CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

6 20221019 Bestemmingsplan_Lagedijk 1 Beek en Donk_ontwerp Toelichting.pdf

Commissie Ruimtelijke Zaken 19 oktober 2022, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Lagedijk 1 en 1a Beek en Donk21.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Tenslotte geldt blijkens kaart 8 (Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging), ter plaatse van het plangebied, de aanduiding ‘Normvrij gebied’. Op grond van artikel 2.8 van de Waterwet moeten bij provinciale verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, normen worden gesteld met betrekking tot de gemiddelde overstromingskans per jaar uit oppervlaktewateren van daarbij aan te wijzen gebieden. De normen drukken de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming uit ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau. Binnen een ‘Normvrij gebied’ geldt geen verplichting voor het waterschap om een genormeerd beschermingsniveau te bieden. In de IOV is de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten, zoals verwoord de Omgevingswet. De wet kent als maatschappelijk doel het in onderlinge samenhang:  bereiken en in stand houden van een veilig en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van natuur, en  doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Bij de evenwichtige toedeling van functies speelt de balans tussen beschermen en benutten een belangrijke rol.

Dat verschilt per ontwikkeling, per onderwerp, per gebied en in de tijd. De Brabantse leefomgeving kent een grote verscheidenheid. Die omgeving bestaat zowel uit waarden die in een gebied aanwezig zijn als uit de aanwezige functies. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied.

9 MAART 2022

 21

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

De zorgplicht omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Brabantse omgevingsvisie: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaarde-creatie. Onderhavige ontwikkeling wordt getoetst aan deze drie elementen.

ZORGVULDIG RUIMTEGEBRUIK Zorgvuldig ruimtegebruik houdt allereerst in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in de IOV; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in de IOV is toegestaan. Het initiatief betreft het in gebruik nemen van de agrarische bedrijfswoning van de varkenshouderij als plattelandswoning. De woning wordt functioneel gezien niet meer betrokken bij de veehouderij. Het gaat hier dus om een bestaande bedrijfswoning op een bestaand bouwperceel. Met onderhavige bestemmingsplanprocedure wordt het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal verwijderd. Daarnaast krijgt de woning binnen het bouwvlak de aanduiding ‘plattelandswoning’. Als gevolg van deze verandering kan de woning bewoond worden door derden, zonder dat zij een functionele binding moeten hebben met het bijbehorende bedrijf. Deze ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied betreft dus een bestaand bouwperceel en heeft geen uitbreiding van het geldende toegestane ruimtebeslag tot gevolg. Derhalve is sprake van zuinig ruimtegebruik.

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt ook in dat bij een stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking). In artikel 1.1.1. onder i van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is gedefinieerd wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Hierbij is geen ondergrens bepaald. Dit is afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Ten aanzien van woningbouwlocaties volgt uit de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat er in beginsel pas sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er twaalf of meer woningen worden gerealiseerd. In onderhavige situatie is dit niet aan de orde; feitelijk worden er geen extra woningen opgericht. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft in dit geval dus niet toegepast te worden.

TOEPASSING VAN DE LAGENBENADERING De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen. Het gaat daarbij om het effect op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a) de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b) de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; c) de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

9 MAART 2022

 22

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De eigenschappen van de ondergrond, het landschap, de infrastructuur en de mate van verstedelijking verschillen sterk binnen de provincie Noord-Brabant. Hierdoor kan een ingreep in het oosten van de provincie heel anders uitpakken dan in het westen. Daarom is het van belang om te weten hoe de omgeving in elkaar steekt en te kijken naar alle lagen: de ondergrond, de netwerklaag, de bovenlaag en de tijdsdimensie. Tussen deze lagen bestaat een wisselwerking. Iedere laag kent zijn eigen dynamiek, verschillende veranderingssnelheid en mate van omkeerbaarheid bij ingrepen. In hoofdstuk 4 worden alle afzonderlijke lagen beschouwd en wordt bovendien specifiek getoetst aan provinciale beleidsregels, zoals omtrent het Natuur Netwerk Brabant, de groenblauwe mantel, cultuurhistorische en aardkundige waarden, stiltegebieden en delen van het watersysteem. Vooruitlopend op deze toetsing zijn de herbestemming van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning en het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal passende ontwikkelingen in het kader van het behoud van de omgevingskwaliteit van dit gebied.

MEERWAARDECREATIE Het begrip meerwaardecreatie is een belangrijke kernwaarde uit de verordening. Het omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a) de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b) de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Meerwaardecreatie is een basisprincipe waar bijvoorbeeld kwaliteitsverbetering van het landschap onder valt. Het betreft in deze een relatief kleine ontwikkeling waarbij een uitgebreide toetsing op dit aspect geen toegevoegde waarde heeft. In het kader van de gebruikelijke regels omtrent kwaliteitsverbetering van het landschap is ten behoeve van onderhavig voornemen een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Dit plan is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Bovendien is het uitgebreid besproken in hoofdstuk 2. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een plattelandswoning maakt het mogelijk dat derden, die geen functionele binding hebben met het bedrijf, kunnen wonen in het buitengebied. Daarbij maakt de nieuwe status van plattelandswoning het mogelijk om de woning te verkopen aan burgers, zonder dat de bestaande veehouderij is gekoppeld aan deze verkoop.

Het blijkt namelijk dat een gekoppelde verkoop soms erg lastig is, waardoor initiatiefnemers jaren kunnen blijven zitten met een (bedrijfs)woning. Indirect kan de omzetting tot plattelandswoning ook verloedering van het buitengebied voorkomen. De dreigende leegstand van agrarische bedrijfswoningen op het moment dat de agrariër met zijn bedrijf stopt of elders woont, kan namelijk voorkomen worden door de nieuwe status van plattelandswoning. Tegelijkertijd zorgt deze status ervoor dat de ontwikkeling van het agrarische bedrijf niet wordt belemmerd. Geconcludeerd kan worden dat met een omzetting naar een plattelandswoning diverse opgaven en belangen worden gecombineerd, zodat er op meerdere vlakken meerwaarde wordt gecreëerd. Onderhavige ontwikkeling is daarmee passend binnen de beleidskaders van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

9 MAART 2022

 23

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de “Omgevingsverordening Noord-Brabant” vastgesteld. Met ingang van 9 april tot en met 20 mei heeft het ontwerp ter inzage gelegen. De huidige regels in de IOV zijn gehanteerd als uitgangspunt. De opgenomen wijzigingen zijn niet van directe invloed op het plangebied. GEMEENTELIJK BELEID Het planologisch-juridische beleidskader van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Laarbeek is reeds in paragraaf 1.3 aan bod gekomen. In het verdere vervolg van deze paragraaf worden de gevolgen van de beleidslijnen uit de gemeentelijke structuurvisie beschreven. 3.3.1

Structuurvisie Laarbeek 2010 – 2020 | Groei in balans Op 16 september 2010 heeft de gemeenteraad de “Structuurvisie Laarbeek 2010 – 2020 | Groei in balans” vastgesteld. In deze structuurvisie staan de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het hele grondgebied van Laarbeek en de hoofdzaken van het gemeentelijk beleid tot het jaar 2020. In de structuurvisie wordt ten aanzien van het buitengebied aangegeven dat het onder druk staat. Door de verreikende transformatie die in de landbouw plaatsvindt, is er een nieuwe positiebepaling gaande waarbij de verschillende belangen – zoals landbouw, toerisme, bedrijvigheid, infrastructuur, wonen, natuur en water – om voorrang vechten. Dit wordt duidelijk middels de bijbehorende ‘Visiekaart’, waarop de verschillende belangen zijn gepositioneerd binnen de gemeente Laarbeek. Onderhavige planlocatie is gelegen in het buitengebied, in deelgebied ‘Mixland’. Hier ligt de nadruk op duurzaam beheer, versterken van het oorspronkelijke landschapspatroon, continueren van het landbouwkundig gebruik en stimuleren van toeristisch-recreatief medegebruik. Tevens ligt het plangebied in een reserveringsgebied voor waterberging (zie figuur 3-3 op de volgende pagina). Binnen de grenzen van de gemeente Laarbeek bevinden zich geen waterbergingsgebieden. Wel zijn enkele gebieden aangewezen als reserveringsgebied voor waterberging.

Naar verwachting zullen deze reserveringsgebieden worden geactualiseerd en dan wordt bezien in hoeverre deze gebieden daadwerkelijk noodzakelijk zijn. De consequentie hiervan is dat de reserveringsgebieden dan of opgaan in de categorie ‘regionaal waterbergingsgebied’ of dat de gebieden niet meer aangewezen blijven. Ook kan uit deze actualisering voortvloeien dat er nieuwe gebieden aangewezen moeten worden. De regelgeving voor de regionale waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging is gericht op het tegengaan van activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van het gebied. Het gaat daarbij met name om het beperken van bouwmogelijkheden en gebruiksvormen die niet stroken met de aanduiding van het gebied, bijvoorbeeld grootschalige kapitaalintensieve functies.

9 MAART 2022

 24

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Plangebied

Figuur 3-3 Visiekaart, behorende bij “Structuurvisie Laarbeek 2010 – 2020” (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

In de voorgaande paragraaf is reeds aandacht besteed aan de reserveringsgebieden voor waterberging. Het initiatief ziet bovendien op de herbestemming van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning en het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal. Dit tast het waterbergend vermogen van het gebied niet aan. Deze ontwikkelingen zijn in overeenstemming met de uitgangspunten van de “Structuurvisie Laarbeek 2010 – 2020 | Groei in balans”. 3.3.2

Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek – Zonder ruimte geen beweging Vanaf maandag 5 juli 2021 heeft het ontwerp van de “Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek” ter inzage gelegen. In deze visie staan de kernkwaliteiten van Laarbeek en trends en ontwikkelingen. De planhorizon voor deze visie is 2031. De volgende trends en ontwikkelingen zullen de komende tien jaar het buitengebied beïnvloeden:  De schaalvergroting in de landbouw (en de gelijktijdige hang naar schaalverkleining). Denk aan de multifunctionele landbouw (verbrede landbouw), waarbij landbouw wordt gecombineerd met zorg, kinderopvang, educatie, verkoop van streekproducten, natuurbeheer, plattelandstoerisme en caravanstalling. De omzet van multifunctionele landbouw is de laatste vijf jaar verdubbeld.  De toenemende technische innovatie en de wens / noodzaak om een duurzame samenleving te creëren. Denk aan de kringlooplandbouw, de ‘stal van de toekomst’ en de aanleg van zonneparken en windturbines.

9 MAART 2022

 25

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Als gevolg van deze ontwikkelingen verandert de relatie tussen stad en platteland. Waar de omgeving van de stad in het verleden vooral werd gezien als leverancier van voedsel voor de stedeling is het platteland in de loop der jaren voor de stedeling uitgegroeid tot ontspanningsruimte (en in de toekomst zelfs als energieleverancier). De stad biedt werkgelegenheid en voorzieningen. Er ontstaat meer en meer een gezonde wisselwerking tussen de stad en het omliggende gebied. Laarbeek is verdeeld in acht deelgebieden, met elk hun eigen verhaal en ruimtelijke mogelijkheden. Onderhavige locatie is gelegen in een zogenaamd ‘lintenlandschap’. Dit landschap vormt een combinatie van beekdalen, lage zandgronden en dekzandruggen. Dit zorgt voor een combinatie van natte en droge gronden in het gebied. In het lintenlandschap vond de bewoning plaats op de hogere delen van het landschap in de vorm van lintbebouwing. De lagere gedeelten waren de beemden. De ruimtelijke hoofdstructuur heeft vorm gekregen tijdens de middeleeuwen. Nu is het gebied in een zuidelijk en noordelijk deel gesplitst door het Wilhelminakanaal. De eerste bewoning in het noordelijke deel, waar onderhavig bedrijf is gelegen, vond plaats op een hoogte op Heereind.

Vanuit deze nederzetting verplaatste de bewoning naar andere hoger gelegen gebieden: de buurtschappen Ginderdoor (13/14de eeuws), Donkersvoort (14/15de eeuws), Karstraat (15de eeuws), Beemdkant en het Hool. Op de hogere gebieden zijn kampontginningen terug te vinden. Deze bestaan uit open akkers (bolle akkers) met onregelmatige verkaveling. De open akkers werden in de 19e eeuw aan de buitenzijde begrensd met een levende haag, eventueel op een wal. De interne verdeling bestond meestal uit een ondiepe greppel of markering met stenen of dergelijke. De broekontginningen in de lagere gebieden vonden plaats in de 19e eeuw. Tijdens de ruilverkaveling is het landschap in sterke mate veranderd. Het heeft zijn hoofdkarakteristiek echter nog grotendeels behouden. In verband met de hoeveelheid agrarisch erfgoed wordt het gebied ook wel hoevelandschap genoemd. Het karakter van het gebied wordt met name bepaald door de talrijke historische buurtschappen, linten en hoeven. Deze historische bebouwingsconcentraties zijn waardevol om de uitstraling van het authentieke boerenlandschap te kunnen handhaven en waarborgen. Een belangrijk speerpunt in de omgevingsvisie is dan ook de bescherming hiervan, onder andere door de opstelling van een beeldkwaliteitsplan. Het heeft de voorkeur om de zichtlijnen van de grote infrastructurele assen niet te doorsnijden, maar te begeleiden.

De cultuurhistorisch waardevolle bolle akkers dienen gerespecteerd te worden. Grootschalige ontwikkelingen zijn hier in principe mogelijk, met uitzondering van het gebied ten zuiden van de Herendijk. Voor inpassing moet gedacht worden aan houtsingels of houtwallen, fruitteelt en waterloopjes, in lijn met de diversiteit aan kleinschalige landschapselementen en multifunctionele erven die dit landschap typeren. Voor meervoudig ruimtegebruik gaat de voorkeur uit naar agrarisch medegebruik, natuurontwikkeling en/of waterretentie. Onderhavig initiatief betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning en het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal. Dit tast het karakter van het gebied niet aan. Er is geen sprake van toevoeging van bebouwing. Bovendien is met de landschappelijke inpassing rekening gehouden met de uitgangspunten, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek.

9 MAART 2022

 26

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

OMGEVINGSASPECTEN WATERPARAGRAAF Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Om de problemen van wateroverlast en verdroging het hoofd te bieden, is een ingrijpende herinrichting van het watersysteem nodig. De Commissie Waterbeheer voor de 21e eeuw pleit voor de toepassing van een drietrapsstrategie voor het waterbeheer:  eerst vasthouden van het regenwater in het gebied waar het valt;  vervolgens het bergen van wateroverschotten in speciaal daarvoor aangelegde voorzieningen of aangewezen gebieden;  pas dan het water afvoeren via waterlopen en gemalen. Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met ruimte voor water en watervoorzieningen. Dit verkleint de kans op problemen zoals overstroming door onvoldoende veilige dijken, wateroverlast door onvoldoende bergingsmogelijkheden voor hemelwater of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Maar het gaat niet alleen om het voorkomen van problemen. Ruimte voor water kan ook de ruimtelijke kwaliteit en de leefomgeving van mens en dier verbeteren. Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas.

In deze paragraaf worden de algemene uitgangspunten voor de waterparagraaf bij een ruimtelijke ontwikkeling toegelicht. 4.1.1

Relevant beleid

EUROPESE KADERRICHTLIJN WATER De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.

PROVINCIAAL MILIEU EN WATERPLAN Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde.

9 MAART 2022

 27

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

De watertoets, en de wijze waarop de provincie daarmee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het PMWP 20162021 “Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant” vastgesteld. Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige “PWP 2010-2015” en het “Provinciale Milieuplan 2012-2015”. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor:  voldoende water voor mens, plan en dier;  schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);  bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s;  verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

KEUR Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de “Keur Waterschap Aa en Maas” van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Blijkens de diverse keurkaarten is het plangebied niet gelegen in een beschermd gebied. Bovendien zijn binnen of langs het plangebied geen primaire of secundaire waterlopen gelegen.

WATERBEHEERPLAN 2022-2027 Het waterbeheerplan van het waterschap is gericht op het streven naar een duurzame situatie op de lange termijn. Het beheer van de waterketen komt in beeld naast het tegemoet komen aan de wensen vanuit het bestaande grond- en watergebruik. In het waterbeheerplan wordt op hoofdlijnen aangegeven wat het waterschap de komende jaren gaat doen om het streefbeeld te bereiken, zoals verwoord in de nota “Visie op water”. De huidige situatie is daarbij het uitgangspunt. Een nadere invulling voor de beleidslijnen voor gebieden is niet opgenomen in het waterbeheerplan. Een gebiedsgerichte uitwerking dient plaats te vinden in nauwe samenwerking met betrokken partijen in een gebied. Afspraken over de door te voeren maatregelen kunnen worden vastgelegd in overeenkomsten. 4.1.2

Principes Waterschap Aa en Maas Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven. Waterschap Aa en Maas hanteert enkele principes, die hierna puntsgewijs worden toegelicht.

9 MAART 2022

 28

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

WATEROVERLASTVRIJ BESTEMMEN Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek ‘die hoog en droog genoeg’ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nu al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie.

GESCHEIDEN HOUDEN VAN VUIL EN SCHOON HEMELWATER Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap gaat echter niet akkoord met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels.

DOORLOPEN VAN DE AFWEGINGSSTAPPEN: HERGEBRUIK-INFILTRATIE-BUFFERING-AFVOER In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’ (afgeleid van de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen en dergelijke. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder.

HYDROLOGISCH NEUTRAAL ONTWIKKELEN Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan.

WATER ALS KANS Water wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (‘er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden en m² zijn duur’). Dat is erg jammer, want het aspect water kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is wonen aan het water erg gewild; een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt daarbij door vele inwoners gewaardeerd.

9 MAART 2022

 29

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

MEERVOUDIG RUIMTEGEBRUIK ‘Er moet ruimte voor water gecreëerd worden en m² zijn duur’. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het ‘verlies’ van m² als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (bijvoorbeeld een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is).

VOORKOMEN VAN VERVUILING Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit de wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces.

WATERSCHAPSBELANGEN Er zijn ‘waterschapsbelangen’ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende:  ruimteclaims voor waterberging,  ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel,  aanwezigheid en ligging watersysteem en waterkeringen,  aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan, dan moet hier in de toelichting, de regels en de verbeelding aandacht aan besteed worden. 4.1.3

Hydrologisch neutraal bouwen De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de “Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². In de bestaande waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied wordt het huishoudelijk afvalwater geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanaf het woonperceel alleen niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater betreft regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m³ niet-verontreinigd hemelwater per m² verhard oppervlak.

Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten.

9 MAART 2022

 30

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verharde oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelssloten. Met de beoogde herontwikkeling verandert er nagenoeg niets in de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het huishoudelijk afvalwater blijft geloosd worden op het gemeentelijk riool. Bovendien wijzigt de omvang van de woning niet. Het verharde oppervlak binnen het plangebied neemt niet toe. Compenserende maatregelen ten behoeve van een toename van oppervlakteverharding zijn derhalve niet noodzakelijk. De functiewijziging van de agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning en het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal leiden niet tot negatieve effecten op de waterhuishouding. ARCHEOLOGIE Uitgangspunt voor het bestemmingsplan met betrekking tot archeologie is het veiligstellen van de aanwezige (en aangetoonde) en de te verwachten archeologische waarden. Conform het Verdrag van Malta dient gestreefd te worden naar het behoud van archeologische resten in de archeologische verwachtingszones.

Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven. De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau, zoals die in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2020 van kracht wordt.

Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het betreft dan:  Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten.  Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op gebied van archeologie.  Bescherming van stads- en dorpsgezichten. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft een zogenaamde ‘Erfgoedkaart’. Hierop zijn onder andere de archeologische en cultuurhistorische waarden van de gemeente Laarbeek weergegeven. Figuur 4-1 op de volgende pagina betreft een uitsnede van deze erfgoedkaart ter plaatse van het plangebied (rood omcirkeld).

9 MAART 2022

 31

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Figuur 4-1 Uitsnede Erfgoedkaart Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (bron: https://atlas.odzob.nl/)

Het plangebied is deels gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Een deel van deze archeologische resten is afgedekt geraakt door een meer dan 50 centimeter dik pakket eerdgronden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld of 0,5 m bij esdekken. Het initiatief betreft de wijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Het gaat hier om bestaande bebouwing. Tevens wordt het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal verwijderd. Er vinden geen bodemingrepen plaats en de bebouwing blijft in omvang ongewijzigd. Gezien de aard van het initiatief is er dus geen aantasting van archeologische waarden te verwachten en wordt archeologisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk geacht. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkelingen.

CULTUURHISTORIE Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

9 MAART 2022

 32

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Noord-Brabant. De provincie heeft daarom een digitale Cultuur Historische Waardenkaart (CHW) opgesteld. Volgens de CHW is het plangebied gelegen aan de rand van de regio ‘De Meierij’. Deze regio bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van ‘sHertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden.

De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Er bevinden zich veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. Bovendien is het plangebied gelegen in het archeologisch landschap ‘Helmondse akkers’. Dit landschap ligt in de nabijheid van Helmond en omvat het sterk gevarieerde landschap tussen het Dommeldal in het westen en de Peelhorst in het oosten. Het gebied wordt van zuid naar noord doorsneden door de Aa en de Goorloop en hun zijbeken. Hierdoor is een mozaïek van kleinere en grotere dekzandgebieden ontstaan, die veelal zijn bedekt met oude akkercomplexen en woeste gronden (heide en bos). Met name in het westen komen zones met stuifduinen voor. Dit landschap kenmerkt zich door een zeer hoge dichtheid aan bekende vindplaatsen. Gezien het feit dat onderhavig plan een functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning betreft, inclusief het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal, worden de cultuurhistorische waarden van de regio niet belemmerd. De gewenste ontwikkeling doet bovendien geen afbreuk aan het archeologisch landschap. Binnen het plangebied is geen rijks- of gemeentelijk monument aanwezig.

De bestaande bebouwing is, in het vigerende bestemmingsplan, niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek. Er vindt geen nieuwbouw plaats binnen het plangebied. De Lagedijk is, blijkens de CHW, een historische geografische lijn van redelijk hoge waarde. Met de beoogde functiewijziging wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarde van deze geografische lijn. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor de gewenste herbestemming van de agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning en het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal. NATUUR Bij ruimtelijke ingrepen, zoals nieuwbouw, dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten- en gebiedsbescherming. De gebiedsbescherming komt voort uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De Flora- en faunawet is bepalend voor soortenbescherming.

9 MAART 2022

 33

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

4.4.1

Gebiedsbescherming Nederland kreeg in 1967 voor het eerst een Natuurbeschermingswet. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. Op den duur voldeed de wet niet meer aan de eisen die internationale verdragen en Europese verordeningen stellen aan natuurbescherming. Daarom werd in 1998 een nieuwe Natuurbeschermingswet gemaakt die alleen gericht was op gebiedsbescherming. De bescherming van soorten werd geregeld in de Flora- en faunawet. De Natuurbeschermingswet 1998 is op 1 oktober 2005 gewijzigd. Sindsdien zijn de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Natuurbeschermingswet verwerkt. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet vervangen door de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland lopen via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Zoals blijkt uit onderstaande figuur 4-2 is het rood omcirkelde plangebied in de nabijheid van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) gelegen. De Heieindse loop en de Goorloop zijn aangewezen als ecologische verbindingszone.

Figuur 4-2 Overzicht Natuurnetwerk Brabant (bron: kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank)

9 MAART 2022

 34

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Het Natuurnetwerk Brabant hangt samen met het Natuurnetwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Bij het opstellen van een bestemmingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt binnen het NNB het ‘nee, tenzij’-principe. Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het netwerk kan dit aantasting geven van de ecologische waarden binnen het NNB. Dit is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden van het NNB vanwege geluid, licht of betreding. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld, ook schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied – waardoor migratie niet langer mogelijk is – kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden. De ontwikkeling heeft betrekking op een herbestemming van de agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning en het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal. Er vindt geen nieuwbouw plaats. Gezien de afstand kan verstoring van de natuurgebieden, als gevolg van geluid, licht, fijn stof of verandering van de waterhuishouding, worden uitgesloten.

Er is bovendien geen sprake van een toename van de stikstofdepositie. Geconcludeerd kan worden dat de gewenste herbestemming niet leidt tot een significante aantasting van de waarden binnen de omliggende natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. In de nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000gebieden gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied betreft ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ op een afstand van circa 13,8 kilometer ten zuiden van de locatie. Voor de meeste effectfactoren, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling kunnen – gezien de afstand en de tussenliggende elementen – externe effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.

Onderhavige ontwikkeling maakt geen fysieke ingrepen mogelijk, aangezien het gaat om een wijziging van de bestemming van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning en het verwijderen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal. De vervoersbewegingen (gemotoriseerd) van en naar de woning bestaan, zowel in de huidige situatie als in de gewenste situatie, nagenoeg volledig uit personenauto’s. De stikstofemissie zal door het wijzigen van het gebruik van de woning niet toenemen ten opzichte van de huidige planologische toestand. De gewenste situatie leidt dan ook niet tot effecten die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op de biodiversiteit van natuurlijke ecosystemen en natuurwaarden in de omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

9 MAART 2022

 35

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

4.4.2

Soortenbescherming Soortenbescherming werd gewaarborgd door de Flora- en Faunawet. Deze wet is op 1 april 2002 in werking getreden en beschermt inheemse dier- en plantensoorten waarbij onderscheid wordt gemaakt in verschillende beschermingscategorieën. Inmiddels, per 1 januari 2017, zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet vervangen door de Wet natuurbescherming (wnb). Deze wet beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Voor alle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan deze wet noodzakelijk. Beschermde soorten kunnen overal voorkomen. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met de soortenbescherming ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling in het kader van de Wnb plaats te vinden. Er wordt nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder wordt er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied, waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren.

De gewenste ontwikkelingen binnen het plangebied zien niet op fysieke ingrepen, waardoor het onderdeel soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing is. Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden.

Voor de wijziging van de bestemming van de agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning zijn geen werkzaamheden te verwachten. Indien er renovaties plaatsvinden worden hier, indien nodig, separate omgevingsvergunningen voor aangevraagd. Dit geldt ook voor de sloop van de stal. Bij vergunningsvrije activiteiten zal de wettelijke zorg voor in het wild levende dieren en planten in acht worden genomen. Hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, zullen niet beschadigd, vernield of verstoord worden. Hiermee wordt voldaan aan de wet- en regelgeving. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming.

9 MAART 2022

 36

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

EXTERNE VEILIGHEID Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten, alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1. Plaatsgebonden risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10 -6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten. 2. Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen.

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn:  Bedrijven;  Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water);  Hoogspanningslijnen;  Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). Zoals blijkt uit figuur 4-3 op de volgende pagina is het bedrijf aan de Lagedijk 1-1a op de risicokaart aangeduid als risicobedrijf, vallend in de categorie “Overig”. Op het bedrijf wordt namelijk bovengronds propaan opgeslagen in een tank die 8 m³ kan bevatten. Op tanks tot 13 m³ is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) van toepassing. In het Activiteitenbesluit worden geen risicocontouren voor propaantanks aangegeven, maar veiligheidsafstanden die (ongeacht de planologische situatie) in acht genomen dienen te worden. De opslagvoorziening voor propaan op het bedrijf voldoet aan de eisen in het Activiteitenbesluit. Binnen een afstand van 25 meter (op basis van een vulfrequentie > 5/jaar) rondom de propaangastank is geen sprake van andere bebouwing dan de bedrijfsgebouwen. De plattelandswoning is op grotere afstand van de propaangastank gelegen. Op de naastgelegen boomkwekerij Lagedijk 3 wordt eveneens bovengronds propaan opgeslagen in een tank die 20 m³ kan bevatten. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR-contour en het GRinvloedsgebied van deze risicovolle (Bevi)inrichting.

In de Wet plattelandswoningen is geen specifieke regeling opgenomen over externe veiligheid. De plattelandswoning is via de Wabo (artikel 1.1a) in feite gelijkgesteld aan een bedrijfswoning. Voor externe veiligheid is de plattelandswoning om die reden een beperkt kwetsbaar object.

9 MAART 2022

 37

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Plangebied

Figuur 4-3 Risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met de inwerkingtreding van het BEVT vervalt de ‘Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van gevaarlijke stoffen en de bijbehorende maximale risico's die dit mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maken bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10 -5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10 -6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10 -6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. In de nabijheid van het plangebied zijn geen wegen gelegen, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt dus niet binnen de genoemde zone van 200 meter. Op het grondgebied van de gemeente Laarbeek bevindt zich geen spoortracé.

9 MAART 2022

 38

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Transport van gevaarlijke stoffen vindt ook plaats door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan, waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Hierbij moet worden gedacht aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In dit besluit staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente.

Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Binnen de gemeente Laarbeek zijn enkele buisleidingen gelegen, die externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Langs De Hei lopen twee buisleidingen. De plattelandswoning ligt op zodanige afstand van deze buisleidingen dat beïnvloeding niet plaats zal vinden. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen en kan dus ook geen interactie met de lijnen plaatsvinden. Gesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkelingen zelf geen extern veiligheidsrisico’s vormen. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe eveneens geen belemmeringen te verwachten. Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet noodzakelijk.

9 MAART 2022

 39

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

MILIEUASPECTEN BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing van nieuwe ontwikkelingen, in milieuhygiënisch opzicht, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen / handhaven van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies als wonen en verblijfsrecreatieve voorzieningen. De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering” uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst “Bedrijven en Milieuzonering” worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) en ‘gemengd gebied’.

De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. In dit geval is sprake van een rustige ligging in het buitengebied, met weinig verstoring. Uitgegaan kan worden van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de omgeving komt met name agrarische bedrijvigheid voor. Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de wijzigingen mogelijk belemmeringen veroorzaken voor de bestaande functies in de omgeving en of de omschreven verandering mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Van primair belang is dat de bestaande woning Lagedijk 1-1a wordt bestemd als plattelandswoning. Een plattelandswoning is overeenkomstig het gestelde in de Wet plattelandswoningen géén gevoelig object voor de inrichting waartoe de woning behoorde. Uitzondering hierop zijn de luchtkwaliteitseisen. Dit komt in paragraaf 5.5 nader aan de orde. Ten noorden van het plangebied is een glastuinbouwbedrijf gelegen, aan de Lagedjik 3. Volgens de VNG-lijst is dit een bedrijf in maximaal milieucategorie 2, waarvoor de volgende richtafstanden gelden:  voor het aspect ‘geurhinder’ => 10 meter,  voor het aspect ‘stofhinder’ => 10 meter,  voor het aspect ‘geluidhinder’ => 30 meter,  voor het aspect ‘gevaar’ => 10 meter.

De afstand van de plattelandswoning binnen het plangebied tot het bouwvlak van het glastuinbouwbedrijf aan de Lagedijk 3 bedraagt circa 26 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand voor geluid, maar wel aan de afstanden voor geur, stof en gevaar. Met betrekking tot geluidhinder is nader onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.3), waaruit blijkt dat aan alle gestelde normen wordt voldaan. Met de beoogde herontwikkeling wordt namelijk geen nieuw gevoelig object opgericht. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft de aspecten ‘geur’, ‘stof’, ‘geluid’ en ‘gevaar’.

9 MAART 2022

 40

Bestemmingsplan Lagedijk 1-1a Beek en Donk Toelichting

Verder bevindt zich in de nabije omgeving een vleeskalverenbedrijf, aan de Karstraat 10. Volgens de VNG-lijst is dit een bedrijf in milieucategorie 3.2, waarvoor de volgende richtafstanden gelden:  voor het aspect ‘geurhinder’ => 100 meter,  voor het aspect ‘stofhinder’ => 30 meter,  voor het aspect ‘geluidhinder’ => 30 meter,  voor het aspect ‘gevaar’ => 0 meter. Aan deze normafstanden wordt ruimschoots voldaan. De beoogde herbestemming wordt derhalve niet belemmerd door (niet-)agrarische bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Het plan is in het kader van ‘bedrijven en milieuzonering’ acceptabel. VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een milieueffectrapport (MER) dan wel een m.e.r.-beoordeling nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan het belangrijke nadelige gevolgen hebben, bijvoorbeeld door de ligging in of nabij een gevoelig natuurgebied. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.

Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Binnen het plangebied wordt een functiewijziging mogelijk gemaakt van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning en wordt het bouwvlak ter plaatse van de te slopen stal verwijderd. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling is immers pas noodzakelijk voor de bouw van meer dan 2.000 woningen in aaneengesloten gebied (lijst D, categorie 11.2). 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het voorgaande hoofdstuk is gebleken dat het plangebied niet ligt in een gebied dat beschermd wordt op basis van de natuurwaarden. De gewenste herbestemming vindt op een grote afstand van het Natuurnetwerk Nederland, een Vogelof Habitatrichtlijngebied of overige beschermde natuurgebieden plaats, waardoor van externe werking geen sprake kan zijn.

Het plangebied betreft geen waterwinlocatie en is niet gelegen in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Ook is binnen het plangebied geen Rijksmonument gelegen en behoort het niet tot een Belvédèregebied. 3. In de navolgende paragrafen worden de verschillende milieueffecten beschouwd, waaronder geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er, als gevolg van de herbestemming, geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=8bca3e20-50bc-4e80-84fa-cb848f8acab2