CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

7 20210224 Toelichting ontwerp-bestemmingsplan Heieindseweg 5a Mariahout incl. bijlagen (3).pdf

Commissie Ruimtelijke Zaken 24 februari 2021, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Heieindseweg 5a Mariahout11.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bestaande situatie waterhuishouding

In de bestaande situatie vloeit het hemelwater dat terechtkomt op de bestaande bebouwing en erfverharding af naar de omliggende gronden waar het infiltreert in de bodem. De erfverharding en daken van de bebouwing worden zorgvuldig schoongehouden zodat het hemelwater niet verontreinigd wordt en het zonder problemen kan infiltreren/afvloeien.

Toekomstige situatie waterhuishouding

De beoogde situatie ziet niet op een toename van verhard oppervlak; de bestaande bebouwing blijft gehandhaafd. Compenserende maatregelen ten behoeve van de afvoer van het hemelwater afkomstig van de bebouwing en erfverharding zijn dan ook niet noodzakelijk op basis van de Keur.

4.7 Natuur Onderstaand worden diverse aspecten met betrekking tot natuur- en groene wetgeving getoetst. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op natuuraspecten worden hiermee in kaart gebracht.

Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied is niet gelegen in of nabij een Natura 2000-gebied, waardoor significante effecten op deze gebieden zijn uitgesloten. Het dichtstbij gelegen gebied behorende tot Natuurnetwerk Nederland is gelegen op circa 90 meter ten oosten van het plangebied (zie volgende afbeelding). De nieuwe ontwikkeling zorgt niet voor verlies van oppervlakte, versnippering of andere negatieve effecten op het gebied.

23

Afbeelding 11: Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: kaartbank.brabant.nl)

Flora en Fauna

De toets in het kader van de soortenbescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. De nieuwe wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe wet voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. De wet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust worden gelaten. Eventuele schade dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Op de planlocatie worden geen gebouwen gesloopt dan wel nieuwe gebouwen opgericht. Derhalve worden geen verblijfplaatsen van beschermde soorten verstoord. Geconcludeerd kan worden dat geen overtreding van de Wet natuurbescherming te verwachten is. Een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk.

4.8 Bodem Wettelijke basis

Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of projectbesluit.

24

Aanleiding en doel

Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Beoordeeld dient te worden of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Aanleiding van de bodemtoets vormt de verwijdering van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’.

Huidige situatie en toekomstige situatie

In de bestaande situatie is een varkenshouderij gevestigd binnen het plangebied. In de toekomstige situatie wordt de varkenshouderij beëindigd. Het bedrijf gaat verder als een (grondgebonden) akkerbouwbedrijf voor de 18 ha grond die in gebruik is. Daarnaast wordt een gedeelte van de voormalige stallen in gebruik genomen voor statische opslag met een oppervlakte van maximaal 1.000 m².

Bodemloket

Het bodemloket levert geen resultaten. In de beoogde situatie blijft de activiteit agrarisch. De activiteiten vinden in bestaande bebouwing plaats. Er bevinden zich niet langer dan 2 uur per dag mensen in de bebouwing. Verder onderzoek is derhalve niet nodig.

4.9 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

25

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Afbeelding 12: Uitsnede provinciale Risicokaart

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz. Toetsing Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied vindt u hieronder.

Afbeelding 13: Uitsnede nationale risicokaart met plangebied

26

Uit de risicokaart blijkt, dat in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen, wegen, vaarwegen, spoorlijnen of inrichtingen aanwezig zijn, waarvan een risicocontour over het plangebied is gelegen. Conclusie Externe veiligheid is geen belemmering voor het plan.

4.10 Overige aspecten Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

Binnen de planlocatie is geen bedrijfswoning aanwezig. Derhalve vormt het initiatief geen belemmering voor spuitzones.

Hoogspanningslijnen

Binnen een afstand van drie kilometer zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Dit punt vormt geen belemmering.

4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Indien een activiteit de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage niet overschrijdt is een vormvrije m.e.r.-beoordeling vereist. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing betreft de verwijdering van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Naar alle criteria is gekeken en geoordeeld dat er geen noodzaak is tot het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling.

27

5 Uitvoerbaarheid en procedure Uit voorgaande toetsing is gebleken dat de gewenste ontwikkeling past binnen het beleid en de wettelijke kaders. Hierna wordt de uitvoerbaarheid en de te volgen planologische procedure toegelicht.

5.1 Economische uitvoerbaarheid Initiatiefnemer betreft een particuliere partij. Deze particuliere partij draagt zorg voor de kosten welke gepaard gaan met de voorgenomen ontwikkeling. De financiële uitvoering van de ontwikkeling is daarmee geborgd. De Wet ruimtelijke ordening geeft gemeenten meer regie en sturing op de ruimtelijke ontwikkelingen op lokaal niveau. De nieuwe wetgeving maakt het mogelijk voor gemeenten om de kosten met betrekking tot het plan te verhalen op diegene die de ontwikkeling initieert. Een anterieure overeenkomst wordt door de gemeente niet nodig geacht. De kosten worden verhaald via de leges.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid vindt een kennisgeving van het besluit volgens formele weg plaats. Het complete bestemmingsplan, regels, verbeelding en toelichting inclusief bijlagen worden voor een ieder ter inzage gelegd. Tevens wordt het ontwerpbesluit toegezonden aan de provincie en het waterschap.

5.3 Te volgen procedure Ten behoeve van de wijziging van de bestemming wordt een planologische procedure doorlopen op basis van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Op de voorbereiding van het bestemmingsplan/omgevingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Na vooroverleg en eventuele aanpassingen wordt het omgevingsplan in ontwerp ter inzage gelegd en vindt op formele wijze een kennisgeving van het ontwerpbesluit plaats. Gedurende deze periode krijgt iedereen de mogelijkheid een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. Het bestemmingsplan kan eventueel worden aangepast. De gemeenteraad beslist binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging omtrent vaststelling van het bestemmingsplan. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld wordt het plan gepubliceerd. Een kennisgeving van het besluit vindt plaats conform wettelijke voorwaarden. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt.

28

6 Conclusie Uit voorgaande toetsing blijkt dat de gewenste ontwikkeling past binnen het rijksbeleid, beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Laarbeek. Het plan voldoet tevens aan de gestelde eisen op het gebied van milieu en levert geen beperkingen op ten aanzien van ruimtelijke aspecten. Daarnaast is tevens de uitvoerbaarheid voldoende gegarandeerd. De procedure kan dan ook zonder problemen worden doorlopen.

29

Bijlagen AAB advies Milieutekening Landschappelijk inpassingsplan

30

AAB advies

31

Agrarische Bouwaanvragen Aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Laarbeek t.a.v. dhr. R. Rovers Postbus 190 5740 AD BEEK EN DONK

— ' L. .1C1 l ] ; w j

CUVw

Uw kenmerk

Ons nummer

Datum

1965-2018:921032, R. Rovers

BA 9424

11 oktober 2018

Behandeld door

Onderwerp

Bijlage

H. Gerlings/TS

Geacht College, Naar aanleiding van uw schrijven van 11 september 2018, inzake het verzoek van A. Rooijakkers, Tuindersweg 57 te Mariahout, delen wij u het volgende mede. Op 25 september 2018 heeft een vertegenwoordiger van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen de bedrijfslocatie aan Heieindseweg ong te Mariahout bezocht. Op basis van met de heer A. Rooijakkers gevoerd overleg, de door uw gemeente toegezonden stukken en nader onderzoek komt de Adviescommis­ sie Agrarische Bouwaanvragen tot de volgende bevindingen. Bedrii fsbeschrii ving De heer A. Rooijakkers (67 jaar) exploiteerde tot een tiental jaren geleden aan de Wilhelminastraat te Mariahout een varkenshouderijbedrijf. Van deze bedrijfslocatie is in verband met woningbouw de bedrijfsbestemming komen te vervallen. Tot afgelopen zomer was deze locatie in gebruik als caravan­ stalling. Vanaf eindjaren zeventig beschikt A. Rooijkkers aan de Heieindseweg ong. over een bedrijfslocatie. In 1979 is een varkensstal van 15 x 47 meter gebouwd en in 1993 is een gekoppelde varkensstal van circa 27 x 40 meter gebouwd. Aan de achterzijde van het bedrijf is inmiddels verharding aangelegd en een kapschuur gebouwd buiten het geldende bouwvlak. In totaal werden circa 1600 vleesvarkens gehouden op het bedrijf.

De gekoppelde stal is een jaar of vijf geleden aangepast met een centraal afzuigkanaal en een chemische luchtwasser, waartoe aan de achter­ zijde van dit gebouw een uitbouw is gerealiseerd. Vanwege deze aanpassing konden tot afgelopen januari in de gekoppelde stal vleesvarkens worden gehouden. Deze bedrijfsvoering is beëindigd in verband met de deelname aan de Regeling OmgevingsKwaliteit (ROK).

bezoekadres: Hintham 156 ta n 5246 AK AK Rosmalen

5200 BE 'sS-Hertogenboscn

www.AABbrabant.nl • r ^ . - «i ï i mfo@AABbrabant.nl

Tel. (073) 612 55 20

Fax (073) 614 99 91

ABN-AMRO 42.99.52.457

r-^Ar- att

postadres: Postbus 11! 1153 irr

i

>

°fa'°™ <*""«1 zijn dqmtMmmmiiaivm toepassing. die Z'P gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Tilburg. Op verzoek wordt hiervan een exemplaar toegezonden

BA 9424 Blad 3

Vervolgens heeft A. Rooijakkers een verzoek ingediend om de agrarische bestemming aan de Heieindseweg ong. intact te laten en om de functieaanduiding "intensieve veehouderij" te verwijderen. In samen­ hang hiermee wenst hij de caravanstalling als nevenactiviteit van het agrarisch bedrijf op te nemen in het bestemmingsplan. Advies Op basis van de voorgaande bevindingen komt de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen tot de volgende conclusie. Het verzoek is het behoud van de agrarische bestemming en het opnemen van de stalling van caravans als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf. De Adviescommissie constateert dat A. Rooijakkers beschikt over circa 18 ha cultuurgrond in eigendom. Zowel voor de teelt van maïs als voor de andere teelten geldt dat door de heer A. Rooijakkers alleen basiswerkzaamheden worden uitgevoerd. De teelt van maïs vindt plaats voor eigen rekening en risico. De teelt van andere gewassen, zoals de teelt van wachtbedplanten die dit jaar plaatsvindt, maakt deel uit van de bedrijfsvoering van een ander agrarisch bedrijf. Het bedrijf van A. Rooijakkers beschikt over een aantal basiswerktuigen. Uit het gevoerde overleg blijkt dat E. Rooijakkers uit het bedrijf is getreden en dat ook anderszins bedrijfsopvolging is in dit stadium niet in beeld is. De Adviescommissie constateert dat de agrarische bedrijfsvoering van A. Rooijakkers heel beperkt is.

Ten behoeve van het grondgebruik worden enkel enige basiswerkzaamheden uitgevoerd en alleen de teelt van een laagsalderend gewas, zoals maïs, vindt voor rekening en risico van de heer A. Rooijakkers plaats. Alles overwegende is de Adviescommissie van mening dat op basis van het areaal cultuurgrond en het gebruik ervan gesproken kan worden van een kleinschalige agrarische bedrijfsvoering. In relatie tot de omvang van de caravanstalling overweegt de Adviescommissie het volgende. Op basis van het gebruik van 1000 m2 voor de stalling van caravans is, gelet op de bedrijfsvoering zoals die heden plaatsvindt, de omzet uit de agrarische bedrijfsvoering normaliter wat groter dan de omzet uit de caravanstalling. Vanuit optiek van rendement geldt dat het rendement van caravanstalling, gelet op de lage jaarlijkse variabele kosten, beduidend hoger is dan het rendement van de teelt van landbouwgewas­ sen. Bij een ruimtegebruik van 1000 m2 als caravanstalling resteert circa 800 m2 aanbedrijfsbebouwing voor de agrarische bedrijfsvoering. Dit maakt dat het ruimtebeslag voor de caravanstalling groter is dan het ruimtebeslag dat beschikbaar is voor de agrarische bedrijfsvoering. Voorts merkt de Adviescommissie op dat een volume van 800 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing meer dan voldoende is voor de beperkte agrarische activiteiten van het bedrijf.

Een en ander blijkt ook mede uit het gegeven dat inmiddels meer dan 1000 m2 in gebruik is genomen voor de stalling van caravans en dat het feitelijk ruimtegebruik voor de agrarische bedrijfsvoering aanzienlijk minder dan 800 m2 bedraagt. Bij een doorgroei van de caravanstalling tot meer dan 1000 m2 zal in bedrijfseconomisch opzicht het zwaartepunt verder verschuiven richting de caravanstalling, en zal vanuit optiek van ruimtegebruik het de caravanstalling steeds nadrukkelijker het hoofdgebruik van het perceel gaan vormen.

Conclusie Samenvattend is de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van mening dat de agrarische activitei­ ten weliswaar kleinschalig zijn, maar dat deze zodanig van aard en omvang zijn dat ze redelijkerwijs in de bestemmingsaanduiding tot uiting dienen te worden gebracht. Bij een caravanstalling tot maximaal 1000 m2 acht de Adviescommissie het reëel om de agrarische bestemming als hoofdactiviteit aan te houden en om de caravanstalling als nevenactiviteit te benoemen. Bij een caravanstalling met een grotere omvang zal het zwaartepunt van de bedrijfsvoering in bedrijfs­ economisch opzicht en vanuit optiek van ruimtegebruik dermate gelegen zijn bij de caravanstalling dat de caravanstalling de hoofdactiviteit betreft op de bedrijfslocatie aan de Heiemdseweg. In dat geval ligt het voor de hand om de agrarische activiteiten als nevenactiviteit op te nemen.

gg Waterpoort van de Peel Gemeente Laarbeek Koppelstraat 37 Postbus 190, 5740 AD Beek en Donk 0492 469 700

Maatschap Rooijakkers

gemeente@laarbeek.nl

Tuindersweg 57

www.laarbeek.nl

5738 BK MARIAHOUT

IBAN: NL91 BNGH 0285 0007 21

datum:

20 november 2018

uw brief:

verzonden op:

21 november 2018

zaaknummer:

onderwerp:

Wijziging bestemming Heieindseweg ong.

behandeld door:

kenmerk:

1965-2018:384563

1965-2018

bijlage(n):

1

Dhr. R. Rovers

afschrift:

AAB te 'SHertogenbosch

Geachte heer Rooijakkers, Bij brief van 11 september 2018 hebben wij u bericht dat wij uw verzoek tot wijziging van de bestemming van de locatie Heieindseweg ong. te Mariahout, om advies hebben voorgelegd aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) te 's-Hertogenbosch. Op 11 oktober 2018 doet de AAB haar advies toekomen. Een kopie van het advies doen wij u hierbij ter kennisname toekomen. In het advies komt de AAB tot de volgende bevindingen. Ten aanzien van de agrarische activiteiten: Er is sprake van 18 ha cultuurgrond in eigendom. Er worden door u op die gronden alleen basiswerkzaamheden uitgevoerd. U beschikt daarvoor over een aantal basislandbouwwerktuigen. De agrarische bedrijfsvoering is heel beperkt. Er is daarom sprake van een kleinschalige agrarische bedrijfsvoering. Uitbreiding van het oppervlak aan bijgebouwen is op basis van de kleinschaligheid van het bedrijf en het ruim aanwezige oppervlak aan bijgebouwen niet aan de orde. Ten aanzien van de caravanstalling: In de twee voormalige varkenstallen en deels in het andere gebouw zijn caravans/vouwwagens gestald (totaal oppervlak ca. 1200 m2). Bij een vloeroppervlak tot 1.000 m2 voor caravanstalling is de omzet uit de agrarische bedrijfsvoering groter dan die uit de caravanstalling; voor het rendement geldt het omgekeerde.

Bij een vloeroppervlak van 1.000 m2 voor caravanstalling resteert 800 m2 bedrijfsbebouwing voor de agrarische bedrijfsvoering, hetgeen meer dan voldoende is voor de beperkte agrarische activiteiten van het bedrijf.

Bij een doorgroei van de caravanstalling tot meer dan 1.000 m2 zal in bedrijfseconomisch opzicht het zwaartepunt verschuiven naar de caravanstalling en zal de caravanstalling het hoofdgebruik ter plaatse gaan vormen. Bovenstaande bevindingen leidt voor de AAB tot de volgende conclusies. De agrarische activiteiten zijn kleinschalig maar van dien aard en omvang dat deze in een bestemmingsaanduiding tot uiting moeten worden gebracht. Bij een caravanstalling tot maximaal 1.000 m2 is het reëel om de agrarische bestemming te behouden en de caravanstalling als nevenactiviteit te benoemen. Bij een caravanstalling boven de 1.000 m2 ligt het zwaartepunt bedrijfseconomisch en vanuit optiek van ruimtegebruik bij de caravanstalling, dus als hoofdactiviteit; de agrarische activiteiten gelden alsdan als nevenactiviteit.

Zoals uit het advies van de AAB blijkt vindt er thans stalling van caravans e.d. in gebouwen plaats met een totaaloppervlak van 1200 m2. Op basis van het advies van de AAB komen wij dan tot de conclusie dat de caravanstalling de hoofdactiviteit is en de agrarische activiteit als nevenactiviteit moet worden aangemerkt. Voor de agrarische nevenactiviteit is 600 m2 beschikbaar hetgeen als ruim voldoende kan worden aangemerkt. Als gevolg hiervan dient de agrarische bestemming te worden gewijzigd naar een nietagrarische bedrijfsbestemming, i.c. caravanstalling met de aanduiding agrarische nevenactiviteit. Bij omzetting van bestemmingen in het buitengebied dient volgens gemeentelijk en provinciaal beleid geïnvesteerd te worden in de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Hiervoor is de Landschapsinvesteringsregeling gemeente Laarbeek in het leven geroepen. In die regeling is een berekeningswijze opgenomen om de kwaliteitsverbetering in een bedrag uit te drukken. Op basis van die regeling komen wij uit op een bijdrage van € 36.000,00 die als volgt is berekend: Huidige situatie: Agrarisch bouwvlak zonder woning 3.000 m2 è € 20,00 = € 60.000,00

Nieuwe situatie: Bedrijfsbestemming zonder woning 3.000 m2 a € 80,00 = € 240.000,00 Waardevermeerdering: € 180.000,00 (€ 240.000 - €60.000,00) LIR-bijdrage 20% van € 180.000,00 = € 36.000,00 Naast deze bijdrage geldt de verplichting dat het perceel landschappelijk wordt ingepast. Wij verzoeken u thans een ruimtelijke onderbouwing met landschapsinpassingsplan aan te leveren. Ten aanzien van de opzet van het landschapsinpassingsplan kunt u vooraf in overleg treden met onze beleidsmedewerker Groen, de heer M. Brands.

Milieutekening melding 24 september 2019

32

Landschappelijk inpassingsplan In 2003 heeft de gemeente het Landschapsontwikkelingsplan Laarbeek opgesteld. Hierin wordt aan de hand van landschapstypen het plangebied opgedeeld in zeven deelgebieden en drie doorsnijdende lijnen. De indeling is gebaseerd op overeenkomstige landschapselementen die buiten waarneembaar zijn, danwel potentie hebben om een bijdrage te leveren aan de identiteit van het deelgebied (de esthetische waarde). Daarbij wordt vooropgesteld dat aanwezige waarden zoals cultuurhistorische elementen behouden blijven en indien mogelijk worden hersteld. De locatie aan de Heieindseweg 5a is gelegen in het gebied ‘Lieshoutse Beemden’. Kenmerkend voor dit gebied is de grote diversiteit aan activiteiten die in het buitengebied plaatsvinden en de verschillende landschapselementen. Het landschappelijk inpassingsplan is gebaseerd op de gewenste ontwikkeling in dit gebied. Daarnaast is rekening gehouden met de zonnepanelen op maaiveld waarvoor op dit moment gewerkt wordt aan het opstellen van een plan. De plannen hebben betrekking op de aangrenzende landbouwgrond. In verband met schaduwwerking is hoge beplanting hierdoor niet gewenst. Gewenste ontwikkeling:  Variatie  Grootschalig  Oriëntatie door middel van beplanting.

Variatie

De identiteit wordt gezocht in de variatie die reeds in het gebied aanwezig is. De belangrijkste dragers worden gevormd door de bebouwingslinten en de beken Donkervoortse en Heieindsche Loop. Deze dienen extra geaccentueerd te worden. Ze onderscheiden zich van de overige elementen in het gebied, waardoor oriëntatie in het gebied mogelijk wordt. Daar waar de beken de wegen kruisen, zijn zichtlijnen door het landschap.

Grootschalig

In tegenstelling tot het deelgebied ’t Lieshouts Broek is het landgebruik grootschaliger van karakter. Grote onregelmatig geblokte percelen, die kenmerkend zijn voor de hoge dekzandruggen, bepalen het beeld. De ontwikkelingen landbouw en natuur zijn met elkaar verweven. Grote bedrijven zoals Bavaria dragen bij aan dit landschapsbeeld.

Oriëntatie door middel van beplanting.

Opgaande begroeiingen in de vorm van lanen, beekbeplanting en kavelbeplanting dragen bij aan de behoefte van oriëntatie in het gebied. Beplanting die past bij hoger gelegen dekzanden is uitgangspunt.

Streefbeeld Lieshoutse Beemden:

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=9ca477dd-cccc-4ec7-9af9-6ef7c00f20d7