CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

8 20221103 Bijlage 3 Hoger beroepschrift zoals ingediend bij RvS.pdf

Raadsvergadering 3 november 2022, gemeente LaarbeekBij agendapunt: H. Voorstel tot afgifte Verklaring van Geen Bedenkingen tegen de herstelde aanvraag zonnepark Rooijseweg30.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

5.1 Eisers betwijfelen of door middel van een met de derde-partij gesloten samenwerkingsovereenkomst voldoende is geborgd dat wordt voldaan aan de mogelijkheid tot participatie die als voorwaarde wordt genoemd in het gemeentelijke beleid. 5.2 Verweerder en de derde-partij zijn (naar aanleiding van opmerkingen van de gemeenteraad in de afgegeven ontwerp verklaring van geen bedenkingen) een samenwerkingsovereenkomst en een anterieure overeenkomst aangegaan. In deze overeenkomst zijn nadere afspraken gemaakt over maatschappelijke participatie, in de vorm van obligaties en de afdracht van een bedrag per jaarlijks geproduceerde MWh (megawattuur) aan een op te richten omgevingsfonds. Na de vaststelling van deze samenwerkingsovereenkomst heeft de gemeenteraad een definitieve verklaring van geen bedenkingen afgegeven. 5.3 In artikel 3.41, eerste lid, onder d, van de IOV is bepaald dat in Landelijk gebied niemvvestiging mógelijk is van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als het project een maatschappelijke meerwaarde heeft. Deze meerwaarde wordt op basis van artikel 3.41, tweede lid, van de IOV, onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. de mate van meervoudig ruimtegebruik; b. de maatregelen die worden getroffen om de impact op de omgeving te beperken; c.

de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen. 5.4 De rechtbank is van oordeel dat door middel van de afspraken in de samenwerkingsovereenkomst wordt voldaan aan de voorwaarde met betrekking tot maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in artikel 3.41, eerste lid, van de IOV en het gemeentelijke beleid. Hiertoe is niet noodzakelijk om de afspraken van de samenwerkingsovereenkomst ook op te nemen als voorschriften in het bestreden besluit, zeker niet nu het bestreden besluit is genomen na het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst. De rechtbank acht het niet noodzakelijk dat de maatschappelijke meerwaarde wordt geborgd in voorschriften in het bestreden besluit. Het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst is in dit geval voldoende. De rechtbank neemt

zaakn um m er: SH E 21 /2 705

7

hierbij in aanmerking dat de voorwaarde van het hebben van een maatschappelijke meerwaarde geen ruimtelijk-relevant aspect betreft. 6.1

Eisers vragen zich af hoe kwaliteitsverbetering van het landschap wordt uitgevoerd.

6.2 Verweerder stelt dat de landschappelijke inpassing van het zonneveld ook de gevraagde kwaliteitsverbetering van het landschap vormt. Nu is sprake van een *ckaal en leeg'’ grootschalig agrarisch productielandschap zonder enige ecologische of landschappelijke waarde. 6.3 Op basis van artikel 3.9, eerste lid, van de ÏOV moet een ontwikkeling in Landelijk gebied gepaard gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. In artikel 3.9, derde lid, van de ÏOV kan deze fysieke landschappelijke verbetering mede een aantal aspecten omvatten waaronder de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing. In artikel 3.41, eerste lid, onder c, van de IOV is bepaald dat de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; 6.4 De enige fysieke landschappelijke verbetering betreft de landschappelijke inpassing. Dit betreft een iandschapsinrichtingsplan met meervoudig ruimtegebruik. In voorschrift 3.1.4 van het bestreden besluit is bepaald dat dit plan binnen één jaar na het gereed komen van het zonneveld moet zijn gerealiseerd. In voorschrift 3.1.5 van het bestreden besluit is bepaald dat de landschappelijke inkleding en het meervoudig ruimtegebruik te allen tijde in stand moeten worden gehouden en dat de aanvang van deze termijn gelijk loopt met de aanvang van de exploitatie van het zonneveld.

6.5 De rechtbank is van oordeel dat voorschrift 3.1.5 er niet toe verplicht de landschappelijke inpassing na 25 jaar in stand te houden. De vergunning heeft een looptijd van 25 jaar en na het verstrijken van de looptijd, hoeft vergunninghoudster niets meer te doen. Dat de landschappelijke inpassing 'te allen tijde’ in stand zou moeten worden gehouden, doet hier niets aan af. Deze lezing van voorschrift 3.1.5 is desgevraagd ter zitting bevestigd door verweerder. 6.6 De rechtbank vraagt zich af of hiermee de met artikel 3.9, eerste lid, van de IOV beoogde fysieke landschappelijke verbetering wordt bereikt. De landschappelijke inpassing is in ieder geval niet per se een blijvende verbetering, want die hoeft na 25 jaar niet langer in stand te worden gehouden. Aan verweerder kan worden toegegeven dat het gaat om een tijdelijke vergunning, maar dat wil niet zeggen dat aan deze vergunning minder strenge eisen hoeven te worden gesteld uit hoofde van artikel 3.9, eerste lid, van de IOV. Een andere fysieke landschappelijke verbetering ziet de rechtbank niet in het bestreden besluit. Dit strookt niet met artikel 3.9, derde lid, van de IOV waar juist meer voorbeelden worden genoemd.

Bij het ontbreken van een blijvende landschappelijke verbetering kan altijd een bijdrage worden gevraagd aan het landschapsfonds op basis van artikel 3.9, vierde lid, van de IOV, maar daaraan wordt in het bestreden besluit geen toepassing gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank moet er niet alleen een compenserende verplichting (in de vorm van een landschappelijke inpassing) zijn maar moet er ook een maatschappelijke meerwaarde zijn. De rechtbank leest bevestiging voor dit oordeel in de zienswijze van de provincie die zich ook afvraagt waar de meerwaarde is. In reactie daarop heeft verweerder weliswaar aangegeven dat in het inpassingsplan aansluiting wordt gezocht bij bestaande Vegetatie en landschapsstructuren, maar het is de rechtbank niet duidelijk waar op wordt

zaaknummer: SHE 21/2705

gedoeld: elders in het bestreden besluit geeft verweerder aan dat het hier een landbouwontwikkelingsgebied betreft zonder ecologische waarde. Weliswaar zou door het inpassingsplan de vegetatie worden verbeterd, maar de verplichting om deze landschappelijke inpassing in stand te houden en de aansluiting met de bestaande vegetatie en landschapsstructuren vervallen ook na de looptijd van de vergunning. Het bestreden besluit is op dit onderdeel niet inzichtelijk. 7.1 Eisers hebben kritiek op de instandhoudingsverplichting in voorschrift 3.1.5 van het bestreden besluit. 7.2 Verweerder beoogt met het voorschrift 3.1.5 te borgen dat voortdurend sprake moet zijn van landschappelijke inpassing. Na het verstrijken van de looptijd van de vergunning is het zonneveld in strijd met het bestemmingsplan en kan handhavend worden opgetreden. Hiervoor zijn ook boeteclausules in de anterieure overeenkomst opgenomen. 7.3 In voorschrift 3.1.5 staat: ”De landschappelijke inkleding en het meervoudig ruimtegebruik dient te allen tijde in stand gehouden te worden. De aanvang van de instandhoudingstermijn van 25 jaar loopt gelijk met de aanvang van de exploitatie van het zonneveld, conform de afspraken hierover in de anterieure overeenkomst”.

7.4 De rechtbank hecht in deze bestuursrechtelijke procedure geen waarde aan de boeteclausules in de anterieure overeenkomst omdat derden, zoals eisers, hierop geen beroep kunnen doen. Dat neemt echter niet weg dat de derde-partij op grond van voorschrift 3.1.5 gehouden is om de landschappelijke inpassing en het meervoudig ruimtegebruik in stand te houden gedurende de looptijd van de overeenkomst. Verder is voldoende geborgd dat het landschapsinrichtingsplan met meervoudig ruimtegebruik wordt uitgevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet, 8.1 Eisers vinden dat onvoldoende is geborgd dat na de looptijd van de omgevingsvergunning het perceel in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht. Dat is wel vereist op basis van artikel 3.41, derde lid, van de IOV. 8.2 Verweerder is van mening dat dit voldoende is geborgd door middel van voorschrift 3.1.3 in het bestreden besluit. 8.3 Ingevolge voorschrift 3.1.2 van het bestreden besluit dient na de termijn van 25 jaar de bestaande toestand te worden hersteld en moet de opstelling voor zonne-energie worden verwijderd. In voorschrift 3.1.3 is bepaald dat voor het herstellen van de bestaande toestand van vóór de verlening van de omgevingsvergunning financiële zekerheid wordt gesteld. 8.4 De rechtbank is van oordeel dat in voorschrift 3.1.3 onvoldoende wordt geborgd dat op tijd voldoende financiële zekerheid wordt gesteld.

Er staat niet in wanneer de financiële zekerheid moet zijn gesteld en er staat ook niet in dat er voldoende financiële zekerheid moet worden gesteld. Verweerder kan ook niet verwijzen naar de samenw erkingsovereenkomst of de anterieure overeenkomst, want derden, zoals eisers, kunnen hierop geen beroep doen. Deze beroepsgrond slaagt.

Overige heroepsgronden 9.1 Eisers stellen dat niet helemaal duidelijk is wanneer de looptijd van 25 jaar begint.

8

zaaknummer: SHE 21/2705

9

9.2 Verweerder heeft voorschrift 3.1.1 aan het bestreden besluit toegevoegd: "De aanvang van de termijn van 25 jaar loopt gelijk met aanvang van de exploitatie van het zonneveld, conform de afspraken hierover in de anterieure overeenkomst”. 9.3 De rechtbank leest in de anterieure overeenkomst geen afspraken over de aanvang van de exploitatie. De rechtbank is wel van oordeel dat duidelijk is wanneer de looptijd exact start, namelijk met de aanvang van de exploitatie van het zonneveld, De rechtbank begrijpt dit aldus dat zodra het zonneveld begint met energieopwekking, sprake is van de aanvang van de exploitatie. Zo gelezen, is voorschrift 3.1.1 voldoende duidelijk. 10.1 Eisers wijzen op twee identieke voorschriften om lichthinder (schittering) te beperken. Het gaat om de voorschriften 1.1.13 en 3.1.6 waarin staat: "Het type panelen dat in de uitvoering wordt toegepast dient te voldoen aan de eis dat eventuele lichthinder (schittering) wordt geminimaliseerd”. Zij vinden deze formulering zo vaag dat dit niet handhaafbaar is. 10.2 Verweerder heeft aangegeven dat het de bedoeling is dat de meest moderne zonnepanelen worden gebruikt. Er zijn echter geen nonnen voor schittering. Voor lichthinder van zonnepanelen zijn geen algemeen geldende richtlijnen. Verweerder wil omwonenden extra bescherming bieden tegen mogelijke overlast.

Verweerder wijst erop dat de woning van eisers ten noorden van de panelen ligt, waardoor nauwelijks tot geen sprake zou zijn van schittering, ongeacht welke type paneel en hellingshoek gekozen worden. 10.3 De derde-partij heeft aangegeven dat zij moderne zonnepanelen zal gaan gebruiken. 10.4 Er zijn op dit moment geen normen met betrekking tot lichthinder door zonnepanelen. Wel wordt de techniek steeds verder ontwikkeld en wordt de schittering van zonnepanelen beperkt. Onder deze omstandigheden heeft verweerder kunnen volstaan met de beide voorschriften. Deze voorschriften bevatten naar het oordeel van de rechtbank een inspanningsverplichting om lichthinder zoveel mogelijk te beperken. De rechtbank ziet geen aanleiding deze voorschriften aan te passen, mede gelet op de onweersproken stelling van verweerder dat de noordelijk gelegen woning van eisers nauwelijks enige lichthinder zal kunnen ondervinden. 11.1 Eisers vrezen dat het bodem-ecosysteem in negatieve zin wordt beïnvloed. 11.2 Verweerder stelt dat sprake zal zijn van een wijziging van het bodem-ecosysteem, maar dat geen sprake is van een verslechtering. Op dit moment wordt het perceel intensief gebruikt voor landbouw met bijbehorende grondbewerkingen en gewasbeschermingsmiddelengebruik. Dat wijzigt in gunstige zin met de komst van het zonneveld.

11.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanige verslechtering van het bodem-ecosysteem ten opzichte van het huidige gebruik voor landbouw dat realisering en gebruik van het zonneveld daarmee in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 12.1 Eisers stellen dat zij wel uitzicht hebben op het zonneveld.

zaaknummer: SHE 21/2705

10

12.2 Verweerder stelt dat de afstand tussen de voorkant van de woning van eisers en de rand van het zonneveld 200 meter is. Vanaf de begane grond kijkt de woning uit op een (half) verharde weg met daarnaast een dichte begroeiing. Vanaf de bovenverdieping is het zicht beperkt en er ligt een landbouvvperceel waarop hoger groeiende landbouwgewassen worden geteeld. De begroeiing aan de Spierkesweg en aan te brengen beplanting aan de noordrand van het zonneveld onttrekken de panelen aan het zicht vanaf de straat. 12.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanig verlies van uitzicht of beleving van de omgeving dat realisering en gebruik van het zonneveld daardoor in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 13.1 Eisers hebben ter zitting nog geklaagd over de inspraak ten behoeve van het bestreden besluit. 13.2 Verweerder heeft aangegeven dat deze inspraak niet goed is gelopen als gevolg van belemmeringen door corona-maatregelen. 13.3 Deze beroepsgrond is niet opgenomen in het beroepschrift maar pas ter zitting naar voren gebracht. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en Herstelwet kunnen na afloop van de beroepstermijn geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. De rechtbank zal deze beroepsgrond dan ook buiten beschouwing laten.

Conclusie 14. Gelet op rechtsoverwegingen 3, 4, 6 en 8 is het beroep gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een bestuurlijke lus omdat zij niet kan overzien hoe lang het duurt voordat het in rechtsoverweging 3.4 genoemde gebrek is hersteld en omdat de rechtbank niet op voorhand uitsluit dat het initiatief wordt gewijzigd. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen zes maanden na verzending van de uitspraak. De rechtbank bepaalt wel dat verweerder afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing kan laten. Indien de aanvraag ingrijpend wordt gewijzigd, zal een ontwerpbesluit overigens wel ter inzage moeten worden gelegd. 15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden en krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 759,00, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.518,00.

Daarnaast kunnen eisers aanspraak maken op een vergoeding van verletkosten (€ 130,00 wegens het bij wonen van de zitting). De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van de overige verletkosten.

zaaknummer: SHE 21/2705

Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder hierbij de toepassing van afdeling 3.4 van de Awb buiten beschouwing kan laten indien de aanvraag niet ingrijpend wordt gewijzigd; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eisers te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.648,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, mr. DJ. Hutten en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk. griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2022.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

01JUL 2022

Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na de genoemde termijn van zes weken geen gronden meer worden ingediend.

zaaknummer: SHE 21/2705

Bijlage

Artikel 3.41 Zonne-parken in Landelijk gebied (IOV) Lid 1 Binnen Landelijk gebied is nieuvvvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is; b. de nieuvvvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit: c. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; d. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; e. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving. Lid 2 De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. de mate van meervoudig ruimtegebruik; b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; c. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen. Lid 3 Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid.

onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonneenergie verwijderd; c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landsehap (IOV) Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, w orden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land: c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch vvaardevolle bebouw ing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing;

zaaknummer: SHE 21/2705

13

f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones: g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.

Artikel 37.3 in bestemmingsplan “buitengebied” over ecologische verbindingszone 37.3.1 Zoneomschrijving De gronden voorzien van de aanduiding 'overig - ecologische verbindingszone’ zijn naast de overige daaraan gegeven bestemmingen mede bestemd voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van de ecologische verbindingszone. 37.3.2 Bouwregels In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, geldt voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'overig- ecologische verbindingszone* dat er geen stedelijke, recreatieve en agrarische ontwikkelingen mogen plaatsvinden, voor zover het gebied als gevolg van genoemde ontwikkelingen minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en beheer van de ecologische verbindingszone. 37.3.3 Aanlegvergunning 37.3.3.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2, anders dan een bouwwerk, aan te brengen.

37.3.3.2 Uitzonderingen Het in lid 37.3.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; reeds in uitv oering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. 3.7.3.3.3 Toelaatbaarheid De in lid 37.3.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verwezenlijking, het behoud en het beheer van de ecologische verbindingszone.

r SBR 21/2705

j

R Aangetekend j

D-A-1

GEM. LAARBEEK Postbus 190

3SGQYQ8140731

5740AD BEEK EN DONK

Recommandé

NL

Naam: Gemeente Laarbeek Adres: KOPPELSTRAAT 37, 5741 GA BEEK EN

i

RECHTBANK OOST-BRABANT Postbus 70584 5201CZ ’S-HERTOGENBOSCH THE NETHERLANDS

Bijlage 2

Zaaknummer:

26968-2021

Laarbeek

Documentnummer:

26968-2021:996975

Waterpoort van de Peel

Raadsbesluit De raad van de gemeente Laarbeek; gelezen het voorstel van de burgemeester en wethouders d.d. 6 juli 2021 aangaande het afgeven van twee Verklaringen van Geen Bedenkingen voor aanvragen voor grondgebonden zonneparken, en het afgeven van een ontwerp-Verklaring van Geen Bedenkingen voor een aanvraag voor een grondgebonden zonnepark, gehoord het advies van de commissie Algemene Zaken d.d. 22 juli 2021 om het voorstel als bespreekstuk te behandelen; gelet op de bepalingen van de wabo ; besluit: 1.

Te verklaren geen bedenkingen te hebben tegen de aanvraag 'zonnepark Rooijseweg' en daartoe een definitieve Verklaring van Geen Bedenkingen af te geven;

2.

Te verklaren geen bedenkingen te hebben tegen de aanvraag 'zonnepark Pater Eustachiuslaan'en daartoe een definitieve Verklaring van Geen Bedenkingen af te geven;

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Laarbeek van 9 september 2021. De raad voornoemd, Plv. griffier,

de burgemeester van Laarbeek

J. van den Berg

F.L.J. van der Meijden

Visie op GROOTSCHALIGE OPWEK VAN DUURZAME ENERGIE

IN Laarbeek

Augustus 2019

Inhoudsopgave Samenvatting

................................................................................................................................... p.3

1.

Inleiding: duurzame energie in Laarbeek....................................................................... p.4 1.1 Aanleiding: een lokale vraag en een landelijke verplichting 1.2 De lokale opgave voor Laarbeek 1.3 Uitgangspunten visie 1.4 Relatie tot ander beleid 1.5 Uitzondering voor zonnepanelen eigen gebruik

2.

Voorwaarden voor grootschalige opwek-projecten...................................................... p.8 2.1 Vier typen voorwaarden 2.2 Voorwaarden voor landschappelijke inpassing 2.3 Voorwaarden voor maatschappelijke meerwaarde 2.4 Participatievoorwaarden 2.5 Procedurele en technische voorwaarden 2.6 Samenvatting

3.

Specificatie landschappelijke inpassing windmolens..................................................... p.16 3.1 Geschiktheid landschapstype 3.2 Geschiktheid locatie Ontwerp en omvang installatie 3.3 3.4 Meervoudig ruimtegebruik 3.5 Samenvatting

4.

Specificatie landschappelijke inpassing zonneparken.................................................. p.23 4.1 Geschiktheid landschapstype 4.2 Geschiktheid locatie 4.3 Inrichting installatie en terrein 4.4 Meervoudig ruimtegebruik 4.5 Samenvatting

Bijlagen.............................................................................................................................................. Algemeen I. Kaart landschapstypen Laarbeek II. Tabel kernkwaliteiten landschapstypen Laarbeek III. Kaart bebouwingsconcentraties Windenergie IV. Kaart geschiktheid landschapstypen voor windmolens V. Tabel onderbouwing geschiktheid landschapstypen voor windmolens VI. Tabel bovengemeentelijke regels voor windmolens Zonneparken VII. Kaart geschiktheid landschapstypen voor zonneparken VIII. Tabel onderbouwing geschiktheid landschapstypen voor zonneparken IX. Tabel bovengemeentelijke regels voor zonneparken Bronvermelding

2

p.31

Samenvatting Deze visie geeft weer hoe Laarbeek omgaat met aanvragen voor projecten die op grote schaal duur­ zame energie willen opwekken. De aanleidingen hiervoor zijn de energietransitie en de doelen en ver­ plichtingen die dit voor gemeenten met zich meebrengt, maar ook de lokale wens om zorgvuldig om te gaan met aanvragen en de transitie zo goed mogelijk in te passen in het Laarbeekse landschap en de Laarbeekse gemeenschap. Het uitgangspunt van de visie is dat Laarbeek de grootschalige opwek van energie toestaat. Daarbij wordt aan een aantal voorwaarden getoetst die in onderlinge samenhang worden beoordeeld. De ge­ meenteraad toetst uiteindelijk of een specifiek project daadwerkelijk doorgang kan vinden. Er wordt met een klein aantal projecten begonnen, waarna de aanpak, voorwaarden en resultaten worden ge­ ëvalueerd. Er zijn vier typen voorwaarden te onderscheiden waaraan een project wordt getoetst: voorwaarden voor een goede landschappelijke inpassing, voorwaarden voor het creëren van maatschappelijke meerwaarde, voorwaarden voor het geven van participatiemogelijkheden voor inwoners, en tenslotte de procedurele en technische voorwaarden die bijvoorbeeld de veiligheid van het project garanderen.

Dit toetsingskader geldt voor alle vormen van grootschalige opwek, maar voor twee technologieën zijn de voorwaarden voor landschappelijke inpassing verder uitgewerkt: voor windmolens en zonneparken. Dit is omdat het veelbelovende technologieën lijken, die tegelijk een duidelijke impact hebben op het landschap. Een schematische samenvatting staat hieronder. Uitgangspun­ ten

Laarbeek staat de opwek van grootschalige energie toe onder de voorwaarden die in de visie worden omschreven. De raad toetst of een project voldoende aan de voorwaarden voldoet en besluit of het toestemming verleent. Er wordt met een be­ perkt aantal projecten begonnen.

Typen voor­ waarden 4 typen voorwaarden

Concrete voorwaarden

Specificatie windmolens

Specificatie zonneparken

Landschappelijke inpassing

Maatschappelijke meerwaarde

Participatie

Motiveringsplicht geschiktheid van landschapstype Motiveringsplicht geschiktheid van precieze locatie Motiveringsplicht landschappelijke inpassing installa­ tie en terrein Motiveringsplicht meervoudig ruim­ tegebruik Nadere uitwerking landschappelijke inpassing windmo­ lens Nadere uitwerking landschappelijke inpassing zonne­ parken

Motiveringsplicht maatschappelijke meerwaarde voor omwonenden / in­ woners

Motiveringsplicht participatie in planvorming

Motiveringsplicht maatschappelijke meerwaarde door ruimtelijke kwaliteit

Motiveringsplicht participatie in pro­ jectuitvoering

3

Procedurele en technische voorwaarden

Projectplan geeft blijk van kennis van alle relevante bovengemeentelijke wet- en re­ gelgeving en vol­ doet hieraan

1. Inleiding: duurzame energie in Laarbeek 1.1 Aanleiding: een lokale vraag en een landelijke doelstelling De energietransitie is zowel landelijk als lokaal een veelbesproken onderwerp. Dat er iets gaat veran­ deren in onze energievoorziening staat vast: er worden ambities en beleidsregels geformuleerd voor aardgasvrij wonen en voor het duurzaam opwekken van onze stroom en warmte. Het Klimaatakkoord 2019 stelt dat er in 2030 49% minder C02 uitgestoten mag worden dan nu, en geeft gemeenten de opdracht om in regionaal verband plannen op te stellen om die doelstelling te behalen. Deze plannen worden weergegeven in een RES: een Regionale Energie Strategie. De gemeenteraad van Laarbeek heeft recent de startnotitie goedgekeurd waarin het proces staat beschreven om met de 21 gemeen­ ten van de MRE-regio de RES op te stellen. Ook lokaal zijn er ontwikkelingen in de energietransitie. Op 26 februari 2019 vond een thematische raadsbijeenkomst plaats over de ontwikkeling van de Omgevingsvisie voor het buitengebied van Laarbeek. Omdat de energietransitie een duidelijke ruimtelijke impact zal hebben, is dit als een van de kernthema's meegenomen bij het ontwikkelen van de Omgevingsvisie.

Tijdens de raadsavond is gediscussieerd over verschillende energiebronnen en technologieën, en over de noodzaak om lokaal beleid te ontwikkelen in plaats van regionale of landelijke ontwikkelingen slechts te volgen. De raad heeft daarom gevraagd om het opstellen van een Laarbeekse visie op grootschalige opwek van duur­ zame energie. Dit document is een antwoord op die vraag en een eerste stap in het opwekken van duurzame energie. 1.2 De lokale opgave voor Laarbeek Op dit moment is het energieverbruik in Laarbeek op jaarbasis 3133 Terajoule (TJ). Het Klimaatak­ koord verplicht ons tot het reduceren van onze C02 uitstoot met tenminste 49% in 2030. Vaak wordt dit lokaal vertaald als het terugdringen van het (fossiele) brandstofverbruik met ongeveer de helft: we mogen dus 1566 TJ overhouden die fossiel wordt opgewekt, en moeten de andere 1566 TJ ofwel besparen, ofwel duurzaam opwekken. Een eerste stap is besparen. Stel dat we een ambitieuze doelstelling nemen en 20% van ons huidige verbruik besparen door isolatie, ge­ dragsverandering en slimme nieuwbouw, dan kunnen we 626 TJ besparen. We houden dan nog 940 TJ over die duurzaam moet worden opgewekt. Daarnaast is het zo dat de RES kijkt naar de regionale opgave, in plaats van 'elke gemeente voor zich'.

Het is te verwachten dat stedelijke gemeenten minder ruimte hebben om aan hun energieopgave te voldoen en dat daarom groot­ schalige projecten meer in landelijke gemeenten zullen landen. Ook als we de regionale verdeling buiten beschouwing laten en alleen rekenen met de lokale opgave van 940 TJ is dit een grote en ingrijpende verandering. Het opwekken van 940 TJ door zonnepanelen op daken is niet mogelijk, hiervoor hebben we onvoldoende geschikte dakoppervlakken. Onderzoek van Zonatlas geeft aan dat de maximale potentie van alle dakoppervlakken in Laarbeek ongeveer 490 TJ is. Deze opbrengst is niet reëel, omdat een dakoppervlak nooit he­ lemaal benut wordt (je kunt bijvoorbeeld geen halve panelen plaatsen). Daarnaast vallen daken af door de ongunstige ligging, schaduw, ander gebruik (zoals dakramen, schoorstenen) of een onvoldoende stevige dakconstructie (vooral bij schuren en bedrijfspanden). Tenslotte kunnen we inwoners en bedrijven niet verplichten om zonnepanelen te plaatsen. Het merendeel van de op­ gave van 940 TJ zal dus op andere manieren moeten worden opgewekt.

4

Een rekenvoorbeeld, ten behoeve van de overzichtelijkheid enkel toegespitst op wind- en zonneenergie, biedt enig inzicht: als we een kwart van de dakoppervlakken weten te benutten, wek­ ken we 122 TJ op met zonnepanelen op daken. We houden dan 818 TJ over. Dat zijn bijvoor­ beeld 24 windmolens1, of 382 hectare aan zonnepanelen1 2 (6,8% van de oppervlakte van de ge­ meente), of 13.770 mini-windmolens (wokkels)3. De vraag die daarbij gesteld moet worden is of in relatie tot de (mogelijke) aantasting van het landschap, ongebreideld medewerking verleend moet worden aan deze ontwikkelingen omdat het opwek­ ken van duurzame energie nu eenmaal bijdraagt aan het tegengaan van de klimaatverandering. Om deze belangenafweging handen en voeten te geven, moet antwoord gegeven gaan worden op de vra­ gen waar, in welke omvang en onder welke voorwaarden aan deze ontwikkeling medewerking ver­ leend kan en mag worden. 1.3 Uitgangspunten visie De vorige paragraaf laat zien dat we voor een erg grote opgave staan en we niet de luxe hebben om niets te doen. Grootschalige opwek van energie wordt in de komende 10 jaar onvermijdelijk en het inzetten op één technologie om aan de opgave te voldoen lijkt niet genoeg.

Het lijkt het meest logisch om in te zetten op een mix van verschillende schalen en technologieën, en ons te richten op het waarborgen van onze omgevingskwaliteit door goede ruimtelijke inpassing, en op draagvlak en lokaal voordeel door goede mogelijkheden voor participatie en inspraak. De mate waarin een project voldoet aan de voorwaarden en passend is in Laarbeek, op de precieze locatie en in de precieze vorm zoals wordt voorgesteld, zal worden beoordeeld door de gemeente­ raad. Hij besluit of een project doorgang kan krijgen of niet. De raad beoordeelt een projectaanvraag op basis van de voorwaarden die verder in deze visie worden uitgewerkt. Na een positief raadsbesluit wordt het bestemmingsplan herzien en de omgevingsvergunning verstrekt. Naast een zorgvuldige afweging is ook het gefaseerd invoeren belangrijk. We gaan niet ineens 24 windmolens bouwen, of 6,8% van ons grondgebied vol zonnepanelen leggen. Omdat Laarbeek nog geen ervaring heeft met grootschalige opwek willen we elke projectaanvraag afzonderlijk en zorgvuldig kunnen behandelen. Daarom staan we in eerste instantie een beperkt aantal projecten toe. Na uitvoering van die projecten zal deze visie in de gemeenteraad worden geëvalueerd en zal worden bekeken of er meer projecten kunnen worden toegestaan en of de voorwaarden voor die projecten eventueel moeten worden aangepast.

Dit geeft ons de kans om elk project goed te beoordelen en be­ geleiden. Kort samengevat komen we tot de volgende uitgangspunten: • grootschalige opwek van duurzame energie kan in Laarbeek worden toegestaan, mits aan de •

voorwaarden wordt voldaan die in deze visie zijn beschreven. de gemeenteraad beoordeelt of er voldoende aan de voorwaarden wordt voldaan en of een project doorgang kan krijgen. Hierbij zullen projecten die door het college als kansrijk worden

1 Rekenvoorbeeld voor een windturbine van 4 MW en 3000 vollast-uren, 34 TJ per jaar opbrengst. 2 Rekenvoorbeeld voor een standaardopstelling van 2500 panelen per hectare, 280 watt per paneel, 85% rende­ ment, 2,14 TJ per hectare per jaar opbrengst. 3 Rekenvoorbeeld voor wokkels met gemiddelde jaaropbrengst van 0,0594 TJ.

5

beschouwd in een vroeg stadium in de commissie worden besproken. Projecten die worden afgewezen worden per kwartaal voorgelegd, inclusief onderbouwing •

in eerste instantie worden maximaal één windproject en maximaal vijf zonneparken toege­ staan. Aanvragen voor de toepassing van andere technologieën worden per geval beoordeeld. Op basis van deze projecten vindt een evaluatie plaats;

•

Projectaanvragen worden niet op volgorde van binnenkomst behandeld, maar de doorlooptijd en beoordeling van elke aanvraag hangt af van de mate waarin de aanvraag is uitgewerkt en voldoet aan de gestelde voorwaarden en voorkeuren van de gemeente.

1.4 Relatie tot ander beleid Bij de totstandkoming van dit stuk zijn dwarsverbanden gelegd met andere ontwikkelingen binnen de gemeente, en met de bovengemeentelijke ontwikkelingen in de energietransitie. Binnen Laarbeek hebben we integraal gekeken naar de vele opgaven die in ons landschap moeten landen. Niet alleen de energietransitie moet een plaats krijgen in ons buitengebied, maar we moeten ook reageren op andere trends zoals agrarische bedrijven die stoppen, meer uiteenlopende activiteiten ontplooien of juist hun schaal vergroten. Ook gaan agrarisch, recreatief en woongebruik steeds meer door elkaar lopen. Het is van belang om alle vormen van gebruik, wensen voor ontwikkeling en bescherming van waardevolle elementen in het landschap samen te beschouwen, en de energietransitie daar de juiste plaats in te geven. Daarom sluit deze visie aan bij de in ontwikkeling zijnde bredere Omgevingsvisie voor het Buitengebied. Bovengemeentelijk is er aansluiting gezocht met de buurgemeenten in De Peel, waarbij wordt gesp­ roken over gezamenlijk principes en uitgangspunten.

Elke gemeente houdt de regie over het eigen grondgebied, maar door afstemming te zoeken kunnen we ongewenste effecten voorkomen zoals verrommeling van het landschap, onevenredige verdeling van grote projecten tussen gemeenten, grondspeculatie door verschillende voorwaarden en vestigingsklimaten, en conflicten bij projecten die ge­ meentegrenzen overschrijden. Ook is aansluiting gezocht bij de in ontwikkeling zijnde Regionale Energie Strategie (RES), waarbij de gezamenlijke uitgangspunten zoals ze ook in de Startnotitie RES staan beschreven, zoveel mogelijk als basis hebben gediend voor deze visie. Deze visie kan worden gebruikt tot er een ander, bovenge­ meentelijk afgesproken beoordelingskader is, bijvoorbeeld vanuit de RES. Daarnaast dient deze visie als basis voor de ontwikkeling van onze duurzame warmte-strategie. De gemeente is verplicht om in 2021 een Gemeentelijke Transitievisie Warmte op te leveren, waarin per wijk wordt beschreven hoe en wanneer de wijk aardgasvrij zal worden en welke technologieën en bronnen gebruikt zullen worden om de gebouwen te verwarmen. De transitievisie moet zoveel moge­ lijk aansluiten op de Regionale Structuur Warmte die onderdeel uitmaakt van de RES. De uitgangs­ punten uit dit document worden gebuikt bij de besprekingen over de regionale structuur en dienen als input voor de gemeentelijke transitievisie.

Op basis van de interne puzzel over de ontwikkelrichting van het buitengebied, de lokale en boven­ gemeentelijke wensen en verplichtingen voor de energietransitie en de vraag wat 'past' bij Laarbeek qua aanpak en projectvormen, is deze visie ontwikkeld. De visie schetst een beeld van hoe de ener­ gietransitie in de komende jaren wordt beoogd in Laarbeek en welke spelregels gehanteerd worden bij het overwegen of specifieke projecten passend worden gevonden voor onze gemeente. Deze voorwaarden worden in de volgende hoofdstukken uitgewerkt.

6

1.5 Uitzondering voor zonnepanelen eigen gebruik Voor grondgebonden zonnepanelen geldt een beperking tot maximaal vijf projecten, maar tegelijk willen we als gemeente stimuleren dat alle inwoners die dat willen zelf energie kunnen opwekken. Daarom wordt een uitzondering gemaakt voor zonnepanelen voor het eigen gebruik van een woon­ adres. Voor deze uitzondering gelden de volgende spelregels: Spelregels grondgebonden zonnepanelen voor particulier gebruik •

Deze regeling is alleen bedoeld voor het buitengebied.

•

Deze regeling is bedoeld voor de eigenaren en/of bewoners van een woning op een perceel waarop een woonbestemming rust.

•

De eigenaar / bewoner kan desgevraagd aantonen dat eerst beschikbare dakoppervlak is ge­ bruikt voor de plaatsing van zonnepanelen. Het dak biedt onvoldoende capaciteit om het ei­

•

gen verbruik op te wekken. Per perceel met woonbestemming wordt maximaal één keer van deze regeling gebruik ge­

•

maakt. Als aan bovenstaande regels wordt voldaan, mag een installatie geplaatst worden van maxi­ maal 16 grondgebonden zonnepanelen op maximaal 32 m2 van het perceel waarop de woning staat waar de zonnepanelen stroom aan leveren.

•

De maximale bouwhoogte is 3 meter, dit is in lijn met het Bestemmingsplan Buitengebied Laarbeek.

•

Er wordt door de eigenaar / bewoner gecontroleerd of aanvullend onderzoek nodig is vanwege een dubbelbestemming (bijvoorbeeld archeologisch onderzoek).

•

Is aanvullend onderzoek niet nodig dan is de plaatsing van maximaal 16 panelen op maxi­

•

maal 32 m2 grond vergunningsvrij. Aan eigenaren / omwonenden wordt het advies gegeven om zorgvuldig om te gaan met de plaatsing en opstelling in verband met zichtbaarheid voor anderen en inpassing op hun per­ ceel.

Naast deze regeling is het soms mogelijk om gebruik te maken van de Kruimelgevallenregeling, waarbinnen tot 50 m2aan grondgebonden zonnepanelen kunnen worden aangevraagd. De voorwaar­ den die daarvoor gelden zijn te vinden in artikel 6 lid 2 van de Kruimelgevallenregeling. Er is bijvoor­ beeld een beperking dat bouwen alleen mag binnen het bouwvlak, en dat hiervoor een vergunning aangevraagd moet worden.

7

2 Voorwaarden voor grootschalige öpwek-pröjecten 2.1 Vier typen voorwaarden We beginnen met een klein aantal projecten, waarvan de gemeenteraad beslist of zij aan de gestelde voorwaarden voldoen - dat is de conclusie van het eerste hoofdstuk. Dit hoofdstuk werkt de aangekondigde voorwaarden verder uit. Voorwaarden zijn nodig omdat we regie willen houden bij de uit­ voering van concrete projecten en niet zomaar ons landschap openstellen en onze inwoners confron­ teren met ingrijpende veranderingen die grootschalige opwek met zich mee kan brengen. Zorgvuldig nadenken over de locatie, plaatsing en integratie in het landschap, maar ook over de rol van onze in­ woners, zijn daarvoor noodzakelijk. Daarom worden vier typen voorwaarden opgesteld. Dit zijn: 1.

Voorwaarden voor landschappelijke inpassing: welke typen landschappen in de gemeen­ te zijn überhaupt geschikt voor het accommoderen van grootschalige opwek van duurzame energie, en welke nadere voorwaarden worden gesteld voor inpassing in elk landschapstype.

2.

Voorwaarden voor maatschappelijke meerwaarde: projecten moeten zodanig worden vormgegeven dat de inwoners van Laarbeek ervan profiteren. Dat betekent dat er een bijdra­ ge moet worden geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit en dat er (financieel) voordeel moet

3.

ontstaan voor omwonenden. Participatievoorwaarden: participatie gaat zowel over het betrekken van bewoners bij de voorbereiding, plan- en besluitvorming van het project, als over het bieden van de mogelijk­

4.

heid om (financieel) in het project zelf te participeren. Procedurele en technische voorwaarden: deze voorwaarden hebben betrekking op de te doorlopen procedures in de voorbereiding, het verloop en de beëindiging van een project, en gaan in op technische (veiligheids-)eisen van het project.

De typen voorwaarden zijn gebaseerd op landelijke en provinciale regels voor grootschalige opwek van duurzame energie. Daarnaast valt de Laarbeekse signatuur erin te herkennen, vanwege de na­ druk die wordt gelegd op participatie en maatschappelijke meerwaarde. We willen zoveel mogelijk de inwoners betrekken bij de planvorming en uitvoering van het project, zodat de energietransitie men­ sen niet overkomt, maar mensen er zoveel mogelijk deel van uitmaken en van profiteren. Deze voorwaarden gelden voor alle vormen van grootschalige opwek van duurzame energie, bijvoor­ beeld voor de opwek van duurzame warmte, innovatieve technologieën voor de opwek van groene stroom, seizoensopslag van warmte, conversie tussen stroom en warmte, en technologieën die al meer bekend zijn zoals de vergisting of verbranding van biomassa, geothermie, aquathermie of zonthermie. Ook grondgebonden zonneparken en windparken vallen hieronder: omdat dit de meest voor de hand liggende vormen van grootschalige opwek zijn, worden de voorwaarden voor deze twee technologieën specifiek uitgewerkt in hoofdstuk 3 en 4.

2.2 Voorwaarden voor landschappelijke inpassing Niet alle delen van het buitengebied zijn even geschikt voor het plaatsen van grootschalige installa­ ties voor opwek van duurzame energie. Hoe passend een installatie is hangt af van de aard en schaal van de installatie, en hoe deze aansluit bij de aard en schaal van het landschap er omheen. Het verdient de voorkeur om projecten met een industriële uitstraling, zoals een station voor een warmtenet, in te passen op of aansluitend aan een bedrijventerrein, mits het daar geen overlast ver­

8

oorzaakt. Dit is het minst ingrijpend in de beeldkwaliteit van het landschap en er is een korte afstand tot de eindgebruiker. Bij installaties met bijvoorbeeld geur- of geluidsoverlast of projecten die een grote oppervlakte vragen zal dit echter niet altijd mogelijk of wenselijk zijn. Daarom is tevens geke­ ken naar de passendheid van dit soort projecten in het buitengebied. Figuur 1: vier stappen Bij het bepalen van de juiste landschappelijke inpassing van

landschappelijke inpassing

een installatie voor duurzame energie in het buitengebied wordt gekeken van de grote schaal naar een steeds kleinere schaal. Ligt het project in een landschapstype dat daarvoor geschikt is? Is de precieze locatie geschikt? Is de vormge­ ving van de installatie passend bij de omgeving? En wordt de ruimte om de installatie heen passend ingericht? Deze vragen worden verwoord in vier voorwaarden (zie figuur 1): 2.2.1 geschiktheid van het landschapstype waarin de be­ oogde projectlocatie ligt; 2.2.2 geschiktheid van de precieze beoogde locatie; 2.2.3 geschiktheid van de manier waarop de installatie en het terrein er omheen wordt ingericht; 2.2.4 goede onderbouwing meervoudig ruimtegebruik. 2.2.1 Motiveringsplicht geschiktheid van landschapstype Voor plaatsing van projecten in het buitengebied neemt deze visie de Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek (af te ronden in 2020) als vertrekpunt. De Omgevingsvisie onderscheidt acht verschillende landschapstypen in Laarbeek, die zijn gebaseerd op het Landschapsontwikkelingsplan De Peel (2012) en ons gemeentelijke Landschapsontwikkelingsplan (2003). Deze landschappen hebben elk hun eigen kernkwaliteiten die grootschalige ontwikkelingen meer of minder passend maken. Figuur 2 laat een

Aa-landschap Pionierslandschap

Mariahout Lintenlandschap

en Donk Biezen-

Mozaïeklandschap

Historisch Lieshout

landschap

landschap Aarle-Rixtel

Boslandschap

Figuur 2: indeling Laarbeek in landschapstypen 9

Ontwikkel 4andschac

overzicht zien, de precieze indeling is te vinden in bijlage I. Van elk landschapstype is een beschrij­ ving opgesteld waarin de kernkwaliteiten worden benoemd (zie bijlage II). Het geeft aan wat het landschap bijzonder maakt, welke elementen beschermd of versterkt moeten worden, en welke ontwikkelrichting de gemeente beoogt. Een aanvraag zal moeten motiveren hoe het aansluit op - of ten minste geen afbreuk doet aan - het landschapstype waar de beoogde locatie in valt en de beschreven kernkwaliteiten. Voor wind- en zonneprojecten is nader uitgewerkt welke landschapstypen geschikt zijn (zie hoofdstuk 3 en 4). Op basis van de kwaliteiten van de verschillende landschappen is een afweging gemaakt of deze technologieën in een gebied wenselijk zijn en is een aanzet gegeven voor landschappelijke in­ passing. De motiveringsplicht voor de overige projecten wordt als volgt samengevat: • voorwaarde motiveringsplicht geschiktheid van landschapstype: Het project onder­ bouwt de keuze voor het landschapstype waarin het project wordt beoogd en toont daarbij aan hoe aansluiting gevonden wordt met de kernkwaliteiten van het landschap. 2.2.2 Motiveringsplicht geschiktheid van de precieze locatie Ook binnen een geschikt landschapstype zijn niet alle specifieke locaties even geschikt.

Voor elke be­ oogde locatie gelden de onderstaande richtlijnen, die bedoeld zijn ter bescherming van kwaliteiten van het buitengebied. Projecten met een geringe landschappelijke impact (bijvoorbeeld grotendeels ondergronds) kunnen toelichten dat zij de kwaliteiten van het landschap niet schaden en daarom uit­ gezonderd kunnen worden van deze richtlijnen. De beoordeling daarvan is aan de raad. Bouwen binnen een bebouwingsconcentratie is onwenselijk (zie bijlage III voor de begrenzin­ gen) om het open karakter te behouden, verstening tegen te gaan en de bebouwingsconcentraties niet te laten concurreren met de vier kernen. Bouwen binnen een gebied dat belangrijk is voor natuurontwikkeling, zoals het Natuur Net­ werk Noord-Brabant, een ecologische verbindingszone of beschermingsgebied voor struweelvogels en/of kwetsbare soorten, is onwenselijk tenzij onderbouwd kan worden hoe het project bijdraagt aan natuurontwikkeling. De afstand tussen een beoogd project en Rijks- en gemeentelijke monumenten en archeolo­ gische monumenten is minimaal even groot als het perceel van het beoogde project4. Locaties met een korte afstand tot de eindgebruiker, tot aansluitpunten op het elektriciteits­ net en / of andere relevante infrastructuur hebben de voorkeur.

Het project evalueert eventuele natuurschade, hinder voor omwonenden (toegenomen ver­ keersdrukte, overlast door stank, geluid, schaduw e.d.) en andere nadelige effecten, en on­ derbouwt hoe deze worden geminimaliseerd. Voor sommige landschapstypen gelden aanvullende voorwaarden voor wanneer een locatie geschikt wordt geacht. Bijlage II geeft een uitwerking van de kernkwaliteiten van elk landschap, met daarbij richtlijnen voor de geschiktheid van een precieze locatie. Een projectaanvraag moet zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij die kernkwaliteiten. De voorwaarde wordt als volgt samengevat: • voorwaarde motiveringsplicht geschiktheid precieze locatie: Het project onderbouwt de keuze voor de precieze beoogde locatie en toont daarbij aan hoe aansluiting gevonden wordt met de kernkwaliteiten van het landschap en landschapselementen in de directe omge­ ving van het project.

4 Bijvoorbeeld: strekt het perceel van het beoogde project 200 meter, dan moet er nog eens 200 meter tussen­ ruimte met een of meer andere functies zijn tussen de grens van het projectperceel en de perceelgrens van het monument.

10

2.2.3 Motiveringsplicht landschappelijke inpassing installatie en terrein Als onderbouwd kan worden dat het landschapstype en de precieze locatie geschikt zijn voor een be­ oogd project, is een volgende stap om aan te geven hoe de precieze opstelling van de installatie en de inrichting van het terrein geschikt zijn in het landschap. Dit heeft te maken met de plaatsing op het perceel, de wijze van afgrenzing / inrichting van de randen van het perceel, de bouwhoogte, grootte en openheid van de installatie en dergelijke. Inpassen betekent niet altijd het 'inpakken' van een project in bijvoorbeeld een houtsingel of struweel. In een gesloten landschap kan dit passend zijn, terwijl bij een open landschap een andere oplossing gezocht moet worden, bijvoorbeeld door met sloten in plaats van hekken te werken voor een afscheiding. Het gaat bijvoorbeeld ook om de keuze voor een bouwstijl, materiaal- of kleurkeuze, het open laten van zichtlijnen en /of het accentu­ eren van lijnen in het landschap, het aansluiten bij de bebouwingsstructuur in de omgeving en derge­ lijke (zie bijvoorbeeld figuur 3). Figuur 3: illustratie landschappelijke inpassing

Bij de onderbouwing kan gedacht worden aan landschappelijke kenmerken zoals de ruimtelijke op­ bouw van het landschap (open, halfopen of besloten); de schaal van het landschap (groot- of klein­ schalig); de lijnen, structuren en kavelrichtingen en patronen; voorkomende groene, blauwe en rode landschapselementen; type beplanting; voorkomende functies; en onderlinge relaties en afstanden tussen landschapselementen en functies. Het project evalueert de eerder genoemde nadelige effec­ ten zoals geluidsoverlast, en licht toe hoe de inrichting van het terrein en de installatie deze effecten minimaliseren. Dit wordt als volgt samengevat: •

voorwaarde motiveringsplicht landschappelijke inpassing: Het project onderbouwt hoe de installatie en de inrichting van het terrein zo goed mogelijk passen in het landschap. Hiertoe voert het initiatief een landschappelijke analyse uit van het projectgebied en zijn ruime omgeving en levert een ruimtelijk ontwerp op met daarin een plankaart, referentiebeelden en/of visualisa­ ties en een voorstel voor plant- en materiaalgebruik.

11

2.2.4 Onderbouwing meervoudig ruimtegebruik Het verdient de voorkeur dat het project een vorm van meervoudig ruimtegebruik omarmt, waardoor de functie van energie-opwek wordt gecombineerd met een andere functie. Dit kan bijvoorbeeld waterretentie, natuurontwikkeling, agrarisch medegebruik of voorlichting / educatie zijn. Ook kan bij­ voorbeeld gedacht worden aan een recreatieve functie door aanleg of herstel van wandel- en fietspa­ den. Meervoudig ruimtegebruik biedt een kans: voor natuurontwikkeling, meer opbrengst of visuele meerwaarde. Waar meervoudig ruimtegebruik niet te realiseren valt, kan het project een plan presen­ teren voor het gebruik van het perceel na afronding van het project. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kernkwaliteiten van het landschap. Aanwijzingen voor meervoudig ruimtegebruik zijn te vinden in het overzicht van de kernkwaliteiten van elk landschap, in bijlage II. •

voorwaarde motiveringsplicht meervoudig ruimtegebruik: het project onderbouwt hoe meervoudig ruimtegebruik wordt vormgegeven tijdens de looptijd van het project en / of wat de plannen zijn voor gebruik van het perceel na afronding van het project. Deze onderbou­ wing sluit aan op de kernkwaliteiten en beoogde ontwikkelrichtingen van het landschap.

2.3 Voorwaarden voor maatschappelijke meerwaarde Niet alleen over de ruimtelijke inrichting van een project moet worden nagedacht: ook de manier waarop het project wordt uitgevoerd heeft belangrijke gevolgen voor de gemeente en voor omwo­ nenden. Daarom zetten we in op projecten met een sterke en aanwijsbare maatschappelijke meer­ waarde. Voor veel soorten projecten voor duurzame energie is maatschappelijke meerwaarde zelfs een bovengemeentelijke verplichting. Met betrekking tot windenergie staat bijvoorbeeld het volgende in de provinciale verordening Ruimte Noord-Brabant en de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant: "Ontwikkeling van windmolens moet maatschappelijke meerwaarde hebben. Hieronder wordt ver­ staan: de mogelijkheid voor de omgeving om direct te participeren in het project; de bijdrage aan het oplossen van een maatschappelijk of ruimtelijk probleem; of de bijdrage aan het realiseren van een maatschappelijk of ruimtelijk doel." Ook over zonneparken is een dergelijke voorwaarde opgenomen. Deze definitie is erg ruim en wordt soms ingevuld door het argument dat windmolens bijdragen aan verduurzaming en aan de energietransitie als maatschappelijk doel, waardoor windprojecten per definitie maatschappelijke meerwaar­ de hebben.

Deze visie kiest voor een verdere aanscherping in de vorm van een motiveringsplicht voor twee aspecten van maatschappelijke meerwaarde: een meerwaarde voor omwonenden en/of inwo­ ners van de gemeente, en een bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit. Een projectaanvraag wordt geacht om te reflecteren op beide. De voorwaarden worden als volgt geformuleerd: Voorwaarde motiveringsplicht maatschappelijke meerwaarde omwonenden / inwoners • Het project moet een aanwijsbaar, al dan niet financieel, voordeel opleveren voor (een deel •

van) de inwoners van Laarbeek. Dit kan worden vormgegeven door een bijdrage aan een in te stellen duurzaamheidsfonds of landschapsontwikkelingsfonds, door vergoedingen aan omwonenden, door de aanleg of verbe­ tering van voorzieningen, en/of door financiële projectparticipatie.

•

Het heeft de voorkeur dat de meerwaarde zo zichtbaar en concreet mogelijk is. Investeringen in het woon- en leefklimaat of landschap rondom een project en / of de mogelijkheden tot di­

12

recte financiële participatie of het ontvangen van een vergoeding verdienen bijvoorbeeld de voorkeur boven een meer anonieme bijdrage aan een fonds. •

(Gedeeltelijk) lokaal eigendom, in de vorm van eigendom door lokale (agrarische) onderne­ mers, coöperatieve ontwikkeling en/of het beschikbaar stellen van aandelen voor omwonen­ den of inwoners van de gemeente, verdient de voorkeur.

Voorwaarde motiveringsplicht maatschappelijke meerwaarde door ruimtelijke kwaliteit •

Het project onderbouwt hoe het bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en de vi­

•

taliteit van het buitengebied. Dit kan worden vormgegeven door bijvoorbeeld oplossingen te bieden voor vrijkomend agra­ risch vastgoed, door verrommeling tegen te gaan, door lokale investeringen en / of door een bijdrage te leveren aan natuurontwikkeling, recreatie of andere ruimtelijke kwaliteiten.

2.4 Participatievoorwaarden In het verlengde van maatschappelijke meerwaarde, waar omwonenden, overige inwoners en belan­ gengroepen vooral een passieve en 'ontvangende' rol hebben, worden ook eisen gesteld aan het ac­ tief betrekken van inwoners. Participatie van inwoners van de gemeente, in het bijzonder van omwo­ nenden van een project, is erg belangrijk voor Laarbeek. Mensen die nadelen ondervinden door bij­ voorbeeld verandering van hun uitzicht, verdienen het immers om ook de voordelen te hebben van het project. Daarnaast past het bij de 'Laarbeek methode' om inwoners en belangengroepen zoveel mogelijk zeggenschap en deelname te geven bij de ontwikkeling van grote projecten. Participatie van enkel de directe omwonenden is dus niet voldoende. Er kan bijvoorbeeld wellicht worden aangesloten bij de te voeren Omgevingsdialogen in het kader van de Omgevingsvisie Buitengebied. Ook in het Klimaatakkoord is de voorkeur voor participatie uitgesproken, er wordt een richtlijn gege­ ven van 50% eigendom van grootschalige opwek-installaties in handen van de lokale omgeving. Nu betekent dat niet dat elk project aan deze richtlijn moet voldoen, maar wel dat projecten die in een vorm van lokaal eigendom voorzien de voorkeur hebben. Wij sluiten ons bij deze landelijke voorkeur aan. Daarom wordt onderscheid gemaakt in twee vormen van participatie: planparticipatie en projectparticipatie.

Een projectaanvraag dient te reflecteren op beide vormen. Voorwaarde motiveringsplicht participatie in planvorming • Bij de vormgeving van het plan, zoals het bepalen van de precieze locatie en de inrichting van het terrein, of het beslissen over het lokaal besteden van een deel van de opbrengst, wordt ruimte gemaakt voor inspraak en overleg met omwonenden, inwoners en belangengroepen van de gemeente. Het verdient de voorkeur om hierbij verder te gaan dan het informeren van de belanghebbenden en een mate van meebeslissen en -ontwerpen te faciliteren. • Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen trajecten voor directe belanghebbenden zo­ als omwonenden en grondeigenaren, en indirecte belanghebbenden zoals inwoners van de gemeente. Directe omwonenden kan een grotere rol worden toebedeeld. Hiervoor wordt een communicatie- en participatieplan opgesteld. Voorwaarde motiveringsplicht participatie in projectuitvoering • Het verdient de voorkeur dat omwonenden en andere inwoners van de gemeente kunnen par­ ticiperen in de uitvoering van het project.

Dit kan worden vormgegeven door financiële parti­ cipatie zoals een coöperatie, een vorm van aandelen of obligaties; door een omwonendenre­ geling met een vorm van korting op energie of andere vergoeding; of door het laten meebe­ slissen over de besteding van een deel van de opbrengst aan lokale leefbaarheids- of duur­ zaam heidsprojecten.

13

2,5 Procedurele en technische voorwaarden Voor alle projecten is het van belang dat er een zorgvuldig proces wordt gevolgd en dat aan alle technische voorwaarden wordt voldaan die garanderen dat een project bijvoorbeeld veilig is. In de bovengemeentelijke wet- en regelgeving is een veelvoud aan regels te vinden voor de te doorlopen procedures voor projecten voor grootschalige opwek en voor de technische (veiligheids-) voorwaar­ den waaraan het project dient te voldoen. Onder technische aspecten van het project wordt ook ge­ rekend de afstand tot elektriciteits- of warmte-infrastructuur, eventuele transportverliezen of mogelij­ ke netverzwaringen, nabijheid van (groot)verbruikers etc. De gemeente Laarbeek voegt enkele eigen procedurele voorwaarden toe. Een eerste is het uitgangs­ punt dat een beperkt aantal projecten wordt toegestaan en dat de volgorde van projectafhandeling wordt bepaald door de veelbelovendheid / passendheid van het project, en niet de volgorde van aan­ vragen. Ook de procedurele voorwaarde dat de gemeenteraad altijd de beslissende stem houdt, is in de inleiding al aan bod gekomen. Deze voorwaarden worden daarom hier niet opnieuw geformuleerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=ed3357a8-0512-414e-bbd1-5cb64732e3f2