CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

18 20231012 Ruimtelijke onderbouwing_ ontwerp_01

Raadsvergadering 12 oktober 2023, gemeente LaarbeekBij agendapunt: B. Voorstel tot realisatie nieuw tankstation aan de Bosscheweg Beek en Donk19.323 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 27

Afweging Voor de realisatie van kwaliteitsverbetering van het landschap en het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Laarbeek sinds 2017 de Landschapsinvesteringsregeling Laarbeek. Het project voorziet in een uitgebreide landschappelijke kwaliteitsverbetering ten belope van 20% van de waardevermeerdering van de gronden als gevolg van de planologische wijziging. De landschappelijke kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd door een robuuste landschappelijk inpassing van het projectgebied zelf. Verwezen wordt hier naar paragraaf 2.4.4 en bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Bereikbaarheidsagenda Metropool Regio Eindhoven Met de bereikbaarheidsagenda 'Brainport Duurzaam Slim verbonden, Mobiel door slimme keuzes' uitgebracht in 2016, presenteren 21 gemeenten (voorheen de Samenwerkingsverband Regio Eindhoven) samen met de gemeente Veghel een breed pakket van maatregelen om de bereikbaarheid van de regio te verbeteren. Er wordt met dit document mede aandacht gevraagd voor de toekomstbestendige uitvoering van de N279, inclusief de uitvoering van de regionale aansluitingen op de N279. De gemeenten hebben veelal ook nog een Gemeentelijk Verkeer- en vervoersplan dat voorziet in verdere uitwerking van beleid op gemeenteniveau.

3.3.2 Structuurvisies gemeenten N279 Veghel - Asten In de structuurvisies van de gemeenten Veghel, Laarbeek, Gemert-Bakel, Helmond, Deurne en Asten wordt kort ingegaan op de problemen rondom de N279 en de mogelijke oplossingen hierin ten aanzien de ontwikkeling van de N279. De structuurvisies leggen de relatie met water, natuur, landschap en de waarde die daaraan is toe te kennen. De gemeenten haken aan bij het regionale doel de N279 op te waarderen.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Laarbeek 2010 - 2020 | Groei in balans

De Wet ruimtelijke ordening verplicht gemeenten een structuurvisie voor het gehele grondgebied vast te stellen. Daarin regelt de gemeenteraad op hoofdlijnen het gebruik van de ruimte voor het hele grondgebied en voor de lange termijn: welke grondgebruik wordt waar gerealiseerd, wanneer en hoe. Aan de hand van de lagenbenadering is voor de gemeente Laarbeek een duurzaam structuurbeeld opgesteld. De gemeente is verdeeld in 4 deelgebieden: - Waterland; - Beken en kernenzone; - Groen monoland; - Mixland. Per deelgebied is aangegeven wat de duurzame kwaliteiten zijn en wat de gebiedsstrategie is uitgaande van deze kwaliteiten en de gebiedsopgaven. Afhankelijk van de kwaliteiten ligt de nadruk op conserveren, revitaliseren of ontwikkelen. In de ‘Beken en kernenzone’, waarin Beek en Donk –en ook het onderhavige projectgebied - is gelegen, is het beleid gericht op versterking van de ruimtelijke structuur van de kernen, gecombineerd met inbreiding en herstructurering, alsmede op het creëren van duurzame komranden met een sterke groenblauwe dooradering.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 28

deelgebieden structuurvisie

De structuurvisie bevat een visie op hoofdlijnen voor een aantal belangrijke ruimtelijke onderwerpen; een daarvan is ‘bereikbaarheid’. Laarbeek wil de nabijheid tot Helmond en Eindhoven - de peri-urbane ligging beter benutten, met behoud van het landelijk karakter. Een snelle en comfortabele verbinding met het stedelijk gebied is hiervoor onontbeerlijk.

3.4.2 Toekomstvisie Laarbeek 2020 De gemeentelijke organisatie wordt op basis van de zogenaamde ‘planning & control-cyclus’ meer en meer aangestuurd door programma’s welke door de raad zijn vastgesteld. Toekomstvisie, Raadsbeleidsplan en Programmabegroting verstrekken de raad in toenemende mate een sturende rol in de beleidsvoornemens. De toekomstvisie Laarbeek 2015 gaf vanuit het perspectief van de raad een eerste beleidsmatige doorkijk. Teruglopende inkomsten, tegenvallende grondexploitatie-resultaten, verdergaande decentralisatie van overheidstaken (Jeugdzorg, Participatiewet, Wmo), schaalvergroting, meer wet- en regelgeving vanuit Brussel (dus een afname van de sturingsmogelijkheden) en de toenemende digitalisering en vernetwerking van de samenleving nopen tot een herijking van de gemeentelijke toekomstvisie. Dat is gebeurd via de huidige – geactualiseerde – Toekomstvisie Laarbeek 2020. In deze visie zijn 6 maatschappelijke thema’s uitgewerkt. De 6 thema’s die in deze toekomstvisie zijn uitgewerkt, zijn tijdens een workshop benoemd door de raads- en commissieleden. Een van die thema’s is ‘Economie en werkgelegenheid’. In het kader van dit thema wordt – onder meer – geconstateerd dat voor de regio - waar Laarbeek onderdeel van uitmaakt - en de bedrijven is verbetering van de bereikbaarheid belangrijk. Dit geeft een impuls aan de lokale en regionale economie.

De gemeente Laarbeek streeft naar verbetering van de bereikbaarheid van het bedrijfsleven over de weg en het water.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 29

Verder wordt beleidsmatig uitgesproken dat bestaande bedrijven in het buitengebied in Laarbeek voldoende armslag moet krijgen om andere economische dragers te zoeken. Laarbeek formuleert een heldere begrenzing van de toegestane activiteiten in het buitengebied, maar biedt ook de ondernemer in het buitengebied meer speelruimte naarmate de maatschappelijke meerwaarde van een initiatief groter is. Deze nieuwe bedrijvigheid mag niet ten koste gaan van de bestaande activiteiten in het buitengebied.

3.4.3 Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek In 2021 heeft de gemeenteraad van Laarbeek de Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek vastgesteld. De Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek bevat een integrale langetermijnvisie op hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving waarin de kernkwaliteiten van het buitengebied van Laarbeek alsmede trends en ontwikkelingen worden benoemd. De gemeente kiest hier voor zowel een gebiedsgerichte benadering als een thematische benadering. Algemeen De gebiedsgerichte benadering die Laarbeek hanteert, wordt aan de hand van acht samenhangende gebieden vastgelegd in de Omgevingsvisie Buitengebied. De verschillende gebieden hebben een eigen naam en zijn gevormd op basis van de eigenschappen van de ondergrond en de verschijningsvorm van het landschap. De acht gebieden worden in het gebiedspaspoort (hoofdstuk zeven) landschappelijk beschreven en voorzien van een ruimtelijke ontwikkelingsrichting. Aan de hand van het ‘verkeerslichtmodel’ kleuren bepaalde ruimtelijke activiteiten voor een gebied vervolgens rood, oranje of groen. • • •

Rood: Gemeente werkt binnen dat deelgebied niet mee aan activiteit; Oranje: Gemeente maakt een afweging over de toelaatbaarheid; Groen: Gemeente werkt mee aan het verzoek, mits het plan voldoet aan bepaalde basisvoorwaarden.

De Omgevingsvisie Buitengebied bevat ook een thematische benadering. Hier komen algemene onderwerpen die niet gebiedsgericht kunnen worden benoemd aan bod. Denk hierbij aan thema’s die onder de nieuwe Omgevingswet extra aandacht behoeven zoals gezondheid, veiligheid en cultureel erfgoed. Gebiedsgerichte benadering Gebiedsindeling Laarbeek In het verleden en recente verleden werden ruimtelijke beleidskeuzes in Laarbeek generiek (dus voor het gehele grondgebied) toegepast, dus zonder inachtneming van de afzonderlijke gebiedskenmerken. Sommige landschappen lenen zich door bepaalde kenmerken echter beter voor specifieke ontwikkelingen en functies dan andere. Als basis voor deze omgevingsvisie Buitengebied is het grondgebied van de gemeente Laarbeek daarom opgedeeld in acht samenhangende, landschappelijke beschrijvingen. Het projectgebied maakt deel uit van het zogenaamde ‘Lintenlandschap’ (zie onderstaande uitsnede).

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 30

Uitsnede

Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek: 8 landschappen (projectgebied rood omcirkeld)

Ontwikkelingsrichting Het karakter van dit gebied wordt met name bepaald door de talrijke historische buurtschappen, linten en hoeven. Deze historische bebouwingsconcentraties zijn waardevol om de uitstraling van het authentieke boerenlandschap te kunnen handhaven en waarborgen Het heeft de voorkeur om de zichtlijnen van de grote infrastructurele assen niet te doorsnijden maar te begeleiden. Verder is lichtere bedrijvigheid (cat. 1 en 2) mogelijk in dit gebied.

‘verkeerslicht’ voor het gebied ‘Lintenlandschap’

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 31

Thematische benadering In dit deel van de Omgevingsvisie wordt een aantal belangrijke thematische onderwerpen onder de loep genomen, die individueel niet gebiedsgericht kunnen worden benoemd. Afweging Het lintenlandschap waarbinnen het projectgebied valt wordt ruimtelijk gedefinieerd door een aantal infrastructurele lijnen die de ruimtelijke dragers van het gebied vormen, namelijk het kanaal (ZuidWillemsvaart), de provinciale weg N279 en de Bosscheweg. Het projectgebied ligt in een ‘voor verstedelijk afweegbaar’ gebied. In dit gebied heeft de gemeente Laarbeek echter geen grote woningbouwontwikkelingen gepland, met name vanwege de ligging van het bedrijventerrein ‘Bemmer IV’. Aan het historische lint – de Bemmerstraat – zijn wel meerdere bedrijven herbestemd naar een woonbestemming. Daarbij is het lint sporadisch verdicht. Het project ziet op de realisatie en exploitatie van een tankstation zonder LPG en CNG (maar met di-waterstof) in de ‘oksel’ van (en langs) de Bosscheweg en de N279. Daarmee betreft het een voorziening die past binnen de ruimtelijk-functionele structuur van het Lintenlandschap. Een dergelijke bedrijf is verder te kwalificeren als een categorie 2-bedrijf2. Deze functie is volgens de Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek expliciet toelaatbaar binnen het Lintenlandschap.

Specifieke andere beleidsthema’s – waar de Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek uitspraken over doet – zijn hier verder niet aan de orde.

3.4.4 Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP) gemeente Laarbeek Conform het GVVP wordt de uitvoering van infrastructurele maatregelen afgestemd op de categorisering van het wegennet en de verdere invoering en inrichting van 30km/uur gebieden. Daarnaast zijn reconstructies van kruispunten aan de orde in verband met de verkeersveiligheid. Bij de infrastructurele maatregelen zijn aandachtspunt de oversteekbaarheid voor langzaam verkeer, de toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers en de toegankelijkheid voor de bus. Een extra aandachtspunt vormt het parkeren. Het toenemend autobezit vraagt op diverse plaatsen om meer parkeermogelijkheden. De wegcategorisering conform het wegcategoriseringsplan 2006 voorziet binnen de bebouwde kom in: verkeersaders buiten de kom (80 km/uur); verblijfsgebied buiten de kom (60 km/uur). Binnen de kom van Beek en Donk zijn (delen van) de Lieshoutseweg, de Oranjelaan en de Bosscheweg aangewezen als verkeersaders. De overige wegen maken deel uit van het verblijfsgebied.

3.4.5 Landschapsontwikkelingsplan (LOP) De gemeente Laarbeek heeft in 2003 een landschapsontwikkelingsplan opgesteld. In het plan worden de kenmerken van het Laarbeekse landschap benoemd en wordt de gewenste ontwikkelingsrichting omschreven. Het gaat dan met name om de ontwikkelingen in het buitengebied. In het landschapsontwikkelingsplan wordt onder meer een visie verwoord op het gebied van natuur, cultuurhistorie en landschap. In het plan is ook aandacht besteed aan herstel, behoud en ontwikkeling op deze vlakken met hieraan gekoppeld uitvoeringsinstrumenten en een budget. Vormgeving van het landschap, het benutten en uitbreiden van bestaande kwaliteiten en waar nodig het toevoegen van nieuwe elementen worden als belangrijke thema’s benoemd. Als kernkwaliteiten voor het buitengebied van Laarbeek worden de verscheidenheid aan landschapstypen, de diversiteit in groenelementen, zowel waardevol voor natuur als voor de recreant, en de op sommige plekken duidelijk waar te nemen cultuurhistorische waarden genoemd.

2

Zie Handreiking VNG Bedrijven en milieuzonering 2009, SBI-2008: 473-3 ‘benzineservicestations zonder LPG’

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 32

Een positieve bijdrage aan het buitengebied van de gemeente kan worden geleverd door onder andere het zichtbaar maken van de beken, het versterken van het gebiedseigen karakter door de juiste beplantingskeuze en het benutten van zandpaden als recreatief medegebruik en als ecologische linten. Voor de realisatie van kwaliteitsverbetering van het landschap en het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Laarbeek sinds 2017 de Landschapsinvesteringsregeling Laarbeek. Alle landschappelijke inpassingen en -verbeteringen moeten plaatsvinden met in acht name van de voorwaarden uit deze regeling. Afweging Het projectgebied is gelegen binnen het deelgebied ‘Leek en De Biezen’. Het gebied heeft geen duidelijk herkenbare identiteit. Tussen de verschillende landschapselementen, zoals verspreid liggende bebouwing, laanbeplanting langs diverse wegen, beken en bosdelen, is nauwelijks sprake van een herkenbare samenhang. Het project voorziet wel in een uitgebreide landschappelijke kwaliteitsverbetering ten belope van 20% van de waardevermeerdering van de gronden als gevolg van de planologische wijziging. De landschappelijke kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd door een robuuste landschappelijk inpassing van het projectgebied zelf. Verwezen wordt hier naar paragraaf 2.4.4 en bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing.

3.5

Afweging beleidskader

Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen nieuwbouw van het tankstation langs de afrit N279/Bosscheweg, niet afwijkt van het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van de strijdigheid met de geldende planregels uit het bestemmingsplan Buitengebied gemeente Laarbeek.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 33

HOOFDSTUK 4 4.1

ONDERZOEKSASPECTEN

Milieueffectrapportage

4.1.1. Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.

Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden -aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling.

4.1.2 Activiteit en drempelwaarden In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein’ (D 11.3) opgenomen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Het begrip ‘industrieterrein' is beperkter dan het begrip ‘bedrijventerrein' dat voor de wijziging van het Besluit m.e.r. in 2011 in deze categorie was opgenomen. Meubelboulevards, kantoorcomplexen en andere bedrijfslocaties waar geen industriële bedrijven gevestigd mogen worden, vallen niet in categorie D11.3. Deze projecten zijn wel aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en moeten worden getoetst aan categorie D 11.2. Onder industrieterrein worden terreinen verstaan die bedoeld zijn voor de vestiging van industriële bedrijven. Hierbij worden niet alleen terreinen voor vestiging de grote, zware industrie worden bedoeld. Ook terreinen voor de vestiging van kleinere bedrijven waarbinnen industriële activiteiten plaatsvinden, vallen hier onder. In de drempel wordt gesproken over een oppervlakte. Onder ‘oppervlak' wordt niet alleen de netto uitgeefbare gronden verstaan. Er moet uitgegaan worden van het bruto-oppervlak.

Dit betekent dat de tussen de bedrijfsgebouwen aan te leggen wegen en groenstroken dienen te worden meegerekend (zie AbRvS 200502510/1, 22 maart 2006 (Linderveld, Deventer)). Op de locatie aan de Bosscheweg wordt nieuw duurzaam tankstation gerealiseerd. Op het nieuwe tankstation kan Euro 95, Diesel, Diesel High Speed, Adblue en ook Blauwe diesel (duurzame diesel) getankt worden. LPG en CNG worden niet doorgezet. Er zal wel voorzien worden in nieuwe alternatieve brandstoffen, zoals snellaadpunten voor elektrisch aangedreven auto’s. Verder wordt een waterstof (diwaterstof H 2) tankinstallatie gerealiseerd. Het projectgebied heeft een oppervlakte van ca. 2.54 ha.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 34

De omzetting van het projectgebied van een agrarische gebied in een duurzaam tankstation met de opslag en doorzet van diwaterstof (H2) is te kwalificeren als de aanleg van een industrieterrein, zoals bedoeld in onderdeel D 11.3 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Categorie D 25.3 uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is niet van toepassing omdat de gasvormige brandstof (waterstof) uitsluitend opgeslagen wordt in bovengrondse opslagvoorzieningen.

4.1.3 Toetsing Toets m.e.r.-plicht De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van een directe verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein’ (D 11.3) opgenomen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. De bij deze categorie genoemde drempelwaarden worden echter bij lange na niet overschreden, waardoor er in ieder geval zeker geen verplichting geldt om een m.e.r.beoordeling uit te voeren. Omdat de activiteit wel voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient echter wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hiertoe is een aanmeldnotitie opgesteld. Met behulp van deze aanmeldnotitie kan het college van burgemeester en wethouders een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing. Een informele m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.

beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

4.1.4

Conclusie

In het kader van de opgestelde aanmeldnotitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Samengevat blijven de effecten van het planvoornemen beperkt tot de projectlocatie en de directe omgeving daarvan. De effecten zijn beperkt en de ontwikkeling stuit niet op bezwaren in relatie tot de aangehaald milieu- en omgevingsaspecten. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure. Gelet op het vorenstaande is de conclusie dan ook dat het niet noodzakelijk is om ten behoeve van het project een milieueffectrapportage op te stellen. Voor de volledige aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 3 integraal deel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 35

4.2

Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen) (artikel 1nWgh). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Het project ziet op de bouw van een tankstation met een tankshop, 5 wasboxen en 1 mechanische (‘roll-over’) carwash. Dit zijn geen woningen of ander geluidsgevoelige gebouwen, zodat de Wgh verder niet van toepassing is.

4.3

Bodem- en grondwaterkwaliteit

In het kader van de voorgenomen omgevingsvergunningverlening dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het projectgebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het projectgebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd binnen het projectgebied. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het projectgebied bij elkaar passen. Aelmans Eco B.V. heeft een verkennend en nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een braakliggend perceel landbouwgrond, alwaar men voornemens is om een nieuw tankstation te gaan realiseren. Ter plaatse van onderhavig perceel zijn een 26-tal boringen geplaatst, waarvan diverse boringen zijn verricht ter hoogte van de beoogde aanleg van tanks, obassen, vulpunten e.d.. Daar op onderhavige locatie grondwater binnen 5 m-mv wordt aangetroffen zijn een viertal boringen afgewerkt met peilbuizen. Grond Uit de analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monster (12) blijkt, dat in de grondmengmonsters 2 en 3 licht verhoogde concentraties molybdeen en nikkel worden aangetroffen.

Voornoemde concentraties zijn dermate marginaal dat deze als te verwaarlozen bestempeld kunnen worden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan zowel de boven- als ondergrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden. Nulsituatie De nulsituatie ter plaatse van de beoogde bodembedreigende bedrijfsactiviteiten zijn middels onderhavig onderzoek afdoende vastgelegd. Grondwater In het grondwater zijn diverse lichte overschrijdingen aangetroffen met xylenen, naftaleen en/of barium. Voornoemde overschrijdingen zijn van dien aard dat deze veelal als gebiedseigen beschouwd kunnen worden en vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen opleveren voor de beoogde herinrichting van het terrein. Asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het historisch bodemonderzoek is geen verder onderzoek naar asbest verricht. Op basis van vorenstaande mogen we aannemen dat er geen verhoogde concentraties te verwachten zijn op onderhavige onderzoekslocatie. Er is echter geen analytisch asbestonderzoek uitgevoerd. Toetsing hypothese De hypothese “onverdacht” wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 36

Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 4 integraal deel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing.

4.4

Luchtkwaliteit

Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) heeft tot doel het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. Hierbij is het van belang een onderscheid te maken tussen het: realiseren van een bron (bijvoorbeeld inrichting of weg); realiseren van een nieuwe gevoelige functie. Bij het realiseren van een nieuwe bron moet in beeld gebracht worden of deze ontwikkeling leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, tenzij de ontwikkeling NIBM (Niet In Betekende Mate) is of onder het NSL valt. Niet in betekenende mate (NIBM) Titel 5.2 Wm introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”.

Een geplande ruimtelijke ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als: het valt onder de categorieën van gevallen in de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ of als het bevoegd gezag aannemelijk kan maken, bijvoorbeeld door berekeningen, dat een ruimtelijke ontwikkeling jaarlijks niet meer stikstof en/of fijn stof-uitstoot oplevert dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Deze 3%-grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Zodra voor een van de twee stoffen de 3%-grens wordt overschreden draagt het project wel in betekenende mate (IBM) bij. Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: a. inrichtingen b. infrastructuur c. kantoorlocaties d.

woningbouwlocaties De voorgenomen ontwikkeling behoort niet tot een in de Regeling genoemde categorie. Er dient een toetsing aan het Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) plaats te vinden.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 37

Toetsing fijn stof en stikstofdioxide afkomstig van verkeersbewegingen De verkeersgeneratie van het plan is aangeleverd door de initiatiefnemer en weergegeven in onderstaande tabel.

verkeersgeneratie project

Het extra te verwachten verkeer ten gevolge van het tankstation zal volgens opgave van de initiatiefnemer circa 900 voertuigbewegingen per dag bedragen, waarvan 73 vrachtbewegingen (8,1%). Deze verkeersgeneratie gaat uit van een worstcasescenario waarbij er geen overlap zal zijn tussen het verkeer dat komt tanken en de shop bezoekt. In de praktijk zal het tankverkeer ook de shop bezoeken en zal de totale verkeergeneratie lager zijn. Voor de toetsing van de verkeersaantrekkende werking aan het Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) is de zogenaamde NIBM-tool ontwikkeld. Met deze tool wordt bepaald wat de gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn door de verkeersaantrekkende werking van een plan. Hieronder is de berekening van de toename weergegeven.

NIBM-tool

Uit de berekeningen blijkt dat extra verkeersgeneratie niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De maximale bijdrages van 1,19 en 0,18 μg/m3 voor respectievelijk NO2 en PM10 voldoen aan de NIBM grenswaarde van 1,2 μg/m3. Een nader luchtkwaliteitsonderzoek voor het plan is niet noodzakelijk. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 5 integraal deel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 38

4.5

Externe veiligheid

Het wettelijk kader voor risicovolle bedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor het transport van gevaarlijke stoffen is het vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico (GR). De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat kwetsbare objecten buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de plaatsgebonden risico-contour ook, maar daar geldt de contour alleen als richtwaarde. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied (1 % letaliteitgrens) gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde.

Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken. Met behulp van de risicokaart Brabant kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van het projectgebied worden gemaakt. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

uitsnede risicokaart Brabant (projectgebied groen gearceerd)

4.5.1 Bedrijven en transport gevaarlijke stoffen Het te realiseren tankstation is geen verkooppunt van LPG en CNG. Wel zal een waterstof (diwaterstof H2) tankinstallatie worden gerealiseerd. Op circa 700 meter ten zuidwesten van het projectgebied ligt de inrichting van Sneijders Boomkwekerij (5). De inrichting is aangeduid op de risicokaart vanwege de opslag van ammoniak. De inrichting is geclassificeerd als een Bevi-inrichting vanwege een bovengrondse propaantank. Het groepsrisico voldoet aan de oriëntatiewaarde. De inrichting heeft geen invloed op het project.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 39

De N279 (6) maakt geen deel uit van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en is op de risicokaart ook niet aangeduid als een transportroute. In het voormalige Provinciaal Inpassingsplan voor de aanpassing van de N2793 (PIP) is echter al wel rekening gehouden met het vervoer van gevaarlijke stoffen zoals aangegeven in onderstaande tabel:

Het projectgebied ligt binnen alle genoemde invloedsgebieden. Ook het transport van diwaterstof H2 (categorie GF0) richting het tankstation zal via de N279 plaatsvinden. Deze transporten zijn niet in het voormalige PIP verrekend. Uit het voormalige PIP volgt dat er voor dit deel van de N279 geen sprake is van een plaatsgebonden risico hoger dan 10-6/jaar. Daarom wordt voldaan aan de eis uit het Besluit externe veiligheid transportroutes. Het groepsrisico zonder realisatie van het tankstation ligt ruim onder 0,1 x de oriëntatiewaarde. Aan de hand van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport wordt beoordeeld of een berekening van het groepsrisico achterwege kan blijven. Na realisatie van het tankstation is sprake van bebouwing aan beide zijden van de N279 ter hoogte van het plan. Het tankstation zelf heeft een bruto vloeroppervlak van circa 200 m 2. Voor winkelfuncties mag worden uitgegaan van 1 aanwezige per 30 m2 hetgeen neerkomt op minder dan 10 aanwezigen. Aan de overzijde van de N279 is een enkele woning gelegen aan de Middenweg. De aanwezigheidsdichtheid bedraagt ten hoogste 10 personen per hectare. Het plan is op minstens 20 meter afstand tot de wegas gelegen. In dat geval wordt pas bij meer dan 13.000 transporten in categorie GF3 een groepsrisico berekend van meer dan 0,1 x de oriëntatiewaarde.

Daarom wordt geoordeeld dat wordt voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot het groepsrisico. Het toevoegen van transporten CNG ter bevoorrading van het tankstation leidt niet tot een significante toename van het groepsrisico.

QRA tankstation Via een QRA (quantitative risk assessment) is het plaatsgebonden risico als gevolg van de waterstof (diwaterstof H2) tankinstallatie inzichtelijk gemaakt en is het groepsrisico voor aanwezigen op het eigen terrein berekend. De contour voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico van 10-6 /jr ligt grotendeels binnen de inrichting. Binnen de grenswaarde van het plaatsgebonden risico van 10-6 /jr liggen geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten van derden. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico.

3

MER N279 Veghel – Asten rapport B.9: Externe veiligheid; Arcadis d.d. 18 augustus 2017

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 40

Plaatsgebonden risicocontouren

Onderstaande afbeelding toont het invloedsgebied rond de inrichting begrensd door de maximale effectafstand veroorzaakt door de waterstofinstallatie. Het invloedsgebied valt niet over panden van derden. Binnen het invloedsgebied bevinden zich minder dan 10 personen. Conform de definitie van het groepsrisico, de kans op 10 of meer slachtoffers, is er daarmee geen groepsrisico.

maximale effectafstand H2installatie

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 41

beperkte verantwoordingsplicht groepsrisico Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes is wel een algemene (beperkte) verantwoording van het groepsrisico opgesteld met betrekking tot de risico’s ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. De verantwoording van het groepsrisico kan beperkt blijven tot de thema’s beheersbaarheid en zelfredzaamheid. Voor een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/veiligheidsregio. Het plan is gelegen binnen het invloedsgebied van de N279. De kans op een calamiteit met slachtoffers tot gevolg is verwaarloosbaar klein. Het toevoegen van transporten diwaterstof H2 naar het tankstation via de N279 heeft geen significant effect op het groepsrisico. Gelet op hittestraling als gevolg van een explosie of fakkelbrand moeten in de constructie zoveel mogelijk brandwerende en brandvertragende materialen worden toegepast. Ook moeten ventilatievoorzieningen en deuren in de pui eenvoudig kunnen worden gesloten wanneer toxische dampen vrijkomen. Hulpdiensten zijn goed in staat zowel calamiteiten op de N279 als het tankstation zelf te bereiken. Het tankstation is in zuidelijke richting te ontvluchten. Op ….

2022 heeft de regionale brandweer binnen de veiligheidsregio Brabant-ZuidOost geadviseerd over dit plan en over de opgestelde beperkte verantwoording van het groepsrisico. De regionale brandweer constateert wel/geen problemen ten aanzien van de minimale tweezijdige bereikbaarheid, voldoende bluswatervoorziening, brandweerzorgnorm en zelfredzaamheid van bewoners. Er is dan ook een positief/negatief advies afgegeven voor dit plan. Voor de volledige inhoud wordt verwezen naar de quickscan externe veiligheid met de beperkte groepsrisicoverantwoording en de QRA voor de waterstof (diwaterstof H2) tankinstallatie die als bijlagen 6 en 7 integraal onderdeel uitmaken van deze ruimtelijke onderbouwing.

4.5.2 Ondergrondse buisleidingen Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op een explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit vanaf 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Uit de risicokaart Brabant blijkt dat er in de nabijheid van het projectgebied diverse buisleidingen aanwezig zijn. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de kenmerken van deze leidingen.

Leiding 2 en 3 zijn K1-leidingen. De omvang van het invloedsgebied voor het groepsrisico van dit type leidingen strekt zich uit tot maximaal enkele meters buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar waarbij het scenario ‘plasbrand’ maatgevend is. Het project is gelegen op meer dan 300 meter tot de meest nabijgelegen leiding. Een kwantitatieve risicoanalyse of verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 42

4.5.3 Hoogspanningsleidingen Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De Netkaart bevat o.a. gegevens over de netbeheerder en de breedte van de indicatieve zones. Op basis van de informatie van o.a. de Netkaart blijkt dat er geen hoogspanningslijnen in de directe nabijheid van het projectgebied liggen die van invloed zijn op het plan.

4.6

Milieuzonering en geur

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009.

4.6.1 VNG Handreiking Bedrijven en Milieuzonering De VNG Handreiking is ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld.

De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand: categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 43

4.6.2 Invloed milieuhinder vanuit het projectgebied De afstanden tussen de grens van het tankstation (zonder LPG/CNG-doorzet maar met een tankshop en wasboxen en met waterstof (diwaterstof H2)-doorzet van < 1000 m3/jr) en de dichtstbijzijnde woningen zijn in alle gevallen meer dan 220 meter. Een tankstation met een waterstof (diwaterstof H2)-doorzet van < 1000 m3/jr kan qua ruimtelijke- en milieu-invloed vergeleken worden met een tankstation met een LPG-doorzet van < 1000 m3/jr. Het betreft hier een milieucategorie 3.1-inrichting. De grootste afstand in deze – 50 meter wordt veroorzaakt door het hinderaspect ‘gevaar’. Voor de hinderaspecten ‘geluid’ en ‘geur’ wordt uitgegaan van een richtafstand van 30 meter. In alle gevallen is er meer dan voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig tussen het tankstation en woningen in de omgeving, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat altijd gegarandeerd blijft.

4.6.3 Geurhinder Er is tevens een quickscan geurhinder uitgevoerd naar de inpasbaarheid van een tankstation met shop, wasboxen en wasstraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan door de gemeente medewerking verleend worden aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Middels deze quickscan is onderzocht of kan worden uitgesloten dat sprake is van inbreuk op de milieurechten van bestaande veehouderijen en of de planontwikkeling geen inbreuk veroorzaakt op de planologische geurruimte van de bestaande veehouderijen.. Rechten veehouderijen Op basis van voorliggend onderzoek wordt geconcludeerd dat de realisatie van geurgevoelige objecten aan de adres géén inbreuk maakt op de vergunde en/of planologische geurrechten van omliggende veehouderijen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de quickscan die als bijlage 8 integraal deel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing.

4.7

Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorische waarden in het buitengebied kunnen betrekking hebben op: 1. bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurlandschappen en molenbiotopen; 2. archeologische waarden. Ad 1. Binnen het projectgebied e.o. is geen gemeentelijk of rijksmonument aanwezig. De overige cultuurhistorische waarden van het projectgebied zijn getoetst aan de cultuurhistorische waardenkaart van Laarbeek , onderdeel van de Erfgoedkaart van de ODZB. Hieruit blijkt dat het projectgebied deel uitmaakt van een groter gebied met een hoge cultuurhistorische waarde (namelijk oude akkers/besloten akkers), maar dat ter plaatse alleen nog oude groen- en kavelstructuren aanwezig zijn. Het project heeft hiervoor geen gevolgen. Het projectgebied is verder niet gelegen in een molenbiotoop van een windmolen. Ad 2. Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed en de Wet op de archeologische monumentenzorg die de Monumentenwet 1988 deels heeft aangepast.

Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een archeologische verwachting, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Volgens de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Laarbeek is het projectgebied gelegen in een gebied met deels een lage en deels een middelhoge archeologische verwachting.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 44

Uitsnede archeologische advieskaart

Het realiseren van bouwwerken -zonder voorafgaand archeologisch onderzoek - is binnen gronden met een middelhoge verwachtingswaarde alleen toegestaan indien die niet gepaard gaan met ingrepen in de bodem dieper dan 40 centimeter onder het aansluitend afgewerkte maaiveld en met een bodemverstoringsoppervlakte van meer dan 100 m 2. Archeologisch onderzoek in verband met dit project is evenwel wel noodzakelijk omdat de beoogde bouwwerken op dit deel van het terrein - namelijk de wasboxen en carwash-gebouw met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 307,5 m2 - de grens van 100 m2 ruimschoots overschrijdt. Econsultancy BV heeft een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het projectgebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het projectgebied en wat de gevolgen zijn van het in het projectgebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het projectgebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Het bureauonderzoek toont aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het projectgebied kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-overig) uitgevoerd. In totaal zijn ter plekke van het plangebied zes boringen uitgevoerd. In het zuiden van het projectgebied zijn beneden de bouwvoor van circa 30 à 40 cm dik beekeerdgronden aangetroffen. In het centrale en noordelijke deel van het projectgebied zijn beneden de bouwvoor een recent opgebrachte en/of geroerde zandlaag tot een diepte van tussen de 90 en 110 cm -mv aangetroffen, op dekzand (C-horizont). Hoge zwarte enkeerdgronden zijn niet waargenomen tijdens het verkennend booronderzoek. Zowel het bureauonderzoek als het booronderzoek duiden erop dat het projectgebied in een

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 45

relatief nat dekzandlandschap ligt. In recente tijden is het terrein ter plekke van het projectgebied geëgaliseerd voor landbouwkundige doeleinden. Hierbij is een moerassige laagte in het centrale en westelijke deel van het projectgebied opgevuld, en de hier aanwezige nauwelijks tot niet doorlatende kleilaag gebroken. De recente egalisatiewerkzaamheden konden tot een diepte van circa 90 à 110 cm -mv in de verkennende boringen worden waargenomen in het centrale en westelijke deel van het projectgebied. Op basis van het verkennend booronderzoek kan de archeologische verwachting ter plekke van het projectgebied naar ‘laag’ worden bijgesteld voor alle perioden, ook voor off-site fenomenen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Ten eerste lijkt het projectgebied gesitueerd te zijn in een relatief laag gelegen en nat deel van het lokale dekzandlandschap, waar ook holocene beekafzettingen voorkomen. Hierdoor lijkt het projectgebied door de tijd heen minder geschikt geweest voor bewoning en bijhorende activiteiten. Ten tweede lijkt de bodemopbouw ter plekke van het projectgebied in meer of mindere mate verstoord te zijn door recente egalisatiewerkzaamheden. Anders dan op basis van het bureauonderzoek verwacht werd, ontbraken hoge zwarte enkeerdgronden dat eventueel aanwezige archeologische waarden heeft beschermd tegen bodemingrepen.

Daarnaast is alleen een C-horizont in de top van het dekzand waargenomen, en geen intact podzolprofiel. Gegeven de resultaten van het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, adviseert Econsultancy om het projectgebied vrij te geven. Als het projectgebied door de gemeente Laarbeek wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Laarbeek op de hoogte te stellen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 9 integraal deel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing.

4.8

Ecologie

Econsultancy BV heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van deze bestemmingsplanherziening om in te schatten of er binnen het projectgebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op gebieden die volgens de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

4.8.1 Gebiedsbescherming en stikstof Natura 2000 Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ bevindt zich op circa 14,3 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 46

ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000 (bron: Provincie Noord-Brabant)

Het projectgebied ligt, zoals reeds aangegeven, niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen binnen het projectgebied zijn, gezien de afstand (± 14,3 km) tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in combinatie met de aard van de plannen (realisatie tankstation met bijbehorende voorzieningen) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Stikstof Ten behoeve van de bouw en het gebruik van het beoogde tankstation is onderzoek verricht naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Zowel de aanleg- als de gebruiksfase van het plan kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Na de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten worden gebruikt. Daarom moet per activiteit duidelijk worden gemaakt dat beschermde natuurgebieden daardoor niet worden aangetast. Het beoogde project mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect van 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde project niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. Bij een dergelijke projecteffect is geen vergunning benodigd voor het project.

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 47

Het geplande project kan potentieel leiden tot verhoogde emissie van stikstof. Om deze reden is een analyse uitgevoerd van de door dit plan veroorzaakte extra depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitattypen een leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Berekening Voor de berekening van de planbijdrage voor de depositie van NOx en NH3 in Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de AERIUS-2022.1. Aanlegfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van diverse mobiele werktuigen tijdens de bouw. De aanlegfase betreft een tijdelijke ontwikkeling en zal minder dan één jaar duren. De werkzaamheden zullen in 2024 worden uitgevoerd. Deze gegevens zijn in het stikstofonderzoek ingevoerd.

Gebruiksfase De verkeersaantrekkende werking in de gebruiksfase is gemodelleerd overeenkomstig de verkeersgegevens die gebaseerd zijn op de bedrijfsgegevens van de initiatiefnemer. Er is verder geen sprake van een stookinstallatie. Uit berekening van de invoerwaardes blijkt dat de gemodelleerde emissies van de gebruiksfase niet leiden tot overschrijding van gestelde depositie-norm (zie AERIUS berekening in bijlage 6). Conclusie Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof. Voor het volledige stikstofonderzoek met AERIUS-berekening wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 10 integraal deel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing.

Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 30 meter ten zuidwesten van het projectgebied. Het betreft de Zuid-Willemsvaart, wat valt onder beheertype N04.02 Zoete Plas.

ligging projectgebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. Het natuurnetwerk is aangegeven met groene en oranje vlakken (bron: Provincie Noord-Brabant)

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 48

Door de voorgenomen plannen in combinatie met de afstand (circa 30 meter), zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. De dubbele bomenrij en de bosschage tussen het projectgebied en het Natuurnetwerk Nederland zorgen ervoor dat er geen lichthinder of verstoring van rust ontstaat op het Natuurnetwerk Nederland als gevolg van de voorgenomen plannen binnen het projectgebied. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. Binnen het projectgebied zijn geen bomen aanwezig. Er worden bij de voorgenomen werkzaamheden dan ook geen bezwaren voorzien met betrekking tot de beschermde houtopstanden.

4.8.2 Soortenbescherming De aanwezigheid van geschikt habitat binnen het projectgebied voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabellen. In de tabellen is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabellen is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

tabellen aanwezigheid flora en fauna

| Ruimtelijke Onderbouwing tankstation N279-Bosscheweg Beek en Donk (gemeente Laarbeek) | status: ontwerp |

Pagina | 49

Conclusie Op basis van onderhavige quickscan flora en fauna is voor uitvoering van de plannen geen aanvullend veldonderzoek benodigd. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te voeren. Voor beschermde soorten zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de verlichting in de richting van de dubbele bomenrij, de bosschage en de Zuid-Willemsvaart ten zuidwesten van het projectgebied ten aanzien van vliegroutes voor vleermuizen. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Voor de volledige quickscan flora en fauna wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 11 integraal deel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing.

4.9

Verkeerkundige aspecten

4.9.1 Ontsluiting en verkeersveiligheid Het projectgebied zal direct bereikbaar zijn voor gemotoriseerd vanaf de Bosscheweg. De N279 Veghel - Asten en de Bosscheweg (ter hoogte van het projectgebied) zijn beiden gebiedsontsluitingswegen type II (buiten de bebouwde kom). Een gebiedsontsluitingsweg is een weg die is ontworpen of aangewezen om een gebied aan te sluiten op wegen van hogere orde. Type II is meest voorkomend en bestaat uit één rijbaan met daarop voor beide rijrichtingen één rijstrook. De snelheidslimiet is 80 kilometer per uur op de N279 en 60 kilometer per uur op de Bosscheweg (buiten de bebouwde kom). De N279 heeft, met uitzondering van enkele vrije fietsverbindingen, geen langzaam verkeerfunctie. De verkeersgeneratie van het plan is aangeleverd door de initiatiefnemer en weergegeven in onderstaande tabel.

Het project leidt ten opzichte van de bestaande situatie uiteraard tot extra verkeersbewegingen. Uit nader onderzoek naar optredende verkeersbewegingen vanwege deze inrichting – waar ook in het kader van het aspect luchtkwaliteit naar is verwezen - is gebleken dat rekening gehouden moet worden met een toename van het aantal verkeerbewegingen van en naar deze locatie met 900 verkeersbewegingen per werkdagetmaal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=6238c90c-cc19-40b7-a04a-f0f6f96be6dd