Bijlage 1 Nota bodembeheer deelnemende gemeente ODIJ 2023 - 2023
Tekst van het document
Samenvoegen van hele kleine partijen tot 25m³ is toegestaan zonder erkenning. Het gevolg van deze samenvoeging is wel dat de bewijsmiddelen van de afzonderlijke partijen komen te vervallen. Deze partijen dienen te worden afgevoerd naar een instelling die deze onder erkenning verder kan opbulken en inkeuren. Toepassen van grond of baggerspecie onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet is het vereist dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie is aangetoond met een bewijsmiddel (milieuverklaring bodemkwaliteit). De enige uitzondering hierop is wanneer een natuurlijk persoon (particulier) maximaal 25 m3 toepast of wanneer een bedrijf voor het telen van gewassen eigen vrijgekomen landbouwgrond elders op eigen landbouwgrond toepast. Voor het melden van een toepassing onder de Omgevingswet geldt een meldplicht van 1 week. In het geval het gaat om meerdere toepassingen, is een meldingstermijn van 4 weken van toepassing. Voor de volgende gevallen geldt er geen meldingsplicht: Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3; Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden; Maximaal 50 m3 grond kwaliteit ‘Landbouw/natuur’.
Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn; Maximaal 50 m3 baggerspecie kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar: Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone); Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal; Als een activiteit vergunningplichtig is volgens hoofdstuk 3 van het Bal, dan geldt er geen meldplicht. De gegevens die een melding moet bevatten, maken in dat geval onderdeel uit van de vergunningaanvraag; Al eerder gemeld: als er al eerder een melding is gedaan voor dezelfde toepassing, hoeft een initiatiefnemer niet opnieuw te melden. Wel moet de initiatiefnemer gegevens en bescheiden per partij aanleveren volgens artikel 4.1267 Bal.
Blad 59 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Minimaal één week voor aanvang van de activiteit dient de initiatiefnemer het bevoegd gezag te voorzien van gegevens en bescheiden. De gegevens en bescheiden hoeven niet aangeleverd te worden in de volgende gevallen: Toepassing door natuurlijk persoon: particulieren tot maximaal 25 m3; Bedrijf voor telen van gewassen: toepassen op eigen landbouwgronden; Grond met kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn; Baggerspecie met kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn (met uitzondering van toepassen in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone); Baggerspecie verspreiden op de landbodem, als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a van het Bal. Milieuverklaring bodemkwaliteit moet aanwezig zijn. Op de website https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toepassen-grond-baggerspecie/toepassingsbereik-melding-gegevens/ zijn stroomdiagrammen opgenomen die de meldplicht en informatieplicht verduidelijken. Opbulken van kleine partijen grond onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet mag samenvoegen van partijen grond of baggerspecie alleen als de partijen dezelfde kwaliteitsklasse hebben. Ook gelden andere voorwaarden, waaronder een erkenningsplicht voor de organisatie. Alleen tot 25 m3 mag zonder erkenning worden samengevoegd.
Bij het samenvoegen van partijen ontstaat een nieuwe partij grond of baggerspecie. Regels voor het samenvoegen van partijen grond staan in artikel 4.1255 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie tot een partij die groter is dan 25 m3, is alleen toegestaan als deze partijen: Zijn ingedeeld in dezelfde kwaliteitsklasse Zijn gekeurd en samengevoegd op grond van BRL 9335 of BRL 7500 door een onderneming met een erkenning Op deze regels zijn de volgende uitzonderingen: Kleine partijen: het samenvoegen van kleine partijen tot 25 m3 is toegestaan zonder verplichte kwaliteitsbepaling of erkenningsplicht. Hierdoor kunnen gemeentewerven, hoveniers of andere organisaties kleine hoeveelheden grond zonder erkenning innemen en deze aanbieden aan een organisatie die wel is erkend. Samenvoegen van partijen met onbekende kwaliteit. Samenvoegen van partijen waarvan de kwaliteit niet is vastgesteld (onbekende kwaliteitsklasse) mag alleen tot maximaal 100 ton en volgens BRL 9335 of BRL 7500 door een erkende organisatie. Schone grond of baggerspecie onder erkende kwaliteitsverklaring BRL 9313 of BRL 9321.
Het is toegestaan om partijen van kwaliteitsklasse landbouw of natuur (grond) of nietverontreinigd (baggerspecie) met een erkende kwaliteitsverklaring volgens BRL 9313 of BRL 9321 samen te voegen zonder daarvoor erkend te zijn. Het gaat hierbij om: o Zand uit dynamische wingebieden (primaire winning uit zee) o Industriezand o (gebroken) industriegrind (industriële winning). Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten Omdat de algemene regels voor de omgang met kleine partijen grond grotendeels overeenkomt met het gewenste gebiedsspecifieke beleid onder het stelsel van de Wbb, worden er geen
Blad 60 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
wijzigingen aangebracht aan de algemene regels na inwerkingtreding van de Omgevingswet. De onderstaande beleidsregel is daarmee uitsluitend van toepassing onder het stelsel van de Wet bodembescherming. Oftewel: met de inwerkingtreding van de Omgevingswet gaan de deelnemende gemeenten gebruik maken van het generieke beleid.
Voor partijen met een omvang ≤50 m3 hoeft de gemeente geen melding te ontvangen van de voorgenomen toepassing. Voor partijen met een omvang >50 m3, toetst de gemeente onder bepaalde omstandigheden niet of, bij het ontvangen van de melding van toepassen van grond, een keuring is gevoegd bij de melding. De gemeente toetst dit niet in het geval er vrij grondverzet mogelijk is conform de grondstromenmatrix (zie bijlage 7). o Uitzondering: indien een partij afkomstig is uit de bodemkwaliteitszones B1/O1 en B2 of de toepassing vindt plaats op een locatie met gevoelig bodemgebruik, dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeuring waaruit blijkt dat deze voldoet aan de gestelde toepassingseis.
Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland is dit bestaand beleid. Het is gewijzigd beleid voor de gemeente Purmerend. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort.
Blad 61 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
13
Nulsituatieonderzoek In het Activiteitenbesluit (artikel 2.11) is beschreven dat een bedrijf met bodemverontreinigende activiteiten een nulsituatie-onderzoek uitvoeren voorafgaande aan de aanvang van de activiteit. Als het betreffende bedrijf haar activiteiten staakt, moet een eindsituatie-onderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van het eindsituatieonderzoek worden vergeleken met die van het nulsituatieonderzoek. Op deze manier kan worden nagegaan of de plaatsgevonden bedrijfsactiviteiten tot een verslechtering van de bodemkwaliteit hebben geleid. Het komt wel eens voor dat de nulsituatie niet is vastgelegd. Volgens het Activiteitenbesluit moeten in die situatie de resultaten van het eindsituatie-onderzoek voldoen aan de maximale waarden van de klasse Achtergrondwaarde (AW2000). De gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland staan het echter toe dat bij het niet aanwezig zijn van een nulsituatie-onderzoek de bodemkwaliteitskaart mag worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het eindsituatieonderzoek. Hierbij geldt dat de gebiedseigen bodemkwaliteit wordt bepaald aan de hand van de 80 percentielwaarde van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. Het gebruik van de P80 is in het verleden vaak gebruikt als bepaling voor gebiedseigen bodemkwaliteit. De percentielbladen en zone-indeling is te vinden in het rapport van de bodemkwaliteitskaart.
De regels voor het (gebiedsspecifiek)toepassen van grond en bagger uit deze Nota blijven onverwijld van kracht. Nulsituatieonderzoek onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het Activiteitenbesluit ingetrokken. De algemene regels met betrekking tot activiteiten zoals opgenomen in het Bal zijn vanaf dat moment van kracht. Met de ingang van de Omgevingswet wijzigt de verplichting tot het vastleggen van de nulsituatie voorafgaande aan de aanvang van een bodembedreigende activiteiten. Deze wordt niet meer verplicht gesteld m.u.v. IPPC-installaties (RIE art.22, Or artikel 7.27). Dit is beschreven in artikel 7.27 van de Omgevingsregeling. In het geval de nulsituatie niet is vastgelegd voorafgaande aan de activiteit, dienen na het beëindigen van de activiteit, de gemeten concentraties uit het eind-situatieonderzoek te worden getoetst aan de gebiedskwaliteit zoals opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Wanneer hogere waarden gemeten zijn, is formeel sprake van een verontreiniging welke is ontstaan naar aanleiding van de activiteit. Deze verontreiniging dient gesaneerd te worden tot minimaal de ontgravingskwaliteit zoals aangegeven in de bodemkwaliteitskaart. Deze sanering is tevens verplicht in het geval er (slechts) een lichte verontreiniging is ontstaan. Een initiatiefnemer behoudt de mogelijkheid om een nulsituatieonderzoek uitvoeren.
Indien wordt gekozen voor een vrijwillig nulsituatieonderzoek, wordt degene die de activiteit verricht uitsluitend verantwoordelijk beschouwd voor de eventuele toegevoegde verontreiniging. De deelnemende gemeenten vinden het onwenselijk dat, in het geval geen nulsituatieonderzoek is uitgevoerd, er gesaneerd dient te worden tot de diffuse bodemkwaliteit van het gebied. Om deze situatie te voorkomen, eist de gemeente dat, tevens na het inwerkingtreden van de Omgevingswet, voorafgaande aan de verrichting van de bodembedreigende activiteit, een nulsituatieonderzoek wordt uitgevoerd conform de normen uit de NEN5740. Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, toetst bij het ontvangen van een bodemonderzoeksrapport voorafgaande aan de start van een bodembedreigende activiteit of met het
Blad 62 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
onderzoek de nulsituatie kan worden vastgelegd. Het onderzoek wordt als nulsituatieonderzoek beschouwd en legt de nulsituatie vast indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. Het nulsituatieonderzoek is verricht conform de daartoe geldende normen uit de NEN5740; 2. Het nulsituatieonderzoek richt zich minimaal op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden dan wel zullen plaatsvinden; 3. Uiterlijk binnen drie maanden na oprichting van de inrichting, een rapport met de resultaten van het nulsituatieonderzoek ter goedkeuring toegestuurd wordt aan het bevoegd gezag; 4. Het onderzoek wordt uitgevoerd onderscheidenlijk opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. De gemeente geeft toestemming om bij het ontbreken van een nulsituatieonderzoek, na afronding van een bodembedreigende activiteit, de bodemkwaliteit af te leiden van de bodemkwaliteitskaart. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de 80 percentielwaarde (P80) van de ontgravingskwaliteit waarin de locatie is gelegen (zie statistiekbladen in de bodemkwaliteitskaart).
Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit gewijzigd beleid.
Blad 63 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
14
Vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij aanvraag omgevingsvergunning De gemeenten in regio Zaanstreek-Waterland bieden de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (bouw en bestemmingswijziging) in aangewezen gebieden onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN5740) achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op betreffende locatie. De voorwaarden hiervoor zijn: De locatie is niet gelegen in een door de provincie aangewezen beschermingsgebied (zie bijlage 8). Het ‘Vragenformulier NEN 5725’ (zie paragraaf 22.2.2 en bijlage 3) is volledig ingevuld en daaruit blijkt dat sprake is van een niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging. Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Een terreininspectie maakt onderdeel uit van het verificatieonderzoek. Bij twijfel beslist de Omgevingsdienst IJmond of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt.
Het volledig ingevulde ‘Vragenformulier NEN 5725’ moet samen met de omgevingsvergunningsaanvraag bij de gemeente waarin de locatie is gelegen en waarvoor een vergunning wordt aangevraagd, worden ingediend. De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, beoordeelt het vragenformulier en of gebruik kan worden gemaakt van de vrijstellingsregeling. Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze Nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een verdachte ophooglaag, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, bodembedreigende activiteiten, of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Situatie onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het verplicht om als bewijsmiddel van de bodemkwaliteit naast de bodemkwaliteitskaart, altijd een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 aan te leveren, zoals beschreven in de Regeling bodemkwaliteit paragraaf 4.3. Gemeenten hebben niet de mogelijkheid om van deze eis af te wijken. Het vragenformulier is zodanig opgesteld dat deze overeenkomstig is met de NEN 5725 en kan derhalve in gebruik blijven.
Beleidsregel voor de gemeenten in regio Zaanstreek-Waterland De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, verleent medewerking aan de aanvraag van een omgevingsvergunning (bouw en bestemmingswijziging) in aangewezen gebieden waarbij de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit wordt gebruikt, onder de volgende voorwaarden: De locatie is niet gelegen in een door de provincie aangewezen beschermingsgebied (zie bijlage 8 voor de beschermingsgebieden van regio Zaanstreek-Waterland); Het ‘Vragenformulier NEN 5725’ (zie bijlage 3) is volledig ingevuld en daaruit blijkt dat sprake is van een niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging. o Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen
Blad 64 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
het onderzoek en de melding van het toepassen van grond geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden. Een terreininspectie maakt onderdeel uit van het verificatieonderzoek. Bij twijfel beslist de Omgevingsdienst IJmond of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid.
Blad 65 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
15
Natuurlijk verhoogd arseen Inleiding In delen van Noord-Holland komt arseen van nature in verhoogde concentraties voor in een diepe bodemlaag, het basisveen. Van daaruit kan het terecht komen in het grondwater en zich verspreiden naar ondiepere bodemlagen. Het belangrijkste gebied waar verhoogde arseenconcentraties in de bodem of het grondwater voorkomen is een ongeveer vijf kilometer brede strook tussen Hoofddorp en Ankeveen. Maar ook in andere delen van Noord-Holland kan lokaal sprake zijn van verhoogde arseenconcentraties. Hierbij worden soms de waarden van de signaleringsparameters voor grondwaterkwaliteit uit bijlage V van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) overschreden. Geen onderzoek en sanering van natuurlijk verhoogd arseen in grondwater Het regionaal waterprogramma van de provincie biedt het kader voor eventuele maatregelen die genomen moeten worden wanneer sprake is van verhoogde arseengehalten. Ten aanzien van arseen dat van nature in de bodem voorkomt geldt dat er onder de Omgevingswet geen sprake is van noodzaak voor maatregelen ter verbetering van de grondwaterkwaliteit wanneer de signaleringsparameter wordt overschreden.
Geen gevaar verwacht voor de gezondheid bij natuurlijk verhoogd arseen De provincie Noord-Holland heeft in 2000 onderzoek laten doen door de Vrije Universiteit (VU) en de Veterinaire Inspectie (nu Voedsel en Waren Autoriteit) om de mogelijke risico’s van het natuurlijk verhoogde arseen voor mens en dier in beeld te krijgen. Hierbij is uitgegaan van een worst-case scenario. De conclusie uit dit onderzoek was dat er voor de verschillende functies van de bodem vrijwel geen problemen waren. De arseengehalten in consumptiegewassen (moestuin) vormden volgens RIVM en Veterinaire Inspectie geen direct gevaar voor de volksgezondheid. De algemene conclusie uit het onderzoek was dat beperkingen op het grondgebruik, zoals een verbod op consumptieteelt, niet nodig zijn. Voorkomen eventuele risico’s voor vee bij natuurlijk verhoogd arseen Afgeraden werd om vee te laten grazen waar de grond duidelijk verkleurd is door slibafzetting, omdat grassen op die plaatsen hogere arseenconcentraties kunnen bevatten. Daarnaast werd afgeraden om vee te drenken met slootwater, aangezien zwevend slib in dit water hoge concentraties arseen kan bevatten. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan voor deze twee situaties de bezetting met vee afraden.
Onderzoek of sprake is van natuurlijk verhoogd arseen in de bodem In de afgelopen jaren heeft ODNHN in Hoorn in een aantal bodemonderzoeken specifiek gekeken naar parameters waarmee te achterhalen is of sprake is van natuurlijk verhoogde arseengehalten. Het grondwater is daarbij geanalyseerd op arseen ter bepaling van de mate van verontreiniging. Daarnaast vonden analyses plaats op ijzer (Fe2+), sulfaat, carbonaat, fosfaat en ammonium en is de zuurgraad van het grondwater (veldmeting) bepaald. Deze parameters geven tezamen met de gegevens over de bodemopbouw (aanwezigheid veen/oer- of gley; roestvlekken), de zuurgraad, de grondwaterstanden en de arseenconcentraties een indicatie of verhoogde arseenconcentraties het gevolg zijn van natuurlijke omstandigheden.
Blad 66 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Onderzoek en sanering bij niet-natuurlijk verhoogd arseen Arseen maakt sinds enige tijd geen onderdeel meer uit van het standaard stoffenpakket voor bodemonderzoek. Alleen wanneer uit het historisch onderzoek blijkt dat er een verdenking bestaat voor de aanwezigheid van niet-natuurlijk arseen in de bodem, moet dit worden betrokken bij een bodemonderzoek (§ 5.2.2 Bal). In geval van een sanering van niet-natuurlijk arseen in de vaste bodem zijn de algemene regels voor saneren (§ 4.121 Bal) van toepassing. Wanneer de sanering van bodemverontreiniging plaatsvindt door het verwijderen van de verontreiniging (art. 4.1242 Bal) kan voor niet-natuurlijk arseen als terugsaneerwaarde de natuurlijke achtergrondconcentratie worden aangehouden. Achterwege laten van onderzoek en sanering bij natuurlijk verhoogd arseen Omdat uit het onderzoek door de Vrije Universiteit (VU) en de Veterinaire Inspectie/ Voedsel en Waren Autoriteit is gebleken dat er ten aanzien van de aanwezigheid van natuurlijk verhoogd arseen geen risico’s en/of gebruiksbeperkingen te verwachten zijn, zijn in het kader van de Omgevingswet verder onderzoek hiernaar of sanerende maatregelen niet noodzakelijk.
Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, geldt het volgende: De gemeente staat toe dat wanneer de sanering van bodemverontreiniging plaatsvindt door het verwijderen van de verontreiniging er voor niet-natuurlijke arseen een terugsaneerwaarde kan worden aangehouden van de natuurlijke achtergrondconcentratie. De gemeente staat in het kader van de Omgevingswet toe dat geen onderzoek noodzakelijk is naar natuurlijk verhoogd arseen en geen sanerende maatregelen nodig zijn voor de aanwezigheid van natuurlijk verhoogd arseen. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 67 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
16
Herschikken Inleiding Dit hoofdstuk gaat over herschikken van verontreinigde grond binnen de uitvoering van een ontgraving en een sanering. Hergebruik van sterk verontreinigde grond is onder het Bbk onder de Wet bodembescherming niet zondermeer toegestaan. Wanneer sprake is van een gebiedseigen diffuse verontreiniging, waarbij de gehalten boven de interventiewaarden liggen, maar er geen sprake is van het overschrijden van het saneringscriterium, kan de gemeente het herschikken van deze grond binnen het geval van bodemverontreiniging namelijk toestaan door hiervoor gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het herschikken binnen het saneringsgeval moet daarnaast in een saneringsplan worden beschreven. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Wet bodembescherming en bij het desbetreffende bevoegde gezag. Herschikken onder de Omgevingswet Met de komst van de Omgevingswet valt het herschikken van grond met een kwaliteitsklasse boven de interventiewaarde bodemkwaliteit onder de activiteit saneren van de bodem (paragraaf 4.121 Bal). Hergebruik van sterk verontreinigde grond is onder de Omgevingswet verder uitsluitend mogelijk voor zover de grond of baggerspecie afkomstig is van een diffuus sterk verontreinigde locatie en deze grond of baggerspecie ook weer wordt toegepast op een diffuus sterk verontreinigde locatie binnen het bodembeheergebied.
Herschikken bij saneren Voor herschikken bij een sanering is een algemene regel opgenomen in art. 4.1241 lid 5 van het Bal dat verontreinigde grond die is vrijgekomen alleen herschikt wordt op het gedeelte van de locatie waar een afdeklaag wordt aangebracht. Bij het herschikken kan een onderscheid worden gemaakt tussen situaties waarbij de verontreinigde bodem onder een afdeklaag komt te liggen en situaties waar geen sprake is van een afdeklaag. In aanvulling op artikel 4.1241, vijfde lid, Bal, geldt bij herschikken onder de afdeklaag dat in de te herschikken grond of baggerspecie geen sprake is van een mobiele verontreiniging. Voor veel situaties zijn de standaard saneringsaanpakken zoals geregeld in het Bal afdoende, maar voor een aantal situaties voldoet deze aanpak mogelijk niet. De gemeente kan voor een saneringsaanpak maatwerkregels in het omgevingsplan opnemen.
Beleidsregel beoordelingskader maatwerkvoorschrift, waarbij aanvullende eisen worden gesteld aan het herschikken bij sanering door afdekken, voor de deelnemende gemeenten Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, geldt het volgende: De gemeente stemt in met het een verzoek om maatwerkvoorschrift voor herschikking die niet plaatsvindt onder een afdeklaag op grond van artikel 4.1241, vijfde lid, Bal, onder de volgende voorwaarden: In de te herschikken grond of baggerspecie is geen sprake van een mobiele verontreiniging. Tot boven de interventiewaarden bodemkwaliteit verontreinigde grond mag binnen de interventiewaardencontour (zowel in horizontale als verticale zin) van de locatie waarop de activiteit saneren wordt verricht, worden herschikt/geconcentreerd. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid in de eindsituatie. Bij herschikken kan ook gelet worden op de kwaliteit van de onderlaag. Hierbij kunnen regels worden gesteld om te voorkomen dat vermenging met een schone onderlaag kan optreden. De gemeente houdt zich voor om ook hier maatwerkvoorschriften voor op te stellen.
Blad 68 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Voor de gemeenten, Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 69 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
17
Verhardingslagen in onderzoek bij bodemgevoelig gebouw Onderbouwing Er zijn vele typen verharding te onderscheiden, meestal onderverdeeld in open- en gesloten verharding. Een gesloten verharding is bijvoorbeeld een asfaltlaag. Deze kan wel de oorzaak van een bodemverontreiniging zijn (en als zodanig de bron), maar maakt geen onderdeel uit van de bodem of grond. Bij de open verhardingslagen is de mate van bijmenging bepalend. Wanneer er sprake is van verontreiniging op of in de verharding die zich kan verspreiden naar onderliggende bodem, geldt de zorgplicht van de Omgevingswet. Voor nieuwe verhardingslagen gelden de algemene regels in het Bal. Bij aanbrengen en verwijderen van dit materiaal zijn de regels van het Bal voor bouwstoffen van toepassing. Bij in het verleden aangebrachte verhardingslagen is niet altijd voldaan aan de eis van terugneembaarheid en heeft daadwerkelijke verwijdering niet altijd plaatsgevonden. Ook zijn er onder de Wet bodembescherming zijn geen regels opgenomen die de (humane) risico’s onderzoeken van een verhardingslaag. Aangezien een verhardingslaag vaak niet onder het begrip bodem valt, hoeft er volgens de wet geen bodemonderzoek gedaan te worden. Bij de fundering onder een verharding is door vermenging met de bodem geen eenduidige scheiding meer waarneembaar. Ook kunnen puinlagen voorkomen in de diepere ondergrond.
Uitgangspunt is dat bodemvreemd materiaal zoals puin en slakken niet als bodem worden gezien in de zin van de Omgevingswet als meer dan 50 gewichtsprocent van het materiaal uit bodemvreemd materiaal bestaat (toelichting art. 4.1230 van het Bal in het Aanvullingsbesluit bodem). Dergelijke lagen worden gezien als puin of afval. Voor de toepassing van het regime van bodemregels van het Bal is het van belang te bepalen of de bodem waarop of waarin activiteiten plaatsvinden bodem is of ander materiaal. Indien er bijmenging heeft plaatsgevonden kan er sprake zijn van bodem/grond, een afvalstof (bijv. een niet meer als zodanig functionerende en/of van de bodem eenduidig te onderscheiden verhardingslaag) of een verhardingslaag (toegepaste bouwstof). Wanneer bij de milieubelastende activiteit graven een verhardingslaag wordt aangetroffen moet worden nagegaan in hoeverre deze herbruikbaar is of afgevoerd moet worden naar een erkende verwerker. Bij bouwen van bodemgevoelige gebouwen is het van belang om via onderzoek na te gaan of verhardingslagen voor humane risico’s kunnen zorgen. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
De term gebouw is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw. Beleidsregels bij onderzoek verhardingslagen in het kader van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw Nadat de Omgevingswet inwerking is getreden, geldt het volgende:
Blad 70 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
De gemeente verleent medewerking aan de aanvraag voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw waarbij sprake is van een verhardingslaag ter plaatste van de onderzoekslocatie als het aan te leveren bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal voldoet aan alle volgende eisen: A. Indien bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal noodzakelijk is, vindt het bodemonderzoek plaats vanaf de onderkant van de verhardingslaag; B. Voor zover sprake is van een open verhardingslaag, wordt in het bodemonderzoek de eerste 0,5 meter onder de open verhardingslaag aangemerkt als bovengrond als bedoeld in een NEN 5740 bodemonderzoek en wordt deze als zodanig onderzocht op verontreiniging. De verhardingslaag wordt onderzocht op kritische parameters voor de verhardingslaag, conform de daartoe gestelde normen (NEN 5740, NEN 5897); C. Voor zover sprake is van bodemverontreiniging in de bovengrond of het grondwater, wordt onderzocht of de verhardingslaag als bron van verontreiniging moet worden aangemerkt; D. Indien het verhardingsmateriaal als bron van verontreiniging kan worden aangemerkt, bevat het bodemonderzoek informatie over de gevolgen voor de onderliggende bodem zodat kan worden beoordeeld of er onaanvaardbare gevolgen (humane en/of verspreidingsrisico’s) zijn; E. Van onaanvaardbare gevolgen als bedoeld onder D.
is sprake indien sprake is van een al dan niet blijvend sterke uitloging van het verhardingsmateriaal op grond van een uitloogproef. In deze beleidsregel wordt verstaan onder: Verhardingslaag: een laag die fysiek duidelijk is te onderscheiden van de onderliggende bodem, zonder dit fysieke onderscheid is sprake van puinhoudende bodem; Gesloten verhardingslaag: een verhardingslaag die bestaat uit materiaal met een dichte en vaste structuur en die als een werk is aangelegd op de bodem en daar geen onderdeel van uit maakt; Open verhardingslaag: een verhardingslaag zonder vaste structuur, die bestaat uit meer dan 50% volume bodemvreemd (steenachtig) materiaal en op de bodem is aangebracht om de draagkracht en berijdbaarheid van de bodem te vergroten. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 71 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
18
Maatwerk voor de saneringsaanpak De regelgeving voor bodem wijzigt met de overgang van de Wet bodembescherming naar de Omgevingswet en de bevoegd gezag-taak voor het omgaan met sterk verontreinigde bodem gaat van provincie naar gemeente. De in het verleden door de provincie gehanteerde toepassing van de Wet bodembescherming (Wbb) is dus niet meer aan de orde voor nieuwe locatie. De gemeenten maken onder de Omgevingswet hun eigen beleidsmatige keuzes binnen de kaders die de Omgevingswet stelt. Inleiding Wanneer een sanering van de bodem wordt uitgevoerd gelden de regels van § 4.121 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarbij zijn er twee standaard saneringsaanpakken: het afdekken of het verwijderen van verontreiniging. Bij beide aanpakken wordt verdere blootstelling van de mens aan de verontreiniging tegen gegaan. Voor het afdekken zijn er twee opties voor de standaard-aanpak: een duurzaam aaneengesloten verharding of het aanbrengen van een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 m. en een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 Bal. De gemeente kan in bijzondere situaties afwijkende voorschriften hanteren voor de leeflaag.
Bij de standaard saneringsaanpak door middel van het verwijderen van de verontreiniging geldt als standaard werkwijze om de grond te ontgraven totdat de stof, die boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of de lokale waarde in het omgevingsplan was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau dat gelijk is aan de waarde voor de bodemfunctieklassen ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’ waarin de bodem op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingedeeld. De saneringsdoelstelling is daarmee gekoppeld aan de functie van de bodem. Geaccepteerde saneringsvarianten zijn beschreven in www.bodemrichtlijn.nl. Daarnaast is in bijlage 1 van VKB- protocol 6002 (Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met in-situ methoden) een niet-limitatieve opsomming van in situ technieken opgenomen. De lijst met technieken is indicatief en bedoeld ter ondersteuning van de milieukundige begeleiding. De gemeente heeft de bevoegdheid om voor zijn beheergebied afwijkende waarden vast te stellen. Daarbij is het huidige provinciale bodemsaneringsbeleid (vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet) dat de kwaliteit van een leeflaag altijd tenminste van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter moet zijn. Gehalten boven de interventiewaarden voor een leeflaag worden niet geaccepteerd.
Wanneer sprake is van vluchtige verbindingen worden maatregelen genomen om te voorkomen dat er blootstelling kan plaatsvinden door uitdamping vanuit die verontreiniging naar een gebouw op een bodemgevoelige locatie. Aandachtspunten bij mobiele verontreinigingen die de grondwaterkwaliteit beïnvloeden Bij mobiele verontreiniging is de saneringsdoelstelling in eerste instantie gericht op het voorkomen van directe blootstelling aan de mens. Daarnaast kan het van belang zijn om indirecte blootstelling te voorkomen, die kan plaatsvinden door verspreiding van grondwater-verontreiniging vanuit naleverende bronnen in de vaste bodem waardoor gemeentelijke of provinciale kwaliteitsdoelstellingen voor het grondwater niet worden behaald. Een (oude) verhardingslaag kan zo’n bron van mobiele verontreiniging zijn. Met name bij grondwaterverontreiniging met een
Blad 72 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
bronzone in de vaste bodem en een pluim in het grondwater zijn zowel de gemeente als de provincie in beeld. Er zal hierover dus ook afstemming tussen decentrale overheden moeten plaatsvinden. Voor de gewenste kwaliteit van het grondwater bij een bepaalde functie geeft de Risicotoolbox Grondwater (RIVM, in prep.) de gehalten van stoffen. Voor de verspreiding van grondwaterverontreiniging kan zowel de gemeente (bij gebiedsontwikkeling) als de provincie eisen stellen. De provincie wil voorkomen dat zich onaanvaardbare verspreidingsrisico’s voordoen waardoor de grondwaterkwaliteitsdoelen uit het Regionaal Waterprogramma niet worden gehaald en kwetsbare objecten zoals drinkwaterwinningen en natuurgebieden worden bedreigd. Mocht zich zo’n situatie mogelijk voordoen dan zal in overleg door provincie met gemeente worden bepaald welke maatregelen moeten worden genomen. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan locaties aanwijzen waarbij de saneringsaanpak alleen via verwijdering kan plaatsvinden om zo de verspreiding van mobiele verontreinigingen naar het grondwater te voorkomen. Beleidsregels en beleidsregels voor maatwerkvoorschriften voor saneringsaanpak Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, geldt het volgende: Beleidsregel voor maatwerkvoorschriften leeflaag: De gemeente beoordeelt een verzoek om maatwerkvoorschrift voor sanering voor een ten opzichte van de in art.
4.1241 Bal aangegeven standaarddikte of kwaliteit van de leeflaag als volgt: De kwaliteit van een leeflaag moet altijd voldoen aan de kwaliteitsklasse zoals is aangegeven op de gebiedsspecifieke toepassingskaart. Dit betekent dat tevens moet worden voldaan aan eventuele lokale maximale waarden zoals beschreven in deze Nota; Voor het toestaan van een verzoek om af te mogen wijken van de standaarddikte van de leeflaag moeten bijzondere omstandigheden worden aangetoond, zoals bijvoorbeeld een hoge grondwaterstand; Bij overig begroeid terrein (parken, openbare groenstroken, groen op bedrijfsterreinen of wegbermen) mag de dikte minimaal 0,5 m zijn, afhankelijk van de bewortelingsdiepte. Beleidsregel voor leeflaag: De gemeente verleent medewerking aan de procedure voor het aanleggen van een leeflaag voor het afdekken van een verontreiniging indien is voldaan aan de volgende voorwaarde: In relatie tot art. 4.1242 Bal moet de leeflaag kunnen worden onderscheiden van de onderliggende bodem als sprake is van verschillende kwaliteit. Dat kan door visueel onderscheid of het aanbrengen van een signaallaag. In de regel wordt als signaallaag een geodoek of Tensar geogrid gebruikt. Een andere methode waarmee effectief wordt gewaarschuwd voor de verontreiniging onder de leeflaag is ook mogelijk, na afstemming met de gemeente.
Beleidsregel voor verwijdering verontreiniging: De gemeente verleent medewerking aan de procedure voor het verwijderen van een verontreiniging als standaard saneringsaanpak indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: Indien sprake is van een door de gemeente vastgestelde lokale maximale waarde voor de bodemkwaliteit op die locatie, verwijdering tot die waarde plaatsvindt (in afwijking van art. 4.1240 en 4.1242 Bal); Voor een stof die van nature in verhoogd gehalte in de bodem aanwezig is, vindt verwijdering van de verontreiniging plaats tot het niveau van het van nature aanwezige gehalte van die stof in de bodem op die locatie (achtergrondconcentratie).
Blad 73 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Afwijken van volledige verwijdering De gemeente verleent medewerking aan het verzoek tot maatwerkvoorschrift of initieert zelf een maatwerkvoorschrift waarin is opgenomen dat mag worden afgeweken van volledige verwijdering. Dit is mogelijk in het geval van een complexe verontreinigingssituatie waarbij een verplichte verwijdering van de verontreiniging is aangegeven, maar waarbij de beoogde saneringsdoelstelling niet wordt gehaald of alleen tegen kosten haalbaar is. De gemeente beoordeelt het verzoek om maatwerkvoorschrift voor het afwijken van de volledige verwijdering onder de volgende voorwaarden: Er sprake is van een van de volgende situaties: o De verontreiniging blijkt in de praktijk omvangrijker te zijn dan vooraf was voorzien. o Er wordt tijdens de sanering een nieuwe verontreiniging ontdekt. o De ontgraving is gestopt op de vooraf beoogde diepte met de verwachting dat de nog aanwezige restverontreiniging door middel van een in-situ-aanpak nog verwijderd wordt. In de praktijk blijkt de effectiviteit van die in-situ-aanpak echter tegen te vallen. o Door aanwezige ondergrondse infrastructuur, bebouwing of wegverharding is het erg kostbaar om alle verontreiniging weg te halen. De gevolgen van de aanwezigheid van dergelijke obstakels voor het behalen van de saneringsdoelstelling zijn vooraf niet goed onderkend.
o Het effect van (natuurlijke) reinigingsprocessen blijkt in de praktijk minder gunstig te zijn dan vooraf was berekend. De initiatiefnemer kan aantonen dat, ook al is de saneringsaanpak niet geheel uitgevoerd zoals vooraf voorgenomen, er geen onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van de mens meer aanwezig zijn in de nieuwe situatie. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 74 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
19
Meldingsplicht bij toepassen van staalslakken en grondstabilisatie Onderbouwing Staalslakken zijn een bijproduct van de productie van staal. Als gevolg van het productieproces bevatten staalslakken vrije kalk. Als staalslakken in contact komen met water, zoals hemel-, grond- en/of oppervlaktewater, dan lost de kalk op in het water. Als gevolg hiervan zal de zuurgraad (pH) van het water sterk omhoog gaan en wordt het water basisch (loog). Dit zal een negatief effect hebben op planten en dieren. Het toepassen van staalslakken en grondstabilisatie kan hierdoor mogelijkerwijs leiden tot bodemverontreiniging in grond en grondwater. Staalslakken en grondstabilisatie vallen onder de regels van het Besluit bodemkwaliteit en mogen als bouwstof worden gebruikt. Voorafgaand aan de toepassing hoeft geen goedkeuring of toestemming gegeven te worden door het bevoegd gezag Bbk. Er is geen meldplicht voor de toepassing van deze bouwstoffen waardoor een landelijke registratie van staalslakken en grondstabilisatie ontbreekt. Voor de toepassing van staalslakken en grondstabilisatie moet wel aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. Zo moeten er bijvoorbeeld maatregelen getroffen worden om te voorkomen dat staalslakken in contact komen met water. Situatie onder de Omgevingswet Het toepassen van bouwstoffen is op dit moment geregeld in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.
Deze regelingen blijven bestaan, maar een belangrijk deel van de materiële regels gaat over naar onder meer het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet is er geen meldplicht opgenomen voor het toepassen van bouwstoffen (waaronder staalslakken en grondstabilisatie). Echter mogen er door gemeenten wel (strengere) maatwerkregels worden gesteld over de toepassing van bouwstoffen. Hierdoor kunnen gemeenten beperkingen of algehele verboden invoeren op het toepassen van bouwstoffen. Gezien de huidige landelijke discussie over de mogelijke risico’s die het toepassen van staalslakken en grondstabilisatie hebben op de bodem- en/of grondwaterkwaliteit, achten de deelnemende gemeenten het wenselijk om hierover aanvullend beleid op te nemen. De deelnemende gemeenten willen verontreiniging door staalslakken en grondstabilisatie zoveel als mogelijk beperken en kiezen er daarom voor om bij inwerkingtreding van de Omgevingswet in het omgevingsplan een meldplicht met een termijn van vier weken op te nemen (middels een maatwerkregel) voor de toepassing van de bouwstoffen staalslakken en grondstabilisatie. Deze regel is pas van kracht op het moment dat deze is overgenomen in het omgevingsplan van de gemeente en is opgenomen in het DSO.
Voorstel maatwerkregel meldplicht staalslakken en grondstabilisatie Om de toepassing van staalslakken en grondstabilisatie te registreren wordt voorgesteld om het volgende in het omgevingsplan als maatwerkregel op te nemen: De initiatiefnemer meldt uiterlijk 4 weken voor de start van de toepassing dat er binnen het beheergebied van de gemeente staalslakken en/of grondstabilisatie wordt toegepast. De melding bevat: o Begrenzing van de toepassingslocatie; o Verwachte startdatum van de toepassing; o Het volume materiaal dat wordt toegepast; o Dwarsprofiel van de eindsituatie.
Blad 75 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Voorwaarde: Deze regel geldt pas op het moment dat deze is overgenomen in het definitief omgevingsplan van de gemeente en is opgenomen in het DSO. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 76 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Deel 3: Toelichting en uitleg
Blad 77 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
20
Wettelijk kader
20.1
Huidige generieke kader
20.1.1
Wet bodembescherming Hoe in Nederland de bodem en het grondwater beschermd wordt, is beschreven in de Wet bodembescherming (Wbb). Zo is in de Wbb beschreven wanneer en hoe sanering van (ernstig) verontreinigde bodem en grondwater dient te worden verricht of wanneer bijvoorbeeld voor beheer van de verontreiniging moet worden gekozen. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet. Essentieel onderdeel van de bodembescherming in Nederland is de zorgplicht, welke is beschreven in artikel 13 van de Wbb. Deze bepaling verplicht ieder die handelingen uitvoert die effect kunnen hebben op de bodem, om ervoor te zorgen dat door die handelingen de bodem niet verontreinigd raakt. Indien er een verontreiniging is ontstaan, dient de veroorzaker op grond van deze zorgplicht de verontreiniging voor zo ver als redelijkerwijs mogelijk is, ongedaan te maken. Gedeputeerde Staten zijn conform de Wbb bevoegd gezag voor alle nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. In het geval de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, is het bevoegd gezag afhankelijk van de omvang van de verontreiniging. Tot 25 m3 grond/100 m3 grondwater niet-ernstige bodemverontreiniging is de betreffende gemeente het bevoegd gezag.
Bij verontreinigingen met een grotere omvang, is de provincie het bevoegd gezag. De noodzaak voor sanering en de aard van de te nemen saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. Of een verontreiniging als spoedeisend wordt beschouwd, is afhankelijk van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. De Wet bodembescherming is daarnaast de grondslag voor een aantal besluiten en bepalingen die inhaken op het gebruik van de bodem. Voorbeeld hiervan is het voorgenoemde Besluit Uniform Saneren in het geval er sprake is van verontreinigingen in de bodem. Voor het hergebruik van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie en voor hergebruik van bouwstoffen is het Besluit bodemkwaliteit in 2008 in werking getreden. Dit besluit wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht.
20.1.2
Besluit bodemkwaliteit In juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Uitgangspunt bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie is dat deze definitief onderdeel gaan uitmaken van de bodem (een zogenoemde bodemtoepassing). Er wordt ook wel gesproken over het 'beheer van grondstromen', oftewel het op die plaats toepassen van grond (of baggerspecie) waar dit geen risico's oplevert voor enerzijds de actuele bodemkwaliteit ter plaatse (standstill-principe) en anderzijds de functie die de bodem heeft. Met de actuele bodemkwaliteit wordt de diffuse bodemkwaliteit bedoeld, ook wel achtergrondkwaliteit. Deze diffuse bodemkwaliteit is kenmerkend voor een bepaald gebied en is niet
Blad 78 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
gerelateerd aan een specifieke en herkenbare bron zoals in het geval van puntverontreinigingen. Voor deze laatste vorm van verontreinigingen is het saneringsbeleid van kracht (Wet bodembescherming voor de landbodem en de Waterwet voor de waterbodem) tot het inwerking treden van de Omgevingswet. Bij het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen is het Bbk met name gericht op het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging. In figuur 10 is de positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid aangegeven.
Figuur 10: Positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid
Relatie met saneringsbeleid In figuur 10 is aangegeven dat het Bbk niet van toepassing is op het saneren van bodemverontreinigingen. Dit is immers geregeld in de Wet bodembescherming. Echter, wanneer wordt gekozen voor functiegericht saneren, heeft het saneringsbeleid wél een koppeling met het Bbk. De in de bodemkwaliteitskaart bepaalde toepassingskaart bepaalt namelijk de concentratie tot waar minimaal dient te worden gesaneerd (de terugsaneerwaarde). Het gaat hierbij om de maximale waarden voor de functieklasse ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Indien door de gemeente lokale maximale waarden zijn vastgesteld, gelden deze als terugsaneerwaarde. Het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming zal derhalve voor de terugsaneerwaarden, maar ook voor de milieuhygiënische kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond, in eerste instantie uitgaan van de maximale waarden voor de functieklasse ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’.
Blad 79 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
20.2
Generieke kader Omgevingswet
20.2.1
Intrekken Wet bodembescherming Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Wet bodembescherming ingetrokken. Voor sommige locaties is sprake van overgangsrecht, waarbij de Wet bodembescherming nog wel van toepassing blijft. Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor bodem zorgt ervoor dat bodem en ondergrond een integraal onderdeel worden van de Omgevingswet en heeft 3 pijlers: 1. Preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting. 2. Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als het gaat om de kwaliteit van de leefomgeving, in relatie tot het gebruik hiervan. 3. Beheer historische verontreinigingen: het op een duurzame en doelmatige manier beheren van historische verontreinigingen. Elke pijler gebruikt instrumenten uit de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van de bodemkwaliteit. Zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen (BUS). Pijler 1: Preventie Na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de algemene zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet en de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 Bal voor milieubelastende activiteiten.
Deze zorgplichtbepalingen zijn van toepassing op situaties waarbij bodemverontreiniging na inwerkingtreding van de Omgevingswet is ontstaan. Artikel 13 Wet bodembescherming blijft van toepassing op situaties die tussen 1 januari 1987 en de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt. Gemeentelijke overheden mogen in het gemeentelijk omgevingsplan zorgplichten opnemen. Pijler 2: Toedeling van functies De tweede pijler gaat over bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Regels over het meenemen van bodemkwaliteit in de afweging worden via het aanvullingsbesluit bodem opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Eventuele andere regels over het meenemen van de bodemkwaliteit in afwegingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden door de gemeente opgesteld en vastgelegd in het omgevingsplan. Pijler 3: Beheer van historische verontreinigingen Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen er nog locaties ontdekt worden waar historische bodemverontreiniging aanwezig is en waar de veroorzaker vaak niet meer bekend is.
Bestaande regelingen uit de Wet bodembescherming zullen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer gelden. In de Omgevingswet is een bepaling over "toevalsvondsten" (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) opgenomen. De toevalsvondst-regeling houdt geen saneringsplicht in en ook het toetsingskader is aanzienlijk beperkter dan de Wet bodembescherming. Voortaan dient de gemeente in de omgevingsvisie en in het omgevingsplan of het omgevingsprogramma aan te geven welke eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit binnen de gemeentegrenzen. De wijze waarop met historische verontreinigingen wordt omgegaan, is bepaald voor een groot deel bepaald in het Bal. De gemeente kan hierover ook regels opnemen in het omgevingsplan.
Blad 80 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb) Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er sprake van overgangsrecht van de Wbb (hoofdstuk 3 van Aanvullingswet bodem Omgevingswet) voor wanneer er bijvoorbeeld een locatie eerder onder de Wbb is beschikt als ernstig en spoedeisend of voor locaties waar vóór de inwerkingtreding nog een (deel)saneringsplan of BUS melding is ingediend. De Wbb blijft gelden totdat het besluit tot instemming met een evaluatieverslag of een nazorgplan onherroepelijk is geworden. Ook blijft de Wbb gelden voor de maatregelen of beperkingen, die in het evaluatieverslag of in het nazorgplan staan. De locatie valt dan (gedeeltelijk) onder het bevoegd gezag van de Wbb. In sommige situaties kunnen provincies hun bevoegdheid mandateren aan gemeenten. Voor locaties waarop het overgangsrecht niet van toepassing is, gelden onder de Ow de regels uit het Bal te weten milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120) en het saneren van de bodem (paragraaf 4.121), eventueel aangevuld met maatwerkregels en/of regels die gaan over grondwaterkwaliteit uit de omgevingsverordening van de provincie.
Bevoegde gezagen Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is volgens artikel 2.3 van het Bal de gemeente bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten die met de bodem te maken hebben (zoals graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie). Voor de gemeente zijn dit voor een deel nieuwe taken aangezien onder de huidige regelgeving graven en saneren valt onder de Wet bodembescherming waarvoor de provincies en 29 grotere gemeenten het bevoegd gezag zijn.
20.2.2
Besluit bodemkwaliteit (Bbk) onder de Omgevingswet Wanneer de Omgevingswet ingaat, komen een aantal onderdelen van het Besluit bodemkwaliteit (van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) in het Bal. Dit zijn regels voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie (plaatsgebonden regels) die zijn ingebouwd in regelgeving onder de Omgevingswet. In de paragrafen 3.2.25 en 3.2.26 van het Bal zijn deze activiteiten omschreven en gedefinieerd en in paragraaf 4.123 (toepassen bouwstoffen) en 4.124 (toepassen van grond of baggerspecie) staan de betreffende regels en eisen. De andere bepalingen uit het Bbkt van vóór de Omgevingswet, de zogenaamde niet- plaatsgebonden regels, blijven – in een sterk uitgeklede versie - in het Bbk onder de Omgevingswet. Het gaat om regels die zich richten tot de producent, importeur, transporteur, handelaar van bouwstoffen en de regels die zich richten tot degene die onderzoeken verrichten en milieuverklaringen afgeven voor bouwstoffen, grond en baggerspecie). Ook blijven de regels voor de kwaliteitsborging (voorheen kwalibo-regels genoemd) in het Bbk onder de Omgevingswet.
Blad 81 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
21
Generieke toepassingseisen
21.1
Het generieke toepassingskader Wet bodembescherming Bij het op landbodem toepassen van grond en baggerspecie is het uitgangspunt dat de bodem zijn functie duurzaam kan blijven vervullen. Vandaar ook dat in het Besluit bodemkwaliteit de milieuhygiënische kwaliteit, van zowel een toe te passen partij grond (of baggerspecie) als van de ontvangende bodem, is gekoppeld aan de gebruiksfuncties van de bodem. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de functies c.q. klassen ‘Landbouw/natuur’ of ‘Overig’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Generieke toepassingskaders Het Bbk bevat landelijk geldende generieke regels voor het toepassen van grond en baggerspecie: Generieke bodemtoepassing; Grootschalige bodemtoepassing; Tijdelijke opslag; Verspreiden van baggerspecie op de kant. De generieke toetsingskaders gaan er van uit dat zowel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem als de gebruiksfunctie die de bodem vervult, moeten worden beschermd. Dit betekent dat bij het toepassen van een partij grond of baggerspecie de strengste klasse bepalend is. Zo mag bijvoorbeeld op een locatie met de gebruiksfunctie ‘Wonen’, waar de kwaliteit van de bodem in de klasse ‘Industrie’ valt, alleen grond of baggerspecie worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’.
Functionele en nuttige toepassing Het toepassen van grond en baggerspecie als bodem is alleen toegestaan indien sprake is van een functionele en nuttige toepassing zoals bedoeld in respectievelijk artikel 5 en artikel 35 van het Bbk. Hiermee wordt bedoeld dat het om een toepassing moet gaan in een hoedanigheid en hoeveelheid die nodig is voor het functioneren van de betreffende toepassing. In artikel 35 van het Besluit worden voorbeelden genoemd van wat onder een nuttige toepassing wordt verstaan. Aangezien een deel van deze toepassingen betrekking heeft op het toepassen in oppervlaktewater, zijn hieronder alleen de nuttige toepassingen weergegeven die zich binnen de regio (op landbodem) kunnen voordoen: a. Toepassing in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen. b. Toepassing in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid. c. Toepassing voor het afdekken van een saneringslocatie of als bovenafdichting voor een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier door contact met het onderliggende materiaal. d.
Toepassing in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van een oppervlaktewaterlichaam met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart. e. Toepassing in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen bedoeld in a tot en met d.
Blad 82 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
f. g. h. i.
21.2
Verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang aangrenzende percelen. Verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, uitgezonderd uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met het oog op de duurzame invulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment. Tijdelijke opslag van grond en (gerijpte) baggerspecie, bestemd voor de toepassingen bedoeld in onderdeel a tot en met e, gedurende maximaal drie jaar op landbodems of gedurende maximaal 10 jaar in een oppervlaktewaterlichaam. Tijdelijke opslag van gerijpte baggerspecie, bestemd voor toepassingen bedoeld in a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.