CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

8 20221103 Bijlage 3 Hoger beroepschrift zoals ingediend bij RvS.pdf

Raadsvergadering 3 november 2022, gemeente LaarbeekBij agendapunt: H. Voorstel tot afgifte Verklaring van Geen Bedenkingen tegen de herstelde aanvraag zonnepark Rooijseweg30.647 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

AANGETEKEND AAN

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Postbus 20019 2500 EA Den Haag

VAN

E.P. Euverman Advocaat

Tevens per fax: 070 - 365 13 80 (zonder bijlagen)

TELEFOON

+31 88 253 5929

FAX

+31 88 253 5934

E-MAIL

eeuverman@akd.nl

BEZOEKADRES

Vlaszak 67 4811 GX BREDA

POSTADRES

Postbus 4714 4803 ES BREDA Nederland

INTERNET

DATUM ONDERWERP

www.akd.nl

9 augustus 2022 Hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant inzake ‘Zonnepark Rooijseweg’

UW KENMERK

/

ONS KENMERK

1008705.22997/eeu GELIEVE HET GRIFFIERECHT TEN LASTE TE BRENGEN VAN DE REKENING-COURANT VAN AKD N.V.

- INSTELLEN HOGER BEROEP Hoogedelgestreng college, 1.

Hierbij stel ik namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek (hierna: “het college”) en de gemeenteraad van de gemeente Laarbeek (hierna: “de raad”), die in deze procedure woonplaats kiezen ten kantore van AKD N.V. aan de Vlaszak 67 (postbus 4714, 4803 ES) te Breda, hoger beroep in tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: “de Rechtbank”) van 30 juni 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2680, SHE 21/12105 (hierna: “de aangevallen uitspraak” - bijlage 1).

2.

De aangevallen uitspraak gaat over het besluit van het college van 27 september 2021, waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor de realisering van een zonneparkproject ten noorden van de Rooijseweg (hierna: “het zonneparkproject Rooijseweg”) in het buitengebied van Mariahout voor een periode van 25 jaar (hierna: “het bestreden besluit” - bijlage 2). Het gaat om de ontwikkeling van een zonneveld met natuur. Het project heeft een oppervlakte van in totaal circa 9,6 hectare. Het zonneveld bestaat uit 7,6 hectare aan zonnepanelen (met bijbehorende infrastructuur).

3.

Tegen het bestreden besluit hebben de heer I. van Wijk en mevrouw W. van Berkel (hierna tezamen: “Van Wijk en Van Berkel”) gezamenlijk beroep ingesteld. Hemelsbreed wonen zij 250 meter van het projectgebied. Met de aangevallen uitspraak heeft de Rechtbank het beroep van Van Wijk en Van Berkel gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Met dit oordeel kunnen het college en de raad zich niet verenigen.1 1

1 De raad heeft als derde-partij deelgenomen aan de beroepsprocedure bij de Rechtbank.

AKD N.V. is statutair gevestigd in Rotterdam. Derdenrekening: NL28INGB0678001677. Voor algemene voorwaarden en beperking van de aansprakelijkheid zie achterzijde.

akd DATUM ONS KENMERK PAGINA

9 augustus 2022 1008705.22997/eeu 2 van 16

4.

In hoger beroep handhaven het college en de raad het standpunt dat het college in redelijkheid heeft mogen besluiten om de omgevingsvergunning voor het zonneparkproject ‘Rooijseweg’ te verlenen. Uit de motivering van het bestreden besluit volgt volgens het college en de raad genoegzaam waarom dit project in ruimtelijke zin aanvaardbaar is.

5.

In het navolgende zal ik de overwegingen van de Rechtbank waarop zijn oordeel is gebaseerd weergeven, gevolgd door de gronden van het hoger beroep.

I.

WEERGAVE VAN DE BESTREDEN UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK

6.

Naar aanleiding van de beroepsgronden van Van Wijk en Van Berkel oordeelt de Rechtbank in de aangevallen uitspraak dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Daartoe overweegt de Rechtbank dat niet alle beroepsgronden slagen die zijn aangevoerd. De Rechtbank baseert zijn oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven op de gronden die hij bespreekt in rechtsoverwegingen 3, 4, 6 en 8. Kort samengevat gaat het om de volgende vier overwegingen van de Rechtbank.

7.

Rechtsoverweging 3: Dat het zonneparkproject geen afbreuk doet aan de verwezenlijking van een ecologische verbindingszone zou onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank stelt in rechtsoverweging 3.4 vast dat de gronden van het projectgebied gedeeltelijk zijn aangewezen met de gebiedsaanduiding ‘Ecologische verbindingszone’ op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (hierna: “het bestemmingsplan”). Gelet op de planregels behorend bij deze aanduiding had het college volgens de Rechtbank bij het nemen van het bestreden besluit moeten nagaan of door de aanleg van het zonneveld onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid om ter plaatse een ecologische verbindingszone te realiseren. Dat zou het college niet hebben gedaan. De Rechtbank overweegt dat het college niet heeft onderbouwd of door aanleg van het zonneveld onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ecologische verbindingszone. Rechtsoverweging 4: De geschiktheid van de projectlocatie zou onvoldoende zijn

8.

onderbouwd. In rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 overweegt de Rechtbank dat het college de geschiktheid van de locatie van het zonneparkproject niet goed heeft onderbouwd. In dit kader verwijst de Rechtbank naar twee eisen waaraan het bestreden besluit volgens de Rechtbank moet voldoen. jen eerste moet het bestreden besluit voldoen aan artikel 3.41, eerste lid onder b, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, waarin is bepaald dat binnen ‘Landelijk Gebied’ nieuwvestiging van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen mogelijk is als die nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit.

akd datum ons kenmerk pagina

9 augustus 2022 1008705.22997 / eeu 3 van 16

Ten tweede moet het college in de belangenafweging onderbouwen dat de keuze voor het projectgebied niet onevenredig uitpakt voor omwonenden. 9.

Bij het bestreden besluit zou niet inzichtelijk zijn gemaakt waarom het college in dit geval een aanvraag voor situering op landbouwgronden zonder combinatie met een andere opgave en functie toestaat. Rechtsoverweging 6: Niet zou inzichtelijk zijn gemaakt dat sprake zal zijn van een fysieke

10.

landschappelijke verbetering. De Rechtbank vraagt zich in rechtsoverweging 6.6 af of de landschappelijke inpassing van het zonneparkproject in overeenstemming is met artikel 3.9, eerste lid, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, waarin is bepaald dat sprake moet zijn van een fysieke landschappelijke verbetering. Volgens de Rechtbank leidt de landschappelijke inpassing in ieder geval niet per se tot een blijvende verbetering, omdat deze inpassing na de vergunde termijn niet in stand gelaten behoeft te worden. Het bestreden besluit zou op dit onderdeel niet inzichtelijk zijn.

11.

Rechtsoverweging 8: Het stellen van financiële zekerheid zou onvoldoende zijn geborgd. In rechtsoverweging 8.4 komt de Rechtbank tot het oordeel dat de financiële garantstelling voor het ontmantelen van het zonneparkproject niet goed is geborgd in de omgevingsvergunning. De voorschriften die zijn verbonden aan de omgevingsvergunningen zouden onvoldoende borgen dat de vergunninghouder op tijd voldoende financiële zekerheid moet stellen voor de ontmantelingen van het zonneparkproject ten behoeve van de gemeente Laarbeek.

II.

GRONDEN VAN HOGER BEROEP

a.

De Rechtbank heeft miskend dat de toepassing van het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden over de ecologische verbindingszone.

12.

Volgens het college en de raad heeft de Rechtbank ten onrechte geen aandacht besteed aan de toepassing van het relativiteitsvereiste, als bedoeld in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (‘Awb’). Dit terwijl de Rechtbank gehouden was bij iedere beroepsgrond ambtshalve te beoordelen of aan het relativiteitsvereiste is voldaan.2

13.

Procespartijen kunnen in het bestuursrecht slechts opkomen tegen normschendingen die hun eigen belang raken. Dat is de kern van het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb. De wetgever heeft met artikel 8:69a Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een (beroeps)grond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in

2 Kamerstukken 12009/2010, 32127, C, p. 30-31

akd datum ons kenmerk pagina

9 augustus 2022 1008705.22997 / eeu 4 van 16

rechte aan te vechten.3 Bij de beantwoording van de vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van een (beroeps)grond, moet onderscheid worden gemaakt tussen de belangen die de betrokken norm beoogt te beschermen enerzijds en de belangen van de rechtzoekende die deze norm inroept anderzijds.4 14.

Van Wijk en Van Berkel wonen op het perceel aan de Spierkesweg 14a in Sint-Oedenrode ten noordwesten van het projectgebied van het zonneparkproject ‘Rooijseweg’. Zij zijn in beroep opgekomen voor de bescherming van de leefbaarheid van hun woon- en leefklimaat. Meer specifiek ging het voor Van Wijk en Van Berkel om het belang gevrijwaard te blijven van de realisering van het zonneparkproject ‘Rooijseweg’.

15.

In beroep hebben Van Wijk en Van Berkel naar voren gebracht dat het zonneparkproject niet in overeenstemming zou zijn met de bepalingen uit het bestemmingsplan over het behoud, het beheer en de verwezenlijking van een ecologische verbindingszone. Het college en de raad merken op dat de betrokken normen uit het bestemmingsplan strekken ter bescherming van het algemeen belang van instandhouding van natuur en landschap.5 De normen hebben - zo blijkt uit de plantoelichting - als doel om binnen de aanduiding ‘Ecologische verbindingszone’ natuur te ontwikkelen als koppeling tussen “gemeente overstijgende natuurgebieden”.6

16.

In beginsel strekken de betreffende normen uit het bestemmingsplan over de ecologische verbindingszone niet tot bescherming van individuele belangen van burgers.7 Evenwel kunnen de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving zo verweven zijn met het algemeen belang dat de planregeling beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen uit het bestemmingsplan kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.8

17.

Naar het oordeel van uw Afdeling is een afstand van 350 meter tussen een woning en een natuurgebied (met tussenliggende bebouwing) onvoldoende om te spreken van een natuurgebied dat deel uitmaakt van de directe leefomgeving van een natuurlijk persoon.9 De afstand tussen het woonperceel van Van Wijk en Van Berkel en de betrokken gronden die in het bestemmingsplan zijn aangeduid als ‘Ecologische verbindingszone’ bedraagt ten minste 400 meter:

3 Kamerstukken //2009/2010, 32 450, nr. 3, p. 18-20; Kamerstukken 120^2/20^3, 32 450, nr. G, p. 4. 4 ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1813, r.o 5.4. 5 ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7549, r.o. 4.4. 6 Toelichting bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, p. 19. 7 ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o 10.51 en 10.63. 8 ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1146, r.o. 8.4. 9 ABRvS 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1481, r.o. 6.1.

akd datum ons kenmerk pagina

9 augustus 2022 1008705.22997 / eeu 5 van 16

18.

Een afstand van ongeveer 400 meter tussen een woning en een natuurgebied (met tussenliggende bebouwing) is onvoldoende om te spreken van een natuurgebied dat deel uitmaakt van de directe leefomgeving van een natuurlijk persoon.10 Hier komt bij dat Van Wijk en Van Berkel vanuit hun woning geen zicht op de gronden die zijn aangeduid als ‘Ecologische verbindingszone’. Dit komt door de aanwezigheid van erfbeplanting aan de zuid- en oostzijde van hun woonperceel. Mocht toch sprake zijn van enkele zichtlijnen op de betrokken gronden, dan worden deze doorbroken door de aanwezigheid van gewassen op het gewasperceel tussen het projectgebied en de woning van Van Wijk en Van Berkel (kadastraal bekend gemeente SintOedenrode, sectie K, perceelnummer 159). Gelet hierop maken de gronden die zijn aangeduid als ‘Ecologische verbindingszone’ geen deel uit van de directe woon- en leefomgeving van Van Wijk en Van Berkel.

19.

Het voorgaande brengt met zich dat geen verwevenheid bestaat tussen de individuele belangen van Van Wijk en Van Berkel bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en met het algemeen belang dat de planregeling beoogt te beschermen. De Rechtbank heeft miskend dat de beroepsgronden die door Van Wijk en Van Berkel zijn aangevoerd over de ecologische verbindingszone niet hebben kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze gronden hebben betrekking op normen die niet (mede) strekken tot de bescherming van de belangen waarvoor Van Wijk en Van Berkel in beroep zijn opgekomen.

b.

In het bestreden besluit is deugdelijk gemotiveerd dat de afwijking van de planregels over de verwezenlijking van een ecologische verbindingszone ruimtelijk aanvaardbaar is.

20.

Voor zover uw Afdeling toch meent dat het hier gaat om een norm die strekt tot bescherming van het belang van Van Wijk en Van Berkel is het volgende volgens het college en de raad van belang. Het college en de raad delen de constatering van de Rechtbank dat de gronden van het projectgebied in het bestemmingsplan gedeeltelijk binnen de gebiedsaanduiding ‘Ecologische verbindingszone’ vallen (binnen de rode contour hieronder):

10 ABRvS 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2263, r.o. 8.3.

akd datum ons kenmerk pagina

9 augustus 2022 1008705.22997 / eeu 6 van 16

21.

Op deze gronden is artikel 37.3 van de planregels van toepassing. In beroep hebben Van Wijk en Van Berkel zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet in overeenstemming is met artikel 37.3.2 van de planregels en de criteria die zijn opgenomen in artikel 37.3.3 van de planregels van het bestemmingsplan. Naar aanleiding daarvan komt de Rechtbank in de aangevallen uitspraak tot het oordeel dat het college niet heeft onderbouwd of door aanleg van het zonneveld onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ecologische verbindingszone binnen de aangewezen aanduiding. Het college en de raad zijn het niet met dit oordeel eens.

22.

Het college en de raad merken op dat met de omgevingsvergunning toestemming is verleend om (‘buitenplans’) af te wijken van artikel 37.3 van de planregels.11 Dit heeft ermee te maken dat de aanleg van het aangevraagde zonneveld binnen de aangewezen aanduiding ‘Ecologische verbindingszone’ een onevenredige afbreuk doet aan de verwezenlijking van een ecologische verbindingszone. Om die reden past het zonneveld niet binnen artikel 37.3 van de planregels.

23.

Volgens artikel 37.3 van de planregels is het immers niet toegestaan om een zonneparkproject te bouwen (in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a, van de Wabo) en oppervlaktevlakteverhardingen aan te brengen van meer dan 100 m2 (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo in combinatie met artikel 37.3.3.1 van de planregels) binnen de aangewezen aanduiding ‘Ecologische verbindingszone’, indien daarmee een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verwezenlijking, het behoud en het beheer van de ecologische verbindingszone.

24.

Bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft het college aan de raad gevraagd of hij kan instemmen met benodigde afwijking van artikel 37.3 van de planregels ten behoeve van het zonneparkproject ‘Rooijseweg’. Met het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen heeft de raad verklaard dat hij kan instemmen met de afwijking. Volgens de raad is de afwijking van artikel 37.3 van de planregels hier in overeenstemming met de eis van een goede ruimtelijke ordening, omdat de provincie de locatie van de beoogde ecologische verbindingszone heeft gewijzigd, waardoor het niet langer de bedoeling van de provincie is om een ecologische11

11 Zie ook: Bestreden besluit (bijlage 2), p. 18.

akd DATUM ONS KENMERK PAGINA

9 augustus 2022 1008705.22997/eeu 7 van 16

verbindingszone te verwezenlijken binnen de aangewezen aanduiding. Door wijzigingen in het provinciale natuurbeheerplan 2021 - die vervolgens zijn vertaald in de plankaart behorend bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant- is de locatie van de ecologische verbindingszone verplaatst:12

25.

•

In eerste instantie is de locatie voor de verwezenlijking van de ecologische verbindingszone verplaatst naar de noordkant van het projectgebied. Daarmee is bij de inrichting van het zonneparkproject ook rekening gehouden. Volgens de landschappelijke inpassing van het zonneparkproject zal het noordelijk deel van het projectgebied worden vrijgehouden van zonnepanelen en bebouwing. Dit gebied wordt ingericht als ecologische buffer tussen de bestaande watergang direct ten noorden van het projectgebied en het zonneveld. De buffer zal bestaan uit bloem- en kruidenrijk grasland met inheemse bomen en een struweel passen bij de reeds aanwezige flora en fauna en het bestaande karakter van het landschap. Dat is ook afgestemd met het Waterschap Aa en Maas.

•

Sinds de plankaartaanpassing van de Interim omgevingsverordening van 8 december 2020 is het projectgebied niet langer een locatie waar de verwezenlijking van een ecologische verbindingszone door de provincie Noord-Brabant noodzakelijk wordt geacht. De EVZ komt anders te liggen. De locatie van de te verwezenlijken ecologische verbindingszone is met de kaartaanpassing verplaatst naar het “Mortelven” aan zuidkant van het Mariahoutse bos:

In dit kader merken het college en de raad op dat het primair aan de provincie is om gebieden aan te wijzen als zoekgebieden voor ecologische verbindingszones. Dit komt omdat een ecologische verbindingszone deel uitmaakt van de provinciale opgave voor het Natuurnetwerk Nederland. In de Interim omgevingsverordening stelt de provincie instructieregels om te

12 Provinciaal blad 2020, nr. 7029.

akd datum ons kenmerk pagina

9 augustus 2022 1008705.22997 / eeu 8 van 16

voorkomen dat de realisatie van een ecologische verbindingszone in de zoekgebieden bemoeilijkt wordt. De bestuursorganen van de gemeente moeten deze instructieregels in acht nemen bij ruimtelijke besluiten. 26.

Inmiddels maakt het projectgebied geen deel meer uit van een zoekgebied voor een ecologische verbindingszone. De realisering van het zonneparkproject ‘Rooijseweg’ zal hierom geen onevenredige afbreuk doen aan de verwezenlijking van een te realiseren ecologische verbindingszone. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan (in 2010) is de raad ervan uitgegaan dat de gronden met de gebiedsaanduiding ‘Ecologische verbindingszone’ gebruikt zouden gaan worden voor de verwezenlijking van een ecologische verbindingszone. Dat zal echter niet het geval zijn. Mocht de noordzijde van het projectgebied toch weer bij de provincie in beeld komen voor de verwezenlijking van een ecologische verbindingszone, dan staat het zonneparkproject daaraan niet in de weg.

27.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid mogen oordelen dat de afwijking van artikel 37.3 van de planregels ten behoeve van het zonneparkproject past binnen de eis van een goede ruimtelijke ordening.

c.

Het bestreden besluit bevat een gedegen ruimtelijke onderbouwing dat het projectgebied geschikt is als locatie voor de realisatie van een zonneparkproject.

28.

Bij het bestreden besluit is gedegen gemotiveerd dat de projectlocatie geschikt is voor de realisatie van een grondgebonden zonneparkproject. Allereerst is bij het bestreden besluit voldoende inzichtelijk gemaakt dat de locatie past in het gemeentelijk onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit (en dus voldaan aan de eis uit artikel 3.41, eerste lid onder b, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant). Hiernaast heeft het college deugdelijk toegelicht dat het zonneparkproject niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden.

29.

De resultaten van het gemeentelijk onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen zijn weergegeven in het beleidsstuk ‘Visie op grootschalige opwek van duurzame energie in Laarbeek 2019’ (hierna: “de Visie” - bijlage 3), dat door de raad is vastgesteld op 3 oktober 2019. In de Visie is als uitgangspunt geformuleerd om grootschalige grondgebonden zonneparkprojecten zoveel mogelijk toe te staan in de nabijheid van bestaande bebouwing en op locaties waar de opwekking van duurzame elektriciteit gecombineerd kan worden met andere functies.13

30.

Hiernaast geldt als beleidsuitgangspunt - zoals verwoord in de RES 1.014 - dat de zonneladder van toepassing is bij het bepalen van de geschiktheid van locaties voor PV-panelen. De

13 Visie (bijlage 3), p. 23. 14 Regionale Energiestrategie 1.0 Meteropool regio Eindhoven (online gepubliceerd: https://energieregiomre.mett.nl/res/).

akd DATUM ONS KENMERK PAGINA

9 augustus 2022 1008705.22997/eeu 9 van 16

zonneladder kent een voorkeursvolgorde voor het toestaan van zonnepanelen. Volgens deze volgorde is weliswaar “zon op landbouwgrond” de minst gewenste keuze, maar is het een (gekozen) optie om zonnepanelen toe te staan op landbouwgrond als gemotiveerd wordt waarom de zonnepanelen niet elders kunnen worden toegestaan. Het gaat daarbij om een motiveringseis, niet om een voorgeschreven uitkomst.15 31.

In de gemeente Laarbeek zijn binnen de kernen of aangrenzend aan bestaand stedelijk gebied geen gronden beschikbaar met een zodanige omvang, dat het mogelijk is om aldaar een (financieel uitvoerbaar) grootschalig grondgebonden zonneparkproject te realiseren. Gebleken is dat een groot deel van het grondgebied van Laarbeek in de nabijheid van bestaande bebouwing reeds in gebruik is door bebouwing of gereserveerd is voor andere functies. Deze functies zijn niet te combineren met een zonneveld en bijbehorende technische installaties. Verder zijn ook geen geschikte hergebruiklocaties - zoals voormalige vuilstortplaatsen - aanwezig voor de realisering van grootschalige grondgebonden zonneparkprojecten. De RES constateert dat met alle “no-regret maatregelen in de regio” en invulling van de hogere treden van de zonneladder, een restopgave van 0,57 TWh overblijft die ingevuld moet worden met wind en zon op landbouwgrond.16

32.

In de Visie heeft de raad aangegeven dat hij voorlopig vijf grondgebonden zonneparkprojecten in het buitengebied wenst toe te staan.17 Daarbij heeft de raad zijn voorkeur uitgesproken dat sprake moet zijn van een afwisseling van kleinschalige (< 6 hectare) en grootschalige (tussen de 6 en 12 hectare) grondgebonden zonneparkprojecten. Bij zijn onderzoek naar de geschiktheid van locaties van zonneparkprojecten in het buitengebied is de raad aangesloten bij de uitgangspunten die zijn weergegeven in de structuurvisie ‘Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek’.18 Niet alle landschapstypen zijn volgens de raad geschikt voor de realisering van een zonneparkproject. In landschappen met meer geslotenheid en reliëf kan het mogelijk zijn om de zonnepanelen aan het zicht te onttrekken, maar in een open landschap zou bijvoorbeeld de aanleg van een houtwal of-singel uit de toon vallen. Ook in gebieden die belangrijk zijn voor toerisme vanwege natuurbeleving of de authentieke uitstraling van een landschap, zijn zonneparkprojecten volgens de raad niet passend.19

33.

In de Visie heeft de raad aangegeven dat volgens hem alleen de landschapstypen ‘Pionierslandschap’ en ‘Aa-landschap’ - voor zover gelegen buiten een bebouwingsconcentratie - geschikt zijn voor grootschalige grondgebonden zonneparkprojecten. Het gaat om de gronden in het noorden van de gemeente. De conclusie dat deze gronden geschikt zijn voor grootschalige zonneparkprojecten is in overeenstemming met de uitkomsten van de PlanMER

15 Zie ook: Rechtbank Limburg 11 juli 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:5209, r.o. 9.5. 16 Regionale Energiestrategie 1.0 Meteropoolregio Eindhoven, p. 41-42. 17 Visie (bijlage 3), p. 6. 18 Visie (bijlage 3), p. 9. 19 Visie (bijlage 3), p. 23.

akd DATUM ONS KENMERK PAGINA

9 augustus 2022 1008705.22997/eeu 10 van 16

die is opgesteld in verband met de Regionale Energiestrategie 1.0 van de Meteropoolregio Eindhoven. Uit de beoordelingstabellen die zijn opgenomen in de PlanMer volgt dat de gronden ten noorden van Mariahout - aangeduid als “zoekgebied 2” - relatief geschikt zijn voor zonneparkprojecten.20 Uiteindelijk zijn deze gronden ook opgenomen als “voorlopig zoekgebied voorzon op land op basis van gemeentelijke zienswijzen” in de Regionale Energiestrategie 1.O.21

34.

In de ruimtelijke onderbouwing behorend bij het bestreden besluit (bijlage 4) is genoegzaam toegelicht dat het zonneparkproject ‘Rooijseweg’ past in het gemeentelijk onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, zoals weergegeven in de Visie 22 Met een netto oppervlak van circa 7,6 hectare is het zonneparkproject ‘Rooijseweg’ een grootschalig zonneparkproject in de zin van de Visie. Het projectgebied is gelegen in het pionierslandschap (buiten een bebouwingsconcentratie):

Landschappen van Laarbeek Pioniersïandschap MozaiekSandschap ünceoSandscftap Aa-landschap Bïezenlandschap Ont wikkeJla ndschap Historisch landschap Boslandschap

35.

Het pionierslandschap is een landschapstype dat volgens de Visie geschikt is voor de realisatie van grootschalige zonnevelden 23 Hiernaast is de projectlocatie gelegen binnen gebied dat is aangewezen als “voorlopig zoekgebied voor zon op land op basis van gemeentelijke zienswijzen” in de Regionale Energiestrategie 1.0:

20 Bosch & Van Rijn, “PlanMer RES Meteropoolregio Eindhoven” d.d. 26 februari 2020, p. 15, 79, 89 en 156 (online gepubliceerd: https://www.energieregiomre.nl/aanpak+per+thema/duurzame+energie+opwekken ). 21 Regionale Energiestrategie 1.0 Meteropoolregio Eindhoven, p. 49 (online gepubliceerd: https://energieregiomre.mett.nl/res/). 22 Ruimtelijke onderbouwing (bijlage 4), p. 26-30. 23 Visie (bijlage 3), p. 24-26.

akd datum ons kenmerk pagina

9 augustus 2022 1008705.22997 / eeu 11 van 16

Projectgebied 1 Legenda

j

O Globale zoekgebieden concept RES

/v4

O Gerealiseerd wind (categorie A. B en C) j ... .......... ....................................... \

\

O Gerealiseerd zon (categorie A, B en C) Q Pijplijn wind (categorie A, B en C)* O Pijplijn zon (categorie A, B en C) * 0 Resterende no-regret (categorie A) Voorlopig zoekgebied wind op land op 0 basis van gemeentelijke zienswijzen (Categorie C) Voorlopig zoekgebied zon op land op basis van gemeentelijke zienswijzen (Categorie C)

\

' 4 II \ '\ 12 / . ■

*

r \ :

Ky

Verkenning ontwikkeling langs A67

:\

\

* Combinatie van zonne- en windenergie ^ is één van de opties

\

36.

De omstandigheid dat de situering van zonneparkprojecten op landbouwgronden de minst gewenste keuze is, maakt niet dat zonneparkprojecten op landbouwgronden niet kunnen worden toegestaan. Uiteindelijk kan de gemeente haar ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn alleen behalen door een totaalpakket aan maatregelen, waaronder het faciliteren van grondgebonden zonneparkprojecten in het buitengebied op landbouwgronden. Uit de Visie en de Regionale Energiestrategie 1.0 blijkt dat de projectlocatie geschikt is voor de realisatie van een zonneparkproject met een netto oppervlak van circa 7,6 hectare. Hierbij geldt dat sprake zal zijn van meervoudig ruimtegebruik in de zin van de Visie, aangezien bij het zonneparkproject ‘Rooijseweg’ de aanleg van zonnepanelen gepaard gaat met natuurontwikkeling (die aansluit op de kernkwaliteiten van het landschap).24

37.

In dit kader merken het college en de raad op dat de gronden van het projectgebied minder geschikt zijn als bouwland (en dus voor agrarisch gebruik) dan andere gronden in de gemeente. Het projectgebied is gelegen op hoger gelegen zandgronden. Zandgronden bestaan hoofdzakelijk uit dekzand, zijn arm aan mineralen en veel gevoeliger voor droogte dan bijvoorbeeld kleigronden omdat hun vermogen om water vast te houden, beperkt is. Uit de “klimaatstresstest” van Arcadis is bovendien gebleken dat de toenemende droogte vanwege klimaatverandering zal leiden tot droogteschade van gewassen op zandgronden.25 Volgens de kaart behorend bij de klimaatstresstest is bij teelt ter plaatse van het projectgebied sprake van een ‘verdrogingsrisico’:

24 Visie (bijlage 3), p. 28; Ruimtelijke onderbouwing (bijlage 4), p. 12, 18, 25, 31-32. 25 Arcadis, “Klimaatstresstest, Gemeente Laarbeek d.d. 28 januari 2020, p. 6 (online gepubliceerd: https://www.laarbeek.nl/klimaatverandering).

akd datum ons kenmerk pagina

9 augustus 2022 1008705.22997 / eeu 12 van 16

38.

Anders dan waar de Rechtbank vanuit is gegaan, zijn de gronden van het projectgebied ook niet langer zijn aangewezen als Landbouwontwikkelingsgebied (LOG). Die aanduiding is niet meer van toepassing op het projectgebied sinds het vervallen van de Reconstructiewet. Behalve het (verouderde) bestemmingsplan, is er geen document dat voorziet in agrarisch gebruik van het projectgebied. Met de verwezenlijking van de huidige agrarische bestemming binnen het projectgebied tijdens de vergunde periode is bovendien geen belang gediend, nu vergunninghouder binnenkort eigenaar is van de gronden. Vergunninghouder wenst een zonneparkproject te realiseren binnen het projectgebied. Vergunninghouder is niet van plan de gronden als gewaspercelen te (laten) gebruiken.

39.

Bij de beoordeling van de geschiktheid van de projectlocatie is voldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden. Volgens vaste rechtspraak van uw Afdeling is het niet aan het gemeentebestuur om locaties aan te dragen bij een aanvraag om het verlenen van een omgevingsvergunning voor een zonneparkproject.26 Het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Op voorhand was geen sprake van alternatieve locaties, waar met aanmerkelijk minder bezwaren een zonneparkproject kan worden gerealiseerd met een gelijkwaardig resultaat, die het college ten onrechte niet bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken.27

40.

Volgens het college en de raad zijn de gevolgen van de komst van het zonneparkproject binnen het projectgebied voor het woon- en leefklimaat van omwonenden aanvaardbaar. Mede gelet op de landschappelijke inpassing van het zonneveld, zien het college en de raad geen aanleiding voor het oordeel dat de optredende verandering van het uitzicht voor omwonenden in de weg had moeten staan aan verlening van de omgevingsvergunning.28 Van belang is in dit kader dat het zonneparkproject leidt tot natuurontwikkeling in het noorden van het plangebied. Dit brengt met zich dat omwonenden, waaronder Van Wijk en Van Berkel, vanuit de Spierkesweg zullen

26 ABRvS 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:844, r.o. 10.2. 27 Vergelijk: ABRvS 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, r.o. 6.3. 28 Zie ook: ABRvS 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2378, r.o. 6.1 en ABRvS 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178, r.o. 9.1.

akd DATUM ONS KENMERK PAGINA

9 augustus 2022 1008705.22997/eeu 13 van 16

uitkijken op nieuwe natuur, niet op zonnepanelen. Het zonneparkproject ‘Rooijseweg’ leidt daardoor niet tot onaanvaardbare zichthinder. Binnen de gemeente Laarbeek zijn er nauwelijks locaties te vinden waarop minder zicht bestaat vanuit woningen. d. Het zonneparkproject leidt tot een fysieke landschappelijke verbetering van het projectgebied. 41.

Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vereist dat een ruimtelijke ontwikkeling in het ‘Landelijk gebied’ gepaard moet gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Er staat niet dat fysieke verbetering nadat de ruimtelijke ontwikkeling is beëindigd in stand moet blijven. De omvang van een dergelijke verbetering moet in de gemeente Laarbeek bepaald worden aan de hand van de ‘Landschapsinvesteringsregeling gemeente Laarbeek’ (hierna: “de Landschapsinvesteringsregeling”), die door de raad is vastgesteld op 11 april 2017.29 Op basis van de Landschapsinvesteringsregeling van de gemeente Laarbeek is de realisering van een zonneparkproject een “Categorie-3-ontwikkeling”.

42.

Het gaat om ontwikkelingen waarbij de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering van het landschap genormeerd wordt. De minimale investeringsverplichting betreft in dit geval het voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Het zonneparkproject ‘Rooijseweg’ voldoet aan deze verplichting. In overeenstemming met de Gedragscode Zon op Land zal sprake zijn van een natuurvriendelijke inrichting die leidt tot het versterken van het landschaps- en natuurwaarden binnen en buiten het projectgebied.30 De inpassing van het zonnepark gaat daarmee verder dan “het aan het zicht onttrekken” van de zonnepanelen. Het zonneparkproject geeft een ecologische meerwaarde en leidt tot een fysieke landschappelijke verbetering.

43.

De nieuwe beplanting bestaat uit inheems plantmateriaal, passend bij de plaatselijke bodem en waterhuishouding. De struweelstroken aan de west- en noordkant van de zonnepanelen versterken de blokstructuren van het pionierslandschap. Deze struweelstroken dienen bovendien als schuil, woon- en nestgelegenheid voor verschillende diersoorten. Om voedselaanbod voor de diersoorten verder te vergroten wordt er direct naast de struweelstrook een strook met bloem- en kruidenrijk grasmengsel ingezaaid. Dit gebied heeft een meerwaarde voor (onder meer) insecten, (struweel)vogels en kleine grondgebonden zoogdieren. Door de paneelopstelling - een zogeheten “zuid-opstelling” - blijft voldoende ruimte voor lichtinval én waterinfiltratie tussen de zonnepanelen. Een kruidenrijke vegetatie zal zich ontwikkelen tussen en onder de panelen en ter plaatse van de bebouwingsvrije stroken. Hierbij geldt verder dat de openheid van het landschap zoveel mogelijk behouden zal blijven door de struwelen zo laag mogelijk te houden, terwijl de struwelen tegelijkertijd hoog genoeg zijn om de zonnepanelen aan het zicht van de omgeving te onttrekken.

29 https://lokaleregelgeving.overheid.nI/CVDR450500#d179657793e218. 30 Ruimtelijke onderbouwing (bijlage 4), p. 10-11.

akd DATUM ONS KENMERK PAGINA

9 augustus 2022 1008705.22997/eeu 14 van 16

44.

Het totaalpakket aan maatregelen die gezamenlijk de landschappelijke inpassing vormen leidt tot een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit in en rondom het projectgebied. Het zonneparkproject is daarom in overeenstemming met artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (en de vereisten uit de Landschapsinvesteringsregeling). Dat is in de ruimtelijke onderbouwing en het document “Inrichtingsplan Zonneveld Rooijseweg, Laarbeek” - behorend bij het bestreden besluit - ook gemotiveerd toegelicht. Gelet hierop is de Rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet inzichtelijk is.

45.

De landschappelijke inpassing van het zonneparkproject moet de vergunninghouder in stand houden tot en met de vergunde periode van 25 jaar. Daartoe is de vergunninghouder verplicht op grond van het vergunningvoorschrift 3.1.5. De Rechtbank constateert - in rechtsoverweging 6.6 - terecht dat deze verplichting vervalt na de looptijd van de vergunning. Volgens het college en de raad is het ook niet mogelijk om de vergunninghouder door middel van vergunningvoorschriften verplichtingen op te leggen die langer duren dan de vergunde termijn.

46.

Artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo geeft het college slechts de mogelijkheid om aan de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo) voorschriften te verbinden die nodig zijn met oog op het belang van een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo. De voorschriften mogen uitsluitend betrekking hebben op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het vergunde gebruik voor een periode van 25 jaar. De voorschriften mogen daarom niet verplichten tot de instandhouding van de landschappelijke inpassing na afloop van de vergunde termijn. Na de vergunde periode is er ook geen vergunninghouder (in de zin van artikel 2.25 van de Wabo) die het college kan aanspreken in verband met de naleving van de voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden.

47.

Voor de goede orde merken het college en de raad op dat het niet vanzelfsprekend is dat de landschappelijke inpassing verwijderd zal worden na afloop van de vergunde termijn. Niet ter discussie staat dat het niet wenselijk is om nieuwe natuur te verwijderen na 25 jaar. Daarom zal de gemeente na afloop van de vergunde termijn gezamenlijk met vergunninghouder - tevens toekomstig grondeigenaar - bezien of de landschappelijke inpassing behouden kan worden. Het borgen van het behoud van de landschappelijke inpassing vereist nadere besluitvorming (bijvoorbeeld door een wijziging van het bestemmingsplan/omgevingsplan). Hoe het recht er ten tijde van deze besluitvorming uit zal zien, betreft voor nu een onzekere toekomstige gebeurtenis.

akd datum ons kenmerk

PAGINA

9 augustus 2022 1008705.22997 / eeu 15 van 16

e. In de vergunningvoorschriften heeft het college voldoende geborgd dat de vergunninghouder financiële zekerheid moet stellen voor het ontmantelen van het zonneparkproject. 48.

In artikel 3.41, derde lid onder c, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is bepaald dat financiële zekerheid gesteld moet worden voor het verwijderen van het zonneparkproject en het herstellen van de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand, na het verstrijken van de termijn waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.

49.

Het college heeft deze verplichting vertaald in het vergunningvoorschrift 3.1.3. In dit voorschrift is bepaald dat voor het herstellen van de bestaande toestand van vóór de verlening van de omgevingsvergunning financiële zekerheid wordt gesteld. Volgens het college en de raad is het voorschrift voldoende concreet en duidelijk om als grondslag voor handhavend optreden te kunnen dienen. Het voorschrift verplicht de vergunninghouder om financiële zekerheid te stellen. Als de vergunninghouder dit nalaat, dan kan een belanghebbende verzoeken om handhaving van het vergunningvoorschrift.

50.

Hiermee draagt het voorschrift bij aan het volgens de Interim omgevingsverordening te bereiken doel, namelijk het voor rekening van vergunninghouder verwijderen van het zonneparkproject aan het einde van de looptijd van de vergunning van ten hoogste 25 jaar en het herstellen in de oude toestand en het in verband daarmee stellen van financiële zekerheid.31

51.

Het voert te ver om van het college te eisen dat aan het voorschrift een termijn moet worden verbonden wanneer en voor welk bedrag de financiële zekerheid moet worden gesteld. Artikel 3.41, derde lid, onder c, van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant stelt geen nadere eisen aan de vorm en inhoud van het aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschrift. Het gaat erom dat het voorschrift de vergunninghouder verplicht tot het stellen van financiële zekerheid voor de ontmanteling van het zonneparkproject. Dit doel bereikt het college met het vergunningvoorschrift 3.1.3. Hier komt bij dat het niet is vereist dat ten tijde van het verlenen van een omgevingsvergunning voor een zonneparkproject al financiële zekerheid moet zijn gesteld.32

52.

Bovendien heeft de gemeente Laarbeek voorafgaand aan het bestreden besluit een anterieure overeenkomst gesloten met vergunninghouder, waarin concrete afspraken zijn gemaakt over de ontmanteling van het zonneparkproject. In dat kader zijn diverse prikkels tot nakoming vastgelegd. Mocht vergunninghouder het zonnepark niet tijdig ontmantelen, dan is vergunninghouder een boete verschuldigd én mag de gemeente - voor zover vergunninghouder niet alsnog overgaat tot ontmanteling - de kosten van ontmanteling verhalen op de vergunninghouder.

31 Vergelijk: ABRvS 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1016) r.o. 9.5. 32 ABRvS 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:857, r.o. 9.10.

akd datum ons kenmerk

PAGINA

9 augustus 2022 1008705.22997 / eeu 16 van 16

III

AFSLUITEND

53.

Gelet op het voorgaande verzoeken het college en de raad uw Afdeling om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Het college en de raad blijven van mening dat het zonneparkproject ‘Rooijseweg’ een project is dat een meerwaarde geeft voor de energietransitie in Laarbeek en tegelijkertijd ruimtelijk aanvaardbaar. Het project voorziet in duurzame elektriciteit voor (onder meer) de inwoners van Laarbeek, levert een belangrijke meerwaarde voor de biodiversiteit in het projectgebied en biedt omwonenden en belangstellenden de mogelijkheid om financieel te participeren in het project. Deze belangen rechtvaardigen - naast het belang van de vergunninghouder - volgens het college en de raad de verandering van de bestaande situatie.

54.

Hoewel het college en de raad het niet eens zijn met de aangevallen uitspraak, achten zij het evenwel van belang - om proceseconomische redenen - om gevolg te geven aan de aangevallen uitspraak. Het college zal opnieuw een besluit nemen op de aanvraag (met inachtneming van de aangevallen uitspraak). Voordat het college deze beslissing neemt, zal het college eerst aan de raad de vraag voorleggen of hij - gelet op de aangevallen uitspraak - het zonneparkproject nog steeds in overeenstemming vindt met een goede ruimtelijke ordening. Zodra het college een nieuwe beslissing op de aanvraag heeft genomen, zal ik een kopie daarvan onverwijld aan uw Afdeling toezenden.

55.

Verder ben ik graag bereid de inhoud van dit hoger beroepschrift nader toe te lichten tijdens een zitting van uw Afdeling.

Emile Euverman Advocaat AKD

akd benelux lawyers

Bijlage 1

\$rtl de Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant

Gemeente Laat beek Ingekomen 0 4 JUL 2022

AANTEKENEN [ | PER POST | | EMAIL

de raad van de gemeente Laarbeek Postbus 190 5740 AD Beek en Donk

BESTUURSRECHT

bezoekadres Leeghwaterlaan 8 5223 BA ’s-Hertogenbosch

datum onderdeel contactpersoon doorkiesnummer ons kenmerk

1 juli 2022 Afdeling II Zitting mevr M Verzijden 088-3611833 zaaknummer SHE 21 / 2705 WABOM VI62

uw kenmerk bijlage(n) onden/verp

het beroep van L van Wijk te Sint-Oedenrode

correspondentieadres Postbus 90125 5200 MA 's-Hertogenbosch t 088-3621000 www.-rechtspraak.nl

Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.

Geachte heer/mevrouw, Over het beroep met zaaknummer SHE 21 / 2705 WABOM V162 deel ik u het volgende mee. De rechtbank heeft uitspraak gedaan. Ik stuur u een kopie van de uitspraak. Indien in deze uitspraak wordt verwezen naar een uitspraak met een ECLl-nummer, is de tekst van de betreffende uitspraak onder dat nummer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. In uw beroepschrift moet u vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak. U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op w\v w. ra ad v ans tate, n 1 voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep. Als u naar aanleiding van deze brief vragen hebt, kunt u contact opnemen met de administratie van de rechtbank op het hierboven vermelde doorkiesnummer. Als u de rechtbank belt of schrijft, verzoek ik u het zaaknummer te vermelden. Hoogachtend,

ffW de griffier

BE023

Uw persoonsgegevens en indien van toepassing die van uw cliënt worden, voor zover nodig, voor een goede procesvoering verwerkt in de registratiesystemen van de Rechtspraak.

uitspraak RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 21/2705

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2022 in de zaak tussen I. van Wijk en W. Van Berkel, te Sint-Oedenrode, eisers (gemachtigde: mr. G.T. van de Weerdt), en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek, verweerder (gemachtigden: K. Dauwerse, M. Brands, mr. S. Tielemans-Ewalts en M Oteman), Als derde-partij nemen aan het geding deel: Enovos Green Power Nederland BV, te Herten, vergunninghoudster, (gemachtigde: F. Klisters).

De raad van de gemeente Laarbeek, vvgb-orgaan1.

Procesverloop In het besluit van 27 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij Enovos een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, aanleggen en afwijken van het bestemmingsplan voor het realiseren van een grondgebonden zonneveld nabij de Rooijseweg in de kadastrale gemeente Lieshout, sectie M, nummer 7 te Mariahout. De vergunning is verleend voor 25 jaar. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser Van Wijk is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder en derde-partij Enovos hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding 1. Dit is een zaak over een zonneveld. Eerst zet de rechtbank de feiten op een rij. Aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden gaat de rechtbank in op de vraag of het besluit wel volledig is. Vervolgens bespreekt de rechtbank de toetsing aan de Interim-

1 Dit is het bestuursorgaan dat de benodigde verklaring van geen bedenkingen (vvgb) heeft verleend.

zaaknummer: SHE 21/2705

i

Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en tot slot gaat de rechtbank in op enkele concrete onderdelen. De regelgeving die in de uitspraak wordt genoemd, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten 2.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten: Vergunninghoudster wil op de gronden achter het perceel Rooijsevveg 14 te Mariahout (het projectgebied) een grondgebonden zonneveld van circa 9,6 hectare realiseren voor een periode van 25 jaar. Hiervan wordt 7,6 hectare gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen: dit komt neer op circa 25.800 panelen. De overige grond wordt gebruikt voor de aanleg van de landschappelijke inpassing, water en beheerpaden. Op de gronden van het projectgebied is het bestemmingsplan “Buitengebied” van toepassing. De gronden hebben de bestemming “Agrarisch met waarden - Landschapsen Natuurwaarden 1”. Ook rust op de gronden in het projectgebied de gebiedsaanduiding “Reconstructiewetzone - landbouwontvvikkelingsgebied” en “Ecologische verbindingszone” en de functiebenaming “Specifieke vorm van agrarisch met waarden - struweelvogels”. Eisers wonen ten noorden van het projectgebied, op ongeveer 200 meter afstand daarvan. 2.2 Verweerder heeft de gevraagde vergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Wabo.

Door het dagelijks bestuur van het waterschap Aa en Maas (waterschap) en het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (provincie) zijn adviezen uitgebracht, zoals wettelijk voorgeschreven. Op 9 september 2021 is door de gemeenteraad van Laarbeek een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven. Het ontwerp van de beschikking heeft tussen 18 februari 2021 en 1 april 2021 ter inzage gelegen en iedereen is in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Eisers hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Dekt het bestreden besluit alle strijdigheden met het bestemmingsplan? 3.1 Volgens eisers wordt door de aanleg van een grondgebonden zonneveld het gebied minder geschikt voor de verwezenlijking, het behoud en beheer van de ecologische verbindingszone (EVZ). Bovendien kan de toestemming voor het aanbrengen van halfVerharding slechts worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verwezenlijking, het behoud en het beheer van de EVZ. In het bestreden besluit wordt hiermee volgens eisers onvoldoende rekening gehouden. 3.2 In het bestreden besluit merkt verweerder op dat de EVZ feitelijk niet ligt aan de oostzijde van het perceel maar aan de noordzijde. Door de aanleg van het zonneveld (en de verharding van het onderhoudspad) wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de EVZ. Verweerder merkt in het verweerschrift op dat door een w ijziging in het provinciale natuurbeheerplan deze EVZ zal worden verplaatst naar de zuidkant van het Mariahoutsebos. Het bestemmingsplan is hierop nog niet aangepast maar verweerder heeft geen ambitie meer om in het projectgebied de EVZ te realiseren. 3.3 Artikel 37.3.2 van het bestemmingsplan stelt dat in afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze

zaaknummer: SHE 21/2705

gronden, voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding “Overig - ecologische verbindingszone” geldt dat er geen stedelijke, recreatieve en agrarische ontwikkelingen mogen plaatsvinden, voor zover het gebied als gevolg van genoemde ontwikkelingen minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en beheer van de ecologische verbindingszone. 3.4 Vast staat dat de aanduiding “ecologische verbindingszone1' in het bestemmingsplan rust op een deel van het projectgebied. De aanduiding in het bestemmingsplan verplicht niet tot de aanleg van de EVZ, maar maakt de aanleg alleen mogelijk. Verweerder lijkt bij de beoordeling van de toestemming voor het aanleggen de feitelijke situatie alsmede de gewijzigde voornemens over de EVZ te hebben meegewogen. Daar is de rechtbank het niet mee eens. Zolang het bestemmingsplan niet is gewijzigd en de aanduiding niet is verdwenen, zal verweerder moeten nagaan of door de aanleg van het zonneveld onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de EVZ. De feitelijke en toekomstige ontwikkelingen doen er niet toe, zolang de aanduiding EVZ op de projectlocatie rust. De aanleg van het zonneveld betekent dat de EVZ (de komende 25 jaar) niet kan worden aangelegd.

Als er inmiddels plannen zijn om de EVZ ergens anders aan te leggen, dan kan verweerder dit slechts bij de beoordeling betrekken als de aanleg op de andere plek daadwerkelijk mogelijk is of mogelijk kan worden gemaakt. Daar is in dit geval niet van gebleken. Onder deze omstandigheden moet verweerder nog steeds onderbouw en of door de aanleg van het zonneveld onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de EVZ. Omdat dit niet is gedaan, is het bestreden besluit op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd.

Toetsing aan de IOV 4. In artikel 3.41 van de IOV wordt een aantal voorwaarden gesteld aan de aanleg van zonnevelden. Zo worden er eisen gesteld aan de locatiekeuze en er worden voorwaarden gesteld aan de aanleg en het gebruik van zonnevelden. Eisers hebben verschillende argumenten naar voren gebracht die hieronder worden besproken. 4.1 Eisers snappen niet dat is gekozen voor een solitair gelegen agrarisch perceel, dat ligt midden in een agrarisch productielandschap. De potentie van bijvoorbeeld windenergie wordt niet onderbouwd met afwegingen en een rekenmethodiek. Ook ontbreekt een door de provincie gevraagde berekening van geschikt dakoppervlak in Laarbeek. Ter zitting hebben zij nog gewezen op een voorstel van een agrariër om het dak van zijn veestallen te gebruiken voor zonnepanelen, maar aan dat initiatief heeft verweerder geen medewerking verleend. Er is geen aansluiting gevonden met ruimtelijke elementen in de omgeving. Eisers wijzen er op dat de provincie erg kritisch is geweest op dit onderdeel. Eisers voeren aan dat het zonneveld zonder problemen verschoven kan worden, meer naar de zuidrand van het perceel en verder weg van hun woning. 4.2 Verweerder stelt dat de locatie is gekozen met inachtneming van de zogenoemde zonneladder.

De potentie van zon op daken is in beeld gebracht in de Visie op grootschalige opwek van duurzame energie Laarbeek (Visie) en in de Regionale Energiestrategie (RES) van de Metropoolregio Eindhoven, en wordt geschat op tussen de 7 en 15% van het benodigde opgewekte vermogen. Verweerder heeft aangegeven dat de stallen van de door eisers genoemde agrariër liggen in een ander gebied (bij een ander verdeelstation). Het beoogde zonneveld ligt op een locatie dat een zoekgebied is voor windturbines, maar staat die ontwikkeling niet in de weg. Omdat de plannen voor windenergie nog onvoldoende concreet zijn. is besloten het vergunningstraject van het zonneveld niet te vertragen totdat

zaaknummer: SHE 21/2705

4

een definitief besluit is genomen over een windpark. Verweerder erkent dat de locatie solitair is gelegen, maar dat maakt de locatie op zichzelf niet ongeschikt. Zowel de RES als de Visie stellen dat ook zonnepanelen op landbouwgrond noodzakelijk zijn om de duurzame energiedoeistellingen te behalen. De voorkeur van verw eerder gaat uit naar plaatsing in zoekgebieden die geschikt zijn qua landschapstype, die bijvoorbeeld dunbevolkt zijn, en waar andere grootschalige ontwikkelingen gesitueerd zijn of beoogd worden. Volgens verweerder ligt het voor de hand het zonneveld in een hoek te plaatsen omdat het zuidelijke deel agrarisch gebruikt zal worden. Ook de ontsluiting van het perceel is aan de zuidelijke zijde en dan is het logischer om het zonneveld aan de noordzijde te situeren. Met de inpassing wordt beter aangesloten bij het bestaande landschap. 4.3 In artikel 3.41, eerste lid.

onder a, van de IOV is bepaald dat in Landelijk gebied nieuw vestiging mogelijk is van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van w indenergie onvoldoende is en de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit. Met deze bepaling is de provinciale zonneladder geborgd. 4.4 In de Visie geeft verweerder aan open te staan voor het ontwikkelen van maximaal vijf zonnevelden met een maximale omvang van 12 hectare (grootschalig) of 6 hectare (kleinschalig). In de Visie worden vier voorwaarden genoemd (afkomstig uit artikel 3.41 van de IOV). 4.5 De Energieregio‘MRE is een regionaal samenwerkingsverband binnen de metropool Eindhoven. De meewerkende gemeenten onderzoeken per thema de mogelijkheden om de energietransitie uit te voeren. De besluiten daarover worden lokaal genomen. Doelstelling in de RES is dat 2 TWh (terawattuur) kan worden opgewekt door middel van duurzame energieopwekking. Hiervoor is een aanbod bedacht waarbij 0,57 TWh door wind- of zonnevelden op land wordt opgewekt.

Ten behoeve van de RES is een planmilieueffectrapportage opgesteld. De belemmeringen voor zonnevelden zijn op een rij gezet en vervolgens zijn zoekgebieden in kaart gebracht. Het projectgebied valt in een van de zoekgebieden uit de RES. In de RES keert de zonneladder ook terug. In paragraaf 4.3 van de RES heeft de zonneladder - voor zover hier relevant - vijf treden: 1. Zon op dak 2. Op braakliggende grond en pauzelandschappen 3. Langs grootschalige infrastructuur en op industriële plassen (geen natuur) 4. Combinatie van energie met andere opgaven en functies 5. Op landbouwgronden, mits: • Goed ingepast • In verbinding met andere gebiedsopgaven 4.6 Verweerder kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan zolang dit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening (gelet op artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo). De rechtbank onderzoekt of verweerder bij het gebruik van deze bevoegdheid alle ruimtelijke relevante aspecten in kaart heeft gebracht en die heeft meegewogen. Verweerder kan afwijken van het bestemmingsplan maar is hiertoe niet verplicht. Verweerder zal bij deze keuze alle belangen moeten meewegen en moeten

zaaknummer: SHE 21/2705

kijken of bij de verlening van de omgevingsvergunning de belangen van derden zoals eiseres niet onevenredig worden geschaad. Hierbij kan verweerder onder meer nagaan of door alternatieven of door aanvullende maatregelen of voorschriften een voldoende evenwicht wordt bereikt. In de RES vindt géén planologische afweging plaats over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van locaties op gemeentelijk niveau. Met andere woorden, de enkele verwijzing naar de RES wil niet zeggen dat het project ruimtelijk aanvaardbaar is. De ruimtelijke aanvaardbaarheid zal moeten worden onderbouwd in een meeromvattende ruimtelijke onderbouwing. Hierin moet onder meer worden onderbouwd dat het project voldoet aan het ruimtelijke beleid en regelgeving of moet worden onderbouwd waarom hiervan wordt afgeweken. Naast de ruimtelijke aanvaardbaarheid zal verweerder ook een belangenafweging moeten maken als hij er voor kiest om af te wijken van het bestemmingsplan. Verweerder zal hierbij onder meer moeten bezien of het projectgebied de juiste plek is voor een zonneveld. Hierbij kan de PvES wel een rol spelen. 4.7 Op basis van artikel 3.41. eerste lid, van de IOV moet voor nieuwvestiging van een zonneveld uit onderzoek blijken dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is.

De rechtbank leest in de RES noch in de daartoe opgestelde milieueffectrapportage hoe binnen de gemeente Laarbeek de beschikbare dakoppervlakte is berekend. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft verweerder niet te onderbouwen dat er op korte termijn wel of geen voldoende besch ikbare dakoppervlakte in heel de provincie Noord-Brabant is om via zon op dakprojecten de doelstellingen voor verduurzaming te behalen. In de Visie wordt aangegeven dat er te weinig daken zijn om de lokale opgave voor de gemeente Laarbeek te halen. De rechtbank ziet geen reden om hier niet van uit te gaan. Dat ter zitting een naburige agrariër heeft aangegeven dat zijn stallen kunnen worden bedekt met zonnepanelen maakt dit niet anders. Daargelaten dat dit pas ter zitting naar voren is gebracht, heeft eiser niet weersproken dat de opgewekte elektriciteit op het dak van de agrariër niet worden afgevoerd via hetzelfde afneempunt als het aangevraagde zonneveld. De beschikbare afvoercapaciteit bij de naburige agrariër was, naar de rechtbank ter zitting begreep, namelijk te beperkt. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat er geen geschikte hergebruiklocaties beschikbaar zijn (de tweede trede van de zonneladder). De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat verweerder hier niet van uit heeft kunnen gaan.

De rechtbank concludeert dat verweerder voldoende heeft onderzocht dat de beschikbare capaciteit op bouwpercelen (daken en hergebruiklocaties) onvoldoende is en dat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 3.41. eerste lid onder a, van de IOV. 4.8 Dat brengt de rechtbank vervolgens bij de vraag waarom wordt gekozen voor een solitair agrarisch perceel dat wordt gebruikt voor voedselproductie midden in een landbouwontwikkelingsgebied (LOG) dat is aangewezen als zoekgebied voor windturbines. Verweerder moet namelijk ook onderhouwen dat wordt voldaan aan artikel 3.41, eerste lid onder b, van de IOV waarin is bepaald dat binnen Landelijk Gebied nieuwvestiging mogelijk is als die nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit. Verweerder zal in de belangenafweging moeten onderbouwen dat de keuze voor dit perceel niet onevenredig uitpakt. In het bestreden besluit wordt deze vraag niet goed beantwoord. Uit haar ziensw ijze blijkt dat ook de provincie deze keuze niet goed snapt. De omstandigheid dat er niet voldoende daken beschikbaar zijn en/of geschikte hergebruiklocaties maakt nog niet dat op elke plaats in'het landelijk gebied zonnevelden

zaaknummer: SHE 21/2705

6

kunnen worden gelegd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat zowel uit de IOV als uit de RES naar voren komt dat het situeren van zonnevelden op landbouwgronden de minst gewenste keuze is. In de hierboven genoemde zonneladder in de RES wordt ernaar gestreefd om zonnevelden te combineren met andere opgaven en functies, en wordt daarna pas de keuze gemaakt voor situering op landbouwgronden. Gelet hierop acht de rechtbank niet op voorhand inzichtelijk waarom verweerder in dit geval een aanvraag voor situering op landbouwgronden zonder combinatie met een andere opgave en functie inwilligt. Verweerder kon niet volstaan met een verwijzing naar de RES en de Visie nu hierin juist dit type gebied de minst aantrekkelijke (laatste) optie is. Andere belangen, zoals het belang van het gebruik van agrarische percelen waarvoor ze zijn bedoeld, zijn niet inzichtelijk meegewogen. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. 4.9 De rechtbank overweegt tot slot dat verweerder de keuze voor de locatie van het zonneveld weliswaar niet goed heeft onderbouwd, maar - uitgaande van die locatiekeuze wel goed heeft beargumenteerd waarom het zonneveld op het noordelijke deel van het perceel is gesitueerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=ed3357a8-0512-414e-bbd1-5cb64732e3f2