4 20230309 RIB Haalbaarheidsonderzoek Gulden Energie Bijlage.pdf
Tekst van het document
Tabel 7.6 Sensitiviteitsanalyse op de IRR en BAK voor het scenario ‘weq=600 – e-boiler’ Situatie
Nieuwe IRR
Nieuwe BAK als IRR blijft 10 %
10 %
EUR 15.000
+ 10 %
8,42 %
EUR 17.100
- 10 %
12,07 %
EUR 13.200
+ 10 %
10,08 %
EUR 15.300
- 10 %
10,75 %
EUR 14.700
basis situatie investeringskosten
operationele kosten
elektriciteitsprijs (basis 0,250 EUR/MWh) + 50 %
0,00 %
EUR 24.700
+ 20 %
1,73 %
EUR 18.200
+ 10 %
6,39 %
EUR 16.50-
- 10 %
13,36 %
EUR 13.600
+ 20 %
18,34 %
EUR 9.500
+ 10 %
15,06 %
EUR 12.100
- 10 %
3,43 %
EUR 18.800
opbrengsten
vollooprisico (basis 100 % aansluitingen) - 10 %
8,32 %
EUR 17.200
- 20 %
6,07 %
EUR 19.900
- 50 %
1,19 %
EUR 30.300
56 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
Grootste Risico’s Uit tabel 7.5 en tabel 7.6 volgen de volgende grootste risico’s: 1 de aansluitsnelheid heeft een grote invloed op de betaalbaarheid. Bij een aansluitsnelheid van 300 woningen per jaar in plaats van 600 woningen per jaar stijgt de onrendabele top aanzienlijk. Dit vertaalt zich in een hogere gemiddelde bijdrage aansluitkosten per woning. Ten opzichte van een aansluitsnelheid van 600 weq. stijgt de gemiddeld bijdrage aansluitkosten met EUR 5.000,- per woning. 2 het aantal aansluitingen is een zeer bepalende factor. Zoals tabel 7.8 laat zien is bij 20 % minder aansluitingen een stijging van de BAK van EUR 5,000 te verwachten; 3 de ontwikkeling van de elektriciteitsprijs. Het is moeilijk te voorspellen hoe die prijzen zich gaan ontwikkelen, maar aangezien de energiekosten een groot deel vormen van de jaarlijkse exploitatiekosten hebben ze een groot effect op de rentabiliteit van het warmtenet. Er zijn manieren om dat te mitigeren, zoals lokale elektriciteitsproductie met wind of zon, meer opslag, slimme sturing. Deze elementen zijn reeds toegelicht hoofdstuk 6; 4 de GJ-prijzen worden ieder jaar opnieuw vastgesteld. Momenteel is de GJ-prijs gekoppeld aan de prijs voor aardgas. In de businesscase is gerekend met het prijspeil voor 2022. De tarieven van 2023 worden in november gepubliceerd door de ACM.
De verwachting is dat die koppeling op den duur (geleidelijk) wordt opgeheven en er een nieuwe koppeling zal komen. De algehele lijn is dat de warmteprijs de werkelijke kosten zou moeten weerspiegelen. De werkelijke kosten zijn, afhankelijk van het type broninstallatie, beperkt of niet meer afhankelijk van de gasprijs. Echter worden de werkelijke kosten wel gedomineerd door de elektriciteitskosten. Indien de wens is om de warmteprijs gelijk te houden, dan zal de bruto marge van het warmtenet verkleinen tot op het punt dat deze verlieslijdend wordt. Daarmee is de mate waarin de warmteprijs gelijk kan worden gehouden afhankelijk van twe factoren: 1 de mate waarin de koppeling met de stroomprijzen kan worden verkleind, bijvoorbeeld door opslag en lokale zon- en windproductie; 2 de mate waarin de gemeente bereid is om de kosten deels zelf te dekken als de elektriciteitskosten oplopen. Daarmee zou in feite sprake zijn van een prijsplafond. Subsidiemogelijkheden Er zijn diverse subsidies mogelijk van toepassing die een positieve invloed hebben op de onrendabele top. Voor de SDE++ en EIA subsidie is het effect op de onrendabele top inzichtelijk gemaakt in tabel 7.5 en tabel 7.6. De subsidies die mogelijkerwijs van toepassing kunnen zijn: - ISDE: Is van toepassing voor woningeigenaren.
15 % van de kosten kunnen gesubsidieerd worden mits voldaan wordt aan de voorwaarden als het gaat om isolatiemaatregelen. Als de voorgaande maatregel gecombineerd wordt met een warmtepomp, zonneboiler of een warmte-aansluiting loopt het subsidiepercentage op tot 30 % van de kosten; - ISDE zakelijk: Geldig voor VvE’s/verhuurders die geen EIA (Energie Investerings Aftrek) hebben toegepast. Verhuurders mogen ook geen Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) hebben toegepast. De vergoedingen voor een (centrale) aansluiting zijn minimaal EUR 2.925,00 (individuele huurwoning) tot EUR 21.906,00 (400 kW centrale aansluiting); - SAH: Is van toepassing op gemengde VvE’s en (sociale) verhuurders van één of meerdere huurwoningen. De subsidie is van toepassing op inpandige woningkosten en aansluitkosten op een warmtenet. Tot 40 % van de inpandige kosten worden vergoed tot een maximum van EUR 1.200,00 subsidie per woning. Tot 30 % van de aansluitkosten worden vergoed, tot een maximum van EUR 3.800,00 per woning; - SDE++: bevat een regeling voor warmtepompen, elektrische boilers en TEA. Het is een subsidie om onrendabele toppen het hoofd te bieden. De duur van de subsidie ligt tussen de 12-15 jaar en is volume afhankelijk.
Tabel 7.6 bevat een voorbeeld als SDE++ wordt toegepast op basis van het scenario ‘WEQ=600 – e-boiler’; Uit tabel 7.6 volgt dat er verschillende fases zijn waarvoor kan worden ingeschreven. Het is geen garantie dat als de SDE wordt aangevraagd dat dat leidt tot een beschikking. Bij Fase 1 inschrijvingen hebben de inschrijvers meeste kans en bij Fase 5 de minste kans, al is de compensatie per kWh het hoogst. Er moet dus een goede afweging worden gemaakt alvorens in te schrijven voor een bepaalde Fase; - energie investering aftrek (EIA): De EIA regeling is een fiscale regeling die partijen in staat stelt om 45,5 % van de investeringskosten af te trekken van de winst. In de praktijk komt dit neer op een ‘’korting’’ van gemiddeld 11 %. De EIA is van toepassing op warmtenet infrastructuur en warmtebronnen.
57 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
Tabel 7.7 SDE++ subsidie voor TEA o.b.v. 6000 vollasturen voor het scenario: e-boiler en 600 weq/jaar Fase ID
Maximale fase bijdrage (EUR/kWh)
Corrigeert bedrag (EUR/kWh)
Subsidiebedrag (EUR x 1000
Dekking onrendabele top
Fase 1
0,0288
0,014
9.100
25 %
Fase 2
0,0307
0,0159
10.200
28 %
Fase 3
0,0364
0,0216
14.000
38 %
Fase 4
0,0477
0,0329
21.300
58 %
Fase 5
0,0731
0,0583
38.000
102 %
Tabel 7.8 EIA subsidie ID
Maximale fase bijdrage (EUR/kWh)
Corrigeert bedrag (EUR/kWh)
Subsidiebedrag (EUR x 1000
Dekking onrendabele top
EIA
n.v.t
n.v.t.
2.500
7%
Conclusie businesscase Bij een ontwikkelsnelheid van 100 % aansluitingen, 600 weq per jaar en een gasketel of e-boiler als piekvoorziening zijn de onrendabele top en gemiddelde bijdrage aansluitkosten per woningequivalent (weq) exclusief omzetbelasting en exclusief subsidies als volgt: - onrendabele top: EUR 28 (gasketel) en EUR 51 miljoen (e-boiler) subsidies; - gemiddelde BAK per weq: EUR 8.000 (gasketel) en EUR 15.000 (e-boiler) Boven op deze kosten zijn er nog de directe bouwkosten voor het opnieuw asfalteren van straten in De Eeuwsels (EUR 1 miljoen) en Aarle-Rixtel (EUR 50.000). De betaalbaarheid kan worden verhoogd door gebruik te maken van individueel gerichte (ISDE, SAH) en collectief gerichte subsidies (SDE++). De vier grootste risico’s die de betaalbaarheid onder druk zetten zijn een lagere ontwikkelsnelheid, een lager volloop, een e-boiler in plaats van een gasboiler en hogere elektriciteitsprijzen.
7.3
Maatschappelijke kosten baten analyse van een collectief warmte systeem
In het kader van het Haalbaarheidsonderzoek Gulden Energie wordt in fase 4 een deels kwantitatieve en deels kwalitatieve MKBA uitgevoerd. In deze MKBA analyse is een vergelijking gemaakt tussen de volgende vier opties voor de warmtevoorziening: 1 referentie/ huidige situatie: 100 % van de bewoners in het warmtenetgebied vervangt hun cv-ketels wanneer deze stuk zijn en blijven hun woningen verwarmen met (fossiel) aardgas; 2 individuele duurzame warmte voorziening: 80 % van de bewoners in het warmtenetgebied stapt over op een hybride warmtepompen en 20 % op een all electric lucht/water warmtepomp. Woningen worden geisoleerd tot het niveau dat nodig is om geschikt te zijn voor een (hybride)warmtepomp; 3 collectief warmtenet variant 1 (TEA + gasketel): 100 % van de bewoners in het warmtenetgebied sluit aan op een collectief warmtenet met warmte uit effluent warmtepomp en gasketel; 4 collectief warmtenet variant 2 (TEA + e-boiler): 100 % van de bewoners in het gekozen afzetgebied sluit aan op een collectief warmtenet, gevoed met warmte uit effluent i.c.m. een warmtepomp, aangevuld met warmte uit een elektrische piekketel. De resultaten van de MKBA zijn opgenomen in Bijlage V.
58 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
Wat is een Maatschappelijke kosten baten analyse (MKBA) Een MKBA is een hulpmiddel om besluiten te nemen over ingrijpende ruimtelijke projecten. Een MKBA probeert de positieve en negatieve effecten van een project (of beleidsoptie) op de welvaart in te schatten. Hierbij gaat het niet alleen om financiële kosten en baten, maar ook om maatschappelijke effecten. Uit de MKBA komt naar voren dat een collectief MT-warmtenet met gasketel over een periode van 30 jaar maatschappelijk de laagste kosten met zich meebrengt. Daarmee is de conclusie gelijk aan die uit een eerder onderzoek door DNGVL. De vrij hoge investeringskosten voor het warmtenet en de warmtebron in het begin worden deels gemitigeerd door lagere herinvesteringskosten en lagere isolatiekosten dan bij individuele elektrische warmtepompen. Uit de kwalitatieve MKBA komt naar voren dat het collectief MT-warmtenet met gasketel goed scoort op afname van emissies, gebruik van fossiele brandstoffen en betrouwbaarheid. Echter is de impact van de ruimtelijke inpassing tijdens aanlegfase vrij groot en is een gebruiker afhankelijk van maar één marktpartij. Het collectieve MT-warmtenet met e-boiler scoort beter op het vlak van duurzaamheid maar heeft van alle varianten de hoogste maatschappelijke kosten doordat de jaarlijkse energiekosten hoger zijn.
De maatschappelijke kosten voor de individuele duurzame warmtevoorziening verschillen minimaal met het collectief MT-warmtenet met gasketel. Hieronder vallen zowel de variant van elektrische als hybride warmtepomp. De investeringskosten voor de warmtebron zijn hier lager dan bij het warmtenet, maar bij de elektrische warmtepomp komen hier investeringskosten bij voor isolatie en nieuwe afgiftesystemen en zijn de herinvesteringskosten hoger. Tijdens de aanlegfase geven de individuele oplossingen minder overlast op de omgeving maar tijdens de gebruiksfase blijven de buitenunits van de warmtepompen zichtbaar en hoorbaar in de omgeving. De betrouwbaarheid van individuele systemen is lager dan bij een collectief systeem en het onderhoud ligt bij de gebruiker zelf. Echter is de gebruiker niet afhankelijk van maar één marktpartij en is er een mogelijkheid tot koelen.
59 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
8 JURIDISCHE EN ORGANISATORISCHE OVERWEGINGEN 8.1
Inleiding
Het initiatief Gulden Energie verkent de mogelijkheden om een collectieve warmtevoorziening te realiseren, waarbij warmte uit effluent van RWZI Aarle-Rixtel wordt gebruikt voor de warmtevoorziening van AarleRixtel (Gemeente Laarbeek) en de buurt De Eeuwsels (Gemeente Helmond). Hiervoor willen beide gemeente en het waterschap onder andere weten hoe het eigendom en de exploitatie van een warmtenet geregeld kunnen worden en wat hun rollen daarin kunnen zijn. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de mogelijkheden onder huidig recht. Hierbij wordt op hoofdlijnen ingegaan op de aanbestedingsverplichtingen en de voor- en nadelen van de verschillende mogelijkheden. Omdat de WCW in voorbereiding is, wordt ook deze toegelicht. De besluitvorming over de WCW is echter een langlopend proces. Veel is nog onduidelijk over of en wanneer de wet in werking zal treden. Ook inhoudelijk is nog niet bekend welke concrete samenwerkingsvormen de wet mogelijk zal maken. Daarom worden deze samenwerkingsvormen nog niet behandeld in dit hoofdstuk. Leeswijzer: - in paragraaf 8.2 worden de verschillende manieren om een warmtenet te regelen onder de Warmtewet toegelicht; - in paragraaf 8.3 worden de veranderingen onder de WCW geschetst; - paragraaf 8.4 bevat een conclusie.
8.2
Situatie onder huidig recht
Inleiding: de Warmtewet Onder de huidige Warmtewet heeft een warmteleverancier een leveringsvergunning nodig die verleend wordt door de Autoriteit Consument en Markt (ACM)1. De Warmtewet is van toepassing wanneer warmte wordt afgeleverd via een warmtenet of inpandig leidingstelsel2. Onder warmte wordt verstaan thermische energie die via water wordt geleverd voor ruimteverwarming en/of verwarming van tapwater.3 Deze warmte moet via een tussenschakel, een leidingstelsel tussen de productie-installatie of bron en de binneninstallatie, aan een verbruiker worden afgeleverd. Onder huidig recht zijn gemeenten en provincies niet bevoegd om de productie en levering van warmte (in het belang van de energievoorziening) aan regels te binden.4 Gemeenten mogen dus geen regels stellen aan de bescherming van gebruikers en/of de wijze waarop warmteleveranciers en warmteproducenten invulling geven aan hun verplichtingen. Wel zijn gemeenten bevoegd gezag bij de aanleg, herstel, uitbreiding en vernieuwing van warmtenetten.5
1
Artikel 9 en 10 Warmtewet
2
Artikel 1a Warmtewet
3
Artikel 1 lid 2 Warmtewet
4
Artikel 39 lid 1 Warmtewet
5
Artikel 39 lid 2 Warmtewet
60 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
Onder huidig recht bestaan er grofweg vier manieren waarop een warmtenet georganiseerd en gereguleerd kan worden: 1 via vergunning verlening; 2 via concessieverlening; 3 via de oprichting van een gemeentelijk warmtebedrijf; 4 via een publiek-private samenwerkingsvorm. Deze manieren worden in paragraaf 8.2.2 tot en met 8.2.5 toegelicht. De mate van betrokkenheid en invloed die een gemeente kan uitoefenen is bij vergunningverlening het kleinste en bij een gemeentelijk warmtebedrijf het grootste. Optie 1 - Privaat eigendom: Vergunningverlening De gemeente kan er voor kiezen om zich faciliterend op te stellen, en het initiatief voor ontwikkeling van een warmtenet van marktpartijen te laten komen (bijvoorbeeld van een warmtebedrijf of projectontwikkelaar). Wanneer een marktpartij zich meldt met een initiatief om een warmtenet aan te leggen, kan de gemeente het project faciliteren door publiekrechtelijke en/of privaatrechtelijke toestemming te verlenen. De publiekrechtelijke toestemming houdt in het verlenen van vergunningen voor het initiatief. Voor privaatrechtelijke toestemming kan de gemeente (of het waterschap) als grondeigenaar toestemming geven om het warmtenet in gemeentelijke grond aan te leggen. In beginsel geldt bij vergunningverlening geen aanbestedingsplicht.
Het aanbestedingsrecht kan wel een rol gaan spelen wanneer de gemeente aanvullende eisen stelt aan het initiatief of hier financiële tegemoetkoming tegenover zet.
Tabel 8.1 Rolverdeling en voor- en nadelen van vergunningverlening Rol gemeente
Rol waterschap
Voordelen
Nadelen
vergunningverlener. De gemeente heeft een faciliterende rol en kan niet op voorhand eisen stellen aan het initiatief
het waterschap is vergunningverlener voor water gerelateerde vergunningen
de gemeente en het waterschap worden ontzorgd door één of meerdere marktpartijen en hebben weinig capaciteit nodig voor de ontwikkeling van het warmtenet
het warmtenet is in privaat eigendom, waardoor de gemeente weinig sturingsmogelijkheden heeft. Er is geen ruimte om de bron of aan te sluiten buurten te kiezen
de gemeente kan aan de voorkant vastleggen wat er van de concessiehouder verwacht wordt er geldt in de meeste gevallen geen aanbestedingsplicht
Optie 2 - Privaat eigendom: Concessieverlening De gemeente kan er voor kiezen om een concessie te verlenen voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet. Een concessie wordt voor een bepaalde locatie en voor een bepaalde duur verleend aan een of meerdere marktpartijen. Kenmerkend voor een concessie is dat het exploitatierisico aan een marktpartij wordt overgedragen. Dit is in het kader van de fluctuerende en/of stijgende energieprijzen een belangrijk aandachtspunt voor de betaalbaarheid van de warmte voor de eindgebruiker.
61 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
Het is bij een concessieopdracht goed mogelijk om voorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de hoogte van tarieven en de duurzaamheid van de geleverde warmte. Wanneer de geraamde omzet van de warmteleverancier gedurende de concessieperiode boven de drempelwaarde van EU 5.382.000 ligt, moet de concessieopdracht Europees aanbesteed worden1. Tot slot heeft de gemeente de keuze of de concessie enkel toeziet op de levering van warmte (een gesplitst of open warmtenet), of ook op de aanleg van het warmtenet en het transport van warmte (een gesloten warmtenet). In het eerste geval kan de aanleg en transport van warmte worden belegd bij een partij die zich hier uitsluitend op heeft toegelegd, zoals Firan (gelieerd aan Alliander), Netverder (gelieerd aan Stedin) en Enpuls (gelieerd aan Enexis). In dat geval is in ieder geval sprake van een gesplitst warmtenet. Indien sprake is van meerdere warmteaanbieders is sprake van een open warmtenet. Dit laatste ligt in de context van Gulden energie niet direct voor de hand, omdat er al een duidelijke en duurzame bron voor ogen is. De gedachten komt voort uit de wijze waarop het elektriciteitsnet werkt en waar er veel verschillende bronnen zijn die stroom leveren.
Voor een warmtenet, zoals Gulden Energie, is het echter lastig om zomaar meerdere bronnen toe te laten, omdat de bronnen dan te veel met elkaar concurreren, waardoor dit in de praktijk financieel waarschijnlijk niet/nooit gaat vliegen.
Tabel 8.2 Rolverdeling en voor- en nadelen van concessieverlening Rol gemeente
Rol waterschap
Voordelen
Nadelen
concessieverlener. De gemeente heeft een sturende rol en kan criteria en voorwaarden opnemen in de concessieopdracht
het waterschap kan geen concessie verlenen, maar is wel vergunningverlener voor watergerelateerde vergunningen
de gemeente en het waterschap worden ontzorgd door één of meerdere marktpartijen en hebben weinig capaciteit nodig voor de ontwikkeling van het warmtenet
het warmtenet is in privaat eigendom
de gemeente kan aan de voorkant vastleggen wat er van de concessiehouder verwacht wordt
mogelijk geldt een aanbestedingsplicht
Optie 3 - Gemeentelijk warmtebedrijf De gemeente kan een gemeentelijk warmtebedrijf oprichten. Hiertoe kan de gemeente een rechtspersoon oprichten en vervolgens zelf de aandelen in bezit houden en toezicht houden op het beleid van de rechtspersoon. Wanneer sprake is van quasi-inbesteden, geldt er geen aanbestedingsplicht2. Er kan wel een aanbestedingsplicht gelden wanneer de gemeente een partij inhuurt voor bijvoorbeeld het ontwerp of de realisatie van het warmtenet en/of de warmtebronnen of van een partij die het warmtenet of warmtebronnen beheert.
1
Artikel 1 Gedelegeerde Verordening (EU) van de Commissie van 10 november 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de drempels voor concessies betreft
2
Er is sprake van quasi-inbesteden indien is voldaan aan de volgende eisen (artikel 2.24b Aanbestedingswet): -
de aanbestedende dienst gunt een overheidsopdracht aan een andere rechtspersoon;
-
de aanbestedende dienst houdt toezicht op deze rechtspersoon als ware het op de medewerkers van zijn eigen diensten (toezichtcriterium);
-
meer dan 80 % van de werkzaamheden van de rechtspersoon staat in dienst van taken voor de aanbestedende dienst (merendeelcriterium);
-
er is geen directe participatie van privékapitaal in de rechtspersoon.
62 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
Tabel 8.3 Rolverdeling en voor- en nadelen van een gemeentelijk warmtebedrijf Rol gemeente
Rol waterschap
Voordelen
Nadelen
de gemeente staat aan het roer van het gemeentelijk warmtebedrijf
het waterschap kan participeren in het gemeentelijk warmtebedrijf (bijvoorbeeld als producent van warmte)
de gemeente heeft de regie en kan zelf het tempo en de tarieven betalen
de gemeente is verantwoordelijk voor alle risico’s van het warmtenet
de gemeente kan aan de voorkant vastleggen wat er van de concessiehouder verwacht wordt
de gemeente moet beschikken over voldoende kennis, expertise, capaciteit en financiële middelen om een warmtenet te realiseren
er geldt mogelijk geen aanbestedingsplicht
Optie 4 - Publiek-private samenwerking De gemeente kan er ook voor kiezen om samen met een marktpartij (bijvoorbeeld en warmteproducent of een ontwikkelaar) en/of een woningcorporatie samen te werken bij de aanleg en exploitatie van een warmtenet. Hiervoor geldt het overkoepelende begrip publiek-private samenwerking (PPS). De gemeente kan bijvoorbeeld een gezamenlijke warmte joint venture oprichten, waarin beide partijen deelnemen. Voor de selectie van een marktpartij kan een aanbestedingsprocedure noodzakelijk zijn. De gemeente is namelijk op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehouden om de principes van nondiscriminatie, gelijke behandeling en transparantie te respecteren. Om hier gehoor aan te geven moet de gemeente de selectie van een marktpartij op transparante en non-discriminerende wijze vormgeven. Voor het plaatsen van opdrachten door de joint venture kan ook een aanbestedingsplicht gelden, afhankelijk van de verdeling van zeggenschap/financiële inbreng tussen de publieke en private partij. Een aanbesteding is niet nodig wanneer gebruik wordt gemaakt van de joint venture vrijstelling.1 Om gebruik te maken van deze vrijstelling moet sprake zijn van een speciale-sectoractiviteit als genoemd in artikel 3.1 van de Aanbestedingswet.
Bovendien moet de gemeenschappelijke onderneming zijn opgericht om de betrokken activiteit gedurende een periode van ten minste drie jaar uit te oefenen.
Tabel 8.4 Rolverdeling en voor- en nadelen van een publiek-private samenwerking Rol gemeente
Rol waterschap
Voordelen
Nadelen
de gemeente heeft een sturende rol in de publiekprivate samenwerking
het waterschap kan participeren in de publiekprivate samenwerking en zo een sturende rol innemen
de gemeente en het waterschap kunnen samenwerken met marktpartijen met expertise
de gemeente heeft kennis en expertise over de risico’s van het ontwikkelen en exploiteren van het warmtenet nodig om goede afspraken te kunnen maken met PPS-partners er geldt mogelijk een aanbestedingsplicht
1
Artikel 3.25 Aanbestedingswet
63 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
8.3
Situatie onder toekomstig recht
Inleiding: de WCW In de WCW (de Wet Collectieve Warmtevoorziening) staat het collectief warmtesysteem centraal. Met de inwerkingtreding van de WCW krijgt de gemeente de bevoegdheid om te bepalen door wie, waar en wanneer er een collectieve warmtevoorziening wordt aangelegd. Hiertoe krijgt de gemeente twee taken: - het vaststellen van een warmtekavel: Op basis van de transitievisie warmte, waarin gemeenten het tijdpad voor een stapsgewijze aanpak richting een aardgasvrije gebouwde omgeving vastlegt, stelt het college van burgemeester en wethouders (B&W) voor geselecteerde wijken de warmtekavel vast1; - het aanwijzen van warmtebedrijven (die integraal verantwoordelijk zijn): De gemeente wijst in het omgevingsplan een warmtebedrijf aan dat verantwoordelijk is voor de realisatie en exploitatie van het collectief warmtesysteem.2 Bij de invulling van de bevoegdheid om een warmtebedrijf aan te wijzen maakt de gemeente gebruik van een transparante, non-discriminatoire en goed onderbouwde procedure waar zowel publieke- als private bedrijven aan kunnen deelnemen.3 Ook als een gemeente een eigen warmtebedrijf opricht, moet de aanwijzingsprocedure worden gevolgd. Hierdoor kan de situatie ontstaan waarin de gemeente een eigen inschrijving moet beoordelen.
Het uiteindelijk aangewezen warmtebedrijf heeft het exclusieve recht en de plicht om binnen zijn warmtekavel een collectieve warmtevoorziening te realiseren4. Er geldt een integrale verantwoordelijkheid van het warmtebedrijf voor de warmtelevering. Er is geen sprake van afzonderlijke verantwoordelijkheid voor onderdelen van de warmteketen. Een uitzondering op de exclusieve aanwijzing van één warmtebedrijf zijn warmtesystemen met meer dan 10 kleinverbruikersaansluitingen en maximaal 1.500 verbruikersaansluitingen5. Deze systemen mogen geëxploiteerd worden wanneer er door het college van B&W een ontheffing is verleend6. Status van de WCW De WCW is in de zomer van 2020 ter internetconsultatie gegaan7. Het concept wetsvoorstel heeft tot discussie en zorgen geleid, met name omdat de gemeente private, publieke en publiek-private warmtebedrijven kan aanwijzen. Gemeenten pleitten voor de mogelijkheid om op voorhand te bepalen of voor een publiek, privaat of publiek-privaat warmtebedrijf wordt gekozen. Volgens de Landsadvocaat is dit in strijd met het Europese aanbestedingsrecht8. Uit nieuwsberichten blijkt dat de Minister voor Klimaat en Energie afstevent op een aangepaste versie van de Warmtewet twee waarbij alleen publieke of publiekprivate warmtebedrijven aangewezen kunnen worden. Ook is er nog discussie over de integrale verantwoordelijkheid van het warmtebedrijf.
Vanwege deze discussie en heroverwegingen heeft de Minister voor Klimaat en Energie de planning voor de wetgevingsprocedure gewijzigd9. In het najaar van 2022 wordt het wetsvoorstel besproken in de ministerraad. Vervolgens wordt het ter advisering aan de Raad van State voorgelegd. In mei 2023 wordt het wetsvoorstel behandeld door de tweede kamer en de inwerkingtreding is voorzien op 1 juli 2024. Op het moment van schrijven is nog niet bekend welke vormen van het warmtebedrijf mogelijk worden gemaakt met de WCW.
1
Artikel 2.1 Wetsvoorstel WCW
2
Artikel 2.2 lid 1 Wetsvoorstel WCW
3
Artikel 2.3 lid 1 Wetsvoorstel WCW
4
Artikel 2.8 Wetsvoorstel WCW
5
Artikel 2.2 lid 2 Wetsvoorstel WCW. In de eerste versie van het Wet collectieve warmtevoorziening was dit nog maximaal 500 aansluitingen
6
Artikel 3.1 Wetsvoorstel WCW
7
https://www.internetconsultatie.nl/warmtewet2
8
Kamerbrief van de Minister van Klimaat en Energie van 15 juli 2022 (kenmerk: DGKE-WO / 22114009)
9
Kamerbrief van de Minister van Klimaat en Energie van 15 juli 2022 (kenmerk: DGKE-WO / 22114009)
64 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
8.4
Evaluatie
Onder huidig recht bestaan er vier verschillende manieren waarop een warmtenet kan worden georganiseerd. De gemeente kan ten eerste zich faciliterend opstellen en een warmtenet mogelijk maken door een vergunning te verlenen. Hierbij heeft de gemeente geen sturingsmogelijkheden, en komt het warmtenet in private handen. Het waterschap heeft in deze vorm de rol van vergunningverlener. Ten tweede kan de gemeente een concessie verlenen voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet. Bij een concessie kan de gemeente eisen en voorwaarden stellen aan aspecten van het warmtenet en de exploitatie daarvan. Ook bij een concessie heeft het waterschap slechts de rol van vergunningverlener. De voorkeur van de betrokken bestuurders gaat uit naar publiek eigendom van het warmtenet. Om dit te realiseren zijn een gemeentelijk warmtebedrijf of een publiek-private samenwerking mogelijk. Voor het oprichten van een gemeentelijk warmtebedrijf richt de gemeente een rechtspersoon op die het warmtenet aanlegt en exploiteert. Zo heeft de gemeente de regie over het warmtenet. Een aandachtspunt hierbij is dat de gemeente voldoende kennis en expertise in huis moet halen (of moet inhuren) om deze regie ook succesvol te voeren. Het waterschap kan participeren in het warmtebedrijf, bijvoorbeeld als producent van warmte.
Tenslotte kan de gemeente via een publiek-private samenwerking gezamenlijk met marktpartijen en andere overheden zoals het waterschap een warmtenet aanleggen en exploiteren. Dit geeft de gemeente de mogelijkheid om gebruik te maken van de kennis en expertise van private partijen. Als de WCW in werking treedt (dit is nu voorzien op 1 juli 2024) mag de gemeente een warmtekavel aanwijzen en een warmtebedrijf dat het exclusieve recht (en de plicht) heeft om een collectief warmtesysteem te realiseren in de warmtekavel. Dit warmtebedrijf is dan integraal verantwoordelijk voor de gehele warmteketen. Op het moment van schrijven is nog niet bekend welke samenwerkingsvormen (privaat, publiek, of publiekprivaat) mogelijk zijn onder de wet. De Minister voor Klimaat en Energie werkt momenteel aan een wetsvoorstel waarin slechts publiek eigendom en beheer van warmtenetten mogelijk wordt gemaakt. Het wetsvoorstel is nog niet definitief en wordt in mei 2023 behandeld door de Tweede Kamer.
65 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
9 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 9.1
Conclusies
Op grond van de resultaten zoals opgenomen in dit rapport kan antwoord worden gegeven op de drie gestelde onderzoeksvragen: 1 is één collectief warmtesysteem voor beide gebieden (economisch) voordeliger, dan dat iedere gemeente apart een oplossing voor duurzame warmte ontwikkelt? 2 is een schaalbare warmtefabriek in dit gebied haalbaar? Zo ja, wat is het beste start- en toekomstscenario (technisch, economisch, ruimtelijk, juridisch, governance)? 3 welke mogelijke rollen kunnen de diverse stakeholders in de warmteketen vervullen? Antwoord op vraag 1: samen of apart Eén collectief warmtesysteem voor zowel De Eeuwsels als Aarle-Rixtel is economisch voordeliger. Dubbelingen in installaties, warmtetransportnet en grondbeslag kunnen worden voorkomen wanneer beide gebieden gebruik maken van een gezamenlijk collectief warmtesysteem. Tevens kan een deel van het warmtetransportnet worden gebruikt om beide gebieden van warmte te voorzien. Economische haalbaarheid: onrendabele top en bijdrage aansluitkosten Gegeven dat 100 % van de panden aansluit, er gemiddeld 600 woningequivelenten per jaar worden aangesloten, en een gasketel wordt gebruikt als piekvoorziening, bedraagt de onrendabele top van het gehele warmtenet circa EUR 28 miljoen, gegeven een IRR van 10 %.
Daarmee bedraagt de gemiddelde bijdrage aansluitkosten per woningequivalent circa EUR 8.000 exclusief omzetbelasting en exclusief subsidies. De betaalbaarheid kan worden verhoogd door gebruik te maken van individueel gerichte subsidies zoals de ISDE en SAH en collectief gerichte subsidies, zoals de SDE++. De onrendabele top wordt (significant) hoger in geval van een lagere ontwikkelsnelheid, e-boiler in plaats van gasboiler, lagere volloop en hogere energieprijzen gedurende de exploitatie. Houd verder rekening met flankerende kosten, zoals subsidieaanvragen, vergunning trajecten, algehele proceskosten en de kosten voor het opnieuw asfalteren van straten. In de bepaling van de investeringskosten zijn voor de proceskosten al wel enkele stelposten opgenomen. Bij De Eeuwsels en Aarle-Rixtel bedragen de directe bouwkosten voor het opnieuw asfalteren van de straten respectievelijk EUR 1 miljoen en EUR 50.000. Maatschappelijke kosten/baten Een collectief warmtenet kent de laagste maatschappelijke kosten en grootste reductie van de CO 2- en NOxemissies. Daarmee is de conclusie gelijk aan die uit een eerder onderzoek door DNVGL. Verder ligt de onderhoudsverantwoordelijkheid en hoge bijkomende kosten (zoals isolatie) niet automatisch bij de bewoner.
Aspecten waarop het warmtenet slechter scoort dan de individuele warmteoplossingen zijn: 1) de ruimtelijke inpassing in de omgeving tijdens de aanlegfase 2) potentiële afhankelijkheid van één marktpartij, 3) geen mogelijkheid tot koeling en 4) potentieel hogere jaarlijkse energielasten voor de bewoners als gevolg van onvoldoende concurrerende warmtetarieven. Dit laatste is een reele risico, omdat een verlaging van de warmtetarieven zal leiden tot een hogere onrendabele top.
66 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
Antwoord op vraag 2a: schaalbaarheid Een verdere opschaling van de warmtefabriek is mogelijk: 1 er kan meer warmte uit het effluent gewonnen worden dan noodzakelijk is voor de warmtevoorziening van Aarle-Rixtel en De Eeuwsels; 2 verdere opschaling kan mogelijk worden gemaakt door effluentwarmte ook in de zomer te winnen en tijdelijk op te slaan met seizoensopslag (zoals een WKO). Hierdoor kan in de winter meer warmte worden geleverd met een warmtepomp; 3 Verdere opschaling van de warmtefabriek kan mogelijk worden gemaakt door ook andere duurzame warmtebronnen te benutten, zoals luchtwarmtepompen of Thermische energie uit Oppervlaktewater (TEO) in combinatie met seizoensopslag (zoals een WKO). Het is zonder meer haalbaar om de eerste optie te benutten geven, zolang rekening wordt gehouden met de (specifieke) richtlijnen (van het waterschap/RWS) voor warmtewinning uit effluent. De tweede en derde optie zijn technisch en economisch haalbaar, maar vereisen nog nader onderzoek naar de mogelijkheden van seizoensopslagfaciliteiten. Antwoord op vraag 2b: startbuurt Als duurzaamheidsoverwegingen de doorslag geven dan vormt het starten in zowel De Eeuwsels als AarleRixtel de beste startbuurt. Als technische en economische overwegingen de doorslag geven, vormt De Eeuwsels de beste startbuurt.
Antwoord op vraag 2c: beste warmtebroncombinatie In alle gevallen is een warmtepomp op basis van effluent in combinatie met een piekvoorziening de beste optie. Voor de piekvoorziening kan worden ingezet op een gasketel of e-boiler. Als duurzaamheid en onafhankelijkheid van aardgas zwaarwegende argumenten zijn, dan heeft de e-boiler de voorkeur. Vanuit economisch perspectief heeft een gasketel de voorkeur. Antwoord op vraag 3: mogelijke rollen Onder het huidig recht bestaan er vier organisatievormen die bepalend zijn voor de rol die partijen (het waterschap en de beide gemeenten) kunnen nemen: 1 via vergunning verlening; 2 via concessieverlening; 3 via de oprichting van een gemeentelijk warmtebedrijf; 4 via een publiek-private samenwerkingsvorm. De Minister voor Klimaat en Energie werkt momenteel aan de Wet collectieve warmtevoorziening (WCW), waarin publiek eigendom van warmtenetten mogelijk verplicht wordt gesteld. Het wetsvoorstel wordt in mei 2023 behandeld door de Tweede Kamer. Als dit wetsvoorstel doorgang vindt, komt een accent te liggen op organisatievorm 3: een gemeentelijk warmtebedrijf. In dat geval richt de gemeente een rechtspersoon op die verantwoordelijk is voor de aanleg, beheer en exploitatie van het warmtenet. Het waterschap kan participeren in het gemeentelijk warmtebedrijf (bijvoorbeeld als producent van warmte).
Met deze constructie heeft de gemeente de regie over het warmtenet en kan zij bijvoorbeeld zelf de tarieven bepalen, maar is zij ook zelf verantwoordelijk voor alle risico’s. Ook dient te worden gewaarborgd dat er binnen de gemeente voldoende kennis en expertise in huis is om deze regierol ook succesvol te vervullen. Als de WCW in werking treedt (dit is nu voorzien op 1 juli 2024), mag de gemeente een warmtekavel aanwijzen en een warmtebedrijf aanwijzen dat het exclusieve recht (en de plicht) heeft om een collectief warmtesysteem te realiseren in de warmtekavel. Dit warmtebedrijf (bijvoorbeeld het gemeentelijke warmtebedrijf) is dan integraal verantwoordelijk voor de gehele warmteketen.
67 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
9.2
Aanbevelingen
In deze paragraaf worden enkele aanbevelingen gedaan voor het vervolg. Eerst wordt ingegaan op drie mitigatiemaatregelen om de vier belangrijkste risico’s het hoofd te te bieden. Vervolgens wordt ingegaan op een aantal aparte aanbevelingen voor het vervolgtraject. Mitigatie van risico’s op de betaalbaarheid/businesscase van het warmtenet De belangrijkste risico’s kunnen worden gemitigeerd met de volgende maatregelen: 1 hogere kosten door lage ontwikkelsnelheid: Een hogere ontwikkelsnelheid kan worden geborgd door bij de keuze voor een ontwikkelaar/aannemer expliciet rekening te houden met de beschikbare capaciteit. Een hogere volloop kan worden bereikt door de betrokkenheid van bewoners en woningbouwcorporaties goed te borgen en het aanbod voldoende aantrekkelijk te maken. 2 hogere energiekosten door keuze voor een e-boiler in plaats van een gasboiler als piekketel: uit een modelmatige studie die door Witteveen+Bos is uitgevoerd binnen het onderzoeksprogramma GO-e, blijkt dat de hogere energiekosten van een e-boiler (sterk) kunnen worden beperkt door slimme inkoop van elektriciteit op de groothandelsmarkt. De mate waarin dit in de praktijk ook zo uitpakt is echter nog niet goed onderbouwd en vergt nog verder onderzoek.
3 hogere elektriciteitsprijzen en stijgende warmtetarieven: De afhankelijkheid van stijgende/fluctuerende elektriciteitsprijzen door externe marktontwikkelingen (exploitatierisico) kan (gedeeltelijk) worden beperkt met maatregelen die leiden tot (een zekere mate) van ontkoppeling van de energiemarkt. Door deze ontkoppeling daalt het risico op een onrendabel warmtenet en stijgt de kans dat er een constante warmteprijs kan worden geboden aan de afnemers van de warmte. Manieren om dit te bereiken zijn de inkoop van lokale duurzame elektriciteit (zoals bijvoorbeeld een windturbine, zonnepark, of zon op dak) via bilaterale contracten tegen een vaste prijs, slimme inkoop van stroom als de prijzen laag zijn en extra warmtebuffer capaciteit om meer goedkoop ingekochte warmte (langer) op te kunnen slaan. Effluentpotentie Uit de studie is gebleken dat er meer thermisch vermogen kan worden geleverd met de beschikbare effluentstroom dan, op basis van het huidige bronontwerp, noodzakelijk is voor Aarle-Rixtel en De Eeuwsels. Dit beteken dat het thermische vermogen van de warmtepomp kan worden vergroot, opdat de onbenutte warmte uit de effluentstroom maximaal wordt benut.
In dat geval ontstaan er twee opties waarop het grotere thermische vermogen van de warmtepomp kan worden aangewend: 1 om in een groter deel van de warmtevraag van Aarle-Rixtel en De Eeuwsels te kunnen voorzien en daarmee de afhankelijkheid van piekketels te verkleinen; 2 om het warmteafzetgebied te vergroten en naast Aarle-Rixtel en De Eeuwsels ook warmte te leveren aan andere gebouwen. De effluentpotentie kan zelfs nog verder worden uitgenut door gebruik te maken van seizoensopslag. In de periode dat de warmtevraag aan het warmtenet laag is, wordt de effluentpotentie nauwelijks benut. Gedurende deze periode zou de warmte kunnen worden opgeslagen in een seizoensopslag. Uit deze studie (zie hoofdstuk 2) is gebleken dat een aantal opties voor seizoensopslag niet mogelijk zijn. Opties die wel mogelijk zijn, maar nader onderzoek zouden vereisen betreffen open bodemenergiesystemen (WKO) of een warmtebuffer (zoals de HoCoSto). Overdimensionering van TEA installatie en warmtetransportleiding Bij het ontwerp van de broninstallaties en warmtenet is het zaak om rekening te houden met bovenstaande 2 scenario’s. In beide gevallen is het zaak om de benodigde TEA installatie groter te dimensioneren.
Verder zou in het geval van scenario 2 bij het ontwerp en dimensionering van het warmtenet ook rekening moeten worden gehouden met een zekere mate van overdimensionering van de transportleidingen richting De Eeuwsels. Dit laatste is goed mogelijk omdat één grote leiding vrijwel direct van het noorden naar het zuiden van De Eeuwsels is voorzien.
68 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
Netcongestie Goeie afstemming met Enexis is noodzakelijk om scherp zicht te houden op de beschikbaarheid van voldoende netcapaciteit voor de warmtepomp en eventueel de e-boiler. Zodra er bestuurlijk draagvlak ontstaat voor het warmtenet zou een traject met Enexis gestart kunnen worden. Hiertoe is het nodig om zo spoedig mogelijk zicht te krijgen op de (minimaal) benodigde elektrische tranport capaciteit. De elektrische capaciteit die nodig is als de warmetpomp op het maximale thermische vermogen zou worden uitgelegd zou hiervoor als uitgangspunt kunnen dienen. Bronontwerp, buffering en slimme sturing De inzet op slimme sturing en warmtebuffering zou vragen om een reflectie op de dimensionering van de warmtebronnen. In het huidige schetsontwerp is geen rekening gehouden met slimme sturing en zijn geldende conventies voor de dimensionering van de bronnen gehanteerd. Echter zou het vergroten van de buffercapaciteit en de inzet op slimme sturing ervoor kunnen zorgen dat een andere dimensionering van de bronnen meer optimaal is. Slimme sturing en warmtebuffering zouden namelijk kunnen zorgen voor een verlaging van de piekvraag (kleinere piekketel) en lagere energiekosten (grotere buffer en wellicht ook grotere warmtepomp). Daarnaast zou slimme sturing van de warmtepomp (of e-boiler) ook kunnen worden gebruikt voor congestiemanagement.
Waarbij de warmtepomp en/of e-boiler wordt aangezet bij overschotten duurzame energie en uitgezet als de elektriciteitsvraag hoog is. Warmtenet ontwerp Het schetsontwerp van het distributienet is opgesteld in geosmartdesign. Desgewenst kunnen GIS of Autocad bestanden ter beschikking worden gesteld in een vervolg fase. Partijen die werken met deze software zouden ook het ontwerp kunnen inladen en daar mee verder kunnen werken. Dit bespaart tijd en geld. Afstemming met interne afdelingen De aanleg van het warmtenet zal zorgen voor veel werkzaamheden in de straat. Reeds geplande werkzaamheden (zoals herbestrating) zouden wellicht wat kunnen worden uitgesteld zodat deze kunnen worden gecombineerd met de werkzaamheden voor het warmtenet. Tijdige afstemming met de betrokken afdelingen binnen de gemeenten is hiervoor noodzakelijk. Belangrijk om te vermelden is dat niet alle werkzaamheden goed zijn te combineren. De snelheid waarmee infrastructuur kan worden aangelegd/vervangen verschilt bijvoorbeeld. Het is, door een verschil in snelheid, daarom niet zonder meer mogelijk om rioolwerkzaamheden te combineren met aanleg van een warmtenet. Bij beide moet echter wel eerst de straat open, dus hier valt wel winst te behalen (bijvoorbeeld door de straat niet opnieuw te asfalteren).
69 | 69
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: UITGANGSPUNTEN WARMTE EN VERMOGENSVRAAG I.1
Woningen
De warmtevraag is bepaald aan de hand van het gemiddelde, temperatuur gecorrigeerde, gasverbruik van de woningen in Aarle-Rixtel en De Eeuwsels in het jaar 20201. Op basis van deze waarde en het aantal woningen per buurt is de totale functionele warmtevraag bepaald, waarbij is gecorrigeerd voor kookgas, het gemiddelde opwekrendement van gasketels2 voor ruimteverwarming (94 %*) en tapwater (68 %*) en de verhouding van gasverbruik voor ruimteverwarming en tapwater (81 % ruimteverwarming). *Rendement zijn gegeven op basis van de hogere verbrandingswaarde van aardgas (35,17 MJ/m3).
Tabel I.1 Bepaling van de functionele warmtevraag Categorie
Eenheid
De Eeuwsels
Aarle-Rixtel
Totaal
gasverbruik 2020*
m3/jaar
1.150
1.470
niet van toepassing
gasverbruik ruimteverwarming
miljoen m3/jaar
1,5
2,6
4,2
gasverbruik tapwater
miljoen m3/jaar
0,3
0,6
0,9
gasverbruik kookgas
miljoen m3/jaar
0,06
0,08
0,15
functionele vraag ruimteverwarming
TJ/jaar
50
86
136
functionele vraag tapwater
TJ/jaar
8
15
23
functionele warmtevraag
TJ/jaar
58
101
159
De thermische vermogensvraag voor ruimteverwarming is bepaald aan de hand van het aantal woningen, het type woningen en een gemiddelde vermogensvraag voor ruimteverwarming per type woning. De resultaten zijn weergegeven in tabel I.1.
1
https://klimaatmonitor.databank.nl/jive
2
ACM, tarievenbesluit 2022
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage I | Definitief
Tabel I.2 Thermische vermogensvraag ruimteverwarming van woningen in De Eeuwsels en Aarle-Rixtel Woningen De Eeuwsels
Woningen AarleRixtel
Thermisch vermogen ruimteverwarming per woning
Thermisch vermogen De Eeuwsels
Thermisch vermogen Aarle-Rixtel
Thermisch vermogen totaal
aantal
aantal
kWth`/weq
kWth
kWth
kWth
tussenwoning
1.011
408
8,5
8.600
3.500
12.100
hoekwoning
317
362
10
3.200
3.600
6.800
2-onder-1 kap
14
665
12
200
8.000
8.200
vrijstaande woning
1
536
14
10
7.500
7.500
appartement
301
271
6,2
1.900
1.700
3.600
1.644
2.242
niet van toepassing
13.900
24.300
38.200
totaal
I.2
Utiliteit
De energievraag voor ruimteverwarming en tapwater is bepaald aan de hand van het bruto vloeroppervlak per type utiliteitsfunctie en kentallen voor de (vermogens)vraag voor ruimteverwarming en tapwater, op basis van kentallen die ook voor de startanalyse1 zijn gebruikt.
Tabel I.3 Warmte- en vermogensvraag van utiliteit in Aarle-Rixtel en De Eeuwsels Type utiliteit
De Eeuwsels
AarleRixtel
De Eeuwsels
AarleRixtel
De Eeuwsels
AarleRixtel
m2
m2
GJ/jaar
GJ/jaar
kWth
kWth
kantoor
0
6.000
30
3.200
0
200
winkel
5.700
9.700
1.200
2.800
400
700
zorg
200
1.600
80
1.300
10
100
logies
0
0
0
10
0
0
onderwijs
3.800
2.700
1.100
650
380
300
industrie
200
500
30
80
10
0
1.900
200
1.300
130
130
0
sport
500
6.000
300
1.900
30
400
cellen
0
0
0
0
0
0
overig
3.800
8.700
600
1.000
260
600
totaal
16.100
35.400
4.600
11.000
1.200
2.300
bijeenkomst
I.3
Kenmerken MT-warmtenet
In tabel I.4 zijn de kenmerken van een MT-warmtenet gegeven. Op basis van deze kenmerken kan de totale warmte- en vermogensvraag aan de warmtebronnen worden bepaald.
1
https://www.pbl.nl/publicaties/startanalyse-aardgasvrije-buurten-2020.
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage I | Definitief
Tabel I.4 Kenmerken MT warmtenet Onderwerp
Waarde
gelijktijdigheid warmtevraag woningen
55 %
gelijktijdigheid warmtevraag utiliteit
70 %
warmteverliezen MT-warmtenet
30 %
vermogensverliezen MT-warmtenet
5%
I.4
Totale warmtevraag en vermogensvraag aan warmtenet
Tabel I.5 geeft de totale warmte en vermogensvraag die de warmtebronnen zullen moeten leveren.
Tabel I.5 Functionele warmtevraag en vermogensvraag aan warmtenet Categorie
Functionele warmtevraag aan warmtenet
Vermogensvraag aan warmtenet
Gelijktijdige vermogensvraag aan warmtenet
TJ/jaar
MWth
MWth
woningen: De Eeuwsels
58
13,9
woningen: Aarle-Rixtel
101
24,3
utiliteit: De Eeuwsels
4,6
1,2
utiliteit: Aarle-Rixtel
11,0
2,3
totaal - exclusief warmte/vermogensverliezen
175
niet van toepassing
23,5
totaal - inclusief warmte/vermogensverlies
228
niet van toepassing
24,5
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage I | Definitief
21
2,5
II BIJLAGE: UITGANGSPUNTEN SYSTEEMVARIANTEN Tabel II.1 Algemene uitgangspunten voor systeemvarianten Categorie
Waarde
Eenheid
elektriciteitsprijs
0,182
EUR/kWh
gasprijs
0,059
EUR/kWh
CO2-emissies elektriciteitsmix 2020
0,30
kg/kWh
CO2-emissies elektriciteitsmix 2030
0,09
kg/kWh
WACC
7
%
Tabel II.2 Technische kentallen en financiële uitgangspunten per warmtebron of warmteopslag Warmtebron
Categorie
Waarde
Eenheid
TEA
levensduur SCOP investeringskosten OPEX herinvestering
15 40 135 4 30
jaar EUR/kW % %
TEO
levensduur SCOP investeringskosten OPEX herinvestering
15 40 135 4 30
jaar EUR/kW % %
waterwarmtepomp
levensduur SCOP investeringskosten OPEX herinvestering
15 3,9 754 4 70
jaar EUR/kW % %
luchtwarmtepomp
levensduur SCOP investeringskosten OPEX herinvestering
15 3,5 619 4 70
jaar EUR/kW % %
zon thermische collectoren
levensduur SCOP investeringskosten OPEX herinvestering
25 40 420 2,5 30
jaar EUR/kW % %
gasketel
levensduur SCOP investeringskosten OPEX
15 1 110 2,5
jaar EUR/kW %
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage II | Definitief
Warmtebron
Categorie
Waarde
Eenheid
herinvestering
70
%
e-boiler
levensduur SCOP investeringskosten OPEX herinvestering
15 1 130 2,5 70
jaar EUR/kW % %
WKO
levensduur SCOP investeringskosten OPEX herinvestering
30 20 143 2,5 30
jaar EUR/kW % %
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage II | Definitief
III BIJLAGE: KOSTENRAMING EN BUSINESSCASE De kosten zoals hier worden beschreven zijn gebruikt voor het ramen van de directe bouwkosten en investeringskosten, zoals beschreven in hoofdstuk 7 en 5. De kentallen die zijn gebruikt voor de eerste kotenraming uit hoofdstuk 5 wijken af van de kosten zoals weergegeven in hoofdstuk 7. In paragraaf III.1 en III.2 wordt eerst ingegaan op de tot standkoming van de directe bouwkosten zoals weergegeven in hoofdstuk 7. In paragraaf III.3 worden de kostenkentallen gegeven zoals gebruikt voor de eerste hoogover kostenraming zoals beschreven in hoofdstuk 5.
III.1
Directe bouwkosten warmtenet
GeoSmartDesign De directe bouwkosten van het warmtenet zijn gebaseeerd op een schetsontwerp van het warmtenet. Het schetsontwerp is tot stand gekomen met behulp van betaalde software webtool GeoSmartDesign - Heat van The People Group. De software is mede door Heijmans (een aannemer die warmtenetten aanlegt) ontwikkeld en bedoeld om warmtenetwerken te ontwerpen en kostencalculaties op te stellen. Het ontwerp van het warmtenet is geautomatiseerd en heeft een focus op daadwerkelijke inpassing op basis van input over wat er in de boven- en ondergrond ligt. Hiervoor zijn KLIC-gegevens ingeladen in de software. Dit zijn gegevens over de ligging van kabels en leidingen in de ondergrond. De diepte van de kabels is hier geen onderdeel van. Daarnaast worden automatisch de benodigde diameters van de pijpleidingen bepaald gebaseerd op hydraulische en thermische berekeningen. Dit scheelt veel tijd, waar dit van oudsher een iteratief en tijdrovend proces was. Werkdomein en uitgangspunten bij het gebruik van Geosmartdesign De software gaat, conform marktstandaard, uit van een tweepijps buisleidingssyteem van staal/PUR/PE. De software rekent met een midden temperatuur systeem van 70 °C aanvoer en 40 °C retour. Dit is in overeenstemming met het uitgangspunt in de studie Gulden Energie. De software kan worden ingezet om warmtedistributienetten te ontwerpen.
Voor de locatiebepaling van het tracé en ontwerp van de transportleiding vanaf de RWZI naar de onderstations in de beide buurten is uitgegaan van de selectiefactoren zoals benoemd in paragraaf 5.1. Voor de kosten van het aansluiten van de huizen wordt een vast bedrag per type huis berekend zoals gegeven in tabel 7.3. Hiervoor wordt geen gebruik gemaakt van de aansluitleidingen uit GeoSmartDesign, omdat hier het inpandig leidingwerk en het afleverset ontbreekt.
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage III | Definitief
Uitkomst Het voorlopige ontwerp van het warmtenetwerk wordt door de softwaretool GeoSmartDesign omgezet in een ‘Bill of Materials’ (BOM). De BOM is een lijst van materialen die gebruikt kan worden om de kosten van het warmtenetwerk te ramen. Per leidingdiameter wordt de volgende informatie aangeleverd: - de leidinglengtes; - het aantal lassen; - het aantal moffen. Een krimpmof is nodig voor een waterdichte aansluiting tussen het isolatiemateriaal van twee pijpen; - het aantal verloopstukken (om van een grotere naar een kleinere leiding te gaan); - het aantal bochten; - het aantal T-stukken; - het aantal expansielussen. Kostenraming De materialenlijst uit Geosmartdesign is gebruikt als input voor een hernieuwde kostenraming van het warmtenet. De directe bouwkosten bevatten de volgende onderdelen: 1 grondwerken: Hieronder vallen de kosten voor het ontgraven van de grond en eventueel transport van afgegraven grond waarvoor naast de sleuf geen ruimte is en afgevoerd dient te worden. Verontreinigde grond wordt ook afgevoerd en hiervoor wordt nieuw zand aangeleverd.
Wanneer er sleufbekisting nodig is om de ontgraven sleuf stabiel te houden zijn deze kosten ook hier opgenomen; 2 bemaling: Indien het nodig is om het grondwaterpeil te beheersen voor het aanleggen van de buizen zijn deze kosten hier opgenomen; 3 verharding: De kosten voor het openbreken en herstellen van de verharding op de straat worden hier opgenomen. Hieronder valt het opbreken en opnieuw aanbrengen van betonstraatstenen en trottoirbanden in geval van open verharding. In geval van gesloten verharding valt hieronder het zagen van het asfalt, het opbreken van het asfalt en het verwijderen van de funderingslaag. Er wordt hier uitgegaan van teervrij asfalt. Na verwijdering van asfalt wordt de straat tijdelijk dicht geblokt met betonstraatstenen; 4 aanbrengen asfalt: De kosten voor het herstellen van de asfalt laag zijn afzonderlijk inzichtelijk gemaakt. Hieronder vallen de kosten voor het verwijderen van de tijdelijke betonstraatstenen en het aanbrengen van de wegfundering en het asfalt. De kosten voor het leveren van het asfalt zit hierbij inbegrepen; 5 materiaal- en leveringskosten: Hieronder vallen de materiaalkosten voor de leidingen, de moffen, de verloopstukken en de T-stukken. Daarnaast zijn er nog leveringskosten voor de betonstraatstenen en trottoirbanden.
De expansielussen ontbreken in deze raming maar de kosten worden verondersteld niet significant te zijn op de totale kosten; 6 arbeidskosten: Hieronder vallen de handlingskosten (lossen en uitrijden) voor rechte leidingen, de arbeidskosten voor lassen van de buizen en voor het aanbrengen van de krimpmof. De handlingskosten voor de kleine componenten (moffen, bochten, verloopstukken en T-stukken) ontbreken maar worden verondersteld niet significant te zijn op de totale kosten. De kosten voor het lassen bestaat voor elke verbinding uit voorwerk, lassen, isoleren, controle en een niet-destructief onderzoek. Daarnaast wordt er elke 500 m een meetpunt geplaatst en wordt elke fase na aanlegging getest. De kosten van een warmtenet zijn niet alleen afhankelijk van de lengtes van de pijpen maar worden ook beïnvloed door de specifieke situatie van de onder- en bovengrond. Tabel III.1 geeft de uitgangspunten die zijn aangenomen voor het gebied waar de transportleiding gelegd wordt en de distributienetten in De Eeuwsels en Aarle-Rixtel.
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage III | Definitief
Tabel III.1 Uitgangspunten warmtenet Sleufbekisting
Bemaling
Open verharding
Gesloten verharding
Geen verharding
Verontreinigde grond
Afgevoerde grond
transportleiding
10 %
100 %
34 %
7%
58 %
20 %
20 %
De Eeuwsels
10 %
100 %
44 %
54 %
1%
20 %
20 %
Aarle-Rixtel
10 %
100 %
99 %
1%
0%
20 %
20 %
De percentages geven aan in welk deel van het tracé er bijvoorbeeld sleufbekisting geplaatst moet worden of bemaling toegepast. Daarnaast wordt de verhouding van het type verharding in het gebied aangegeven, welk percentage van de grond verontreinigd is en hoeveel uitgegraven grond afgevoerd moet worden omdat er geen ruimte is. De verhouding van de verharding is gebaseerd op visuele inspectie tijdens het opstellen van het schetsontwerp. De overige uitgangspunten zijn algemene aannames niet gebied specifiek.
III.2
Kostenkentallen
Tabel III.2 Kostenkentallen van Witteveen+Bos voor straat- en grondwerk ten behoeve van kostenraming warmtenetwerk Omschrijving
eenheid
Prijspeil 2022
BEMALING EN DRAINAGE: toepassen bemaling, horizontale drainages
m
EUR 10
VERHARDINGEN: elementen (open): opbreken trottoirbanden
m
EUR 4
aanbrengen trottoirbanden van beton
m
EUR 12
opbreken betonstraatstenen
m2
EUR 5
aanbrengen betonstraatstenen
m2
EUR 20
aanbrengen tijdelijke betonstraatstenen
m2
EUR 15
VERHARDINGEN: asfalt (gesloten): zagen van bitumineuze verharding
m
EUR 10
opbreken teervrij asfalt
m2
EUR 11
verwijderen teervrije funderingslaag
m2
EUR 11
aanbrengen asfalt dik 150 mm
m2
EUR 34
aanbrengen ongebonden wegfundering
m2
EUR 9
GRONDWERKEN: graven en aanvullen sleuf
m3
EUR 5
graven en aanvullen sleuf met sleufbekisting
m3
EUR 5
sleufbekisting
m
EUR 50
grond afvoeren < 25 km
m3
EUR 15
zand leveren (kleine hoeveelheden)
m3
EUR 15
BESTRATINGSMATERIALEN: leveren betonstraatstenen
m2
EUR 15
leveren rechte trottoirband van beton (13/15)
st
EUR 7
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage III | Definitief
Tabel III.3 Arbeidskosten van bouwbedrijf ten behoeve van kostenraming warmtenetwerk. Prijspeil januari 2022 met een bandbreedte van -/-10 +15 % Functie Uurloon
Voorman 65 EUR/uur
Lasser 85 EUR/uur
Isoleerder 65 EUR/uur
Lasdeskundige 105 EUR/uur
lossen/uitrijden leidingen [min/m]
voorwerk [min/verbinding]
lassen [min/verbinding]
isoleren [min/verbinding]
controleren [min/verbinding]
40
4
30
30
40
5
50
4
32
32
40
5
65
4
35
35
45
5
80
4
40
40
45
5
100
4
48
48
55
5
125
4
55
55
60
5
150
4
60
60
70
5
200
4
80
80
70
5
250
4
100
100
80
5
300
4
120
120
80
5
DN maat 1
Tabel III.4 Materiaalkosten van leverancier zoals toegepast in de kostenraming. Prijspeil september 2022 DN maat
Buis per m2
Bocht
T-stuk3
Verloopstuk4
Krimpmof (incl. montage) 5
25
EUR 21,75
EUR 62,45
EUR 205,00
-
EUR 65,63
32
EUR 18,00
EUR 71,15
EUR 253,00
EUR 128,95
EUR 70,41
40
EUR 18,80
EUR 73,25
EUR 219,00
EUR 103,00
EUR 69,41
50
EUR 21,85
EUR 81,35
EUR 241,00
EUR 127,15
EUR 72,35
65
EUR 26,10
EUR 100,00
EUR 269,00
EUR 171,70
EUR 75,46
80
EUR 30,60
EUR 101,50
EUR 292,00
EUR 170,30
EUR 84,10
100
EUR 40,25
EUR 138,60
EUR 309,00
EUR 221,30
EUR 96,07
125
EUR 48,12
EUR 166,17
EUR 343,00
-
EUR 104,62
150
EUR 60,67
EUR 214,45
EUR 369,00
-
EUR 115,02
200
EUR 89,10
EUR 288,58
EUR 512,00
-
EUR 171,02
250
EUR 128,03
EUR 495,41
EUR 668,00
EUR 605,06
EUR 214,99
300
EUR 161,96
EUR 665,72
EUR 775,00
EUR 726,08
EUR 242,39
III.3
Raming warmtenet kosten
1
geen kosten beschikbaar voor diameters kleiner dan DN40; hiervoor worden de prijzen van DN40 gebruikt
2
de kosten voor de buizen en bochten zijn kosten gebaseerd op grote hoeveelheden
3
dit zijn alleen de kosten voor de T-stukken met aan alle uitgangen dezelfde diameter.
4
dit zijn alleen de kosten voor verloopstukken die aan de uitgang één DN maat kleiner zijn. De kosten van verloopstukken groter dan DN100 ontbraken en zijn geëxtrapoleerd
5
de kosten voor montage van de krimpmof en krimpsleeve zijn geëxtrapoleerd voor diameters groter dan DN80
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage III | Definitief
Onderstaande kosten kentallen zijn gebruikt voor de eerste, hoogover kostenraming van het warmtenet, zoals opgenomen in hoofdstuk 5.
Tabel III.5 Kentallen voor leidingwerk transportnet en distributienet Type buis
Directe bouwkosten inclusief bemaling exclusief verharding
Eenheid
Te vervangen en herstellen verharding
Eenheid
DN300
2.070
EUR/m tracé
3,5
m2/m tracé
DN250
1.740
EUR/m tracé
3,3
m2/m tracé
DN150
1.220
EUR/m tracé
3,0
m2/m tracé
DN65
940
EUR/m tracé
2,7
m2/m tracé
Tabel III.6 Kentallen voor overige bijkomstigheden bij aanleg en aansluiting van net Verharding weghalen/herstellen
Kosten weghalen
Kosten herstel
Eenheid
groen
0
2
EUR/ m2
element
2
15
EUR/ m2
asfalt
11
110
EUR/ m2
overig
kosten
eenheid
boring + mantelbuis tracé
2
EUR/mm buitendiameter
onderstation + behuizing
120
EUR/kW
inpandig leidingwerk utiliteit
120
EUR/kW
afleversets
kosten
eenheid
standaard
1.200
EUR/weq
dubbel gescheiden
1.800
EUR/weq
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage III | Definitief
IV BIJLAGE: TOELICHTING RESTWARMTE POTENTIE ARTEX B.V. Artex B.V. is actief in de textielproductie en is gevestigd in Aarle-Rixtel. Het bedrijf staat open om mee te denken naar mogelijke koppeling van hun restwarmte met het warmtenet. Daarnaast zijn ze zelf aan het kijken naar mogelijkheden voor warmteterugwinning voor eigen gebruik. Het totaal geïnstalleerde verbrandingsvermogen van Artex is 10,8 MW. Deze stookinstallaties verbruiken aardgas. Het betreft een stoomketel en stookinstallaties voor de spanramen. Daarnaast zijn er nog andere cv-ketels aanwezig voor ruimteverwarming. De productietijden zijn maandag tot en met vrijdag van 06.00-22.30, waarbij maandagochtend en vrijdagmiddag niet het volledige verbrandingsvermogen in gebruik is. Op zaterdagochtend van 06.00-14.30 is er ook nog beperkte productie. Op zon- en feestdagen ligt de productie stil. Met een geïnstalleerd verbrandingsvermogen van 10,8 MW is het realistische vermogen wat te behalen valt uit warmteterugwinning, door bijvoorbeeld plaatsing van een economizer in de rookgassen, maximaal 1 MWth. De restwarmte zal op hoge temperatuur geleverd worden waardoor directe koppeling met het warmtenet een optie kan zijn. Het warmtepotentieel van maximaal 1 MWth is relatief weinig voor een warmtenet met een piekvermogensvraag van 24,5 MWth.
Daarnaast vindt er in het weekend geen productie plaats, dus zou er ook een vorm van opslag geplaatst moeten worden, waardoor de vermogenspotentie lager uitvalt. Door het beperkte warmtepotentieel en het gebrek aan continuïteit van de productie, is restwarmte van Artex geen realistische warmtebron voor de basislast. De warmtebron wordt nu niet meegenomen de verdiepingsfase in. De optie is niet volledig afgeschreven en kan in de toekomst, als scenario’s verder worden uitgewerkt, wellicht een kans bieden als kleine aanvulling of optimalisatie van het warmtesysteem.
Witteveen+Bos | 130784/22-017.381 | Bijlage IV | Definitief
V BIJLAGE: MKBA V.1
MKBA analyse
Kwantitatieve en kwalitatieve criteria Tabel V.2 geeft de MKBA-scoretabel weer. Er is een onderscheid aangebracht tussen kwantitatieve en kwalitatieve criteria, waarbij de kosten zijn gekwantificeerd en de baten zijn ingeschat in samenwerking met het projectteam van Gulden Energie. De kwantitatieve scores zijn gebaseerd op de eenmalige en jaarlijkse maatschappelijke kosten per warmteoplossing. Voor de leesbaarheid is ervoor gekozen om alleen de total cost of ownership (TCO) van de vier systemen over een periode van 30 jaar kwantitatief uit te drukken. Voor het aanbrengen van een score voor de baten is een zevenpuntschaal gebruikt zoals weergegeven in tabel V.1. De zevenpuntsschaal wordt gebruikt om aan te geven of een baat positief of negatief is en hoe groot die baat dan is.
Tabel V.1 Kwalitatieve aanduiding baten Baat
Aanduiding
zeer sterk positieve baat
+++
sterk positieve baat
++
positieve baat
+
geen baat
0
negatieve baat
-
sterk negatieve baat
--
zeer sterk negatieve baat