CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

12 20230209 Verordening jeugdhulp Laarbeek 2019.docx

Raadsvergadering 9 februari 2023, gemeente LaarbeekBij agendapunt: H. Voorstel tot vaststelling van de 1e wijziging verordening jeugdhulp 201922.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Dit lijkt op het eerste gezicht haaks te staan op de toets zoals die gemaakt is bij de aanvraag als het gaat om de inzet van het sociaal netwerk. Indien een pgb wordt ingezet met behulp van iemand uit het netwerk is evenwel tijdens het aanvraagproces de conclusie geweest dat er geen (aanvullende) ruimte is voor de betreffende dienstverlener om de aanvullende inzet te leveren via gebruikelijke hulp en / of mantelzorg. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat de betreffende persooon op basis van (verplichte) gebruikelijke hulp en / of (niet verplichte) mantelzorg al dusdanige inzet levert, dat aanvullende inzet in redelijkheid niet kan worden opgelegd dan wel worden verwacht. Maar denk wellicht ook aan de situatie dat er in het geheel geen bereidheid is tot het verrichten van (onbetaalde) mantelzorg: mantelzorg is immers – in tegenstelling tot gebruikelijke hulp – niet afdwingbaar. Ingevolge lid 6 wordt het pgb-tarief voor particuliere inzet jaarlijks, per 1 januari, geïndexeerd. Daarbij wordt uitgegaan van het Wml-bedrag (125% daarvan) zoals dat gold op 1 juli van het voorafgaande jaar. Voorheen werd uitgegaan van geldende Wml-bedrag op diezelfde 1 januari.

Nu de gemeente ruimschoots voor 1 januari, op een moment dat de Wml-tarieven per 1 januari nog niet bekend zijn, aan de Sociale Verzekeringsbank de pgb-tarieven per het nieuwe kalenderjaar dient door te geven is de praktische keuze gemaakt om de hoogte van het pgb-tarief per 1 januari te koppelen aan de Wml per 1 juli van het voorgaande jaar. Lid 7: het particiuliere tarief geduid voor logeren Het tarief van Euro 33,00 per etmaal is het tarief dat we per 1 januari 2018 toekennen voor de basisvoorziening (“bed, bad, brood”). Indien aanvullende hulp is (bijv. begeleiding) wordt dat apart toegekend. Het tarief is van origine afgeleid van het tarief particulier zoals dat gold onder de AWBZ (Regeling 2014, Persoonsgebonden budget AWBZ, artikel 2.6.13, lid 6). Inmiddels wordt in de Wlz het tarief voor de logeeropvang niet meer apart gespecificeerd. Daarom is, voor wat betreft de jaarlijkse indexering, aangesloten bij hetgeen gesteld in lid 5. Indexering wordt gekoppeld aan de indexering Wml. Anders dan Wml vindt, gelijk lid 5, eenmaal per jaar indexering plaats gebaseerd op de Wml van 1 juli van het voorafgaande jaar. Lid 8: pgb voor vervoerskosten Een budget voor vervoerskosten kan onderdeel uitmaken van een beschikking tot toekenning van een voorziening waarbij de jeugdhulp wordt geboden op een locatie elders (inclusief logeerverblijf).

Of de jeugdige of de ouders in aanmerking komen voor een pgb voor vervoerskosten hangt af van de omstandigheden in het concrete geval. Zie in dat kader het algemene artikel 4.1, tweede lid. De eigen verantwoordelijkheid staat voorop. De mogelijkheden om in redelijkheid voor eigen kosten met eigen vervoer (fiets, auto) te reizen dan wel met openbaar vervoer, dienen in ieder geval te worden bezien. Het pgb-tarief voor vervoer is gelijk lid 3 gebaseerd op de werkelijke kosten tot een max van het zintarief waarbij gelijk lid 4 geen indexering plaatsvindt indien de voorziening voor 12 maanden of minder is toegekend. Voor wat betreft de hoogte van het pgb-tarief voor vervoer maakt het niet uit of de zorginzet wordt geleverd door een professionele dienstverlener of een particulier.

37

Artikel 5.3 Begrenzing van de bestedingsvrijheid van de pgb-houder Lid 1: Een belangrijk uitgangspunt is dat het pgb dient te worden besteed aan zorg waarmee wordt bedoeld aan datgene waarvoor het pgb is verstrekt (de te treffen voorziening, het te bereiken resultaat). Vanuit dit uitgangspunt is in het eerste lid, niet limitatief, een aantal kostensoorten benoemd waaraan het pgb in ieder geval niet besteed mag worden. Het gaat om bemiddelings- en administratiekosten (sub a) en kosten verbonden aan het opstellen pgb-plan (b). Beide ook vanuit het principe dat de jeugdige of de ouders bekwaam dienen te zijn. Zie daaromtrent de toelichting bij artikel 5.1. Maar ook vanuit het principe dat de jeugdige of de ouders kostenloze ondersteuning kunnen inroepen, hetzij via het sociaal netwerk, maar denk ook aan de cliëntondersteuner en de SVB (Servicecentrum). Het gaat om reistijd, vervoers- en parkeerkosten van de dienstverlener (sub c), en overheadkosten van de dienstverlener waaronder mede begrepen kosten van de dienstverlener tot opstellen van een zorg- of werkplan (sub d). Deze aspecten vanuit het principe dat deze kosten van de dienstverlener worden geacht te zijn opgenomen in het tarief. Voor wat betreft het gestelde onder e.

(feestdagen- en/of eenmalige uitkering of cadeau aan dienstverlener) heeft te gelden dat eventuele uitingen van tevredenheid/dankbaarheid jegens de dienstverlener voor eigen rekening komen van de budgethouder. Dat is bij zorg in natura niet anders. Tot slot is (niet limitatief) onder sub f opgenomen dat een pgb niet besteed kan worden aan een zgn. overlijdensuitkering voor een dienstverlener. Lid 2: De jeugdige of de ouders mogen het pgb alleen gebruiken voor direct aan de individuele voorziening begeleiding gerelateerde kosten. De jeugdige of de ouders mogen het bedrag dus niet gebruiken ter compensatie van kosten die te beschouwen zijn als algemeen gebruikelijk (zoals voedsel, abonnementskosten, gebruikelijke kosten verbonden aan het uitoefenen van een hobby of sport, et cetera). Algemeen gebruikelijke kosten zijn kosten die een jeugdige of de ouders ook zouden kunnen maken indien zij geen gebruik maken van een individuele voorziening. Lid 3: De gemeente maakt ingevolgde dit lid de keuze om geen verantwoordingsvrije ruimte of bedrag te hanteren: het volledige bedrag aan pgb dient verantwoord te worden. Dit betekent in praktische zin dat alle kosten gedeclareerd dienen te worden bij de SVB en de SVB tot betaling overgaat na controle van de gedeclareerde kosten.

Lid 4: Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat de jeugdige of de ouders en dienstverlener in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan dienstverlener vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie. Het college vindt een dergelijke afspraak niet wenselijk en staat het niet toe. Los van het feit dat zorg in de praktijk veelal fluctueert en een vast maandloon daarmee dus niet congrueert, is het college van mening dat betaling van pgb’s geen automatisme kan zijn zonder spoor van verificatie. Belangen, zowel zorginhoudelijk als financiëel, verzetten zich daartegen. Frequente betalingen vanuit het pgb zonder specifieke ondertekening door de jeugdige of de ouders in hun rol als budgethouder druisen ook in tegen de grondbeginselen van het trekkingsrecht en kunnen oneigenlijke uitbetaling van zorggelden tot gevolg hebben. Middels ondertekening van factuur of declaratie verklaart de jeugdige of de ouders dat de gefactureerde / gedeclareerde zorg daadwerkeljk is verleend. Bij automatische betaling van maandlonen is deze verantwoording op ingezette zorg niet geborgd. Lid 5: Uitbetaling eenmalige pgb Dit artikellid is nodig vanwege de landelijke keuze om het trekkingsrecht niet onverkort van toepassing te laten zijn op alle pgb’s. Gemeenten betalen eenmalige pgb’s zelf uit.

Het blijkt namelijk niet mogelijk om ook de eenmalige pgb’s volgens de werkwijze van het trekkingsrecht uit te voeren. Eenmalige pgb’s zijn de pgb’s die slechts eenmalig worden verstrekt Vooralsnog is het onderbrengen van eenmalige pgb’s in het systeem van het trekkingsrecht niet aan de orde. Artikel 5.4 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget In dit artikel worden de weigeringsgronden genoemd zoals die specifiek gelden voor de verstrekkingsvorm pgb.

38

Sub a: zie uitgebreid de toelichting onder artikel 5.1. Sub b: Dit betreft een verbijzondering van de informatie- en medewerkingsverplichting. Sub c: Regievoering op zorginzet moet als taak nadrukkelijk en principeel onderscheiden worden van de zorginzet zelf. Vandaar dat gesteld is dat een pgb wordt geweigerd indien de budgethouder en dienstverlener één en dezelfde persoon zou moeten zijn. Principieel is het namelijk niet gewenst dat iemand als regievoerder / budgethouder toezicht houdt op de uitvoering van zorg die je zelf verleent (de slager die zijn eigen vlees keurt). Uitzondering op deze regel kan – met inachtneming van de toetsing ingevolge artikel 8.1.1. lid 2 van de wet, plaatsvinden indien de dienstverlener een gecertificeerde instelling dan wel het dienstverlening betreft in het kader van gesloten jeugdhulp. Sub d: Indien de voorziening behandeling betreft en deze voorziening zal worden uitgevoerd door een dienstverlener die behoort tot het sociale netwerk, wordt geen pgb verstrekt. Deze inperking houdt verband met de kwaliteitseis. Behandeling (jeugd-GGZ) is een vorm van jeugdhulp die – naar zijn aard – alleen door professionals kan worden geboden. Dat betekent dat niet alleen wordt gewerkt volgens een bepaalde methodiek, maar ook dat de professional objectief en onafhankelijk handelt.

Dit objectief oordeelsvermogen wordt altijd beïnvloed door de persoonlijke relatie die personen binnen een sociaal netwerk hebben. Juist daarom is in de beroepscodes opgenomen dat professionele en niet-professionele rollen niet als zodanig met elkaar vermengen: een professionele afstand moet worden bewaard. In dat kader is de weigeringsgrond onder d. opgenomen. HOOFDSTUK 6

PROCEDURELE BEPALINGEN EN TERUGVORDERING

ROND

WIJZIGING,

INTREKKING

Artikel 6.1 Wijziging situatie Dit artikel betreft, evenals de artikelen 6.2 en 6.3, een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Bij een gewijzigde situatie bestaat de plicht het college hiervan op de hoogte te stellen als men kan vermoeden dat dit invloed kan hebben op de verstrekte voorziening. Artikel 6.2 Intrekking en beëindiging Het eerste en tweede lid betreft de mogelijkheid een besluit tot toekenning van een voorziening, in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk in te trekken of te beëindigen. Voor voorbeelden hiervan wordt verwezen naar de weigeringsgronden voor een individuele voorziening, zoals bepaald in artikel 4.2 van deze verordening, alsmede naar de weigeringsgronden voor pgb, zoals bepaald in artikel 5.4 van deze verordening. De verwijzing naar de weigeringsgronden vindt plaats omdat ook als een jeugdige of de ouders eenmaal een toekenning van een aanvraag hebben gehad, zij nog steeds geacht worden zich te houden aan de bij de aanvraag gestelde voorwaarden en overige verplichtingen die volgen uit de wet en deze verordening.

Van beëindiging is sprake indien de aanspraak op een voorziening wordt aangetast met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een voorziening over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking, geen terugwerkende kracht. Het tweede lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het eerste lid, onder e (dat tevens op voorzieningen (in natura) ziet) en waarin geen termijn is genoemd. 39

Artikel 6.3 Terugvordering en invordering Gezien de nauwe verwevenheid van een terugvorderingsbesluit met een intrekkingsbesluit, moet een besluit tot intrekking van een aanspraak in alle gevallen genomen worden voorafgaand aan of uiterlijk tegelijk met het besluit tot terugvordering. Het is voor de gemeente wel zaak dat het teruggevorderde ook daadwerkelijk wordt verkregen. Daartoe zijn verschillende mogelijkheden zoals terugbetaling door jeugdige of de ouders, verrekening en gerechtelijke invordering. In de Jeugdwet zijn – in tegenstelling tot de Wmo 2015 – geen bepalingen opgenomen inzake terugvordering van een ten onrechte verstrekte voorziening. In artikel 8.1.4, lid 3, Jeugdwet is wel bepaald dat het college ten onrechte verstrekte pgb-gelden kan invorderen indien de jeugdige of de ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Hieruit zou je af kunnen leiden dat terugvordering alleen maar mogelijk is in dit soort gevallen, schending van de inlichtingenplicht dus. Of dat inderdaad het geval is, zal moeten blijken uit rechtspraak over dit onderwerp. Dat maakt dat de gemeente – analoog aan de Wmo – deze terug- en invorderingsbepaling (voor zowel zin als pgb) in brede zin heeft opgenomen (dus niet alleen gerelateerd aan schending inlichtingenplicht). HOOFDSTUK 7

KWALITEIT JEUGDHULP

Artikel 7.1 Kwaliteitseisen aanbieders, dienstverleners en gecertificeerde instellingen Lid 1: Bepaalde kwaliteitseisen zijn door de wetgever zo essentieel geacht, dat ze zijn vastgelegd in de hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Specifiek in artikel 4.1.1 van de wet ligt vast dat jeugdhulpaanbieders (aanbieders zin en professionele dienstverleners pgb) verantwoorde hulp moeten leveren.Deze verplichting tot levering van verantwoorde hulp is verder uitgewerkt in de norm van de verantwoorde werktoedeling (artikel 5.1.1 Besluit Jeugdwet). Voor de toepassing van deze norm hebben branche-, beroeps- en cliëntenorganisaties en gemeenten het zgn. Kwaliteitskader Jeugd ontwikkeld. Lid 2: De wetgever heeft niet de intentie gehad om in de wet de kwaliteitseisen uitputtend vast te leggen. Zie ook p. 42 van de Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet. In aanvulling op de wettelijke kwaliteitseisen, kan de gemeente via een contract met aanbieders (zorg in natura) zelf ook nog aanvullende kwaliteitseisen stellen waaraan de gecontracteerde aanbieder gehouden is. Dit ligt vast in dit lid.

Vanuit de gedachte dat de aanvullende kwaliteitscriteria zoals die gelden voor zorg in natura een belangrijke aanwijzing vormen voor kwaliteit van dienstverlening ingevolge een pgb door een professional, is vervolgens in lid 2 ook bepaald dat de contractuele kwaliteitscriteria zorg in natura als wegingsfactor gelden in geval van pgb professionele dienstverlening. Dit betekent niet dat een pgbdienstverlener per definitie aan alle kwaliteitseisen zin dient te voldoen. Maar het betekent wel dat het niet voldoen aan die kwaliteitscriteria een belangrijke aanwijzing vormt voor een gerede twijfel van kwaliteit van pgb-dienstverlening. Lid 3: Lid 3 gaat over kwaliteit in relatie tot particuliere inzet. De gemeente acht het van belang dat ook in geval van pgb-dienstverlening door een niet-professional de jeugdhulp van goede kwaliteit is. Ter uitwerking van dat algemene uitgangspunt (artikel 8.1.1, lid 2, onder c van de wet) is in lid 3 een aantal concrete eisen c.q. vaardigheden benoemd. De vaardigheden zoals benoemd zijn ontleend aan par. 2.2 van het Kwaliteitskader Jeugd (“Gemeenschappelijke basis professionals”). Artikel 7.2 Kwaliteitscontrole aanbieders, dienstverleners en gecertificeerde instellingen Rechtmatigheidstoezicht is aan de gemeente zelf. Voor wat betreft het kwaliteitstoezicht is in artikel 9.1 van de wet vastgelegd dat de inspectie jeugdzorg daarmee belast is.

De toezichtstaak van de inspectie ziet met name op repressief toezicht: toezicht achteraf op basis van een concreet signaal of voorval. Vanuit het idee dat toezicht ook preventief kan of moet zijn waarbij toezicht wordt bezien als een belangrijk onderdeel van de gemeentelijke dienstverlening, is artikel 7.2 geschreven. Zonder uitputtend te willen zijn heeft de gemeente in lid 1 een aantal belangrijke toezichtstaken beschreven waarvoor de gemeente de verantwoordelijkheid neemt. Het zijn taken waarbij meerdere 40

gemeentelijke functionarissen betrokken kunnen zijn. Denk aan de medewerker inkoop, de contractbeheerder maar ook de beleidsmedewerker en de gezins- en jongerencoach. Ter praktische uitwerking is vervolgens in lid 2 bepaald dat de gemeente via beleidsregels nadere invulling kan geven aan haar toezichtstaak. Artikel 7.3

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Deze bepaling is een uitwerking van de verordeningsplicht van artikel 2.12 van de wet. Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering wordt in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen.

Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Overigens biedt artikel 2.14 Jeugdwet nog een grondslag om via een AMvB aanvullende regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit. Voor wat betreft Jeugd zijn deze aanvullende regels er nog niet. Voor de Wmo die een soortgelijke grondslag kent is een dergelijke AMvB er wel. HOOFDSTUK 8

BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

Dit hoofdstuk bevat bepalingen die grotendeels een uitwerking geven aan de verordeningsplicht in artikel 2.9, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Ingevolge artikel 8.1.3. Jeugdwet onderzoekt het college (periodiek) of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een pgb te heroverwegen. De heroverweging door het college kan leiden tot een ongewijzigd continueren van een verleend pgb maar kan ook leiden tot het besluit om geen, minder of andere diensten te verstrekken of wellicht een andere verstrekkingsvorm (zorg in natura). Opvallend is - anders dan in geval van Wmo (arikel 2.3.9. Wmo 2015) – in artikel 8.1.3 alleen wordt gesproken over pgb en dus niet over zorg in natura. Is dat een bewuste keuze van de wetgever ? Dat laatste lijkt niet aannemelijk. Artikel 8.1.3 wordt ook van toepassing geacht in geval van verstrekking van een voorziening in de vorm van zorg in natura. Vandaar het bepaalde in artikel 8.2 van de verordening.

Op grond van artikel 8.2 van de verordening moet het college, indien er een vermoeden bestaat van misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van de wet, onderzoeken of de verstrekte voorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een jeugdige, de ouders of de pgb-houder (niet zijnde jeugdige of ouders), als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder c.q. dienstverlener. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder dan wel dienstverlener.

41

HOOFDSTUK 9

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 9.1 Betrekken van ingezetenen bij beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de wet waarin artikel 2.1.3, lid 3, Wmo 2015 van toepassing wordt verklaard: “3.: In de verordening wordt bepaald op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen, de ouders of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van deze wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop zij: a. in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen; b. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; c. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen; d. deel kunnen nemen aan periodiek overleg; e. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; f. worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.” De wetgever heeft het van groot belang geacht dat burgers betrokken worden bij het bepalen van het gemeentelijke beleid. Langs die weg kan worden gewaarborgd dat het beleid voldoende aansluit bij de werkelijke ondersteuningsbehoefte. Artikel 150 van de Gemeentewet draagt de gemeenteraad op een verordening te maken waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening .Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. In artikel 2.1.3 derde 3 Wmo is in aanvulling daarop een aantal zaken nader benoemd (uitgewerkt in de leden 2 en 3 van artikel 9.2) waarop een op te maken verordening betrekking moet hebben. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

HOOFDSTUK 10

SLOTBEPALINGEN

Artikel 10.1 Hardheidsclausule Juist omdat het om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is, immers,bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Artikel 10.2 Besluitvorming en beleidsregels Dit artikel gaat over de uitvoering van wet en verordening en geeft aan het college ruimte om via de vaststelling van beleidsregels een nadere uitwerking aan de uitvoering te geven. Artikel 10.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. De voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening genomen besluiten blijven van toepassing tot het moment dat zij van rechtswege vervallen, worden beëindigd of ingetrokken.

Dit betekent in de praktijk dat, voor wat betreft in het verleden gedane toekenningen die gelden na datum inwerkingtreding bij een eventuele herbeoordeling gelegen op een moment na inwerkingtreding van onderhavige verordening, een nieuw besluit genomen dient te worden met toepassing van onderhavige verordening. Hierbij dient eventueel, gelet op algemene beginselen van behoorlijk bestuur, overgangsrecht in acht genomen te worden. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van 42

de onderhavige verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaar- en beroepschriften eveneens bepaald dat deze volgens de onderhavige verordening worden afgedaan. Artikel 10.4 Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. Gelijktijdig vervalt Verordening Jeugdhulp Peelgemeente Laarbeek 2015. het college van burgemeester en wethouders, Plv. griffier

Burgemeester

J. van den Berg

F.L.J. van der Meijden

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=f65c0f6a-02e3-4c2b-8b22-4dd3d8381d42