CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

B9. Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 28 oktober 2021, gemeente landsmeerBij agendapunt: Vaststellen omgevingsvergunning Terras aan de Breek22.748 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarbij is er van uitgegaan dat het projectgebied in ‘niet stedelijk gebied’ ligt en in een zone die kan worden aangemerkt als ‘rest bebouwde kom’. Onderzoek parkeerbehoefte oor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de functie ‘restaurant’ in de bovengenoemde CROW-publicatie. De minimum- en maximumnorm voor een restaurant in Landsmeer (schil centrum/niet-stedelijk op grond van gegevens van het CBS) bedragen respectievelijk 10 tot 12 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte (bvo). Het bedrijf zal bovendien fungeren als (ondergeschikte) uitgiftelocatie van huurfietsen en -bootjes. Mogelijk leidt dit tot enige

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

31

extra parkeerbehoefte. Uitgaande van een bvo van 210 m2 en enkele extra parkeerplaatsen vanwege verhuuractiviteiten dient rekening te worden gehouden met een parkeerbehoefte van 25 + 5 à 8 = ca. 30 à 33 parkeerplaatsen. Naast het plangebied zijn ook na realisatie van het woningbouwplan Breekoever heeft de gemeente voldoende parkeerplaatsen beschikbaar om in de hiervoor berekende parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Tijdens de weekenden zal de parkeergelegenheid vermoedelijk niet altijd toereikend zijn. In de omgeving is voldoende parkeerruimte om de extra parkeerbehoefte te faciliteren. Onderzoek verkeersgeneratie In de CROW-publicatie zijn geen gegevens omtrent de verkeersgeneratie van restaurants opgenomen. Daarom is een link gelegd met het aantal benodigde parkeersplaatsen en de te verwachten bezetting daarvan. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de situatie in het weekend en de werkdagen. Uit deze berekening blijkt dat op werkdagen het restaurant 183 ritten genereert en op weekenddagen 372 ritten, hetgeen overeenkomt met een gemiddelde verkeersgeneratie van 237 ritten per etmaal.

Figuur 10. overzicht verkeersgeneratie en benodigde parkeergelegenheid

Het projectgebied wordt ontsloten door de Sportlaan en de Herculesweg. Deze wegen kunnen worden gecategoriseerd als erftoegangsweg. Hoewel in de filosofie van duurzaam veilig niet specifiek ingegaan wordt op verkeersintensiteiten op erftoegangswegen is een algemene regel dat de verkeersintensiteit op een erftoegangsweg niet boven de 5.000 - 6.000 mvt/etmaal dient uit te komen. De berekende toename van de verkeersintensiteit van ongeveer 120 mvt/etmaal bij een veronderstelde tamelijk gelijke verdeling van het verkeer over de Herculesweg en de Sportlaan, is zodanig dat een totale verkeersintensiteit van 5.000 tot 6.000 mvt/etmaal bij lange na niet bereikt wordt. Voor deze wegen zijn daarom geen bijzondere verkeersmaatregelen aan de orde. De notitie over parkeren, verkeer en stikstofdepositie is als bijlage toegevoegd.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

32

Conclusie Het voornemen leidt niet tot een onevenredige verkeerstoename van en naar het projectgebied. Voor

de

ontsluitingswegen

van

het

projectgebied

hoeven

dan

ook

geen

bijzondere

verkeersmaatregelen te worden getroffen. 4.9.3 M.e.r.-verantwoording De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-beoordeling houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken. De activiteiten die in het projectgebied worden beoogd, overschrijden geen drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het projectplan geldt daarom geen planMER. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is verder niet aan de orde aangezien sprake is van een beperkte ontwikkeling. Bovendien zijn de milieueffecten in voorgaande paragrafen al voldoende onderzocht. Op grond hiervan kan in alle redelijkheid worden aangenomen dat de toekomstige activiteiten in het projectgebied geen onaanvaardbare gevolgen voor het milieu zullen hebben. 4.9.4 Duurzaamheid Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema’s: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw.

Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in ruimtelijke plannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Nieuwbouwplannen bieden kansen voor duurzaamheid. Een instrument om duurzaam bouwen inzichtelijk en meetbaar te maken is GPR Gebouw. Dit instrument geeft rapportcijfers op de onderdelen energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Hoe hoger de score, hoe duurzamer de woning(en). GPR Gebouw is zowel een communicatiemiddel als praktische maatregelenlijst om nog duurzamer te bouwen; een voorbeeld is dat HR++ glas wordt vervangen door HR+++ glas met hogere isolatiewaarden. Dit is dan direct te merken aan de scores, de meerkosten zijn gering en er kan volstaan worden met mogelijk een warmtepomp met een lagere capaciteit (in overleg met de installateur) en dus goedkoper. Een omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldend bestemmingsplan kan echter beperkt worden gehanteerd om duurzame energieaspecten te regelen. Voor eventuele ambitieuze duurzame energiedoelstellingen dienen dan ook extra instrumenten, zoals privaatrechtelijke overeenkomsten, ingezet te worden.

De plaatsing van zonnecollectoren en fotovoltaïsche cellen op daken in het projectgebied is gewoon mogelijk.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

33

Regelgeving aardgasvrij- en energie neutrale nieuwbouw (VET en BENG) Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht, die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hier van af te wijken. Vanaf 1 januari 2020 moet alle nieuwbouw in Nederland een Bijna Energie Neutraal Gebouw oftewel BENG zijn. Dat geldt dus ook voor het paviljoen

in

de

Kerkebreek.

De

energieprestatie

werd

eerder

uitgedrukt

in

de

energieprestatiecoëfficiënt (EPC). Per 1 januari 2020 is de EPC voor nieuwbouw vervangen door BENG-eisen. BENG stelt ook de eis dat de energiebronnen voor het gebouw in bepaalde mate duurzaam moeten zijn.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

34

5

Uitvoerbaarheid 5.1

Economische uitvoerbaarheid

5.1.1 Grondexploitatie Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Bro aangegeven. Op basis van het hierin in lid b gestelde (“de bouw van één of meer hoofdgebouwen”) wordt het voornemen van dit projectplan als bouwplan aangemerkt. Doel van een grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiele haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden. 5.1.2 Onderzoeks- en plankosten De kosten voor realisatie, alsook de kosten voor de noodzakelijke onderzoeken, vanwege de te verlenen omgevingsvergunningen worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten voor de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor de procedurebegeleiding. 5.1.3 Planschade Door het verlenen van de omgevingsvergunning bestaat de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het projectgebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend.

Diegenen die schade lijden als gevolg van de verlening van de omgevingsvergunning, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. 5.1.4 Conclusie Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, zal worden geregeld in een tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Op basis van deze overweging moet het voornemen economisch uitvoerbaar worden geacht. De exploitatiekosten zijn derhalve anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet, als onderdeel van de Wro, is dan ook niet noodzakelijk. Voorgaande

betekent dat dit

project niet door

onvoldoende economische

uitvoerbaarheid wordt belemmerd.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt de omgevingsvergunning aan verschillende maatschappelijke instanties aangeboden die daarmee in de gelegenheid worden gesteld om een overlegreactie op het project in te dienen. Daarnaast kan de omgevingsvergunning

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

35

conform de gemeentelijke inspraakverordening voor iedereen ter inzage worden gelegd voor het kunnen indienen van inspraakreacties.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

36

Bijlagen

Bijlage 3. Wateradvies Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Geachte heer, Met vertraging (excuses hiervoor) ontvangt u aanvullend op de digitale watertoets (kenmerk 17. 102691) en op basis van de op 19 april toegezonden VO presentie van het Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer het wateradvies van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Deze reactie wordt tevens naar Wietze Bulk van de gemeente Landsmeer gestuurd (zie cc) en Roza Vink waar in het voortraject ook al afstemming mee is geweest. Onderstaand wordt puntsgewijs advies gegeven op de verschillende onderdelen die raken aan HHNK-belangen. Watersysteembeschrijving De ontwikkeling betreft het realiseren van een paviljoen op de Kerkebreek . Door het ruime wateroppervlak van de hoofdwaterloop Kerkebreek en het openbare karakter van het paviljoen kan het hoogheemraadschap onder voorwaarden instemmen met de realisatie van het paviljoen. De Kerkebreek is breed open water dat onderdeel uitmaakt van de Waterlandsboezem met een streefpeil van NAP-1,56 meter. In het vigerende peilbesluit van de waterlandsboezem is een zakkingsclausule van 2 mm/jaar opgenomen. Dit betekent dat eens in de 5 jaar het waterpeil met 1 cm naar beneden wordt bijgesteld om de autonome maaiveld daling in het peilgebied te volgen. Mogelijk dat dit gevolgen kan hebben voor het ontwerp of materiaal gebruik van (de funderingspalen) van het paviljoen.

Net westelijk van de toegangssteiger naar het paviljoen ligt nog een inlaatconstructie naar de onderbemaling van de sportvelden. Deze dient niet verstoord te worden (maar ligt waarschijnlijk ook wel op voldoende afstand). Waterkwantiteit Voor de volledigheid: Het paviljoen heeft een oppervlak van minder dan 800 m2. Daarnaast zorgt de realisatie ervan niet voor een versnelde afvoer ten opzichte van de bestaande situatie. Daarom zijn er geen compenserende maatregelen noodzakelijk. Het hoogheemraadschap vraagt wel aandacht voor een klimaatbestending bestendig ontwerp van het paviljoen. Waarbij voorkomen moet worden dat door bijvoorbeeld hevige clusterbuien wateroverlast in het paviljoen kan ontstaan. Vloerpeil paviljoen bijvoorbeeld iets hoger dan het terras/steigers aanbrengen. Of bijvoorbeeld naden op het terras aanbrengen waar water direct doorheen zakt naar oppervlaktewater Kerkebreek.

Waterkwaliteit Zoals in de digitale watertoets is aangegeven kan het afstromend regenwater rechtstreeks op het oppervlaktewater worden geloosd indien er geen uitloogbare materialen (zoals koper, lood en zink) worden toegepast. Voor het handhaven van de gewenste waterkwaliteit is het belangrijk dat er goede doorstroming onder het gebouw mogelijk blijft en (drijf)vuil ophoping wordt voorkomen. De kans dat er gezwommen gaat worden vanaf de steigers is natuurlijk aanwezig maar we willen er op wijzen dat de Kerkebreek geen officiële zwemwaterlocatie is. Riolering Het huishoudelijk afvalwater (DWA) dient op het gemeentelijke riool worden aangesloten. Welke (volgens onze info) nabij de Sportlaan aanwezig is. Het hoogheemraadschap gaat ervan uit dat er voldoende capaciteit in dit riool aanwezig is om deze extra hoeveelheid aan te kunnen (en anders aanvullende maatregelen worden genomen). Kadastraal eigenaar Gemeente Landsmeer is kadastraal eigenaar van de Kerkebreek ter plaatse van het geplande paviljoen. Beheer en Onderhoud De Kerkebreek betreft een hoofdwaterloop die in beheer en onderhoud (zuiverheid en baggeren) is bij het hoogheemraadschap. Bij de voorgestelde constructie ligt de onderkant van de balken 0,56 meter boven het waterpeil. Dit betekent dat er geen varend onderhoud onder het paviljoen mogelijk is.

Het onderhoud onder en rondom de steigers en het paviljoen komt dan ook bij de eigenaar/initiatiefnemer te liggen. Om bij toekomstig baggeren geen last van rioleringsbuizen en kabels en leidingen te hebben adviseert het hoogheemraadschap om deze (boven water) aan de steigerconstructie te bevestigen of op voldoende afstand onder de vaste bodem van de Kerkebreek. De waterdiepte ter plaatse van het toekomstige paviljoen is echter niet exact bekend en zou voor de volledigheid nog goed in beeld moeten worden gebracht. Watervergunning Voor de aanleg van het paviljoen is een watervergunning van het hoogheemraadschap noodzakelijk waarin onder andere de onderhoudsafspraken in kunnen worden vastgelegd. Deze kan via het omgevingsloket worden aangevraagd. Ik vertrouw erop dat iedereen zo voldoende is geïnformeerd.

Met vriendelijke groeten, Regio adviseur Laag Holland Afdeling Watersystemen Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Postbus 250 1700 AG Heerhugowaard Bezoekadres: Stationsplein 136, Heerhugowaard T: 072-5827229 (doorgeschakeld naar mobiel) E: j.vandiepen@hhnk.nl

A dv ies Natuu rw aa rden pa vi ljoen K e rke b re ek Lan dsmee r

A dv ies Natuu rw aa rden pa vi ljoen K e rke b re ek Lan dsmee r

[Geef tekst op]

I n h o u d s o p g a v e

1

Inleiding

5

2

Situatieschets en plannen

6

2.1

Ligging en huidige situatie

6

2.2

Voorgenomen plannen

8

Voortoets Natura 2000

11

3.1

Inleiding

11

3.2

Beschrijving Natura 2000-gebied

12

3.3

Effectbeoordeling

15

3.3.1

Geluid

15

3.3.2

Licht

17

3.3.3

Trilling

17

3.3.4

Optische verstoring

18

3.3.5

Vermesting en verzuring

18

3

3.4 4

6

7

18

Provinciaal natuurbeleid

21

4.1

Provinciaal ruimtelijk natuurbeleid

21

4.2

Inventarisatie

22

4.3

Toetsing

22

4.4 5

Conclusies

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland

22

4.3.2

Weidevogelleefgebied

24

Conclusie

25

Soortenbescherming

27

5.1

Planten

28

5.2

Zoogdieren - vleermuizen

28

5.3

Zoogdieren – overige

29

5.4

Vogels

30

5.5

Amfibieën en vissen

30

5.6

Reptielen

31

5.7

Ongewervelden

31

Conclusie en consequenties

33

6.1

Beschermde gebieden

33

6.2

Beschermde soorten

33

6.3

Uitvoerbaarheid

35

Bronnen

37

7.1

Veldbezoek

37

7.2

Media

37

23 augustus 2017

7.3

Bijlagen

[Geef tekst op]

Literatuur

37

[Geef tekst op]

1

I n l e i d i n g

De Dikke Gans b.v. is voornemens om in het water van de Kerkebreek bij

AANLEIDING

Landmeer een paviljoen te bouwen. Het plan bestaat uit de bouw van een paviljoen op het water, dat vanaf de vaste wal via een steiger bereikbaar wordt gemaakt. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, dient een planologische procedure te worden doorlopen. In dit kader is het, onder meer vanwege de ligging nabij Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, noodzakelijk een onderzoek uit te voeren naar effecten op de natuurwaarden (soortenbescherming en gebiedsbescherming). Het voorliggende rapport voorziet hierin. Voorliggend Advies Natuurwaarden behandelt de ecologische beoordeling van

DOEL VAN HET ADVIES

de genoemde plannen. De effecten op natuurwaarden worden beoordeeld in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wnb)1 met de daaraan gekoppelde provinciale verordening en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. De beschrijving van de relevante te beschermen natuurwaarden is gebaseerd

INFORMATIE

op: -

bestaande bronnen zoals databanken, verspreidingsatlassen, waarnemingsoverzichten, rapporten en websites;

-

verkennend veldbezoek waarbij vooral is gekeken naar kritische en/of beschermde soorten, zowel wat betreft aanwezigheid van als potenties voor deze soorten.

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plangebied en de plannen weer-

OPZET VAN HET RAPPORT

gegeven. De mogelijke effecten van deze plannen op beschermde Natura 2000gebieden worden in hoofdstuk 3 beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming. In hoofdstuk 4 worden potentiële effecten van de plannen op in het kader van het provinciale natuurbeleid beschermde natuurgebieden getoetst. Op basis van bekende verspreidingsgegevens en het veldbezoek worden de mogelijke effecten van de toekomstige plannen op in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde flora en fauna getoetst (hoofdstuk 5). In hoofdstuk 6 ‘Conclusie en consequenties’ wordt tenslotte een samenvatting van de belangrijkste bevindingen van het onderzoek gegeven.

1

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

5

S i t u a t i e s c h e t s

2

e n

p l a n n e n

2.1

Ligging en huidige situatie Het plangebied ligt aan de rand van het meer Kerkebreek ten noordwesten van de bebouwde kom van Landsmeer. Het plangebied ligt naast het sportpark van landsmeer en omvat oppervlaktewater, grasland en opgaande beplanting aan de oever van het meer. De ligging van het plangebied wordt weergegeven in de onderstaande figuur (figuur 1). De ligging van het plangebied wordt weergegeven op onderstaand figuur (figuur 1).

Figuur 1. Topografische kaart met ligging plangebied (rood). (Bron kaartbeeld: Jan-Willem van Aalst, www.imergis.nl Bron webservice: Esri Nederland, www.esri.nl)

6

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

[Geef tekst op]

Plangebied bezien vanuit het oosten (10 augustus 2017)

Oever van het meer met grasland, bomen en struiken in het pla ngebied (10 augustus 2017)

Natura

2000-gebied

‘Ilperveld,

Varkensland,

Oostzanerveld

&

Twiske’ bezien vanuit het plangebied (10 augustus 2017)

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

7

2.2

Voorgenomen plannen De Dikke Gans b.v. is voornemens om in het water van de Kerkebreek bij Landmeer een paviljoen te bouwen wat plek biedt aan maximaal 100 bezoekers. Het paviljoen betreft een café-restaurant. Bij het paviljoen

zijn een

buitenterras en aanleggelegenheid voor enkele boten aan een steiger voorzien. Het gebouw wordt met de vaste wal verbonden door middel van een steiger van 2,4 meter breed. De steiger zal door een kort voetpad worden verbonden met de nabijgelegen Sportlaan. Figuur 2 geeft een plattegrond van het gebouw wat in het plangebied is voorzien. Figuur 3 geeft een impressie van het gebouw.

Figuur 2. Voorziene inrichting van het plangebied

Het gebouw zal op palen worden gefundeerd en heeft een oppervlak van circa 210 m2. Het gebouw bestaat uit de begane grond en een zolder. De begane grond is onderdeel van het café-restaurant, terwijl de zolder kan worden verhuurd aan groepen. Het voorziene gebouw bestaat grotendeels uit hout en

8

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

[Geef tekst op]

heeft een zadeldak met dakpannen. Aan de noord-, zuid- en westzijde van het gebouw zijn grotere ramen voorzien. In de oostzijde van het gebouw worden enkele kleine ramen geïntegreerd. Samen met het terras, de toegangssteiger vanaf het land en een aanlegsteiger zal het ruimtebeslag bijna 500 m2 bedragen. Het buitenterras betreft een getrapt terras met tafels, stoelen en banken. Het terras is gericht op het westzuidwesten (zie ook figuur 2 en 3). De ramen van het gebouw worden voorzien van rolgordijnen om uitstraling van verlichting richting de omgeving te voorkomen. Er wordt geen buitenverlichting geplaatst die zorgt voor lichtuitstraling richting het water. Ten behoeve van het plan worden met name werkzaamheden uitgevoerd in en op het water van de Kerkebreek, waaronder heiwerkzaamheden. Daarnaast worden voor de aanleg van het toegangspad van de Sportlaan naar de steiger enkele bomen gekapt en zal op zeer beperkte schaal (enkele vierkante meters) vegetatie worden verwijderd. Bij de werkzaamheden wordt geen gebruik gemaakt van bouwlampen die lichtuistraling richting het oppervlaktewater van de Kerkebreek veroorzaken.

Figuur 3. Impressie nieuwe situatie.

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

9

[Geef tekst op]

V o o r t o e t s

3

N a t u r a

2 0 0 0

3.1

Inleiding In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van specifieke natuur-

WET NATUURBESCHER-

gebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationa-

MING

le bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. De voorliggende rapportage is geschreven als voortoets in het kader van de

VOORTOETS

Wnb. Het begrip 'voortoets' komt niet als zodanig voor in de Wnb. Het begrip wordt in de praktijk echter veel gebruikt als naam voor een globale toetsing waarmee een indicatie wordt verkregen van de mogelijke negatieve gevolgen van een activiteit op in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000gebieden. Door een voortoets uit te voeren, wordt de vraag beantwoord of er een kans bestaat dat de activiteit verslechtering en/of significante gevolgen met zich meebrengt. De provincie Noord-Holland is in voorliggende situatie in het kader van de Wnb het bevoegd gezag. Het plangebied ligt niet in en grenst niet aan een beschermd gebied in het

INVENTARISATIE

kader van de Wnb. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske op circa 315 meter ten noorden van het plangebied. Het betreft deelgebied Twiske, wat is aangewezen als vogelrichtlijngebied. De ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000gebied wordt weergegeven in figuur 4. Overige natuurgebieden liggen op meer dan 7 kilometer van het plangebied. Het plangebied heeft geen belangrijke ecologische relaties met deze gebieden. Op meer dan 7 kilometer afstand zijn, gezien de aard van de plannen, met

EFFECTBEOORDELING

uitzondering van verzuring en vermesting door stikstofdepositie op voorhand geen effecten te verwachten. De effectbeoordeling focust zich dan ook met name op Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Voor de effectbeoordeling is de effectenindicator van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie geraadpleegd2. In bijlage 4 worden de 2

http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicator.aspx

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

11

in de effectenindicator genoemde potentiële verstoringsfactoren bij woningbouw voor Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske weergegeven. Hieruit komt naar voren dat de volgende effecten als gevolg van de ontwikkelingen mogelijk zijn: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, licht en trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Negatieve effecten door oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging en verstoring door mechanische effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten, gezien de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied en de aard van het plan. Bij de toetsing (paragraaf 3.3) worden daarom uitsluitend verstoring door geluid, licht en trilling en optische verstoring nader behandeld. Hoewel de effectenindicator vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie niet weergeeft als potentieel effect, is het effect van stikstofdepositie volledigheidshalve ook getoetst. In dit kader is een AERIUS-berekening uitgevoerd.

Figuur 4. Ligging Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (groen) ten opzichte van het plangebied (rode belijning). (Bron kaartbeeld: Jan-Willem van Aalst, www.imergis.nl Bron webservice: Esri Nederland, www.esri.nl)

3.2

Beschrijving Natura 2000-gebied Hieronder volgt een beschrijving van de Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De gebiedsbeschrijving is gemaakt aan de hand van het aanwijzingsbesluit en omvat een overzicht van de aangewezen soorten en habitattypen, de geohydrologie en ecohydrologie van het gebied.

12

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

[Geef tekst op]

Het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske bestaat uit vier deelgebieden, waarvan 3 gebieden zijn aangewezen als habitatrichtlijngebied en 3 als vogelrichtlijngebied. De deelgebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld zijn in december 2004 aangewezen als habitatrichtlijngebied. De deelgebieden Ilperveld, Varkensland en Twiske zijn in januari 2005 aangewezen als vogelrichtlijngebied. Het gebied is op 23 mei 2013 door de Staatssecretaris van Economische Zaken definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Het natura 2000-gebied bestaat uit een uitgestrekt laagveencomplex wat in het verleden door de ligging nabij de Zuiderzee onder invloed stond van brak water. Na de afsluiting van de Zuiderzee is de aanvoer van brak water naar het gebied gestop. Het landschap van het Natura 2000-gebied bestaat uit veel kleine percelen met grasland, rietkragen, ruigten, rietlandjes, veenmosrietlanden en veenheide. In het gebied is een dicht netwerk van brede en smalle sloten en kleine meren aanwezig. In het Ilperveld is daarnaast plaatselijk veenbos aanwezig. Het Twiske bestaat uit een laagveenlandschap dat meer besloten is dan de overige deelgebieden door de aanwezigheid van bos en parklandschap. Voor het gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor 6 habitattypen, 5 habitatsoorten en 13 vogelsoorten, waarvan 4 als broedvogel en 9 als nietbroedvogel.

Voor de instandhoudingsdoelen wordt verwezen naar bijlage 3. Habitattypen - H3140 Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties Verkorte naam Kranswierwateren - H4010 Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix Verkorte naam Vochtige heiden betreft het subtype: H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) - H6430 Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones Verkorte naam: Ruigten en zomen, betreft het subtype: H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) - H7140 Overgangs- en trilveen Verkorte naam: Overgangs- en trilvenen betreft het subtype: H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) - H91D0 *3Veenbossen Verkorte naam: Hoogveenbossen Habitatsoorten - H1134 Bittervoorn (Rhodeus amarus) - H1149 Kleine modderkruiper (Cobitis taenia) - H1163 Rivierdonderpad (Cottus gobio) - H1318 Meervleermuis (Myotis dasycneme) 3

* betreft prioritaire habitattypen of -soorten

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

13

- H1340 *Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola) Vogelsoorten - broedvogels - A021 Roerdomp (Botaurus stellaris) - A081 Bruine kiekendief (Circus aeruginosus) - A151 Kemphaan (Philomachus pugnax) - A193 Visdief (Sterna hirundo) Vogelsoorten – niet-broedvogels - A043 Grauwe gans (Anser anser) - A050 Smient (Anas penelope) - A051 Krakeend (Anas strepera) - A056 Slobeend (Anas clypeata) - A125 Meerkoet (Fulica atra) - A153 Watersnip (Gallinago gallinago) - A156 Grutto (Limosa limosa) - A292 Snor (Locustella luscinioides) - A295 Rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus) Voor het gebied zijn de volgende kernopgaven geformuleerd: Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid (Meren en moerassen) Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor grasetende watervogels en meervleermuizen (de belangrijkste kraamkamerfunctie en slaapfunctie van de meervleermuis ligt vooral in gebouwen buiten de Natura 2000 gebieden). Voor afgesloten zeearmen en randmeren behoud van de specifieke betekenis van de verschillende onderdelen voor habitattypen en vogels. Herstel van mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen (inclusief brak) met name in het deellandschappen Laagveen.

4.09 Compleetheid in ruimte en tijd Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: overgangs- en trilvenen (trilvenen en veenmosrietlanden) H7140_A en H7140_B met onder meer grote vuurvlinder H1060, groenknolorchis H1903 en vochtige heiden (laagveengebied) H4010_B, blauwgraslanden H6410, galigaanmoerassen *H7210 en hoogveenbossen H91D0, in samenstelling met gemeenschappen van open water. 4.11 Plas-dras situaties Plas-dras situaties voor smienten A050 en broedvogels zoals porseleinhoen A119 en kemphaan A151, kwartelkoning A122 en noordse woelmuis *H1340. 4.12 Overjarig riet Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging door riet-

14

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

[Geef tekst op]

moerasvogels, zoals roerdomp A021, purperreiger A029, snor A292, grote karekiet A298 en voor de noordse woelmuis *H1340. 4.13 Brakke ruigtes Behoud en herstel van brakke variant van ruigten en zomen (harig wilgenroosje) H6430_B in de laagveengebieden boven het IJ, mede als leefgebied voor de noordse woelmuis *H1340.

3.3

Effectbeoordeling 3 . 3 . 1

Geluid

Hierbij gaat het om verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen, veroorzaakt door menselijke activiteiten. Met name vogels en vissen zijn in meer of mindere mate gevoelig voor verstoring door geluid. Voor geluid geldt dat er in de bestaande situatie al een bepaalde mate van

BESTAANDE SITUATIE

geluidsbelasting rond het plangebied aanwezig is. Zo ligt het plangebied ten noorden van het sportpark van Landsmeer en ten westen van een grote parkeerplaats aan de rand van de bebouwde kom van Landsmeer. Ter hoogte van de parkeerplaats ten oosten van het plangebied kunnen boten te water gelaten worden. In de watergangen ten zuiden van het plangebied zijn veel aanlegplaatsen met sloepen en andere motorboten aanwezig. Nog relevanter is echter dat het Twiske zelf een drukbezocht recreatiegebied is. De zuidzijde van het Twiske omvat onder meer parkeerplaatsen, wandel- en mountainbikeroutes, een dagkampeerplaats en een zorgboerderij. Daarom is in de bestaande situatie al sprake van veel geluidsverstoring in dit deelgebied van Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. In de aanlegfase wordt geluid geproduceerd, doordat de bouwwerkzaamheden

GELUID IN AANLEGFASE

in de buitenlucht plaatsvinden. De hoogste geluidsniveaus worden bereikt tijdens heiwerkzaamheden bij realisatie van het paviljoen. De geluidsverstoring in de aanlegfase betreft een tijdelijk effect, in tegenstelling tot het geluid in de gebruiksfase. In de gebruiksfase zal het geluidsniveau licht toenemen door de bezoekers aan

GELUID IN GEBRUIKSFASE

het plangebied. Dit geldt met name tijdens goede weersomstandigheden, wanneer meer gebruik wordt gemaakt van het terras en de aanlegsteiger. In tegentelling tot de aanlegfase si tijdens de gebruiksfase geen sprake van hoge geluidsniveaus die een grote verstoringszone tot gevolg hebben. Het Twiske is aangewezen als vogelrichtlijngebied, waarvoor instandhoudings-

RELEVANTE SOORTEN

doelen zijn geformuleerd voor een aantal broedvogels en niet-broedvogels. Voor een groot deel van de soorten, met uitzondering van kemphaan (als broedvogel) vormt het Twiske geschikt leefgebied.

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

15

De habitatrichtlijngebieden van Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen op grote afstand van het plangebied en worden van het plangebied gescheiden door de bebouwde kom van Landsmeer en Oostzaan. Negatieve effecten door geluidsverstoring op de instandhoudingsdoelen van de habitatrichtlijnsoorten treden daarom zeker niet op. Effectbeoordeling vogels Er zijn verschillende drempelwaarden bekend als het gaat om geluidsverstoring van vogels. Voor foeragerende vogels op het wad zijn waarden bekend van 51 dB(A) (Wintermans, 1991), terwijl voor broedvogels van open gebied effecten vanaf 47 dB(A) optraden (Reijnen en Foppen, 1991). Over het algemeen wordt voor vogels als veilige drempelwaarde een geluidsbelasting van 45 dB(A) gehanteerd waarboven effecten op kunnen treden. De afstanden waarover verstoring op kunnen treden verschillen wel sterk van soort tot soort. De verstoringsafstanden van steltloper op wadplaten variëren bijvoorbeeld van circa 25 meter tot een kilometer. Daarbij is vastgesteld dat de aantallen steltlopers, eenden en ganzen nabij voetpaden significant lager zijn. Niet alleen recreatie, maar ook constructiewerkzaamheden kunnen leiden tot significant lagere aantallen steltlopers en eenden (Krijgsveld et al. 2008).

Ook van kustbroedvogels is bekend dat het aantal broedparen lager is en/of het broedsucces lager is in de nabijheid van voet- en fietspaden (Krijgsveld et al. 2008). BROEDVOGELS

De werkzaamheden tijdens de aanlegfase zullen worden uitgevoerd buiten het broedseizoen, onder meer om negatieve effecten op in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde nesten van broedvogels te voorkomen. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van de aangewezen broedvogelsoorten bruine kiekendief, rietzanger, roerdomp, snor, visdief en watersnip is niet aan de orde. Potentieel vindt verstoring van broedvogels tijdens de gebruiksfase plaats door recreanten die het Natura 2000-gebied intrekken. Het Twiske is echter ingericht als recreatiegebied met een dicht netwerk aan wandel- en fietspaden, waardoor in de huidige situatie al sprake is van veel verstoring door recreanten. Voor de soorten die in hoge mate gevoelig zijn voor geluidsverstoring vormt het Twiske geen geschikt broedgebied. Bovendien zal het aantal bezoekers van het Natura 2000-gebied niet in betekenisvolle mate toenemen als gevolg van het plan. Zo werd recreatiegebied Twiske tussen 2005 en 2011 jaarlijks door meer een miljoen bezoekers bezocht, variërend van 1.096.732 bezoeken in 2008 tot 1.550.911 in 2005 (Recreatieschap Het Twiske, 2012). Daarom zal ook tijdens de gebruiksfase geen sprake zijn van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van aangewezen broedvogelsoorten.

NIET-BROEDVOGELS

Van de aangewezen niet-broedvogelsoorten is uitsluitend grutto aangemerkt als gevoelig voor geluidsverstoring in de effectenindicator. De grutto is als niet-broedvogel aangewezen op plas-drasgebieden en vochtige graslanden met

16

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

[Geef tekst op]

een niet al te hoge en dichte vegetatie (Provincie Noord-Holland, 2016). Dergelijke voor grutto geschikte rust- en foerageergebieden liggen aan de oost- en noordzijde van het Twiske op meer dan 900 meter van het plangebied en ontbreken aan de zuidzijde van het Twiske (nabij het plangebied) wat is ingericht als recreatiepark. Gezien de aard van het plan en de afstand tot geschikt leefgebied zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van grutto niet aan de orde. 3 . 3 . 2

Licht

Hierbij gaat het om verstoring door kunstmatige lichtbronnen. Ook licht kan een verstorend effect hebben op aangewezen soorten. Ten aanzien van licht zijn een aantal zaken van belang. In de eerste plaats de reeds aanwezige lichtbronnen rond het plangebied. Rond het plangebied is al veel verlichting aanwezig door de ligging naast de bebouwde kom van Landsmeer. Zo ligt ten westen van het plangebied een voetbalveld met felle kunstverlichting. Ten oosten en zuiden van het plangebied staan straatlantaarns langs de wegen. Ten oosten van het plangebied staan een aantal lantaarns op korte afstand van het meer. Daarnaast is de aanwezigheid van verstoringsgevoelige soorten belangrijk. Zoals hiervoor aangegeven is het meest nabijgelegen deelgebied Twiske aangewezen als vogelrichtlijngebied, zodat in eerste instantie aangewezen vogelsoorten relevant zijn. Het Natura 2000-gebied is echter ook aangewezen voor de habitatsoort meervleermuis, waarvan de verblijfplaatsen zich in gebouwen buiten het Natura 2000-gebied bevinden. Vleermuizen zijn aangewezen op zowel verblijfplaatsen als vliegroutes en foerageergebied. Doordat de verblijfplaatsen buiten het Natura 2000-gebied liggen, kunnen plannen buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied ook een negatief effect kan hebben op de instandhoudingsdoelstelling van de populatie in het Natura 2000-gebied.

Het plangebied is geschikt als foerageergebied en vliegroute van deze soort. De meervleermuis is zeer gevoelig voor verstoring door licht. Tenslotte is de toename van kunstverlichting als gevolg van het plan van belang. Tijdens de aanlegfase wordt geen gebruik gemaakt van bouwlampen die lichtuistraling richting het water kunnen veroorzaken. Voor gebruiksfase geldt dat geen buitenverlichting geplaatst wordt die lichtuitstraling richting het water veroorzaakt en dat de ramen van het gebouw worden voorzien van rolgordijnen die lichtuitstraling richting het omringende water voorkomen. Zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase is geen sprake van een toename van lichtuitstraling die zou kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen voor de aangewezen (niet-)broedvogelsoorten en meervleermuis van het Natura 2000-gebied. 3 . 3 . 3

Trilling

Hierbij gaat het om verstoring door trillingen in bodem en water die veroorzaakt worden door menselijke activiteiten. Tijdens de aanlegfase kan sprake

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

17

zijn van trilling door heiwerkzaamheden bij aanleg van het paviljoen. De effecten van trillingen als gevolg van heiwerkzaamheden dragen minder ver dan de eveneens optredende geluidseffecten bij heiwerkzaamheden. Zoals in paragraaf 3.3.1 wordt aangegeven zijn als gevolg van geluid tijdens de aanlegfase geen negatieve effecten op voor het Natura 2000-gebied aangewezen (vogel)soorten te verwachten. Bovendien zijn de aangewezen (niet-)broedvogelsoorten van het Natura 2000gebied volgens de effectenindicator Natura 2000 niet gevoelig voor trillingen (zie bijlage 4). Negatieve effecten op aangewezen soorten als gevolg van verstoring door trillingen zijn dan ook niet aan de orde. 3 . 3 . 4

Optische verstoring

Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Sommige vogelsoorten zijn gevoelig voor verstoring door optische verstoring, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van recreanten. Van de aangewezen vogelsoorten voor Natura 2000-gebield Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske gaat het om roerdomp en visdief (zie bijlage 4). Zoals in paragraf 3.3.1 bij geluid is toegelicht, is het deelgebied het Twiske in de huidige situatie een zeer druk bezocht recreatiegebied, waardoor al veel optische verstoring plaatsvindt. In dezelfde paragraaf wordt verder toegelicht dat hetzelfde geldt voor het plangebied en de omgeving daarvan. Bovendien ontbreekt geschikt broedgebied voor roerdomp in de vorm van rietland en voor visdief in de vorm van spaarzaam begroeide plaatsen in en om het plangebied volledig. Gezien de huidige mate van optische verstoring, de afstand tot het Natura 2000-gebied, de afwezigheid van broedgebied voor de verstoringsgevoelige roerdomp en visdief en de aard van het plan, zijn negatieve effecten als gevolg van optische verstoring niet aan de orde. 3 . 3 . 5

Vermesting en verzuring

In het kader van de plannen is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwng). Uit deze berekening blijkt dat er geen sprake is van een toenamen van de stikstofdepositie op voor verzuring en vermesting kwetsbaar Natura 2000-gebied.

3.4

Conclusies Om negatieve effecten op de voor Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske aangewezen habitatsoort meervleermuis te voorkomen, waarvoor het plangebied geschikt foerageergebied vormt, moeten tijdens

18

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

[Geef tekst op]

de aanleg- en gebruiksfase maatregelen genomen worden om lichtuitstraling te voorkomen: - Om negatieve effecten op meervleermuis tijdens de aanlegfase te voorkomen, dient gewerkt te worden zonder op het water gerichte bouwlampen. Om negatieve effecten op meervleermuis tijdens de gebruiksfase te voorkomen dient lichtuitstraling richting het water voorkomen te worden. Dit kan bijvoorbeeld door de ramen van het paviljoen na zonsondergang met rolgordijnen te verduisteren. Daarnaast dient de plaatsing van buitenverlichting die uitstraling richting het water veroorzaakt achterwege te blijven op het terras, de steigers en de oever. Indien wordt voldaan aan deze voorwaarden, zullen als gevolg van het plan geen (significant) negatieve effecten optreden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het plan is in dat geval niet in strijd met de gebiedenbescherming van de Wnb.

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

19

[Geef tekst op]

4

P r o v i n c i a a l

n a t u u r b e l e i d

4.1

Provinciaal ruimtelijk natuurbeleid Het NNN (voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een sa-

NATUURNETWERK NEDER-

menhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke na-

LAND

tuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Noord-Holland uitgewerkt in de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de bijbehorende Provinciale Ruimtelijke Verordening. Vanuit het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid wordt buiten de NNN-gebieden

WEIDEVOGELLEEFGEBIED

bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van weidevogelleefgebied. Hiertoe zijn specifieke gebieden aangewezen.

Figuur 5. Ligging van het plangebied (blauwe pijl) ten opzichte van het NNN (donkergroen). (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

21

4.2

Inventarisatie NATUURNETWERK NEDER-

Het plangebied ligt niet op gronden die in het kader van het provinciaal ruim-

LAND

telijk natuurbeleid zijn aangewezen als NNN. De dichtstbijzijnde gebieden die zijn aangewezen als NNN betreffen een eiland in de Kerkebreek op circa 300 meter ten noordwesten van het plangebied en het Twiske op ruim 300 meter ten noordwesten van het plangebied (zie figuur 5). Het Twiske is tevens aangewezen als Natura 2000-gebied. Het eiland bestaat uit een afwisseling van rietruigte en wilgenbos. Het Twiske bestaat uit een parklandschap met een afwisseling van grasland, ruigte, bos en watergangen met rietland.

Figuur 6. Ligging van het plangebied (blauwe pijl) ten opzichte van weidevogelleefgebied (lichtgroen). (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) WEIDEVOGELLEEFGEBIED

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als ‘weidevogelleefgebied’ betreft eveneens het Twiske op ruim 300 meter ten noorden van het plangebied (zie figuur 6). op circa 7 kilometer ten oosten van het plangebied. Overige weidevogelleefgebieden liggen op grotere afstand en worden van het plangebied gescheiden door de bebouwde kom van Landsmeer.

4.3

Toetsing 4 . 3 . 1

Natuurnetwerk Nederland

Een ruimtelijk plan mag op basis van de provinciale ruimtelijke verordening geen activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maken die leiden tot: - een belemmering van de omzetting naar een natuurfunctie;

22

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

[Geef tekst op]

-

een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

Het plangebied betreft geen gronden die zijn aangewezen als NNN, zodat het

BELEMMERING OMZETTING

plan niet leidt tot een belemmering van van de omzetting naar een natuur-

NATUURFUNCTIE

functie. De wezenlijke kenmerken en waarden kunnen aan de hand van het natuurbe-

WEZENLIJKE KENMERKEN

heerplan bepaald worden. De om het plangebied gelegen NNN-gebieden vor-

EN WAARDEN

men in het Natuurbeheerplan onderdeel van ‘Laag Holland’. Dit gebied wordt in het Natuurbeheerplan als volgt omschreven: “Laag Holland bestaat uit laagveen en grote droogmakerijen. Het veenweidegebied bestaat grotendeels uit relatief vochtige graslanden met veel sloten, vaarten en ander open water. De droogmakerijen kennen een grotere drooglegging en de bodem bestaat vooral uit klei. Belangrijke kernkwaliteiten van het landschap zijn de openheid, de hoge dichtheden aan weide- en moerasvogels en de specifieke verkavelingspatronen. In het gebied komen zeldzame Europese soorten en habitats voor, zoals hoge dichtheden broedende weide-, water- en moerasvogels, pleisterende watervogels en een grote variatie in verlandingsvegetaties. Deze gebieden hebben om die reden een Natura 2000-status”. Het plangebied vormt onderdeel van deelgebied 76 Twiske, wat in het Natuurbeheerplan wordt omschreven als: “Zandwinplas ingericht als recreatiegebied waar belangrijke natuurwaarden zich hebben kunnen ontwikkelen. Daardoor is dit gebied aangewezen als Natura 2000 gebied en is het meer gericht op natuurbeheer. Het recreatiegebied is gericht op het opvangen van recreanten en evenementen. Door de recreatieve betekenins van dit gebied wordt bij het gebruik van dit gebied een goede combinatie van natuur en recreatie nagestreeft.

Behalve bossen en gazons voor intensief recreatief gebruik kent het gebied ook delen met riet en ruigte, kruidenrijk grasland en vochtig schraalland, veenmmosrietland en spontaan bos. De plas is een belangrijk rustgebied voor watervogels, in het bijzonder smienten.” Op basis van deze omschrijving in het Natuurbeheerplan kunnen de wezenlijke kenmerken van het NNN verdeeld worden in landschappelijke waarden en waardevolle soort(groep)en. - landschappelijke waarden: openheid, specifieke verkavelingspatronen, verlandingsvegetaties en open water. - waardevolle soort(groep)en: broedvogels van weide-, water- en moerasgebieden en overige op basis van Europese wetgeving beschermde soorten. - Het meer in het Twiske als pleisterplaats voor watervogels, waaronder smient. Het plan leidt niet tot aantasting van de landschappelijke waarden. De openheid en het specifieke verkavelingspatroon van het NNN-gebied blijven bij uitvoering van het plan onveranderd en de verlandingsvegetaties en het open water in het NNN blijven intact bij uitvoering van het plan.

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

23

De effecten op de belangrijke soort(groep)en worden al uitgebreid beschreven in de hoofdstukken over Natura 2000 (hoofdstuk 3) en de soortbescherming (hoofdstuk 5). In hoofdstuk 3 wordt toegelicht dat, gezien de grote afstand tot het Natura 2000- en NNN-gebied uitsluitend storingsfactoren relevant zijn die over grotere afstanden op kunnen treden, te weten verstoring door geluid, licht en trilling en optische verstoring. Ook wordt uitgebreid beschreven dat het Twiske en de omgeving van dit gebied in de huidige situatie intensief als recreatiegebied in gebruik zijn, waardoor in de huidige situatie sprake is van veel verstoring. Dit wordt onderschreven in het natuurbeheerplan, waarin wordt aangegeven dat het Twiske ook voor recreatief gebruik van groot belang is. Intensieve recreatie gaat in dit gebied goed samen met natuur, doordat bepaalde delen van het NNN-gebied zijn afgesloten voor recreanten. Daarom en gezien de aard van het plan en de ligging op afstand van het NNNgebied zullen de plannen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige (niet-)broedvogels van weide-, water- en moerasgebieden en pleisterende watervogels. Wel wordt in hoofdstuk 3 en 5 toegelicht dat maatregelen nodig zijn om negatieve effecten door lichtuitstraling op meervleermuis te voorkomen.

Aangezien ook Europees beschermde soorten op basis van het Natuurbeheerplan onderdeel zijn van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, worden hieronder de conclusies over meervleermuis herhaald: - Om negatieve effecten op meervleermuis tijdens de aanlegfase te voorkomen, dient gewerkt te worden zonder op het water gerichte bouwlampen. - Om negatieve effecten op meervleermuis tijdens de gebruiksfase te voorkomen dient lichtuitstraling richting het water voorkomen te worden. Dit kan bijvoorbeeld door de ramen van het paviljoen na zonsondergang met rolgordijnen te verduisteren. Daarnaast dient de plaatsing van buitenverlichting die uitstraling richting het water veroorzaakt achterwege te blijven op het terras, de steigers en de oever. Indien voldaan wordt aan bovenstaande voorwaarden zal het plan niet leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. In dat geval is het plan niet in strijd met de bescherming van het NNN in het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

4 . 3 . 2

Weidevogelleefgebied

Een bestemmingsplan mag op basis van de provinciale ruimtelijke verordening in weidevogelleefgebied geen nieuwbouw, nieuwe weginfrastructuur, en bossen of boomgaarden aanleggen. Daarnaast mogen in het weidevogelleefgebied geen verstorende activiteiten worden uitgevoerd en mogen geen peilverlagingen mogelijk worden gemaakt. Het plangebied ligt op ruime afstand van weidevogelleefgebied en het plangebied maakt geen activiteiten mogelijk die in strijd zijn met bovengenoemde

24

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

[Geef tekst op]

bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening. Negatieve effecten op weidevogelleefgebieden treden niet op als gevolg van het plan. De activiteit is daarmee niet in strijd met het beleid ten aanzien van weidevogelleefgebieden in de provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Noord-Holland.

4.4

Conclusie Negatieve effecten op het NNN treden niet op, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: - Om negatieve effecten op meervleermuis tijdens de aanlegfase te voorkomen, dient gewerkt te worden zonder op het water gerichte bouwlampen. - Om negatieve effecten op meervleermuis tijdens de gebruiksfase te voorkomen dient lichtuitstraling richting het water voorkomen te worden. Dit kan bijvoorbeeld door de ramen van het paviljoen na zonsondergang met rolgordijnen te verduisteren. Daarnaast dient de plaatsing van buitenverlichting die uitstraling richting het water veroorzaakt achterwege te blijven op het terras, de steigers en de oever. Het plan leidt niet tot negatieve effecten op weidevogelleefgebieden. De activiteit is op het punt van natuur niet in strijd met de Provinciale omgevingsverordening indien wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden ten aanzien van verlichting.

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

25

[Geef tekst op]

5

S o o r t e n b e s c h e r m i n g

Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in

WET- EN REGELGEVING

de Wet natuurbescherming. De bescherming van flora en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën: -

-

Strikt beschermde soorten: -

Soorten van de Vogelrichtlijn (art. 3.1);

-

Soorten van de Habitatrichtlijn (art. 3.5).

Overige beschermde soorten: -

Nationaal beschermde soorten (art. 3.10).

Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te

BESCHERMINGSREGIME

doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijk invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Echter, voor vogels die staan in bijlage II van de Conventie van Bern geldt deze uitzondering niet. Daarnaast is er een lijst met jaarrond beschermde broedvogelnesten. Dat houdt in dat voor de op deze lijst genoemde vogelsoorten de nestplaats ook buiten het broedseizoen beschermd is. Het beschermingsregime van de overige (nationaal) beschermde soorten is voor elke soort gelijk. Wel kunnen provincies bij ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 verlenen voor deze soorten. Deze zogenaamde vrijstellingslijsten zijn opgenomen in de provinciale verordeningen en komen tussen de provincies grotendeels overeen. De provincie NoordHolland heeft in haar ‘Verordening vrijstelling’ opgenomen dat voor in totaal 21 soorten een vrijstelling geldt van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid uit de Wnb.

Een overzicht van deze soorten is opgenomen in bijlage 1. Geraadpleegde databanken, verspreidingsatlassen, waarnemingsoverzichten,

BRONNEN

websites en rapporten zijn in de literatuurlijst opgenomen. Op 9 augustus 2017 is via het uitvoerportaal ‘quickscanhulp.nl’ de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd (zie bijlage 2). Gegevens uit de geraadpleegde bronnen worden bij het bespreken van de verschillende soortengroepen alleen genoemd indien ze een meerwaarde voor het onderzoek hebben.

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

27

VELDBEZOEK

Het plangebied is op 10 augustus 2017 bezocht om een indruk te krijgen van de terreinomstandigheden van het plangebied, de omgeving en de voorkomende flora en fauna (zie ook paragraaf 6.1 Veldbezoek).

BESCHRIJVING

Op basis van de verzamelde informatie middels bronnen- en veldonderzoek,

RESULTATEN

bekende ecologische principes en expert judgment volgt onderstaand per soortgroep een beschrijving van de (te verwachten) effecten van de ruimtelijke ingreep op beschermde soorten. Indien het nemen van vervolgstappen (zoals aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing) nodig is, wordt dit eveneens vermeld.

5.1

Planten INVENTARISATIE

Het plangebied bestaat voor het grootste deel uit water, zodat weinig plantensoorten binnen het plangebied voorkomen. Aan de oever van de Kerkebreek zijn opgaande beplanting met es, zachte berk, sleedoorn en wilgen aanwezig. Daarnaast zijn grassen en kruiden als grote brandnetel, ruw beemdgras, hondsdraf en wolfspoot aanwezig. De aangetroffen soorten duiden op voedselrijke omstandigheden. Geschikt biotoop voor beschermde soorten ontbreekt binnen het plangebied. Zo groeit de uit de omgeving van het plangebied bekende soort Kartuizer anjer (zie bijlage 2) in kalkrijke schraalgraslanden, die ontbreken in het plangebied.

EFFECTBEOORDELING

Op basis van het veldbezoek en de geraadpleegde bronnen is een voldoende beeld van de soortengroep vaatplanten ontstaan. In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De uit de omgeving bekende soorten komen niet in het plangebied voor. Het nemen van vervolgstappen voor in het kader van de Wnb beschermde planten is in voorliggende situatie niet nodig.

5.2

Zoogdieren - vleermuizen INVENTARISATIE

Uit de gegevens van de NDFF komt het voorkomen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis naar voren in de omgeving van het plangebied (bijlage 2). In de bomen aan de rand van de Kerkebreek binnen het plangebied zijn geen voor vleermuizen geschikte holtes of loszittende schors aangetroffen. Bebouwing ontbreekt in het plangebied volledig. Vleermuisverblijfplaatsen kunnen dan ook uitgesloten worden binnen het plangebied. Het meer kan wel onderdeel vormen van het foerageergebied dan wel een vliegroute van vleermuizen. Dit geldt voor de wijdverspreide soorten als gewo-

28

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

[Geef tekst op]

ne en ruige dwergvleermuis, maar met name ook voor sterker aan water gebonden meer- en watervleermuis. Als gevolg van het plan gaan geen verblijfplaatsen verloren. Het plangebied

EFFECTBEOORDELING

kan wel een belangrijk onderdeel vormen van het foerageergebied en een vliegroute van vleermuizen, waaronder de soorten meer- en watervleermuis. Deze soorten zijn zeer gevoelig voor lichtverstoring. Om negatieve effecten op meer- en watervleermuis tijdens de aanlegfase te voorkomen, dient gewerkt te worden zonder op het water gerichte bouwlampen. Voor de gebruiksfase geldt dat ’s avonds sprake zal zijn van verlichting in het paviljoen. Om negatieve effecten op meervleermuis en watervleermuis te voorkomen dient lichtuitstraling richting het water voorkomen te worden. Dit kan bijvoorbeeld door de ramen van het paviljoen na zonsondergang met rolgordijnen te verduisteren. Daarnaast dient de plaatsing van buitenverlichting die uitstraling richting het water veroorzaakt achterwege te blijven op het terras, de steigers en de oever. Negatieve effecten op het foerageergebied en een vliegroute van vleermuizen zijn niet te verwachten indien voldaan wordt aan de hierboven genoemde voorwaarden. In dat geval is het aanvragen van een ontheffing van de Wnb voor vleermuizen niet nodig.

5.3

Zoogdieren – overige Het plangebied biedt geschikt leefgebied voor enkele algemene grondgebon-

INVENTARISATIE

den zoogdieren, zoals bosmuis, huisspitsmuis, woelrat en egel. De bomen binnen het plangebied zijn door het ontbreken van holtes ongeschikt voor de uit de omgeving bekende boommarter (zie bijlage 2). Ook verblijfplaatsen van andere marterachtigen zijn niet binnen het plangebied te verwachten. Mogelijk vormt het plangebied wel een klein onderdeel van het foerageergebied van soorten als hermelijn en bunzing. Op de oever ontbreekt (riet)ruigte, zodat het plangebied ongeschikt is voor de uit de omgeving bekende soorten waterspitsmuis en noordse woelmuis. Voor deze soorten is geschikt leefgebied aanwezig in het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Het plangebied heeft een klein landoppervlak en heeft daardoor weinig waarde

EFFECTBEOORDELING

voor grondgebonden zoogdiersoorten. Het is mogelijk dat een verblijfplaats van enkele algemeen voorkomende soorten worden verstoord of vernietigd. Ook kunnen enkele dieren gedood worden. Voor de uit te verwachten algemene zoogdiersoorten geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling van artikel 3.10 lid 1 van de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie ook bijlage 1). Het plangebied vormt mogelijk wel een zeer klein onderdeel van het foerageergebied voor de niet-vrijgestelde soorten bunzing en hermelijn, die incidenteel binnen het plangebied kunnen foerageren. Voor deze soorten is in de omgeving van het plangebied in ruime mate alternatief

167.07.50.00.00 – Advies Natuurwaarden paviljoen Kerkebreek Landsmeer

29

foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op grondgebonden zoogdiersoorten zijn daarom niet te verwachten als gevolg van het plan.

5.4

Vogels INVENTARISATIE

In de bomen in het plangebied zijn geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen. Ook zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals braakballen of prooiresten. Het plangebied bestaat grotendeels uit water en vormt hooguit een zeer klein onderdeel van het foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals gierzwaluw en ransuil. Het plangebied is geschikt als broedgebied voor enkele watervogels, zoals wilde eend, meerkoet, krakeend en waterhoen. Daarnaast kunnen op de oever van de Kerkebreek soorten als merel, winterkoning, tjiftjaf en fitis tot broeden komen.

EFFECTBEOORDELING

Het plangebied verandert als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten, maar zal niet als zodanig verloren gaat. Het plangebied vormt bovendien hooguit een zeer klein onderdeel van het foerageergebied van soorten als gierzwaluw en ransuil. In de omgeving van het plangebied is in ruime mate alternatief foerageergebied voor deze soorten aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen zijn niet aan de orde. Voor de overige soorten geldt daat, indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden opgestart, in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden (Wnb art. 3.1 en 3.5). Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen of door de werkzaamheden voor het broedseizoen op te starten en continu door te voeren. De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt evenwel dat het broedseizoen van ongeveer 15 maart tot 15 juli loopt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=60622f7d-410f-42c5-b862-21a89853b700