9 20220127 1. Toelichting Pater Eustachiuslaan 7.pdf
Tekst van het document
5.2
Waterhuishouding
5.2.1
Beleidskader
5.2.1.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen
Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afvalwater dat afkomstig is van huizen en bedrijven. Huiseigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor de aansluiting op het riool. Vanaf dit aansluitpunt neemt de gemeente de verantwoordelijkheid over. De gemeente is ook verantwoordelijk voor de zorg voor het overtollige regenwater en grondwater. 5.2.1.2
Keur 2015
Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de Keur van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. 5.2.1.3
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², een toename tussen 500 m² en 10.000 m² en een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Voor plannen met toename van het verhard oppervlak met een omvang minder dan 500 m² vereist het waterschap geen compensatie van hemelwaterberging. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. 5.2.1.4
Principes waterschap Aa en Maas
Waterschap Aa en Maas hanteert onderstaande principes: - gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; -
doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’;
-
hydrologisch neutraal bouwen;
-
water als kans;
-
meervoudig ruimtegebruik;
-
voorkomen van vervuiling;
-
wateroverlastvrij bestemmen;
-
waterschapsbelangen.
Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
5.2.1.5
GRP 2019-2023 Onweerstaanbaar Laarbeek
Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 Onweerstaanbaar Laarbeek is op 6 december 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Laarbeek. Uit het GRP volgt dat op plaatsen waar infiltratie in de bodem mogelijk is, de beleidsregels van de gemeente leidend zijn. Dit geldt zowel voor particulier terrein als de openbare ruimte. Als er sprake is van afvoeren naar oppervlaktewater met een belangrijke functie voor de waterhuishouding zijn de beleidsregels van het waterschap van toepassing. Los van deze beleidsregels toets de gemeente altijd aan een bui die eenmaal per 100 jaar voorkomt, of aan de landelijke toetsbui, zodra deze beschikbaar is. Bij een dergelijke bui mag geen schade optreden aan eigendommen en/of mogen geen essentiële gebruiksfuncties uitvallen. Dit betreft de nieuwbouw van gebouwen, parkeerplaatsen, trottoirs en andere verhardingen. Als ontwerpnorm hanteert de gemeente Laarbeek net als de Brabantse waterschappen 60 mm berging van regenwater in de boven- en/of ondergrond en binnen het plangebied. Bij nieuwbouw en bij herbouw (het oppakken van bestaand verhard oppervlak en weer opnieuw terugplaatsen) bestaat voldoende flexibiliteit om ruimte voor wateropvang te creëren. Om de afvoer naar de riolering en/of het watersysteem te reduceren, dient een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m2 verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein.
Deze eis geldt voor elk aan te leggen afvoerend verhard oppervlak ongeacht de lozingssituatie; verhard oppervlak dat voorheen aanwezig was wordt niet in mindering gebracht op deze waterbergingsnorm.
5.2.2
Toets
5.2.2.1
Beleid
Van het omschreven beleid is met name het GRP 2019-2023 van belang binnen het plangebied. In dit beleid zijn concreet toetsbare regels voor het plangebied geformuleerd. Ook is nagegaan of er vanuit de Keur regels gelden voor de ontwikkeling binnen het plangebied. 5.2.2.2
Keur
Het plangebied is niet gelegen in een beschermings- of attentiegebied ingevolge de Keur 2015, of in een invloedsgebied van Natura 2000. 5.2.2.3
GRP 2019-2023 Onweerstaanbaar Laarbeek
Binnen het plangebied wordt een nieuw gebouw toegevoegd met een omvang van 620 m². Er dient derhalve binnen het plangebied ruimte gevonden te worden voor realisatie van een waterberging met een omvang van (60 mm x 620 m² ) 37,5 m³. De aan te leggen erfverharding ligt een zeer ruime omkadering met groen. Het hemelwater dat valt op deze erfverharding vloeit direct af op het omliggende erf, waar dit water direct kan infiltreren in de bodem. De omvang groen is vele malen groter dan de omvang aan mogelijke verharding binnen het erf. 5.2.2.4
GHG en bodem
Binnen het plangebied is sprake van een GHG met een hoogte van 20 tot 40 cm-mv. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de GHG voor het plangebied.
Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
Plangebied
Figuur 21: GHG binnen het plangebied
De boerderij binnen het plangebied is gelegen op een hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand de gronden ten noordoosten hiervan betreffen een beekeerdgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Infiltratie is mogelijk op deze gronden. Navolgende figuur betreft een uitsnede uit de bodematlas waarop de bodemsamenstelling is aangeduid.
Plangebied
Figuur 22: Uitsnede kaart bodematlas voor het plangebied
5.2.2.5
Hemelwaterberging
Deze herbestemming heeft slechts de wijziging van een agrarische bestemming naar een maatschappelijke bestemming tot gevolg. Overtollige bebouwing met een omvang van 635 m² wordt gesloopt. In samenhang met de realisatie van een nieuw gebouw voor het kinderdagverblijf wordt extra parkeergelegenheid gecreëerd. Voor het kinderdagverblijf worden tenminste 20 parkeerplaatsen aangelegd. Dit leidt tot een verhard oppervlak van tenminste 225 m² met daarbij een ontsluiting voor de locatie. De hemelwaterafvoer van deze parkeerplaats en ontsluiting vindt plaats door afvloeiing van de verharding op het aansluitend gelegen buitenterrein. Hiermee infiltreert het hemelwater van de parkeerplaats direct in de ondergrond. Ter verbetering van de infiltratiecapaciteit en berging van het hemelwater kan Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
de parkeerplaats als half-verharding worden uitgevoerd. Aandachtspunt is dat half-verharding ook kan leiden tot een versnelde afvoer van hemelwater. Dit is afhankelijk van de uitvoering van de halfverharding, de ondergrond, gebruik en onderhoud. Het hemelwater dat valt op het dak van het nieuwe gebouw voor het kinderdagverblijf wordt afgevloeid in de landschappelijke inpassing rondom het kinderdagverblijf, waarna het regenwater kan infiltreren in de bodem. Het hemelwater dient te worden geleid naar verlagen met een diepte van 20 cm-mv. De hemelwaterinfiltratieberging heeft een omvang van tenminste 37,5 m³. Dit is verankerd in de regels van dit plan. 5.2.2.6
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 5.2.2.7
Afvalwater
Het afvalwater afkomstig van het plangebied wordt ongewijzigd afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Er is sprake van voldoende capaciteit voor het afvoeren van afvalwater.
5.3
Cultuurhistorie
5.3.1
Beleidskader
Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt.
5.3.2
Toets
In de omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Binnen het plangebied is de langgevelboerderij aan Pater Eustachiuslaan 7 gelegen. Deze boerderij is cultuurhistorisch waardevol. De gemeente Laarbeek heeft deze boerderij opgenomen in hun cultuurhistorische waardestelling met de volgende aantekeningen waardevolle kenmerken voor de boerderij: −
Wolfsdak met riet en pannen voet.
−
Inwendig met kelder en opkamer.
−
Recent ingrijpend vernieuwd. –
−
Schuur onder zadeldak.
De langgevelboerderij aan Pater Eustachiuslaan 7 blijft ongewijzigd behouden en de cultuurhistorische waarden zijn in de regels van dit bestemmingsplan beschermd.
Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
5.4
Archeologie
5.4.1
Beleidskader
5.4.1.1
Inleiding
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. 5.4.1.2
Erfgoedverordening gemeente Laarbeek 2013
De gemeente Laarbeek heeft het gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd in de ‘Erfgoedverordening gemeente Laarbeek 2013’. Hierin staat beschreven: ‘Het is verboden om zonder on in afwijking van een vergunning het archeologische bodemarchief in een archeologisch waardevol gebied of archeologisch verwachtingsgebied te verstoren, te beschadigen of te vernielen’. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de archeologische verwachting voor het plangebied.
Plangebied
Figuur 23: Ligging plangebied op archeologische verwachtingskaart
5.4.2
Toets
Er is sprake van een hoge archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied. Alleen de locatie van de voormalige rundveestal is aangeduid als ‘Gebied zonder archeologische verwachting’. Met het wijzigingen van de bestemming wordt de onverstoorde bodem binnen het plangebied echter niet geroerd. Bij bouw van de opstallen en realisering van fundering hiervoor zijn de gronden binnen het plangebied reeds verstoord. De sloop van de opstallen leidt derhalve niet tot verstoring van ongeroerde gronden. In het oosten en noorden van het plangebied worden twee schuren gesaneerd. Hierbij vinden geen bodemingrepen plaats die zich buiten de gestelde kaders begeven. De vigerende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is overgenomen in dit bestemmingsplan. De herbouw van de ruimte voor het kinderdagverblijf vindt plaats op de locatie die al is aangeduid als grond zonder archeologische verwachtingswaarde. Dit plan leidt niet tot aantasting van eventuele archeologische waarden in de bodem.
Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
De vondst van archeologische waarden kan nooit geheel worden uitgesloten. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij het bevoegd gezag.
5.5
Natuur
5.5.1
Beleidskader
5.5.1.1
Gebiedsbescherming
De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura-2000 gebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming dienen plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. 5.5.1.2
Stikstofdepositie
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient vastgesteld te zijn of een ontwikkeling leidt tot een effect op een Natura 2000-gebied. Voor stikstofdepositie zijn de Wet stikstofreductie en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van toepassing. Deze wet en dit besluit zijn van kracht sinds 1 juli 2021. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. In dit besluit is een vrijstelling voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg, de bouwfase. De stikstof dient slechts te worden bepaald voor de structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, zoals voor bewoning of verkeer dat over een weg rijdt, ofwel de gebruiksfase. Met Aerius Calculator kan de stikstofdepositie bij een ontwikkeling worden bepaald. 5.5.1.3
Soortenbescherming
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient vooraf een beoordeling plaats te vinden.
5.5.2 5.5.2.1
Toets Gebiedsbescherming
Het plangebied is niet gelegen in of nabij een beschermd natuurgebied. Herbenutting van deze voormalige agrarische bedrijfslocatie leidt niet tot aantasting van beschermde habitats.
Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
5.5.2.2
Stikstof
Bij herbestemming van het plangebied is sprake van de uitstoot van stikstof door de verkeersbewegingen van en naar het kinderdagverblijf. Met Aerius Calculator is de consequentie hiervan op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. Uit de berekening blijkt dat de herbestemming geen effect heeft hoger dan 0,00 mol per jaar. De berekening is als bijlage bij deze toelichting onderbouwing gevoegd. 5.5.2.3
Soortenbescherming
Binnen het plangebied wordt de bestemming gewijzigd. Er zijn twee schuren gesloopt. Deze schuren waren tochtig en niet geschikt als habitat voor de vleermuis. Verwacht wordt dat enkele algemene voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijn, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen in de huidige tuin. Binnen het plangebied is sprake van een aantal bomen. Indien met de beoogde herontwikkeling bomen worden verwijderd, dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van eventueel aanwezige vogels (half maart tot en met juli). Derhalve dient dit plaats te vinden voorafgaand aan het broedseizoen, dus vóór maart. Hierdoor wordt het plangebied ongeschikt gemaakt voor broedvogels. Verstoring wordt daarmee voorkomen. Vanuit de algemene zorgplicht dient daarnaast tijdens de werkzaamheden continu gelet worden op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren. Bij aantreffen van planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden verstoord. Deze herontwikkeling vindt plaats in samenhang met een grootschalige landschappelijke inkadering van het plangebied met streekeigen soorten. Dit plan leidt niet tot aantasting van flora en fauna waarden in het kader van soortenbescherming.
5.6
Geluid
5.6.1
Beleidskader
5.6.1.1
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. 5.6.1.2
Industrielawaai
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.
5.6.2 5.6.2.1
Toets Wegverkeerslawaai
De woonboerderij aan Pater Eustachiuslaan 7 kent in de huidige situatie al de mogelijkheid om volledig bewoond te worden. De woonboerderij is daarmee al in zijn geheel te beschouwen als een geluidsgevoelig object. Na de bestemmingswijziging is deze situatie niet anders. De boerderij blijft in zijn geheel geluidsgevoelig. Dit is niet het geval voor een kinderdagverblijf. Een geluidsonderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk.
Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
5.6.2.2
Industrielawaai
Er is geen sprake van aanwezigheid of vestiging van een (grote) lawaaimaker in de omgeving van het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing
5.7
Geur
5.7.1
Beleidskader
5.7.1.1
Inleiding
Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect geur antwoord gegeven te worden op de vragen: -
is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
-
wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad?
5.7.1.2
Activiteitenbesluit
Veel veehouderijen vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit. De Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij zijn voor deze bedrijven niet van toepassing. De eisen uit de wetten zijn wel als voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. 5.7.1.3
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening voor geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de wet consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt in de meeste gevallen het woonen leefklimaat op een locatie. In de wet is in artikel 14 opgenomen dat indien er sprake is van herbestemming van een voormalige veehouderij, de bedrijfswoning in het kader van geur dient te worden beoordeeld als ware het nog een bedrijfswoning van deze veehouderij. 5.7.1.4
Gemeentelijk beleidskader
De gemeente Laarbeek heeft een gemeentelijke geurverordening vastgesteld. In het kader van deze Verordening is het plangebied aangeduid als gelegen in het buitengebied. De ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Laarbeek’ stelt geen afwijkende geurnorm vast als maximale voorgrondbelasting voor het plangebied. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriele regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden), dienen vaste afstanden aangehouden te worden. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, omdat het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gelegen is, minimaal 50 meter te bedragen. 5.7.1.5
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het
Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtst bij het geurgevoelige object is gelegen. De voorgrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat als deze voorgrondbelasting tenminste de helft van de waarde van de achtergrondbelasting bedraagt. 5.7.1.6
Achtergrondbelasting
Onder de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object verstaan. De achtergrondbelasting is een maat voor het leefklimaat. Er dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zijn. 5.7.1.7
Belangen veehouderij en derden
Als gevolg van een ontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn, de realisatie van deze plannen.
5.7.2 5.7.2.1
Toets Voorgrondbelasting
Binnen een afstand van 500 meter tot het plangebied zijn twee locaties gelegen waar bedrijfsmatig dieren worden gehouden. Dit betreft de bedrijven gelegen aan Pater Eustachiuslaan 3 en aan Kloosterdreef 5. Deze herbestemming ziet op een wijziging van een agrarische bedrijfsbestemming naar een maatschappelijke bestemming. Conform artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt een vaste afstand van 50 meter tussen veehouderijen en voor geurgevoelig object welke is gelegen op een (voormalig) agrarisch perceel. Derhalve geldt voor de woning binnen het plangebied een vaste afstand van 50 meter tot veehouderijen. Binnen een afstand van 50 meter zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. De voorgrondbelasting is hier niet maatgevend. 5.7.2.2
Achtergrondbelasting
Er dient binnen het plangebied sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Aan Pater Eustachiuslaan 3 is een vergunning verleend voor het houden van 100 schapen, 5 volwassen paarden en 2 paarden in opfok. Het houden van deze dieren leidt niet tot significant effect op het woon- en leefklimaat. Aan Kloosterdreef 5 is een vergunning verleend voor het houden van 200 kraamzeugen binnen een ‘Porcus Campus’, waarmee sprake is van een geuremissie van 5580 oue. Dit betreft een kennis- en educatiecentrum voor varkens worden, met mogelijkheden voor dag- en verblijfsrecreatie. Door de Omgevingsdienst is de achtergrondbelasting en hiermee het woon- en leefklimaat voor de omgeving van dit bedrijf indicatief in kaart gebracht. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze kaart waarop de ligging van het plangebied in beeld is gebracht.
Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
Plangebied
Kloosterdreef 5
Figuur 24: Achtergrondbelasting- en woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied
Uit deze berekening van de Omgevingsdienst blijkt dat er binnen het plangebied sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat, met een achtergrondbelasting van 0 tot 3 oue/m³. Hiermee is binnen het plangebied sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. 5.7.2.3
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven
De herbestemming van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet onevenredig belemmeren. De omliggende veehouderijen liggen op dermate grote afstand dat de herontwikkeling van het plangebied de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven daarmee niet belemmert. Het woon- en leefklimaat is zeer goed. In de nabijheid van de bedrijven zijn woningen gelegen die eerder maatgevend zijn bij uitbreiding van deze veehouderijen.
5.8
Gezondheid
5.8.1
Beleidskader
5.8.1.1
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof in Nederland, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de handreiking zijn de zeven te doorlopen te toetsen stappen opgenomen.
Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
5.8.1.2
Geitenhouderijen
Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. 5.8.1.3
Gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
5.8.2 5.8.2.1
Toets Toets van de ontwikkeling aan Handreiking aan endotoxinen en geitenbedrijven
Stap 1 In stap 1 wordt getoetst aan endotoxine. Binnen het plangebied vindt geen uitstoot van endotoxinen plaats. In omgeving van het plangebied is één veehouderbedrijf gelegen. Op een afstand van circa 160 meter tot het plangebied is voor de veehouderij aan Pater Eustachiuslaan 3 een vergunning verleend voor het houden van 100 schapen, 5 volwassen paarden en 2 paarden in opfok. Voor deze dierencategorieën is geen sprake van een endotoxinen-contour. Daarnaast is aan Kloosterdreef 5 een kennis- en educatiecentrum voor varkens gelegen. Hierbij is een vergunning verleend voor het houden van 200 kraamzeugen. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter tot het plangebied. Voor het bedrijf is een vergunning verleend voor uitstoot van 32 kg/jr aan fijnstof emissie. Dit leidt tot een endotoxine contour van 36 meter. Hiermee is het plangebied ruim buiten de aan te houden afstand gelegen. Stap 2 Toets aan een toename van emissies. Dit is niet van toepassing omdat dit plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. Stap 3 In stap 3 wordt getoetst aan geur. Voldaan wordt aan de geurnormen en aan te houden vaste afstanden. Er is sprak van een zeer goed woon- en leefklimaat in het kader van geur. Er zijn geen veehouderijbedrijven gelegen in de directe omgeving van het plangebied. Op een afstand van 200 meter tot het plangebied is een varkenshouderij gelegen.
Deze veehouderij is voor wat betreft geur en endotoxinen getoetst. Er is binnen het plangebied sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
Stap 4 Er zijn geen bedrijven gelegen in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden:varkens & pluimvee, rundvee & kleine herkauwers (schapen/geiten) of kleine herkauwers onderling. Aan stap 4 wordt voldaan. Stap 5 In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij of een pluimveebedrijf. Er zijn geen pluimveehouderijen gelegen binnen een afstand van één kilometer tot het plangebied. Binnen een afstand van twee kilometer tot het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Dit aspect is niet van toepassing. Aan stap 5 wordt voldaan. Navolgende kaart geeft een beeld van de ligging van het plangebied ten opzichte van geitenhouderijen.
Plangebied
Figuur 25: Beeld met ligging van geitenbedrijven ten opzichte van het plangebied
Stap 6 Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Aan stap 6 wordt voldaan Stap 7 Er is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan 7 wordt daarmee voldaan. 5.8.2.2
Gewasbeschermingsmiddelen
Er is geen sprake van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van het plangebied. Dit aspect is niet van toepassing.
5.9
Bedrijven en milieuzonering
5.9.1
Beleidskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden
Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.
5.9.2 5.9.2.1
Toets Bedrijven in de omgeving van het plangebied
Opslag en stalling In de directe omgeving van het plangebied is één niet agrarisch bedrijf gelegen. Dit bedrijf is gelegen aan Pater Eustachiuslaan 4. In het vigerende bestemmingsplan is dit bedrijf aangeduid als ‘specifieke vorm van bedrijf - opslag stalling’. Bij de Kamer van Koophandel is “Van den Bogaard Interieurbouw en Montage” geregistreerd op dit adres. Deze onderneming is te karakteriseren als een bedrijf met een milieucategorie 2, wat betekent dat er een minimale afstand van 30 meter geldt die aangehouden dient te worden tot een gevoelig object. Tussen deze bedrijfsbestemming en de maatschappelijke bestemming binnen het plangebied is sprake van een afstand van 80 meter. Derhalve wordt voldaan aan de gestelde richtafstand. Glastuinbouw In de omgeving van het plangebied zijn aan Pater Eustachiuslaan 8 en 17-19 glastuinbouwbedrijven met assimilatiebelichting gelegen. De verlichtingssterkte van deze bedrijven is minder dan 15.000 lux. In het kader van de richtlijn Bedrijven en milieuzonering dient een afstand van 30 meter tot deze bedrijven te worden aangehouden. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 30 meter die in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de VNG, editie 2009, wordt aanbevolen tussen woningen en kassen met gasverwarming.
De glastuinbouwlocatie aan Pater Eustachiuslaan 8 is gelegen op een afstand van 100 meter tot het plangebied en de locatie aan Pater Eustachiuslaan 17-19 is gelegen op een afstand van 150 meter tot het plangebied en is hiermee eveneens buiten de aan te houden richtlijnafstand gelegen. 5.9.2.2
Vestiging kinderdagverblijf binnen het plangebied
Een kinderdagverblijf dient te worden gerealiseerd op een afstand van 30 meter tot gevoelige bestemmingen. Binnen een afstand van 30 meter tot het plangebied zijn geen andere gevoelige bestemmingen/woningen gelegen, waarmee voldaan wordt aan de aan te houden richtlijnafstand in het kader van de richtlijn Bedrijven en milieuzonering.
5.10 Externe veiligheid 5.10.1 Beleidskader 5.10.1.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: −
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);
−
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;
Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
−
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;
−
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);
−
Structuurvisie buisleidingen;
−
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;
−
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). 5.10.1.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1.
Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;
2.
Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.
5.10.1.3 Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s binnen het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. 5.10.1.4 Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) kan onder andere worden getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPGtankstations’.
5.10.2 Toets 5.10.2.1 Risicovolle inrichtingen Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
Plangebied
Figuur 26: Uitsnede van de risicokaart externe veiligheid voor de omgeving van het plangebied
5.10.2.2 Transport van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, over de weg, het spoor, het water of via buisleidingen. Op circa 690 meter ten zuiden van het plangebied is een buisleiding van Gasunie Transport Services B.V. gelegen. Het plangebied bevindt zich ruim buiten de risicoafstand van deze buisleiding. Op circa 1.000 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich de hoogspanningslijn Uden-Aarle-Rixtel. Op dermate grote afstand kan interactie normaliter niet plaatshebben. 5.10.2.3 Groepsrisico Het plangebied is niet gelegen in een invloedsgebied. Dit plan heeft geen invloed op het groepsrisico.
5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Beleidskader 5.11.1.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: −
beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en;
−
voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.
5.11.1.2 Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen dit programma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. 5.11.1.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.
5.11.2 Toets 5.11.2.1 Uitstoot schadelijke stoffen Dit bestemmingsplan ziet toe op toevoeging van een kinderdagverblijf op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Binnen het plangebied vinden dagelijks vervoersbewegingen van en naar het kinderdagverblijf plaats. Deze vervoersbewegingen leiden echter niet tot een ontwikkeling die ‘In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hierna is een NIMB-tool berekening opgenomen van worst-case vervoersbewegingen. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
80
Aandeel vrachtverkeer
1,0%
NO2 in μg/m
3
0,06
PM10 in μg/m
3
0,01
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 27: NIBM-berekening bij herbestemming van het plangebied
5.11.2.2 Uitstoot van gevaarlijke stoffen Fijnstof Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-19 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en omgeving weer.
Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
Plangebied
Figuur 28: Fijnstof PM10 (bron: RIVM) waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Plangebied
Figuur 29: Fijnstof PM2,5 (bron: RIVM) waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Stikstofdioxide Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 19-20 µg/m³. Deze herontwikkeling is in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar. Navolgende figuur betreft een kaart met de uitsnede van de stikstof voor het plangebied en de omgeving.
Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
Plangebied
Figuur 30: Stikstofdioxide (bron: RIVM) voor het plangebied
5.11.2.3 Besluit gevoelige bestemmingen Het plangebied betreft een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Er is steeds een koppeling met de grenswaarden voor PM10 en NO2. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. Het plangebied is gelegen binnen een afstand van 300 meter tot de Rijksweg N279. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er binnen het plangebied geen sprake is van een dreigende overschrijding van PM10 of NO2. Uit deze toelichting blijkt dat de locatiekeuze weloverwogen is en dat hervestiging van een kinderdagverblijf aan Pater Eustachiuslaan 7 past binnen de kaders voor een goede ruimtelijke ordening.
5.12 M.e.r-beoordeling 5.12.1 Beleidskader 5.12.1.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project
Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. 5.12.1.2 Drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². 5.12.1.3 Vorm-vrije m.e.r.-beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling dient bij een ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling worden uitgevoerd indien de drempelwaarde zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.
5.12.2 Toets 5.12.2.1 Drempelwaarden De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt de drempelwaarde zoals opgenomen in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet. Er is sprake van realisatie van een kinderdagverblijf in een gebouw met een omvang van 620 m². Op basis van deze bijlage is geen MER noodzakelijk. 5.12.2.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Deze ontwikkeling betreft geen stedelijke ontwikkeling in het kader van de m.e.r.-beoordeling. Uit deze toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling zeer kleinschalig van aard is en geen aantasting van milieu en omgeving met zich meebrengt. Per saldo neemt de bebouwing af en wordt de landschappelijke inpassing fors versterkt.
Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
6. JURIDISCHE VORMGEVING 6.1
Inleiding
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond. De bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Groen – Landschapselement’ en Maatschappelijk zijn opgenomen, evenals de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Op de verbeelding is een plangrens en is de woning aan Pater van Eustachiuslaan 7 voorzien van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’.
6.3
Algemene toelichting op de regels
De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -
Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);
-
De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);
-
Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);
-
Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).
Een bestemmingsartikel kan uit de volgende leden (in deze volgorde) worden opgebouwd: -
Bestemmingsomschrijving;
-
Bouwregels;
-
Nadere eisen;
-
Specifieke gebruiksregels;
-
Afwijking van de gebruiksregels;
Omgevingsvergunning voor het aanleggen. Met betrekking tot dit bestemmingsplan is voor de regels van dit plan aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor het plangebied.
6.4
Toelichting op de bestemmingen
6.4.1
Agrarisch
Met de deze herbestemming is de agrarische bedrijfsbestemming gesaneerd. Het plangebied is voorzien van een maatschappelijke bestemming. De gronden die rondom de boerderij gelegen zijn en niet als maatschappelijk of ten behoeve van landschappelijke inpassing zijn bestemd zijn bestemd naar een agrarische bestemming zonder bouwvlak. Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
6.4.2
Groen - Landschapselement
In samenhang met realisatie van het kinderdagverblijf binnen het plangebied dient een goede landschappelijke inpassing verzekerd te zijn. De aan te leggen en in stand te houden landschapselementen zijn in dit bestemmingsplan verankerd in de bestemming ‘Groen – Landschapselement’.
6.4.3
Maatschappelijk
Het kinderdagverblijf en de bijbehorende bedrijfswoning zijn in dit bestemmingsplan bestemd als ‘Maatschappelijk’. In deze bestemming is vastgelegd dat binnen bebouwing met een omvang van 620 m² een kinderdagverblijf kan worden gerealiseerd met op termijn wellicht dagopvang voor ouderen. De bedrijfswoning is cultuurhistorische waardevol en voorzien van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’.
6.4.4
Waarde – Archeologie 2
Een gedeelte van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem. Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied.
Crijns Rentmeesters bv
54
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
7. UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Voor herbestemming van het plangebied wordt deze bestemmingsplanprocedure doorlopen. De kosten voor die voor deze ontwikkeling door de gemeente worden gemaakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Bij kleinschalige ontwikkelingen wordt veelal geen exploitatieplan vastgesteld, maar wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hierin worden afspraken vastgelegd over de procedure, kosten, planschadeverhaal en aan te leveren stukken. Ook in deze procedure is door de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten met de gemeente Laarbeek. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan wordt conform de wettelijke vereisten kenbaar gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen kan een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.
Crijns Rentmeesters bv
55
Bestemmingsplan ‘Pater Eustachiuslaan 7, Aarle-Rixtel’ - toelichting
8. PROCEDURE 8.1 Procedure De bestemmingsplanprocedure wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: −
het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;
−
gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;
−
binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeen-
−
de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend ge-
teraad het bestemmingsplan vast; maakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan; o De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht. Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.
8.2
Overleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een wijzigingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan is aangeboden in het kader van het wettelijk vooroverleg. Dit plan is voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas.
8.3
Zienswijzen
Dit bestemmingsplan is van vrijdag 24 september 2021 tot en met donderdag 4 november 2021 als ontwerpbestemmingsplan gepubliceerd. Er zijn geen zienswijzen ontvangen op dit plan.
Crijns Rentmeesters bv
56