Adviesrapport ROB Wisselwerking
Tekst van het document
In de praktijk wordt vaak echter gesproken over de gemeenschappelijke regeling in de betekenis van het gemeenschappelijk openbaar lichaam. Dat is echter niet juist. De gemeenschappelijke regeling is te vergelijken met de statuten bij een privaatrechtelijke rechtspersoon of een privaatrechtelijke overeenkomst. De gemeenschappelijke regeling zelf doet niets, het is een juridisch document. De Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is de wet die de publiekrechtelijke samenwerking tussen bestuursorganen (gemeenten, rijk, provincies, waterschappen) in gemeenschappelijke regelingen beheerst. Vanaf 1 januari 2015 kent de Wgr vijf vormen van samenwerking: met de recente wetswijziging is de bedrijfsvoeringsorganisatie aan de bestaande mogelijkheden toegevoegd. De wet is bovendien aangepast vanwege benodigde (technische) wijzigingen vanwege de invoering van de dualisering, die niet voor de Wgr geldt, en verbetering van de 37 38
Idem, p. 22. Zie ook Van den Dool en Schaap, 2014.
Pagina 21 van 39
79
planning- en controlcyclus (zie verderop). De verschillen tussen deze vijf vormen betreffen de doelstelling, werking, samenstelling en bevoegdheden van de gemeenschappelijke regeling.39 De samenwerkingsvormen zijn: Gemeenschappelijk openbaar lichaam (art. 8 lid 1 Wgr en art. 135 Grondwet) Gemeenschappelijk orgaan (art. 8 lid 2 Wgr) Centrumconstructie (art. 8 lid 4 Wgr) Regeling zonder meer (art. 8 jo. art. 1 Wgr) 40 Vanaf 1 januari 2015: de bedrijfsvoeringsorganisatie (art. 8 lid 3 Wgr)
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Voor publiekrechtelijke samenwerking kan een onderscheid worden gemaakt naar de deelnemende bestuursorganen. Het kan om een homogene samenwerking gaan (de deelnemers zijn allemaal onderdeel van dezelfde bestuurslaag, bijvoorbeeld gemeenten) of een heterogene samenwerking (deelnemers komen uit verschillende bestuurslagen). Er kan op basis van de Wgr ook worden samengewerkt met (en tussen) andere openbare lichamen en met andere rechtspersonen. Samenwerking tussen gemeenten komt het meest voor. In het geval van heterogene samenwerking heeft dit gevolgen voor de algemene toezichtrelaties, in het bijzonder de toezichthoudende functie van de provincie op gemeenten en/of waterschappen. Er bestaan vijf verschillende soorten regelingen van een gemeenschappelijk openbaar lichaam, verwijzend naar de deelnemers die bevoegdheden overdragen. Uitgaande van de situatie in gemeenten zijn dit: zuivere raadsregelingen, collegeregelingen, burgemeestersregelingen, gemengde regelingen waaraan de raad deelneemt, en gemengde regelingen waaraan de raad niet deelneemt. Een schematisch overzicht van de verschillende rechtsvormen ziet er als volgt uit:
Regeling zonder meer Bevoegdhedenovereenkomst Convenant
Bestuursovereenkomst Beleidsovereenkomst
Enkelvoudige centrumregeling Meervoudige centrumregeling
Dienstverleningsovereenkomst Overeenkomst tot opdracht
Gemeenschappelijk openbaar lichaam Bedrijfsvoeringsorganisatie Gemeenschappelijk orgaan
Vereniging Coöperatie Besloten vennootschap Naamloze vennootschap Stichting
Bron: Rekenkamer Oost-Nederland, Sturing en toezicht op gemeenschappelijke regelingen, november 2014
39 Zie voor een uitgebreidere uitwerking van deze vormen: VNG en Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, oktober 2013, en Rekenkamer Oost-Nederland, november 2014. 40 Alternatieven zijn convenant of bevoegdhedenovereenkomst; net als bij de regeling zonder meer gaat het om een publiekrechtelijke overeenkomst over de wijze waarop deelnemende bestuursorganen hun bevoegdheden inzetten.
80
Pagina 22 van 39
7. Kenmerken van de samenwerkingsvormen en verantwoordingsrelaties De indeling van de vijf genoemde samenwerkingsvarianten uit de Wgr in bovenstaand schema maakt duidelijk dat zij verschillende bestuurlijke doelen beogen te ondersteunen. De bijbehorende juridische vorm en bijbehorende instrumenten, verschillen tussen de vormen. Het betreft dan feitelijk het gemeenschappelijk openbaar lichaam, het gemeenschappelijk orgaan en de bedrijfsvoeringsorganisatie.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
De belangrijkste verschillen zijn: Mate van bevoegdheidstoedeling vanuit de deelnemende gemeenten: is er sprake van overdracht (delegatie) of enkel mandaat? De bevoegdheidstoedeling heeft invloed op de relatie met en mate van aansturing vanuit de deelnemende gemeenten op het samenwerkingsverband. Mandatering is in alle gevallen mogelijk. Delegatie is enkel mogelijk in de gevallen waar er een nieuw bestuursorgaan wordt opgericht. Hiervoor geldt dat de algemeen verordenende bevoegdheid, die berust bij de raad, enkel aan het openbaar lichaam kan worden overgedragen. Hetzelfde geldt voor de heffing en inning van bepaalde belastingen, en de bevoegdheid tot belastingheffing van bepaalde belastingen.41 Het bezit van rechtspersoonlijkheid. Enkel het openbaar lichaam en de nieuwe variant van de bedrijfsvoeringsorganisatie bezitten rechtspersoonlijkheid, die deze organisaties in staat stelt zowel privaatrechtelijke handelingen kunnen doen (zoals het aannemen van personeel) of het oprichten van nieuwe privaatrechtelijke rechtspersonen (zoals een N.V. ten behoeve van de regionale sociale werkvoorziening), waarbij voor de bedrijfsvoeringsorganisatie geldt dat dit alleen kan binnen het beperkte taakveld van bedrijfsvoerings- en uitvoeringstaken.42 De aanwezigheid van een ongeleed of een geleed bestuur, in geval van de oprichting van een nieuw bestuursorgaan.
De bedrijfsvoeringsorganisatie en het gemeenschappelijk orgaan kennen een ongeleed bestuur (enkel algemeen bestuur); het openbaar lichaam kent als enige samenwerkingsvorm uit de Wgr een geleed, monistisch bestuur. Dit betekent dat het een algemeen bestuur kent, waaruit het dagelijks bestuur voortkomt (maar waarmee het niet mag samenvallen). Deze ‘zwaardere’ bestuurlijke vormgeving voor het openbaar lichaam hangt samen met het bezit van meer bevoegdheden. Vanwege het karakter van verlengd lokaal bestuur is er expliciet voor gekozen om de dualisering niet door te voeren voor de Wgr. De al dan niet aanwezigheid van een geleed bestuur heeft gevolgen voor de verantwoordingsrelaties (zie verderop). De regeling zonder meer, die ook geen expliciete regeling in de Wgr kent, valt hierbuiten. Het gaat hier zoals gezegd enkel om het doen van afstemming en het maken van concrete afspraken hierover. Ook bij de centrumconstructie wordt geen nieuw bestuursorgaan opgericht, waardoor de situatie van bovenstaande informatie verschilt. In de regeling, die al dan niet vrijwillig of op aanwijzen van het Rijk wordt aangegaan, wordt een centrumgemeente (of -gemeenten) aangewezen die de bevoegdheden namens de deelnemende gemeenten uitoefent (via mandaat) en deze gemeenten op dit terrein als het ware vertegenwoordigt. 43 In geval van aanwijzing door het Rijk wordt via het gemeentefonds geld
41 Precariobelasting, heffingen bedoeld als in art. 292 Gw, afvalstoffenheffing, heffingen op andere gronden dan de gemeentewet. 42 Zie voor toelichting op de bedrijfsvoeringsorganisatie: VNG en Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, oktober 2013, en Rekenkamer Oost-Nederland, november 2014. 43 Van den Dool en Schaap, april 2013, p. 8.
Pagina 23 van 39
81
uitgekeerd aan de centrumgemeente, die de taak voor de omliggende gemeenten uitvoert, meestal op basis van een regionale functie. Essentieel element van de sturingsrelaties van de samenwerkingsverbanden vanuit de deelnemende gemeenten zijn de verantwoordingsrelaties. Vanwege het gelede karakter van het bestuur van een openbaar lichaam, zijn bestaan er hier twee lijnen van verantwoording. De eerste lijn betreft de interne verantwoording, van het dagelijks bestuur (DB) aan het algemeen bestuur (AB). Het DB en elk van zijn leden afzonderlijk zijn verantwoording verschuldigd aan het AB, en moeten inlichtingen verschaffen die het AB nodig heeft voor uitvoering van zijn taak. In de nieuwe Wgr is expliciet bepaald dat het AB (een lid) van het DB kan ontslaan als dit lid niet langer het vertrouwen bezit. Voorheen kon dit enkel als dit expliciet in de gemeenschappelijke regeling was bepaald. Omdat er sprake is van een monistisch stelsel, blijft het ‘ontslagen’ lid van het dagelijks bestuur, wel lid van het algemeen bestuur. Het DB is geen verantwoording verschuldigd aan colleges en/of raden van deelnemende gemeenten met wie zij immers geen verantwoordingsrelatie hebben (dat heeft alleen het algemeen bestuur). Zij zijn wel inlichtingen verschuldigd aan alle deelnemers.44
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
De tweede lijn is de ‘externe’ verantwoording en inlichtingenplicht, tussen de desbetreffende leden van het algemeen bestuur en de respectievelijke bestuursorganen in hun gemeenten die deelnemen aan de regeling (burgmeesters uitgezonderd. Deelnemende colleges zijn bovendien inlichtingen en verantwoording verschuldigd aan hun eigen raden. Deze regeling is bedoeld dat deelnemende gemeenten zo niet alleen bij instelling (goedkeuring van de regeling), maar ook gedurende de rit sturing en invloed kunnen uitoefenen. Indien het afgevaardigde lid in het AB niet meer het vertrouwen bezit, kan hij worden teruggeroepen. De ultieme actie in het verantwoordingsproces is, het uittreden uit de regeling, wat zoals gezegd vanwege de financiële consequenties en het gebrek aan alternatieven, vaak wordt nagelaten. Voor het gemeenschappelijk orgaan en de bedrijfsvoeringsorganisatie, die een ongeleed bestuur kennen, geldt alleen deze verantwoordingsrelatie. De gemeentelijke instrumenten van rekenkameronderzoek en raadsonderzoek/enquêterecht strekken zich ook uit tot het openbaar lichaam (gemeenschappelijk orgaan, bedrijfsvoeringsorganisatie). Met de recente wijziging van de Wgr bestaat dit recht expliciet ook voor rekenkamercommissies, niet langer enkel voor rekenkamers. 8.
Cijfers45 Om zicht te krijgen op de bestaande samenwerkingsverbanden heeft onderzoeksbureau OBMC alle ‘verbonden partijen’ in de gemeentebegrotingen van 2012 geïnventariseerd. In de paragraaf verbonden partijen zijn samenwerkingsverbanden opgenomen waar de gemeente een bestuurlijk én financieel belang in heeft. De meest recente gegevens zijn dus van 2012 en betreffen een momentopname. Uit de informatie die alle (in 2012: 415) gemeenten hebben opgenomen in de paragraaf verbonden partijen van de gemeentebegroting 2012 blijkt dat er 512 gemeenschappelijke regelingen zijn:
44 45
82
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 597, nr. 3, onder 3.2. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 34 000 VII, nr. 7.
Pagina 24 van 39
Datum 19 januari 2015
Openbare Lichaam
361
Kenmerk
Centrumgemeentenconstructies
38
2015-0000015018
Gemeenschappelijk orgaan
28
Regeling zonder meer
10
WGR+
8
Type GR onbekend
67
Totaal aantal gemeenschappelijke regelingen
512
Gemiddeld neemt een gemeente deel aan acht gemeenschappelijke regelingen en negen privaatrechtelijk vormgegeven samenwerkingsverbanden. Uit de gegevens van adviesbureau OBMC blijkt dat gemeenten ruim 1300 privaatrechtelijke organisaties hebben opgenomen in de paragraaf verbonden partijen van de gemeentebegroting. Ruim 70% daarvan is echter opgericht door slechts één gemeente. Ongeveer 30% van de privaatrechtelijke organisaties heeft twee of meer gemeentelijke deelnemers (en er dus pas sprake is van samenwerking). 9. Financiering Samenwerkingsverbanden behoeven behalve bestuurlijke, ook financiële betrokkenheid van de deelnemers. Gemeenten zijn dus zowel bestuurlijk (eind)verantwoordelijk, als financieel betrokken en (eind)verantwoordelijk. De financiering kan van onderop komen (deelnemende gemeenten), soms van boven (specifieke uitkering) en soms allebei (hybride financiering, zoals bij de veiligheidsregio’s). De omvang van de financiële betrokkenheid van gemeenten bij samenwerkingsverbanden op het totaal van de begroting neemt toe.
Gaven gemeenten in 2005 nog ‘maar’ 6% van hun begroting uit aan samenwerkingsverbanden, in 2012 besteedden gemeenten 17,4% van hun begroting via samenwerkingsverbanden.46 Na de aanstaande decentralisaties in het sociale domein zal dit percentage verdere stijgen vanwege de grote overheveling van gelden waarmee deze operatie gepaard gaat, en de uitvoering van deze taken op bovenlokaal/regionaal niveau. De inkomsten van een samenwerkingsverband zijn in de regel afkomstig van de deelnemende gemeenten. Over hoe de financiële inbreng tussen gemeenten is geregeld, worden afspraken gemaakt (vaste voet, kosten per product, hoe verhoging plaatsvindt, hoe kostentoerekening plaatsvindt, hoe de financiële afwikkeling verloopt bij uittreding, etc.). De deelnemende gemeenten bepalen hoeveel geld er jaarlijks naar het samenwerkingsverband gaat, maar zijn door de gemaakte afspraken in de regeling, en vanwege gesloten afspraken en compromissen in het samenwerkingsverband, hier niet geheel vrij in. Bovendien is het meestal zo dat de besluitvorming over de bijdrage bij meerderheidsbesluit plaatsvindt, en een gemeente het risico loopt op die manier meer (of minder) bij te dragen heeft dan hij wil en/of voor deze gemeenten doelmatig is gelet op het belang van de samenwerking. Nadat de jaarlijkse bijdrage voor de begroting is vastgesteld, heeft de gemeenteraad geen sturingsmogelijkheden meer.
Er rest enkel het instrument van verantwoording bij de jaarrekening en daarbij horende 46
Cijfers via CBS Statline.
Pagina 25 van 39
83
eindcontrole, of bij gewenste verandering invloed uitoefenen op de begroting voor het volgende jaar. Het is op deze manier een verplichte bijdrage op de begroting geworden. De daadwerkelijke controle en het budgetrecht over de door het samenwerkingsverband te besteden gelden ligt bij het algemeen bestuur. Wel kan, net als bij beleidsmatige input richting een samenwerkingsverband, gedurende het jaar gestuurd worden op de inbreng van de ‘eigen’ leden in het algemeen bestuur, bijvoorbeeld door vooroverleg met de wethouder. Of deze input echter iets oplevert, hangt af van de dynamiek in het samenwerkingsverband.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
In een openbaar lichaam dienen de jaarstukken en de begroting conform het Besluit begroting en verantwoording (BBV) te zijn. Het gemeenschappelijk openbaar lichaam beschikt over eigen vermogen, dat door de deelnemende gemeenten is ingebracht. Deze zijn echter verantwoordelijk voor de daadwerkelijke jaarlijkse financiering en de oplossing van eventuele financiële problemen (liquiditeit, budgetoverschrijding, risicoverevening etc.). Met de recente wijziging van de Wgr is geprobeerd de financiële sturing en controle (planning- en controlecyclus) op samenwerkingsverbanden te verbeteren, vanuit het oogpunt van versterking van de democratische legitimiteit. Dit is gedaan door de begrotingscyclus van het samenwerkingsverband in de tijd meer te laten aansluiten op die van de gemeente. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling (openbaar lichaam, gemeenschappelijk orgaan en bedrijfsvoeringsorganisatie) moet voortaan uiterlijk 15 april ‘de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor het komende begrotingsjaar’47 aanbieden aan de raden van deelnemende gemeenten. Op deze manier kunnen deze kaders worden meegenomen in het begrotingsproces van de gemeenten, ten behoeve van het opstellen van de voorjaarsnota. Het is de bedoeling dat langs die weg gemeenten (al dan niet samen) tijdig hun invloed kunnen uitoefenen.
Het samenwerkingsverband dient eveneens uiterlijk 15 april de jaarrekening en accountantscontrole aan de raden van de deelnemende gemeenten aan te bieden. Het advies van de wetgever aan de samenwerkingsverbanden is om al eerder dan 15 april aan gemeenten inzicht te geven in de financiële voorstellen, onder het mom van hoe eerder hoe beter. Ook meerjarige kaders kunnen helpen. De zienswijze voor de ontwerpbegroting van het samenwerkingsverband wordt verlengd van zes naar acht weken; de vastgestelde begroting dient voor 1 augustus te worden ingediend. Dit zou gemeenteraden in staat moeten stellen om beter onderling te overleggen. De uiterlijke indiening van de jaarrekening blijft op 15 juli staan vanwege de afspraken omtrent de verantwoording via SiSa. Bovenstaande voorstellen betreffen de financiële relaties met een enkel samenwerkingsverband. Voor goede (financiële) sturing en verantwoording is het van belang om het volledige overzicht te hebben over de samenwerkingsverbanden en de gelden die daarin omgaan. De paragraaf verbonden partijen bij de begroting biedt hiertoe de mogelijkheid. 10. Financiële verhoudingen Rijk-decentrale overheden Vanuit het perspectief van de financiële verhoudingen zijn twee vraagstukken relevant voor samenwerkingsverbanden. Bij gemeenschappelijke regelingen is er in principe sprake van een horizontale financiële verhouding.
Het betreft immers gelijkwaardige partners en de beslissingsmacht over de besteding van de middelen ligt bij de gezamenlijke deelnemers. Intergemeentelijke samenwerking 47
84
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 597, nr. 3, p. 21.
Pagina 26 van 39
heeft echter ook op verschillende manieren gevolgen voor de verticale financiële verhoudingen tussen het Rijk en decentrale overheden. Het gaat dan om de bronnen waaruit regionale taken worden bekostigd in relatie tot de financiële omvang van de samenwerking.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
De financiële verhoudingen tussen Rijk en decentrale overheden gaan uit van een voorkeursvolgorde bij de bekostiging van taken. Deze voorkeursvolgorde houdt in dat taken bij voorkeur bekostigd moeten worden uit prijzen, heffingen, belastingen, algemene uitkering en ten slotte uit specifieke uitkeringen. De gedachte achter deze volgorde is dat prijzen en heffingen de voorkeur hebben omdat deze de afweging tussen nut en offer het dichtst bij de gebruiker leggen, waardoor een doelmatige besteding van middelen in beginsel wordt bevorderd. Bekostiging uit algemene middelen geniet de voorkeur boven specifieke uitkeringen omdat dit de slagvaardigheid van het bestuur, de democratische controle en de betrokkenheid van de burger vergroten. De vraag is of deze bekostigingsvoorkeur ook geldt bij de bekostiging van taken die door middel van intergemeentelijke samenwerking worden uitgevoerd. Het toegenomen belang van regionale samenwerkingsverbanden is van invloed op de voorkeursvolgorde en daarmee op de financiële verhoudingen tussen het Rijk en decentrale overheden. We noemen hier drie aandachtspunten. In de eerste plaats kan de specifieke uitkering als bekostigingsvorm vanuit de optiek van het Rijk voordelig zijn omdat bij de verdeling van middelen relatief gemakkelijk differentiatie kan plaatsvinden naar taak en omstandigheden van de betrokken bestuurslagen.
Een tweede aandachtspunt is de rechtstreekse toedeling van rijksbijdragen aan intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Volgens velen druist dit in tegen het principe van verlengd lokaal bestuur. De betrokkenheid van het lokale bestuur bij de intergemeentelijke samenwerking zou beter gewaarborgd zijn als de gemeenten de rijksbijdragen ontvingen en deze vervolgens overdragen aan het samenwerkingsverband. Bij de Wgr-plus is het Rijk er bewust toe overgegaan een aantal specifieke uitkeringen rechtstreeks aan het kaderwetgebied te verstrekken. Dit houdt verband met het van rijkswege verplichtende karakter van de samenwerking op een aantal beleidsterreinen, zoals ruimtelijke ordening, milieu, verkeer en vervoer en economische ontwikkeling. Sommige centrumgemeenten ten slotte ontvangen uitkeringen ter bekostiging van regionale voorzieningen. De bekostiging wordt gebaseerd op een veronderstelde regio waarvoor de voorziening geacht wordt werkzaam te zijn. Voor zover het daarbij louter de uitvoering van taken betreft, is hier weinig op tegen. Dat neemt niet weg dat andere gemeenten soms wel afhankelijk zijn van de wijze van uitvoering van de regeling zonder dat er sprake is van een voorgeschreven vorm van overleg. Naast de maatschappelijke opvang en de vrouwenopvang is met de Wmo 2015 de verantwoordelijkheid voor beschermd wonen een goed voorbeeld. 48 11.
Toezicht Op samenwerkingsverbanden wordt toezicht gehouden. Conform de herziening van het interbestuurlijk toezicht is de eerste lijn die van horizontale verantwoording. De gemeenteraad houdt in algemene zin toezicht door beoordelen van de verantwoording en financiën, de provincie en/of het Rijk houdt hierop tweedelijns toezicht. Interbestuurlijk toezicht op gemeentelijke samenwerkingsverbanden (openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie, gemeenschappelijk orgaan) ligt in principe bij de provincie. Als de provincie zelf deelneemt in een samenwerking, maar geen bevoegdheden overdraagt, blijft deze de functie van toezichthouder vervullen. Brengt de provincie wel bevoegdheden in, 48 De Raad voor de financiële verhoudingen bereidt een verkenning voor over de gevolgen gemeentelijke samenwerking voor de financiële verhoudingen.
Pagina 27 van 39
85
dan wordt het Rijk toezichthouder, net als in de gevallen waar dit conform het bepaalde in de Gemeentewet al zo is. Dit toezicht op samenwerkingsverbanden is, tenzij er aanleiding toe is om dit aan te scherpen of te interveniëren, dan wel in de plaats te treden, marginaal. In de recente wetswijziging van de Wgr is zijn ook deze bepalingen verduidelijkt als gevolg van de veranderingen in de Gemeentewet en Provinciewet na inwerkingtreding van de Wet revitalisering generiek toezicht. De betrokken (vak)minister kan, indien nodig, direct informatie (‘bericht en raad’) opvragen aan een samenwerkingsverband. Dit neemt niet weg dat de horizontale verantwoording en inlichtingen het belangrijkste zou moeten zijn. Dit betekent ook dat ingrijpen door de toezichthouder niet aan de orde is, tenzij er duidelijke signalen zijn dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid door de verantwoordelijke bestuurslaag wordt verwaarloosd terwijl en er zaken misgaan.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Verticaal toezicht betreft veelal kwaliteitstoezicht, met alle kenmerken van handhavingstoezicht en nazien op de naleving van de wettelijke voorschriften, bijvoorbeeld door de Inspectie Jeugdzorg. Kwaliteitstoezicht houdt in het signaleren van voor het landelijk beleid relevante ontwikkelingen (signalerend toezicht), het aanzetten tot lerend verbeteren van de kwaliteit en kwaliteitszorg (lerend toezicht), het bevorderen van de naleving van wettelijke eisen (reflectief toezicht), het beoordelen en bevorderen van het functioneren van het stelsel als geheel (stelseltoezicht), het toezicht bij calamiteiten, en het ondernemen van actie naar aanleiding van signalen van burgers en professionals. 12. Moeten of mogen Een belangrijk onderscheid om te maken is dat tussen vrijwillige en verplichte samenwerking. Meestal bepalen gemeenten en/of provincies (en soms waterschappen) zelf of ze een samenwerkingsverband aangaan, al dan niet gedwongen door omstandigheden of druk van buitenaf. Het gros van de samenwerking tussen bestuursorganen is vrijwillig, wat zoveel betekent dat er geen wettelijke verplichting toe bestaat. Ook al is een samenwerking vrijwillig, er kunnen wel zeker dwingende en dringende redenen bestaan waarom bestuursorganen gaan samenwerken.
Denk aan het behalen van schaalvoordelen (zowel inhoudelijk als bedrijfsmatig), vergroten van de bestuurskracht of het verbeteren van de afstemming. Ook uit een vrijwillige samenwerking vloeien vervolgens bestuurlijke en financiële verplichtingen voort. Met de decentralisaties in het verschiet komt de bestuurskracht van gemeenten onder druk. Bijvoorbeeld bij het decentraliseren van jeugdzorgtaken. Zo zullen er jeugdigen zijn die specifieke zorgbehoeften hebben of zal er sprake zijn van zware jeugdzorgproblematiek die niet altijd op lokaal niveau kan worden georganiseerd. Om dit voor belanghebbenden goed te kunnen organiseren en risico’s voldoende af te dekken, vindt de regering het dan ook nodig dat gemeenten voldoende slagkracht hebben.49 Op enkele terreinen (jeugdbescherming, jeugdreclassering en Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling) is regionale samenwerking verplicht; echter ook de overige elementen van deze gedecentraliseerde taak brengt met zich dat regionale samenwerking onontkoombaar is. Soms zijn samenwerkingsverbanden wettelijk verplicht. Verplichte samenwerking houdt in dat op basis van de wet wordt bepaald dat bestuursorganen moeten samenwerken omtrent de inzet van bepaalde bevoegdheden.
Hierbij kan een verplichte regio-indeling gelden of een verplichting om te samenwerken met een landsdekkende indeling, maar met vrijheid voor gemeenten om te bepalen met wie ze samenwerken. De meest bekende voorbeelden van verplichte samenwerking in de eerste categorie zijn de veiligheidsregio’s en de zogeheten Wgr-plusregio’s. Afhankelijk van het besluit van de Eerste Kamer hierover wordt 49
86
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 684, nr. 3, p. 24.
Pagina 28 van 39
deze laatste variant per 1 januari 2015 opgeheven. De regionale uitvoeringsdiensten, die uitvoerende taken hebben ten aanzien van vergunningverlening, toezicht en handhaving op het terrein van ruimtelijke ordening en milieu zijn eveneens een vorm van verplichte samenwerking, waarbij bovendien congruentie met de veiligheidsregio’s is vereist.50 De wetsbehandeling hiervan loopt nog; in de praktijk zijn de gemeenten al van start gegaan.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Congruentie Congruentie betekent dat bestuursorganen (vooral gemeenten) hun taken zoveel mogelijk met dezelfde partners uitvoeren, en/of dat de buitengrenzen van samenhangende samenwerkingsgebieden zoveel mogelijk overeenkomen. Zeker bij verplichte samenwerking is congruentie een aandachtspunt. De veiligheidsregio’s bijvoorbeeld werden congruent gemaakt aan de (toenmalige) politieregio’s. Waar het gaat om vrijwillige samenwerking kan dit anders worden bezien: zouden gemeenten niet zelf in staat moeten zijn te bepalen met wie zij samenwerken (belangenafweging waarmee de gemeente het best gediend is), ook al levert dit veel verschillende partners op? Vanuit het Rijk zijn de afgelopen jaren wisselende signalen gegeven over het belang van congruentie. Per 2006 is de verplichte bundeling en integratie van gemeenschappelijke regelingen en goedkeuring van provincies bij samenwerking van gemeenten, geschrapt. Zowel de invoering van deze bepaling begin jaren 1990 als de opheffing ervan hing samen met de discussie over regionaal bestuur via de Wgr, regionale problematiek en een daadkrachtige aanpak daarvan – een vraagstuk wat nog steeds speelt.51 Als gevolg van de sinds 2006 nog steeds groeiende omvang (financieel en beleidsmatig) van gemeentelijke taken in een samenwerkingsverband (mede vanwege Rijksbeleid), is de discussie over congruentie en regionale samenwerking opnieuw opgelaaid.
50 51
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 872, nr. 3, p. 18. Zie: Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 27 008, nr. 3. Pagina 29 van 39
87
II. Democratische legitimiteit Behalve de aansturing en controle, financiën en risico’s is het thema van democratische legitimiteit van samenwerkingsverbanden één van de belangrijkste algemene discussiepunten over deze bestuursvorm. Het is bovendien de kern van het verzoek dat door de Tweede Kamer aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is gericht. Een veel gehoord bezwaar tegen regionale samenwerking is dat de democratische legitimiteit ervan onvoldoende is.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Wat is echter de betekenis van begrippen als democratie, legitimiteit en daarmee van democratische legitimiteit? Die vraag laat zich nog niet zo simpel beantwoorden. Democratische legitimiteit is een begrip dat vele aspecten kent.52 Over beide begrippen bestaat veel wetenschappelijke discussie. Om enig houvast te krijgen worden in dit hoofdstuk daarom eerst de begrippen democratie en legitimiteit op hoofdlijnen verkend. 1.
Vormen van democratie ’Wij hebben een staatsvorm die niet een kopie is van de instellingen van onze naburen. In plaats van anderen na te bootsen, zijn wij juist een voorbeeld voor hen. Onze staatsvorm heet een democratie, omdat ze in handen is van velen en niet van enkelen. In persoonlijke geschillen verzekeren onze wetten gelijk recht aan allen en de publieke opinie eert een ieder die zich door iets onderscheidt in het openbare leven boven anderen, niet om de klasse, waartoe hij behoort, maar om zijn waarde alleen. Armoede is voor niemand die de staat van nut kan zijn een beletsel, hoe gering zijn aanzien ook is.’
Volgens de overlevering is dit citaat uit Perikles’ lijkrede de oudst opgetekende definitie van democratie. Het wezen van de democratie is in al die eeuwen niet veranderd. Het oude Athene was een vorm van directe democratie waar het volk rechtstreeks invloed had op het bestuur. Directe democratie in de moderne betekenis van het woord duidt op instrumenten waarbij opnieuw de deelnemers direct de uitkomst van bestuur of beleid beïnvloeden zonder de tussenkomst van een parlement. Voorbeelden zijn het bindend referendum en het volksinitiatief. De Oostenrijkse econoom Schumpeter beschouwde een bestuursvorm democratisch als er regelmatige, vrije en eerlijke verkiezingen zijn. 53 In die zin gaat democratie over wilsuiting, via participatie in de keuze van volksvertegenwoordigers wordt het openbaar bestuur gelegitimeerd. Een samenleving waarin groepen worden uitgesloten van politieke participatie zal door weinigen democratisch worden genoemd. Omgekeerd hoeft het niet participeren van groepen nog niet te leiden tot een ondemocratische samenleving. Ook mensen die niet stemmen kunnen hun bestuur als democratisch en gelegitimeerd beschouwen. Het beginsel democratische legitimiteit bestaat volgens Bovens en Scheltema54 uit drie delen: 1. de eis van algemeen (actief en passief) kiesrecht: burgers moeten invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van vertegenwoordigende lichamen.
52 Voor een verkenning van verschillende theorieën en benaderingen van het begrip legitimiteit, zie Bokhorst, 2014. 53 Schumpeter, 1942. 54 Bovens en Scheltema, 1999, p. 141-142.
Pagina 30 van 39
88
2. 3.
de eis van democratische sturing: vertegenwoordigende lichamen moeten richting kunnen geven aan het overheidsoptreden. de eis van democratische verantwoording: vertegenwoordigende lichamen moeten in staat zijn om het overheidsoptreden te controleren en betrokkenen te vragen hierover verantwoording af te leggen.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Nederland is te kenmerken als een indirecte, representatieve democratie: het volk kiest zijn eigen vertegenwoordigers die namens hen beslissingen nemen en het bestuur controleren. Hoewel zij hun eigen verantwoordelijkheid hebben (volksvertegenwoordigers stemmen zonder last), eist de hedendaagse democratie dat wetgeving en beleid responsief is, dat wil zeggen in overeenstemming met de wens van de burger. Burgers en maatschappelijke organisaties kunnen ook op andere manieren (politiek) participeren. Vooral op lokaal niveau is een tendens te zien naar burgers die rechtstreekse zeggenschap in lokale aangelegenheden naar zich toe trekken. Inwoners pakken maatschappelijke problemen gezamenlijk aan of organiseren zelf vormen van deliberatieve democratie, bijvoorbeeld volgens het lotingsprincipe van de G1000, en omzeilen zo het principe van de representatieve democratie. Dit is van invloed op de rol van de overheid én de politiek, zo schreef de Raad eerder in zijn advies Loslaten in vertrouwen.55 Verlengd lokaal bestuur Samenwerking tussen (gemeentelijke) bestuursorganen wordt aangeduid als verlengd lokaal bestuur.
Volgens de wetgever betekent dit ‘dat de samenwerkingsverbanden institutioneel en beleidsmatig zijn geworteld in de gemeenten en daaraan hun taakopdracht en hun democratische legitimatie ontlenen.’56 Om die reden stemmen de leden van het algemeen bestuur van een samenwerkingsverband met last; zij hebben geen vrije meningsvorming zoals in algemeen vertegenwoordigende organen (Staten-Generaal, gemeenten, provincies (waterschappen)) het geval is en waar het stemmen met last (grond)wettelijk is uitgesloten. Op deze wijze wordt benadrukt dat het bij samenwerkingsverbanden niet om de bestuurlijke hoofdstructuur, maar om een afgeleide daarvan gaat (het verlengd lokaal bestuur). De vraag is echter of dit recht doet aan de gegroeide praktijksituatie, vanwege het toenemend belang van samenwerking en de steeds beleidsrijkere taken in de samenwerkingsverbanden. Als regionale samenwerking op deze manier vanuit het perspectief van democratie wordt beschouwd, lijkt de burger buiten beeld te blijven – terwijl het om zijn belangen zou moeten gaan. De mate van lastgeving vanuit gemeenten aan het algemeen bestuur van een samenwerkingsverband kan verschillen. Gemeenten kunnen hun vertegenwoordigers enige vrije oordeelsruimte laten, of een strikte opdracht meegeven (mandaat), al dan niet met het verzoek om ruggespraak.
De vraag is wat het beste werkt: enige vrije ruimte geeft de mogelijkheid om standpunten aan te passen naar aanleiding van de discussies in het samenwerkingsverband en aldus makkelijker compromissen te sluiten. Strakkere vormen van afspraken (al dan niet expliciet mandaat) doen recht aan het politieke primaat van deelnemende gemeenten maar kunnen eenvoudiger leiden tot patstellingen of door besluitvorming bij meerderheid geen effect sorteren. In geval van samenwerking tussen bestuursorganen bestaat er een voorkeur voor samenwerking op basis van publiekrecht, juist omdat democratische legitimiteit dan beter geregeld is omdat zowel in de Gemeentewet (Provinciewet) als in de Wgr democratische waarborgen als verantwoording, inlichtingen en toezicht in 55 56
Raad voor het openbaar bestuur, 2012. Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 597, nr. 3, p. 13.
Pagina 31 van 39
89
algemene zin zijn geregeld. Tegelijkertijd houdt het primaat van verlengd lokaal bestuur een beperking in van de invulling van het democratieconcept: er is wel sprake van sturing van het overheidsoptreden, en van verantwoording en controle, maar er vinden géén algemene rechtstreekse verkiezingen plaats.57
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
2. Aspecten en objecten van legitimiteit Een samenleving kan niet functioneren zonder een legitieme overheid. Het ministerie van BZK noemt in haar Strategische kennisagenda 2010-201558 acceptatie, vertrouwen en tevredenheid als aspecten van legitimiteit. Deze aspecten vertonen enige overlap, maar leveren relevante invalshoeken op om naar legitimiteit te kijken. Tevredenheid wordt doorgaans geassocieerd met de prestaties van overheid; bij acceptatie gaat het over de vraag onder welke voorwaarden burgers het gezag van de overheid aanvaarden. Bij vertrouwen staat de vraag centraal of burgers er op vertrouwen dat de overheid het goede doet. Dit vertrouwen is mede gebaseerd op ervaringen uit het verleden. De Legitimiteitsmonitor59 die in opdracht van BZK is opgesteld besteedt aandacht aan en objecten van legitimiteit: aan wie of wat wordt legitimiteit toegekend of onthouden? Objecten van legitimiteit worden onderscheiden langs drie hoofdlijnen: Systeem: het politiek-bestuurlijk systeem, het democratisch bestuur en het openbaar bestuur in algemene zin; het systeem dat de ‘gezaghebbende waardetoedeling’ in banen leidt. Actoren: gezagdragers en gezagdragende instituties; functionarissen en collectieve actoren die met ‘officieel’ gezag bekleed zijn in het openbaar bestuur.
Beleidshandelen: beleid, waaronder regelgeving, op verschillende terreinen – de zorg, de economie, de opsporing, et cetera – dat de ‘gezaghebbende waardetoedeling’ concreet maakt. Bij een beoordeling van de democratische legitimiteit van samenwerkingsverbanden gaat het vooral om de systeemlegitimiteit (klopt het bestuurlijke model van samenwerking vanuit het perspectief van democratische legitimiteit) en om beleidslegitimiteit. Met beleidslegitimiteit wordt hier bedoeld: sluiten de wensen en voorkeuren van gemeenten én burgers voldoende aan bij de besluitvorming en het beleid zoals dat vanuit de samenwerking wordt vormgegeven. 3. Soorten democratische legitimiteit David Easton stelde in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw op basis van empirisch onderzoek dat legitimiteit wordt bereikt door a: effectief te zijn, b: dingen te doen die burgers belangrijk vinden, c: zorgvuldig te handelen.60 De politicoloog Fritz Scharpf maakt een conceptueel onderscheid tussen verschillende soorten van democratische legitimiteit: input-, troughput- en outputlegitimiteit.61 Zijn inputgeoriënteerde theorie waardeert de legitimiteit van een politiek systeem naar de wijze waarop deze een uitdrukking vormt van de wil van het volk of de politieke gemeenschap. Vanuit het inputperspectief zijn politieke keuzes legitiem wanneer deze de algemene wil weerspiegelen.
In dit perspectief staan de burgers centraal. Bij inputlegitimiteit gaat het er om dat belangentegenstellingen op een zinvolle en democratische wijze leiden tot regelgeving en beleid. Het begrip inputlegitimiteit wordt vaak uitgelegd als government by the people. 57
Vergelijk Traag, 1993 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, april 2010, p. 11-12. Hendriks e.a., september 2013. 60 Vergelijk Easton, 1953 en 1965. 61 Scharpf, 1970. 58 59
90
Pagina 32 van 39
Verwant aan inputlegitimiteit is throughputlegitimiteit. Dit concept verwijst naar de kwaliteit van het proces waarmee besluitvorming tot stand komt. Niet de input of de uitkomsten, maar de transparantie, kenbaarheid en voorspelbaarheid van structuren en procedures staat hierbij voorop. In deze vorm van proceslegitimiteit zijn de billijkheid, redelijkheid en rechtmatigheid van het besluitvormingsproces zelf de voornaamste bron van legitimiteit. Procedurele vormen van legitimiteit hebben steeds te maken met checks and balances in en ordentelijkheid van het besluitvormingsproces.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Ten slotte zijn theorieën die legitimiteit waarderen aan de hand van de door het systeem geleverde prestaties, de output. Daarbij draait het om zaken als de onbetwistheid van de macht, het gemeenschappelijk goed en het economisch welzijn. De output van een politiek systeem moet steeds een bijdrage leveren aan deze categorieën. Vanuit het outputperspectief zijn politieke keuzes legitiem wanneer deze effectief het algemeen welzijn bevorderen. Bij outputlegitimiteit is de vraag of op redelijke termijn tot de voor betrokkenen gewenste resultaten kan worden gekomen. Outputlegitimiteit krijgt vaak het etiket government for the people. Aan de soorten democratische legitimiteit die Scharpf onderscheid is een vierde vorm toe te voegen: feedbacklegitimiteit. Deze vorm bestaat uit twee democratische eisen: verantwoording en terugkoppeling. Bij verantwoording wordt aan democratische organen en kiezers over de uitoefening van publieke bevoegdheden en de besteding van publieke middelen rekenschap afgelegd. Verantwoording versterkt de democratische legitimiteit omdat het bijdraagt aan de mogelijkheden om het overheidsoptreden te beoordelen en zo nodig bij te sturen.62 Bij terugkoppeling gaat het om een goede verwerking van signalen uit de omgeving en een goede vormgeving van de relatie met belanghebbenden.
De feedbacklegitimiteit wordt bepaald door de wijze waarop er verantwoording wordt afgelegd over de uitkomst van het besluitvormingsproces en de kwaliteit van de terugkoppeling. Schematisch kan het begrip democratische legitimiteit als volgt worden weergegeven:
Democratische legitimiteit
62
Inputlegitimiteit
Throughputlegitimiteit
Output-legitimiteit
Feedback-legitimiteit
Participatie
Politiek primaat
Effectiviteit en efficiëntie
Verantwoording
Representatie
Controle en kaderstelling
Responsiviteit
Terugkoppeling
Bovens en Schillemans, 2009. Pagina 33 van 39
91
Literatuur Bokhorst, A.M., Bronnen van legitimiteit. Over de zoektocht van de wetgever naar zeggenschap en gezag, 2014.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Bovens, M.A.P., en M. Scheltema, Rechtsstatelijke redeneerpatronen, in Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Over publieke en private verantwoordelijkheden, 1999. Bovens, M.A.P., en T. Schillemans, Handboek publieke verantwoording, 2009. Boogers, M.J.G.J.A., Co-referaat bij Rob-lezing ‘De centralisatie in openbaar besturen’, november 2014. Dool, L. T. van den, en L. Schaap, Verkenning naar lichte vormen van gemeentelijke samenwerking. Eindrapportage, in opdracht van Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, april 2013 Dool, L. T. van den, en L. Schaap, Intergemeentelijke samenwerking: Het kan ook licht. Een verkenning van lichte vormen van intergemeentelijke samenwerking. Bestuurskunde, 23(1), 65-7, 2014. Easton, D., The Political System. An Inquiry into the State of Political Science, 1953. Easton, D., A Systems Analysis of Political Life, 1965. Hendriks, F., J. van Ostaaijen, K. van der Krieken en M. Keijzers, Legitimiteitsmonitor Democratisch Bestuur 2013. Een metamonitor van de legitimiteit van het democratisch bestuur in Nederland, september 2013. Herweijer, M., en M.J. Fraanje, Samen werken aan bestuurskracht. Intergemeentelijke samenwerking onderzocht, 2011. Herweijer, M., en M.J. Fraanje, Innoveren in samenwerking: een alternatief voor herindeling?, in: Bestuurswetenschappen, nr. 3, 2013. Korsten, A.F.A., B.L. Becker en T.
van Kraaij, Samenwerking beproefd. Innovatieve organisatievormen bij samenwerking tussen gemeenten, 2006. Laar, S. van de, Samen sterker. Samenwerking tussen gemeenten geanalyseerd, 2010. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Berenschot, Samenwerking tussen decentrale overheden: een nadere analyse van samenwerking op grond van gemeenschappelijke regelingen, 2010. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Investeren in legitimiteit. Strategische kennisagenda van BZK 2010-2015, april 2010. Raad voor het openbaar bestuur, Legio voor de regio. Bestuurlijke antwoorden op regionale vraagstukken, februari 2003. Raad voor het openbaar bestuur, Bestuur op maat. Advies over middenbestuur, november 2006. Pagina 34 van 39
92
Raad voor het openbaar bestuur, Vertrouwen op democratie, februari 2010. Raad voor het openbaar bestuur, Het einde van het blauwdrukdenken, april 2010. Raad voor het openbaar bestuur, Loslaten in vertrouwen. Naar een nieuwe verhouding tussen overheid, markt én samenleving, december 2012.
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Raijmakers, L.M., Leidende motieven bij decentralisatie. Discours, doelstelling en daad in het Huis van Thorbecke. Dissertatie Universiteit Leiden, 2014. Rekenkamer Oost-Nederland, Sturing en toezicht op gemeenschappelijke regelingen, november 2014. Rekenkamercommissie Wassenaar, Voorschoten, Oegstgeest en LeidschendamVoorburg, Grip op samenwerking?, oktober 2014. 11e ROB lezing door Wim van de Donk, De centralisatie in openbaar besturen. Over dunne denkramen, pertinente pragmatiek en ambivalente ambities, 12 november 2014. Scharpf, F., Demokratietheorie zwischen Utopie und Anpassung. Konstanzer Universitätsreden 25. Constance: Universitätsverlag, 1970. Schumpeter, J.A., Capitalism, socialism and democracy, 1942. Steegh, J., Democratisch geld(t) – Een verkenning naar democratische legitimiteit en financiële arrangementen bij gemeenschappelijke regelingen, in opdracht van Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, november 2010. Traag, J.M.E., Intergemeentelijke samenwerking: democratie of verlengd lokaal bestuur?, 1993. Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 27 008, nr. 3. Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 28 750, nr. 52. Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 VII, nr. 81. Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 400 VII, nr. 59. Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 597, nr. 3. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr.
161 (gewijzigde motie). Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 872, nr. 3. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 34 000 VII, nr. 7. VNG en Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Intergemeentelijke samenwerking toegepast. Handreiking voor toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, oktober 2013.
Pagina 35 van 39
93
Bijlage 1 | Motie Bergkamp en adviesaanvraag minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Datum 19 januari 2015
Bijlage 1 | Motie Bergkamp en adviesaanvraag minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Kenmerk Datum 2015-0000015018 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Pagina 36 37 van 39
Pagina 36 van 39
94
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Pagina 37 van 39
95
Datum 19 januari 2015 Kenmerk 2015-0000015018
Pagina 38 van 39
96
Datum 19 januari 2015
Bijlage 2 | Geraadpleegde personen
Kenmerk
Tom Cammelbeeck
Coördinerend juridisch Specialist
Peter Castenmiller
Adviseur / onderzoeker
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties PBLQ
Douwe Jan Elzinga
Hoogleraar staatsrecht
Universiteit Groningen
Hans Engels
Hoogleraar staatsrecht
Universiteit Groningen
Rob de Greef
Docent / onderzoeker staats- en bestuursrecht
Vrije Universiteit
Michiel Herwijer
Hoogleraar bestuurskunde
Radbout Universiteit Nijmegen
Julien van Ostaaijen
Bestuurskundig onderzoeker
Universiteit van Tilburg
Linze Schaap
Universitair hoofddocent
Universiteit van Tilburg
Wijnand de Vries
Senior beleidsmedewerker
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
2015-0000015018
Pagina 39 van 39
97
98