Bijlage 1 Nota bodembeheer deelnemende gemeente ODIJ 2023 - 2023
Tekst van het document
Blad 26 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
De bovenstaande regel is bestaand beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland en is nieuw voor de gemeente Purmerend. De regel is niet van toepassing op de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort, aangezien deze gemeenten buiten het werkgebied van het HHNK liggen.
1.7
LMW verspreiden onderhoudsbaggerspecie in veengebieden
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) schat op basis van waterbodemonderzoeken van de afgelopen jaren in dat in de veengebieden van de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland circa 27% van de jaarlijkse onderhoudsbaggerspecie (circa 13.500 m3) niet-verspreidbaar is. Deze baggerspecie moet naar een erkend verwerker worden getransporteerd. De extra kosten die hiermee zijn gemoeid worden uiteindelijk aan de bewoners van de voornoemde gemeenten doorberekend. Door het opstellen van lokale maximale waarden wil het HHNK meer onderhoudsbaggerspecie kunnen verspreiden dan onder het generieke kader van het Bbk mogelijk is. Voor de onderbouwing van de LMW zijn meerdere risicobeoordelingen uitgevoerd6. In bijlage 6 is de hoofdtekst van de onderbouwing van de LMW gegeven. Voor de volledige rapportage moet contact worden opgenomen met het HHNK. De LMW voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie worden gelijk gesteld aan de toetsnormen voor de kwaliteitsklasse 2 van de voormalige Vierde Nota waterhuishouding (zie tabel 3 verderop). Door deze lokale maximale waarden te hanteren, kan circa 12.500 m3 onderhoudsbaggerspecie van de jaarlijks ca. 13.500 m3 niet-verspreidbare onderhoudsbaggerspecie in veengebieden alsnog worden verspreid.
De oorzaak ligt in het vrijkomen van partijen bagger die hogere concentraties aan zware metalen bevatten en sinds jaar en dag al verspreid werden op de veengebieden die onderdeel uitmaken van hetzelfde watersysteem. De LMW gelden alleen voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in de veengebieden van de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland. Onderhoudsbaggerspecie die niet voldoet aan de LMW moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Met de huidige toetsingsnormen en rekenmodel ‘RisicotoolboxBodem’7 zijn voor het huidige bodemgebruik in veengebieden risico’s vastgesteld voor het duurzame gebruik van de bodem. Als bij het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie gebruik is gemaakt van het gebiedsspecifieke beleid, moeten de volgende bedrijfsvoering en gebruiksbeperkingen in acht worden genomen: De strook grond waar de bagger is verspreid, moet op een passende wijze worden afgerasterd om begrazing van vee te voorkomen; De eerste snij van het gras (3-6 maanden) moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker.
Er mag tot aan het moment dat het gras voor de eerste keer wordt gemaaid geen vee op het betreffende perceel/percelen grazen; Het eerste vee dat op de percelen met verspreide onderhoudsbaggerspecie mag grazen zijn schapen; Laat de schapen afwisselend grazen op de percelen waar de onderhoudsbaggerspecie is verspreid en op percelen waar geen baggerspecie is verspreid; Voer de schapen niet bij met runderbrok; 6
Onderbouwing gebiedsspecifiek beleid verspreiden onderhoudsbaggerspecie in veengebieden (gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland), projectcode: SOB005056, LievenseCSO Milieu B.V., 20 april 2018. 7 https://www.risicotoolboxbodem.nl/
Blad 27 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Fluoranteen Benzo(a)antraceen Chryseen Benzo(k)fluoranteen Benzo(a)pyreen Benzo(ghi)peryleen Ideno(1,2,3-cd)pyreen Minerale olie Chroom Arseen
2,6223 1,0691 1,2451 0,7753 0,9432 1,1949 0,8179 3.000 380 55
1.8
LMW poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS)
1.8.1
Toelichting PFAS is een verzamelnaam van gefluoreerde koolwaterstoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. PFAS is sinds de jaren ’50 in Nederland veel gebruikt in diverse industriële toepassingen als blusschuim, coatings (o.a. teflon), verf, kleding en cosmetica. Het heeft de eigenschappen persistent, mobiel en niet tot nauwelijks biologisch afbreekbaar te zijn. Regionaal en landelijk wordt steeds meer kennis en inzicht verkregen over PFAS en de onderliggende perfluoralkyl-verbindingen. Zo staan PFOS (perfluoroctaansulfonzuur), PFOA (perfluoroctaanzuur) en GenX op de lijst van Zeer Zorgwekkend stoffen (ZZS). Een aantal andere stoffen uit de PFAS-groep staat op de lijst van potentiële ZZS. PFAS is niet opgenomen in bestaande regelgeving, aangezien de stof “nieuw” is ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In juli van 2019 is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ‘Tijdelijk Handelingskader PFAS’ uitgebracht, waarna verschillende actualisaties zijn gepubliceerd. In de handelingskaders zijn de kaders aangegeven om hergebruik van PFAS-houdende grond te stimuleren en tegelijkertijd voldaan wordt aan zorgplicht. Tot op heden zijn de volgende handelingskaders gepubliceerd: “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d.
8 juli 2019; Geactualiseerde versie “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 29 november 2019; Geactualiseerde versie “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 2 juli 2020; “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 13 december 2021. Binnen het beheergebied zijn de volgende beleidsdocumenten opgesteld t.a.v. PFAS: Regio Zuid-Kennermerland en IJmond: o “Rapport Bodemkwaliteitskaart PFAS OD IJmond”, kenmerk 0458873.100, rev. 0.0, d.d. 20 mei 2020, door Antea Group, en revisie 1.0 d.d. 28 januari 2021; o “Notitie grondverzet Bodemkwaliteitskaart PFAS OD IJmond”, kenmerk 0458873.100, revisie 1.0 d.d. 28 januari 2021 door Antea Group; Regio Zaanstreek-Waterland: o “Bodemkwaliteitskaart PFAS-verbindingen regio Zaanstreek-Waterland”, kenmerk SOB011149, d.d. 8 april 2020, versie 1, door Lievense-WSP; o “Notitie Aanvulling bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland”, kenmerk SOB011149, d.d. 08 april 2020, door Lievense-WSP; Provincie Noord-Holland:
Blad 29 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
2
Alternatief percentage bijmengingen
2.1
Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (puin, bakstenen, plastic, piepschuim etc.) Landelijk beleidskader De Regeling bodemkwaliteit en het Besluit activiteiten leefomgeving stellen dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Voor steenachtig materiaal en hout mag tot maximaal 20 gewichtsprocent in de partij aanwezig zijn. Het gaat alleen om bodemvreemd materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was en vermenging daarmee redelijkerwijs niet kon worden voorkomen (artikel 1.2 van de Regeling Bodemkwaliteit; artikel 4.1271 van het Bal). Ander bodemvreemd materiaal, zoals plastics, piepschuim, rubber korrels, tapijtvezels en kabelschredder, mag alleen sporadisch in de ontgraven grond of baggerspecie voorkomen. Het gaat hierbij uitsluitend om bodemvreemd materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was en waarbij het redelijkerwijs niet mogelijk is deze uit de grond of baggerspecie te verwijderen. Partijen die niet voldoen aan de definitie van grond in de Regeling bodemkwaliteit worden aangemerkt als afvalstof die niet nuttig kan worden toegepast. Toepassing van dergelijke partijen is in strijd met de zorgplicht (artikel 13 Wbb, onderscheidenlijk artikel 7 Bbk).
Regionale afweging In de bodem van de deelnemende gemeenten wordt lang niet altijd 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal in de bodem aangetroffen. Veel bijmengingen hebben een negatief effect op de structuur van de grond en bagger. Om deze redenen hanteren d regiogemeenten een maximaal gehalte aan bodemvreemd materiaal, namelijk 5 gewichtsprocent. Hergebruik van grond met meer dan 5% bodemvreemd materiaal is niet toegestaan. Uitgezonderd hiervan zijn plasticachtige materialen, zoals plastic en piepschuim. Indien deze materialen als bodemvreemde bijmenging aanwezig zijn, wordt het generieke beleid gevolgd dat stelt dat deze maximaal sporadisch aanwezig mogen zijn. Concreet betekent dit het volgende: Bij het aanleveren van historische gegevens (zie deel 3 van deze Nota) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voor komen van bodemvreemd materiaal in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen; De deelnemende gemeenten stellen een maximale bijmenging van bodemvreemd materiaal vast van maximaal 5 gewichtsprocent voor steenachtige materialen zoals puin of bakstenen en hout.
Voor plastics, piepschuim of vergelijkbare materialen wordt het generieke beleid gevolgd dat stelt dat deze materialen maximaal sporadisch aanwezig mogen zijn; Als blijkt dat de toe te passen grond een bijmenging heeft van meer dan het hierboven gegeven en toegestane percentage bodemvreemd materiaal, is het niet toegestaan deze (ongezeefd) als zijnde grond toe te passen. Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civiel technisch zeven wordt volgens het stelsel van de Wet bodembescherming niet als een tussentijdse bewerking beschouwd. Onder de Omgevingswet is het “opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie”
Blad 35 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
een milieubelastende activiteit en is mogelijk conform de algemene regels in paragraaf 4.122 van het Bal; Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht; Bij twijfel of grenssituaties beslist de Omgevingsdienst IJmond (Toezicht en handhaving voor de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond); Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden vanuit de arbo-wetgeving en de zorgplicht bodem. Er dient contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst IJmond (Toezicht en handhaving voor de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland en ZuidKennemerland-IJmond). Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen.
Mogelijk is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging/ verontreiniging boven interventiewaarde bodemkwaliteit en moet het spoor van de Wet bodembescherming respectievelijk de Omgevingswet worden gevolgd; Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de Omgevingsdienst IJmond en moet het werk (tijdelijk) gestaakt worden; Omgevingsdienst IJmond heeft ten alle tijden de mogelijkheid om in het geval van risicovolle situaties het werk stil te leggen.
Toepassingseis bodemvreemde bijmengingen Binnen het gehele beheergebied, voor alle bodemfuncties, geldt de volgende toepassingseis: de toe te passen grond of baggerspecie mag maximaal 5 gewichtsprocent bodemvreemde bijmengingen bevatten indien de bijmenging bestaat uit steenachtig materiaal en/of hout. Indien er sprake is van bijmenging met materialen als plastics (PVC, LDPE, HDPE, e.d.), piepschuim of vergelijkbaar materiaal, geldt het generieke beleid dat stelt dat deze materialen maximaal sporadisch voorkomen. Deze eisen zijn ook van toepassing op grootschalige bodemtoepassingen. Het kan voorkomen dat in specifieke gevallen een nog strengere norm noodzakelijk is. In specifieke gevallen kan door de gemeente een aangepaste norm worden beschreven in de onderliggende contractstukken zoals een bestek. Ook kan de gemeente hiertoe een maatwerkvoorschrift uitschrijven. De bovenstaande regel is grotendeels bestaand beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Purmerend Oostzaan, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort.
Blad 36 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
3
Erkenning bodemkwaliteitskaarten Met deze Nota wordt het bodembeheergebied voor het grondstromenbeleid van de regio vastgesteld als zijnde het gemeentelijke grondgebied van de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond. Het gaat hierbij om de gemeenten zoals genoemd in tabel 1 van deze Nota. De vigerende bodemkwaliteitskaarten van de deelnemende gemeenten in het beheergebied (zie tabel 1) worden door alle deelnemende gemeenten geaccepteerd als bewijsmiddel voor het aantonen van de bodemkwaliteit van een te ontgraven partij. De deelnemende gemeenten accepteren ook de bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Haarlem en Purmerend. Deze bodemkwaliteitskaart mag gebruikt worden als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit van de toe te passen. De voorwaarden waaronder de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als grondslag om deze als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit te gebruiken staan in de Regeling bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart is in alle gevallen uitsluitend een erkend bewijsmiddel als deze gepaard gaat met een historisch vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725. Zie voor meer informatie hierover hoofdstuk 22 in deel 3 van deze Nota. De bodemkwaliteitskaart van Tata-Steel wordt uitgesloten als wettig bewijsmiddel gezien de specifieke verontreinigingsproblematiek.
In hoofdstuk 22, paragraaf 22.3.5 is beschreven onder welke voorwaarden bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten kunnen worden toegestaan als onderdeel van het bewijsmiddel bodemkwaliteit.
Blad 37 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Deel 2: Beleidsregels bodem
Blad 38 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
4
Verspreiden van baggerspecie uit (boezem)systemen De kwaliteit van de baggerspecie uit boezemsystemen is doorgaans van een wat slechtere kwaliteit dan de baggerspecie van oppervlaktewaterlichamen in het buitengebied. Voorafgaand aan het verspreiden van baggerspecie vanuit de boezemwatergang wordt altijd een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 uitgevoerd. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten én de bijmenging van bodemvreemd materiaal mag de baggerspecie op aangrenzende percelen worden verspreid. Huidige beleidskader Op grond van artikel 60 van het Besluit bodemkwaliteit hoeft de kade, een teensloot en/ of een onderhouds- of fietspad als perceel niet gerekend te worden tot het aangrenzende perceel. Met andere woorden: dergelijke smalle grondstroken mogen worden ‘overgeslagen’. Bij de invulling van het begrip ‘pad’ wordt gehanteerd: een voetpad, een fietspad, een onderhoudspad of een gemeentelijke- of Waterschapsweg bestaande uit één rijstrook. Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen, bestaande uit meer dan één rijstrook maken geen deel uit van de invulling van het begrip pad. Verspreidbare baggerspecie uit een boezemwatergang kan volgens deze Nota bodembeheer alleen worden verspreid op een perceel in een naastgelegen polder (met een ander watersysteem) dat direct grenst aan de betreffende boezem. In figuur 7 is dit schematisch verduidelijkt en weergegeven.
Figuur 7: schematische weergave van definitie van een aangrenzend perceel en mogelijkheden voor het verspreiden van baggerspecie
Omgevingswet In artikel 4.1278 van het Bal staan de specifieke kwaliteitseisen vermeld voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem. Met betrekking tot de verspreidingsmogelijkheden van baggerspecie verandert het volgende: met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is verspreiding van baggerspecie over het aangrenzende perceel of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie vandaan komt, aangewezen als een functionele toepassing. Dit omdat de toepassing tot doel heeft om de bodemgesteldheid te herstellen of verbeteren op basis van artikel 4.1269, derde lid van het Bal. Daarnaast valt ook het verspreiden van
Blad 39 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
baggerspecie in een weilanddepot met een maximale afstand van 10 kilometer onder het verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel. Artikel 60 uit het Besluit bodemkwaliteit vervalt in het nieuwe Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet en maakt geen onderdeel uit van het Bal. Gebiedsspecifieke afweging Met het inwerkingtreden van de Omgevingswet zullen de mogelijkheden voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie worden verruimd. De interpretatie van de term ‘aangrenzend perceel’ wordt namelijk opgerekt tot zowel direct aangrenzende percelen als landbouwgronden die tot 10 km afstand liggen van de herkomstlocatie van de baggerspecie. In het beleidskader van de Wet bodembescherming en Besluit bodemkwaliteit zijn de verspreidingsmogelijkheden relatief beperkt. Om de afzetmogelijkheden van vrijkomende onderhoudsbaggerspecie uit de regio Zaanstreek-Waterland te vergroten, hanteren de gemeente Waterland te volgende invulling van het begrip ‘aangrenzend perceel’: als aangrenzend perceel worden de landbouwgronden in hetzelfde watersysteem beschouwd. Ter indicatie van het bovenstaande is in figuur 8 op de volgende pagina door middel van een drietal schetsen het principe van de combinatie bodemkwaliteitszones en watersystemen en de invulling van het begrip aangrenzend perceel schematisch weergegeven: Figuur 8.1 betreft een schets van de fictieve situatie.
Figuur 8.2 betreft een overzicht van de aanwezige watersystemen in de schematische weergave. In principe worden drie watersystemen onderscheiden: het boezemsysteem, polder I en polder II. Figuur 8.3 geeft een overzicht van de opslagmogelijkheden in het aangegeven weilanddepot voor baggerspecie vanuit de boezem, polder I en polder II.
Figuur 8.1: Situatieschets
Figuur 8.2: Situatie watersystemen
Blad 40 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Figuur 8.3: Opslagmogelijkheden weilanddepots
Beleidsregel voor gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland De onderstaande beleidsregel is uitsluitend van toepassing onder het stelsel van de Wet bodembescherming. Oftewel: deze regel vervalt op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt. De gemeente verleent medewerking aan de melding voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie binnen hetzelfde watersysteem indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: Van de te verspreiden baggerspecie is een waterbodemonderzoek conform NEN 5720 uitgevoerd en toegevoegd aan de melding; De toe te verspreiden baggerspecie voldoet aan de eisen voor de voorgenomen verspreiding op de landbodem. Dit blijkt uit het geleverde waterbodemonderzoek; Indien is voldaan aan de bovenstaande eisen, kan de te verspreiden baggerspecie uit een boezemwatergang worden verspreid op een aangrenzend perceel. Een perceel binnen hetzelfde watersysteem wordt beschouwd als een aangrenzend perceel. Dit is in figuur 8 nader verduidelijkt. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet, zullen voor het verspreiden van baggerspecie en de interpretatie van de term ‘aangrenzend perceel’ de algemene regels uit het Bal worden gevolgd. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. Het is nieuw beleid voor de gemeente Purmerend.
Blad 41 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
5
Uitzonderingsregel bij opslag van grond In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader, en dus wanneer: De betreffende partij grond van een locatie afkomstig is van buiten het bodembeheergebied; De betreffende partij grond afkomstig is van buiten het beheergebied en waarvan de gemeente waarin de opslag plaatsvindt de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; Het baggerspecie betreft. In sommige bovengrondzones leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mogen worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen.
Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/gerijpte baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Om deze discrepantie onder het stelsel van de Wet bodembescherming te verhelpen staat de gemeente toe dat partijen grond die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen op een bepaalde locatie binnen de gemeente mogen worden toepast, eveneens, voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk in opslag mogen worden genomen. Deze tijdelijke opslag mag maximaal 3 jaar duren. Tijdelijke opslag onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de bovengenoemde eis aan de kwaliteit van de partij die tijdelijk wordt opgeslagen, losgelaten. In het Bal komt voor de milieubelastende activiteit opslaan van grond of baggerspecie de toets aan de ontvangende bodem niet meer terug. De algemene regels voor het opslaan van grond en baggerspecie zijn opgenomen in paragraaf 4.122 van het Bal. Beleidsregel voor gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland De onderstaande beleidsregel is uitsluitend van toepassing onder het stelsel van de Wet bodembescherming. Oftewel: de regel vervalt op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt.
De gemeente verleent medewerking aan de melding van opslag van een partij onder de volgende voorwaarden: De partij grond is afkomstig uit het bodembeheergebied; De kwaliteit van de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Hiertoe is een erkend bewijsmiddel gevoegd bij de melding; De partij wordt na de tijdelijke opslag toegepast op dezelfde locatie. De tijdelijke opslag heeft een maximale duur van 3 jaar. Voor partijen die niet voldoen aan de bovenstaande eisen wordt het generieke beleid voor opslag van partijen gevolgd.
Blad 42 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
De bovenstaande regel is een voorzetting van het beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort.
Blad 43 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
6
Uitzonderingsregel bij tijdelijke uitname Situatie en huidige beleidskader Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Bbk is tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit het vooronderzoek) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: Er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; Er geen tussentijdse bewerking plaatsvindt; De grond onder dezelfde condities weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Daarbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit de ondergrond, met als consequentie dat de grond geroerd in de sleuf wordt teruggebracht.
Dit is met onderstaande figuur geïllustreerd.
Figuur 9: werkzaamheden aan kabels en leidingen
Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Omgevingswet Onder de Omgevingswet valt tijdelijke uitname onder de milieubelastende activiteiten ‘graven in de bodem boven dan wel beneden interventiewaarde’. Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem. In dat geval gelden niet de regels voor het toepassen van grond en baggerspecie, maar alleen de regels voor deze activiteit. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal; Het terugplaatsen vindt plaats op of nabij het ontgravingsprofiel. De aanduiding ‘op of nabij’ geeft aan dat er enige speelruimte is, waarbij de afbakening van geval tot geval kan verschillen; Er is geen sprake van bodemverontreiniging boven de interventiewaarde;
Blad 44 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Het terugplaatsen vindt plaats op de ontgravingslocatie en onder dezelfde omstandigheden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van terugplaatsen “onder dezelfde omstandigheden” als grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd). Of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag). Gebiedsspecifieke afweging Vanwege de voornoemde knelpunten bij tijdelijke uitname van grond, verruimen de gemeenten in de deelnemende gemeenten voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op niet-verdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven.
De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst; Er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; Er geen tussentijdse bewerking plaatsvindt, met uitzondering van de uitzeven van bodemvreemd materiaal dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet mogelijk is conform de algemene regels in het Bal; Als grond na ontgraving niet op dezelfde locatie kan worden teruggeplaatst, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen als bodemkwaliteitsklasse. Consequentie van de bovenstaande werkwijze is dat de bodem ter plaatse van bijvoorbeeld leidingtracés geroerd raakt en daarmee mogelijk lokaal verslechtert. Door de Omgevingsdienst IJmond is derhalve nagegaan wat hiervan de milieurisico's zijn. Op basis van de gegevens kan worden geconcludeerd dat in een aantal zones binnen het beheergebied een verslechtering van de bodemkwaliteit in de ondergrond kan optreden. Dit wordt echter geaccepteerd omdat sprake is van verwaarloosbare risico's. Opgemerkt wordt dat naar verwachting de grond ter plaatse van onder andere leidingtracés in het verleden reeds vermengd is geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering).
Anderzijds zijn de kabelgoten destijds mogelijk zijn aangevuld met schone grond. Uitzonderingssituatie regio’s met diffuse bodemverontreiniging Uitgezonderd van het bovenstaande beleid is tijdelijke uitname van grond in zones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’. In deze zones zijn relatief hoge gehalten aan meerdere stoffen vastgesteld. Als er gewerkt wordt met een gesloten grondbalans, moet voorafgaand aan de graafwerkzaamheden in deze zones ten minste een partijkeuring plaatsvinden. Als de interventiewaarde wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming onderscheidenlijk de Omgevingswet worden gevolgd. Als uit het indicatieve onderzoek blijkt dat de interventiewaarde niet wordt overschreden, mag alsnog de grond worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Als niet wordt gewerkt met een gesloten grondbalans, moet voorafgaand aan de werkzaamheden in deze zones een indicatief onderzoek plaatsvinden (zie § 22.3.4). Als de interventiewaarde wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming, onderscheidenlijk de Omgevingswet worden gevolgd. Als uit het onderzoek blijkt dat de interventiewaarde niet wordt overschreden, mag alsnog de grond die op het werk blijft worden geroerd en hoeft
Blad 45 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De grond die niet op het werk blijft, moet, voorafgaand aan een nuttige toepassing elders, worden gekeurd of worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten De deelnemende gemeenten zullen niet strikt handhaven op het gescheiden en separaat terugplaatsen van de boven- en ondergrond bij tijdelijk uitname binnen de bebouwde kom. De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, staat toe dat onder de volgende voorwaarden nietgescheiden wordt ontgraven en teruggeplaatst bij tijdelijke uitname: 1. De werkzaamheden worden verricht in het kader van werkzaamheden aan kabels- en/of leidingen of aan groenvoorzieningen. Hieronder vallen tevens werkzaamheden aan het riool; 2. De werkzaamheden bevinden zich niet binnen de bodemkwaliteitszones zones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’; 3. Uitsluitend grond uit het traject maaiveld tot onderzijde van het onderste dieptetraject zoals op de ontgravingskaart in de vigerende bodemkwaliteitskaart is aangegeven, mag geroerd worden teruggeplaatst in de sleuf; 4. Bij het terugplaatsen van uitgekomen grond, dient altijd de zorgplicht in acht te worden genomen. Bij tijdelijke uitname in de zones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O2.
Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’, moet voorafgaand aan graafwerkzaamheden minimaal geval een indicatief onderzoek plaatsvinden, zie ook paragraaf 22.3.4. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland is dit bestaand beleid. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort.
Blad 46 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
7
Toepassen van thermisch gereinigde grond Onderbouwing De deelnemende gemeenten hebben tot doel gesteld hergebruik van grond zoveel mogelijk te stimuleren zonder daarmee de duurzame eigenschappen van de bodem te belemmeren. Het toepassen van gereinigde grond past binnen dit kader. Door het toestaan van thermisch gereinigde grond (TGG) op vooraf geselecteerde locaties wordt op een duurzame en verantwoorde manier omgegaan met grondstromen. Op dit moment speelt er een landelijke discussie en zijn er onderzoeken gaande betreffende de bijzondere eigenschappen van TGG. In het recente verleden zijn milieuproblemen ontstaan bij toepassing van TGG. Voorbeelden van voorgaande grootschalige toepassingen waar de toepassing van TGG tot ophef heeft geleid zijn de Westdijk in Bunschoten en een zeedijk in de Perkpolder in Zeeland. Er zijn dan ook aanwijzingen dat in het huidige wettelijke kader voor het toepassen van grond, onvoldoende rekening wordt gehouden met deze eigenschappen van TGG, zoals bijvoorbeeld het uitlooggedrag. Met het verhitten van verontreinigde grond zouden de verontreinigen verwijderd worden en kan de grond veilig en duurzaam worden toegepast. Het RIVM erkent echter dat in de praktijk problemen ontstaan waarbij zware metalen en zouten in het gronden oppervlaktewater terecht kunnen komen die op hun beurt weer het ecosysteem verstoren11.
Eigenschappen TGG In TGG zijn (ondanks de hoge verbrandingstemperatuur) bepaalde organische verontreinigingen in verhoogde concentraties aangetroffen en was er sprake van uitloging van zware metalen en zouten naar het grondwater en het naastgelegen oppervlaktewater. TGG heeft andere eigenschappen dan ‘natuurlijke’ grond die bij ontgravingen vrijkomt vanwege het reinigingsproces die de grond heeft ondergaan. Zo heeft TGG een hoge pH (pH ≈9-11,5) en zijn organische stof en bodemorganismen afwezig. Het toepassen van TGG blijkt door deze eigenschappen niet onder alle omstandigheden probleemloos en duurzaam te kunnen verlopen, aldus het RIVM in haar rapport over de toepassing van thermisch gereinigde grond11. Het RIVM concludeert onder meer dat het huidige toetsingskader niet of onvoldoende toereikend is voor het bepalen van de uitloging van metalen en zouten in TGG. De staatssecretaris geeft aan de wetgeving op dit punt aan te gaan passen. Tevens is onlangs gestart met de herziening van de beoordelingsrichtlijn voor het bewerken en reinigen van grond11. Het RIVM geeft verder aan dat voor zouten (chloride, sulfaat en bromide) in de regelgeving voor grootschalige bodemtoepassingen (GBT) geen nadere eisen worden gesteld waardoor deze stoffen niet worden getoetst.
In gebieden met zoet grond- en oppervlaktewater kunnen hierdoor schadelijke effecten optreden voor plant en dier omdat deze van nature niet gewend zijn aan de hoge zoutgehaltes. Daarom heeft het Ministerie van IenW inmiddels besloten dat oude partijen TGG vanwege de uitloging van zouten alleen nog in gebieden met brak grondwater mogen worden toegepast12. De grondreinigers leveren hierover nu op grond van de zorgplicht de benodigde informatie aan bij afnemers. Tevens geven de reinigers aan dat de nieuw geproduceerde TGG aan hogere kwaliteitseisen voldoet. In hoeverre deze nieuw geproduceerde TGG ook zonder schadelijke effecten in gebieden met zoet grond- en oppervlaktewater toepasbaar is, is vooralsnog onvoldoende duidelijk. Toepassingsmogelijkheden 11
Kamerbrief 4-11-2021 (IenW/BSK-2021/287238) en Rapport RIVM (2021): Toepassing van thermisch gereinigde grond. Een evaluatie en opties voor een toepassingskader (rivm.nl) 12 Kamerbrief 14-04-2020 (RWS-2020/24717)
Blad 47 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Over het algemeen kan gereinigde grond nuttig worden toegepast in werken zoals geluidswallen, wegenbouw, verwerking in de beton- en asfaltindustrie of als afdeklaag op stortplaatsen. Om hergebruik van gereinigde grond verder te bevorderen mag gereinigde grond met de maximale kwaliteitsklasse ‘Industrie’ worden toegepast. Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond de wettelijke zorgplicht bodem (art. 13 Wbb) en de zorgplicht oppervlaktewater (art. 7 Bbk) dan wel de specifieke zorgplicht van de Omgevingswet (artikel 2.11 Bal) in acht worden genomen. In de Kamerbrief en het rapport van het RIVM11 wordt aangegeven dat het bestaande normeringskader voor TGG niet voldoet en ook dat aanpassingen in het toepassingskader en kwaliteitsverbetering van het product noodzakelijk zijn. Hiermee valt de toepassing van TGG onder de zorgplicht. Dit betekent dat toepassing van TGG niet mag leiden tot kwaliteitsvermindering van onderliggende bodem, grondwater en oppervlaktewater. Gemeenten zijn bevoegd voor handhaving van de zorgplicht oppervlaktewater en voor handhaving van de zorgplicht bodem bij toepassing van TGG binnen hun beheergebied.
In afwachting van aanpassingen binnen het bestaande normeringskader, aanpassingen in het toepassingskader en kwaliteitsverbetering van TGG, stellen de deelnemende gemeenten vanuit bovengenoemde zorgplicht een beleidsregel vast waarin zij aangeven onder welke voorwaarden zij toepassing van TGG in lijn met de zorgplicht achten. Het omgaan met de zorgplicht bij toepassing van TGG is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de toepasser en is maatwerk waarbij afstemming tussen de initiatiefnemer, bevoegd gezag landbodem en in voorkomende gevallen waterkwaliteitsbeheerder een belangrijk element is. De invulling van de zorgplicht is en blijft een verantwoordelijkheid die primair bij de toepasser ligt. Beleidsregel De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, veronderstelt dat in overeenstemming met de zorgplicht bodem uit de Wet bodembescherming, (art. 13 Wbb) de zorgplicht oppervlaktewater uit het Besluit, (art. 7 Bbk) dan wel de specifieke zorgplicht van de Omgevingswet (artikel 2.11 Bal) wordt gehandeld indien bij toepassing van thermisch gereinigde grond (TGG) binnen haar grondgebied tenminste de onderstaande maatregelen in acht worden genomen: Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met de gemeente of de daartoe aangewezen instantie (OD IJmond) over de voorgenomen toepassing.
De gemeente/OD IJmond zal de toepasser vragen om de uitwerking van de voorgenomen toepassing vast te leggen in een plan van aanpak dat aan ter goedkeuring wordt voorgelegd. Daarbij zal er afstemming tussen toepasser en de OD IJmond en tussen OD IJmond en gemeente – en afhankelijk van de toepassingslocatie: het waterschap - plaatsvinden. Dat zal dan met name gaan om toestemming van de eigenaar en eventueel de toekomstige eigenaar voor de toepassing, vastlegging van het eigenaarschap in de beheerfase, nadere uitwerking van de zorgplicht-aspecten, borging van de drooglegging (zetting). Het plan van aanpak met een advies van de OD IJmond zal worden voorgelegd aan de gemeente. De gemeente heeft daarbij altijd de mogelijkheid om een toepassing te weigeren als aantoonbaar niet aan zorgplicht wordt voldaan; De toepassing voldoet aan de zorgplicht. Bij de keuring van de TGG wordt de onderzoeksopzet en het uitgebreidere stoffenpakket gehanteerd uit de ‘Onderzoeksrichtlijn thermisch gereinigde grond in het kader van de zorgplicht’ die is opgesteld door de DCMR milieudienst Rijnmond13. Het verplicht bepalen van de maximale emissie zoals vermeld in de Kamerbrief11 maakt onderdeel uit van deze richtlijn.
13
Onderzoeksrichtlijn thermisch gereinigde grond TGG in het kader van zorgplicht, DCMR Milieudienst Rijnmond, geen kenmerk, geen datum
Blad 48 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid.
Blad 49 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
8
Aanpak van de Japanse duizendknoop en knolcyperus Invasieve exoten zijn zowel planten als dieren, die vanuit het buitenland naar Nederland zijn gekomen door menselijk handelen. Door afwezigheid van natuurlijke vijanden, kunnen ze razendsnel groeien en verspreiden. In Nederland geldt vanaf 1 januari 2022 een nationaal verkoopverbod voor Japanse duizendknoop. Doel van de maatregel is het beperken van nieuwe introducties en verspreiding in het milieu als gevolg van handel. Het handelsverbod op de Japanse duizendknoop geldt ook voor het transport van grond waarin zich duizendknoopresten bevinden. De knolcyperus is nog niet opgenomen op de zogenaamde Unie-lijst (EU-exotenverordening 1143/2014). Gevolg is dat er geen landelijk beleid is opgesteld voor het bezit, handel, kweek, transport en import van de knolcyperus. Japanse duizendknoop Door de zeer krachtige groei van met name de wortels van de Japanse duizendknoop treedt schade op in zowel natuurgebieden (verdrukking inheemse flora) en het stedelijk gebied (schade aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen). De plant is namelijk zeer sterk in vegetatieve vermeerdering: losgekomen plantdelen zoals de stengels en de wortels lopen eenvoudig uit wanneer deze in contact komen met grond en vormen een nieuwe plant.
Er zijn meerdere soorten Aziatische duizendknopen, welke in dit document aangeduid worden als Japanse duizendknoop. Zoals hierboven vermeld is er nog geen Europees handelsverbod voor de Japanse duizendknoop. Vooruitlopend op een mogelijk Europees handelsverbod geldt in Nederland vanaf 1 januari 2022 een nationaal verkoopverbod voor de Japanse duizendknoop14. Doel van de maatregel is het beperken van nieuwe introducties en verspreiding in het milieu als gevolg van handel. Het verbod heeft betrekking op drie soorten; Japanse duizendknoop (Fallopia japonica inclusief Fallopia japonica var. compacta), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis) en bastaardduizendknoop (Fallopia x bohemica). Het handelsverbod op Japanse duizendknoop geldt ook voor besmette grond. Het thema aanpak en beheer van de Japanse duizendknoop wordt binnen de deelnemende gemeenten vormgegeven door het hanteren van het Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen (Aequator Groen & Ruimte, Stichting Probos & Geofoxx milieuexpertise, 2019). In de volgende alinea’s zijn de belangrijkste aspecten van dit protocol opgenomen en wordt aangegeven wat de verplichtingen zijn voor de initiatiefnemer/aannemer. De bodemafdeling van de gemeente draagt zorg over het volgen van voorgenoemd protocol.
Instructies werkzaamheden bij Japanse duizendknoop Verspreiding van de Japanse duizendknoop kan voorkomen worden door maatregelen te nemen tijdens (onderhouds-)werkzaamheden op en nabij groeilocaties. Door het herkennen van de Japanse duizendknoop kan een groot deel van de verspreiding voorkomen worden. Indien nieuwe groeiplaatsen worden ontdekt bij werkzaamheden dient dit gemeld te worden bij de gemeente. Bij uitvoering van maaiwerkzaamheden of bij andere (grond)werkzaamheden op groeizones, dienen de uitvoerenden de duizendknoop te kunnen herkennen in het veld, bijvoorbeeld door 14
Staatsblad 2021, 381 | Overheid.nl: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-381.html
Blad 50 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
middel van paaltjes. Bij het aantreffen van nieuwe groeilocaties of tijdens (onderhouds-) werkzaamheden kunnen groeiplaatsen in het veld ook tijdelijk gemarkeerd worden door middel van piketpaaltjes, afzetlint of bouwhekken. In dat geval wordt de groeizone achteraf (wederom) met gele paaltjes door de gemeente gemarkeerd. Bij het maaien van groeizones dient het maaisel zeer zorgvuldig te worden verzameld, afgedekt en afgevoerd naar een Erkende Verwerker Invasieve Exoten (zie het register op www.bvor.nl/invasieve-exoten). Na afloop van (maai)werkzaamheden op een groeizone, dient al het materieel (machines, gereedschappen, kleding, etc.) zorgvuldig op locatie schoongeborsteld te worden. Gebruik voor het maaien van duizendknoop bij voorkeur een maai-zuigcombinatie. Een maaibalk met directe afvang, een bosmaaier met zaagblad en handmatig maaien met een zeis zijn ook toegestaan. Klepelen is ongeschikt en niet toegestaan omdat hierbij versnippering optreedt. Grond waarin de Japanse duizendknoop aanwezig is en grond binnen een bufferzone van 2 meter rondom de groeizone, wordt in principe niet verplaatst om zo verspreiding te voorkomen.
Indien deze grond toch verplaatst moet worden, dan is dit uitsluitend mogelijk onder de volgende voorwaarden: Grond ter plaatse van de groeizone van de Japanse duizendknoop én binnen 2 meter rondom de groeizone wordt zorgvuldig verplaatst naar een apart ingericht depot; Het depot wordt van het maaiveld gescheiden door middel van geotextiel; Het depot wordt aan het eind van de dag overdekt met geotextiel om verwaaiing te voorkomen. Het verwerken van de grond is niet toegestaan bij harde wind (Beaufort 7 of hoger); Het depot wordt duidelijk gemarkeerd; Betrokken machines worden bij verlaten van de groeizone/depot op de groeizone of boven het depot schoongeborsteld. Verspreiding van plantenresten moet worden voorkomen. De gemeente ziet toe op het verbod op handel en transport van de Japanse duizendknoop en partijen grond of baggerspecie die zijn besmet met Japanse duizendknoop. Behandelmethodes Bij de aanpak van de Japanse duizendknoop worden verschillende methoden en technieken gebruikt. In de afgelopen jaren zijn meerdere methodes ontwikkeld en meer of minder effectief gebleken. De ervaring tot nu toe leert dat methoden combineren beter lijkt te werken dan methodes separaat uitvoeren. En het gaat er met name om dat het wortelpakket verzwakt wordt. De aanpak van de duizendknoop is maatwerk, elke locatie is verschillend.
Belangrijk bij de keuze voor de bestrijdingsmaatregelen is het moment in het jaar, omdat bepaalde technieken afhankelijk zijn van de groeifase van de plant. Om deze reden wordt overleg met een gebiedsbeheerder en ecoloog sterk aanbevolen. Daarnaast is monitoring en nazorg een essentieel onderdeel van elke effectieve behandeling.
Blad 51 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Effectieve behandelmethodes kunnen zijn: Maaien en direct en zorgvuldig afvoeren. Maaien om uit te roeien is alleen effectief bij zeer hoge toepassingsfrequentie (minimaal 1x/maand). Bij een maaifrequentie van 1x/maand gedurende het hele groeiseizoen kan het 3 tot 5 jaar of langer duren voordat de populatie uitgeput is. Afgraven bij beginnende jonge haarden is een effectieve strategie. Afgraven, zeven en daarna handmatig bijhouden is een werkbare methode. Hoe diep er afgegraven wordt, is maatwerk per locatie. Houdt ook rekening met het afgraven van een buffer van ca. 2 meter rondom de groeilocatie. Na afgraven moeten maandelijks opkomende stekjes handmatig worden verwijderd en afgevoerd. Chemische bestrijding wordt bij voorkeur niet ingezet, tenzij er geen andere keuze is (i.v.m. volksgezondheid, stabiliteit infrastructuur) Behandelmethodes die niet hierboven zijn genoemd, kunnen uiteraard ook effectief zijn. Zoals genoemd is de aanpak van elke groeilocatie maatwerk. Andere aantoonbaar effectieve behandelmethodes kunnen in overleg met de gemeente ook ingezet worden. Knolcyperus Knolcyperus is een onkruid dat zich snel vermeerdert. Het groeit snel, heeft een groot aanpassingsvermogen aan wisselende omstandigheden, is zeer competitief ten opzichte van andere planten voor licht, water en nutriënten en is weinig gevoelig voor bestrijdingsmiddelen.
Knolcyperus veroorzaakt zowel kwantitatieve als kwalitatieve verliezen voor de landbouw. De opbrengst voor de landbouw vermindert door onderdrukking door knolcyperus, maar ook doordat het chemische stoffen afscheidt die het kiemen en de groei van het gewas afremmen. Verder brengt de knolcyperus ook insecten, schimmels, nematoden en plantenvirussen met zich mee. Knolcyperus overwintert als knol (verdikt deel wortelstok) in de grond, die zeker tien jaar levenskrachtig blijft. Een enkele plant kan zich in een seizoen naar alle zijden 1-2 meter ver uitbreiden. De verspreidingsrisico’s zijn vooral via plant/pootgoed en grond (via machines/werktuigen). De knolcyperus is (nog) niet opgenomen op de zogenaamde Unie-lijst. Dat betekent dat er geen wettelijke plicht is deze soort te bestrijden. Echter zijn er voor de knolcyperus wel beheersmaatregelen voor agrarische gebieden. Voor percelen die met knolcyperus zijn besmet, geldt een teeltverbod15. Instructies werkzaamheden bij knolcyperus De voorschriften in verband met knolcyperus zijn opgenomen in de Plantenziektenwet16. De Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK) legt percelen die besmet zijn met knolcyperus een teeltverbod op. De gebruikers van de percelen zijn verplicht om maatregelen te treffen en mogen geen akkerbouwgewassen en tuinbouwgewassen meer telen. Ook de teelt van maïs en graszoden is dan verboden.
Daarnaast moet de gebruiker van het perceel maatregelen nemen om de knolcyperus te vernietigen en verspreiding tegen te gaan. Vaak betekent dit ook het onder toezicht vernietigen van een deel van het gewas en de oogst als die niet voor honderd procent kan worden schoongemaakt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) geeft in Bestrijding van knolcyperus (juni 2016)17 verschillende adviezen hoe de gebruiker knolcyperus kan bestrijden, bijvoorbeeld door stelstelmatige uitputting. Belangrijk is dat machines en werktuigen die
15 Staatscourant 2021, 9651 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl)
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-9651.html 16 https://wetten.overheid.nl/BWBR0002075/2019-01-01 17 https://www.nvwa.nl/binaries/nvwa/documenten/plant/plantziekte-en-plaag/plantziekte/knolcyperus/bestrijding-van-knolcyperus/Bestrijding+van+knolcyperus.pdf
Blad 52 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
gebruikt worden op een besmet terrein achteraf goed worden schoongemaakt (hogedrukspuit, bezem/borstel). Een eigenaar of gebruiker van een besmet perceel is verplicht om anderen die dat perceel bewerken vóór de uitvoering van de werkzaamheden te informeren over de besmetting. Besmettingen die nog niet gemeld zijn, kunnen worden gemeld bij de NAK. Een perceel waarop knolcyperus is aangetroffen, wordt jaarlijks gecontroleerd door de NAK. Als in drie opéénvolgende jaren geen knolcyperus is aangetroffen, dan worden de maatregelen (o.a. teeltverbod) opgeheven. Het perceel wordt in de twee jaar daarna nog wel geïnspecteerd. Af- en aanvoer van grond Om besmetting van grond met knolcyperus zoveel als mogelijk te voorkomen staan de deelnemende gemeenten niet toe dat grond met knolcyperus wordt vermengd met andere grond. Bij grondverzet dient door de initiatiefnemer te worden nagegaan of de partij besmet is met knolcyperus. Hiertoe kan contact op worden genomen met de NAK. Indien de partij besmet is met knolcyperus mag de grond met knolcyperus niet vermengd worden, behalve als het op dezelfde locatie wordt toegepast als de groeizone.
Beleidsregel Knolcyperus De gemeente verleent uitsluitend medewerking aan de melding van grondverzet van partijen die zijn besmet met knolcyperus onder een van de volgende situaties: De partij wordt toegepast op dezelfde locatie als de groeizone waar de grond reeds besmet is met knolcyperus; OF De partij wordt afgevoerd naar een erkend verwerker. Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit nieuw beleid. Voor gemeente Purmerend is dit gewijzigd beleid.
Blad 53 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd. o Indien het onderzoeksrapport meer dan 5 jaar maar maximaal 10 jaar oud is accepteert de gemeente dat het onderzoek wordt geactualiseerd met een NEN 5725-onderzoek waaruit blijkt dat de inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd én een bodemonderzoek van de bovengrond (strategie conform NEN 5740). In het geval van verontreinigingen met vluchtige verbindingen, niet diffuse grondwaterverontreinigingen en voor verontreinigingen ter plaatse van bedrijventerreinen accepteert de gemeente het onderzoeksrapport indien deze maximaal 2 jaar oud is (dit is maximaal 3 jaar in het geval van bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur (AW2000) en in het geval van een diffuse verontreiniging ter plaatse van een bedrijventerrein, zie tabel 10).
In alle overige (niet genoemde) situaties wordt er voor eventuele verlenging of actualisatie afgestemd met het bevoegd gezag of de daartoe aangewezen instantie (OD IJmond). Voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort is dit gewijzigd beleid.
Blad 55 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
10
Toepassen van grond vanuit de zones ‘Oud Volendam en Purmer’, Wonen B en Oud Edam’ en ‘Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ Onderbouwing De grond vanuit de bodemkwaliteitszones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ (zie de bodemkwaliteitskaart van regio Zaanstreek-Waterland) hebben een slechtere bodemkwaliteit dan de andere bodemkwaliteitszones in de regio. In de grond komen relatief vaak sterk verhoogde gehalten met koper, lood, zink en PAK voor die onderdeel vormen van de diffuse bodemkwaliteit. Om te voorkomen dat diffuus verontreinigde grond elders zonder meer wordt toegepast, stellen de deelnemende gemeenten strenger beleid vast voor grond die vanuit deze bodemkwaliteitszones elders in het bodembeheergebied wordt toegepast. Grond vanuit de genoemde bodemkwaliteitszones moet voorafgaand aan de beoogde toepassing altijd worden gekeurd door middel van een partijkeuring. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Beleidsregel voor de gemeenten in regio Zaanstreek-Waterland De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, kan medewerking verlenen met de voorgenomen toepassing van een partij grond die afkomstig is van de bodemkwaliteitszones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1.
Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’ onder voorwaarde dat de aangeboden partij is onderzocht conform AP04 (BRL SIKB protocol 1001). Toepassing is mogelijk op basis van de keuringsresultaten. De bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 wordt voor grond afkomstig uit de genoemde zones niet geaccepteerd als bewijsmiddel. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland is dit bestaand beleid. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Purmerend, Uitgeest, Velsen en Zandvoort.
Blad 56 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
11
Toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen Zoals in de bodemkwaliteitskaarten is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan de onderzijde van het onderste dieptetraject (tot 2,0 m -mv. voor regio Zaanstreek-Waterland, 2,5 m -mv. voor regio Zuid-Kennemerland-IJmond) geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond vanuit deze diepere bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag beneden de onderzijde van het diepste dieptetraject niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 0,5 meter tot en met 2 dan wel 2,5 meter diepte), wordt dit niet milieuvriendelijk geacht. De deelnemende gemeenten verruimen voor niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag beneden het onderste dieptetraject. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 dan wel 2,5 meter beneden het maaiveld, op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag.
Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, accepteert bij het ontvangen van de melding voor het toepassen van grond die is vrijgekomen uit de bodemlaag dieper dan de onderzijde van het onderste dieptetraject in de bodemkwaliteitskaart, dat de kwaliteit van deze grond op dezelfde wijze is bepaald als de bovenliggende bodemlaag (dat wil zeggen het onderste dieptetraject). De bodemkwaliteitskaart wordt derhalve beschouwd als erkend bewijsmiddel in combinatie met een vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725 voor diepere bodemlagen. In de volgende situaties kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt voor het bepalen van de kwaliteit van diepere bodemlagen: De vrijkomende grond is afkomstig van een verdachte bodemlocatie; De vrijkomende grond is zintuigelijk verontreinigd. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland is dit bestaand beleid. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort.
Blad 57 van 113
Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmond projectnummer 0474045.100 12 juli 2022 revisie 0 Omgevingsdienst IJmond
Opbulken tot 25 m3 Een partijkeuring voor kleine partijen is vaak een kostbare aangelegenheid. Daarom wordt aanbevolen om kleine partijen grond af te voeren naar erkende verwerkingslocaties. Met ingang van 1 juli 2008 mag het samenvoegen (opbulken) van partijen grond en/of baggerspecie uitsluitend worden uitgevoerd door daarvoor erkende bedrijven. In artikel 4.3.2 van de Regeling bodemkwaliteit is vastgelegd dat het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie alleen is toegestaan indien deze in dezelfde bodemkwaliteitsklasse zijn ingedeeld en zijn gekeurd en samengevoegd overeenkomstig de BRL 9335 (grond) of BRL 7500 (baggerspecie) door een instelling die daarvoor is erkend. Voor kleine organisaties zoals hoveniers en bij de inname van grond bij milieustraten zijn de onderstaande alternatieven beschreven. 1. Niet samenvoegen van partijen, maar separaat opslaan van de partijen. Voorwaarde hiervoor is dat voldoende ruimte op het terrein aanwezig is. Indien van de partij reeds een vanuit het Bbk erkend bewijsmiddel beschikbaar is (partijkeuring, bodemkwaliteitskaart), blijft deze bij de partij horen en kan gebruikt worden bij latere toepassing onder het Bbk. Is nog geen bewijsmiddel beschikbaar van de partij, dan kan de partij (al dan niet op basis van indicatieve onderzoeksgegevens) worden afgevoerd naar een BRL 9335 erkend bedrijf. 2.