CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

7 20210224 Toelichting ontwerp-bestemmingsplan Heieindseweg 5a Mariahout incl. bijlagen (3).pdf

Commissie Ruimtelijke Zaken 24 februari 2021, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Heieindseweg 5a Mariahout11.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout Ontwerp (NL.IMRO.1659.BPBGHeieindseweg5a-ON01)

Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

Plangebied Heieindseweg 5a, Mariahout Plannaam Verwijdering functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en verkleining en vormverandering agrarisch bestemmingsvlak ten behoeve van akkerbouwbedrijf met nevenfunctie statische opslag Projectnummer LAAR07.RO01 Datum en versie 10 november 2020, versie 3 Opgesteld door Agron Advies B.V. Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469 PS Boerdonk Tel: 0492-347761 Email: info@agronadvies.nl

Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Aanleiding en doel Plangebied Geldend bestemmingsplan Opbouw bestemmingsplan

4 4 4 5 7

2. 2.1 2.2 2.3

Juridische verantwoording Algemene opzet Toelichting op de verbeelding Toelichting op de regels

8 8 8 8

3. 3.1 3.2

Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid

9 9 9

Bijlagen Bijlage 1

Ruimtelijke onderbouwing

Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

1. Inleiding 1.1

Aanleiding en doel

Initiatiefnemer exploiteert op de locatie Heieindseweg 5a te Mariahout (hierna: het plangebied) een varkenshouderij en heeft gekozen voor deelname aan de Regeling Omgevingskwaliteit. In het kader van deze regeling is de varkenshouderij dan ook beëindigd. Op grond van de regeling is het noodzakelijk dat op de locatie geen intensieve veehouderij meer mogelijk is. Derhalve dient de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ te worden verwijderd. Het bedrijf gaat verder als een (grondgebonden) akkerbouwbedrijf voor de 18 ha grond die in gebruik is. Daarnaast wordt een gedeelte van de voormalige stallen in gebruik genomen voor statische opslag met een oppervlakte van maximaal 1.000 m². Op 2 november 2010 heeft het college van B&W een besluit ex artikel 3.10 Wet ruimtelijke ordening genomen voor het vergroten van het bouwvlak voor onderhavige locatie (projectbesluit). Het bouwvlak heeft in dit plan een grootte van circa 1,5 ha. Het voornemen is in strijd met het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Laarbeek. In dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het verwijderen van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ binnen de bestemming. Echter, voor de gewenste vormverandering en verkleining van het agrarisch bestemmingsvlak ten behoeve van akkerbouwbedrijf met nevenfunctie statische opslag is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Derhalve dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Dit bestemmingsplan maakt de planologische inpassing mogelijk van de ontwikkeling.

1.2

Plangebied

Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom van Mariahout. De locatie is gelegen op een afstand van circa 725 meter tot de uitbreiding van de kern Mariahout. De kern Beek en Donk is gelegen op een afstand van circa 2,5 kilometer. De volgende figuren geven de ligging van de locatie binnen de gemeente Laarbeek weer en een luchtfoto van de locatie.

4 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

Figuur 1: Topografische kaart ligging plangebied

Figuur 2: Luchtfoto bedrijfslocatie

1.3

Geldend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Laarbeek is vastgesteld op 6 juli 2010 en onherroepelijk geworden op 28 juni 2012. De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ met een bouwvlak en de functieaanduidingen ‘bedrijfswoning uitgesloten’ en ‘intensieve veehouderij’. Het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de gebiedsaanduidingen ‘overig – bebouwingsconcentratie – 4’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ (zie volgende figuur).

5 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

Figuur 3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied’

Op 2 november 2010 heeft het college van B&W een besluit ex artikel 3.10 Wet ruimtelijke ordening genomen (projectbesluit) voor het vergroten van het agrarisch bestemmingsvlak (=bouwvlak) voor de locatie Heieindseweg 5a. Het bouwvlak heeft in dit plan een grootte van 1,5 ha (zie volgende figuur).

Figuur 4: Uitsnede kaart vergroot bouwvlak (1,5 hectare)

Echter, bij het publiceren van projectbesluit op ruimtelijkeplannen.nl in 2010 is abusievelijk een groter besluitvlak opgenomen dan het werkelijke vergrote bouwvlak van 1,5 hectare (zie volgende figuur). Het is onduidelijk om welke reden hiervoor toentertijd is gekozen

6 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

Figuur 5: Uitsnede kaart vlak projectbesluit

Onderhavig planvoornemen ziet op het verkleinen van het bestemmingsvlak tot circa 0,4 hectare (bestemmingsvlak op maat). Aangezien het besluitvlak behorende bij het projectbesluit zag op een groter gebied dan alleen het agrarisch bouwvlak van 1,5 hectare, worden in onderhavig bestemmingsplan ook de gronden er rondom heen (onderdeel uitmakend van het besluitvlak) meegenomen en bestemmingen als ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden 1’ en ‘Bos’ aan gegeven. Daarmee vindt een correctie plaats van de abusievelijke gepubliceerde situatie van het projectbesluit. In het vigerend bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het verwijderen van een functieaanduiding. Dit is niet het geval voor het aanpassen van het bestemmingsvlak; derhalve dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen.

1.4

Opbouw bestemmingsplan

Voorliggende toelichting vormt de basis voor het bestemmingsplan, die de planologische inpassing mogelijk maakt van de beoogde ontwikkeling. Het vigerende bestemmingsplan biedt hiervoor de benodigde juridische basis. Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn onder meer de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. De regels omvatten de bestemmingsbepalingen van de verschillende bestemmingen die in het plangebied voorkomen. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan; de toelichting is van belang als beleidsdocument. De basis voor onderhavige toelichting vormt de ruimtelijke onderbouwing die als bijlage is toegevoegd. Hierin wordt het planvoornemen beschreven, evenals de inpassing van het voornemen binnen het rijksbeleid en het provinciaal en gemeentelijk beleidskader. Verder wordt getoetst aan de ruimtelijke aspecten (natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, verkeer, ontsluiting en parkeren) en milieuaspecten (bodem, water, geluid, luchtkwaliteit, geurhinder, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, volksgezondheid). Onderhavig document bevat een omschrijving van de juridische verantwoording en ten slotte wordt ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

7 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

2. Juridische verantwoording 2.1

Algemene opzet

Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) naar het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • De toelichting: een planbeschrijving die een verantwoording van de gemaakte keuzes, een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten bevat; • De regels, waarin de bestemmingen en daarbinnen geldende mogelijkheden zijn uitgewerkt. Hierbij is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’; • De verbeelding, die de rol heeft van visualisering van de bestemmingen.

2.2

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). Deze vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Op basis van het voorgaande worden in voorliggend bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen onderscheiden: • • • • • • • •

Agrarisch met waarden –Landschaps- en Natuurwaarden 1 (enkelbestemming); Agrarisch – Agrarisch bedrijf (enkelbestemming); Bos (enkelbestemming); Waarde – Archeologie 1 (dubbelbestemming); Waarde – Archeologie 2 (dubbelbestemming); Bedrijfswoning uitgesloten (functieaanduiding); Specifieke vorm van agrarisch – statische opslag (functieaanduiding); Specifieke vorm van agrarisch met waarden –struweelvogels (functieaanduiding);

2.3

Toelichting op de regels

De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •

Hoofdstuk 1 ‘Inleidende Regels’ gaat in op de omschrijvingen van de in de voorschriften gehanteerde begrippen en de wijze waarop de vermelde maten worden bepaald. In hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ worden de verschillende bestemmingen met bijbehorende gebruiksbepalingen en bouwvoorschriften beschreven. Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ geeft een overzicht van de algemene bouw- en gebruiksregels en de regels met betrekking tot afwijken van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ komen de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de slotregel aan bod.

8 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

3. Uitvoerbaarheid 3.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk plan de volgende procedure conform de artikelen 3.7 tot en met 3.9 van de Wet op de ruimtelijke ordening: 1) Voorbereiding en vooroverleg met diensten van rijk, provincie en waterschap; Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. 2) Ontwerp: het ontwerpbestemmingsplan wordt ter inzage gelegd gedurende 6 weken. Eenieder wordt tijdens deze periode in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen. 3) Vaststelling: de gemeenteraad van Laarbeek dient het bestemmingsplan vast te stellen. Het plan wordt daarna wederom voor een periode van 6 weken ter inzage wordt gelegd voor beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak bij de Raad van State.

3.2

Economische uitvoerbaarheid

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Met initiatiefnemers is een anterieure ontwikkelingsovereenkomst gesloten. In de overeenkomst zijn onder andere de ontwikkelvoorwaarden (waaronder planschade) opgenomen.

9 Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

Bijlage 1

Ruimtelijke onderbouwing

Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

Bijlage 1

Ruimtelijke onderbouwing

Toelichting bestemmingsplan Heieindseweg 5a, Mariahout

Ruimtelijke onderbouwing

Heieindseweg 5a Mariahout

Ruimtelijke onderbouwing

Datum: Status: Initiatiefnemer:

16 maart 2020 Ontwerp Maatschap Rooijakkers Tuindersweg 57 5738 BK Mariahout

Inhoudsopgave Inhoudsopgave ..................................................................................................................... 2 1 Inleiding ............................................................................................................................ 3 1.1 Huidige en gewenste situatie .............................................................................................. 4 1.2 Ruimtelijke en functionele structuur..................................................................................... 6 2 Planologisch kader ............................................................................................................ 7 2.1 Rijksbeleid......................................................................................................................... 7 2.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................... 7 2.2.1 Structuurvisie.............................................................................................................. 7 2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant ..................................................................................... 9 2.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ...............................................................

9 2.3 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................... 14 2.3.1 Structuurvisie............................................................................................................ 14 2.3.2 Bestemmingsplan ...................................................................................................... 15 3 Ruimtelijke aspecten ....................................................................................................... 16 3.1 Stedenbouw en landschap ................................................................................................ 16 3.2 Verkeer en infrastructuur .................................................................................................. 16 3.3 Cultuurhistorie en archeologie ........................................................................................... 16 4 Milieuaspecten................................................................................................................. 18 4.1 Geluid ............................................................................................................................. 18 4.2 Luchtkwaliteit ..................................................................................................................

18 4.3 Geur ............................................................................................................................... 19 4.4 Bedrijven en milieuzonering .............................................................................................. 19 4.5 Gezondheid ..................................................................................................................... 20 4.6 Water ............................................................................................................................. 20 4.7 Natuur ............................................................................................................................ 23 4.8 Bodem ............................................................................................................................ 24 4.9 Externe veiligheid ............................................................................................................ 25 4.10 Overige aspecten ........................................................................................................... 27 4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling .......................................................................................... 27 5 Uitvoerbaarheid en procedure .........................................................................................

28 5.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................ 28 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................... 28 5.3 Te volgen procedure ........................................................................................................ 28 6 Conclusie ......................................................................................................................... 29 Bijlagen............................................................................................................................... 30

1 Inleiding Initiatiefnemer exploiteert op de locatie aan de Heieindseweg 5a te Mariahout een varkenshouderij en heeft gekozen voor deelname aan de Regeling Omgevingskwaliteit. In het kader van deze regeling is de varkenshouderij dan ook beëindigd. Op grond van de regeling is het noodzakelijk dat op de locatie uiterlijk 1 januari 2019 geen intensieve veehouderij meer mogelijk is. Het bedrijf gaat verder als een (grondgebonden) akkerbouwbedrijf voor de 18 ha grond die in gebruik is. Daarnaast wordt een gedeelte van de voormalige stallen in gebruik genomen voor statische opslag met een oppervlakte van maximaal 1.000 m². In het vigerende bestemmingsplan dat ter plaatse geldt, bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Laarbeek, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het verwijderen van de functieaanduiding binnen de bestemming. Binnen het plangebied wordt de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ verwijderd. Op 2 november 2010 heeft het college van B&W een besluit ex artikel 3.10 Wet ruimtelijke ordening genomen voor het vergroten van het bouwvlak voor onderhavige locatie. Het bouwvlak heeft in dit plan een grootte van circa 1,5 ha.

Ligging

De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom van Mariahout. De locatie is gelegen op een afstand van circa 725 meter tot de uitbreiding van de kern Mariahout (woonbuurt d’n Hoge Suute). Beek en Donk is gelegen op een afstand van circa 2,5 kilometer. De ligging in de gemeente is weergegeven op onderstaande afbeelding evenals het bovenaanzicht van de locatie.

Afbeelding 1: Ligging in de omgeving, bron: bingmaps.nl

3

Afbeelding 2: Bovenaanzicht locatie, bron: google.nl/maps

1.1 Huidige en gewenste situatie De locatie Heieindseweg 5a te Mariahout heeft een agrarische bestemming met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ ten behoeve van de voormalige varkenshouderij. Deze tak van het bedrijf is inmiddels beëindigd, de akkerbouwtak blijft bestaan. Op de planlocatie zijn twee varkensstallen aanwezig. Tevens is een kapschuur aanwezig. Het voornemen bestaat uit het verwijderen van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Het exploiteren van een intensieve veehouderij wordt hierbij uitgesloten. De locatie behoudt de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. De oppervlakte van het bestemmingsvlak wordt 4.280 m2. In de nieuwe situatie wordt de akkerbouwtak voortgezet en een neventak van statische opslag gestart. Het verwijderen van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ kan middels een wijzigingsbevoegdheid uit het vigerende bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden.

4

5

Opslag t.b.v. akkerbouwbedrijf + stalling werktuigen

Statische binnenopslag max. 1000 m2

Afbeelding 3: Situatie besluit 2 november 2010 (boven), situatie bestaand en bouwvlak in bestemmingsplan (midden) en nieuwe situatie (onder)

1.2 Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied betreft een perceel gelegen aan de Heieindseweg 5a, kadastraal bekend gemeente Laarbeek, sectie K, nummers 1031 en 1032. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, aan de oostzijde van de kern Mariahout. De directe omgeving bestaat uit verspreide woonbebouwing, agrarische bedrijven en natuurgebied.

6

2 Planologisch kader De ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als deze past binnen het gestelde beleid door de diverse overheden. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente.

2.1 Rijksbeleid In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. De SVIR is vastgesteld en inwerking getreden op 13 maart 2012. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040. Het doel van deze structuurvisie is een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland creëren. Het Rijk richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:  Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland;  Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk benoemt daarnaast 13 nationale belangen. Hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In het MIRT wordt de samenhang van deze rijksbelangen met decentrale belangen en regionale opgaven besproken.

De nationale belangen uit de SVIR worden op basis van de Wet ruimtelijke ordening juridisch geborgd middels twee besluiten. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een gedeelte van de bepalingen in het Barro worden in de regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitgewerkt. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen betrekking op de nationale projecten zoals genoemd in het Barro. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. Aspecten waaronder milieu, waterhuishouding en overige zaken welke van belang zijn en geborgd zijn middels het Bro zullen in deze toelichting worden getoetst.

2.2 Provinciaal beleid Het planologische beleid van de provincie is verwoord in de structuurvisie ruimtelijke ordening en juridisch geborgd middels de Verordening ruimte Noord-Brabant.

2.2.1 Structuurvisie Op 1 oktober 2010 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Deze partiële herziening is in werking getreden op 19 maart 2014. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De 7

visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. De locatie aan de Heieindseweg 5a in Mariahout is gelegen in ‘Gemengd landelijk gebied’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de landen tuinbouw de dominante functie is.

In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Onderhavig initiatief, de verwijdering van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ past binnen bovenstaand beleid gericht op een gemengd landelijk gebied.

Afbeelding 4: Uitsnede kaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

8

2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’, welke is vastgesteld op 14 december 2018, geeft de provincie Noord-Brabant het volgende aan ten aanzien van de landbouw. Als provincie wil Noord-Brabant ook in de toekomst voorop blijven lopen als provincie van agrarische kennis- en productie. De export van hoogwaardige Brabantse producten, agro-techniek en –kunde, is een belangrijke bron van inkomsten. Om dit te behouden en verbeteren, is een transitie noodzakelijk waarvan de eerste stappen al gezet zijn. Hierdoor ontstaat een diverser palet aan productiemethoden op de as low-tech hightech. Dit vraagt nu en in de toekomst om inspanningen in de gehele keten. Het stimuleren van een innovatieve ketensamenwerking, waarbij een gezonde en duurzame voedselproductie voorop staat en consumenten meer bewust worden gemaakt van de impact van de voedselproductie, is cruciaal voor onze agrofood van de toekomst. Eerst en vooral is een verdere beperking van de impact van de primaire landbouw door emissies vanuit de veehouderij en de gevolgen van het gebruik van mest- en gewasbeschermingsmiddelen van belang. Ook de landschappelijke inpassing van stallen, kassen, plastic tunnels en loodsen verdient aandacht. Daarnaast is gezondheid een thema waaraan alle partijen in de keten gezamenlijk moeten werken.

Circulariteit, nieuwe productiewijzen en kortere schone ketens zijn een belangrijke sleutel om bij te dragen aan klimaatoplossingen. Ook kan de agrarische wereld intensief bijdragen aan de energietransitie.

2.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Daarna heeft reeds een wijziging plaatsgevonden. In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de:  Provinciale milieuverordening  Verordening natuurbescherming  Verordening Ontgrondingen  Verordening ruimte  Verordening water  Verordening wegen Onderhavige locatie is gelegen in ‘gemengd landelijk gebied’ en heeft de aanduiding ‘stalderingsgebied’. Zie hieronder de uitsnede van de kaart behorende tot de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

9

Afbeelding 5: Uitsnede kaart behorende tot Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Hieronder wordt getoetst aan de van toepassing zijnde regels.

Paragraaf 3.1.2 basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: 1. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; 2. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); 3. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

10

Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: 1. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 1. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; 2.

de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: 1. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of 2. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: 1. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; 2. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 3. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 4. het wegnemen van verharding; 5. het slopen van bebouwing; 6.

de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 7. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

11

Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. De ontwikkeling gaat niet gepaard met nieuw ruimtebeslag. De bestaande bebouwing blijft in gebruik, er wordt geen nieuwe bebouwing toegevoegd. De bebouwing is wat betreft grootte en uitstraling passend in het landschap. De Interim omgevingsverordening stelt regels aangaande de kwaliteitsverbetering van het landschap. Hierin is bepaald dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Hierbij bevat de toelichting een verantwoording dat de verbetering binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijke beleid past en de wijze waarop deze verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Gemeente Laarbeek heeft op 9 mei 2017 de ‘Landschapsinvesteringsregeling gemeente Laarbeek’ vastgesteld.

In deze Landschapsinvesteringsregeling (hierna: LIR) worden categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden, rekening houdend met de impact op de omgeving. Afhankelijk van de impact wordt in het LIR bepaald hoe invulling wordt gegeven aan het vereiste van kwaliteitsverbetering van het landschap. Categorie 1: Categorie 2: Categorie 3:

Ruimtelijke ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro’s (op basis van forfaitaire bedragen).

Het toevoegen van nevenfuncties bij al bestaande bestemmingen binnen het bestaande bestemmingsvlak, zonder dat de omvang van de aanwezige bebouwing wordt vergroot en de uitstraling op de omgeving in nadelige zin wordt beïnvloed, valt onder categorie 1. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze categorie vereisen geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap. De voorgenomen kwaliteitsverbetering van het landschap vindt plaats door de nieuwe landschappelijke inpassing. Verdergaande kwaliteitsverbetering is niet vereist. De afname van het bouwvlak ten opzichte van het genomen projectbesluit in 2010 levert daarnaast een kwaliteitswinst.

Artikel 3.54 grondgebonden teeltbedrijf in gemengd landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf als: a. dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is; b. de bouw of uitbreiding van een kas is beperkt tot ten hoogste 5.000 m².

De ontwikkeling betreft een omschakeling van een intensieve veehouderij naar akkerbouw met statische opslag. Initiatiefnemer heeft gekozen voor deelname aan de Regeling Omgevingskwaliteit. In het kader van deze regeling is de varkenshouderij dan ook beëindigd. Op grond van de regeling is het noodzakelijk dat op de locatie uiterlijk 1 januari 2019 geen intensieve veehouderij meer mogelijk is. Van de bouw of uitbreiding van kassen is geen sprake.

12

Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. Functiemenging past binnen het beleid. Binnen het plan is geen sprake van overtollige bebouwing. De bebouwing wordt hergebruikt. Deze aspecten worden verder getoetst in deze ruimtelijke onderbouwing.

b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;

Er vindt geen splitsing van het bouwperceel plaats. De statische opslag betreft een neventak, geen zelfstandig bedrijf.

c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;

In de beoogde situatie wordt de bebouwing in gebruik genomen ten behoeve van de akkerbouwtak en voor de nevenactiviteit statische binnenopslag. Er is geen overtollige bebouwing aanwezig die gesloopt moet worden.

d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking.

De vestiging heeft geen betrekking op bovenstaande functies.

Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; De functie heeft een te verwaarlozen publieksaantrekkende werking.

b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

In het bestemmingsplan wordt opgenomen dat statische opslag tot maximaal 1.000 m2 is toegestaan.

c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

De opslag vindt uitsluitend inpandig plaats.

d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Een grotere oppervlakte is niet toegestaan, dit wordt opgenomen in het bestemmingsplan. Indien uitbreiding gewenst is, dient automatisch een andere locatie te worden gezocht.

Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;

Het gemeentelijke beleid bepaald dat de gewenste oppervlakte binnen de omgeving past. De statische opslag leidt niet tot een detailhandelsvoorziening. 13

c.

een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

Het betreft geen voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg.

Het plan voldoet aan de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie Structuurvisie Laarbeek Op 16 september 2010 is de Structuurvisie Laarbeek vastgesteld. Aan de hand van de lagenbenadering is voor de gemeente Laarbeek een duurzaam structuurbeeld opgesteld, een ‘tijdloze’ waardering van basiskwaliteiten. De planlocatie is gelegen in het deelgebied ‘Mixland’. Onderstaand is aangegeven wat de duurzame kwaliteiten zijn en wat de gebiedsstrategie is uitgaande van deze kwaliteiten en de gebiedsopgaven.    

Nadruk op duurzaam beheer; Versterken oorspronkelijke landschapspatroon; Continueren landbouwkundig gebruik; Toeristisch-recreatief medegebruik stimuleren.

Onderhavige locatie blijft een agrarisch bedrijf. Echter de intensieve veehouderijtak wordt beëindigd. In de beoogde situatie wordt de akkerbouwtak voortgezet en wordt een gedeelte van de voormalige stallen in gebruik genomen voor statische opslag met een oppervlakte van maximaal 1.000 m². Deze activiteiten passen binnen het deelgebied ‘Mixland’.

Afbeelding 6: Uitsnede kaart bij structuurvisie Laarbeek (planlocatie rood omcirkeld)

14

2.3.2 Bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Laarbeek is vastgesteld op 6 juli 2010 en onherroepelijk geworden op 28 juni 2012. De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ met een bouwvlak en de functieaanduidingen ‘bedrijfswoning uitgesloten’ en ‘intensieve veehouderij’. Het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de gebiedsaanduidingen ‘overig – bebouwingsconcentratie – 4’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’.

Afbeelding 7: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Laarbeek

In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het verwijderen van een functieaanduiding. Echter niet voor het aanpassen van het bouwvlak.

15

3 Ruimtelijke aspecten De ruimtelijke aspecten stedenbouw en landschap, verkeer en infrastructuur, cultuurhistorie en archeologie komen in dit hoofdstuk aan bod. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het beleid omtrent deze aspecten.

3.1 Stedenbouw en landschap De cultuurhistorische waarden hangen nauw samen met de wijze waarop het gebied in de loop der jaren ontgonnen is. Oude landschappen zien er vaak anders uit dan nieuwe ontginningslandschappen. In het noordwesten van de gemeenten bevinden zich vrij jonge, grootschalige (heide)ontginningen. Een deel van dit gebied is bebost. In het westelijke deel van het buitengebied komen jonge broekontginningen voor. Daarop aansluitend, richting de kernen van Aarle-Rixtel en Beek en Donk, liggen oude broekontginningen. Rondom de kern van Beek en Donk en ten zuiden van het Wilhelminakanaal is sprake van oude zandontginningen of bouwlanden. Het deel van het buitengebied ten oosten van de Zuid-Willemsvaart bestaat voor een groot deel uit beekdalsystemen. Ook de Goorloop en de Donkervoortse Loop vormen een beekdalsysteem. Samen vormen deze landschapseenheden het landschap van de gemeente.

3.2 Verkeer en infrastructuur De verkeersbewegingen nemen met de wijziging, van intensieve veehouderij naar een akkerbouwbedrijf met statische opslag, af. In de nieuwe situatie zal in mindere mate sprake zijn van vrachtverkeer en landbouwvoertuigen. De verkeersbewegingen in de nieuwe situatie betreffen daarnaast personenauto’s voor privédoeleinden en enkele verkeersbewegingen per week in verband met de statische opslag. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende en behoeft geen aanpassingen. Parkeren/stalling van de voertuigen gebeurt op eigen terrein.

3.3 Cultuurhistorie en archeologie Het ‘verdrag van Malta’, Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, is in 1998 bekrachtigd in Nederland. Dit verdrag krijgt binnen Nederland vorm middels de Wet op de archeologische monumentenzorg. De Nota Belvedère geeft aan dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met eventuele cultuurhistorie ter plaatse. De nota en het verdrag leiden ertoe dat de provincie in haar beleid het cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed moet beschermen. Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de archeologische monumentenzorg ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden voornamelijk bij gemeenten. Zij zorgen ervoor dat het beleid op de juiste wijze wordt uitgevoerd.

Cultuurhistorie

Om cultuurhistorisch erfgoed te kunnen beschermen en behouden heeft de Provincie Noord-Brabant de Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld. Deze kaart bevat informatie over archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. De cultuurhistorische waarden worden verwerkt in het provinciaal beleid, de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Verordening ruimte Noord-Brabant. Hieronder is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weergegeven. Hieruit blijkt dat de locatie niet is gelegen in cultuurhistorisch landschap of cultuurhistorisch vlak.

16

Afbeelding 8: Uitsnede kaart Cultuurhistorische waardenkaart, provincie Noord-Brabant (planlocatie rood omcirkeld)

In het kader van cultuurhistorie zijn geen belemmeringen aanwezig voor de gewenste ontwikkeling.

Archeologie

De gemeente verwerkt het provinciale archeologische beleid in haar eigen beleid. Hiertoe zijn in het bestemmingsplan dubbelbestemmingen ten behoeve van archeologie opgenomen. De planlocatie is gelegen binnen een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Ten tijde van het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 100 m2 dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. In de beoogde situatie wordt geen bebouwing gerealiseerd. Enkel de functie van de bestaande bebouwing wordt gewijzigd. Hiertoe hoeft geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

17

4 Milieuaspecten In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan de verschillende bepalingen omtrent geluid, fijnstof, geur, water, natuur en bodem. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op het milieu wordt hiermee in beeld gebracht.

4.1 Geluid Wegverkeerslawaai

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder richt zich vooral op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) in relatie met belangrijke geluidsbronnen zoals (spoorweg)verkeer en gezoneerde industrieterreinen. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 (opgenomen in de Wet milieubeheer) geldt de Wet geluidhinder niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. In de beoogde situatie wordt de functie van de agrarische bebouwing gewijzigd; de intensieve veehouderij ter plaatse is beëindigd. Het bedrijf gaat verder als een (grondgebonden) akkerbouwbedrijf. Daarnaast wordt een gedeelte van de voormalige stallen in gebruik genomen voor statische opslag met een oppervlakte van maximaal 1.000 m². Er wordt geen geluidgevoelig object gerealiseerd. Derhalve hoeft in dit kader geen nadere toetsing van de geluidsbelasting plaats te vinden.

Industrielawaai

Ook in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestische beoordeling moeten plaatsvinden. Voor geluid in de ruimtelijke ordening voor zover niet geregeld in de Wet geluidhinder vindt toetsing plaats in het kader van de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 3.1 dat bestemmingen worden gelegd en regels worden gesteld in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Als hulpmiddel hierbij kan gebruik gemaakt worden van bijvoorbeeld de ‘Brochure Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG), geluidbeleid en toetsingskaders op basis van de Wet milieubeheer. De dichtstbijzijnde woning betreft de bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf aan de Heieindseweg 5. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 100 meter van de woning. Zowel voor het akkerbouwbedrijf als de statische opslag geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Ten aanzien van het aspect industrielawaai is derhalve geen verder onderzoek noodzakelijk.

4.2 Luchtkwaliteit In het kader van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk aan te tonen dat de ontwikkeling niet tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. De ontwikkeling vormt geen probleem ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit indien er geen sprake is van een overschrijding van de gestelde normen of de ontwikkeling per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit danwel het project ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

18

In het kader van de Wet milieubeheer zijn het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” (NIBM) op 15 november 2007 in werking getreden. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie af. De huidige intensieve veehouderij bestemming genereert meer verkeersbewegingen dan het akkerbouwbedrijf met neventak statische opslag. Hieronder is een weergave van de NIBM rekentool van Infomil weergegeven. Voor de beoogde situatie wordt uitgegaan van 30 verkeersbewegingen per dag. Circa de helft hiervan betreft vrachtverkeer / landbouwvoertuigen. De overige verkeersbewegingen betreffen personenauto’s voor privédoeleinden en enkele verkeersbewegingen in verband met het brengen en halen van caravans (statische opslag). Dit betreffen de verkeersbewegingen van de gehele beoogde situatie en niet slechts de ‘extra’ voertuigbewegingen gezien de afname in bewegingen. Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het verkeer NIBM is.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2019

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

30

Aandeel vrachtverkeer

50,0%

NO2 in μg/m

3

0,15

PM10 in μg/m

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 9: NIBM rekentool, bron: Infomil

4.3 Geur In de beoogde situatie is sprake van een akkerbouwbedrijf met een neventak statische opslag. Op het bedrijf worden niet langer dieren gehouden. Hierdoor hoeft niet langer getoetst te worden aan de Wet geurhinder en veehouderij. Op de planlocatie is geen woning aanwezig. Verder onderzoek naar de geurbelasting van omliggende veehouderijen op deze locatie is derhalve niet noodzakelijk. Omliggende veehouderijen worden door de beoogde ontwikkeling niet extra beperkt omdat geen geurgevoelig object wordt toegevoegd.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Het ruimtelijk ordeningsbeleid regelt de situering van milieubelastende en milieugevoelige functies. Het doel is de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In deze brochure is onderscheid gemaakt in verschillende bedrijfsactiviteiten en gebieden. 19

In de brochure is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’. In de nabije omgeving van Heieindseweg 5a te Mariahout zijn enkele (agrarische) bedrijven en enkele burgerwoningen gelegen. De dichtstbijzijnde inrichting betreft Heieindseweg 5. De woning aan de Heieindseweg 5 is gelegen op een afstand van circa 100 meter van de inrichting aan Heieindseweg 5a. De beoogde situatie op onderhavig bedrijf valt in milieucategorie 2 voor wat betreft de akkerbouwtak. De richtafstand voor geluid is bepalend en bedraagt 30 meter. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. De statische opslag, zijnde caravans, betreft SBI code 52109 met milieucategorie 2. Hiervoor geldt een afstand vanwege geluid van minimaal 30 meter. De overige richtafstanden betreffen 0 meter. Aan deze afstanden wordt voldaan.

4.5 Gezondheid Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Daarom is in de notitie ‘Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ de blootstelling aan endotoxine en de advieswaarde van de Gezondheidsraad als insteek gekozen. Het endotoxine toetsingskader 1.0 biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Recentelijk zijn de resultaten van het gezondheids- (VGO) en het endotoxineonderzoek gepubliceerd. Uit het VGO onderzoek is o.a. gebleken dat er een afname is van de longfunctie bij iedereen die woont in een gebied met meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1000 meter. Het is volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk dat deze effecten veroorzaakt worden door de blootstelling aan stoffen afkomstig van veehouderijen. Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Met het VGO-3 onderzoek is dit bevestigd. Uit VGO-3 onderzoek blijkt verder dat er geen relatie is tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen en het voor komen van longontsteking. De advieswaarde van de Gezondheidsraad bedraagt 30 EU/ m3.

Onderhavige ontwikkeling heeft een positieve invloed op de waarde doordat in de beoogde situatie geen dieren meer gehouden worden op de planlocatie.

4.6 Water Het nationale kader ten aanzien van water is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet (vastgesteld op 22 december 2009) is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Met de Waterwet heeft het Rijk invulling gegeven aan de Europese Kaderrichtlijn Water. De taak van de provincies is het nationale Waterplan te vertalen in provinciaal beleid. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant zijn bepalingen opgenomen ter bevordering van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem, een betere waterveiligheid door preventie en de koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en hoe hiermee om te gaan zijn beschreven in het Provinciaal Water Plan. De gemeenten en de waterschappen dienen hun beleid te baseren op dit Provinciaal Water Plan.

20

De watertoets is van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.

Beleid Rijk

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan vastgesteld. In het nieuwe Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door de veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics), zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe waterbeleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik naar 2050. Onderdeel zijn de Deltabeslissingen, de Beleidsnota Noordzee met ruimtelijk plan, de verankering van waterafspraken uit het Energieakkoord, de Natuurvisie, de Internationale Waterambitie en de plannen en maatregelenprogramma’s waarmee we voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu.

Provincie

Op 18 december 2015 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Met het PMWP draagt de provincie bij aan een Brabant waar mens, plant en dier gezond en prettig kunnen leven, met ruimte voor een elkaar versterkende economische, maatschappelijk en ecologische ontwikkeling. Met andere woorden:  voldoende water voor mens, plant en dier;  schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);  bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s;  verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met haar partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.

De locatie heeft de functie ‘water voor het gemengd landelijk gebied’ (zie onderstaande afbeelding). Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid. De locatie is niet gelegen in een gebied met een rol voor de bescherming van het (grond) water dat is bestemd voor menselijke consumptie.

21

Afbeelding 10: Kaart Gezondheid 1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

Waterschap

Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer is in gemeente Laarbeek in handen van Waterschap Aa en Maas en de gemeente Laarbeek. In 2015 is het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. Dit Waterbeheerplan is geldig van 22 december 2015 tot en met 21 december 2021. In het Waterbeheerplan (WBP) wordt beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2016 - 2021 en hoe die doelstellingen behaald worden. De missie van het waterschap is:

‘Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.’ Onderstaand zijn de programma’s met de bijbehorende lange termijn doelen weergegeven. 1. Veilig en bewoonbaar beheergebied  Veilig tegen overstromingen  Voldoende beschermd tegen wateroverlast 2. Voldoende water en robuust watersysteem  Robuust en veerkrachtig watersysteem  Transparantie en draagvlak voor inrichting en beheer 3. Gezond en natuurlijk water  Ecologisch goed functionerend watersysteem  Geen problemen met de waterkwaliteit in relatie tot gezondheid 4. Schoon water  Een duurzame en efficiënte afvalwaterketen

22

De Keur bevat de regels en vult daarmee de regels uit de Waterwet aan om daarmee de doelstellingen zoals opgenomen in het Waterbeheerplan te kunnen realiseren. De Keur is zowel van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap als particulieren en bedrijven. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename van het verhard oppervlakte geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel.

Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak), behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Deze rekenregel geldt voor een toename van het verhard oppervlak van tenminste 2.000 m2 en maximaal 10.000 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=9ca477dd-cccc-4ec7-9af9-6ef7c00f20d7