7 20230926 Bestemmingsplan De Wolfsputten 7 Toelichting
Tekst van het document
De kampontginningen aan de zuidzijde bij de Wolfsputten-Bakelseweg zijn ouder. Ze worden gekenmerkt door blokvormige open akkers. Ze zijn Pagina 32 van 60
veelal herkenbaar als restanten van relatief grote, open ruimte met een gebogen belijning en een bol reliëf. In de 19e en 20e eeuw hebben er veel grote ruimtelijke veranderingen plaatsgevonden in het gebied: de Zuid-Willemsvaart en de nieuwe kanaalomleiding zijn aangelegd, evenals de N279. Dit heeft ervoor gezorgd dat het gebied als een denkbeeldig eiland werd afgescheiden van het omringende land. Er is weinig van de oorspronkelijke inrichting te herkennen. Hierdoor is een ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bebouwing voorstelbaar. 3.4.2 Bestemmingsplan Buitengebied, 2010 Het vigerend bestemmingsplan voor de planlocatie betreft het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zoals vastgesteld op 6 juli 2010. In het bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het gebruik van bedrijfsgebouwen voor de huisvesting van medewerkers. Tevens is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor statische opslag. Het plan voldoet niet volledig aan de de gestelde voorwaarden, waardoor een herziening noodzakelijk. Desondanks geven de bepalingen wel een beeld van het huidige gemeentelijke beleid. Navolgend zijn de afwijkings- en wijzigingsvoorwaarden opgesomd en is tevens getoetst of het planvoornemen aan deze voorwaarden voldoet.
3.4.3 Gebruik bestaande bedrijfsgebouwen voor seizoensarbeiders Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 4.4.2 onder a en kunnen toestaan dat als ondergeschikte activiteit bij de agrarische bedrijfsfunctie bestaande bedrijfsgebouwen voor de huisvesting van seizoensarbeiders worden gebruikt, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 400 m². Hier wordt aan voldaan. De beoogde bovenverdieping van de ruimte bedraagt ca. 350 m². b. Gebruik van de bedrijfsbebouwing voor de huisvesting van seizoensarbeiders is toegestaan gedurende maximaal 9 maanden per kalenderjaar. Hier wordt niet aan voldaan. Er is het jaarrond behoefte aan medewerkers en derhalve een goede huisvesting hiervan. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk. c. De bedrijfsbebouwing dient te worden gebruikt voor de huisvesting van personen, wier huisvesting daar ter plaatse gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is vanwege een tijdelijk grote arbeidsbehoefte. Hier wordt aan voldaan. De arbeidsbehoefte is noodzakelijk voor het pelzen van de huiden afkomstig uit de pelsdierhouderijen die initiatiefnemer heeft in het buitenland. d. Er mogen geen zelfstandige woningen ontstaan. Hier wordt aan voldaan. Zelfstandige bewoning wordt uitgesloten in de planregels. e.
De bewoning mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. Hier wordt aan voldaan zoals aangetoond in hoofdstuk 4. f. De bewoning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. Hier wordt aan voldaan zoals aangetoond in hoofdstuk 4. 3.4.4 Wijziging ten behoeve van statische (binnen)opslag Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van statische binnenopslag, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik is niet langer mogelijk. Hier wordt aan voldaan. b. De opslag dient zich te beperken tot statische binnenopslag in bestaande gebouwen. Hier wordt grotendeels aan voldaan, behoudens de opslagunits aan de voorzijde van het gebouw. Pagina 33 van 60
c.
d.
e.
f.
g. h.
De oppervlakte aan bedrijvigheid per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 1.000 m², waarbij cultuurhistorische waardevolle gebouwen gehandhaafd dienen te blijven en opslag in kassen niet is toegestaan. Zie verder onder lid d. In afwijking van het bepaalde onder c geldt dat ter plaatse van de aanduiding ‘overig bebouwingsconcentratie’ de oppervlakte aan opslag mag worden vermeerderd met 15% van de oppervlakte aan te slopen overtollige bebouwing tot een maximum van 2.000 m². Hier wordt niet aan voldaan. In plaats van het toepassen van deze sloop-bonus regeling wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling van Laarbeek waarmee eveneens sprake is van voldoende landschapsinvestering. Statische binnenopslag ten behoeve van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf is niet toegestaan. Hier wordt niet aan voldaan. Er is het jaarrond behoefte aan medewerkers en derhalve een goede huisvesting hiervan. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk. De statische binnenopslag mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. Hier wordt aan voldaan zoals beoordeeld in paragraaf 2.4 Detailhandel is niet toegestaan. Hier wordt aan voldaan. Van detailhandel is geen sprake.
Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bebouwing op basis van een erfbeplantingsplan. Hier wordt aan voldaan zoals aangetoond in paragraaf 2.3 en het landschappelijk aanpassingsplan in de bijlage.
Pagina 34 van 60
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Laarbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •
bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of projectbesluit. Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is het bepalen van de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor de voorgenomen plannen en het bepalen of de voorgenomen plannen financieel haalbaar zijn.
Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Beoordeling In de beoogde situatie kunnen de volgende functies worden onderscheiden: Pagina 35 van 60
- Caravanstalling De caravanstalling wordt niet gebruikt voor het verblijf van personen. Personen (bezoekers en medewerkers) zullen maar kort in deze ruimtes verblijven evenals in de huidige situatie als zijnde nertsenstal. De “bodemgevoeligheid” verandert hierdoor niet. - Opslagunits De opslagunits worden niet gebruikt voor het verblijf van personen. Personen (bezoekers en medewerkers) zullen maar kort in deze ruimtes verblijven evenals in de huidige situatie als zijnde nertsenstal. De “bodemgevoeligheid” verandert hierdoor niet. - Pels- en verwerkingsruimte en huisvesting medewerkers De pels- en verwerkingsruimte is een voortzetting van een reeds bestaande situatie. De ruimte is reeds geschikt en vergund als zijnde een bedrijfsruimte waar medewerkers langere tijd verblijven voor het verwerken van de pelzen. De huisvesting van de medewerkers zal plaatsvinden in hetzelfde gebouw op de eerste verdieping. De huisvesting van de medewerkers vindt derhalve niet plaats op mogelijk verontreinigde grond. Gezien het momenteel een agrarische bestemming betreft mag er van worden uitgegaan dat de bodemkwaliteit de achtergrondwaarde betreft.
De geschiedenis van het perceel is daarbij voor de beoogde activiteit niet zodanig relevant gezien de bedrijfsvoering wordt voortgezet (met bijvoorbeeld een opslagtank voor diesel, schoonmaakmiddelen, ongedierte-bestrijdingsmiddelen etc.) en als hoofdfunctie blijft bestaan. De huisvesting van medewerkers zal derhalve altijd plaatsvinden binnen een ‘actief’ bedrijf waar “bodembedreigende” activiteiten plaatsvinden. Vrijstelling van de bodemonderzoeksplicht is derhalve voorstelbaar. Bedrijfswoning Voor de bedrijfswoning en tuin blijft de situatie gelijk. In en rondom de bedrijfswoning zijn de gronden nimmer voor andere doeleinden gebruikt, waardoor bodemverontreiniging niet voorstelbaar is. Tevens verandert de situatie (bodemgevoeligheid) niet in de beoogde situatie. Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit zorgt niet voor belemmeringen aangaande de haalbaarheid van het planvoornemen. 4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden.
De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.3.1 Waterrelevant beleid Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier Pagina 36 van 60
wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP).
Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. 4.3.2 Bestaande waterhuishoudkundige situatie In de bestaande situatie wordt het afgevoerd naar de bestaande retentiepoel/wadi welke is gelegen in de beoogde natuurbestemming. De bestaande bedrijfswoning is aangesloten op het drukriool met een eigen rioolgemaal.
4.3.3 Beoogde waterhuishoudkundige situatie In de beoogde situatie vindt geen toename van verharding of herontwikkeling van bebouwing plaats. Het hemelwater wordt derhalve onveranderd afgevoerd naar de bestaande retentiepoel/wadi welke is gelegen in de beoogde natuurbestemming. De bestaande bedrijfswoning blijft aangesloten op het drukriool met een eigen rioolgemaal. Tevens wordt de huisvesting van de medewerkers (arbeidsmigranten) aangesloten op het rioolgemaal. Naar inschatting heeft het gemaal voldoende capaciteit om de lozingsbehoefte te verwerken. Mocht dit niet het geval zijn dient initiatiefnemer een groter gemaal of buffer te plaatsen. Conclusie Omdat er in de beoogde situatie geen sprake is van een toename van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen niet noodzakelijk. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Pagina 37 van 60
4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beoordeling De beoogde ontwikkelingen vinden plaats binnen de bestaande bebouwing en bestemmingsvlak. De gronden binnen het plangebied zijn reeds in gebruik ten behoeve van een intensieve veehouderij. De beoogde ontwikkeling brengt geen wijzigingen aan cultuurhistorische waarden in de omgeving. Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. Conclusie Het planvoornemen heeft geen invloed op cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg.
4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” is aan het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ toegekend. Hierdoor gelden ten aanzien van bodemingrepen onder 100 m² geen restricties. De beoogde ontwikkelingen vinden plaats binnen de bestaande bebouwing en bestemmingsvlak. Er worden geen bodemingrepen groter dan 100 m² voorzien. De ontwikkeling heeft in beginsel derhalve geen mogelijke gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden.
Pagina 38 van 60
Conclusie Het plan beoogd geen bodemingrepen voor de bouw van nieuwe bedrijfsbebouwing. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. 4.5.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.
Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen stikstofgevoelige deel van een Natura2000-gebied betreft Strabrechtse Heide & Beuven op circa 10 kilometer. Daarbij is in de bestaande situatie sprake van een nertsenhouderij waarvoor een milieutoestemming is verleend. Deze milieutoestemming wordt door de ruimtelijke procedure ingetrokken. De emissie van stikstof daalt hierbij aanzienlijk door het planvoornemen.
Pagina 39 van 60
Afbeelding 14 Afstand tot Natura2000-gebied, 10 km
4.5.2 Wet stikstofreductie en natuurverbetering Voor het plan is geen sprake van een bouw- en aanlegfase, er wordt gebruik gemaakt van de bestaande gebouwen. Ten aanzien van de gebruiksfase kan met zekerheid gesteld worden dat de te saneren nertsenhouderij met dagelijks meerdere zware tractoren en vrachtwagens een grotere stikstofdepositie met zich meebracht dan de beoogde, met name, lichte verkeersbewegingen. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat geen sprake is van een stikstofemissie > 0,00 mol/jr op de omliggende gebieden, zoals aangetoond in de AERIUS-berekening in de bijlage. Zelfs wanneer bovenop de beoogde gebruiksfase een puntbron wordt toegevoegd met 340 kg NOx/jr levert de AERIUSberekening geen depositie op boven 0,00 mol/ha/jr. Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur.
De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Pagina 40 van 60
De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.
Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd.
Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit. Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het planinitiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. In het planvoornemen wordt enkel gebruik gemaakt van bestaande bebouwing, zijnde de voormalige sheds (kassen). De kassen zijn momenteel al volledig leeggemaakt gezien de nertsen al enige tijd zijn geruimd. De bebouwing is daarbij enkel van lichte constructie met een gladde betonvloer. Op onderstaande afbeelding is de huidige situatie weergeven. Pagina 41 van 60
Afbeelding 15 Bestaande situatie bebouwing
Doordat enkel sprake is van een lichte (tuinbouwkas) constructie, zijn geen holtes of gaten aanwezig. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf. De gronden op het erf zijn regelmatig in beroering, waarmee het niet aannemelijk is dat zich ter plaatse beschermde soorten planten hebben ontwikkeld. Tevens vindt de voorgenomen ontwikkeling voornamelijk plaats in reeds aanwezige bebouwing. Hiermee is geen sprake van een verlies van het areaal van mogelijke leefgebieden van beschermde soorten. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van bestaande bedrijfsbebouwing. De bebouwing is echter ongediertevrij en wordt ongediertevrij gehouden vanwege hygiëne eisen.
De bebouwing werd voor het houden van nertsen wekelijks geheel schoongespoten en gereinigd, waarmee het niet aannemelijk is dat zich hierin beschermde soorten hebben kunnen vestigen. Het plan ziet daarbij toe op de ontwikkeling van circa 1 hectare nieuwe natuur. Hierin ontstaan kansen voor mogelijk beschermde soorten om zich te ontwikkelen. Hiermee biedt de voorgenomen ontwikkeling eerder kansen voor mogelijke beschermde soorten flora en fauna dan bedreigingen. Conclusie Gezien het voorgaande worden met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende beschermde soorten flora en fauna geschaad. Pagina 42 van 60
4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De locatie is gelegen aan een weg in het buitengebied van Aarle-Rixtel waar enkel bestemmingsverkeer passeert.
Zoals uit onderstaande afbeelding blijkt is sprake van een geluidsbelasting tussen 46 tot 50 dB op de planlocatie op zowel de bestaande bedrijfswoning alsmede de huisvesting van de medewerkers. In de regels van voorliggend bestemmingsplan wordt aangesloten bij de bestaande regels in het buitengebied voor het bouwen van een bedrijfsgebouwen. Zo bepalen de regels dat de minimale afstand tot de as van de weg minimaal 15 meter bedraagt. De beoogde bedrijfsbebouwing met daarin huisvesting van medewerkers is op grotere afstand van de weg gesitueerd, namelijk circa 19 meter. Op basis van de huidige situatie is conform de Atlas van de leefomgeving, zie onderstaande afbeelding, sprake van een aanvaardbaar (< 50 dB) woon- en leefklimaat aangaande geluid afkomstig van het wegverkeer ter plaatse van de bestaande woning en beoogde huisvesting voor medewerkers.
Afbeelding 16 Bestaand geluid afkomstig van wegverkeer, planlocatie < 50dB
Pagina 43 van 60
Gezien de verkeersintensiteit aan De Wolfsputten minimaal is en meer dan 15 meter afstand wordt gehouden tot de as van de weg worden de waarden vanuit de Wet geluidhinder voldoende in acht genomen. Daarbij is sprake van een meer dan ‘goed’ woon- en leefklimaat in de beoogde situatie ten aanzien van wegverkeerslawaai. In de nabije toekomst zijn hierin geen veranderingen te verwachten. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
4.9.1 Beoordeling Het plan ziet toe op het omzetten van agrarisch bedrijf naar een bedrijf voor opslag alsmede de huisvesting van medewerkers en een bedrijfswoning. Het plan is daarmee zowel milieubelastend alsmede milieugevoelig. 4.9.2 Milieubelastend Een opslagbedrijf heeft op basis van de VNG-handreiking een adviesafstand enkel ten aanzien van het milieuaspect ‘geluid’. De adviesafstand bedraagt 30 meter. Deze afstand wordt geadviseerd in een omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De pels- en verwerkingsruimte dient op basis van de VNG-handreiking gezien te worden als dienstverlening t.b.v. landbouw < 500 m², zijnde een milieucategorie 2 activiteit met een (worst-case) adviesafstand van 30 meter ten aanzien van geluid. De afstand van de grens van het plangebied tot de gevel van de dichtstgelegen woning (De Wolfsputten 6) bedraagt circa 90 meter, zie onderstaande afbeelding. Hierdoor wordt ruimschoots voldaan aan de adviesafstand en mag worden aangenomen dat geen onevenredige hinder is te verwachten ter plaatse van de omliggende woningen.
Pagina 44 van 60
Bakelseweg 18
150 m.
90 m. De Wolfsputten 6
Afbeelding 17 Afstand tot woning De Wolfsputten 6 bedraagt 90 meter
4.9.3 Milieugevoelig Binnen 300 meter van de planlocatie zijn geen niet-agrarische bedrijven gelegen. Wel twee agrarische bedrijven, te weten De Wolfsputten nr. 6 en nr. 8. Op beide locaties is geen sprake van een veehouderijbedrijf. Een akkerbouwbedrijf dient op basis van de VNG-handreiking gezien te worden als een milieucategorie 2 activiteit met een (worst-case) adviesafstand van 30 meter ten aanzien van geluid. Zoals op onderstaande afbeelding weergeven bedraagt de afstand van De Wolfsputten 6 tot de verblijfsruimte van de medewerkers circa 70 meter. De afstand van De Wolfsputten 8 tot de planlocatie bedraagt circa 170 meter. Aan de adviesafstand van 30 meter wordt derhalve ruimschoots voldaan. Het is derhalve niet aannemelijk dat binnen het plangebied sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens worden omliggende bedrijven niet gehinderd in hun bedrijfsvoering.
Pagina 45 van 60
De Wolfsputten 8
170 m.
70 m. De Wolfsputten 6
Afbeelding 18 Afstanden van omliggende bedrijven tot huisvesting arbeidsmigranten
Conclusie Bij realisatie van het beoogde plan blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Het plan heeft geen hinder tot gevolg voor omliggende bedrijven én er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning).
Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten.
Pagina 46 van 60
Beoordeling Het plan ziet niet toe op realisatie of uitbreiding van een veehouderijbedrijf. Wel wordt een bedrijfswoning omgezet van een woning die behoort tot een veehouderij naar een woning die na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij. Tevens is met de huisvesting van de medewerkers sprake van een geurgevoelig object. De stallingsactiviteiten worden niet gezien als zijnde een geurgevoelig object. Het meest dominante veehouderijbedrijf in de omgeving van de planlocatie is de veehouderij op Scheepstal 10 in Helmond met een geuremissie van 66.952 ouE/s zoals weergeven op onderstaande afbeelding. Scheepstal 10 is op circa 400 meter gelegen van de verblijfsruimte voor medewerkers.
planlocatie
Scheepstal 10
Afbeelding 19 Omliggende veehouderijen
Ten aanzien van deze veehouderij is een geurberekening gemaakt om de voorgrond-geurbelasting te bepalen op de huisvesting van de medewerkers (dichter bij Scheepstal 10 gelegen dan de bedrijfswoning). Hierbij is uitgegaan van standaard parameters en één emissiepunt op de rand van het bouwvlak bij Scheepstal 10, zoals hieronder weergeven.
Pagina 47 van 60
Gegenereerd op: 22-12-2021 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.
Naam van de berekening: Scheepstal 10 // De Wolfsputten 7 Gemaakt op: 22-12-2021 9:38:00 Naam van het bedrijf: Scheepstal 10 Berekende ruwheid: 0,31 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Scheepstal 10 bwblk
175 707
390 606
5,0
5,0
0,50
4,00
66 952
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 2
GGLID De Wolfsputten 7
Xcoordinaat 175 381
Ycoordinaat 390 852
Geurnorm 14,0
Geurbelasting 6,1
Afbeelding 20 uitkomsten geurberekening
Uit de berekening blijkt een voorgrond-geurbelasting van 6,1 ouE op de verblijfsruimte van de medewerkers. Derhalve is sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat op basis van de Handreiking Wgv en derhalve een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op basis van de ODZOB-geurkaart (peildatum februari 2021) blijkt een ‘goed’ woon- en leefklimaat van toepassing te zijn.
Pagina 48 van 60
Afbeelding 21 uitsnede geurkaart ODZOB
Gezien andere woningen dichter zijn gelegen tot de veehouderij op Scheepstal 10 wordt de veehouderij hierdoor eerder beperkt dan de planontwikkeling. Door het planvoornemen worden omliggende veehouderijbedrijven derhalve niet verder in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Conclusie Het aspect ‘geur’ staat het planvoornemen niet in weg. 4.11 Gezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. Voor de bewoners van de nieuwe woning die gerealiseerd zal worden in de beoogde situatie moet een aanvaardbaar leefklimaat zijn in het kader van de volksgezondheid. In de omgeving van onderhavige locatie zijn verschillende veehouderij gevestigd, die effect kunnen hebben op de volksgezondheid van de bewoners van de nieuwe woning. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken.
Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de
Pagina 49 van 60
algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. Bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij gelegen is, wordt geadviseerd gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Beoordeling De bedrijfswoning wordt niet gezien als zijnde een ‘nieuw’ gevoelig object. Binnen 250 meter van de huisvesting van de werknemers zijn geen veehouderijen gelegen. Conclusie Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving.
4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Beoordeling Het web BVB (Brabantse Veehouderij Bestand) kent voor Laarbeek 2 bedrijven waar geiten gehouden worden. Een bedrijf in Aarle-Rixtel, waar 60 geiten vergund zijn en een bedrijf aan het Hof 2 te Lieshout waar 10 geiten vergund zijn. Beide bedrijven zijn van kleine omvang en op voldoende afstand gelegen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. Gezien tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderij meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd.
En voor overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat, kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Pagina 50 van 60
Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling Er zijn in en direct nabij het plangebied geen stationaire of mobiele risicobronnen aanwezig die effecten hebben op de externe veiligheidssituatie. Het plan zelf maakt de vestiging van risicovolle bedrijven – of overige bedrijven waarvoor veiligheidsafstanden gelden – niet mogelijk. Vanuit de externe veiligheid is geen sprake van beperkingen voor de realisatie van dit plan. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden. 4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit.
Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; Pagina 51 van 60
•
een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.
Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Als gevolg van het plan zijn in een worst-case situatie indicatief ca. 42 extra vervoersbewegingen van lichte voertuigen te verwachten. Hiervan zijn naar schatting 2 vervoersbewegingen per dag (3%) van vrachtwagens voor het laden/lossen van goederen die moeten worden opgeslagen. Dit is doorgerekend middels de NIBM—tool, zie onderstaand. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg.
Pagina 52 van 60
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
42
Aandeel vrachtverkeer
3,0%
NO2 in μg/m
3
0,04
PM10 in μg/m
3
0,01
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Conform onderstaande pm10 kaart (2019) (bron: Atlas leefomgeving) is ter plaatse van de planlocatie sprake van 18 µg/m3. Hieruit blijkt dat het jaargemiddelde van 40 µg/m3 pm10 niet wordt overschreden. Eveneens wordt het jaargemiddelde van PM2,5 niet overschreden (11 µg/m3). Gezien het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt wordt geen verslechtering van het woonen leefklimaat aangaande luchtkwaliteit verwacht.
Afbeelding 22 PM10, 2019
Pagina 53 van 60
Afbeelding 23 PM2,5, 2019
4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied, waar de nieuwe natuur wordt gerealiseerd, is een waterleiding aanwezig. Met de aanplant van de natuur wordt hiermee rekening gehouden. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: Pagina 54 van 60
1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd.
Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In de lijsten behorende bij de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage is geen drempelwaarde opgenomen voor het stallen van kampeervoertuigen en/of statische opslag. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een nertsenhouderij naar een bedrijf voor het stallen van caravans, campers en overige kampeervoertuigen, opslagunits en dienstverlening ten behoeve van de landbouw. Daarnaast wordt ter plaatse voorzien in de realisatie van nieuwe natuur. De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Er is geen sprake van m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante Pagina 55 van 60
planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming. Uit onderhavige beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Een nadere m.e.r.-beoordeling wordt niet noodzakelijk geacht.
Pagina 56 van 60
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd.
Pagina 57 van 60
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en Gemeente Laarbeek draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Laarbeek en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van eventuele planschade. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Laarbeek en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Pagina 58 van 60
7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het ontwerp wijzigingsplan dient te worden voorgelegd aan het waterschap en de provincie NoordBrabant. P.M. 7.2 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavig hoofdstuk.
Pagina 59 van 60
BIJLAGEN Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan- en natuurontwikkelplan Bijlage 2 Rapportage natuurbeheerplan Bijlage 3 Aerius berekening Bijlage 4 Aerius berekening worst-case Bijlage 5 Berekening kwaliteitsverbetering Bijlage 6 Marktonderzoek