CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

19 20231221 Bestemmingsplan Regels Toelichting Buitengebied Herendijk 22-24 te Beek en Donk

Raadsvergadering 21 december 2023, gemeente LaarbeekBij agendapunt: H. Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied Herendijk 22-24 Beek en Donk26.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze luiden als volgt: "Artikel 3.75 Aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening Lid 1: In geval er sprake is van een watergebonden voorziening kan het bestemmingsplan onder overeenkomstige toepassing van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk maken, als elders een bouwperceel is gesaneerd en de daarop aanwezige bebouwing van ten minste gelijke omvang, met uitzondering van de bedrijfswoning, is gesloopt. Lid 2 : In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: a. het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; 26

b. permanente bewoning is uitgesloten. Ad. 3.75, lid 1: In geval er sprake is van een watergebonden voorziening kan het bestemmingsplan onder overeenkomstige toepassing van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk maken, als elders een bouwperceel is gesaneerd en de daarop aanwezige bebouwing van ten minste gelijke omvang, met uitzondering van de bedrijfswoning, is gesloopt. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een watergebonden ontwikkeling. Ad. 3.75, lid 2, sub a: In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; Ter plaatse is een bedrijfswoning aanwezig waarin de initiatiefnemer woont. Van daaruit kan de initiatiefnemer goed toezicht houden op het bedrijf. De initiatiefnemer is de beheerder van het bedrijf, waarmee de voorzieningen voor recreatief verblijf bedrijfsmatig worden beheerd. De initiatiefnemer houdt een overnachtingsregister bij van de voorzieningen. Ad.

3.75, lid 2, sub b: In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: permanente bewoning is uitgesloten. Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een permanente bewoning van de recreatieve voorzieningen. Dit zal eveneens in de regels van het nieuwe omgevingsplan van de gemeente worden vastgelegd, waarmee een permanente bewoning van de voorzieningen ook in het nieuwe omgevingsplan wordt uitgesloten. Vanuit artikel 3.76 gelden daarnaast afwijkende regels voor de omvang van een vrije-tijds voorziening. Deze zijn echter van toepassing wanneer sprake is van een vrije-tijds voorziening die de maximaal toelaatbare oppervlakte van 1 hectare zal overschrijden. Dit is bij de voorgenomen ontwikkeling niet het geval, waarmee de afwijkende regels voor de omvang van een vrije-tijds voorziening niet van toepassing zijn op het voorgenomen initiatief. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels die zijn gesteld voor (de vestiging van) niet-agrarische functies en vrije-tijds voorzieningen.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek In de Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek is op hoofdlijnen het ruimtelijke beleid voor het buitengebied van de gemeente Laarbeek opgenomen. De omgevingsvisie is op 12 december 2021 vastgesteld. In het buitengebied speelt een groot aantal uitdagingen en complexe opgaven, bijvoorbeeld de afname van het aantal agrarische bedrijven en een toename van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. In de visie zijn de kernkwaliteiten van Laarbeek en de trends en ontwikkelingen benoemd. Daarnaast is Laarbeek in de visie verdeeld in acht samenhangende deelgebieden met elk een eigen verhaal. Het karakter en de 27

verschijningsvorm van elk gebied zijn leidend voor de ruimtelijke mogelijkheden. Deze mogelijkheden zijn samengevat op een visiekaart. De initiatieflocatie is gelegen in het deelgebied 'Lintenlandschap'. De talrijke historische buurtschappen, linten en hoeven kenmerken dit landschap. Handhaving en waarborging van deze waardevolle historische bebouwingsconcentraties is van belang voor het behoud van dit landschap. Tussen de kernen van Beek en Lieshout dient het landschap haar open karakter te behouden om zodoende de scheiding tussen beide kernen te bewaren. De voorgenomen ontwikkeling betreft de locatie tussen deze kernen en zal 9.200 m² aan bebouwing slopen. Daarmee wordt het open karakter tussen de kernen vergroot en versterkt. Tevens is de locatie gelegen in een bebouwingslint en is het herbestemmen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning voorstelbaar. Volgens de omgevingsvisie is lintbebouwing kenmerkend voor het 'Lintlandschap' en wordt daarom gestimuleerd ter plaatse van de intitiatieflocatie. Echter is bij het herbestemmen van bedrijfswoning naar burgerwoning wel van belang dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat én dat de omliggende agrarische bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Op deze wijze is de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig met het beleid zoals verwoord in de omgevingsvisie.

28

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij. De bedrijfswoning zal daarbij worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving, waarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Daarnaast wordt er een camperplaats met een dierenweide gerealiseerd. Ten aanzien van een camperplaats zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 30 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 30 meter. Ten aanzien van een dierenweide zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 30 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het meest nabijgelegen gevoelige object betreft de burgerwoning aan Herendijk 23 op een afstand van circa 90 meter. Hierdoor kan er gesteld worden dat er ruimschoots wordt voldaan aan de gestelde richtafstand.

Daarnaast zal de milieubelasting aan de omgeving als gevolg van de beëindiging van de intensieve veehouderij aanzienlijk afnemen. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar verbeteren. Er is na de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling sprake van minder milieuhinder aan de omgeving dan in de huidige situatie. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is 29

van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een agrarische bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning. Een burgerwoning is aan te merken als gevoelige object en mag omliggende bedrijven en/of functies niet onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. In de omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Omdat burgerwoningen geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving veroorzaken worden deze niet beperkt door de komst van nieuwe gevoelige objecten. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende burgerwoningen. Verder zijn er in de omgeving van de locatie (binnen een straal van ongeveer 250 meter) zijn de volgende inrichtingen gelegen: Herendijk 18: Agrarisch bedrijf, zijnde een melkveehouderij met tevens jongvee en vleesstieren; Donkersvoorsestraat 5; Niet-agrarisch bedrijf, zijnde een timmerbedrijf; Auwestraat 6: Niet-agrarisch bedrijf, zijnde een loonbedrijf; Auwerstraat 2; Agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij met vleeskalveren; Herendijk 27-29; Agrarisch bedrijf, zijnde een glastuinbouwbedrijf; Herendijk 28; Agrarisch bedrijf, zijnde een glastuinbouwbedrijf. Herendijk 18 Aan de Herendijk 18 is een agrarisch bedrijf, zijnde een melkveehouderij gevestigd.

Ten aanzien van dergelijke inrichtingen zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. De betreffende melkveehouderij aan de Herendijk 18 is, gemeten van bouwvlak van het bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevel van de om te schakelen woning van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 132 meter van de locatie. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Herendijk 18. Donkersvoorsestraat 5 Aan de Donkersvoorsestraat 5 is een niet-agrarisch bedrijf, zijnde een timmerbedrijf gevestigd. Ten aanzien van dergelijke inrichtingen zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 0 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 100 meter. Gevaar: 0 meter. Het betreffende loonbedrijf aan de Donkersvoorsestraat 5 is, gemeten van bouwvlak van het bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevel van de om te schakelen woning van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 230 meter van de locatie. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Donkersvoorsestraat 5. Auwestraat 6 Aan de Auwestraat 6 is een niet-agrarisch bedrijf, zijnde een loonbedrijf gevestigd.

Ten aanzien van dergelijke inrichtingen zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 30 meter. Stof: 10 meter. 30

Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Het betreffende loonbedrijf aan de Auwestraat 6 is, gemeten van bouwvlak van het bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevel van de om te schakelen woning van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 149 meter van de locatie. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Auwestraat 6 . Auwerstraat 2 Aan de Auwerstraat 2 is een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij met vleeskalveren. Ten aanzien van dergelijke inrichtingen zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. De betreffende melkveehouderij aan de Auwerstraat 2 is, gemeten van bouwvlak van het bedrijf tot de toekomstige agrarische bestemming 'specifieke vorm van agrarisch - campeerplaats' , gelegen op een afstand van ongeveer 132 meter van de locatie. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Auwerstraat 2. Herendijk 27-29 Aan de Herendijk 27-29 is een agrarisch bedrijf, zijnde een glastuinbouwbedrijf. Ten aanzien van dergelijke inrichtingen zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter.

Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter De betreffende melkveehouderij aan de Herendijk 27-29 is, gemeten van bouwvlak van het bedrijf tot de toekomstige agrarische bestemming 'specifieke vorm van agrarisch - campeerplaats' , gelegen op een afstand van ongeveer 220 meter van de locatie. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Herendijk 27-29. Herendijk 28 Aan de Herendijk 28 is een agrarisch bedrijf, zijnde een glastuinbouwbedrijf. Ten aanzien van dergelijke inrichtingen zijn in de VNG handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter De betreffende melkveehouderij aan de Herendijk 27-29 is, gemeten van bouwvlak van het bedrijf tot de toekomstige agrarische bestemming 'specifieke vorm van agrarisch - campeerplaats' , gelegen op een afstand van ongeveer 160 meter van de locatie. Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige beperking van het bedrijf aan de Herendijk 28 31

4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.

De voorgenomen ontwikkeling is een bestemmingsplanherziening van 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' naar 'Wonen'. Er zal geen nieuwe woning worden gerealiseerd. De woning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat er geen sprake mag zijn van geuroverlast aan de omgeving bij ruimtelijke ontwikkeling dient, wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door de beëindiging van de intensieve veehouderij zal de geuroverlast aan de omgeving juist (aanzienlijk) afnemen. Daarmee zal ook het woon- en leefklimaat in de omgeving van de locatie (aanzienlijk) verbeteren. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft een achtergrond geurbelasting kaart gepubliceerd op basis van vigerende vergunningen (onderstaand figuur). Op basis van deze kaart kan vanuit de huidige situatie een goed woon- en leefklimaat geborgd worden. Na beëindiging van de intensieve veehouderij zal de geuroverlast aanzienlijk afnemen en kan geconcludeerd worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

32

Uitsnede: achtergrond geurbelasting Bron: odzob.nl Naast de toetsing aan de richtafstnad voor geur, zoals opgenomen in de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie 4.1.1) zijn er ook in het Activiteitenbesluit afstanden opgenomen. Volgens het Activiteitenbesluit geldt een minimaal in acht te nemen afstand tussen de dichtstbijzijnde gevel van een stal waarin dieren worden gehouden en de gevel van het dichtstbijzijnde voor geur gevoelige object. Deze afstanden zijn buiten de bebouwde kom 50 meter. Er wordt voldaan aan deze afstandseis. 4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen.

Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting In de ministeriële regeling wordt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM verder uitgewerkt.

Waar mogelijk worden getalsmatige grenzen gesteld aan de omvang van nieuwe projecten. Het gaat bijvoorbeeld om een maximum aantal nieuwe woningen, kantooroppervlakte en grootte van landbouwbedrijven. Een nieuw project dat binnen deze grenzen blijft, is per definitie NIBM. Als een nieuwe ontwikkeling buiten de grenzen van de ministeriële regeling valt, kan het bevoegde gezag berekeningen maken om alsnog aannemelijk te maken dat het project minder dan 1,2 µg/m³ bijdraagt aan de luchtvervuiling. Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisenvoor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt.

Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst 33

worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft een herziening van het bestemmingsplan waarbij de bestemming van ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ verandert en de bestaande bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als burgerwoning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts één woning betreft, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 16,37 µg/m³ en voor NO2 9,28 g/m³, zie de afbeeldingen hieronder. Dit is ruimschoots onder de gestelde norm van 40 µg/m³, waarmee ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

Uitsnede: Fijnstof PM10 Bron: Atlas voor de leefomgeving

34

Uitsnede: Fijnstof PM2,5 Bron: Atlas voor de leefomgeving Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde situatie.

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.

35

Resultaten berekening NIBM-tool. Bron: InfoMil Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. 4.1.4 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.4.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking.

De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Hiermee wordt een nader advies van de GGD niet noodzakelijk geacht. Hiermee zijn met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen ten aanzien van de handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0.

36

4.1.4.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee. Wel wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een bestaande bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning en wordt een nieuwe compensatiewoning opgericht. Binnen 200 meter van de locatie zijn echter, gemeten vanuit de gewenste bouwvlakken na realisatie van het project, geen varkenshouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 500 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen.

4.1.4.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten. Wel wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een bedrijfswoning omgeschakeld naar een burgerwoning en wordt een nieuwe compensatiewoning opgericht. Binnen 2 kilometer van de locatie zijn echter geen geitenhouderijen gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.

4.1.5 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuwe woning of andere 37

geluidsgevoelige bestemming. De vrijkomende bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit veranderd met de beoogde ontwikkeling niet. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.1) niet in onevenredige mate toenemen, maar juist afnemen. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van (spoor)wegverkeerslawaai en industrielawaai. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid in het kader van het woon- en leefklimaat geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

4.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

38

Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico. Bron: Omgevingsdienst. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. 4.1.6.1 Plaatsgebonden risico Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

39

Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen en buisleidingen) Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. 4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord. 4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie.

Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Door Milieupartner BV is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd om de bodemgesteldheid vast te stellen. Dit onderzoek is als bijlage 5 te raadplegen. Uit het bodemonderzoek is gebleken dat ter plaatse van de opslagbak bij de spuitplaats maximaal 5 m³ grond sterk met zink verontreinigd is. Deze grond dient onder milieukundige begeleiding gesaneerd te worden. Na sanering van deze grond kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of 40

bestemmingswijziging niet in de weg zal staan. Middels een voorwaardelijke verplichting is de sanering van de verontreinigde grond geborgd in de regels van het bestemmingsplan. 4.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter).

In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend. Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object.

In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). Nabij de locatie is geen sprake van bomenteelt die wordt uitgevoerd en/of van akkerbouw met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen. 4.1.9 Hoogspanningsverbindingen De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld. Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.

41

4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.

Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r. -beoordelingsplicht geldt. Activiteit D14 gaat over het 'oprichten, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren'. In onderdeel D14 kolom 2 staan bij deze activiteit gevallen (drempelwaarden) genoemd. Onder deze drempels moet een vormvrije m.e.r.- beoordeling worden uitgevoerd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt het houden van 5 tot 10 kleindieren mogelijk. Met dit aantal wordt de voornoemde drempelwaarde uit kolom 2 niet overschreden. Bij activiteit D10 is de aanleg, wijziging of uitbreiding van: skihellingen, jachthavens, vakantiedorpen en hotelcomlexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, permanente kampeer- en caravanterreinen of themaparken. Het bestemmingsplan Herendijk 22-24 omvat 20 camperplaatsen, één sanitaire voorziening, een onderhoudsplaats en een ontvangstruimte.Het oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1 ha. Het plan ligt hiermee ruim onder de plandrempel zoals genoemd bij activiteit D10 (oppervlak van 25 ha). Met 20 camperplaatsen zal jaarrond ook ruimschootst onder de bezoekersgrens van 250.000 bezoekers per jaar gebleven worden.

In onderstaande tabel worden de mogelijke milieueffecten toegelicht. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteiten en de plaats van de activiteit. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Hierbij wordt gekeken of er mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen ontstaan en of er verzachtende mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventuele milieueffecten te verminderen of teniet doen. Kenmerken van het project

Bestemmingsplan Herendijk 22-24 Het betreft een bestemmingpslan met directe bouwtitels. Daardoor is het een project (kolom 4) in de zin van het besluit m.e.r.. Omvang van het project (relatie met drempel D lijst) - Activiteit D10 uit Besluit m.e.r..

42

Omvang van het project (relatie met drempel D lijst) - Activiteit D10 uit Besluit m.e.r.. Drempelwaarden zijn: 1. 250.000 bezoekers of meer per jaar; 2. een oppervlakte van 25 hectare of meer; 3. een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.

Cumulatie met andere projecten

Gebruik natuurlijke hulpbronnen (Toelichting: De nieuwe ontwikkeling kan gevolgen hebben voor op, of in de van, de locatie aanwezige hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Productie afvalstoffen

Risico voor ongevallen Plaats van de projecten Bestaand grondgebruik Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.

- Initiatief omvat: 1. Camperplaats met 20 plaatsen; 2. Ontvangstruimte met kantoor, sanitaire voorzieningen en een onderhoudswerkplaats; 3. Huiskamer met koffie- en theefaciliteiten, speelen ontspanningsruimte, toiletgroep; 4. Sanistation voor het lozen van afvalwater; 5. Hemelwateropslag ten behoeve van het beregenen van perceel. Er zijn geen projecten in de omgeving die in combinatie met het project kunnen leiden tot extra effecten. Voor de bouw van de sanitaire voorziening en de gemeenschappelijke ruimte worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal (beton, hout, grond). De in het plangebied aanwezige bosschages worden gehandhaafd, de realisatie van het initiatief heeft hier geen invloed op. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Het gebruik van het plangebied als camperplaats zorgt voor productie van afvalstoffen (huishoudelijk afval, afvalwater). De afvalstoffen zullen volgens de normen van de gemeente Laarbeek worden ingezameld en verwerkt. Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht. Het plangebied is momenteel bestemd voor agrarische doeleinden (pelsdierhouderij). Het plangebied heeft naast de aanwezige bomen geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Op 12,8 km van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied de Strabrechtse Heide & Beuven.

Uit de Aerius berekeningen blijkt dat de camperplaats geen negatief effect zal hebben op de instandhoudingsdoelen van het Ijsselmeer. Daarnaast is de locatie gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland. Daar er geen sprake is van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN is verder onderzoek naar invloeden op het NNN niet van toepassing. Andere gevoelige gebieden liggen niet in of op korte afstand van het plangebied.

43

Natura 2000 (Toelichting: Op grond van artik el 7.2a lid 1 Wm zijn plannen die op grond van een wettelijk e of bestuursrechtelijke bepaling verplicht zijn en waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt planm.e.r.-plichitg.

Het gebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. De beperkte stikstofuitstoot agv de bezoekers van de camperplaats heeft daar geen invloed op. Effecten in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet te verwachten, het opstellen van een Passende Beoordeling is daarom niet noodzakelijk.

Kenmerken van het potentiële effect: Bereik van het effect (geografische en grootte getroffen bevolking)

Grensoverschrijdend karakter Orde van grootte en complexiteit effect

Waarschijnlijk effect

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

Conclusie

De effecten van de voorgenomen activiteiten zijn beperkt van omvang en treden alleen lokaal op. Ten aanzien van gevoelige gebieden zijn er geen effecten te verwachten. Effecten op waardevolle natuurgebieden worden niet verwacht. Hinder wordt niet verwacht op basis van de NIBM-tool, hiermee is berekend dat de verkeerstoename als 'niet in betekende mate' wordt aangemerkt. Er zijn geen landgrensoverschrijdende effecten. De verwachte effecten zijn beperkt en lokaal van aard. In de directe nabijheid van de woning liggen geen gevoelige objecten waardoor geen hinder valt te ondervinden. De realisatie van de camperplaats zal leiden tot beperkte effecten op de luchtkwaliteit, het geluidsniveau en natuur. In vergelijking met de eerder gevestigde pelsdierhouderij is er sprake van enorme verbetering voor voornoemde onderwerpen. De sloop- en aanlegfase zal leiden tot beperkte tijdelijke effecten op verkeer, geluid, luchtkwaliteit en natuur. Ten opzichte van de voormalige pelsdierhouderij zijn in de beoogde situatie de effecten sterk afgenomen. Gezien de omvang in relatie tot de drempelwaarde en de verwachte effecten, zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Nadere analyse in een MER/m.e.r.- beoordeling is niet noodzakelijk.

Het initiatief betreft een herziening van het bestemmingsplan waarbij de bestemming wijzigt van ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ en waarbij de agrarische bedrijfswoning als burgerwoning in gebruik wordt genomen. Dergelijke ontwikkelingen komen niet voor in de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r.. Het gaat om een functiewijziging, die verder geen milieuhygiënische effecten heeft op de omgeving. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er voor het initiatief geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. 44

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Strabrechtse Heide & Beuven) is gelegen op een afstand van ongeveer 13 kilometer van de locatie.

Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Provincie Brabant 45

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een herziening van het bestemmingsplan waarbij de bestemming wijzigt van ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ en waarbij de agrarische bedrijfswoning als burgerwoning in gebruik wordt genomen. Er zal geen activiteit ontstaan met een emissie van ammoniak. Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4), niet onevenredig toenemen, maar juist afnemen. Er is daarmee sprake van een afnemende emissie van stikstof bij de voorgenomen ontwikkeling. Daarmee zal de depositie van stikstof in de betreffende gebieden niet toenemen. Voor het plan is een Aerius berekening gemaakt van de realisatiefase en de beoogde situatie. Uitgangspunten: Voor de realisatiefase is een 'worst-case' AERIUS berekening uitgevoerd. In deze berekening is alleen de sloopfase meegenomen. Hiervoor is gekozen omdat de er geen nieuwe bebouwing opgericht wordt, maar gebouwen worden hergebruikt voor de huiskamer en de sanitaire voorziening. De toelichting op de gebruikte machines en verkeersbeweging is toegevoegd in de Aerius berekening. Voor de beoogde situatie is eveneens een 'worst-case' Aerius berekening gemaakt. Bij deze berekening is op basis van de brochure 'toekomstbestendig parkeren' van de verkeersbewegingen vastgesteld voor de woning en het kampeerterrein.

De campers zijn ingevoerd onder de categorie middelzwaar verkeer. De verkeersbewegingen die behoren bij de woning zijn ingevoerd als licht verkeer. Daarnaast is er een CV ketel bij de woning ingevoerd en nog een CV ketel bij het sanitaire gebouw. Uit beiden berekening komt een resultaat van 0,00 mol/ha per jaar. Dit concludeert dat er geen negatieve resultaten zijn voor omliggende Natura-2000 gebieden. Zie hiervoor bijlage 2 en bijlage 3. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk.

Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 46

van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitatrichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.

Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.

Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. De sloop van de stallen zal buiten het broedseizoen plaats vinden om zo geen dieren in de omgeving te storen tijdens het broeden. De algemene zorgplicht t.a.v. algemene amfibieën worden hierbij in acht genomen. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen beperkingen waren voor de sloop van de nertsenverblijven en een afhang van een voormalig bedrijfsgebouw. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er 47

daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=b8696ddf-5f89-4da6-bff5-cf70df2f3766