CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

B9. Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 28 oktober 2021, gemeente landsmeerBij agendapunt: Vaststellen omgevingsvergunning Terras aan de Breek22.748 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rui m tel ijke onde rbouw in g P av i lj oen Kerke breek te Lan dsmee r

Rui m tel ijke onde rbouw in g P av i lj oen Kerke breek te Lan dsmee r

Inhoud

Rapport met bijlagen

27 augustus 2021 Projectnummer 167.07.50.00.00

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

1.1

Projectgebied

4

1.2

Aanleiding en doelstelling

4

1.2.1

Voornemen

4

1.2.2

Geldend juridisch-planologisch kader

5

1.3 2

3

Leeswijzer

5

Projectbeschrijving

6

2.1

Huidige situatie

6

2.2

Toekomstige situatie

6

2.3

Verzoek om omgevingsvergunning

8

2.4

Bestemmingsplanprocedure

9

Beleidskader

10

3.1

Rijksbeleid

10

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

10

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2012)

10

3.2

3.3 3.4

3.5 4

Provinciaal beleid

11

3.2.1

Structuurvisie Noord-Holland 2040 (2010)

11

3.2.2

Omgevingsvisie NH2050

12

3.2.3

Provinciale Ruimtelijke Verordening (2017)

12

3.2.4

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2010)

14

Regionaal beleid

15

3.3.1

15

Regiovisie Waterland 2040

Gemeentelijk beleid

15

3.4.1

Welstandsnota Landsmeer 2012

15

3.4.2

Beleidsnota Archeologie Gemeente Landsmeer (2011)

15

Conclusies

16

Omgevingsaspecten

17

4.1

Bedrijven- en milieuhinder

17

4.2

Erfgoed

18

4.3

Bodem

20

4.4

Ecologie

22

4.5

Externe veiligheid

25

4.6

Geluidhinder

27

4.7

Luchtkwaliteit

28

4.8

Water

29

4.9

Overig

31

4.9.1

Kabels en leidingen

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

31

5

4.9.2

Verkeerseffecten

31

4.9.3

M.e.r.-verantwoording

33

4.9.4

Duurzaamheid

33

Uitvoerbaarheid

35

5.1

Economische uitvoerbaarheid

35

5.1.1

Grondexploitatie

35

5.1.2

Onderzoeks- en plankosten

35

5.1.3

Planschade

35

5.1.4

Conclusie

35

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bijlagen

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

35

1

Inleiding Het voornemen bestaat om in het water van de Kerkebreek en de aanliggende oever een paviljoen te realiseren. Het geldend planologisch kader biedt geen ruimte voor dit project. Het paviljoen kan mogelijk worden gemaakt door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldend bestemmingsplan. De initiatiefnemer De Dikke Gans b.v. wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Een aanvraag voor deze vergunning dient vergezeld te gaan van een goede ruimtelijke onderbouwing. Deze notitie voorziet in deze onderbouwing.

1.1

Projectgebied

De vergunningsaanvraag heeft betrekking op gronden in het water van de Kerkebreek aan de oever bij de toegang van de Sportlaan naar het Sportpark Landsmeer bij Landsmeer en een deel van de aanliggende oever. Het gaat om gemeentelijke gronden (deel van het kadastraal perceelnummer 4989, sectie A, gemeentecode LMR02). De in onderstaande figuur opgenomen luchtfoto geeft een indruk van het projectgebied.

Figuur 1. Luchtfoto projectgebied (winter 2016, Provincie Noord-Holland)

1.2

Aanleiding en doelstelling

1.2.1 Voornemen Er bestaan plannen voor het realiseren van een paviljoen op bovenbedoelde locatie. Het paviljoen zal een restaurant met buitenterras omvatten, enige aanleggelegenheid voor boten aan een steiger en een steiger als entree naar het horecabedrijf. De footprint van het paviljoengebouw is circa 210 m2. Met terrassen, steigers en zitplaatsen zal het ruimtebeslag in totaal bijna 500 m2 bedragen. Het

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

4

paviljoen kan ter plaatse op palen worden gefundeerd. Enige opslaggelegenheid wordt op de vaste wal bij de toegang naar het paviljoen voorzien. 1.2.2 Geldend juridisch-planologisch kader In het projectgebied is het Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2009 van kracht dat door de raad van de gemeente Landsmeer is vastgesteld op 21-04-2009. De gronden in het projectgebied zijn voorzien van de bestemming ‘Water’. Bij recht is het voorgenomen projectplan wat betreft het gebruik en wat betreft het bouwen niet mogelijk. Het geldende bestemmingsplan voorziet niet in de juiste planologisch-juridische mogelijkheden om het voornemen mogelijk te maken. Hiervoor dient te zijner tijd een ruimtelijke procedure bij de gemeente te worden doorlopen (gekoerst wordt op een vergunning om af te wijken van het geldende bestemmingsplan). Daarbij dient te worden voldaan aan actuele wet- en regelgeving en is ook toetsing aan het ruimtelijke beleidskader van hogere overheden nodig.

Figuur 2. Kaartfragment geldend bestemmingsplan Landelijk Gebied 2009

Voor de oever geldt de bestemming Sport in het bestemmingsplan Luiendijk (vastgesteld op 27 maart 2012). Deze bestemming staat de realisatie van een opslaggebouwtje niet toe.

1.3

Leeswijzer

Na de inleiding in dit hoofdstuk is in hoofdstuk 2 nader op het projectplan ingegaan. Relevant overheidsbeleid is daaropvolgend in hoofdstuk 3 uiteengezet. Een omschrijving van de omgevingsaspecten betreffende de planologische en milieukundige randvoorwaarden is opgenomen in hoofdstuk 4. Als laatste is in hoofdstuk 5 de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid uiteengezet. Bij deze onderbouwing zijn verder enkele bijlagen opgenomen waarnaar in deze toelichting wordt verwezen.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

5

2

Projectbeschrijving 2.1

Huidige situatie

Het projectgebied is in het water van de Kerkebreek gelegen op de grens tussen Landsmeer en het natuurgebied het Twiske. Momenteel geldt in het projectgebied de bestemming 'Water' en is er geen bebouwing in het water aanwezig. Aan de zuidkantoostzijde van het water van de Kerkebreek ligt een parkeerterrein. Aan de zuidwestzijde is een sportpark gelegen. In de huidige situatie wordt het parkeerterrein hoofdzakelijk gebruikt door mensen die het sportpark bezoeken. Aan de noordkant van het water van de Kerkebreek ligt het natuurgebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Dit betreft een drukbezocht recreatiegebied.

Figuur 3. Huidige situatie projectgebied (bron: Google Earth)

2.2

Toekomstige situatie

Het project betreft het realiseren van een horecapaviljoen (café-restaurant) in het water van de Kerkebreek in de gemeente Landsmeer. Er is inmiddels een ontwerp voor een houten paviljoen opgesteld (zie ook figuur 4). Naast het paviljoen is ruimte voor een buitenterras, enige aanleggelegenheid voor boten. Er zal een steiger worden gerealiseerd die het paviljoen met de vaste wal verbindt. Op de oever zal een klein bijgebouw worden gerealiseerd als opslagruimte. Op de volgende pagina is in figuur 4 een plattegrond van de nieuwe situatie en twee impressies van het te realiseren gebouw met terras en steiger afgebeeld.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

6

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

7

Figuur 4. Plattegrond en impressies van het paviljoen (bron: Studio Superuse)

Te voet bereik je het gebouw vanaf de Sportlaan via de steiger. Bezoekers vanaf het water kunnen aan de noordzijde van het gebouw hun boot aanleggen. Voor de bezoekers die met de auto naar het paviljoen gaan is er de mogelijkheid om de auto op het parkeerterrein bij het sportpark te parkeren. Op dit terrein zijn 25 parkeerplaatsen beschikbaar voor bezoekers van het paviljoen. Het café-restaurant zal zich richten op zowel ouderen als gezinnen. Op de begane grond zal de keuken, bar en het zitgedeelte worden gesitueerd. Op de zolder wordt een aparte ruimte gerealiseerd die door groepen kan worden gehuurd. In het paviljoen is plaats voor 125 personen. Het bedrijf zal tevens fungeren als afhaalpunt voor huurfietsen en huurbootjes. Het paviljoen ligt in een hoek van de Kerkebreek waardoor de inbreuk op de openheid van het gebied zo klein mogelijk blijft. Op grond van de landschappelijke kernwaarden van het gebied is gekozen voor een type bebouwing dat goed aansluit bij het karakter van de historische bebouwing in de omgeving: eenvoudig gebouw in hout in een bescheiden kleurstelling, lage goot, markante kap en smalle ramen. Hoewel het geldend bestemmingsplan hiervoor geen kader biedt, sluit het aan bij het door de gemeente nog aan te passen welstandskader.

2.3

Verzoek om omgevingsvergunning

Om de toekomstige situatie uit de vorige paragraag te kunnen realiseren wordt een omgvingsvergunning voor het afwijken van het geldend bestemmingsplan gevraagd. De aanvraag voor deze vergunning is op basis van het projectplan gericht op het volgende: 1.

Het afwijken van de gebruiks- en bouwregels van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2009 voor het water van de Kerkebreek voor het realiseren van een restaurant voor maximaal 100 zitplaatsen in het paviljoen en 100 zitplaatsen op een buitenterras en steigers met poort, een en ander conform bijgaande bouwtekening.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

8

2.

Het afwijken van de gebruiks- en bouwregels van het bestemmingsplan Luijendijk voor het gebruik en bebouwen van een deel van de oeverstrook voor het realiseren van een opslaggebouw een en ander conform bijgaande bouwtekening.

2.4

Bestemmingsplanprocedure

Ten behoeve van de definitieve planologische verankering van de gebruikswijziging van het projectgebied in de Kerkebreek en het aanliggend oevergebied, zal te zijner tijd een bestemmingsplanprocedure worden doorlopen. Vanwege de proceduretijd is nu gekozen voor de weg van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

9

3

Beleidskader Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen wetten, regels en beleid van het Rijk, de provincie, eventueel regionaal gevoerd beleid op intergemeentelijk niveau en de gemeente.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) p 13-03-2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Hierin is de visie van het Rijk op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een selectieve inzet van het rijksbeleid. Daarbij zijn 13 nationale belangen aan de orde. Deze zijn in de SVIR verder gebiedsgericht uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het Kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2012) De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het voornemen en het projectgebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijke plan nationaal belang 13 met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik. Ladder voor duurzame verstedelijking Nationaal belang 13 van de SVIR van het Rijk vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Barro, dat weer verwijst naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 3.1.6, lid 2 Bro schrijft voor dat de onderbouwing van een ruimtelijk plan, waar een nieuwe stedelijke ontwikkeling mee mogelijk wordt gemaakt, aan de Ladder moet voldoen. Per 01-07-2017 is een vereenvoudigde Ladder van toepassing. De voor dit project relevante wijzigingen hierin zijn de volgende: -

De definities zijn niet gewijzigd, waardoor de uitgezette lijn in de jurisprudentie in stand blijft.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

10

-

De begrippen 'actuele' en 'regionale' (behoefte) zijn geschrapt.

-

De nieuwe Ladder bevat geen treden meer. Treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt.

-

Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht.

De tekst uit het Bro luidt nu als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Voor de beantwoording van de voorvraag kan gekeken worden naar de jurisprudentie. Hieruit blijkt dat niet iedere ruimtelijke ontwikkeling als een stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Functies die in de jurisprudentie worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling betreffen: -

accommodaties

voor

maatschappelijke

functies

zoals

een

school,

zorgcomplex,

sportfaciliteiten of een crematorium; -

accommodaties voor ‘leisure’ zoals een hotel of bioscoop;

-

accommodaties voor recreatie.

Uit jurisprudentie blijkt verder dat als sprake is van een terrein met een ruimtebeslag van 500 m2 of meer of een gebouw met een brutovloeroppervlakte (bvo) groter dan 500 m2 een voornemen als een stedelijke

ontwikkeling

moet

worden

aangemerkt

(ABRvS

28

juni

2017

(Dongeradeel),

ECLI:NL:RVS:2017:1724, rechtsoverweging 6.3). Het voornemen voor het paviljoen in de Kerkebreek betreft een gebouw met een bvo van ongeveer 213,54 m2. Het totale ruimtebeslag van het horecabedrijf is 499,41 m2, bestaande uit: -

ca. 213,54 m2 nettovloeroppervlakte van het gebouw;

-

ca. 285,87 m2 terras en steigers.

Gelet op de geringe omvang van het gebouw en ruimtebeslag kan er op grond van jurisprudentie van uit worden gegaan dat het voornemen geen substantiële functiewijziging inhoudt die zich kwalificeert als een stedelijke ontwikkeling. Het voornemen is daarom niet Ladderplichtig.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040 (2010) In de Structuurvisie Noord-Holland 2040 (vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 21-06-2010) zijn de uitgangspunten en de sturingsfilosofie uit het Ontwikkelingsbeeld Noord-Holland Noord, het voorheen geldende streekplan, overgenomen. Uitgangspunt voor de structuurvisie is ‘kwaliteit door veelzijdigheid’. Noord-Holland moet aantrekkelijk blijven in wat het is: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. Gelet

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

11

op voorgaande doelstelling heeft de provincie een aantal provinciale belangen aangewezen. De drie hoofdbelangen (ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid) vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie. De structuurvisie is uitsluitend bindend voor de provincie zelf en niet voor gemeenten en burgers. 3.2.2 Omgevingsvisie NH2050 Inmiddels heeft de provincie de Omgevingsvisie NH2050 opgesteld, waarbij de provincie al enigszins vooruitloopt op de komst van de Omgevingswet. Het ruimtelijk beleid voor de provincie is in de Omgevingsvisie niet wezenlijk veranderd. In de visie is rekening gehouden met nieuwe ontwikkelingen (o.m. de energietransitie) en accenten zijn verschoven. De ontwikkeling die in deze onderbouwing is toegelicht, past binnen de Omgevingsvisie. 3.2.3 Provinciale Ruimtelijke Verordening (2017) Provinciale Staten hebben op 12-12-2016 een nieuwe Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld die per 01-03-2017 van kracht is geworden. De laatste wijziging van de PRV is op 27 mei 2019 door Provinciale Staten vastgesteld. In de PRV zijn de provinciale belangen uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 uitgewerkt in algemene regels. In de PRV is aangesloten bij de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Verschillende regels zijn opgenomen over onderwerpen, in zowel het landelijk als het bestaand stedelijk gebied van Noord-Holland, waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Afhankelijk van de ligging van een projectgebied zijn de regels uit de verordening al dan niet van toepassing. Het bestaand stedelijk gebied is in het provinciale overheidsbeleid beleidsmatig aangewezen voor verdere verstedelijking. Het kaartmateriaal behorende bij de PRV is geraadpleegd om een beeld te krijgen van thema’s die in het projectgebied van belang zijn. Hieruit blijken de volgende thema’s voor het projectgebied relevant: -

grondgebied Provincie Noord-Holland;

-

bufferzone (artikel 24);

-

gebieden voor gecombineerde landbouw (artikel 26);

-

kleinschalige oplossingen voor duurzame energie (artikel 33).

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

12

Figuur 5. Fragment interactieve kaart PRV

Voor het voornemen is enkel de ligging in een bufferzone relevant. De bufferzone betreft de voortzetting door de provincie van het eerder gevoerde rijksbeleid op Rijksbufferzones om een groene rand naar het stedelijk gebied rondom Amsterdam te houden. In navolgende figuur is de ligging van de bufferzone weergegeven en daaruit kan worden opgemaakt dat het projectgebied in de rand hiervan ligt.

Figuur 6. Fragment interactieve kaart PRV (kaart 5b: Bufferzones, vastgesteld door PS 28-09-2015)

Het ontwikkelen van nieuwe bebouwing in een bufferzone is uitsluitend in uitzonderingsgevallen mogelijk en daarbij met verschillende voorwaarden omkleed. In de PRV zijn de regels omtrent het gebruik van de bufferzone opgenomen. Daaruit blijkt dat er geen bezwaar bestaat om nieuwe bebouwing voor een restaurant binnen de bufferzone te realiseren, mits in het plan is aangegeven hoe:

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

13

1.

de open en groene ruimte wordt beschermd;

2.

de ruimtelijke kwaliteit wordt beschermd;

3.

de dagrecreatieve functie wordt versterkt, en;

4.

rekening wordt gehouden met de specifike kernkwaliteiten van de verschillende voormalige Nationale Landschappen.

Bovendien moet de ontwikkeling zijn afgestemd op het aangrenzend stedelijk gebied en de ruimtelijke kwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 15 van de PRV in acht zijn genomen. In dit projectplan is aan deze voorwaarden voldaan. 3.2.4 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2010) In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (door Provinciale Staten in juni 2010 vastgesteld) is aangegeven welke landschappelijke en cultuurhistorische elementen overwogen moeten worden bij (ruimtelijke) ontwikkelingen en uitgangspunt kunnen zijn voor plannen. De ontwikkelingsgerichte benadering is het uitgangspunt van het beleid: behoud door ontwikkeling. In de leidraad is ingegaan op de kernkwaliteiten die gelden als basis voor de ruimtelijke kwaliteit van het landschap van NoordHolland. Het provinciale grondgebied is in de leidraad ingedeeld in verschillende landschapstypen. De provincie wenst de Noord-Hollands landschappen optimaal te gebruiken door hun specifieke (kern)kwaliteiten te benutten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de leidraad blijkt dat het water van de Kerkebreek en dus het projectgebied tot het ‘veenpolderlandschap’ behoort. Nieuwe ontwikkelingen

moeten

aantoonbaar

rekening

houden

met

de

kernkwaliteiten

van

dit

landschapstype. De kernkwaliteiten zijn in de leidraad als volgt beschreven: 'De veenpolders bestaan uit onvergraven veen dat overwegend in gebruik is als grasland. De veengebieden hebben een vlakke ligging en een zeer open karakter. Hierbinnen vormen de lange bebouwingslinten belangrijke elementen. De ontginningswijze van de veengebieden wordt gekenmerkt door een lange ontginningsas langs een natuurlijk of gegraven water langs een weg. Loodrecht op de ontginningsas zijn evenwijdig sloten gegraven, waarmee een strookvormig verkavelingspatroon is ontstaan. De bewoning en bebouwing zijn gelegen langs de ontginningsas, waardoor langgerekte dorpen zijn ontstaan. Veel huizen zijn gebouwd van hout. Klei was weinig voorhanden en hout verzakte minder snel op de drassige bodem dan steen. Op deze algemene ontginningswijze zijn talrijke varianten. Het verkavelingspatroon varieert van zeer regelmatig tot zeer onregelmatig terwijl ook is ingespeeld op specifike omstandigheden, zoals de aanwezigheid van veenstromen en meren. Daarbij is onderscheid in de mate van waterrijkdom. De meeste veenpolders zijn aanvankelijk ingericht als vaarpolders, waarbij de landbouwgronden alleen over het water bereikbaar waren.' In dit projectplan is rekening gehouden met deze kernkwaliteiten.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

14

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Regiovisie Waterland 2040 In de Regiovisie Waterland 2040 (januari 2009) hebben de zeven gemeenten in de regio Waterland hun koers bepaald voor het ruimtelijk beleid op lange termijn. Het centrale motto van de visie is 'Vitaal met Karakter'. In de visie staat behoud en zo mogelijk versterking van het kenmerkende authentieke karakter van de regio voorop, maar wel met de noodzakelijke sociaal-economische en infrastructurele impulsen om de kernen vitaal te houden en de regio binnen de Metropoolregio Amsterdam bereikbaar te maken.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Welstandsnota Landsmeer 2012 De raad heeft op 30-12-2012 de Welstandsnota Landsmeer 2012 vastgesteld. Het doel van welstandstoezicht is een bijdrage te leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van het gemeentelijk grondgebied. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en de beoordeling van bouwplannen. Het projectgebied is niet in een specifiek welstandsgebied ingedeeld, aangezien het projectgebied in de Kerkebreek ligt. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die een bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken, zijn in de welstandsnota geen welstandscriteria opgenomen. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet voornemen aan ten grondslag ligt. Vanwege voorliggend voornemen moeten derhalve nieuwe ruimtelijke randvoorwaarden worden vastgesteld. De gemeente zal concrete stedenbouwkundige randvoorwaarden en beeldkwaliteisen van de bebouwing in aanvulling op de welstandsnota vaststellen. 3.4.2 Beleidsnota Archeologie Gemeente Landsmeer (2011) Op 28-02-2011 is de Beleidsnota Archeologie Gemeente Landsmeer door de raad vastgesteld. In deze notitie is verwoord hoe omgegaan wordt met archeologie binnen de gemeentegrenzen.

Bovendien zijn in de notitie de archeologische verwachtingswaarden binnen de gemeente Landsmeer vastgesteld. Hieraan ten grondslag ligt een inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief waarin is onderzocht welke archeologische resten reeds bekend zijn en welke verwacht worden. Op basis hiervan is de gemeente verdeeld in verschillende archeologiegebieden, elk met eigen ‘spelregels’, die bepalen bij welke planomvang en diepte rekening moet worden gehouden met archeologie. De regimes zijn weergegeven op de Beleidskaart Archeologie. In deze onderbouwing is hiermee rekening gehouden.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

15

3.5

Conclusies

Het initiatief past binnen de rijkskaders, het provinciale, het regionale en het gemeentelijk beleid. Voor zover dat in het beleid is bepaald, is in dit projectplan rekening gehouden met de betreffende regels en instructies. De gemeente zal haar welstandsbeleid voor het projectgebied verder uitwerken, waardoor ook een welstandskader beschikbaar is voor het toetsen van bouwplannen. De slotconclusie is dat het projectplan past binnen de geldende kaders.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

16

4

Omgevingsaspecten Uit de bestaande omgevingssituatie kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden voor een voornemen blijken. Uitgangspunt is dat er een goede omgevingssituatie bestaat. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden voortkomend uit de omgevingsaspecten voor het projectgebied beschreven. Vervolgens is beoordeeld in hoeverre deze eventuele beperkingen voor het voornemen opleveren.

4.1

Bedrijven- en milieuhinder

Wet- en regelgeving Bedrijven (of andere milieubelastende bedrijvigheid) in de directe omgeving van woningen of (andere) milieugevoelige gebieden kunnen daar (milieu)hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen bedrijven en woningen noodzakelijk. Er dient te worden aangetoond dat het voornemen geen belemmering vormt voor nabijgelegen functies. Op basis van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. Systematiek bedrijven en milieuzonering In de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten: 1.

rustige woonwijk en rustig buitengebied;

2.

gemengd gebied.

Functiescheiding In een rustige woonwijk of rustig buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, die in een lijst bij omgevingstype 1 zijn opgenomen, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie tot een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies leidt. Functiemenging In gemengde gebieden is bij de aanwezigheid en het naast elkaar samengaan van uiteenlopende hinderveroorzakende en hindergevoelige functies sprake van functiemenging. In tegenstelling tot

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

17

rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe bestaat de methode dat de bij functiescheiding op grond van de VNG-publicatie aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, etc.). Toetsing Het projectgebied is beoordeeld als ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’. Los van de vraag of dit een correcte typering is, is de keuze voor dit omgevingstype gemaakt in verband met de behoefte om de beoordeling 'worst case' uit te voeren. Het projectgebied ligt op de rand van het stedelijk gebied; de bebouwing houdt hier op. Daarnaast mag je in stedelijk gebied meer lawaai verwachten dan in buitengebied. Ook betreft het geen reguliere situatie doordat het projectgebied grotendeels in het water is gelegen en water ertoe kan leiden dat geluid ver draagt. Door te kiezen voor dit omgevingstype gelden strengere eisen met betrekking tot de omgevingskwaliteit dan voor ‘gemengd gebied’. Op basis van de VNG-publicatie kan de activiteit onder de categorie met SBI-code 561 worden geschaard. Hier wordt de omschrijving restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. aan gegeven. Deze activiteiten vallen onder milieucategorie 1.

Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand tot het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied van 10 meter in verband met de aspecten geur en geluid. Er zou echter gesteld kunnen worden dat wellicht een zwaardere milieucategorie van toepassing is voor het aspect geluid; dit in verband met het feit dat geluid over water ver draagt aangezien er weinig demping is. Indien de richtafstand van 30 meter uit de zwaardere milieucategorie 2 voor het aspect geluid wordt toegepast wordt alsnog ruim aan deze richtafstand voldaan. Vanaf de dichtstbij gelegen grens van het projectgebied gemeten bevindt de dichtstbijzijnde woning op de hoek van de Sportlaan en de Hermessingel zich op ruim 36 meter van de planlocatie. Het horecapaviljoen zal evenwel in het water van de Kerkebreek worden gebouwd waardoor de daadwerkelijke afstand nog groter is. Daarnaast zal het terras aan de zuidwestzijde worden gesitueerd waardoor een zekere mate van afscherming zal plaatsvinden ten opzichte van de woningen. Conclusie Het aspect bedrijven- en milieuhinder leidt niet tot belemmeringen voor wat betreft het voornemen van voorliggend projectplan .

4.2

Erfgoed

Wet- en regelgeving De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

18

het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het projectgebied te bevatten. Voor zover in een projectgebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Onderzoek ARCHEOLOGIE Conform wet- en regelgeving en de gemeentelijke Beleidsnota Archeologie Gemeente Landsmeer met bijbehorende kaart is een archeologische beschermingsregeling voor het gemeentelijk grondgebied van toepassing. In het gemeentelijk archeologiebeleid is aangegeven bij welke planomvang en diepte rekening moet worden gehouden met archeologie.

Figuur 7. Fragment beleidskaart Archeologie (bron: gemeente Landsmeer, geraadpleegd op 25-09-2017

Voor het water van de Kerkebreek blijkt hieruit een archeologische onderzoeksplicht bij ‘Grondingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 35 centimeter’. Daarvan is in dit project geen sprake. Voor het deel van het projectgebied dat op de oever is gelegen geldt een

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

19

archeologische onderzoeksplicht bij ‘Grondingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 35 centiemter’. Daarvan is eveneens geen sprake. Hiermee worden eventueel aanwezige archeologische waarden in het projectgebied beschermd. Bij verlening van de omgevingsvergunning dient zo nodig een archeologisch onderzoek te worden overlegd waaruit blijkt dat er geen archeologische waarden in het geding zijn vanwege het voornemen. CULTUURHISTORIE Als handreiking voor het onderzoek naar cultuurhistorie is de provinciale Leidraad landschap en cultuurhistorie met bijbehorende digitale informatiekaart beschikbaar. Voor het voornemen is deze informatie geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in het projectgebied en directe omgeving geen cultuurhistorische aspecten aanwezig zijn die mogelijkerwijs zouden moeten worden beschermd met dit projectplan . Conclusie Het voornemen van dit projectplan mag wat betreft erfgoed (archeologie en cultuurhistorie), mede gezien de overgenomen archeologische beschermingsregeling, uitvoerbaar worden geacht. NOTA BENE In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit betekent dat wanneer bij graafwerkzaamheden

vondsten

worden

aangetroffen

waarvan

redelijkerwijs

kan

worden

aangenomen dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag (gemeente Landsmeer).

4.3

Bodem

Wet- en regelgeving In het Bro is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer duidelijkheid over de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering moet bestaan. Een onderzoek naar

de

milieuhygiënische

kwaliteit

van

de

bodem

is

derhalve

onderdeel

van

de

onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Daarnaast geldt dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing, waarin is geregeld dat als ter plaatse van een projectgebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er sprake is van een saneringsgeval. Toetsing Op de bodeminformatiekaart van Rijkswaterstaat is in dat kader zoveel mogelijk informatie verzameld over de kwaliteit van de bodem in Nederland. Dit zogeheten bodemloket biedt informatie

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

20

over bodemonderzoeken en –saneringen die in het verleden zijn uitgevoerd. Ook is er informatie opgenomen over bedrijven of terreinen waar ‘verdachte’ werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt en waar mogelijk bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Ook voor onverdachte terreinen geldt overigens dat bodemverontreiniging kan worden

aangetroffen,

omdat

altijd

activiteiten

kunnen

hebben

plaatsgevonden

die

tot

verontreiniging van de bodem hebben geleid en die thans niet bekend zijn. Bij het bodemloket blijkt voor het projectgebied geen informatie bekend te zijn over uitgevoerde bodemonderzoeken en/of bodemsaneringen. Daarnaast wordt ook geen melding gemaakt van historische activiteiten met betrekking tot bodemverdachte werkzaamheden ter plaatse. Er is derhalve geen formele verdenking van bodemverontreiniging voor het projectgebied. Een karterend bodemonderzoek is hierom niet noodzakelijk in het kader van de ruimtelijke procedure van het projectplan. Planologisch bestaan er geen bodemkundige bezwaren tegen het voorgenomen plan voor een horecabedrijf in het projectgebied. Uit de informatie van het bodemloket blijkt echter dat aangrenzend aan het projectgebied een voormalige stortplaats was gelegen. Dit gebied is voorzien van een ophooglaag.

Figuur 8. Kaartfragment bodem (bron: Bodemloket.nl, geraadpleegd op 13-09-2017)

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

21

De locatie is gesitueerd ter plaatse van de Kerkebeek. Aangezien het paviljoen op palen in het water wordt gebouwd zijn er geen contactmogelijkheden met de (onderwater)bodem. Derhalve is de bodem geen onoverkomelijke belemmering voor de afwijking van het geldende bestemmingsplan. Zoals aangegeven is van de aangrenzend land van het projectgebied bekend dat hier een voormalige stortplaats was gelegen. Dit gebied is voorzien van een ophooglaag. Voor werkzaamheden in deze bodem, zoals aan te leggen nutsvoorzieningen, dient vooraf aanvullend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Conclusie Vanuit het oogpunt van de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem zijn er geen formele aanwijzingen dat er sprake is van een bodemkwaliteitsprobleem. Bodemonderzoek in het spoor van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan hierover nadere informatie geven. Omdat het naburig terrein indertijd is gesaneerd, wordt vooralsnog uitgegaan van een uitvoerbaar plan.

4.4

Ecologie

Wet- en regelgeving In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soortenals wel de gebiedsbescherming. Per 01-01-2017 is hiertoe de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Provinciaal ruimtelijk natuurbeleid Het NNN (Natuurnetwerk Nederland, voorheen Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Noord-Holland uitgewerkt in de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de bijbehorende Provinciale Ruimtelijke Verordening. Vanuit het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid wordt buiten de NNN-gebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van weidevogelleefgebied. Hiertoe zijn specifieke gebieden aangewezen.

Onderzoek Het projectgebied is op 10 augustus 2017 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs om een indruk te krijgen van de terreinomstandigheden van het projectgebied, de omgeving en de voorkomende flora en fauna. Het projectgebied ligt niet in en grenst niet direct aan een beschermd gebied in het kader van de Wnb. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske op circa 315 meter ten noorden van het projectgebied. Het betreft deelgebied Twiske, dat is

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

22

aangewezen als vogelrichtlijngebied. Overige natuurgebieden liggen op meer dan 7 kilometer van het projectgebied. Op meer dan 7 kilometer afstand zijn, gezien de aard van de plannen, met uitzondering van mogelijke verzuring en vermesting door stikstofdepositie op voorhand geen effecten te verwachten. EFFECTBEOORDELING Voor geluid geldt dat er in de bestaande situatie al een bepaalde mate van geluidsbelasting rond het projectgebied aanwezig is. Zo ligt het projectgebied ten noorden van het sportpark van Landsmeer en ten westen van een grote parkeerplaats aan de rand van de bebouwde kom van Landsmeer. Ter hoogte van de parkeerplaats ten oosten van het projectgebied kunnen boten te water gelaten worden. In de watergangen ten zuiden van het projectgebied zijn veel aanlegplaatsen met sloepen en andere motorboten aanwezig. Nog relevanter is echter dat het Twiske zelf een drukbezocht recreatiegebied is. De zuidzijde van het Twiske omvat onder meer parkeerplaatsen, wandel- en mountainbikeroutes, een dagkampeerplaats en een zorgboerderij. Daarom is in de bestaande situatie al sprake van veel geluidsverstoring in dit deelgebied van Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. In de aanlegfase wordt geluid geproduceerd, doordat de bouwwerkzaamheden in de buitenlucht plaatsvinden.

De hoogste geluidsniveaus worden bereikt tijdens heiwerkzaamheden (mocht er sprake van een paalfundering) bij realisatie van het paviljoen. De geluidsverstoring in de aanlegfase betreft een tijdelijk effect, in tegenstelling tot het geluid in de gebruiksfase. In de gebruiksfase zal het geluidsniveau licht toenemen door de bezoekers aan het projectgebied. Dit geldt met name tijdens goede weersomstandigheden, wanneer meer gebruik wordt gemaakt van het terras en de aanlegsteiger. In tegentelling tot de aanlegfase is tijdens de gebruiksfase geen sprake van hoge geluidsniveaus die een grote verstoringszone tot gevolg hebben. SOORTENBESCHERMING Planten In het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De uit de omgeving bekende soorten komen niet in het projectgebied voor. Het nemen van vervolgstappen voor in het kader van de Wnb beschermde planten is in voorliggende situatie niet nodig. Zoogdieren- vleermuizen Als gevolg van het projectplan gaan geen verblijfplaatsen verloren. Het projectgebied kan wel een belangrijk onderdeel vormen van het foerageergebied en een vliegroute van vleermuizen, waaronder de soorten meer- en watervleermuis. Deze soorten zijn zeer gevoelig voor lichtverstoring. Om negatieve effecten op de meer- en watervleermuis tijdens de aanleg- en gebruiksfase te voorkomen dienen maatregelen te worden getroffen.

Te denken valt aan het nemen van verduisteringsmaatregelen.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

23

Zoogdieren – overige soorten Het is niet uitgesloten dat een verblijfplaats van enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren worden verstoord of vernietigd. Ook kunnen enkele dieren gedood worden. Voor de uit de omgeving bekende grondgebonden zoogdiersoorten geldt in de provincie Noord-Holland een vrijstelling van artikel 3.10 lid 1 van de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie ook bijlage 1). Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. In het kader van de voorgenomen activiteiten is daarom een ontheffingsaanvraag voor grondgebonden zoogdieren niet nodig. Vogels Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden opgestart kunnen in gebruik zijnde nesten van vogels worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden (Wnb art. 3.1 en 3.5). Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen of door de werkzaamheden voor het broedseizoen op te starten en continu door te voeren. De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt evenwel dat het broedseizoen van ongeveer 15 maart tot 15 juli loopt.

Amfibieën In het geval van ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor de te verwachten algemene amfibieënsoorten in de provincie Noord-Holland een vrijstelling van artikel 3.10 lid 1 van de Wnb. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. In het kader van de voorgenomen activiteiten is daarom een ontheffingsaanvraag voor amfibieën niet nodig. Reptielen en ongewervelden In het projectgebied zijn geen beschermde reptielen en ongewervelden aangetroffen of te verwachten. Als gevolg van de ontwikkelingen treden geen effecten op beschermde soorten op. GEBIEDSBESCHERMING Wnb - voortoets Om negatieve effecten op de voor Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske aangewezen habitatsoort meervleermuis te voorkomen, waarvoor het projectgebied geschikt foerageergebied vormt, moeten tijdens de aanleg- en gebruiksfase maatregelen genomen worden om lichtuitstraling te voorkomen. Indien wordt voldaan aan deze voorwaarden, zullen als gevolg van het projectplan geen (significant) negatieve effecten optreden op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ook blijkt er geen sprake te zijn van een effect als gevolg van de emissie van stikstof tijdens de bouwen de gebruiksfase. Daarvoor is specifiek onderzoek verricht met het model AERIUS door BügelHajema Adviseurs (zie de bijlage bij deze onderbouwing).

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

24

Het project is daarmee niet in strijd met de gebiedenbescherming van de Wnb. Provinciale omgevingsverordening Negatieve effecten op het NNN treden niet op, indien wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden om effecten op de meervleermuis te voorkomen. Het projectplan leidt niet tot negatieve effecten op weidevogelleefgebieden. De activiteit is op het punt van natuur niet in strijd met de Provinciale omgevingsverordening indien wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden ten aanzien van verlichting. Conclusie x

In verband met de bescherming van meervleermuis en de watervleermuis is in het kader van de Wet natuurbescherming en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid van belang dat lichtuitstraling tijdens de aanleg- en gebruiksfase wordt vermeden. In het projectplan is voorzien in maatregelen om lichtuitstraling te voorkomen.

x

Daarnaast dient bij de uitvoering van het projectplan rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels.

Wanneer aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan leidt het projectplan niet tot negatieve effecten op de natuurwaarden, zodat het projectplan uitvoerbaar is voor de Wet natuurbescherming en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

4.5

Externe veiligheid

Algemeen kader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico (GR), waarbij de geldende normen tot doel hebben om een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon dan wel deel uitmakend van een groep. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van tien of meer personen in één keer het (dodelijke) slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het aantal personen in de nabijheid van een incident heeft invloed op de omvang van het groepsrisico.

Tussen het aantal personen en de aard en dichtheid van bebouwing bestaat een causaal verband.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

25

Wet- en regelgeving Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving, waaraan een ruimtelijk besluit moet worden getoetst. Voor het voornemen zijn de volgende besluiten relevant: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi): Met het Bevi en bijbehorende regeling (Revi) zijn de plaatsgebonden risiconormen en de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico met betrekking tot risicovolle bedrijven wettelijk vastgelegd.

-

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt): In het per 01-04-2015 in werking getreden Bevt met bijbehorend informatiesysteem Basisnet staan de gegevens over het transport van gevaarlijke stoffen over grote vaar-, spoor- en autowegen opgenomen.

-

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb): Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Het Bevb heeft een rechtstreekse werking.

-

Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; beter bekend als het Activiteitenbesluit): Het activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden.

VERANTWOORDINGSPLICHT Voor het groepsrisico gelden, anders dan voor het plaatsgebonden risico, geen grenswaarden maar slechts oriënterende waarden. In bovenstaande besluiten is de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes middels een belangenafweging moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Bij een toename van het groepsrisico moet ten opzichte van de oriëntatiewaarde gekeken worden naar alternatieven, zoals de rol van de brandweer en dergelijke. De regionale brandweer heeft, conform artikel 13 van het Bevi en artikel 12 van het Bevb een wettelijke adviesrol bij ruimtelijke plannen waar externe veiligheid een rol speelt. De regionale brandweer toetst of is voldaan aan de verantwoording van het groepsrisico en brengt advies uit ten aanzien van de voorbereiding op grootschalige rampen/incidenten en de bestrijding daarvan. RISICOKAART In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risicoveroorzakende bedrijven die gevaarlijke stoffen gebruiken of produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. Op de risicokaart worden tevens kwetsbare objecten getoond die extra aandacht verdienen in de buurt van risicobronnen. Dit zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden en gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen).

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

26

Toetsing Om na te gaan of voor het voornemen van dit projectplan ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit komt naar voren dat in de nabijheid van het projectgebied een risicovolle inrichting aanwezig is. RISICOVOLLE INRICHTING De risicovolle inrichting in de nabijheid van het projectgebied betreft zwembad de Breek aan de Sportlaan 1. Zwembaden betreffen inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden, maar vallen niet onder de werking van het Bevi. Bij het zwembad wordt chloorbleekloog (natriumhypochloriet) opgeslagen meteen waterinhoudreservoir van 1.450 l. Hierom is het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) van toepassing. Formeel hoeft voor inrichtingen die onder de werking van het RRGS vallen in het planologische spoor geen toetsing van de toelaatbaarheid van nieuwe functies plaats te vinden. Alhoewel een zwembad geen Bevi-inrichting is, is er volgens de Leidraad risicoinventarisatie gevaarlijke stoffen wel degelijk sprake van een potentieel risicovolle inrichting. Toxicologische gevaaraspecten zijn aanwezig in verband met een eventuele chloorwolk die als gevolg van een calamiteit kan ontstaan. Er is geen sprake van een PR10-6-contour rondom het zwembad.

Het invloedsgebied (1% letaal) van het groepsrisico ligt naar maatstaven van de leidraad op ongeveer 75 meter vanaf het opslagpunt (60 m bij 1.000 l en 90 m bij 2.000 l). Het horecapaviljoen is op circa 250 meter van de grens van het zwembadterrein (en op nog grotere afstand van het opslagpunt van chloorbleekloog) gesitueerd. Het aanwezige zwembad in de omgeving leidt dan ook niet tot wettelijke belemmeringen voor de geplande ontwikkeling. Voor het overige zijn in de ruime omgeving van het projectgebied (minimaal 1 kilometer) geen risicobronnen aanwezig. Conclusie De uitvoering van dit projectplan wordt uit oogpunt van externe veiligheid niet belemmerd.

4.6

Geluidhinder

Wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. Van de mogelijkheid tot spoorweglawaai en industrielawaai is in het projectgebied geen sprake. Daarom is in navolgende alleen op wegverkeerslawaai ingegaan. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

27

Toetsing Met het voornemen wordt niet voorzien in het oprichten van een nieuw geluidgevoelig object of functie. Ook vinden er geen ingrijpende wijzigingen in de toeleidende verkeersinfrastructuur rondom het projectgebied plaats waardoor verkeersstromen in belangrijke mate zouden kunnen veranderen ten nadele van geluidgevoelige objecten in de omgeving. Daarnaast ligt het projectgebied in een zone met een verkeersregime van 30 km/uur. Dit betekent dat er geen sprake is van een wettelijke geluidzone waarbinnen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai moet worden verricht. Het uitvoeren van geluidsberekeningen ten aanzien van wegverkeerslawaai is dan ook niet nodig geweest. Conclusie De uitvoerbaarheid van het voornemen van dit projectplan wordt niet door geluidhinder vanwege wegverkeer belemmerd.

4.7

Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Projecten met een invloed van ‘niet in betekenende mate’ (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: -

woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;

-

projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Deze grens komt in 2017 overeen met 1.401 auto’s dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal.

PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10. Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden. Toetsing Dit projectplan maakt een nieuw te bouwen horecapaviljoen in het projectgebied mogelijk. Het restaurant zorgt naar verwachting gemiddeld voor circa 237 extra verkeersbewegingen per etmaal waarvan zes middelzware motorvoertuigen. De bijdrage van dit project op de luchtkwaliteit is aan de hand van deze gegevens getoetst met behulp van de NIBM-tool. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat het voornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. In paragraaf 4.9.2 is nader ingegaan op de te verwachten verkeerseffecten van het voornemen.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

28

Figuur 9. Berekening NIBM-tool, uitgevoerd op 19-08-2020

Conclusie Dit projectplan wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd en dient te worden beschouwd als een nibm-plan.

4.8

Water

Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het projectplan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate er gevolgen zijn voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema’s waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. WATERWET De Waterwet, die per 22-12-2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het eerste Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro.

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

29

BELEID HOOGHEEMRAADSCHAP HOLLANDS NOORDERKWARTIER De waterbeheerder in en in de directe omgeving van het projectgebied is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Op 03-11-2015 is door het HHNK nieuw beleid vastgesteld in de vorm van het Waterprogramma. Hierin zijn de beleidsdoelen en uitgangspunten voor de periode van 2016-2021 beschreven. Daarnaast beschikt het HHNK over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en –keringen. Wateradvies DIGITALE WATERTOETS In het kader van de watertoets is het voornemen op 4 september 2017 en op 6 december 2017 opnieuw ter advisering aan het HHNK voorgelegd. In januari 2018 is aanvullende informatie over het bouwwerk aan HHNK toegestuurd. Op basis van de aangeleverde gegevens is geconstateerd dat het voornemen

een

zodanige

invloed

op

de

waterhuishouding

heeft

dat

een

normale

watertoetsprocedure moest worden doorlopen. HHNK heeft meet enige vertraging op 26 juli 2020 gereageerd. Het advies is in de bijlage opgenomen. In het advies geeft HHNK het volgende aan: x

Omdat het peil eens per 5 jaar met 1 cm naar beneden toe wordt aangepast, zal het paviljoen in de loop van de jaren hoger boven het water komen te staan. De peilverlaging heeft te maken met het feit dat het hoogheemraadschap het niveau van het oppervlaktewater even snel verlaagt als de verlaging van het maaiveld, dat door inklinking per jaar 2 mm zakt. Het HHNK adviseert om hiermee rekening te houden voor zover dat nodig is.

x

HHNK constateert dat er geen aanleiding is voor watercompensatie, omdat de oppervlakte bebouwing boven land minder dan 800 m2 bedraagt.

x

Regenwater kan rechtstreeks in de Kerkebreek worden geloosd, mits de afvoerleidingen en goten van niet-uitloogbare materialen zijn gemaakt.

x

Om drijfvuil te voorkomen is het belangrijk dat het water rond en onder het paviljoen kan doorstromen.

x

De Kerkebreek is geen zwemwater; zwemmen vanaf de steigers is niet verboden, maar kan mogelijk tot een gezondheidsrisico leiden.

x

Uiteraard moet het paviljoen op de riolering worden aangesloten voor de afvoer van zwart rioolwater.

x

Omdat de afstand tussen de onderzijde van het gebouw en de wateroppervlakte niet groot is, zal het baggeren onder het gebouw niet via de gebruikelijke wijze plaats kunnen vinden. HHNK zal daarom in het kader van een watervergunning afspraken over het baggeren en andere beheerzaken maken. De initiatiefnemer moet dan ook een watervergunning aanvragen.

KEUR 2016 Uit de watertoets is naar voren gekomen dat het projectgebied binnen de zonering van een primaire waterloop is gelegen. In artikel 3.2 van de Keur is opgenomen dat het verboden is zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie of

Ruimtelijke Onderbouwing Paviljoen Kerkebreek te Landsmeer - 27 augustus 2021

30

functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of te laten liggen. Hieronder is ook begrepen het aanleggen van een steiger. Voor de realisatie van het paviljoen zal een watervergunning bij het HHNK aangevraagd moeten worden aangezien niet aan de voorwaarden wordt voldaan om enkel te volstaan met een melding. Conclusie Uit oogpunt van het aspect water gelden geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voornemen van dit projectplan, mits de aanwijzingen uit de watertoets gevolgd worden, zoals het aanvragen van een watervergunning voordat de werkzaamheden worden gestart.

4.9

Overig

4.9.1 Kabels en leidingen In het projectgebied kan sprake zijn van nutsinfrastructuur zijnde de gebruikelijke huisaansluitingen betreffende gas, water, elektriciteit, kabel en/of telecom. In en direct rondom het projectgebied zijn echter geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering voor het voornemen zouden kunnen opleveren. 4.9.2 Verkeerseffecten Algemeen Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een voornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (2012) van CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Er zijn kencijfers omtrent de ritproductie voor woon-, werk- en voorzieningenfuncties per weekdagetmaal gegeven en ook parkeerkencijfers, met een minimale en maximale aan te houden bandbreedte. In navolgende zijn de verkeerseffecten vanwege het voornemen in het projectgebied kort in beeld gebracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=60622f7d-410f-42c5-b862-21a89853b700