie globaal (bron: QGIS, eigen bewerking).
PROJECTPLAN In de huidige situatie is er binnen het plangebied een woonhuis aanwezig. Het woonhuis heeft een oppervlakte van circa 105 vierkante meter, is gebouwd in 1965 en bestaat uit één bouwlaag. Daarnaast heeft de berging een oppervlakte van circa 25 vierkante meter en is er circa 140 vierkante meter bestraat.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 5
Figuur 2. Luchtfoto projectlocatie (bron: QGIS, eigen bewerking).
Het doel is binnen het plangebied één vrijstaande woning te realiseren. De vrijstaande woning bestaat uit de kelder, begane grond, eerste verdieping en een zolder. Daarnaast wordt er in de achtertuin een zwembad aangelegd met bijbehorend poolhouse. Bij aanvang van de werkzaamheden zal de huidige bebouwing reeds gesloopt zijn. De verharde oppervlakken zijn in de toekomstige situatie als volgt: woonhuis 203,6 vierkante meter, poolhouse 40,5 vierkante meter, zwembad 40 vierkante meter, onderheid terras 187,8 vierkante meter en bestrating van circa 151 vierkante meter. Figuur 3. Foto voorgevel huidige situatie (bron: W3 Architecten).
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 6
Figuur 4. Schets toekomstige situatie straatbeeld, De Gouwe 19, De Gouwe 17 en de Gouwe 15 (bron: W3 Architecten).
Figuur 5. Schets toekomstige situatie rechterzijgevel, achtergevel en linkderzijgevel (bron: W3 Architecten).
Figuur 6. Plattegrond toekomstige situatie (bron: W3 Architecten).
In bovenstaande figuren is een impressie van de toekomstige situatie zichtbaar. Het zwembad zal in het midden van de achtertuin worden gerealiseerd, met het poolhouse aan de rechterkant.
GELDEND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Landsmeer Oost 2012” geldend. Dit plan is op 29 januari 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Landsmeer. De projectlocatie heeft de enkelbestemming ‘Wonen - 3’ en de enkelbestemming ‘Tuin’, met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Er geldt een bouwvlak, waarbinnen gebouwd mag worden met een bouwhoogte van 8 meter en een goothoogte van 3,5 meter. Figuur 7 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 7
Figuur 7. Uitsnede bestemmingsplankaart (bron: QGIS, eigen bewerking).
Bestemmingsplan Landsmeer Oost 2012 Artikel 17 Wonen – 3 17.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen - 3’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in de vorm van grondgebonden woningen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven; b. tuinen, erven en terreinen; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. openbare nutsvoorzieningen; f. aanlegplaatsen; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 17.2 Bouwregels a. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: 1. een hoofdgebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd; 2. de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 2 m, dan wel uitsluitend voor bestaande hoofdgebouwen de bestaande afstand, indien deze kleiner is; 3. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal; 4. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mogen niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding “maximale goot- en bouwhoogte (m)” aangegeven goot- en bouwhoogte, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen; 5. de inhoud van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 862,5 m3 dan wel niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding “maximum volume (m3)” aangegeven inhoud. b.
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: 1. de bestaande aan- en uitbouwen en overkappingen aan een hoofdgebouw zijn toegestaan met de bestaande maatvoering voor wat betreft oppervlakte, goot- en bouwhoogte en dakhelling; 2. op de gronden ter plaatse van de aanduiding “erf” mogen nieuwe aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd, met dien verstande dat het gestelde onder 3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing is; 3. in aanvulling op het gestelde onder 1 zijn nieuwe aan- en uitbouwen en overkappingen aan de achtergevel van een hoofdgebouw toegestaan, met dien verstande dat: i.
de diepte niet meer mag bedragen dan 3 m;
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 8
ii. iii. 4. 5. 6. 7.
8.
c.
de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan maximaal 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 4 m; er sprake moet zijn van een platte afdekking;
de goothoogte van bijgebouwen en vrijstaande overkappingen mag niet meer bedragen dan 3,5 m, met dien verstande dat deze niet meer mag bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw; de bouwhoogte van bijgebouwen en vrijstaande overkappingen mag niet meer bedragen dan 5,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van een bijgebouw nooit meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw; de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 75 m² per woning, met dien verstande dat het bouwperceel voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd, dan wel het bestaande percentage indien dit meer is; in afwijking van het gestelde onder 6, mag de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak op de gronden ter plaatse van de aanduiding “erf” niet meer bedragen dan 60 m2 per woning, met dien verstande dat het bouwperceel voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd, dan wel het bestaande percentage indien dit meer is; In afwijking van het gestelde onder 6 mag de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak op de gronden ter plaatse van de aanduiding “maximum oppervlakte (m2)” niet meer bedragen dan 155 m².
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 2, bijlage II Besluit omgevingsrecht, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van bestaande dakterrassen.
Artikel 11 Tuin 11.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. openbare nutsvoorzieningen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 11.2 Bouwregels a. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd met uitzondering van erkers en entreepartijen bij grondgebonden woningen en bijgebouwen bij woonschepen. b.
Voor het bouwen van erkers en entreepartijen gelden de volgende regels: 1. de diepte van erkers en entreepartijen mag niet meer bedragen dan 1 m; 2. de afstand van erkers en entreepartijen tot aan de bestemmingsgrens van de bestemming ‘Verkeer – Verblijf’ mag niet minder bedragen dan 1,5 m; 3. erkers en entreepartijen mogen worden gebouwd aan zowel de voorgevel als een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw; 4. de breedte van erkers en entreepartijen aan de voorgevel mag niet meer bedragen dan 2/3 van de breedte van de voorgevel; 5. de breedte van erkers en entreepartijen aan de zijgevel van een gebouw mag niet meer bedragen dan 1/3 van de breedte van de zijgevel; 6. de bouwhoogte van erkers en entreepartijen mag niet meer bedragen dan 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd.
c.
Voor het bouwen van bijgebouwen bij woonschepen gelden de volgende regels: 1. bijgebouwen bij woonschepen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “woonschepenligplaats” worden gebouwd; 2. de goothoogte van bijgebouwen bij woonschepen mag niet meer bedragen dan 2,5 m, dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt; 3. de bouwhoogte van bijgebouwen bij woonschepen mag niet meer bedragen dan 5 m, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt; 4. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woonschip mag niet meer bedragen dan 25 m² per woonschip, dan wel niet meer dan de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt.
d.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m; 2. de bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
Artikel 21 Waarde – Archeologie 2 21.1 Bestemmingsomschrijving
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 9
De voor ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming) mede bestemd voor behoud en/of herstel van de aan deze gronden eigen zijnde archeologische/cultuurhistorische waarde(n). 21.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde in de aangegeven basisbestemmingen mogen in of op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: a. bouwwerken ter vervanging of uitbreiding van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met niet meer dan 500 m2 wordt uitgebreid; b. bouwwerken ter vervanging of uitbreiding van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met meer dan 500 m2 wordt uitgebreid, maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 35 cm onder het maaiveld; c. bouwwerken met een oppervlakte van 500 m2 of minder ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming; d. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 500 m2, maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 35 cm onder het maaiveld, ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming; e. bouwwerken ten behoeve van archeologisch onderzoek.
Toets aan bestemmingsplan De ontwikkeling van één vrijstaande woning is op een negental onderdelen in strijd met het geldende bestemmingsplan. De strijdigheden zijn gelegen in: • • • • • • •
het hoofdgebouw wordt gedeeltelijk buiten het bouwvlak gerealiseerd; het hoofdgebouw wordt binnen de enkelbestemming ‘tuin’ gerealiseerd; het realiseren van gebouwen binnen tuin; het gebruiken van een deel van de bestemming tuin voor woondoeleinden; de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt aan de noordzijde geen 2 meter; overschrijding van 50% bebouwing op bouwperceel overschrijding maximale oppervlakte van 75 m2 aan bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak
Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen als bedoeld in artikel 2.12 lid 1, sub a onder 3 van de Wabo (Waboafwijkingsprocedure). Bij het doorlopen van de planologische procedure dient tevens rekening te worden gehouden met het bepaalde ten aanzien van archeologie. Voor dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.3 van voorliggende rapportage.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 10
3
RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 8. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 11
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling Op het projectgebied zijn geen nationale belangen van toepassing. Hiermee is de Nationale Omgevingsvisie niet relevant voor het projectgebied aan De Gouwe 17 te Landsmeer. 3.1.1.2 Conclusie Geen van de 21 nationale belangen worden geraakt met voorliggend project. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het geldend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Op basis van het Rarro bevindt het plangebied zich binnen een radarverstoringgebied, waarbinnen geen bebouwing mag worden gerealiseerd hoger dan 90 meter t.o.v. NAP. De maximale bouwhoogte van de woning bedraagt circa 8 meter. Op basis van het Barro bevindt het plangebied zich niet binnen een aangewezen gebied. 3.1.2.2 Conclusie Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien. Voor het Rarro geldt dat er een beperking in de bouwhoogte is voor het plangebied.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. 3.1.3.1 Relatie tot ontwikkeling De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 12
3.1.3.2 Conclusie Het Bro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich dus uit over het ‘waarom’ en ten dele over het ‘wat’. Onder de hoofdambitie, ‘balans tussen economische groei en leefbaarheid’, zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving.
Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek. Het gaat om de onderwerpen: Dynamisch Schiereiland, Metropool in ontwikkeling, Sterke kernen, sterke regio’s, Nieuwe energie en Natuurlijk en Vitaal landelijke omgeving. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling In de eerste fase van de omgevingsvisie, zijn verkenningen uitgevoerd. Deze verkenningen maken nu onderdeel uit van de omgevingsvisie. In de Verkenningen NH2050 zijn acht hoofdthema's van trends en ontwikkelingen, met hun kernopgaven, geformuleerd. Een van deze acht hoofdthema's is verstedelijking. Hierin wordt aangegeven dat de woningbehoefte voor Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid in de toekomst nog steeds toeneemt. De prognoses laten ook in lage scenario's nog groei zien in de Metropoolregio Amsterdam (MRA). Ook in Noord-Holland Noord is er een groei vergelijkbaar met het Nederlands gemiddelde, waarbij een deel van Noord-Holland Noord langzamerhand meer in beeld komt bij woningzoekenden in het zuidelijk deel van de provincie. Migratie, vooral van expats, heeft in toenemende mate invloed op de woningbehoefte.
Tegelijkertijd is er steeds meer structureel leegstaand vastgoed en kunnen er leefbaarheidsproblemen in verouderde nieuwbouwwijken ontstaan. De woningbehoefte op de korte termijn is groot, op de lange termijn neemt deze volgens de huidige inzichten af. De ambitie ten aanzien van woningbouw is dat vraag en aanbod van woon- en werklocatie, zowel kwantitatief als kwalitatief, beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt. 3.2.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de voornoemde ambitie van de provincie om woningbouw vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden in te plannen. De projectlocatie is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en er wordt voorzien in een kwalitatieve behoefte, zoals ook zal blijken uit de beleidstoets in de navolgende paragrafen. De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor een toename in het aantal woningen.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 13
Omgevingsverordening NH2020 In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. Er wordt gezocht naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling Op basis van de digitale planviewer is zichtbaar welke afdelingen en artikelen betrekking hebben op het plangebied. In onderstaande tabel worden de betreffende afdelingen en artikelen behandeld. Afdeling 6.1 behoeft nadere toelichting, welke volgt na de tabel. Afdeling 4.1 Natuurbeheer
Inhoud De paragrafen Natura 2000, soortenbescherming en houtopstanden en herbeplanting hebben betrekking op het plangebied, zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming.
Conclusie De ontwikkeling behelst de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning. In dit kader zal een stikstofdepositieberekening worden uitgevoerd.
4.3 Bodemsanering
Deze afdeling gaat over het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming voor het werkingsgebied Bodemsanering.
De locatie kent in de huidige situatie al een woonbestemming. Volledigheidshalve is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd APS Milieu.
4.4 Ontgrondingen
Deze afdeling regelt de gevallen waarin geen vergunning nodig is voor een ontgronding.
De voorgenomen ontwikkeling maakt gelet op de aard en omvang ervan geen ontgrondingen mogelijk. Een ontgrondingenvergunning is niet noodzakelijk.
4.7 Geitenhouderijen
Deze afdeling gaat over geitenhouderijen.
De voorgenomen ontwikkeling maakt geen geitenhouderij mogelijk.
4.12 Windenergie
Deze afdeling gaat over het bouwen, opschalen en vervangen van windturbines.
De voorgenomen ontwikkeling staat niet in relatie tot windenergie.
4.13 Grondwateronttrekking
Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater.
De voorgenomen ontwikkeling maakt geen grondwateronttrekking mogelijk.
5.2 Normen voor waterkwantiteit
Deze afdeling bevat regels met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht.
Voor bebouwing geldt dat het gebied van de gemeente zo ingericht moet zijn dat er gemiddeld eens per 100 jaar een overstroming plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op deze overstromingskans.
6.1 Stedelijke functies
Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Ook de regels ten aanzien van detailhandel en verblijfsrecreatie zijn van toepassing op het plangebied.
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning. Binnen het plangebied is momenteel nog een woning aanwezig welke gesloopt zal worden. Op basis van het geldend bestemmingsplan is binnen het plangebied reeds een woning toegestaan. Als gevolg van de ontwikkeling worden geen extra woningen toegevoegd binnen het plangebied en is er derhalve geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 14
6.3 Land- en tuinbouw
Deze afdeling gaat over de land- en tuinbouw en daarmee samenhangende functies.
De voorgenomen ontwikkeling maakt geen landbouw, tuinbouw of daarmee samenhangende functies mogelijk.
6.6 Klimaatadaptatie
Deze afdeling gaat over het rekening houden met risico’s ten aanzien van klimaatverandering bij nieuwe ontwikkelingen en het inventariseren van mogelijke adaptatiemaatregelen.
In hoofdstuk 4 worden de klimaatadaptieve maatregelen die binnen dit project worden toegepast, toegelicht.
6.10 Water
Deze afdeling is gericht op: a. regels stellen omtrent het beheerplan van een waterschap betreffende regionale wateren; b. nadere voorschriften geven ten aanzien van de legger van een waterschap; c. aanwijzen van oppervlaktewaterlichamen waarvoor een waterschap verplicht is één of meer peilbesluiten vast te stellen; en d. een verdeling van het beschikbare water in het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort.
Hoofdstuk 4 van onderhavige rapportage gaat in op het aspect water.
6.11 Faunabeheer
Deze paragraaf gaat over een faunabeheerplan van een Faunabeheereenheid. De paragraaf geeft eisen en regels waar dergelijke plannen aan moeten voldoen.
Een faunabeheerplan is in dit geval niet aan de orde. De regels met betrekking tot faunabeheer dienen door faunabeheereenheden in acht te worden genomen.
6.12 Kwaliteit uitvoering en handhaving
Deze afdeling bevat regels voor de beoordeling en borging van de kwaliteit van de door en in opdracht van Gedeputeerde Staten uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving. De onderwerpen hebben betrekking op de dienstverlening, uitvoeringskwaliteit en financiën
De bepalingen ten aanzien van de kwaliteit van uitvoering en handhaving hebben betrekking op het overheidshandelen door de provincie. Ze hebben geen directe invloed op de beoogde ontwikkeling.
7.4 Bodembescherming
Hoofdstuk 7 heeft betrekking op de te volgen procedures. Deze afdeling heeft betrekking op bodemsanering.
Het aspect bodem wordt behandeld in hoofdstuk 4. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats. Daarnaast kent de locatie reeds een woonbestemming.
3.2.2.2 Conclusie Aan de regels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening NH2020 wordt, voor zover relevant in het kader van voorliggende ontwikkeling, voldaan. Voor het overige is de ontwikkeling daarmee niet in strijd.
Provinciale Woonvisie 2010 – 2020 De provincie heeft op 25 mei 2010 de woonvisie 'Goed wonen in Noord-Holland' vastgesteld. De woonvisie beschrijft drie speerpunten: 1. Afstemming vraag en aanbod; 2. Voorzieningen in de woonomgeving; 3. Duurzaamheid en transformatie.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 15
De provinciale woonvisie komt voort uit de provinciale structuurvisie (welke inmiddels is vervangen door de Omgevingsvisie). Op basis van de woonvisie wil de provincie Noord-Holland samen met de gemeenten en corporaties en andere woonpartners afspraken maken over de aantallen en het soort woningen dat moet worden gerealiseerd. Deze afspraken zijn vastgelegd in bestuurlijke overeenkomsten, in de vorm van Regionale Actieprogramma's (RAP's). De RAP's Wonen geven hiermee uitvoering aan de Provinciale Woonvisie 2010-2020 'Goed Wonen in Noord-Holland'. Voor de projectlocatie is het RAP Kop van NoordHolland van toepassing. 3.2.3.1 Relatie tot ontwikkeling Uit de woonvisie blijkt dat de realisatie van nieuwe woningen goed moet aansluiten bij de behoefte daarvan. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking zal de behoefte aan één nieuwbouwwoning worden aangetoond in Landsmeer. Uit de Provinciale Woonvisie kan worden afgeleid dat in het zuidelijk deel van de provincie de groei van de bevolking in de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen en zal blijven groeien. De bevolking is vooral in de stedelijke centra ook veel jonger dan in de rest van de provincie. De behoefte aan een nieuwe woning in Landsmeer zal verder aanbod komen binnen paragraaf 3.3 en paragraaf 3.4. 3.2.3.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de voornoemde ambities uit de Provinciale Woonvisie.
Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 Op 31 maart 2020 is de Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 vastgesteld. De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De Woonagenda bestaat uit drie delen die samen de uitvoeringsagenda voor de komende vijf jaar bevat: 1. Actieagenda 2020-2025; 2. De ambitie, doelstelling, rol en ruimtelijke uitgangspunten; 3. Speerpunten provincie en richtinggevende principes voor het woonbeleid. De actiepunten die uit deze drie onderdelen volgen zijn: a) b) c) d) e) f) g) h)
Maatwerkafspraken in regionale woonakkoorden; We bieden kennis, meedenkkracht en hulp; Versnellen woningbouwproductie; Samenwerking stimuleren; Verduurzaming wonen; Meer flexibiliteit in de woningmarkt; Stimuleren circulair bouwen; Leveren van informatie en monitoring.
3.2.4.1 Relatie tot ontwikkeling Uit de Woonagenda volgt dat de vraag leidend moet zijn bij nieuwbouwopgaven. Onderhavige ontwikkeling zorgt voor de herontwikkeling van een vrijstaande woning en versnelt daarmee niet de woningbouwproductie. Wel zal de ontwikkeling resulteren in een duurzamere woning dan in de huidige situatie, omdat de nieuwe woning dient te voldoen aan het Bouwbesluit 2012 en de BENG-eisen. 3.2.4.2 De beoogde ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de Woonagenda 2020-2025 provincie Noord-Holland.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 16
REGIONAAL BELEID Regionaal Actieprogramma Wonen 2016 t/m 2020 Het Regionaal Actieprogramma Wonen 2016 t/m 2020 Amstelland-Meerlanden, Amsterdam en ZaanstreekWaterland is in juli 2017 door de Provincie Noord-Holland goedgekeurd. In het RAP ligt de voorkeur bij woningbouw op binnenstedelijke ontwikkeling. Wordt een buitenstedelijke ontwikkeling voorbereid dan moet naast de toets aan de behoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief, worden onderbouwd dat deze redelijkerwijs niet elders binnen de marktregio wel binnenstedelijk kan worden uitgevoerd. Dit brengt de noodzaak tot regionale afstemming tussen gemeenten met zich mee. Woningzoekenden verhuizen immers tussen gemeenten en samen moeten gemeenten voldoen aan de bouw voor extra instroom van buiten de regio en demografische groei binnen de regio zelf. Met de woningbouwplannen wordt daarop ingespeeld, de gevraagde afstemming en onderbouwing voor de Ladder moet voorkomen dat teveel plannen worden ingezet op dezelfde segmenten. Ook wordt zorgvuldigheid afgedwongen bij het ontwikkelen buiten bestaand stedelijk gebied (BSG). Ruimte is immers een schaars goed. In overeenstemming met de samenhang op de woningmarkt in deze regio is de volgende indeling in marktregio’s gemaakt: •
Plannen voor de deelregio Zaanstreek-Waterland worden getoetst aan behoefte in de marktregio Zaanstreek-Waterland inclusief Amsterdam.
Voor de regio Zaanstreek-Waterland wordt de groei van de woningbehoefte in de periode 2017-2027 geraamd op ca. 61.120 woningen. Hier staat een harde plancapaciteit van 50.230 woningen tegenover, waardoor een tekort aan harde plannen van circa 10.890 woningen bestaat. Voor Zaanstreek-Waterland geldt dat: • • •
Tekorten zijn in vrijwel alle marktsegmenten; Met name tekort aan betaalbare huurwoningen en koopwoningen in het middeldure en betaalbare segment; Een iets groter aanbod stedelijke appartementen en dure huurwoningen dan vraag.
3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling Er is een grote regionale behoefte aan nieuwbouwwoningen, waaronder zich tekorten in alle marktsegmenten bevinden. De sloop en nieuwbouw van één vrijstaande woning voegt geen nieuwe woningen toe. De beoogde ontwikkeling is daarmee niet in strijd met het RAP. 3.3.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het RAP stadsregio Amsterdam.
Regiovisie Waterland 2040 In de regiovisie Waterland 2040 (januari 2009) hebben de zeven Waterlandse gemeenten (nog) in ISWverband de koers bepaald voor het ruimtelijk beleid op lange termijn. In de visie staat het behoud en de versterking van het kenmerkende authentieke karakter van de regio Waterland voorop. Om de kernen vitaal te houden en de bereikbaarheid van de regio binnen de Metropoolregio Amsterdam te waarborgen worden de noodzakelijke sociaaleconomische en infrastructurele maatregelen uitgevoerd.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 17
Waterland maakt qua woningmarkt en werkgelegenheid duidelijk deel uit van de Metropoolregio Amsterdam en de Randstad. In deze regio is nog een behoefte aan 150.000 extra woningen. In de Randstad als totaal is de geschatte behoefte 500.000 woningen over een periode van 2009 tot 2040. Waterland kan en wil zich daar niet aan onttrekken, maar kiest vanwege het waardevolle landschappelijke karakter en de mobiliteitsproblematiek niet voor grootschalige verstedelijkingsopties. Wel kiest Waterland er bewust voor als regio niet in bevolkingsaantal terug te lopen. Dat kan door een kwalitatieve impuls van ongeveer 5.000 woningen tussen 2020 en 2040. Daarmee levert de regio een bijdrage aan het vergroten van de nodige diversiteit aan woonmilieus op Randstadniveau en de vitaliteit van de eigen regio. In de Bouwstenennotitie is berekend dat met de bouw van ongeveer van 2.200 woningen de regio na 2020 qua inwoneraantal constant kan blijven. Dit acht men in Waterland een minimale opgave in ons streven naar sociaaleconomisch vitale kernen. Hierbij kiest de regio expliciet niet voor grootschalige woningbouwlocaties, maar voor bescheiden ontwikkelingen die passen in de aard en schaal van de regio.
3.3.2.1 Relatie tot ontwikkeling Met de beoogde ontwikkeling wordt een grotere woning mogelijk gemaakt dan toegestaan is op basis van het bestemmingsplan, welke tevens buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd. Daarnaast worden ook een zwembad en een poolhouse mogelijk gemaakt. De wijziging in het type woning is dan ook een kleine ontwikkeling die past in de aard en schaal van de regio. 3.3.2.2 Conclusie Onderhavige ontwikkeling is in lijn met de Regiovisie Waterland.
GEMEENTELIJK BELEID Toekomstvisie Landsmeer 2025 De gemeenteraad van Landsmeer heeft tijdens de raadsvergadering van 29 oktober 2013 de Toekomstvisie 2025 vastgesteld. In de Toekomstvisie is de keuze gemaakt om de krachten van Landsmeer verder te versterken door te werken aan de volgende drie sporen: • Spoor 1: Economie, recreatie, toerisme; • Spoor 2: Wonen en leven; • Spoor 3: Ruimte en mobiliteit. De gemeente Landsmeer richt zich op deze drie sporen, omdat zij een richting willen geven en zich willen concentreren op Landsmeer en de regio. Dit doen zij aan de hand van de bovengenoemde drie thema’s, om zo bij te dragen aan de realisatie van de toekomstvisie: “Een prachtig groen, waterrijk en vitaal Landsmeer waar de hele regio kan recreëren en ontspannen. Een Landsmeer waarin veel ruimte is voor innovatie en ondernemerschap, waar de hechte gemeenschap voor elkaar zorgt en waar het heerlijk wonen is.” Spoor 1: Economie, recreatie, toerisme Landsmeer heeft op economisch vlak veel te bieden. Er is een kleine maar vitale agrarische sector die een belangrijke functie heeft, ook in het natuurbeheer. Er zijn veel (zakelijke)dienstverleners, vaak kleinschalige bedrijfjes of ZZP’ers. Met Adriaan Goede BV heeft de gemeente ook een toonaangevend en internationaal opererend bedrijf in huis.
Ook zijn ze trots op de BVL, de bedrijvenvereniging, waar de kracht van de gemeenschap sterk in naar voren komt. De economische sector is sterk en die willen zij de komende jaren verder versterken. De gemeente zal ruimte geven om innovatieve mogelijkheden te realiseren. Kernbegrippen daarbij zijn: creativiteit en innovatie, kleinschaligheid, proeftuin, een plaats waar sectoren elkaar ontmoeten, geïnspireerd door de prachtige omgeving. En waar mogelijk zullen zij helpen, stimuleren, aanjagen of het initiatief nemen. Spoor 2: Wonen en leven De kern van dit spoor is: in 2025 wil de gemeente dat het nog steeds mooi en goed wonen en leven is in Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 18
Landsmeer. Landsmeer is een aantrekkelijke gemeenschap om in te wonen, voor jong én oud. Aan de groeiende en veranderende vraag voldoen en daar tijdig op inspelen, vergt samenwerking, innovatie en creativiteit. Hier zijn allerlei spelers bij betrokken: zorgaanbieders, professionals, woningbouwcorporaties, scholen, maatschappelijke organisaties, andere gemeenten, pensioenfondsen, culturele instellingen, verenigingen en niet in de laatste plaats: de bewoners. Gezamenlijk dragen zij allen een steentje bij aan de realisatie van deze doelstelling. Landsmeer wil meer ‘naar buiten’ bouwen, het water omarmen en de kernen in fysiek opzicht meer openen. Spoor 3: Ruimte en mobiliteit Het belangrijkste ruimtelijke aspect is het landelijke karakter met het groene en waterrijke landschap. Landsmeer zet alles op alles om dit te behouden en te borgen. Dat is een vraagstuk dat Landsmeer maar zeer beperkt alleen in de hand heeft. Mobiliteit, in de vorm van goede doorstroming met behoud van verkeersveiligheid, blijft voor Landsmeer een uitdaging. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling Onderhavige ontwikkeling daar bij aan spoor 2: wonen en leven. De realisatie van één nieuwe woning draagt bij aan mooi en goed wonen, doordat de kwaliteit van de woning toeneemt.
De nieuwe woning zorgt voor meer ruimte, een betere inpassing in de omgeving en een verlaagde CO2-uitstoot als resultaat van het Bouwbesluit en de EPC Bovendien blijft het groene en waterrijke landschap van Landsmeer behouden middels voorliggende ontwikkeling, omdat er reeds een woonhuis aanwezig was binnen het plangebied. 3.4.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de Toekomstvisie Landsmeer 2025.
Woonvisie 2016 – 2024: Goed wonen in Landsmeer Met de woonvisie Landsmeer wil de gemeente een kernachtige en toegankelijke visie voor het wonen neerleggen, die richting geeft aan de eigen activiteiten, maar ook die van eigenaar-bewoners, huurders, ontwikkelaars en woningcorporaties. Een visie die keuzes maakt, maar ook flexibel genoeg is om in te kunnen spelen op de toekomst en waar nodig bijgesteld kan worden. Wonen in Landsmeer in 7 punten: 1. Verhoging van de dynamiek op de woningmarkt (doorstroming). 2. Het behouden en waar mogelijk uitbreiden van de sociale voorraad, zodat het jaarlijks aanbod in het betaalbare segment op peil blijft. 3. Creëren van een vraaggericht woningaanbod waarin mensen zelfredzaam kunnen zijn. 4. Voldoende woningaanbod voor mensen met een psychiatrische achtergrond of lichamelijke en verstandelijke beperking. 5. Vooral bouwen op inbreidingslocaties gericht op de groene en waterrijke omgeving. 6. Realiseren van extra aanbod voor jongeren, starters, mensen met minder financiële draagkracht, ouderen en zorgbehoevenden. 7. Het realiseren van een toename van het veiligheidsgevoel onder onze inwoners. De uitleglocaties van Landsmeer zijn grotendeels benut. Nieuwe uitleglocaties zijn niet voorhanden omdat Landsmeer door de groene contouren beperkt wordt. Het groen in de gemeente zal dan ook niet verder aangetast worden door nieuwbouw.
Er wordt zo veel mogelijk gericht op inbreiding, echter zijn deze mogelijkheden eindig. Nieuwbouw dient zo veel mogelijk bij te dragen aan de doorstroming in de woningvoorraad in koop en huur. De bestaande voorraad dient vooral aangevuld te worden met gelijkvloerse (gestapelde) woningen. Naast woningen in de vrije sector streven we naar een aanvulling van de woningvoorraad met middeldure-woningen en betaalbare starterswoningen. Naast startere en jongeren richten we ons vooral op ouderen en zorgbehoevenden. Landsmeer doet hierbij een beroep op de ontwikkelende partijen (particulieren en
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 19
vastgoedbeleggers) in Landsmeer om woningen te realiseren in het middensegment. Hierin is geen taak voor de woningcorporaties weggelegd. 3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in vervangende nieuwbouw. Binnen het plangebied is momenteel een woonhuis aanwezig, dat gesloopt zal worden ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Er worden dan ook geen woningen toegevoegd binnen Landsmeer. De ontwikkeling draagt niet bij aan het ontwikkelen van woningen in het middensegment of goedkope segment. Wel zorgt de ontwikkeling van een duurdere woning voor een verhoging van de dynamiek op de woningmarkt. 3.4.2.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van één vrijstaande woning is niet in strijd met de Woonvisie 2016 – 2024: Goed wonen in Landsmeer.
Welstandsnota 2012 De gemeente Landsmeer beschikt over de Welstandsnota 2012, vastgesteld door de gemeenteraad op 30 oktober 2012. Het doel van het welstandstoezicht is een bijdrage te leveren aan de beeldkwaliteit en de aantrekkelijkheid van Landsmeer. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en de beoordeling van bouwplannen. 3.4.3.1 Relatie tot ontwikkeling In de welstandsnota zijn verschillende deelgebieden opgenomen. Het projectgebied valt binnen het deelgebied ‘Dorpsuitbreidingen Landsmeer Dorp, Noord en Oost. Hierbinnen geldt een regulier welstandsregime, hoofdzakelijk ter behoud van de bestaande basiskwaliteit van het gebied. Het gehele gebied krijgt eenheid door de heldere ruimtelijke structuur. De gebouwen bezitten een voor de betreffende tijdsperiode herkenbare en eenvoudige architectuur en het gebied heeft een groene uitstraling. Het beleid is gericht op het behoud van bestaande karakteristieken binnen de wijk. In dit gebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen te verwachten. De meeste toevoegingen of veranderingen zullen betrekking hebben op kleine bouwwerken. Speciale aandacht voor (de uitvoering van) dakopbouwen is daarbij wenselijk.
Een beleid op basis van een trendsetter zorgt voor samenhang in het ruimtelijk beeld. In paragraaf 4.1 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt een stedenbouwkundige motivering gegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 20
4
OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING / LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Er is gekozen voor een woning in de vorm van een notariswoning, met strakke vormgeving. Dit komt tot uiting in de materiaalkeuze en gevels. De gevels zijn van strak stucwerk, in een lichte kleur en de pannen zijn zwart. Door te kiezen voor deze eenlaagse notariswoning met kap, sluit deze goed aan bij de lage bungalow met plat dak links, en de eenlaagse woning met kap rechts. Op deze manier ontstaat er een mooie overgang. Verder wordt de huidige voorgevel rooilijn aangehouden en wordt er niet dieper gebouwd dan de huidige bestaande uitbouwen. Ook blijft de woning in de lijn van de woningen links en rechts. Daarnaast wordt het doorzicht rechts op de kavel naar de achtertuin behouden. Door deze opzet past het plan goed in zijn omgeving.
MOTIVERING BEHOEFTE / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: • •
Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Artikel 3.1.6 van het Bro: •
Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 21
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan elf woningen of een gebouw met een bruto vloeroppervlakte kleiner dan 500 m², die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (bron: uitspraak 201608869/1/R3, kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1724). De ontwikkeling omvat de sloop en realisatie van één vrijstaande woning en kan daarmee, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, niet worden getypeerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Ondanks dat de Ladder niet van toepassing is op het plan, dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel de behoefte aan het project gemotiveerd te worden. In het kader van uitvoerbaarheid wordt onder andere aandacht besteed aan de behoefte aan het plan. Binnen het plangebied is in de huidige situatie een vrijstaande woning aanwezig. Deze woning zal gesloopt worden, vanwege de staat waarin de woning verkeerd. De bestaande woning is namelijk behoorlijk gedateerd. In de plaats van de huidige woning zal een nieuwe vrijstaande woning worden gerealiseerd.
Het aantal woningen zal dan ook gelijk blijven, waardoor de ladder door duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het nut en de noodzaak echter wel gemotiveerd te worden. In onderhavige situatie heeft dat betrekking op de staat van de woning. Tevens zal er in de toekomstige situatie worden voldaan aan het Bouwbesluit 2012 en de EPC, waardoor de vervangende sloop en nieuwbouw bijdraagt aan de energietransitie en klimaatdoelen.
Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing.
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.
Relatie tot ontwikkeling Archeologie
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 22
De gemeente Landsmeer heeft op 28 februari 2011 de “Beleidsnota Archeologie gemeente Landsmeer” vastgesteld. De gemeente heeft in deze notitie verwoord hoe ze om wil gaan met archeologie binnen de gemeentegrenzen. Bovendien zijn in de notitie de archeologische verwachtingswaarden binnen de gemeente Landsmeer vastgesteld. Hieraan ten grondslag ligt een inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief waarin is onderzocht welke archeologische resten reeds bekend zijn en welke verwacht worden. Op basis hiervan is de gemeente verdeeld in verschillende archeologiegebieden, elk met eigen ‘spelregels’, die bepalen bij welke planomvang en diepte rekening moet worden gehouden met archeologie. De regimes zijn weergegeven op de Beleidskaart Archeologie. Wat voor de projectlocatie op basis van de Beleidskaart Archeologie geldt is ook opgenomen in het vigerende bestemmingsplan “Landsmeer Oost 2012”. Het plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Indien er grondroerende werkzaamheden plaatsvinden bij de vervanging van een bouwwerk over een oppervlakte van 500 vierkante meter of meer en op een diepte van 35 centimeter of dieper, dient er archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Het gehele perceel is 600 vierkante meter. De grondroerende werkzaamheden beslaan circa 300 vierkante meter, bestaande uit de woning, het poolhouse en het zwembad.
Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Cultuurhistorie De projectlocatie is niet aangewezen als beschermd stads- of dorpsgebied. Er is daarnaast geen sprake van een Rijks- of gemeentelijk monument.
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 23
Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Wonen - 3’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Wonen – 2’, ‘Wonen – 3’, ‘Tuin’, ‘Groen’ en één maatschappelijke bestemming. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd geen dat sprake is van gemengd gebied. Binnen het plangebied is momenteel een woning aanwezig en er zal in de toekomstige situatie ook een woning worden gerealiseerd binnen het plangebied. Daarnaast zijn er in de nabije omgeving van het plangebied geen bedrijven gesitueerd.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een verkennend bodemonderzoek met asbest uitgevoerd door onderzoeksbureau APS Milieu B.V. De rapportage d.d. mei 2018 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken.
Mees Ruimte & Milieu | 21006.02.RO
Pagina | 24
Conclusies verkennend bodemonderzoek • • • • • • •
De zandige bovengrond (MM01) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’; De kleiige ondergrond (MM02) is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, koper, cadmium en PAK. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’; De zandige ondergrond (MM03) is matig verontreinigd met zink. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’; De venige ondergrond (MM04) is matig verontreinigd met kobalt en licht met minerale olie. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘industrie’; De diepe kleiige ondergrond (MM05) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’; Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen en barium. De hypothese verdacht wordt voor de locatie bevestigd. Geconcludeerd kan worden dat de locatie licht tot matig verontreinigt is.
Conclusies asbestonderzoek. • Er is geen asbestverdacht materiaal op of in de grond aangetroffen. In VMM01 is eveneens geen asbest aangetoond; • De hypothese verdacht wordt niet bevestigd. Op basis van onderhavig verkennend bodemonderzoek asbest kan gesteld worden dat de locatie vrij is van verontreiniging met asbest. • De onderzoeksresultaten vormen een belemmering voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Op basis van onderhavig bodemonderzoek is het niet mogelijk om vast te stellen of er op de locatie sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging (>25 m3 sterk verontreinigd bodemvolume). Aanbevolen wordt een nader bodemonderzoek uit te voeren naar de ernst en omvang van de aangetroffen matige verontreinigingen met zink en kobalt in de ondergrond. Hiertoe kunnen eerst de deelmonsters van MM04 separaat onderzocht worden op kobalt en de deelmonsters van MM03 separaat onderzocht worden op zink om een beter beeld te krijgen van de ruimtelijke verdeling van de verontreinigingen. Asbestinventarisatie Door APS Milieu B.V. is tevens een asbestinventarisatie uitgevoerd. De rapportage van d.d. 29 oktober 2020 is bijgevoegd als bijlage. Op de volgende plaatsen is licht dan wel grover destructief onderzoek uitgevoerd teneinde eventuele asbest verdachte materialen zichtbaar te maken: a. Vloeren geopend, b. Wanden geopend; c. Plafonds gepend.
De conclusies en advies zijn als volgt: • Voorafgaand aan fysieke sloop dient, conform het Asbestverwijderingsbesluit 2005, het aanwezige asbesthoudend materiaal te worden verwijderd. Dit dient, in het geval van asbesthoudende materialen welke in risicoklassen 2 en 2A voor asbestsanering vallen, te worden uitgevoerd door een deskundig asbest verwijderingsbedrijf; • MvM Asbestinventarisatie adviseert om ook asbesthoudende materialen in risicoklasse 1 door een Arbo regeling gecertificeerd bedrijf te laten verwijderen; • Er is geen redelijk vermoeden dat er niet waarneembare asbesthoudende toepassingen in de woning aanwezig zijn. Derhalve is een aanvullend onderzoek in de toekomst niet noodzakelijk;.