7 20230926 Bestemmingsplan De Wolfsputten 7 Toelichting
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Gemeente Laarbeek De Wolfsputten 7, Aarle-Rixtel
DOCUMENTNUMMER: LAAAAR07 DATUM: 3 januari 2023
Pagina 1 van 60
Bestemmingsplan Gemeente Laarbeek De Wolfsputten 7, Aarle-Rixtel Inhoud 1. Toelichting 2. Regels 3. Verbeelding
status: ontwerp
auteur:
Van Doormaal Advies B.V. Meiraap 2B 5087 CS Diessen T: 06-22357862 E: info@vandoormaaladvies.nl
Pagina 2 van 60
Toelichting
Pagina 3 van 60
Inhoud 1 INLEIDING
7
1.1 AANLEIDING EN DOEL 1.2 LIGGING EN BEGRENZING PLANGEBIED 1.3 LEESWIJZER
7 8 8
2 PLANBESCHRIJVING
9
2.1 FUNCTIONELE BESCHRIJVING OMGEVING PLANGEBIED 2.2 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE 2.3 BESCHRIJVING BEOOGDE SITUATIE 2.3.1 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING EN NATUUR 2.3.2 NATUURONTWIKKELING 2.4 PARKEREN EN VERKEER
9 10 12 12 13 15
3 BELEIDSKADER
18
3.1 INLEIDING 3.2 RIJKSBELEID 3.2.1 STRUCTUURVISIE INFRASTRUCTUUR EN RUIMTE (SVIR) 3.2.2 BESLUIT EN MINISTERIËLE REGELING ALGEMENE REGELS RUIMTELIJKE ORDENING (BARRO, RARRO) 3.2.3 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING (ART. 3.1.6 LID 2 BRO) 3.3 PROVINCIAAL BELEID 3.3.1 OMGEVINGSVISIE NOORD-BRABANT 3.3.2 INTERIM OMGEVINGSVERORDENING NOORD-BRABANT 3.3.3 ZORGPLICHT VOOR EEN GOEDE OMGEVINGSKWALITEIT (ARTIKEL 3.5) 3.3.4 ZORGVULDIG RUIMTEGEBRUIK (ARTIKEL 3.6) 3.3.5 TOEPASSING VAN DE LAGENBENADERING (ARTIKEL 3.7) 3.3.6 MEERWAARDECREATIE (ARTIKEL 3.8) 3.3.7 KWALITEITSVERBETERING LANDSCHAP (ARTIKEL 3.9) 3.3.8 VESTIGING NIET-AGRARISCHE FUNCTIE IN LANDELIJK GEBIED (ARTIKEL 3.73) 3.4 GEMEENTELIJK BELEID 3.4.1 OMGEVINGSVISIE BUITENGEBIED LAARBEEK 3.4.2 BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED, 2010 3.4.3 GEBRUIK BESTAANDE BEDRIJFSGEBOUWEN VOOR SEIZOENSARBEIDERS 3.4.4 WIJZIGING TEN BEHOEVE VAN STATISCHE (BINNEN)OPSLAG
18 18 18 19 19 20 20 21 23 23 23 23 23 24 32 32 33 33 33
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN
35
4.1 INLEIDING 4.2 BODEM
35 35 Pagina 4 van 60
4.3 WATERHUISHOUDING 4.3.1 WATERRELEVANT BELEID 4.3.2 BESTAANDE WATERHUISHOUDKUNDIGE SITUATIE 4.3.3 BEOOGDE WATERHUISHOUDKUNDIGE SITUATIE 4.4 CULTUURHISTORIE 4.5 ARCHEOLOGIE 4.6 NATUUR 4.5.1 RELEVANTE EMISSIES 4.5.2 WET STIKSTOFREDUCTIE EN NATUURVERBETERING 4.7 FLORA EN FAUNA 4.8 WEGVERKEERSLAWAAI 4.9 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING 4.9.1 BEOORDELING 4.9.2 MILIEUBELASTEND 4.9.3 MILIEUGEVOELIG 4.10 GEURHINDER EN VEEHOUDERIJEN 4.11 GEZONDHEID (ENDOTOXINEN EN GEITENHOUDERIJEN) 4.11.1 ENDOTOXINEN (VARKENS- EN PLUIMVEEHOUDERIJEN) 4.11.2 GEITENHOUDERIJEN 4.12 EXTERNE VEILIGHEID 4.13 LUCHTKWALITEIT 4.14 KABELS EN LEIDINGEN 4.15 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING
36 36 37 37 38 38 39 39 40 40 43 44 44 44 45 46 49 49 50 50 51 54 54
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING
57
5.1 INLEIDING 5.2 OPBOUW BESTEMMINGSPLAN
57 57
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
58
6.1 INLEIDING 6.2 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
58 58
7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
59
7.1 VOOROVERLEG 7.2 ZIENSWIJZEN
59 59
BIJLAGEN
60
BIJLAGE 1 LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN- EN NATUURONTWIKKELPLAN BIJLAGE 2 RAPPORTAGE NATUURBEHEERPLAN BIJLAGE 3 AERIUS BEREKENING
60 60 60 Pagina 5 van 60
BIJLAGE 4 AERIUS BEREKENING WORST-CASE BIJLAGE 5 BEREKENING KWALITEITSVERBETERING BIJLAGE 6 MARKTONDERZOEK
60 60 60
Pagina 6 van 60
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft op locatie De Wolfsputten 7 te Aarle-Rixtel een nertsenhouderij en een verwerkingsruimte voor het pelzen van de nertsen. Vanaf 2024 is het fokken van nertsen in Nederland verboden, initiatiefnemer heeft derhalve gezocht naar een alternatieve invulling van de locatie en inkomen. Het omschakelen van de bedrijfslocatie van nertsenhouderij naar een bedrijf voor statische opslag biedt de meeste kansen. De bestaande bedrijfsbebouwing (serrestal) bestaat uit een hoge en lichte constructie waardoor caravans makkelijk gestald worden. Het college van de gemeente Laarbeek heeft 7 september 2021 in principe medewerking verleend aan aan: Het wijzigen van de bestemming agrarisch bedrijf naar een niet agrarische bedrijfsbestemming ten dienste van statische opslag, het verwerken van pelzen, het huisvesten van maximaal 8 werknemers en het realiseren van 1 hectare nieuwe natuur onder voorbehoud van een goedgekeurd landschappelijke inpassingsplan. Onderhavig bestemmingsplan heeft tot doel het wijzigen van de bestemming van agrarisch naar bedrijf voor de beoogde niet-agrarische bedrijfsactiviteiten.
Pagina 7 van 60
1.2 Ligging en begrenzing plangebied De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Aarle-Rixtel in de gemeente Laarbeek. Ruimtelijk gezien is de planlocatie dichter gelegen bij Helmond dan bij Aarle-Rixtel. Het dichtstbijzijnde deel van de bebouwde kom van Aarle-Rixtel is gelegen op ca. 2 kilometer. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Aarle-Rixtel, sectie G, nummer: 753, 754 en 701. De locatie is gelegen aan De Wolfsputten en wordt door deze weg aan de westzijde begrensd. In onderstaande afbeelding is de ligging van de planlocatie weergeven.
Afbeelding 1 locatie planlocatie
1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 van deze toelichting ingegaan op de huidige en beoogde situatie in het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat een toetsing aan de geldende beleidskaders, waarbij wordt getoetst aan zowel nationaal, provinciaal als gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 bevat een verantwoording over de wijze waarop rekening is gehouden met de milieuplanologische uitvoeringsaspecten alsmede met de in het plangebied en omgeving voorkomende waarden. Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van de juridische planopzet. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Pagina 8 van 60
2 PLANBESCHRIJVING 2.1 Functionele beschrijving omgeving plangebied De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door met name agrarische functies en natuurfuncties. Op verdere afstand is een burgerwoning gelegen en is een niet-agrarisch bedrijf gelegen.
Niet-agrarisch bedrijf
Agrarisch Wonen
planlocatie
Agrarisch
Wonen
Afbeelding 2 Kaart met weergave plangebied en omgeving met aanwezige functies. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2021)
Pagina 9 van 60
2.2 Beschrijving huidige situatie In de huidige situatie is op de planlocatie sprake van een intensief veehouderijbedrijf in de vorm van een nertsenfokkerij. De locatie is gelegen in het landelijk gebied en heeft een bouwvlak met een omvang van ca. 7.900 m². Het bouwvlak is bebouwd met een serrestal, een bedrijfswoning en overige bedrijfsbebouwing o.a. voor het pelzen van de nertsen. Voor de locatie zijn onderstaande dieraantallen vergund.
Afbeelding 3 Vergunde milieusituatie
Op onderstaande afbeelding is de huidige situatie weergeven in het bestemmingsplan. Gebouw 1 betreft de serrestal voor het houden van nertsen, gebouw 2 wordt gebruikt als werktuigenberging, pels- en verwerkingsruimte. Gebouw 3 betreft de bedrijfswoning met tuin.
3 2
1
Afbeelding 4 Overzicht bebouwing in bestemmingsplan
Op onderstaande afbeelding is de bestaande situatie weergeven met de bestaande afmetingen van de bebouwing.
Pagina 10 van 60
Afbeelding 5 Overzicht bestaande oppervlaktes bebouwing
De overige gronden binnen de planlocatie welke omgezet wordt naar natuur (perceel kadastraal: 753, sectie G, gemeente Aarle-Rixtel) is momenteel in gebruik ten behoeve van boomteelt zoals zichtbaar op onderstaande afbeelding.
Pagina 11 van 60
2.3 Beschrijving beoogde situatie De initiatiefnemer is/was door de strenge wet- en regelgeving ten aanzien van de agrarische sector, het COVID19 virus ten aanzien van in het bijzonder de pelsdierhouderij, genoodzaakt de bedrijfsvoering in 2021 te hebben beëindigd. Het is voor de initiatiefnemer daarom wenselijk de agrarische bedrijfsvoering te beëindigen en om te schakelen naar een niet-agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van stalling van caravans, campers en overige kampeervoertuigen en statische opslag ter plaatse. Momenteel is ter plaatse een grote oppervlakte aan agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig. Het grootste deel van de aanwezige bebouwing bestaat uit kassen waarin de nertsen worden gehouden. Deze kassen zijn uitstekend geschikt voor het stallen van kampeervoertuigen en statische opslag. De initiatiefnemer wenst de aanwezige kassen daarom te behouden en in te zetten voor de stalling en opslag. In totaal is ongeveer 5.727 m² aan kassen en een overkapping van 300 m² aanwezig die de initiatiefnemer wenst te behouden en in te zetten voor de stalling en opslag. De overige ongeveer 626 m² van de bestaande pels- en verwerkingsruimte wenst de initiatiefnemer te blijven gebruiken voor het verwerken van de pelsen afkomstig van de buitenlandse nertsenfarms. De bovenverdieping wordt daarbij gebruikt voor huisvesting van zijn medewerkers (arbeidsmigranten).
Naast het stallen van kampeervoertuigen en statische opslag wenst de initiatiefnemer eveneens een bijdrage te doen aan de verduurzaming van de bedrijfsvoering en bij te dragen aan het behalen van de natuur- en landschapsdoelen in zijn omgeving (gemeente, provincie en Het Rijk). Hiertoe wordt het agrarische perceel omgevormd tot natuur. De initiatiefnemer heeft reeds een partij gevonden om in samenwerking de stalling mede vorm te geven. Deze partij heeft een onderzoek gedaan naar de marktbehoefte in de regio (zie hiervoor het marktonderzoek in de bijlage van deze onderbouwing). Daaruit is gebleken dat in de omgeving voldoende vraag is naar de stalling en dat er in de regio nog geen sprake is van een overaanbod van stallingsruimte. De locatie biedt goede kansen voor een stalling met een gezonde bezettingsgraad, waarmee er voldoende toekomstperspectief is te behalen voor de initiatiefnemer om te kunnen voorzien in het noodzakelijke levensonderhoud van het gezin. Op afbeelding 6 is de gewenste situatie met landschappelijke inpassing weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. 2.3.1 Landschappelijke inpassing en natuur Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt.
Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsplan opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende afbeelding weergegeven. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar de bijlage van deze toelichting. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Pagina 12 van 60
Afbeelding 6 Beoogde situatie
2.3.2 Natuurontwikkeling Het perceel voor de natuurontwikkeling is gelegen aan de rand van de Grotelsche Heide, welke in groter contrast in relatie staat me de Stippelberg en het verderop gelegen Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (De Bult).
Stippelberg
Grotelsche Heide planlocatie
Afbeelding 7 Uitsnede ambitiekaart Natuurnetwerk Brabant
De Bult (N 2000)
De omliggende percelen zijn opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant met als ambitiebeheertype: N16.03 Droog bos met productie, zoals hieronder weergegeven. Op verdere afstand is Dennen-, eiken- en beukenbos, Kruiden- en faunarijk grasland en Vochtig hooiland gelegen.
Pagina 13 van 60
Afbeelding 8 Uitsnede ambitiekaart Natuurnetwerk Brabant
Op basis van de topografische kaart van omstreeks 1900 is waar te nemen dat dit gedeelte van het perceel in gebruik was als zijnde productiebos, grasland (waarschijnlijk als weide voor het vee) en eveneens een houtwal aanwezig was (waarschijnlijk als perceelsafscheiding/markering).
Afbeelding 9 Uitsnede kaart 1900
In de beoogde situatie wordt op het perceel natuur ontwikkeld die aansluit op de ambitie van de omliggende percelen. Daarbij wordt diversiteit en reliëf in de beoogde natuur gebracht door het af te stemmen op de historische verkaveling. In overleg met gemeente is gekozen voor een robuste bosaanplant.
Pagina 14 van 60
2.4 Parkeren en verkeer Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ moet sprake zijn van een goede verkeersafwikkeling en mag door het planvoornemen geen gevaarlijke verkeerssituatie ontstaan. Beoordeling Voor het bepalen van de nodige parkeerplaatsen wordt in het bestemmingsplan ‘Parkeernormen Laarbeek’ door de gemeente Laarbeek verwezen naar het ‘Parkeerbeleidsnota 2019’. De parkeernormen in het parkeerbeleidsplan vinden zo veel als mogelijk aansluiting bij de parkeernormen zoals die gesteld zijn in de destijds geldende publicaties van het CROW 381. Voor de beoogde bedrijfsvoering zijn geen specifieke parkeersnormen opgenomen.
De CROW publicatie kent voor een arbeidsextensief bedrijf (loods, opslag, transportbedrijf) wel een norm van 0,8 parkeerplaatsen per 100 m² bedrijfsbebouwing, maar deze norm is niet representatief voor het beoogde bedrijf. Per te onderscheiden parkeer- en verkeerssituatie/functie binnen het bedrijf wordt hieronder een beschrijving gegeven. Caravanstalling De caravanstalling wordt verzocht door een externe partij die met iedere klant een afspraak maakt voor het halen en brengen van zijn object. Hierdoor is goed zicht op het aantal (te verwachten) verkeersbewegingen in de praktijk. Voor de planlocatie is ingeschat dat de verkeersbewegingen gemiddeld neerkomen op 4 verkeersbewegingen per dag. Per verkeersbeweging is tevens een behoefte voor kort te parkeren voor het aan- en afkoppelen van de caravan of ophalen van de camper. Uiteraard is er wel een piek in het voor- en najaar. Deze piek ligt voornamelijk in de maanden mei, juni en september. In deze maanden zijn er gemiddeld 10 verkeersbewegingen per dag. Hierbij gaan we er vanuit dat de stalling 4 dagen per week open is. Opslagunits Het plan voorziet in circa 10 opslagunits aan de voorzijde van De Wolfsputten met een totale oppervlakte van circa 300 m2. Op basis van de CROW-normen is ten aanzien van een bedrijfsverzamelgebouw in het buitengebied sprake van 7 tot 8,7 motorvoertuigen per 100 m² bvo.
Wanneer deze CROW-norm wordt gehanteerd is dagelijks sprake van (300/100*8,7) 26 motorvoertuigen. Per verkeersbeweging is tevens een behoefte voor kort te parkeren voor het laden en of lossen van de goederen. Pels- en verwerkingsruimte en huisvesting medewerkers Voor de pels- en verwerkingsruimte wordt circa 1 keer per week een vrachtwagen verwacht voor het halen en brengen van de pelzen. De pelzen worden verwerkt door de 8 medewerkers die in hetzelfde gebouw zijn gehuisvest.
Pagina 15 van 60
Het huisvesten van de medewerkers is hierbij de maatgevende verkeers- en parkeersituatie. Op basis van de CROW-normering wordt aangesloten bij de parkeernorm voor kamerverhuur zijnde een parkeerbehoefte van 0,6 tot 0,8 per kamer (afgerond maximaal 6 permanente parkeerplaatsen). Bedrijfswoning Voor de bedrijfswoning dient evenals in de bestaande situatie rekening gehouden te worden met 3 parkeerplaatsen. Beoogde parkeerplaatsen en dubbelgebruik In het plan wordt voorzien in een ‘parkeerzone’ van 6 meter diep en circa 100 meter breed aan de voorzijde van planlocatie. Door een diepte van 6 meter kunnen reguliere personenauto’s hier makkelijk parkeren. Met een breedte van 100 meter kunnen hier in een worst-case situatie circa 40 motorvoertuigen parkeren (gemiddelde breedte parkeerplaats haaks parkeren 2,5 meter). Door toepassing van dubbelgebruik kan het aantal te realiseren parkeerplaatsen worden geoptimaliseerd. Meestal betekent dit dat er minder parkeerplaatsen nodig zijn, dan wanneer men het parkeren afzonderlijk per functie realiseert. Door een gezamenlijke parkeervoorzieningen aan te leggen wordt dubbelgebruik aangemoedigd. Op basis van bovenstaande uiteenzetting zal in een worst-case situatie dagelijks echter maar behoefte zijn aan 20 parkeerplaatsen voor kort gebruik (10 caravanstalling, 10 opslagunits) en 7 permanente plaatsen.
De voorziene parkeerzone, zoals weergeven op onderstaande afbeelding, geeft derhalve ook nog ruimte voor manoeuvreren op eigen erf en voor een periodieke vrachtwagen.
Pagina 16 van 60
Afbeelding 10 Beoogde parkeerzone
Verkeersveiligheid Om de verkeersveiligheid op De Wolfsputten te waarborgen moet de inrit aan De Wolfsputten voldoende ruim zijn voor de voertuigen én moet voldoende overzicht zijn. Door het slopen van de bebouwing aan de voorzijde en weghalen van de schutting ontstaat meer overzicht. De Wolfsputten is daarbij zeer verkeersluw, het parkeren wordt op eigen erf voorzien en het betreft voornamelijk lichte voertuigen die na haaks parkeren direct kunnen wegrijden. De verkeersveiligheid is derhalve niet in het geding bij uitvoering van het plan. Conclusie Door het planvoornemen neemt de parkeerbehoefte toe. Tevens zijn meer lichte verkeersbewegingen te verwachten. Het bouwvlak is echter van voldoende grootte om te voorzien in de benodigde parkeerbehoefte. De verkeersveiligheid is door het planvoornemen niet in het geding. Het aspect ‘parkeren en verkeer’ staat het planvoornemen niet in de weg.
Pagina 17 van 60
3 BELEIDSKADER 3.1 Inleiding De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat en wordt het initiatief hieraan getoetst. 3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies.
Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling is als relatief kleinschalig aan te merken, waardoor geen van de onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van directe toepassing is op de Pagina 18 van 60
ontwikkeling. Enkel een efficiënt gebruik van de ruimte en een zorgvuldige afweging bij een ruimtelijk besluit, is wel van toepassing op het onderhavige initiatief. Het beleid van het Rijk hieromtrent wordt geëffectueerd door het Barro en het Rarro en de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Toetsing aan deze instrumenten komt in navolgende paragrafen aan bod. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling niet in strijd is met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. 3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro) Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming.
Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), en in haar huidige vorm op 1 juli 2017 in werking getreden. Dit motiveringsvereiste is gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en houdt in dat in de toelichting bij een bestemmingsplan dat ‘een nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is daarbij in het Bro
Pagina 19 van 60
gedefinieerd als ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Beoordeling Op basis van deze definitie is nog onvoldoende duidelijkheid of sprake is van een stedelijke ontwikkeling, omdat er geen heldere definitie is opgenomen van "andere stedelijke voorzieningen". Vanuit de jurisprudentie die er is omtrent de Ladder duurzame verstedelijking worden de volgende functies in ieder geval gezien als stedelijke ontwikkeling: - accommodaties voor maatschappelijke functies zoals een school, zorgcomplex, sportfaciliteiten of een crematorium. - accommodaties voor religie zoals een kerk of moskee. - accommodaties voor cultuur zoals bijvoorbeeld een museum. - accommodaties voor leisure zoals een hotel of bioscoop. - accommodaties voor recreatie. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een van de genoemde voorzieningen. Verder geldt de toets aan de Ladder duurzame verstedelijking alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een nieuw beslag op de ruimte. Er wordt gebruik gemaakt van bestaande bebouwing op een bestaand bouwperceel. Daarnaast zal het oppervlak aan bedrijfsbebouwing afnemen (de serrestal wordt aan de voorzijde gesloopt) en wordt het bouwvlak verkleind, waarmee geen nieuw ruimtebeslag mogelijk gemaakt kan worden. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee een verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist. Conclusie Geconcludeerd wordt dan ook dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en daardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op deze ontwikkeling. 3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie Noord-Brabant schetst de provincie een wensbeeld van de fysieke leefomgeving in 2050. De analyse van de huidige kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de trends en ontwikkelingen die hierop van invloed zijn, laten zien dat nieuw beleid en stevige inspanningen van de provincie nodig zijn om de ambities te bereiken. In de omgevingsvisie zijn vijf opgaven geformuleerd, waarvoor de provincie doelen heeft gesteld. Om die ambities te bereiken schetst de omgevingsvisie de eerste contouren van het voorgenomen beleid.
Dit beleid wordt verder uitgewerkt met concrete maatregelen De volgende vijf opgaven zijn opgenomen in de Brabantse omgevingsvisie: • Basisopgave, werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit • Werken aan de Brabantse energietransitie • Werken aan een klimaatproof Brabant • Werken aan de slimme netwerkstad Pagina 20 van 60
•
Werken aan een concurrerende, duurzame economie
Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Beoordeling Voor beëindiging van een veehouderij en omschakeling naar een niet-agrarisch bedrijf zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt herbestemd. Bij de beëindiging van de veehouderij ter plaatse zal de uitstoot van endotoxinen, fijn stof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan het behalen van de gezondheids- en klimaatdoelstellingen van de overheid. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een klimaatproof Noord-Brabant. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie NoordBrabant van de provincie Noord-Brabant. 3.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader In de Verordening worden regels gesteld waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels in de verordening gelden voor gemeenten en niet rechtstreeks voor burgers. De verordening bevat regels voor: • • • • • • • • •
Regionaal perspectief voor wonen en werken; Ruimte-voor-ruimteregeling; Groene hoofdstructuur-natuur en Ecologische hoofdstructuur; Bescherming tegen wateroverlast en overstromingen; Grond- en oppervlaktewatersysteem; Land- en tuinbouw; Water; Cultuurhistorie; Agrarisch gebied.
Op 25 oktober 2019 hebben Provinciale Staten de Interim omgevingsverordening vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is op 5 november 2019 in werking getreden. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2021 ingaat. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een 1e stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening voegt bestaande regels uit 6 verordeningen samen. De regels zijn eenvoudiger opgeschreven en omgezet naar een nieuw digitaal systeem, met een meer gebruiksvriendelijke opbouw. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een 1e stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze. Waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen.
Pagina 21 van 60
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De Iov Noord-Brabant bevat zowel algemene regels (o.a. over de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit) als gebiedsgerichte regels. Bij de gebiedsgerichte regels is vervolgens een onderscheid gemaakt naar ‘structuren’ (basisregels) en ‘aanduidingen’ (aanvullende of afwijkende regels ten opzichte van de basisregels of andere aanduidingen). De ontwikkelingsmogelijkheden voor locaties worden met name bepaald door de ligging van de locatie binnen de eerder genoemde structuren en aanduidingen. Beoordeling Op basis van de plankaart van de Iov is het plangebied gelegen binnen de volgende aanduidingen:
Afbeelding 11 uitsnede Iov
Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Interim omgevingsverordening. Ten eerste moet voldaan worden aan de ‘basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies’ (paragraaf 3.1.2 van de Omgevingsverordening. Hieronder valt artikel 3.5 ‘Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit’, die op zijn beurt weer wordt opgedeeld in: a. zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6); b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering(artikel 3.7); c. meerwaardecreatie (artikel 3.8). Ook dient sprake te zijn van ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ (artikel 3.9). Daarnaast moet worden getoetst aan de regels voor ontwikkelingen binnen de structuur landelijk gebied voor: ‘vestiging niet-agrarisch functie in het landelijk gebied’ (artikel 3.73). Wegens de toekenning van de aanduiding ‘stalderingsgebied’ en ‘rechtstreeks werkende regels: landbouw’ gelden er beperkingen aan de ontwikkelingsmogelijkheden van de (intensieve) veehouderij en mestbewerkingsactiviteiten. Daar het initiatief hier echter geen betrekking op heeft kan en wordt toetsing aan deze aanduiding buiten beschouwing gelaten.
Pagina 22 van 60
3.3.3 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5) In artikel 3.5 is opgenomen dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6); b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7); c. meerwaardecreatie (art. 3.8). Navolgend worden deze aspecten van het plan verder onderbouwd. 3.3.4 Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat er in beginsel sprake dient te zijn van een bestaand bouwperceel en dat uitbreiding van het ruimtebeslag slechts is toegestaan, mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Binnen het planinitiatief is sprake van een bestaand bouwvlak en bestaande bebouwing. Derhalve is geen sprake van nieuw ruimtebeslag voor de toedeling van de nieuwe functie.
3.3.5 Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) In artikel 3.7 is tevens opgenomen dat in de toelichting een verantwoording moet worden opgenomen waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding en de archeologische, cultuurhistorische, ecologische, aardkundige en landschappelijke waarden. Verder dient de omvang van de bebouwing en de beoogde functie te passen in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op de omgeving heeft, waaronder vanwege milieuaspecten en volksgezondheid. Tevens dient de ontwikkeling adequaat te worden afgestemd op de aanwezige infrastructuur. De toetsing van de gevolgen van het voornemen op bovengenoemde aspecten is per onderwerp uiteengezet in voorliggende toelichting. Hieruit volgt dat het voornemen ruimtelijk en milieuhygiënisch aanvaardbaar is. Daarmee wordt voldaan aan de zorgplicht uit artikel 3.5. 3.3.6 Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b.
de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De Omgevingsverordening geeft aan dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 ‘Kwaliteitsverbetering landschap’ deel uit kan maken van de meerwaardecreatie. Het planinitiatief beoogd op meerdere manieren ‘meerwaardecreatie’. Door te voorzien in een passende herbestemming van een nertsenhouderij wordt invulling gegeven aan een toekomstige VABlocatie. Er wordt een passende oplossing gevonden voor de toenemende vraag aan stalling van kampeermiddelen. Het voornemen gaat tevens gepaard met de aanleg van nieuwe natuur. 3.3.7 Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.9) In artikel 3.9 is voorgeschreven dat bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, de ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Deze kwaliteitsverbetering dient bovendien financieel, juridisch en feitelijk Pagina 23 van 60
te worden geborgd. De bedoelde kwaliteitsverbetering kan mede betreffen een landschappelijke inpassing, het toevoegen van landschapselementen, activiteiten gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, het wegnemen van verharding, het slopen van bebouwing e.d. Indien de kwaliteitsverbetering niet op locatie kan worden bewerkstelligd is het ook mogelijk een passende financiële bijdrage te doen in een (gemeentelijk) landschapsfonds. Beoordeling. De gemeente Laarbeek heeft een gemeentelijke uitwerking voor deze kwaliteitverbetering vastgesteld. In de ‘Nota Kostenverhaal’ van de gemeente Laarbeek zijn enkele eisen opgesteld om te komen tot het kwantitatieve gedeelte van de ‘tegenprestatie’. De gemeente Laarbeek heeft de basisinspanning bepaald waarbij minimaal 20% van de bestemmingsplanwinst moet worden voldaan in groen waarbij afwaardering van landbouwgrond naar natuur (bestemmingswijziging) meegenomen wordt. Deze berekening is toegevoegd als bijlage 5 en de uitvoering van de te behalen kwaliteitswinst, door het toepassen van landschapselementen is weergegeven in bijlage 1: het inrichtingsplan. In onderstaande tabellen zijn de waardevermeerdering van het beoogde plan en de daarbij behorende ‘tegenprestatie’ weergegeven conform het beleid van de gemeente Laarbeek.
Uit de bovenstaande tabel is te concluderen dat er met de beoogde ontwikkeling sprake is van een waardevermeerdering van €477.500,-. Conform de ‘Nota Kostenverhaal’ dient hiervan 20% te worden bijgedragen, wat neer komt op €95.500,-. Om hier aan te voldoen zal er een ‘tegenprestatie’ geleverd worden. De tegenprestatie is weergegeven in de berekening in Bijlage 5. 3.3.8 Vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied (artikel 3.73) Artikel 3.73 ‘vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied’ zet de provinciale regels uiteen waaraan bestemminsplannen voor niet-agrarische bedrijven aan moeten voldoen bij vestiging in het gemengd landelijk gebied. Lid 1: Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: Pagina 24 van 60
a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2: Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3: Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a.
bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 1: De gemeente Laarbeek heeft bij het opstellen van de ‘Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek’ voor verschillende gebieden onderzocht welke functies in de gebieden passend en wenselijk zijn. De planlocatie is daarbij gelegen in het ‘Ontwikkellandschap’, zie onderstaande uitsnede.
Pagina 25 van 60
Afbeelding 12 Planlocatie in Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek, gelegen in “INNOVATIE”
Grootschalige ontwikkelingen zijn in principe mogelijk, maar projecten met een beperkte ruimtelijke impact hebben de voorkeur. Ook de huisvesting van arbeidsmigranten en bedrijvigheid in milieucategorie 1-2 (zoals opslag) wordt toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een pelsdierhouderij beëindigd, waarmee de geurbelasting op de omgeving zal afnemen. Dit past binnen de doelstellingen die de gemeente heeft voor dit gebied. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen het gebied. Om verder te kijken of de ontwikkeling past in het gebied waarin de locatie is gelegen is met een bredere scope naar het gebied gekeken. Hierbij is niet alleen naar de effecten op de bovenste laag in het hier en nu gekeken, maar zijn de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven in de afweging betrokken. Daarbij is gekeken naar de verschillende schaalniveaus en is de factor tijd actief benut. Er is daarbij gekeken naar het verleden, de geschiedenis van de verschillende lagen op een plek en de (mogelijke) effecten in de toekomst. Dit gebied bestond uit beemden: gronden tussen de broekgronden en de gehuchten. De boeren gebruikten de natte gronden in de lente vooral als privé hooiland en in de zomer, wanneer de bodem wat opgedroogd en steviger was, als gemeenschappelijke weidegrond. Deze gronden zijn pas laat ontgonnen voor landbouw en zijn nog steeds vrij nat.
De kampontginningen aan de zuidzijde bij de Wolfsputten-Bakelseweg zijn ouder. Ze worden gekenmerkt door blokvormige open akkers. Ze zijn veelal herkenbaar als restanten van relatief grote, open ruimte met een gebogen belijning en een bol reliëf. In de 19e en 20e eeuw hebben er veel grote ruimtelijke veranderingen plaatsgevonden in het gebied: de Zuid-Willemsvaart en de nieuwe kanaalomleiding zijn aangelegd, evenals de N279. Dit heeft ervoor gezorgd dat het gebied als een denkbeeldig eiland werd afgescheiden van het omringende land. Er is weinig van de oorspronkelijke inrichting te herkennen. Hierdoor is een ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bebouwing voorstelbaar. Pagina 26 van 60
Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 2: Zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk 4 zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de in de omgeving aanwezige functies en/of waarden. Tevens zal met de voorgenomen beëindiging van de pelsdierhouderij sprake zijn van een aanzienlijke afname van de uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, ammoniak en broeikasgassen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de leefbaarheid in de omgeving. Vanuit de maatschappij wordt volksgezondheid steeds meer gezien als belangrijke factor voor het woon- en leefgenot van de mens. Met de maatschappelijke discussie die momenteel speelt rondom volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en door de campagnes van dierenrechtenorganisaties wordt het beeld op intensieve veehouderijen steeds negatiever. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij, zijnde een pelsdierhouderij beëindigd. Daarmee wordt een deel van de angst bij omwonenden op risico's voor de volksgezondheid vanuit de veehouderij weggenomen. Er zal immers niet langer meer sprake zijn van een veehouderij met de mogelijk daarbij behorende gezondheidsrisico's. Zoals nader aangetoond in de paragraaf 4.9 zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden en/of bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven.
Tevens zullen ook geen andere functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een belemmering van de agrarische ontwikkeling van het gebied. Een intensieve veehouderij heeft een grote energiebehoefte. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote uitstoot van geur, fijnstof, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de intensieve veehouderij ter plaatse worden beëindigd. Daarbij zal een deel van de bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor het uitvoeren van een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag. Een bedrijf voor opslag heeft een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan een volwaardig intensief veehouderijbedrijf. Het energieverbruik op de locatie zal daarmee aanzienlijk lager worden dan in de huidige situatie. Dit komt ten goede aan het klimaat en aan het milieu. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk afnemen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van het klimaat. Door een verminderde uitstoot van broeikasgassen zal minder sprake zijn van een bijdrage aan de klimaatsverandering en de opwarming van de aarde. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" geen sprake van aanpassingen aan of van een aantasting van de infrastructuur ter plaatse.
Tevens zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het aantal verkeersbewegingen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Daarmee zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen op de mobiliteit in het gebied. De gewenste ontwikkeling betreft geen bedrijfsvoering die zal concurreren met functies op het bedrijventerrein. Doorgaans zijn bedrijven voor stalling van kampeervoertuigen en statische opslag niet op een bedrijventerrein gevestigd, maar op voormalige agrarische bedrijven in het buitengebied. Dit komt voornamelijk door de grote hoeveelheid aan beschikbare voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Daarnaast is de agrarische grond aanzienlijk goedkoper dan grond op een bedrijventerrein, waardoor het voor veel ondernemers op een bedrijventerrein niet interessant genoeg is om grote gebouwen neer te zetten op bedrijfsgronden voor het stallen van caravans. In de omgeving van Laarbeek is een grote vraag naar stallingsruimte voor kampeervoertuigen. Dit is door de partij waarmee de initiatiefnemer in samenwerking de stalling wil beheren nader onderzocht (zie hiervoor ook bijlage 1 bij deze onderbouwing). Daarbij is op postcodeniveau onderzocht waar alle kampeervoertuigen in Nederland zijn.
In de regio van Aarle-Rixtel zijn een aantal grote plaatsen waar relatief veel kampeervoertuigen zijn, namelijk: - Helmond 2800 objecten - Uden 1850 objecten - Eindhoven 5400 objecten Pagina 27 van 60
-
Geldrop-Mierlo 1623 objecten Venray 1640 objecten Wijchen 1500 objecten Nijmegen 3100 objecten
Op basis van deze aantallen kan de partij waarmee de initiatiefnemer in samenwerking de stalling wil beheren binnen 2 jaar een stalling met de omvang 350 plekken vullen. Voor de beeldvorming: een particuliere stalling doet hier ongeveer 5 tot 7 jaar over. Dit wordt bereikt door slimme marketingcampagnes op te zetten, door goed online vindbaar te zijn en door een hoge servicegraad te bieden. Kortom, de partij waarmee de initiatiefnemer in samenwerking de stalling wil beheren is ervan overtuigd dat de locatie een toevoeging is als stallingslocatie. Daarnaast voorziet een stalling in de regio Helmond/Eindhoven aan een maatschappelijk probleem, aangezien er in deze regio een groot tekort is aan goede betaalbare stalling. Er zal daarmee met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een overaanbod van stallingsruimte in de omgeving. Er is eerder een tekort aan ruimte. De voorgenomen ontwikkeling speelt daar op in. Er zal daarmee geen sprake zijn van leegstand elders in de regio. De voorgenomen ontwikkeling komt met de statische opslag, zoals in het voorgaande omschreven, tegemoet aan een maatschappelijke vraag naar opslagruimte. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe invulling gegeven aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Hiermee wordt leegstand en verpaupering van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voorkomen.
Ook daarmee wordt invulling gegeven aan een maatschappelijk vraagstuk waar veel gemeenten en provincies in Nederland mee te kampen hebben. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 3: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven en verder is uitgewerkt in de paragraaf 3.3.7, sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. In totaal wordt circa 9.500 m² nieuwe natuur toegevoegd. Hiertoe is natuurplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en de omgeving. Daarnaast zal een gedeelte van de serrestal bij de voorgenomen ontwikkeling worden gesloopt. De oppervlakte van de te slopen stal bedraagt ongeveer 250 m². Daarmee wordt ter plaatse overtollige bebouwing (vastgoed) in het buitengebied gesloopt. Voor de mate van investering in de ruimtelijke kwaliteit is een berekening gemaakt op basis van foraitaire bedragen die zijn afgesproken tussen de gemeente en de provincie. Verder wordt er aan de aanwezige bebouwing in zijn geheel een nieuwe invulling gegeven. Daarmee wordt leegstand van bebouwing in het buitengebied voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat de bebouwing verpaupert.
De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub b: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het gehele bouwperceel benut voor de gewenste bedrijfsvoering. Er zal geen sprake zijn van splitsing in meerdere functies en/of bouwpercelen. De aanwezige agrarische bedrijfswoning zal als bedrijfswoning bij het gewenste niet-agrarische bedrijf worden gebruikt. Er is daarmee eveneens geen sprake van de afsplitsing van de bedrijfswoning. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.
Pagina 28 van 60
Ad. 3.73, lid 1, sub c: Bebouwing aan de voorzijde van De Wolfsputten die niet geschikt is voor de nieuwe functie wordt gesloopt. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 1: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de vestiging van of de omschakeling naar een kantoorfunctie met een baliefunctie. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 2: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van activiteiten ten behoeve van een lawaaisport. Er vinden ter plaatse geen bedrijfsactiviteiten gericht op sport plaats. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 3: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bewerking van mest. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub a: De gewenste stalling zal slechts 5 dagen per week geopend zijn. Op basis van onderzoek van de partij waarmee de initiatiefnemer in samenwerking de gewenste stalling wil gaan beheren is gebleken dat de gewenste stalling in de gewenste omvang, wanneer deze 5 dagen per week is geopend, zal leiden tot maximaal 4 bezoeken per dag van personen die het object (caravan, camper, etc.) komen stallen of halen. In de maanden mei, juni en september en oktober zal het aantal bezoeken per dag gemiddeld hoger liggen, omdat dit de drukke vakantieperiodes betreffen.
In deze maanden zal het aantal bezoeken per dag echter niet hoger liggen dan maximaal 10. Gemiddeld betreft dit minder dan 1 bezoek per uur. Er is daarmee geen sprake van een bedrijvigheid die een grote aantrekkende werking heeft van buitenaf. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub b: De afwijking wordt verleend voor een niet-agrarische bedrijfsvoering in maximaal milieucategorie 2. Er worden met de afwijking geen andere activiteiten toegestaan buiten de reeds toegestane agrarische activiteiten en de aangevraagde activiteiten. In het onderhavige plan worden de toegestane activiteiten concreet vastgelegd in de planregels en verbeelding. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub c: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de stalling (en eventuele opslag) geheel in de reeds bestaande bebouwing plaatsvinden. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub d: Indien de aangevraagde omvang niet langer toereikend blijkt te zijn en de maximaal toegestane omvang niet voldoende blijkt dan zal in plaats van een verdere uitbreiding worden gekeken naar een alternatieve locatie. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.
Pagina 29 van 60
Ad. 3.73, lid 3, sub a: Er is sprake van kleinschalige bedrijvigheid wanneer de bedrijvigheid een relatief kleine weergave betreft van de bedrijvigheid van het gebied en wanneer het oppervlaktebeslag een relatief kleine weergave betreft van het totale gebied. De oppervlakte van het bestemmingsvlak voor het niet-agrarisch bedrijf zal ongeveer 6.500 m² groot zijn. Daarnaast zal ongeveer 10.310 m² worden gebruikt voor de aanleg van nieuwe natuur. Ten slotte zal nog ongeveer 1.500 m² aan gronden worden gebruikt als tuin bij de bedrijfswoning en voor verharding bij het bedrijf. De totale bedrijfsoppervlakte bedraagt daarmee ongeveer 0,8 hectare. Het huidige bouwvlak is evengroot. Met de voorgenomen ontwikkeling zal de oppervlakte ten behoeve van het uitgevoerde bedrijf daarmee niet toenemen. De locatie is echter in een gebied gelegen dat zich vooral kenmerkt door landschappelijke openheid, waarin nauwelijks bedrijvigheid plaatsvindt. Op de locatie bevindt zich echter reeds een bedrijf met de daarbij behorende bedrijfsbebouwing. Het bedrijf heeft daarmee al geruime tijd de positie in het landschap die het nu heeft. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een deel van de aanwezige bedrijfsbebouwing, zijnde de stallen voor het houden van pelsdieren, worden gesloopt. Tevens wordt een forse hoeveelheid nieuwe natuur gerealiseerd.
Daarmee zal de impact van het bedrijf op de omgeving gemitigeerd worden. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling, mede met de ontwikkeling van de natuur, een minder grote impact hebben op het landschap dan dat de huidige situatie momenteel heeft. Zoals reeds eerder omschreven zal de gewenste stalling slechts beperkt geopend zijn, wat zal leiden tot maximaal 4 bezoeken per dag van personen die het object (caravan, camper, etc.) komen stallen of halen. In de maanden mei, juni en september en oktober zal het aantal bezoeken per dag gemiddeld hoger liggen, omdat dit de drukke vakantieperiodes betreffen. In deze maanden zal het aantal bezoeken per dag echter niet hoger liggen dan maximaal 10. Gemiddeld betreft dit minder dan 1 bezoek per uur. Er is daarmee geen sprake van een bedrijvigheid die een grote aantrekkende werking heeft van buitenaf. Het aantal bezoekers van het bedrijf is daarmee dusdanig klein dat sprake is van een kleinschalige bedrijvigheid. De werkzaamheden op het bedrijf zelf beslaan het plaatsen, verplaatsen of uitrijden van gestalde objecten. De gestalde objecten behoeven echter geen regelmatige verplaatsing, waarmee de arbeidsintensiteit op het bedrijf relatief laag ligt. Ook dit betreft geen zeer arbeidsintensieve activiteiten. De arbeid kan ter plaatse worden uitgevoerd door één of twee personen, waarmee geen sprake is van een arbeidsintensief bedrijf.
De bedrijvigheid is daarmee aan te merken als kleinschalig. Verder dient te worden bekeken of het doelmatig is om het bedrijf op een bedrijventerrein te vestigen. De gewenste bedrijvigheid beslaat uit het stallen van caravans, campers en/of andere kampeervoertuigen en statische opslag. De stalling is daarmee sterk gerelateerd aan de recreatieve sector. De recreatieve sector is doorgaans grotendeels aan het buitengebied gebonden. Tevens zou vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein betekenen dat de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op de locatie leeg komt te staan. Dit past niet binnen de doelstellingen om de leegstand van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te verminderen. Daarnaast betekent leegstand van de bebouwing dat deze niet (goed) meer wordt onderhouden, waardoor verpaupering van de bebouwing optreedt. Daarmee zal de beeldkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving verslechteren. Tevens komt het vaak voor dat leegstaande voormalige agrarische bebouwing wordt gebruikt voor illegale en soms zelfs criminele activiteiten. Dit is op de locatie niet wenselijk. Daarnaast is het op een bedrijventerrein vaak van belang dat het vele (soms zware) industrieel verkeer geen hinder ondervindt. Het halen en brengen van gestalde objecten kan leiden tot hinder voor het verkeer op het bedrijventerrein.
In het buitengebied zal het halen en brengen van gestalde objecten Pagina 30 van 60
in vele mindere mate leiden tot hinder, omdat de wegen in het buitengebied vaak veel minder druk zijn dan de wegen op een bedrijventerrein. De vestiging van het gewenste bedrijf in het buitengebied is daarmee meer voor de hand liggend. Tevens is de lage milieucategorie passend bij het extensieve buitengebied. Op een bedrijventerrein zijn vaak hogere milieucategorieën toegestaan. Het “gebruiken” van gronden waar een hogere milieucategorie is toegestaan voor de stalling van caravans (milieucategorie 2) is geen efficiënte toebedeling van de ruimte. Verder is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.2.3), met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee vestiging in stedelijk gebied niet voor de hand ligt. De initiatiefnemer heeft de grond waarop de gewenste ontwikkeling zal plaatsvinden reeds in eigendom. Als de initiatiefnemer zou moeten verplaatsen naar een bedrijventerrein dan wordt op dat bedrijventerrein een ander bedrijf, dat mogelijk behoefte heeft aan de toegestane milieucategorie, weggeconcurreerd. Tevens zouden hiervoor nieuwe gronden op een bedrijventerrein moeten worden aangekocht. Dit zou betekenen dat de initiatiefnemer een aanzienlijke investering zou moeten doen om te kunnen verplaatsen naar een bedrijventerrein.
Deze investering is, gezien de prijs van de gronden op een bedrijventerrein, voor de initiatiefnemer niet haalbaar om daarna te leiden tot een rendabele bedrijfsvoering. Zelfs als de huidige locatie verkocht zou worden dan zouden de opbrengsten van de verkoop van de locatie niet voldoende zijn om de aankoop van een locatie op een bedrijventerrein rendabel te maken. Daarmee is de vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein financieel niet haalbaar voor de initiatiefnemer. Het is daarmee niet doelmatig om het gewenste bedrijf van de initiatiefnemer op een bedrijventerrein te vestigen. Het bestemmingsvlak en de overige gronden worden vastgelegd in concrete bestemmingen op een bij een bestemmingsplan behorende verbeelding. De maximale oppervlakte die gebruikt kan worden voor de gewenste bedrijvigheid wordt daarmee vastgelegd en geregeld in een bestemmingsplan. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 3, sub b: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening voor detailhandel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 3, sub c: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.
Aan de voorwaarden voor vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied zoals zijn opgenomen in artikel 3.73 van de Interim Omgevingsverordening wordt daarmee voldaan.
Pagina 31 van 60
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek De gemeente Laarbeek heeft bij het opstellen van de ‘Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek’ voor verschillende gebieden onderzocht welke functies in de gebieden passend en wenselijk zijn. De planlocatie is daarbij gelegen in het ‘Ontwikkellandschap’, zie onderstaande uitsnede.
Afbeelding 13 Planlocatie in Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek
Grootschalige ontwikkelingen zijn in principe mogelijk, maar projecten met een beperkte ruimtelijke impact hebben de voorkeur. Ook de huisvesting van arbeidsmigranten en bedrijvigheid in milieucategorie 1-2 (zoals opslag) wordt toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een pelsdierhouderij beëindigd, waarmee de geurbelasting op de omgeving zal afnemen. Dit past binnen de doelstellingen die de gemeente heeft voor dit gebied. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen het gebied. Om verder te kijken of de ontwikkeling past in het gebied waarin de locatie is gelegen is met een bredere scope naar het gebied gekeken. Hierbij is niet alleen naar de effecten op de bovenste laag in het hier en nu gekeken, maar zijn de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven in de afweging betrokken. Daarbij is gekeken naar de verschillende schaalniveaus en is de factor tijd actief benut. Er is daarbij gekeken naar het verleden, de geschiedenis van de verschillende lagen op een plek en de (mogelijke) effecten in de toekomst. Dit gebied bestond uit beemden: gronden tussen de broekgronden en de gehuchten. De boeren gebruikten de natte gronden in de lente vooral als privé hooiland en in de zomer, wanneer de bodem wat opgedroogd en steviger was, als gemeenschappelijke weidegrond. Deze gronden zijn pas laat ontgonnen voor landbouw en zijn nog steeds vrij nat.