6 20231123 Bestemmingsplan Heuvelsche Velden Toelichting
Tekst van het document
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Ad a) Het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan voor Heuvelsche Velden gaan uit van het realiseren van integrale gebiedsontwikkeling met wonen, natuur en recreatie met een goede omgevingskwaliteit en een veilige en gezonde leefomgeving. Ad b) Het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan gaan uit van zorgvuldig ruimtegebruik. De maximaal 65 woningen worden gerealiseerd in een gevarieerd woningbouwprogramma binnen een ruime, groen opzet. Er is sprake van een lage woningdichtheid en ruime opzet, met natuurlijke overgang richting het natuurgebied en vervolgens de Goorloop. Binnen het stedenbouwkundig plan is zorgvuldig aandacht besteed aan de structuren van het gebied en omliggende gebieden.
De overgangen met deze gebieden én het borgen van de omgevingskwaliteit van de omliggende gebieden heeft nadrukkelijk aandacht gekregen in de uitwerking van het plan. Een nadere toelichting hierop is te vinden in paragraaf 2.4. De planopzet voorziet daarbij in een logische aansluiting op het bestaande stedelijk gebied en een groene buffer/overgang richting de natuurzone. Ruimtelijk gezien is voortzetting van het bebouwingspatroon vanuit de nieuwe woningbouwlocatie daarmee zeer onlogisch gemaakt. Heuvelsche Velden Pagina 32 van 64
Daarmee kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een duurzame afronding van het stedelijk gebied. Er is geen sprake van de transformatie van een verouderd stedelijk gebied, maar van een uitbreiding van het bestaande dorp. Met de bouw van grondgebonden woningen wordt aangesloten op de karakteristieken aan de randen elders in Beek en Donk. In Beek en Donk is geen sprake van verouderde stedelijke gebieden die voor transformatie in aanmerking komen. Op andere locaties in de gemeente Laarbeek vindt wél binnenstedelijke transformatie plaats. Woningbouw binnen plan Heuvelsche Velden staat, mede gelet op de grote woningbehoefte binnen de gemeente, de transformatie van deze gebieden niet in de weg. Uitbreidingslocaties zoals Heuvelsche Velden zijn aanvullend op de binnenstedelijke transformatie. Ad c) Voor een woonwijk als Heuvelsche Velden zijn met name goede mogelijkheden voor de productie van duurzame energie door het aanbrengen van zonnepanelen op woningen. Het bestemmingsplan staat dit niet in de weg. Ad d) Het plan Heuvelsche Velden houdt in meerdere opzichten rekening met klimaatverandering. Er is sprake van een groene woonwijk met brede opzet en lage dichtheid, waarmee hittestress wordt tegengegaan. Daarnaast is sprake van een waterbergingszone tussen het woon- en natuurgebied, waarin hemelwater wordt opgevangen.
Tevens wordt het natuurgebied (deels) afgegraven waardoor meer ruimte voor de opvang van water bij hevige regenval ontstaat. Het plan levert daarmee een positieve bijdrage aan het klimaatadaptiever maken van de omgeving. Ad e) Binnen het plan zijn de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit onderzocht en opgenomen in paragraaf 7 van de verkeersnotitie in Bijlage 12. Ad f) Deze bepaling is met name relevant bij de realisering van nieuwe ontwikkelingen voor werken of voorzieningen. Daarvan is hier geen sprake. Door de bouw van woningen in Heuvelsche Velden wordt in algemene zin bijgedragen aan het behoud van voorzieningen in het dorp.
Landelijk gebied/Groenblauwe mantel Het plangebied valt, na de herbegrenzing gedeeltelijk, binnen de zone 'Groenblauwe mantel'. Dit geldt voor de gehele natuurbestemming. In artikel 3.32 wordt aangegeven wat van toepassing is op de groenblauwe mantel: a. Strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden; b. Stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. Borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden. In voorliggend plan is sprake van zowel een rode ontwikkeling (woningbouw) als een groene ontwikkeling (natuurrealisatie). De stedelijke ontwikkeling dient ter afronding van de dorpsrand en vormt de aanzet voor de uitbreiding van de ecologische verbindingszone langs de Goorloop door middel van een natuurontwikkeling. In voorliggend plan is daarmee sprake van een ontwikkeling die per saldo leidt tot een verbetering van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied.
Het huidige monofunctionele agrarisch gebruik (akkerbouw) komt immers te vervallen en daarvoor in de plaats is sprake van een ontwikkeling met groen-rood verhouding die bijdraagt aan de kwaliteiten van het gebied. Zo is er sprake van de realisatie van ca. 5 hectare nieuwe natuur als aanvulling op de reeds aanwezige ecologische verbindingszone. Ten opzichte van een woningbouwgebied met ca. 3,5 hectare aan bouwgrond.
Heuvelsche Velden Pagina 33 van 64
Natuur Netwerk Brabant: Aan de rand van het plangebied loopt de beek de Goorloop. Om de Goorloop heen bevindt zich de zone 'Natuur Netwerk Brabant'. Verder gelden hier ook de regels van 'behoud en herstel van watersystemen'. In artikel 3.15 van de interim omgevingsverordening staat dat een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. regels bevat gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe. Ter plaatse van de aanduiding is momenteel sprake van een reeds ingerichte ecologische verbindingszone. Met het planvoornemen worden geen nieuwe ontwikkelingen die strijdig kunnen zijn met deze functie mogelijk gemaakt. In artikel 3.27 van de interim omgevingsverordening staat dat een bestemmingsplan van toepassing op 'Behoud en herstel van watersystemen' mede strekt tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Daarbij dienen regels te worden gesteld die: a. het oprichten van bebouwing beperken; b.
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken; c. het ophogen van gronden beperken. Artikel 3.15 en 3.27 van de interim omgevingsverordening worden nageleefd in dit bestemmingsplan. In Artikel 4 Natuur en Artikel 6 Water zijn regels opgenomen, waarmee de natuur- en waterbelangen worden geborgd. Er wordt niet binnen NNB gebouwd. In Bijlage 4 is een onderzoek bijgevoegd naar het provinciaal natuurbeleid. De conclusies hiervan zijn eveneens opgenomen onder paragraaf 3.3.1.
Diep grondwaterlichaam De gronden rondom de Goorloop hebben tevens de aanduiding 'diep grondwaterlichaam'. In artikel 2.20 van de interim omgevingsverordening staat dat er een verbod is op onconventionele koolwaterstofwinning ter plaatse van de aanduiding 'diep grondwaterlichaam'. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van koolwaterstofwinning.
Conclusie Op basis van bovenstaande motivatie kan worden gesteld dat de locatie geschikt en passend is voor de beoogde woningbouw- en natuurontwikkeling. Voor de ontwikkeling is een herbegrenzing nodig van kaartlagen in de Interim omgevingsverordening, welke wordt aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant. Door de realisatie van een robuuste natuurzone binnen de grenzen van het plangebied, direct grenzend aan bestaande NNB en ter versterking van de functie als ecologische verbindingszone, en daarnaast de toevoeging van 'stedelijk gebied' ter plaatse van de woningbouw is per saldo sprake van verbetering / toename van natuur- en landschapskwaliteiten, hetgeen ook is beoogd met de aanduiding groenblauwe mantel.
Heuvelsche Velden Pagina 34 van 64
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Laarbeek
De structuurvisie Laarbeek Groei in balans is vastgesteld op 16 september 2010. De structuurvisie geeft een ruimtelijke visie op Laarbeek. De structuurvisie is gevormd samen met de intrinsieke kernkwaliteiten van Laarbeek, toekomstvisie, beleidsinventarisatie en de trendbeschrijving. Toetsing Het Duurzaam Structuurbeeld uit de Structuurvisie+ Laarbeek verdeelt het gemeentelijk grondgebied onder in Waterland, Beken en kernenzone, Groen monoland en Mixland. In de Beken en kernenzone, waarin Beek en Donk is gelegen, is het beleid gericht op versterking van de ruimtelijke structuur van de kernen, gecombineerd met inbreiding en herstructurering, alsmede op het creëren van duurzame komranden (hoogwaardige groene woonmilieus) met een sterke groen-blauwe dooradering. De beken met aanliggende groene zones kunnen daarbij worden ontwikkeld tot ecologisch interessante zones. Door deze toegankelijker en zichtbaarder te maken, maken ze een hoogwaardig groen woonmilieu aan de dorpsranden mogelijk en versterken ze de recreatieve uitloop vanuit de kernen. Een open verbinding tussen bebouwing, kanalen en het waterrijke landschap moet zorgen voor betere zichtbaarheid en beleefbaarheid van het water.
De ontwikkeling van de locatie Heuvelsche Velden sluit aan bij deze beoogde ontwikkelingsrichting vanuit de gemeentelijke structuurvisie, waarbij het beekdallandschap direct beleefbaar wordt vanuit de nieuwe wijk door enkele doorzichten en doorsteken en een nieuwe recreatieve padenstructuur dit gebied ook beleefbaar en toegankelijk maakt voor recreanten. Beek en Donk betreft twee aan elkaar gegroeide dorpen die worden gescheiden door een groene long die zorgt voor groene kwaliteiten in de kern. Structurerend zijn hier dan ook de groene long en de beide dorpskernen. De planlocatie ligt net onder de groene long en draagt derhalve bij aan het behoud van de kwaliteiten. Op het gebied van wonen heeft de gemeente Laarbeek verschillende ambities. Laarbeek heeft de visie om een aantrekkelijk woongemeente te blijven, ook voor de stedelijke regio. Verder is het van belang dat er wordt gekeken naar de vraag en het aanbod van de woningmarkt. Er moet voor iedere bewoner een passende woning zijn. Laarbeek wil het negatieve migratie saldo terug dringen. Dit willen ze doen door bouw van voldoende starters woningen, maar ook door het aantrekken van forenzen en kenniswerkers. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambitie en visie van de gemeente Laarbeek op het gebied van wonen. De ontwikkeling draagt bij aan de bouw van nieuwe woningen.
Waar de planlocatie Heuvelsche Velden in de structuurvisie oorspronkelijk niet is aangemerkt als één van de locaties ten behoeve van de realisatie van nieuw woningbouwprogramma, is dit met een recentere raadsvergadering (d.d. 13 februari 2020) wel besloten. Daarbij is tot deze locatie gekomen op basis van de lagenbenadering, zoals ook toegelicht in paragraaf 3.3.3. De locatie vormt een logische afronding van het stedelijk weefsel van de kernrand, tussen de waterloop De Goorloop en de Pater Becanusstraat, én heeft géén impact op de groene long, die als bebouwingsvrije bufferzone de twee kernen van Beek en Donk scheidt. 3.4.2
Omgevingsvisie Buitengebied
De Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek is vastgesteld op 15 december 2022 onder de titel 'zonder ruimte geen beweging'. In de Omgevingsvisie is het beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn integraal omschreven voor het buitengebied van de gemeente Laarbeek. Er wordt daarbij ingezet op een gebiedsgerichte benadering om te komen tot het toekomstbeeld van een 'landelijke, zelfbewuste gemeente met een aantrekkelijk en multifunctioneel buitengebied en goed woon- en leefklimaat'. Aan de hand van acht samenhangende gebieden met elk hun eigen ruimtelijk beleid is de gebiedsgerichte benadering vastgelegd. Een belangrijk uitgangspunt voor de gemeente in het buitengebied is het behoud van de
Heuvelsche Velden Pagina 35 van 64
bufferzone, die de kernen Lieshout, Aarle-Rixtel en Beek en Donk geografisch van elkaar moet blijven scheiden. Binnen deze zone, alsmede enkele andere groene bufferzones binnen/tussen de kernen zelf, zijn grootschalige ontwikkelingen als woningbouw niet toegestaan. Elke kern moet zelfstandig waarneembaar blijven. Zie figuur 3.6 voor de ligging van deze zones, met rood omkaderd de planlocatie. Toetsing De locatie Heuvelsche Velden maakt onderdeel uit van het lintenlandschap. Dit landschap wordt gekenmerkt door een combinatie van beekdalen, lage zandgronden en dekzandruggen en daardoor een combinatie van natte en droge gronden. Bewoning vond historisch gezien plaats op de hogere delen van het landschap in de vorm van lintbebouwing. Met voorliggend plan wordt aangesloten op deze (historische) kenmerken door te wonen op de hoge en droge gronden, door middel van een combinatie van lintbebouwing en hoven en erven, en daarnaast meer ruimte voor het beekdal te bieden op de lage en natte gronden. De planlocatie grenst daarbij aan de noordoostzijde tegen de 'groene long', de groene buffer tussen de twee kernen Beek en Donk. De Pater Becanusstraat vormt daarbij de fysieke barrière tussen beiden gebieden. Aan de zuidwestzijde ligt een klein deel van het plangebied in de 'bufferzone' tussen de vier kernen van de gemeente Laarbeek, zie figuur 3.6.
Dit is echter het deel van het plangebied waar de natuurontwikkeling zal plaatsvinden. De woningbouwontwikkeling vindt dus geheel plaats buiten de bebouwingsvrije zones en is derhalve niet in strijd met de Omgevingsvisie Buitengebied. Daarbij is ook nog noemenswaardig dat ten noorden van de Goorloop de historische bebouwingsconcentratie Heereind aanwezig is. Deze wordt met voorliggend plan gerespecteerd door daarbuiten te ontwikkelen én door de natuurontwikkeling rondom de Goorloop wordt tevens voorkomen dat deze in de toekomst aan de kern Beek vastgroeit.
Heuvelsche Velden Pagina 36 van 64
Figuur 3.6 Bufferzones en bebouwingsvrije gebieden (Bron: Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek)
Binnen de Omgevingsvisie heeft de gemeente een verdere verdeling van de gemeentegronden opgenomen, zoals weergegeven in figuur 3.7. Dit is voortgekomen uit de in 2003 uitgevoerde analyse van de gehele gemeente op basis van de lagenbenadering. Aan de hand van de lagenbenadering is voor de gemeente Laarbeek een duurzaam ruimtelijk structuurbeeld (DRS) opgesteld, een ‘tijdloze’ waardering van basiskwaliteiten. Per zone is aangegeven wat de duurzame kwaliteiten zijn en wat de gebiedsstrategie is uitgaande van deze kwaliteiten en de gebiedsopgaven. Afhankelijkvan de kwaliteiten ligt de nadruk op conserveren, revitaliseren of ontwikkelen. Het betreft keuzes op hoofdlijnen. De planlocatie Heuvelsche Velden valt onder de zone 'beken en kernen'. Hiervoor is de volgende gebiedsstrategie opgenomen: nadruk op herontwikkeling en structuurversterking; inbreiding / uitbreiding (LET OP: geen vrijbrief; landschappelijke afweging blijft noodzakelijk); duurzaam afronden komranden (hoogwaardig groen woonmilieu); versterken van groen-blauwe dooradering. De ontwikkeling Heuvelsche Velden sluit naadloos aan op deze ambities. In de onderbouwing in paragraaf 3.3 is al uitgebreid ingegaan op de motivatie van deze aspecten. De ontwikkeling vindt direct grenzend aan de kern Beek en Donk plaats, en betreft daarmee een uitbreidingslocatie die dient als afronding van het stedelijk gebied.
De ontwikkeling wordt landschappelijk zorgvuldig ingepast met een groene overgangszone en robuuste interne groenstructuur. De natuurontwikkeling die tevens mogelijk wordt gemaakt draagt bij aan de versterking van de Heuvelsche Velden Pagina 37 van 64
groen-blauwe dooradering langs de Goorloop. Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Buitengebied.
Figuur 3.7 Duurzaam ruimtelijk structuurbeeld Laarbeek (Bron: Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek)
3.4.3
Beleidskader Wonen 2023
De woonvisie 2022-2026 dient te worden gezien als een aanvulling op de woonvisie 2017-2021, waarin met name is beschreven hoe de gemeente Laarbeek omgaat met de gevolgen van de wooncrisis en wat zij wil doen om de woningmarkt in Laarbeek toegankelijk en betaalbaar te houden. De prioriteiten vanuit de oude woonvisie blijven daarnaast actueel: Een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen dat aansluit op de vraag. Voldoende aanbod betaalbare woningen. Voldoende aanbod sociale huurwoningen. Voldoende aanbod middeldure vrije sector huurwoningen. Verduurzaming van de woningvoorraad met oog voor kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad en woonomgeving. Tot 2035 mag Laarbeek nog een klein aantal extra woningen bouwen. De komende jaren wordt daarbij vooral ingezet op beschikbaarheid, betaalbaarheid en doorstroming. De gemeente wil eveneens in beperkte mate ook iets duurdere woningen toestaan. Immers daaraan is ook behoefte en anderzijds zijn duurdere woningen in sommige plannen noodzakelijk om ook goedkopere woningen financieel mogelijk te maken. In oktober 2023 heeft de gemeente Laarbeek het Beleidskader Wonen 2023 vastgesteld.
Dit betreft een aanscherping van de Woonvisie, waarbij de eerdere onderverdeling van woningcategorieën is losgelaten en aansluiting is gezocht bij de landelijke kaders conform de Nationale Woon- en Bouwagenda en de regionale afspraken uit de Woondeal Zuidoost-Brabant. De basisafspraak is daarbij dat bij ontwikkelingen met meer dan 14 woningen een verdeling wordt aangehouden van 30% sociale woningbouw, 37% betaalbare koopwoningen en middeldure huur-
Heuvelsche Velden Pagina 38 van 64
en koopwoningen en maximaal 33% dure koopwoningen. Tegelijkertijd geeft de gemeente aan dat de woningbouwopgave dynamisch is en er soms locatie- of projectafhankelijk keuzes gemaakt moeten worden. De differentiatie moet realistische planvorming daarbij niet in de weg staan en leiden tot onhaalbare projecten. Daarbij zijn er concreet ook uitzonderingen op deze basisafspraak benoemd, waarbij een andere differentiatie mogelijk is: 1. Wanneer sprake is van een getekende intentieverklaring, samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst, bij projecten waarbij de gemeente facilitair optreedt. 2. Wanneer sprake is van een bestemmingsplanprocedure die in voorbereiding is, bij projecten waarbij de gemeente actief optreedt. 3. Wanneer er een raadsbesluit is genomen over het woonprogramma, voordat het Beleidskader Wonen 2023 door de raad is vastgesteld. Toetsing De woningbouwontwikkeling Heuvelsche Velden voorziet in 24 zelfbouwkavels, 16 rijwoningen, 20 twee-onder-een-kap woningen en 5 vrijstaande woningen. Voor de woningbouwontwikkeling geldt dat sprake is van de eerste uitzondering, zoals opgenomen in het Beleidskader Wonen 2023. De woningtypologie is reeds eerder vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Laarbeek en de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte.
De locatie is daarnaast tevens binnen de Woondeal Zuidoost Brabant aangeduid als een van de sleutelprojecten in de regio die noodzakelijk is voor de invulling van de regionale opgave. De ambities vanuit de Woondeal om 2/3e betaalbare woningen te realiseren dienen gezien te worden als streefcijfers vanuit een groter schaalniveau. Verevening tussen locaties die een relatie hebben met elkaar (bijvoorbeeld door geografische ligging) is daarmee mogelijk om toch tot de beoogde doelstellingen vanuit het Beleidskader Wonen te komen. De gemeente Laarbeek heeft gronden in de nabijheid van het plangebied Heuvelsche Velden in bezit. Op deze gronden is betaalbare woningbouw voorzien. Daarover lopen reeds gesprekken met een woningbouwcorporatie. Daarmee sluit de boogde ontwikkeling aan bij het beleidskader.
3.5
Conclusie beleidskader
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het rijksbeleid, het beleid van de provincie en het gemeentelijke beleid. Vanuit beleidsoogpunt zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Heuvelsche Velden Pagina 39 van 64
Hoofdstuk 4
Verantwoording
In het kader van de ontwikkeling van woningbouwlocatie Heuvelsche Velden zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de inpasbaarheid van deze ontwikkeling in de omgeving. De uitkomsten hiervan zijn, voor zover relevant, in onderstaande paragrafen beschreven.
4.1
Bodem
4.1.1
Relevant kader
Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar zijn. 4.1.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In opdracht van Ruimte voor Ruimte heeft Sweco B.V. een vooronderzoek milieuhygiënische bodemkwaliteit uitgevoerd ter plaatse van de Heuvelsche velden in Beek en Donk (Bijlage 5). Het vooronderzoek heeft geleid tot de volgende conclusies: Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat de onderzoekslocatie tot op heden overwegend gebruikt is als bos (tot circa 1900) en agrarische doeleinden (1900 - heden). Vanaf begin jaren '80 werd een groot deel van de locatie gebruikt als boomgaard. In die tijd lijkt ook de met klinkers verharde toegangsweg naar het opslagterrein te zijn aangelegd. Het huidige agrarische perceel is door het historische gebruik als boomgaard verdacht op het voorkomen van de verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen De toegangsweg tot het opslagterrein is eerder onderzocht, waarbij geen verontreinigingen zijn aangetoond en waarbij tevens geen fundering is aangetroffen. De rest van de toegangsweg kan daardoor echter niet direct aangemerkt worden als onverdacht. Mogelijk bevindt zich hier wel fundering van onbekende kwaliteit. Dit behoeft nader onderzoek. Op de toegangsweg, en mogelijk ook op het opslagterrein, is op luchtfoto's een opstal waargenomen met mogelijk een dak van asbestverdachte golfplaten. Er dient een locatiebezoek te worden uitgevoerd om te bepalen uit welk materiaal het dak (en de rest van de opstallen) bestaat.
Met die informatie kan bepaald worden of een asbestonderzoek uitgevoerd dient te worden. Op het opslagterrein is niet bekend of er bodembedreigende activiteiten en plaatsvinden of hebben plaatsgevonden. Er dient een locatiebezoek te worden uitgevoerd alvorens de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan worden bepaald voor deze deellocatie. De voormalige loop van de rivier de goorloop en een voormalige sloot zijn verdacht als gevolg van de mogelijke aanwezigheid van dempingsmaterialen (en mogelijke verontreinigingen met zware metalen, PAK, minerale olie, PCB en/of Asbest) De omgeving van de onderzoekslocatie is verdacht op de mogelijke aanwezigheid van de zinkassen. De aanliggende wegen en bermen zijn hiermee specifiek verdacht op de aanwezigheid van met name zware metalen en tevens PAK. Wat betreft ontplofbare oorlogsresten (OO) zijn geen eerdere onderzoeken bekend. De locatie is verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging vanwege historische activiteiten. De volgende deellocaties zijn te onderscheiden: Agrarisch perceel (met mogelijk gebruik bestrijdingsmiddelen).
Heuvelsche Velden Pagina 40 van 64
Toegangsweg (met mogelijk bodemvreemde bijmengingen) Opslagterrein (met mogelijk bodemvreemde bijmengingen en eventueel door de eigenaar van het perceel ondernomen activiteiten; bij een te verrichten locatiebezoek dient hiertoe specifiek navraag verricht te worden) De voormalige loop van de rivier de Goorloop en een voormalige sloot zijn verdacht als gevolg van de mogelijke aanwezigheid van dempingsmateriaalen. De aanliggende wegen en bermen van de onderzoekslocatie zijn verdacht op de mogelijke aanwezigheid van Zinkassen Uit het vooronderzoek worden de volgenden adviezen gegeven: Het huidige agrarische perceel te onderzoeken conform NEN 5740, Strategie 'onverdacht, niet lijnvormig'. Het analysepakket dient te worden uitgebreid met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Als eerste een locatiebezoek uit te voeren ter plaatse van de toegangsweg en het opslagterrein. Er dient in kaart te worden gebracht of er bodembedreigende activiteiten worden of werden uitgevoerd. Hiertoe kan tevens een interview of vragenlijst worden afgenomen bij de voormalige eigenaar. Ter plaatse van de voormalige loop van de rivier de Goorloop en de voormalige sloot twee raaien boringen uit te voeren. Per raai 7 boringen, waarbij 1 in de voormalige rivier/sloot wordt gepland en 3 aan weerzijden van de voormalige rivier/sloot, met 1 meter afstand tussen de boringen.
Indien puin wordt aangetroffen kan, na overleg met de opdrachtgever, opgeschaald worden naar een astbestonderzoek Vanwege mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen met zware metalen en/of PAK ter plaatse van de grens van de onderzoekslocatie in het noorden met de Pater Becanusstraat, dienen er boringen bij deze grens uitgevoerd te worden. Het gaat hier om de berm van de Pater Becanusstraat en het deel van de onderzoekslocatie ten zuiden van de sloot. Tevens dient de toegangsweg en de berm van de toegangsweg specifiek onderzocht te worden op funderingslagen en de mogelijke toepassing van zinkassen. De grond onderzoeken op PFAS (conform landelijke handelingskader). Geadviseerd wordt om hier de strategie 'verdachte locatie, diffuse bodembelasting, homogeen verdeelde verontreiniging (VED-HO)' op basis van de NEN 5740 te hanteren. Voordat er op de locatie met grondroerende werkzaamheden wordt begonnen, is een vooronderzoek conflictperiode conform het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO) uitgevoerd (Bijlage 15). Op basis van de analyse van het historisch feitenmateriaal in dit onderzoek is het plangebied als onverdacht aangemerkt op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten.
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek en de uitkomsten dient in het vervolgtraject een onderzoeksstrategie voor het gehele gebied te worden bepaald met boringen, inclusief analyses. Dit verkennend bodemonderzoek kan gefaseerd worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt voorafgaand aan de uitvoerende werkzaamheden uitgevoerd. Indien bodemverontreinigingen worden aangetroffen wordt functiegericht gesaneerd, zodat de bodemkwaliteit aansluit bij de beoogde functies. Daarmee staat het aspect bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.
4.2
Ecologie
4.2.1
Relevant kader
Bescherming van natuurwaarden vindt plaats conform de Wet Natuurbescherming 2017. Handelingen of projecten dienen worden getoetst aan de volgende kaders: Natura 2000-gebieden Soorten
Heuvelsche Velden Pagina 41 van 64
Natuurnetwerk Nederland 4.2.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Sweco heeft een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd deze is weergegeven in Bijlage 6. Daarnaast is aanvullend onderzoek gedaan naar het provinciaal natuurbeleid, te vinden in Bijlage 4. De belangrijkste conclusies zijn hieronder opgesomd. Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden Gelet op de relatief grote afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, op voorhand uitgesloten. Hierdoor is er geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Effecten van stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zijn op voorhand niet uit te sluiten. Er zijn derhalve stikstofberekeningen uitgevoerd, zie hiervoor paragraaf 4.2.3. Wet natuurbescherming: soortenbescherming Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van categorie 1 t/m 4 soorten aangetroffen of te verwachten. Het plangebied kan een functie hebben als foerageergebied van vogels die een jaarrond beschermd nest in de omgeving hebben. Dit geldt voor de steenuil die gelet op de inrichting van de omgeving met boerderijen en erven, mogelijkerwijs zijn nestplaats grenzend aan het plangebied heeft. Een functie van het plangebied als onderdeel van het leefgebied van de steenuil is derhalve niet met zekerheid op voorhand uitgesloten. Hier is aanvullend onderzoek nodig.
Tijdens het aanvullende veldonderzoek naar steenuil en kerkuil (Bijlage 7), zijn er geen auditieve en visuele waarnemingen verricht van respectievelijk roepende of ter plaatse aanwezige steenuilen of kerkuilen. Op basis van de resultaten van onderhavige inventarisatie kan derhalve gesteld worden dat het plangebied géén functie heeft als leefgebied voor steenuil. Er zijn tenslotte geen jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen aanwezig in en nabij het plangebied. Een ontheffing Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenuil, is hierdoor niet aan de orde. In de noordelijke schuur is, op basis van de aangetroffen krijtsporen en braakballen, sprake van een roestplaats van de kerkuil. Gezien de zeer beperkte hoeveelheid braakballen en het uitblijven van nieuwe braakballen gedurende de onderzoeksperiode, vormt de schuur slechts hooguit een incidentele roestplek voor de kerkuil. Aantasting van een vaste essentiële rustplaats van de kerkuil danwel bijbehorende functionele leefomgeving, is uitgesloten. Een ontheffing Wet natuurbescherming ten aanzien van de kerkuil, is hierdoor niet aan de orde. Een essentiële functie van het plangebied voor overige vogels met een jaarrond beschermde nestplaats is echter uitgesloten. Dit gelet op het open karakter van het plangebied waarbij het ontbreekt aan een kleinschalige (rommelige) inrichting met houtwallen en heggen.
Nader onderzoek naar jaarrond beschermde vogels is niet noodzakelijk. Met de beoogde ontwikkeling wordt de Goorloop niet aangetast. Negatieve effecten op de bever zijn derhalve uitgesloten. Een functie van het plangebied als leefgebied voor overige (niet vrijgestelde) beschermde zoogdieren, is op voorhand uitgesloten door het ontbreken van geschikt habitat. Nader onderzoek naar (overige) zoogdieren is niet noodzakelijk. De Goorloop wordt niet aangetast als gevolg van de voorgenomen ingreep. Tevens is deze niet geschikt als voorplantingswater van de Alpenwatersalamander. Negatieve effecten zijn hierdoor uitgesloten. Het is daarnaast aannemelijk dat algemeen voorkomende, beschermde amfibieën voorkomen in het plangebied, zoals bastaard kikker, bruine kikker en/of gewone pad. Voor deze soorten geld echter een vrijstelling van ontheffingsplicht. Het plangebied (de Goorloop) is geschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de Goorloop niet aangetast. Indien toch werkzaamheden aan de Goorloop noodzakelijk zijn, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (e-DNA analyse). Een functie van de plangebieden voor beschermde ongewervelden is uitgesloten gelet op het ontbreken van bestaande waarnemingen binnen en in de directe omgeving van het plangebied.
Heuvelsche Velden Pagina 42 van 64
Bekende waarnemingen zijn gerelateerd aan biotopen welke aanwezig zijn om grote afstand tot het plangebied, buiten de invloedsfeer van de ontwikkeling. Nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is niet noodzakelijk. Natuurnetwerk Brabant (NNB) Omdat het plangebied niet binnen de begrenzing van het NNB gelegen is, is enkel sprake van mogelijke effecten door externe werking. Effecten zoals ruimtebeslag en versnippering, en daarmee en verminderde robuustheid en samenhang van het NNB, zijn derhalve op voorhand uitgesloten. Effecten met een externe werking zijn, onder andere; trillingen, geluid, licht en geur. Met de ontwikkeling van de woningen zal in de aanlegfase tijdelijk sprake zijn effecten met een externe werking door de inzet van werktuigen en bouwwerkzaamheden. Echter, de wezenlijke kenmerken en waarden van 'Beek en bron' bestaan voornamelijk uit structuurelementen, hydrologische condities en ruimtelijke condities die niet gevoelig zijn voor dergelijke effecten. Voorbeelden hiervan zijn de aanwezigheid van o.a. natuurvriendelijke oevers, het afvoerpatroon van de beek en de verbinding met andere beken en rivieren. Een ander onderdeel van de wezenlijke kenmerken en waarden is de aanwezige flora en fauna. Voor 'Beek en bron' zijn dit soorten uit de soortgroepen planten, vissen en libellen.
Deze soortgroepen zijn eveneens niet gevoelig voor effecten als trillingen, geluid, licht en geur. In de voorgenomen ontwikkeling wordt aan de achterzijde van de woonkavels een buffer(natuur)zone ingericht. Hierdoor wordt de functionaliteit van het huidige NNB als verbinding tussen overige delen van het NNB niet aangetast. Effecten op het zuidelijk gelegen 'Rivier- en beekbegeleidend bos' en 'Vochtig bos met productie' zijn tevens uitgesloten door het voornemen om, naast woningen, een natuurzone te realiseren ten zuiden van deze woningen. Deze natuurzone zal dusdanige omvang hebben (circa 200m), dat deze als buffer tussen de woningen en het huidig NNB zal optreden. De betreffende natuurzone zal worden ontwikkeld als Vochtig Hooiland en Kruiden- en faunarijk grasland. 4.2.3
Stikstofdepositie
Voor het planvoornemen zijn stikstofberekeningen uitgevoerd (Bijlage 8). Het plan leidt in de gebruiks- en aanlegfase niet tot toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen/ leefgebieden met een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW). Hiermee zijn significante negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie uitgesloten en is er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmering om het plan vast te stellen.
4.3
Water
4.3.1
Relevant kader
De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. 4.3.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Voor het planvoornemen is een watertoets uitgevoerd, opgenomen in Bijlage 9. Daarin wordt op basis van onderstaande conclusies per onderdeel aangegeven dat er in het plan voldoende rekening wordt gehouden met de waterbelangen.
Onderdeel
Conclusie
Heuvelsche Velden Pagina 43 van 64
Hemelwaterberging
Er is 1.388 m3 waterberging nodig. Dit wordt gerealiseerd in bovengrondse bergingsvoorzieningen op openbaar terrein.
Hemelwaterafwatering
Via HWA-riool naar de bergingsvoorzieningen. Vertraagde afvoer en overstort op Goorloop.
Oppervlaktewater
Werken in de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte rond de A-watergang zijn vergunningsplichtig bij het waterschap.
Vuilwater
Nieuw DWA stelsel aansluiten op gemeentelijk stelsel. Inprikpunt dient later te worden bepaald.
Ontwatering
Delen van het plan dienen te worden opgehoogd.
Beheer en onderhoud
Wandelpad dient als onderhoudspad voor waterberging. Wandelpad daarom aanleggen moet voldoende ontwateringsdiepte.
Waterkwaliteit
Geen uitlogende stoffen toepassen. Vanwege waterkwaliteit wordt hemelwater gezuiverd middels bodempassage, alvorens het in de natuurzone komt.
Binnen het plangebied is één locatie waar de waterberging ingepast kan worden. Dit is de zone tussen het plangebied en het wandelpad langs de natuurzone. Deze is weergegeven in Figuur 4.1. De berging langs het wandelpad wordt aan de oostzijde begrensd door het hoger gelegen plangebied. Aan de westzijde wordt het wandelpad opgehoogd tot ca. NAP +14,00 m. Zo kan het wandelpad fungeren als dijkje waarachter het hemelwater geborgen wordt. En heeft het wandelpad voldoende drooglegging om begaanbaar te zijn voor beheer en onderhoud. Daarnaast kan het wandelpad zo fungeren als waterscheiding tussen het water in de natuurzone en het hemelwater uit het plangebied. In totaal past er ongeveer 1.450 m3 in de bergingsvoorziening langs het wandelpad. Dit is ruim voldoende om de benodigde 1.388 m3 op te vangen.
Heuvelsche Velden Pagina 44 van 64
Figuur 4.1 Locatie bergingsvoorzieningen
Het plangebied grenst aan de Goorloop. De Goorloop is op de legger van het waterschap aangeduid als A-watergang. Langs de Goorloop geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter. Deze zone is aangewezen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de watergang. Binnen deze beschermingszone is de Keur van toepassing. Deze stelt onder andere beperkingen aan het aanbrengen van obstakels. Daarnaast is rond de Goorloop een profiel van vrije ruimte aangewezen. Het profiel van vrije is bedoeld om ruimte vrij te houden voor toekomstige ontwikkeling van de watergang. Het doel van de aanduiding is het voorkomen van ingrepen die het uit te voeren beekherstel belemmeren of onmogelijk maken. Voor alle werkzaamheden en obstakels die beoogd zijn in het profiel van vrije ruimte is een watervergunning noodzakelijk. Daarmee is het belang van het waterschap geborgd.
4.4
Archeologie, cultuurhistorie en aardkundige waarden
4.4.1
Relevant kader
Gemeenten hebben op grond van de Monumentenwet de taak om bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Daarnaast moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met eventuele cultuurhistorie en aardkundige waarden ter plaatse. Dit is geborgd in de Nota Belvedère en het verdrag van Malta. De nota en het verdrag leiden ertoe dat de provincie met haar beleid het Heuvelsche Velden Pagina 45 van 64
cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed moet beschermen. De verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden ligt met de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de archeologische monumentenzorg voornamelijk bij gemeenten. Zij zorgen ervoor dat het beleid op de juiste wijze wordt uitgevoerd. Aardkundige waarden omvatten drie verschillende disciplines: geomorfologie, geologie en bodemkunde. Ingrepen in de gebieden met bijzondere aardkundige waarden kunnen onherstelbare schade aanrichten. 4.4.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Archeologie In opdracht van Ruimte voor Ruimte heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch onderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Bijlage 16). Er zijn binnen het plangebied reeds twee vindplaatsen aangetroffen tijdens een proefsleuvenonderzoek en een opgraving door RAAP in 2019 en 2020. Deze dateren uit de IJzertijd en late Middeleeuwen/ Nieuwe tijd. Daarom is het aannemelijk dat er ook archeologische waarden aanwezig zijn die verband houden met de beekloop. Het booronderzoek diende om aan te tonen waar, en hoe diep de beekloop aanwezig is. Ook is een nog niet onderzochte zone aan de noordoostzijde van het plangebied meegenomen in het booronderzoek. Uit het booronderzoek is gebleken dat in het plangebied een duidelijke beekloop aanwezig is. Onder een bouwvoor en afdichtingspakket van 70 tot 90 cm – mv zijn humeuze beekafzettingen aanwezig. De dikte van de beekafzettingen bedraagt ca. 30 tot 90 cm, en in deze afzettingen zijn mogelijk archeologische waarden aanwezig die verband houden met de beek zoals restanten van voorden, bruggen, restanten van visvangsten zoals fuiken, visweren, rituele deposities en dumps van (nederzettings-)afval. In de boringen in het noordoosten van het plangebied is een duidelijk AC-profiel aanwezig. Onder een recente bouwvoor van ca. 30 tot 60 cm dik is een gereduceerde C-horizont aanwezig.
Resten van dieper ingegraven archeologische sporen kunnen echter reiken tot in de C-horizont zoals ook in ander delen van het plangebied is aangetoond. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek heeft in het vervolgproces voor enkele delen binnen het plangebied, ter plaatse van de woningbouwontwikkeling, reeds nader proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn er een bepekt aantal sporen aangetroffen. Ter plaatse van de oude beekloop zijn enkele losse paaltjes en een palenrij aangetroffen, evenals een aantal greppels. In de sleuven in het noordoosten van het plangebied in het dekzand zijn een zeer beperkt aantal sporen aangetroffen. Gezien het ontbreken van relevante sporen en vondsten is in het veld besloten dat er geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats en er geen vervolgonderzoek hoeft uitgevoerd te worden. Op basis hiervan heeft de gemeente op 22 september 2023 een selectiebesluit genomen, waarmee de beoogde dubbelbestemming archeologie binnen het plangebied deels is komen te vervallen. Ter plaatse van de resterende locaties waar nader archeologisch onderzoek noodzakelijk blijft, is een dubbelbestemming archeologie opgenomen. Daarmee is het benodigde vervolgonderzoek juridisch-planologisch geborgd. Dit onderzoek kan in een later stadium van de ontwikkeling worden uitgevoerd.
Cultuurhistorie Het plangebied is door de jaren heen voornamelijk in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. Dit blijkt ook uit de Erfgoedkaart van de gemeente Laarbeek (zie figuur 4.2), waarop de historische landschappen zichtbaar zijn gemaakt. Op basis van de Efgoedkaart en catalogus cultuurhistorische inventarisatie Laarbeek kunnen de volgende constateringen worden gedaan ten aanzien van de cultuurhistorische geschiedenis van de planlocatie: Heuvelsche Velden Pagina 46 van 64
De zuid-westelijke punt van het plangebied was in de periode tussen 1850 en 1900 nog (groten)deels bebost. Dit gebeurde in de periode dat grote gemeenschappelijk gebruikte heideterreinen verkocht werden en bij gebrek aan mest niet in boerenland konden worden omgezet. Het noord-oostelijk deel van het plangebied betreft oud akkergebied van voor 1850. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen het noordelijk deel en het zuidelijk deel. Het noordelijk deel maakte deel uit van een open akker: grote gebieden met een heleboel meestal strookvormige eigendommetjes die allemaal bouwland zijn en onderling niet of amper door heggen gescheiden zijn of waren. Het zuidelijk deel maakte deel uit van een besloten akker: bouwlandpercelen van een halve tot twee hectare, die omgeven zijn door een heg die soms op een walletje staat. Deze waren meestal het eigendom van één persoon of slechts enkele. Beide gebieden waren gescheiden door een akkerwal en het oostelijk en westelijk deel van het plangebied werd gescheiden door de Goorloop die in deze periode door het gebied meanderde. In de periode tussen 1971 en 1978 werd de Provinciale Weg ten westen van het plangebied aangelegd. In deze periode was sprake van grote ruilverkavelingen, waar uiteindelijk ook een deel van het plangebied in is betrokken.
Het historische beeld van het buitengebied met onverharde landwegen en houtwallen rond kleine percelen, kromme wegen en bochtige sloten en waterlopen verdween daarmee. De ruilverkaveling heeft het landschap ingrijpend veranderd. De nieuwe wegen zijn recht en verhard, de nieuwe sloten en waterlopen zijn recht en percelen van de boerderijen zijn groter en meer aaneengesloten. Het lijkt erop dat het plangebied na de ruilverkaveling en het kanaliseren en omleggen van de Goorloop zijn huidige structuur en gebruik heeft gekregen.
Figuur 4.2 Historisch landschap rondom het plangebied (Bron: Erfgoedkaart Laarbeek)
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant maakt de locatie onderdeel uit van de regio Peelrand en het archeologisch landschap Helmondse akkers. De CHW geeft daarbij de volgende toelichting: De Peelrand bestaat uit een een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door Heuvelsche Velden Pagina 47 van 64
akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige weidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. De Helmondse akkers omvat het sterk gevarieerde landschap tussen het Lommerdal in het westen en de Peelhorst in het oosten. Het gebied wordt van zuid naar noord doorsneden door de Aa en de Goorloop en hun zijbeken. Hierdoor is een mozaïek van kleinre en grotere dekzandgebieden ontstaan die veelal zijn bedekt met oude akkercomplexen en woeste gronden heide en bos. Dat de plek al lang bewoond is, toont ook het archeologsich veldonderzoek van RAAP (Bron: Raap, 2019, 2020). Vanuit de IJzertijd zijn sporen gevonden die duiden op bewoning op een prehistorisch erf. En vanuit de middeleeuwen zijn oude greppelstructuren gevonden die duiden op afwatering van de gronden:
Figuur 4.3 Archeologisch onderzoek
In voorliggend plan wordt rekening gehouden met deze cultuurhistorische context van de locatie. Zo volgt het ruimtelijk concept de historische landschappelijke karakteristieken van de plek; met wonen op de hoge en droge gronden, aansluitend aan de kern, en meer ruimte voor het beekdal op de lage en natte gronden. Hierdoor wordt de landschappelijke overgang beleefbaar en het natuurlijke systeem hersteld. De huidige kunstmatig aangelegde akker komt te vervallen en wordt terug gegeven aan het beekdal, dat oorspronkelijk door dit gebied meanderde. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de historische bebouwingsconcentratie Heereind, zoals te zien in figuur 4.4 (met rood omkaderd de planlocatie). Deze begint vanaf de beek Goorloop, de locatie van de Voortbrug, tot pakweg aan het kruispunt met de Herendijk. Vroeger werd de Goorloop ook wel Pesgal of Peesgalloop genoemd. Dat waarschijnlijk 'waterloop door een natte weide' of 'Hooiland op een natte plaats' betekent. Op een hogere plaats in het gebied is het gehucht Heereind ontstaan uit de Laatmiddeleeuwse hoeve Hereneind. De verklaring van de naam Heereind is waarschijnlijk te zoeken in het oudenederlandse 'heren': haagbeuk en achtervoegsel 't' wat plaats betekend. Heereind moet al lang bewoond zijn. In een akte uit 1314 werd het op een lijn gesteld met Aarle, Beek en Rixtel.
De verkavelingsstructuur van het 'hoevenlandschap' is terplaatse nog grotendeels behouden gebleven. (Bron: Erfgoedkaart Laarbeek en catalogus cultuurhistorische inventarisatie Laarbeek). Deze historische bebouwingconcentratie wordt met voorliggende ontwikkeling gerespecteerd en door de groene ontwikkeling rondom de Goorloop wordt voorkomen dat deze in de toekomst aan de kern Berk vastgroeit.
Heuvelsche Velden Pagina 48 van 64
Figuur 4.4
Bebouwingsconcentraties gemeente Laarbeek (Bron: Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek)
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
Relevant kader
In het kader van milieuzonering van bedrijven is er getoetst aan het VNG-publicatie. In deze publicatie staat de afstand die moet worden gehouden van bepaalde bedrijven op het gebied van geur, geluid, stof en gevaar voor een goede ruimtelijke ordening. Als deze afstand niet wordt behaald met het projectplan, moet dit goed ruimtelijk onderbouwd worden. 4.5.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Binnen het projectgebied zijn geen bedrijven of andere functies aanwezig, die hinder kunnen vormen voor de nieuwe bestemmingen die in het gebied gaan komen. Rondom het projectgebied liggen wel verschillende functies die getoetst dienen te worden. De volgende functies liggen in de buurt van het plangebied: Voetbalvereniging Sparta 25, Dierenpark Regter Eind en een varkenshouderij. In figuur 4.5 is de milieuzonering van de fucties weergegeven. Voor de voetbalvereniging geldt vanuit de VNG-publicatie een richtafstand van 50 meter ten behoeve van geluid vanaf het terrein van de voetbalvereniging tot aan de woningen in dit plan. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. De dichtstbijzijnde woningen zijn op circa 100 meter afstand van de voetbalvereniging voorzien. Verder geldt voor het dierenpark en voor de veehouderij dat er rekening moet worden gehouden met geuroverlast. Bij het dierenpark moet er een afstand worden gehouden van 30 meter. De woningen die komen in het plangebied liggen op een afstand van Heuvelsche Velden Pagina 49 van 64
meer dan 100 meter. Bij de varkenshouderij moet er een afstand worden gehouden van 200 meter. De woningen die komen in het plangebied liggen op een afstand van meer dan 300 meter. Dit betekent dat aan alle richtafstanden wordt voldaan. Vanuit milieuzonering is er dan ook geen belemmering voor het mogelijk maken van woningbouw op deze locatie.
Figuur 4.5
Milieuzonering van omliggende bedrijven
Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
4.6
Spuitzone
4.6.1
Relevant kader
In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot enkele omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Aangezien de afstand welke (minimaal) aangehouden moet worden tot gevoelige objecten niet concreet in een regeling is voorgeschreven, dient op grond van de Wet ruimtelijke ordening te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar aanvaarbaar woon- en leefklimaat. Onderdeel daarvan is het risico op drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Wettelijk kader Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dient plaats te vinden in overeenstemming met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Blijkens artikel 47 en 20 van deze wet in samenhang met de Verordening 528/2012/EU mogen middelen alleen worden gebruikt op grond van een (vereenvoudigde) toelating, welke onder voorschriften / beperkingen kan worden verleend door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Volgens de Verordening mogen er alleen middelen worden toegelaten op de Europese markt (en worden gebruikt) als voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Blijkens de Verordening wordt bij effecten op de volksgezondheid tevens rekening gehouden met cumulatieve, synergetische effecten alsook bio-accumulatie. Verwezen wordt naar artikel 19, lid 2 onder d en e van genoemde Verordening. Heuvelsche Velden Pagina 50 van 64
Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het College of het middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook gelimiteerd voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet. 4.6.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Het feit dat bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen zal moeten worden voldaan aan de krachtens de Verordening gestelde eisen, indiceert al dat sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor omwonenden. Immers is het niet toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, tenzij voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Op Europees niveau is daarmee de bescherming van omwonenden nabij agrarische gronden al geborgd. Om toch ook een volledig beeld te vormen van de drift is hieronder op de plansituatie ingegaan. De planlocatie ligt op circa 15 meter afstand van landbouwgronden aan de overzijde van de Pater Becanusstraat. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter, die vaker wordt aangehaald binnen ontwikkelingen in Nederland. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (voor zover deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte.
Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze spuitdoppen worden getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Als aanvullende voorzorgsmaatregel is ervoor gekozen voor extra afscherming aan de noordzijde langs de Pater Becanusstraat. Qua configuratie is hierbij gekozen voor een zo dicht mogelijke haag. Deze haag helpt om in de lucht aanwezige dampen en aerosolen te verdunnen. Dat deze afscherming over een korte afstand nabij de toegangsweg zal moeten worden onderbroken wordt hierbij niet bepalend geacht, mede gelet op de laanbeplanting welke langs deze ontsluitingsweg zal worden aangeplant. Voor de aanplant van de haag is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Heuvelsche Velden Pagina 51 van 64
4.7
Geluid
4.7.1
Relevant kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of na realisatie van het plan sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Op basis van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van ruimtelijke plannen: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. De Wgh benoemt situaties wanneer onderzoek nodig is naar geluidhinder en bevat normen voor de voorkeurswaarde en maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van woningen. Daarnaast kan het ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening nodig zijn inzicht te geven in de indirecte akoestische gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventueel verkeersaantrekkende werking. 4.7.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Voor het planvoornemen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Bijlage 10). In de omgeving is geen sprake van railverkeer- of industrielawaai. De resultaten worden hier kort samengevat. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de uiterste bebouwingsgrens van de kavels door het verkeer over de Pater Becanusstraat de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder niet overschrijdt, mits de woningen binnen de groene contour in figuur 4.6 worden gerealiseerd. Dit geldt vanaf een afstand van 21 meter vanuit de kant verharding van de Pater Becanusstraat. Aanvullende maatregelen zijn in dat geval niet nodig. De bouwvlakken zijn aangepast op de groene contour, zodat geen woningen gebouwd worden boven de ten hoogste toelaatbare waarde. Hiermee is een goede ruimtelijke ordening v.w.b. akoestiek geborgd.
Figuur 4.6 Toetsingswaarde in dB, door verkeer op de Pater Becanusstraat
De geluidbelasting door verkeer op de Pater Becanusstraat (gedeelte 30 km/uur) en op de Heuvelsche Velden Pagina 52 van 64
Molenweg is niet getoetst, omdat de wettelijk vastgestelde rijsnelheid niet hoger is dan 30 km/uur en deze wegen daardoor geen zone hebben. De geluidbelasting op de Oostbeemdeweg is niet getoetst, omdat de verkeersintensiteiten op deze weg zodanig laag zijn dat onderzoek niet nodig is geacht.
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Relevant kader
In de Wet Milieubeheer (Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm verlenen college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wanneer aannemelijk is dat gemaakt dat: Het vergunde plan niet leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; De luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; Het vergunde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswoningen; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg; Kantoorlocaties met een bruto oppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en één ontsluitingsweg. Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht. 4.8.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Woningbouwlocaties behoren tot één van de categorieën van projecten waarvoor in de Regeling NIBM getalsmatige grenzen zijn opgenomen waarbinnen een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. NIBM-grens woningbouwlocaties: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg of; 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het onderhavige plan omvat de realisatie van maximaal 65 woningen met minimaal 1 ontsluitingsweg. Hiermee valt het plan ruimschoots binnen de getalsmatige begrenzing uit de Regeling. Het plan draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit en voldoet daarmee aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
Heuvelsche Velden Pagina 53 van 64
4.9
Geurhinder
4.9.1
Relevant kader
In het kader van een goed woon- en leefklimaat is het milieuaspect geur van belang. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk maken binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf of andersom. Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan op geurhinder van bedrijven (en andersom) moet daarom het belang van zowel geurgevoelige objecten als het belang van bedrijven en omgeving worden getoetst. 4.9.2