CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

B18. Ruimtelijke onderbouwing Noordeinde 131

Raadsvergadering 25 april 2024, gemeente landsmeerBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen te verlenen voor het verlenen van een omgevingsvergunning mbt het realiseren van een 2e woning op het perceel Noordeinde 13116.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wat betreft foerageergebied zouden vleermuizen kunnen foerageren in het plangebied echter vormt het plangebied geen essentieel leefgebied voor vleermuizen. Het plangebied is daarvoor te klein om te functioneren als essentieel leefgebied en er zijn ruim genoeg alternatieven aanwezig in de omgeving voor vleermuizen. Potentieel essentieel functioneel leefgebied is enkel in de omgeving van het plangebied aanwezig. Door de geruime afstand tussen deze structuren en het plangebied zullen de geplande werkzaamheden geen effecten hebben op deze structuren.

Het plangebied is voor overige soorten welke beschermd zijn onder de Habitatrichtlijn ongeschikt. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Holland een vrijstelling geldt, zoals algemene (spits)muizen, egel, gewone pad en bruine kikker. Negatieve effecten op deze soorten zijn niet op voorhand uit te sluiten, maar nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat schadelijke effecten op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en muizen zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand.

Voor overige vrijgestelde en niet-vrijgestelde Nationaal beschermde soorten is het plangebied ongeschikt. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Tijdens het veldbezoek zijn geen invasieve exoten vastgesteld in het plangebied. Uitheemse duizendknopen, reuzenberenklauw en/of andere invasieve exoten zijn niet aanwezig.

4.1.4

Conclusie

Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Wet natuurbescherming geen beperkingen worden opgelegd aan deze nieuwbouwontwikkeling wanneer zorgvuldig wordt gehandeld en de hiervoor genoemde maatregelen en zorgplicht in acht worden genomen. De maatregelen en zorgplicht zullen in acht worden genomen. Aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing is niet benodigd. 4.2 4.2.1

Cultuurhistorie en archeologie Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

33

Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.2.2

Cultuurhistorie

In het plangebied zelf en in de directe omgeving daarvan zijn cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. In het plangebied is het historische houten woonhuis gelegen. Voorts geldt het bebouwingslint het Noordeinde, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt, als cultuurhistorisch element. De herontwikkeling van de locatie Noordeinde 131-133 doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden in het gebied. De bebouwing welke wordt gesloopt ten behoeve van de herontwikkeling betreft geen karakteristieke bebouwing. De nieuwe woning aan het Noordeinde wordt gebouwd in het bestaande lint waardoor het historische bebouwingslint gehandhaafd blijft en zelfs wordt versterkt. Door het mogelijk maken van de nieuwbouw kan bovendien de bestaande cultuurhistorisch waardevolle woning als gemeentelijk monument worden aangewezen en is het behoud van de woning verder gewaarborgd. Tot slot verspringen het bestaande woonhuis en de nieuwe woning duidelijk ten opzichte van elkaar waardoor het historische houten woonhuis zichtbaar blijft vanaf de openbare ruimte. 4.2.3

Archeologie

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: 1. Monumentenwet 1988 2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten 3. Wet tot behoud van cultuurbezit 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied 5. Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die gelden in de voorgaande regelingen. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet. Doelstelling van de wetten is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn: 

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);

in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;

de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

34

Onderzoek / beoordeling De gemeenteraad van Landsmeer heeft op 28 februari 2011 de Beleidsnota archeologie en de bijbehorende kaart opgesteld. Op de beleidskaart zijn voor het grondgebied van de gemeente verschillende regimes vastgelegd die bepalen bij welke planomvang en diepte rekening moet worden gehouden met archeologie. Om de archeologische waarden juridisch te waarborgen bij eventuele toekomstige ontwikkelingen zijn in het vigerende bestemmingsplan ‘Het Lint 2015’ archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. De regelingen uit de beleidsnota archeologie zijn in dit bestemmingsplan overgenomen, zodat eventuele archeologische waarden juridisch gewaarborgd zijn. Zoals in paragraaf 1.3 reeds aangegeven geldt op het grootste deel van het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. De betreffende gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming) mede bestemd voor behoud en/of herstel van de aan deze gronden eigen zijnde archeologische/cultuurhistorische waarde(n).

In afwijking van het bepaalde in de aangegeven basisbestemmingen mogen in of op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van onder meer bouwwerken met een oppervlakte van 50 m2 of minder en bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 50 m2, maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 35 cm onder het maaiveld voor wat betreft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Voor wat betreft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ gelden dezelfde voorwaarden, maar is een oppervlakte van 500 m2 van toepassing. Met een omgevingsvergunning kan, op basis van archeologisch onderzoek, van het bovenstaande worden afgeweken. De nieuw te bouwen woning kent een oppervlakte van circa 119 m2 en bevindt zich volledig (of nagenoeg volledig) op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Bovendien zullen er, gelet op de verwachte wijze van funderen, grondroerende werkzaamheden plaatsvinden die dieper gaan dan 35 cm onder het maaiveld. In verband met het voorgaande is archeologisch onderzoek benodigd. Door Hollandia Archeologen is in 2023 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd (bijlage 3).

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek In het bureauonderzoek is op basis van historische, aardwetenschappelijke en archeologische gegevens aan het dorpslint langs de Dorpsstraat een hoge verwachting toegekend voor het aantreffen van archeologische waarden (nederzettingsresten, zoals funderingen van (bij)gebouwen, waterputten, beerputten etc.) uit de vroege middeleeuwen C tot en met de nieuwe tijd. In de oude waterlopen kunnen afvaldumps en beschoeiingen worden verwacht, waardoor hiervoor een middelhoge verwachting geldt. Het uiterste oostelijke deel valt buiten het gebied van het dorpslint, waardoor hiervoor een lagere verwachting geldt. Met het verkennend onderzoek is duidelijk geworden dat het gebied is opgehoogd maar er lijken verder geen grondroeringen te hebben plaatsgevonden. Hierdoor is het oppervlak, waar mogelijke archeologische waarden uit de vroege middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd kunnen worden aangetroffen, in goede staat. Alhoewel er geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen is het aantreffen van archeologische waarden niet volledig uit te sluiten. De hoge verwachtingen uit het bureauonderzoek kunnen worden onderschreven. Het uiterste oostelijke deel valt buiten het gebied van het dorpslint, waardoor hiervoor in het bureauonderzoek een lagere verwachting was vastgesteld.

Ondanks deze lage verwachting zijn dezelfde bodemlagen aangetroffen als in het westen van het

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

35

gebied. Hierdoor kan met de resultaten van het inventariserend onderzoek de verwachting worden verhoogd. Er wordt geadviseerd om de graafwerkzaamheden tijdens de bouw te laten begeleiden door een gecertificeerd archeologisch bedrijf wanneer er dieper gegraven wordt dan 55 cm -mv. Hiervoor wordt een inventariserend proefsleufonderzoek variant archeologische begeleiding voor voorgesteld (IVO-P, protocol 4003). Bij een variant archeologische begeleiding zal een archeoloog aanwezig zijn bij de graafwerkzaamheden om onder andere eventuele archeologische waarden en de bodemopbouw te documenteren. 4.2.4

Conclusie

Afhankelijk

van

de

diepte

van

de

grondroerende

werkzaamheden

kan

archeologisch

vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Indien de bodemingrepen dieper zullen reiken dan 55 cm -mv zal er een archeologisch waardestellend onderzoek worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend proefsleuvenonderzoek, variant archeologische begeleiding (IVO-P, protocol 4003). De graafwerkzaamheden zullen in dat geval worden begeleid door een gecertificeerd archeologisch bedrijf. Eventuele archeologische waarden en de bodemopbouw worden gedocumenteerd. Met inachtneming van bovenstaande werkwijze zijn er vanuit cultuurhistorie en archeologie geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. 4.3 4.3.1

Verkeer en parkeren Verkeer

De locatie aan het Noordeinde 131 is te bereiken vanaf het Noordeinde. In zuidelijke richting kan de A10 worden bereikt. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwbouw zullen het plangebied eveneens op bovengenoemde manier bereiken en verlaten. De verkeersaantrekkende werking van de toe te voegen vrijstaande woning, is te bepalen aan de hand van kencijfers van CROW-publicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren’ uit 2018. Hierbij is rekening gehouden met de kencijfers behorende bij ‘matig stedelijk’ en ‘schil centrum’. Op basis van de planopzet is de volgende inschatting te maken: Omschrijving

Min.

Max.

Aantal (st)

Tot. min.

Tot. max.

Koopwoningen (vrijstaand)

7,6

8,4

1

7,6

8,4

7,6

8,4

Totaal verkeersbewegingen/etmaal Tabel verkeersgeneratie per dag nieuwbouw

Op basis van bovenstaande berekening resulteert de toename van het aantal verkeersbewegingen per dag als gevolg van de nieuwbouw in circa 8 tot 9. Gezien deze relatief beperkte toename en het doorgaande karakter van het Noordeinde, mag er vanuit worden gegaan dat voorliggend initiatief niet zal leiden tot problemen met de verkeersafwikkeling in de directe omgeving van het plangebied. De toename van het aantal verkeersbewegingen heeft voor aangrenzende woningen ten opzichte van de huidige functie een gering en verantwoord effect.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

36

4.3.2

Parkeren

De Mobiliteitsvisie Landsmeer is in november 2017 vastgesteld. Hierin is de visie en het beleid op het gebied van verkeer, vervoer en mobiliteit verwoord. Onder andere bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid komen aan bod. De mobiliteitsvisie heeft het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP) vervangen. Aan de mobiliteitsvisie is het Uitvoeringsprogramma 2018-2021 verbonden waarin de projecten zijn beschreven waaraan wordt gewerkt om de gestelde doelen te realiseren. Als uitwerking van de Mobiliteitsvisie is de Parkeernota Landsmeer 2021-2025 opgesteld. Deze Parkeernota is vastgesteld door de gemeenteraad van Landsmeer op 25 maart 2021. De parkeernormen zijn specifiek uitgewerkt in de nota ‘Beleidsregels Parkeernormen Landsmeer’. De betreffende beleidsregels zijn op 25 mei 2021 door het college van B&W van gemeente Landsmeer vastgesteld. Op basis van de vastgestelde beleidsregels kan inzicht worden verkregen in de parkeerbehoefte van de nieuwe vrijstaande woning. Voor vrijstaande woningen in het gebied ‘Overig kern Landsmeer’ geldt een parkeernorm van 1,9 per woning. Het parkeren wordt zowel bij de bestaande woning als bij de nieuwe woning volledig op eigen terrein opgelost door het realiseren van twee parkeerplaatsen per woning aan de voorzijde van de (nieuwe) woning Noordeinde 133. Hiermee wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. 4.3.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. 4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: 

de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;

de luchtkwaliteit tengevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;

de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;

het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL).

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

37

AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: 

Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.4.2

Onderzoek / beoordeling

De realisatie van één vrijstaande woning in de bebouwde kom van Landsmeer kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Voor de volledigheid is de NIBM-tool gebruikt om te toetsen of er sprake is van een NIBM-project. Zoals reeds is vastgesteld zal het aantal voertuigbewegingen met voorliggend plan, als gevolg van de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning, met maximaal 9 motorvoertuigen per etmaal toenemen. De invoer van de maximaal te verwachten toename van verkeersbewegingen in de NIBM-tool leidt tot de conclusie dat het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

38

Rekenresultaat NIBM-tool (bron: http://www.infomil.nl)

Conclusie Uit het vorenstaande blijkt dat onderhavig project valt binnen de begrenzing van ‘niet in betekende mate’ (NIBM). Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

Het Besluit op de ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Met voorliggend initiatief zal het gebruik van de gronden in het plangebied worden gewijzigd van een grotendeels onbebouwde tuinfunctie naar een woonfunctie. Door middel van bodemonderzoek is door Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. in beeld gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie bij elkaar passen. 4.5.2

Onderzoek / beoordeling

Verkennend bodemonderzoek In 2016 is door Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (bijlage 4). Tijdens dit bodemonderzoek zijn in de bovengrond diverse lichte verhogingen aangetoond en voor lood en zink geldt dat het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde wordt overschreden

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

39

(matige verhoging). De gehalten komen overeen met de achtergrondwaardekaart uit de Nota Bodembeheer, zodat geconcludeerd is dat dit overeenkomt met de omgeving en derhalve geen nader onderzoek noodzakelijk is. Door de omgevingsdienst is aangegeven dat toch aanvullende analyses noodzakelijk zijn alvorens goedkeuring gegeven kan worden op een Omgevingsvergunning bouwen. In de ondergrond zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde geen verhogingen aangetoond. In het grondwater zijn barium en naftaleen aangetoond in een gehalte boven de streefwaarde. De resultaten van het bodemonderzoek hebben verder geen aanleiding gegeven tot het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek. Actualiserend bodemonderzoek In 2023 is door Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (bijlage 5). Het doel van het onderzoek betrof het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de concentraties van de vermoede verontreinigende stof in de grond boven de achtergrondwaarde wordt aangetroffen. Uit het actualiserend bodemonderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie wisselend verontreinigd is met lood en zink (overschrijding van de interventiewaarde) en in een enkel geval met barium. Koper en PAK (10 VROM) worden ook als kritisch aangemerkt.

De overige zware metalen zijn doorgaans licht verhoogd in de grond aanwezig. Soms overschrijden de concentraties aan barium, lood en/of zink de interventiewaarde niet, maar gemiddeld genomen wordt de interventiewaarde overschreden. Aangezien er sprake is van een heterogene verontreiniging zijn geen mogelijke niet ernstige verontreinigde zones aan te wijzen. De verontreiniging is aanwezig vanaf het maaiveld tot een diepte van 0,5 à 0,8 m-mv. Uitgaande van de oppervlakte van de onderzoekslocatie van 590 m² wordt de omvang van de verontreiniging op de onderzoekslocatie geschat op 400 m³ vaste bodem, zodat op perceelniveau sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m³ sterk verontreinigd). 4.5.3

Conclusie

Ter plaatse van het plangebied is een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig (meer dan 25 m3 grond met lood en zink boven de interventiewaarde). De opdrachtgever is voornemens om de verontreiniging te saneren. De gewenste saneringstechniek betreft het afdekken van de verontreiniging door het aanbrengen van een leeflaag met een dikte van tenminste 0,5 meter. Op basis van huidige planning zal dit binnen 1 à 2 jaar plaatsvinden. Om deze sanering mogelijk te maken zal een BUS-melding of saneringsplan ter goedkeuring ingediend worden bij het bevoegd gezag. Met inachtneming van bovengenoemde wijze van saneren, zijn er geen relevante risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig in relatie tot de voorgenomen activiteiten ter plaatse van het plangebied.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

40

4.6

Geluidhinder

4.6.1

Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km /h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2

Wegverkeerslawaai

Onderhavig initiatief biedt op de locatie Noordeinde 131 de mogelijkheid tot het realiseren van één nieuwe vrijstaande woning. De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwd een woning als een zogenaamd geluidsgevoelig object. Onderzocht dient te worden of toetsing aan de wet geluidhinder dient plaats te vinden. In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones. Bij woningbouw binnen deze zones dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Een uitzondering hierop zijn de wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een snelheidregiem van maximaal 30 km/h geldt. Normstelling Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan.

Voor de locatie Noordeinde 131 geldt, als stedelijk gebied, een voorkeursgrenswaarde van 48dB en een uiterste grenswaarde van 63 dB. De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB. Onderzoek Zoals in het voorgaande aangegeven geldt voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/uurgebied geen wettelijke geluidszone en is langs deze wegen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

41

dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wet geluidhinder hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader gehanteerd. Het Noordeinde, de Varenstraat en de Vogelwikkestraat zijn relevante 30 km/uur-wegen. Verder is van belang dat zodanige gevelmaatregelen worden genomen dat de maximaal aanvaarde binnenwaarde op grond van het Bouwbesluit ten hoogste 33 dB bedraagt. Om de exacte geluidsbelasting, na aftrek artikel 110g Wet geluidhinder, op de nieuwe gevels te berekenen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door SPA WNP ingenieurs (bijlage 6). Hieruit blijkt dat bij de nieuwe woning de geluidsbelasting ten gevolge van het Noordeinde maximaal 51 dB bedraagt, ten gevolge van de Varenstraat maximaal 35 dB en ten gevolge van de Vogelwikkestraat maximaal 24 dB.

De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Varenstraat en de Vogelwikkestraat is derhalve niet hoger dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op het Noordeinde is wel hoger dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, maar ruim lager dan de maximale ontheffing, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Uit het onderzoek is verder gebleken dat toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidsbelasting tot 48 dB, onvoldoende doeltreffend zijn dan wel, overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijk of financiële aard. Omdat 30 km/uur-wegen volgens de Wet geluidhinder niet gezoneerd zijn, kan voor de geluidsbelasting van deze wegen geen hogere waarde worden verleend. Nu de geluidsbelasting ten gevolge van het Noordeinde hoger is dan de voorkeurswaarde, maar ruim lager dan de maximale ontheffing is de geluidbelasting ten gevolge van deze 30 km/uur weg aanvaardbaar. Cumulatie geluid en Bouwbesluit Om te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit 2012, moet een voldoende karakteristieke geluidwering van de gevels worden bereikt. Daarmee moet bij het ontwerp van de woningen rekening worden gehouden.

Ten behoeve van de bepaling van eventuele geluidwerende voorzieningen, dient gerekend te worden met de gecumuleerde geluidsbelasting exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder. Extra geluidwerende voorzieningen kunnen noodzakelijk zijn om het maximale binnenniveau niet te overschrijden. Het maximaal toelaatbare binnenniveau ter plaatse van woningen bedraagt 33 dB. Conform het Bouwbesluit wordt als uitgangspunt genomen dat een gevel van een gebouw een minimale gevelwering heeft van 20 dB. Derhalve dient bij een geluidsbelasting vanaf 53 dB geluidwerende voorzieningen bepaald te worden. Volgens het Bouwbesluit 2012 hoeft, bij de bepaling van de geluidwering van de gevels, alleen rekening gehouden te worden met de vastgestelde hogere grenswaarde. Bij de bepaling van een vereiste waarde van de geluidwering mag de aftrek, conform artikel 110g van de Wet geluidhinder, niet in rekening worden gebracht en moet worden uitgegaan van alle geluidbronnen waarvoor een hogere waarde vastgesteld moet worden. In de voorliggende situatie zou niet getoetst hoeven te worden aan de eisen uit het Bouwbesluit.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

42

Vanuit een goed woon- en leefklimaat is het aan te bevelen om uit te gaan van de totale gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle relevante (30 km/uur) wegen. Dit betekent dat uitgegaan moet worden van een geluidbelasting van maximaal 56 dB. 4.6.3

Spoorwegverkeerslawaai

Gebleken is dat onderhavige planontwikkeling niet gelegen is binnen de wettelijke zone van een spoorweg. 4.6.4

Industrielawaai

Gebleken is dat onderhavige planontwikkeling niet gelegen is binnen de wettelijke zone van een industrieterrein. 4.6.5

Conclusie

Geconcludeerd kan dan ook worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor voorgenomen initiatief. 4.7 4.7.1

Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

43

omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging langs de relatief drukke doorgaande hoofdweg het Noordeinde en de afwisseling van woonfuncties en bedrijfsfuncties in het bestaande bebouwingslint, worden gekarakteriseerd als gemengd gebied. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en Richtafstand tot rustig buitengebied gemengd gebied 1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

omgevingstype

Richtafstanden en omgevingstype

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2

Onderzoek / beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de situatie ter plaatse van het plangebied. Bij de toetsing is de planologische situatie maatgevend. De bedrijvigheid die zich volgens het planologische regime mag vestigen komt aan de orde. Er wordt derhalve uitgegaan van de maximale planologische invulling van de toegekende bestemming. De situatie ter plaatse van het plangebied betreft de toevoeging van in totaal één nieuwe vrijstaande woning. Gebleken is dat burgerwoningen milieugevoelige objecten zijn. In de nabije omgeving van het plangebied bevindt zich één bedrijfsbestemming, te weten: 

Noordeinde 148/150, bestemming ‘Bedrijf’

Ter plaatse van het Noordeinde 148/150 vigeert (deels) de bestemming ‘Bedrijf’ op grond waarvan bedrijven in de categorieën 1 en 2 zijn toegestaan zoals genoemd in bijlage 5 van het vigerende bestemmingsplan (Staat van bedrijven). Voor dergelijke bedrijven geldt een maximale richtafstand van 30 meter tot een rustige woonwijk. Deze afstand kan worden verkleind naar 10 meter voor onderhavig gemengd gebied, zoals uiteengezet in paragraaf 4.7.1. Deze afstand dient gemeten te worden vanaf de rand van het bestemmingsvlak zoals opgenomen in het daarvoor geldende bestemmingsplan. Met onderhavige ontwikkeling wordt voldaan aan de richtlijnen uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De nieuwe vrijstaande woning is gelegen op circa 30 meter van het bestemmingsvlak behorende bij de bestemming ‘Bedrijf’. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand en is een goed woon- en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd wanneer het gaat om de bedrijvigheid ter plaatse van

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

44

het Noordeinde 148/150. Indien de omgeving van het plangebied wordt getypeerd als rustige woonwijk wordt nog steeds voldaan aan de richtlijnen uit de VNG-uitgave. Daarnaast wordt opgemerkt dat de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten achter de bestaande woonbebouwing langs het Noordeinde plaatsvinden. Andersom geldt dat er reeds bestaande woningen dichterbij de bedrijvigheid zijn gesitueerd die voor een beperking in geluidemissie van de bedrijvigheid zorgen. Ter plaatse van deze bestaande woningen dient op dit moment aan de geluidvoorschriften te worden voldaan. De nieuwe woning komt ten opzichte van deze woningen niet dichterbij zodat de bedrijvigheid niet verder beperkt wordt in zijn (akoestische) bedrijfsvoering. 4.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8 4.8.1

Externe veiligheid Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: 

risicovolle (Bevi-)inrichtingen;

vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

45

objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden.

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

46

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2

Onderzoek / beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar object, zodat de nieuwbouw getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl)

Transport gevaarlijke stoffen 

Transport over water

Er ligt in de directe omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. 

Transport over spoor

Er ligt in de directe omgeving van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. 

Wegtransport

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

47

Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg met een route gevaarlijke stoffen, zodat de onderhavige bouwplanontwikkeling geen belemmering vormt. 

Transport per buisleiding

Er liggen in de nabijheid van het plangebied geen buistransportleidingen. Er is geen sprake van een beperking voor het plangebied. Inrichtingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI. 4.8.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor het realiseren van één nieuwe vrijstaande woning ter plaatse van de locatie Noordeinde 131 te Landsmeer. 4.9

Kabels en leidingen

Uit de toelichting en verbeelding van het bestemmingsplan “Het Lint 2015” is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. 4.10 Water 4.10.1

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2

Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

48

Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KWR) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk Waterwet De Waterwet inwerking getreden 22 december 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet vervangt de bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland, met uitzondering van de Waterschapswet. Nationaal Waterplan 2016-2021 De Waterwet schrijft voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld.

Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterplan 2022-2027 zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer.

Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterplan is hieraan invulling gegeven met een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. 4.10.3

Beoordeling

Voor onderhavig plan is de watertoets uitgevoerd via de Digitale Watertoets. Aan de hand van de ingevoerde gegevens is bepaald dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets en kan de beperkte invloed worden ondervangen met standaard maatregelen. Deze maatregelen staan in het wateradvies van het

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

49

Hoogheemraadschap genoemd en zijn in het onderstaande verwerkt. De rapportage digitale watertoets is als bijlage 7 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Met de voorgenomen ontwikkeling zal de waterhuishouding in het plangebied veranderen ten opzichte van de bestaande situatie. Op de locatie met in de huidige situatie een garage/schuur van circa 35 m2, wordt één nieuwe vrijstaande woning met berging gerealiseerd. Door de planontwikkeling zal het verhard oppervlak enigszins toenemen. De woning met bijgebouw kent een oppervlakte van in totaal circa 126 m2. Voor de parkeervoorzieningen aan de voorzijde van de nieuwe woning Noordeinde 133, vormen grastegels de basis. Met aftrek van de oppervlakte van de bestaande schuur zal per saldo circa 100 m2 aan extra verhard oppervlak worden gerealiseerd. In de watertoets is aangegeven dat verharding slechts in zeer beperkte mate toeneemt. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Voorts geldt dat alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen vergunningplichtig zijn, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud.

Voorkomen dient te worden dat waterlopen niet meer goed bereikbaar zijn voor zowel regulier als periodiek onderhoud (maaien en baggeren), omdat deze worden ingesloten door de nieuwe ontwikkeling/bebouwing. Dit geldt met name in het stedelijk gebied, waar het hoogheemraadschap de ambitie heeft om het onderhoud van gemeenten over te nemen. Indien er ter plaatse geen varend onderhoud wordt uitgevoerd, dient een obstakelvrije zone van tenminste 5 meter aangehouden te worden. Bij nieuwbouwprojecten dient de regenwaterriolering te worden aangelegd met inachtneming van de uitgangspunten van het duurzaam omgaan met regenwater. De vuil- en regenwaterriolering worden volgens dit principe gescheiden. Het Hoogheemraadschap heeft in haar wateradvies geadviseerd om voor onderhavige ontwikkeling een gescheiden stelsel aan te leggen. Bij de bouw van de woning wordt derhalve een gescheiden stelsel aangelegd. Er zal worden gezocht naar mogelijkheden om het hemelwater af te voeren naar oppervlaktewater rondom het plangebied. Een andere mogelijkheid is om het hemelwater te infiltreren in de achtertuin behorende bij de nieuwe woning. Voorts zal bij de bouw van de woningen geen gebruik worden gemaakt van uitloogbare materialen. 4.11 Duurzaamheid 4.11.1

Duurzame leefomgeving

Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie. 4.11.2

Klimaatbestendigheid

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

50

en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. 4.11.3

Energietransitie

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Ten aanzien van onderhavige ontwikkeling geldt dat de nieuwe vrijstaande woning gasloos wordt opgeleverd. Daarnaast zal de woning voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van de energieprestatie. Door middel van energieprestatieberekening is aangetoond dat voldaan wordt aan de minimale Rc-waarde, de maximale U-waardes en aan de BENG 1, BENG 2 en BENG 3-eis. 4.12 M.e.r.-beoordeling 4.12.1

Wettelijk kader

In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 4.12.2

Vormvrij m.e.r.-beoordeling

Kenmerken van het project Het initiatief ziet op de realisatie van één extra vrijstaande woning op het perceel Noordeinde 131-133 in de bebouwde kom van Landsmeer. Met de ontwikkeling wordt het mogelijk om de bestaande cultuurhistorisch waardevolle woning op het perceel te behouden en aan te wijzen als gemeentelijk monument. Er is sprake van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. De ontwikkeling ziet niet op productie van afvalstoffen en/of verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende functies.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

51

Plaats van het project Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Landsmeer in een bestaand bebouwingslint welke hoofdzakelijk een woonfunctie kent. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat ligt op circa 300 meter afstand. De voorgenomen ontwikkeling leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied. De ontwikkeling leidt verder niet tot een aantasting van historische, culturele of archeologische belangen. De nieuwe woning aan het Noordeinde wordt gebouwd in het bestaande lint waardoor het historische bebouwingslint gehandhaafd blijft en zelfs wordt versterkt. Door het mogelijk maken van de nieuwbouw kan bovendien de bestaande cultuurhistorisch waardevolle woning als gemeentelijk monument worden aangewezen en is het behoud van de woning verder gewaarborgd. Tot slot verspringen het bestaande woonhuis en de nieuwe woning duidelijk ten opzichte van elkaar waardoor het historische houten woonhuis zichtbaar blijft vanaf de openbare ruimte. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op het milieu. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. De complexiteit is gering, gelet op de omvang van het plangebied en ligging te midden van bestaande woningen.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

52

5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1

Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. De ontwerpbeschikking wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de ter inzage legging is het voor eenieder mogelijk een zienswijze in te dienen. Tegen het definitieve besluit kan in bezwaar en beroep worden gegaan. 5.2.1

Omgevingsdialoog

Alle omwonenden zijn door initiatiefnemers in augustus en september 2022 geïnformeerd. Zij hebben de nieuwe terreinindeling, renderingen, parkeervoorzieningen en brugbouw gezien. Zij zijn blij met het ingetogen karakter van het pand in harmonie met het houten huis en aanbouw daarvan. Ook de plaats waar het nieuwe huis wordt gebouw, wordt gewaardeerd. Doordat de gevellijn gelijk is met de huidige garage wijzigt er in het uitzicht van de buren namelijk niets. Kleuren en materialen worden gewaardeerd en men vindt het een verrijking voor de buurt.

Ruimtelijke onderbouwing Landsmeer – Noordeinde 131-133

53

6 Eindconclusie Voorliggend initiatief tot het realiseren van een extra woning met berging op het bestaande woonperceel aan het Noordeinde 131-133 te Landsmeer voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Er is geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk of de provincie Noord-Holland. Door onderhavig initiatief wordt het mogelijk om de bestaande cultuurhistorisch waardevolle woning als gemeentelijk monument aan te wijzen. Het initiatief draagt daarmee bij aan het behoud en de ontwikkeling van het Noord-Hollandse cultuurlandschap. De nieuwe vrijstaande woning versterkt de bestaande stedenbouwkundige structuur en wordt voorzien van een passende beeldkwaliteit. Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de Wet natuurbescherming. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. Het voornemen is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=37d03e82-97bf-45ad-83d3-a44791d8a231