14 Bijlage 14 Ruimtelijke onderbouwing Den Ilp 187A & 188
Tekst van het document
In de bovengrond van boring 22 is een interventiewaarde overschrijding koper en zink aangetoond. In de ondergrond van boring 06 wordt de interventiewaarde voor koper overschreden. De verontreinigingen ter plaatse van boringen 08 en 18 zijn verticaal afgeperkt. In het freatisch grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond.
26
Onderbouwing BOPA - Den Ilp, Den Ilp 187a, 188
De resultaten van dit bodemonderzoek vormen voor wat betreft de interventiewaarde overschrijdingen met koper, nikkel en zink ter plaatse van de boringen 06, 08, 10, 18 en 22 mogelijk een belemmerende factor bij herontwikkeling en/of grondroerende activiteiten. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan werkzaamheden ter plaatse van deze boringen een nader bodemonderzoek uit te voeren om de omvang van deze verontreinigingen vast te stellen. Vanwege de asbestverdachte dakbedekking welke deels voorzien is van goten en regenpijpen en de aangetroffen laag menggranulaat in boringen 05, 16 en 20 is de onderzoekslocatie verdacht op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Geadviseerd wordt om na sloop van de bebouwing met asbestverdachte dakbedekking een asbest in bodem onderzoek conform de NEN 5707 uit te voeren. Dit onderzoek dient dan ter plaatse van de gesloopte bebouwing en de met menggranulaat verharde locaties uitgevoerd te worden. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met de bodemvoorschriften bij milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan (met bodemkwaliteitskaart) van toepassing. Het bodemonderzoek is beoordeeld door het bevoegd gezag.
Deze heeft aangegeven dat het aspect bodem volstaat. Zie de bijgevoegde bijlage voor de beoordeling van de omgevingsdienst.
Conclusie Vanuit het aspect bodem bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
4.9.
Geur
Wettelijk kader Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan. De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een ‘bebouwingscontour geur’ vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een ‘hoge bescherming’ en daarbuiten een ‘lage bescherming’. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan. Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt
ruimte voor ontwikkeling
27
nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en buiten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour.
Beoordeling Een woning betreft een geurgevoelig gebouw. Aangezien er in de nabijheid van de locatie geen geurveroorzakende activiteit plaatsvindt, ontstaan er geen belemmeringen.
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.10. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking) en over cultureel erfgoed. De ontwikkeling is niet in of nabij de kust, de Waddenzee of het Waddengebied gelegen, waardoor die instructieregels niet van toepassing zijn. De laatste twee onderwerpen, de laddertoets en cultureel erfgoed, komen in de volgende paragrafen aan bod.
4.11.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Wettelijk kader Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met: a. De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
28
Onderbouwing BOPA - Den Ilp, Den Ilp 187a, 188
Beoordeling Voor onderhavig initiatief dient eerst vastgesteld te worden of er sprake is van verstedelijking. Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt geen ondergrens. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel'-grenzen. Bij nieuwbouw geldt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de bouw van 13 woningen. De ontwikkeling wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor de laddertoets is doorlopen. Uit de diverse beleidsstukken als benoemd in hoofdstuk 4 blijkt dat de woningen passen binnen de behoefte aan extra woningen binnen het stedelijk gebied. Er is namelijk nog steeds behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente Landsmeer. Volgens het provinciale masterplan zijn er in de regio 6.000 woningen nodig. Verder geeft de concept omgevingsvisie aan dat de planlocatie is aangewezen als inbreidingslocatie. Met onderhavig initiatief worden 13 woningen gerealiseerd. Hiermee wordt er voldaan aan de behoefte naar nieuwe woningen in Den Ilp.
Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12.
Cultuurhistorie en archeologie
Wettelijk kader In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over: •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
•
verplaatsing van beschermde monumenten;
•
gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•
aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
•
aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en
•
conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Tot dat de gemeentes regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat.
Beoordeling cultuurhistorie Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende omgevingsplan. Ook is de planlocatie niet gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied of waardevolle structuur. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.
ruimte voor ontwikkeling
29
Beoordeling archeologie De projectlocatie heeft voor een deel de archeologische waarde 2 en voor het andere deel de archeologische waarde 3. Daarom is voor onderhavig initiatief archeologisch onderzoek benodigd. Verkennend archeologisch bureauonderzoek Er is een verkennend archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage als bijlage bij voorliggende onderbouwing bijgevoegd. Uit het onderzoek komen enkele aanbevelingen voort. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek komt naar voren dat het plangebied deel uitmaakt van een dynamisch landschap. Ten tijde van de jager-verzamelaars maakte het plangebied deel uit van een zandgebied. Het Pleistocene landschap bevindt zich op een diepte vanaf 14,8 meter -mv. Er geldt een onbekende verwachting voor de periode laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. In het neolithicum werd de omgeving van het plangebied als gevolg van de relatieve zeespiegelstijging omgevormd tot een waddenlandschap. Nederzettingsresten uit deze periode kunnen voorkomen op oeverwallen, maar opnieuw op grote diepte. Rond 4.000 jaar geleden vond er immers op grote schaal veenvorming plaats. Er geldt een lage archeologische verwachting voor nederzettingsresten vanaf het laat-neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Off-site verschijnselen zijn niet uitgesloten. Het veengebied wordt vanaf de 11e en 12e eeuw ontgonnen.
Direct ten noorden en oosten van het plangebied zijn twee laatmiddeleeuwse huisplaatsen bekend. Op basis van de ligging van meerdere huisterpen uit de periode late middeleeuwen geldt voor de periode volle en late middeleeuwen en nieuwe tijd (tot 1800) een hoge archeologische verwachting. Er geldt een lage archeologische verwachting voor de periode nieuwe tijd (vanaf 1800). Uit archeologische onderzoeken in de nabije omgeving van het plangebied blijkt dat de top van de bodem vaak aangetast is als gevolg van de veenontginning en het bouwrijp maken van de grond en de bebouwing in de nieuwe tijd. Onder de bouwvoor en een mogelijke ophogingslaag worden veenafzettingen verwacht. In deze afzettingen kunnen archeologische resten tot de late middeleeuwen niet worden uitgesloten. Het kan ondanks de verstoringen als gevolg van de huidige bebouwing niet uitgesloten worden dat resten aanwezig zijn uit de periode volle en late middeleeuwen tot circa 1800. Om die reden wordt een vervolgonderzoek nodig geacht voor het plangebied. Dit kan het beste plaatsvinden in de vorm van een verkennend booronderzoek om de intactheid van de bodem te bepalen. Vervolgonderzoek archeologie Naar aanleiding van het verkennend archeologisch onderzoek is er en vervolgonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is als bijlage bij voorliggende onderbouwing bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt de volgende conclusie.
Uit het bureauonderzoek kwam naar voren dat in het plangebied, vanaf het niveau van de bouwvoor, resten van bewoning uit de periode 1000 tot 1800 na Christus verwacht konden worden. Op basis hiervan was de archeologische verwachting voor deze periode hoog. Om die reden is destijds een verkennend booronderzoek geadviseerd, met als doel de bodemopbouw en de mate van intactheid van de bodem vast te stellen. Het booronderzoek wijst uit dat de bovenlaag van het plangebied verstoord is tot een diepte van ongeveer 50 tot 95 cm. Daaronder bevindt zich een ongeveer ca. twee meter
30
Onderbouwing BOPA - Den Ilp, Den Ilp 187a, 188
dikke veenlaag, met daaronder wadafzettingen die tot het Laagpakket van Wormer behoren. Alle genoemde bodemlagen zijn zeer slap en gevormd onder natte omstandigheden, waardoor permanente bewoning in dit gebied als onwaarschijnlijk wordt gezien. In boring 2 en 6 is de bovenkant van het veen veraard aangetroffen, wat duidt op verdroging van het veen. Deze veraarde laag bevindt zich echter rond het laagste grondwaterpeil (GLG) en lijkt het resultaat van recente schommelingen in de grondwaterstand, niet van langdurige uitdroging. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een oude ophogingslaag op een mogelijke huisplaats; als zulke lagen ooit aanwezig waren, zijn ze vermoedelijk vergraven, aangezien moderne verstoringslagen in alle boringen tot in het natuurlijke veen reiken. Dit is waarschijnlijk veroorzaakt door de inrichting van het huidige terrein. Op basis van deze bevindingen wordt de kans op het aantreffen van archeologische resten uit de periode 1000 tot 1800 laag ingeschat. De lage verwachting voor vondsten uit andere perioden, zoals vastgesteld in het bureauonderzoek, blijft gehandhaafd. Voor het plangebied zijn in het kader van de geplande nieuwbouw geen extra archeologische maatregelen noodzakelijk. Het advies luidt om het gebied archeologisch vrij te geven.
Mocht er tijdens de werkzaamheden onverwacht toch archeologisch materiaal worden aangetroffen, dan geldt volgens de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, een wettelijke meldingsplicht. In dat geval dienen deze vondsten te worden gemeld bij de bevoegde autoriteit, te weten de gemeente Landsmeer.
Conclusie De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.13. Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte Wettelijk kader Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter – en goedkoper – gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het voormalig Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.
In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangstinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes.
ruimte voor ontwikkeling
31
Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Beoordeling en conclusie Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Zover in het plangebied openbare ruimte aanwezig is of zal zijn, zal deze ook toegankelijk zijn voor personen met een functiebeperking.
4.14.
Flora en fauna
Wettelijk kader Er moet ten allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een ‘flora- en faunaactiviteit’ is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.
Gebiedsbescherming Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.
Stikstofdepositie Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van
32
Onderbouwing BOPA - Den Ilp, Den Ilp 187a, 188
stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.
Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.
Beoordeling Onderhavig initiatief ziet op het amoveren van agrarische bebouwing en het toevoegen van een 13 woningen in Den Ilp. De voorgenomen activiteit betreft een flora- en fauna-activiteit, waardoor een quickscan flora en fauna is uitgevoerd om na te gaan of de ontwikkeling leidt tot significante negatieve gevolgen op beschermde flora en fauna. De rapportage is als bijlage bijgevoegd bij voorliggende onderbouwing. Hieronder een samenvatting van de uitkomsten. Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden wordt geen verstoring verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van stikstof wordt mogelijk depositie in de sloop- aanleg- en nieuwe gebruiksfase verwacht. Een AERIUS (stikstof) berekening wordt daarom ook geadviseerd. Natuurnetwerk Nederland De planlocatie is gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (Natuurnetwerk Noord-Holland). Aangezien de bestemming ongewijzigd blijft is het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is. Soortbescherming Flora Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet Vleermuizen
ruimte voor ontwikkeling
33
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Vogels Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Overige soorten Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de Omgevingswet die vallen onder het onderdeel houtopstanden waardoor er een meldplicht of herplantplicht geldt. Stikstofdepositieberekening Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn, is daarnaast een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. De rapportage en bijlagen zijn bijgevoegd als bijlagen bij voorliggende onderbouwing. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied betreft Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en ligt direct naast het plangebied. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Echter is hierbij sprake van interne saldering. Sinds de uitspraak van 18 december 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is intern salderen niet meer vergunningsvrij. Ten aanzien van onderhavig initiatief wordt hiervoor een vergunning aangevraagd bij het bevoegd gezag.
Conclusie Vanuit het aspect flora & fauna bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
4.15.
Milieuhinderlijke activiteiten
Wettelijk kader De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieuhinderlijke activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn.
34
Onderbouwing BOPA - Den Ilp, Den Ilp 187a, 188
Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave ‘Handreiking activiteiten en milieuzonering’ uit 2024 worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald.
Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de Den Ilp 187a en 188 met de functies wonen en natuur, gekarakteriseerd worden als rustige woonwijk. Een woning wordt gezien als een gevoelige functie. De dichtstbijzijnde overlastgevende functies betreffen naastgelegen agrarische bedrijven, zoals de paardenhouderijen op nummer 191A en 193A en het bedrijf op nummer 191. Deze liggen op meer dan 100 meter van de planlocatie. Op de planlocatie geldt verder momenteel al een woonbestemming. Planologisch gezien dienen omliggende agrarische bedrijven hier rekening mee te houden. Daarnaast zijn er bestaande woningen op kortere afstand tot de bedrijfsfuncties dan de voorziene woningen op het plangebied, waardoor de bedrijven daar al rekening mee dienden te houden. Een woning wordt niet gezien als overlastgevende functie.
Conclusie Ten aanzien van milieuhinderlijke activiteiten bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
4.16.
Duurzaamheid
Duurzame leefomgeving Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.
Klimaatbestendigheid Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
ruimte voor ontwikkeling
35
Energietransitie Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: •
de woningen zullen voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving ten aanzien van de energieprestatie;
•
de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd.
Beoordeling Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de wettelijke normen en vereisten, en aangesloten bij de gestelde duurzaamheidskaders. Zo worden de te realiseren gebouwen in ieder geval gasloos en als BENG gerealiseerd.
Conclusie Op grond van voorgaande vormt het aspect duurzaamheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.17.
Parkeren en verkeer
Parkeren auto Op basis van de Beleidsregels Parkeernormen Landsmeer kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Onderhavig plangebied is gelegen binnen het gebied Den Ilp/Purmerland. Voor een vrijstaande koopwoning geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. Voor een tussen/hoek koopwoning geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Met onderhavig initiatief worden er 6 vrijstaande woningen en 7 tussen-/hoekwoningen. Dit geeft een totaal van 28 parkeerplaatsen. Voor de vrijstaande woningen zullen op het eigen perceel een oprit gerealiseerd worden, waarop de parkeeroplossing wordt gerealiseerd middels 2 parkeerplaatsen per woning. Verder zullen er in openbaar gebied 19 parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor de 7 rijwoningen. Hiervan zal ook de bestaande woning op nummer 187A gebruik van maken. In totaal worden er 31 parkeerplaatsen gerealiseerd binnen het plangebied. Er zijn genoeg parkeerplaatsen om in de parkeerbehoefte te voorzien.
Parkeren fiets De Beleidsregels Parkeernormen Landsmeer kennen geen fietsparkeernorm voor woningen. Wel verplicht het Bouwbesluit (artikel 4.31) bij nieuwbouwwoningen een afsluitbare bergruimte om fietsen
36
Onderbouwing BOPA - Den Ilp, Den Ilp 187a, 188
of scootmobielen op te bergen. Voor de vrijstaande woningen zullen deze op eigen terrein gerealiseerd worden. Voor de rijwoningen zal de bestaande eenden- en kippenschuur worden omgebouwd tot een stalling.
Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Den Ilp. In de huidige situatie zijn het plangebied enkele voormalige agrarische gebouwen aanwezig ten behoeve van een bedrijfsfunctie. De verkeersgeneratie als gevolg van de aanwezige bedrijvigheid is zeer minimaal en beperkt zich tot enkele voertuigbewegingen per dag. In de gewenste situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van de CROWpublicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering’. Hierin is gekeken naar een vrijstaande koopwoning met een verkeersgeneratie 8,6 mvt/etmaal per woning. Voor een tussen/hoek koopwoning geldt een verkeersgeneratie van 7,8 mvt/etmaal per woning. Dit komt neer op een verkeersaantrekkende werking van 107 mvt/etmaal. Hierbij is rekening gehouden, conform het gestelde in de Parkeernota Landsmeer 2021-2025 voor een projectlocatie in Het Lint, met 6 vrijstaande woningen en 7 tussen-/hoekwoningen in rest bebouwde kom in een niet stedelijk gebied.
Conclusie Daar de parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden, vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De verkeersbewegingen nemen met onderhavig initiatief toe met maximaal 107 mvt/etmaal. Gezien de ligging en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied.
4.18.
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: •
gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
•
aardgasleidingen afhankelijk van druk;
•
defensiebrandstoffen;
•
warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
Uit het geldende omgevingsplan is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
ruimte voor ontwikkeling
37
4.19.
Milieueffectrapportage
Wettelijk kader De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (hierna: SMB-richtlijn). De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de merbeoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.
Beoordeling Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect).
Kenmerken van het project In de gewenste situatie wordt er agrarische bebouwing geamoveerd en worden er 13 woningen in Den Ilp gerealiseerd.
Locatie van het project Het plangebied is gelegen aan de Den Ilp 187A en 188 te Den Ilp. Het is gelegen in het lint van Den Ilp. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of NNN gebied.
Kenmerken van het potentiële effect Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. In deze onderbouwing worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet gelegen in kwetsbaar of waardevol gebied en het heeft geen nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Voor deze BOPA is het dan ook niet noodzakelijk een milieueffectrapportage op te stellen.
Conclusie Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.
38
Onderbouwing BOPA - Den Ilp, Den Ilp 187a, 188
5.
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1.
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Omgevingswet. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft nadeelcompensatie zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1. Participatie De gemeenteraad van Landsmeer heeft bij besluit van 28 september 2023 activiteiten aangewezen waarbij participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA kan worden ingediend (artikel 16.55, zevende lid van de Ow). Voor woningen geldt binnen de bebouwde kom de grens van 11 woningen en buiten de bebouwde kom de grens van 2 woning. Met onderhavig initiatief worden 13 woningen gerealiseerd. Voor de ontwikkeling is participatie verplicht. Hierom is er een participatieavond gehouden. Het bijbehorende participatieverslag is als bijlage bij voorliggende onderbouwing bijgevoegd. Tijdens de inloopavond van 8 april 2025 werden de omwonende van Den Ilp 187a-188 de gelegenheid gegeven om vragen te stellen en feedback te geven. Ongeveer de helft van de genodigden was aanwezig, waardoor een representatieve afspiegeling van de buurt aanwezig was. De sfeer was nieuwsgierig en betrokken. Over het algemeen werd positief gereageerd op de plannen. De combinatie van vrijstaande woningen, en starterswoningen in de uitstraling van schuurwoningen wordt als passend ervaren, en enkele bewoners toonden zelfs interesse in de toekomstige woningen.
Belangrijke aandachtspunten zijn het behoud van het straatlint aan de voorzijde, een natuurlijke inpassing van de bebouwing, het hoge waterpeil, overlast tijdens de bouw, toetsing aan Natura 2000, duurzame energievoorziening en toepassing van houtwerk. In de verder planontwikkeling worden deze aandachtspunten verder meegenomen.
5.2.2. Procedure Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. De ontwerpbeschikking wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de ter inzage is het voor eenieder mogelijk een zienswijze in te dienen. Tegen het definitieve besluit kunnen alleen belanghebbenden bezwaar maken en in beroep gaan. Het ontwerpbesluit heeft van … tot … ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode … zienswijzen ontvangen. De zienswijzen hebben wel/niet geleid tot een herziening van het besluit.
ruimte voor ontwikkeling
39
6.
Eindconclusie
In deze onderbouwing is gemotiveerd dat de ontwikkeling aan de Den Ilp 187A en 188 te Den Ilp in lijn is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast blijkt uit deze onderbouwing dat voldaan wordt aan de instructieregels van het Rijk en de provincie. Om dit te beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving aspecten (voor zover relevant) nader onderzocht en afgewogen. Voorts past het initiatief binnen het beleid van de gemeente Landsmeer. Met onderhavig initiatief worden er 13 nieuwe woningen gerealiseerd. Het initiatief draagt bij aan de kwaliteit van het plangebied. Verder wordt er invulling gegeven aan de bestaande woningbehoefte. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
40
Onderbouwing BOPA - Den Ilp, Den Ilp 187a, 188
ruimte voor ontwikkeling
41