12 20230209 Verordening jeugdhulp Laarbeek 2019.docx
Tekst van het document
Jeugdhulp ingevolge een pgb wordt geleverd door een dienstverlener. Voor de verstrekking van pgb’s is het vervolgens relevant om een onderscheid te maken tussen inzet door een professionele dienstverlener en particuliere inzet. Professionele dienstverlener versus particuliere inzet: Of sprake is van een professional hangt van de feiten en omstandigheden. Niet alleen wordt gekeken of sprake is van inschrijving bij KvK. Ook uit andere feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de jeugdhulpaanbieder een onderneming dan wel ondernemer is. Denk hierbij aan de zichtbaarheid van de dienstverlener als ondernemer in de maatschappij (bijvoorbeeld via website, promotieactiviteiten …), , het lopen van ondernemersrisico, het plegen van investeringen, het hebben van meerdere opdrachtgevers, wijze van gebruik maken van een modelovereenkomst van de belastingdienst (opvolger VAR) ingeval van een zzp-er … Daarnaast moet de dienstverlener voldoen aan de kwaliteitseisen zoals die gelden voor de professional. Zie in dat kader de wet zelf maar ook hoofdstuk 7 van deze verordening. Indien de dienstverlener niet aangemerkt kan worden als een professioneel dienstverlener, is sprake van particuliere inzet (en heeft een ander pgb-tarief te gelden).
Voor wat betreft het begrip particuliere inzet wordt geen onderscheid gemaakt tussen inzet door het sociaal netwerk (personen met wie de jeugdige of de ouders een sociale relatie onderhouden) en particuliere inzet anderszins. Particuliere inzet is particuliere inzet ongeacht een eventuele sociale relatie die wordt onderhouden. 20
Het sociaal netwerk in de rol van professionele dienstverlener: Wanneer er sprake is van inzet door een persoon uit het sociaal netwerk die tevens aangemerkt kan worden als professioneel dienstverlener (omdat hij voldoet aan alle criteria daarvoor), zal het college aan de hand van het zwaartepunt van de concreet benodigde activiteiten van deze persoon, afgezet tegen noodzaak van de zorg en de ondersteuning van de jeugdige of de ouders, bepalen of er sprake is van particuliere inzet of van een professionele dienstverlener. In concreto betekent dit dat het college de vraag dient te beantwoorden of de professionele deskundigheid waarover de dienstverlener beschikt noodzakelijk is in het belang van de jeugdige of de ouders. Indien die vraag met “ja” beantwoord wordt, is het aan het college om het pgb-tarief te hanteren voor de professionele dienstverlener. Maar dit dus alleen indien de persoon uit het sociale netwerk conform de definitie zoals neergelegd in deze verordening daadwerkelijk als een professioneel dienstverlener is aan te merken en zuiver in die rol hulp verleent. Gebruikelijke hulp / mantelzorg versus inzet als dienstverlener: De rol van een ouder / huisgenoot of mantelzorger als dienstverlener (professioneel dan wel particulier) is altijd aanvullend op de rol die men reeds heeft in het kader van gebruikelijke hulp of mantelzorger.
Dit betekent dat in de aanvraagprocedure altijd beoordeeld dient te worden waar in redelijkheid de rol als gebruikelijk hulpverlener of mantelzorger ophoudt en waar de rol als dienstverlener begint. Nog even voor de volledigheid als het gaat om het sociale netwerk in relatie tot pgb: Zie artikel 5.1, lid 3 in het bijzonder en artikel 5.4 en in het bijzonder onder sub a. en e. De vraagstelling over de hoogte van het tarief (professioneel versus particulier) staat nog los van de inhoudelijke / kwalitatieve beoordeling tot gewenste inzet van iemand uit het sociaal netwerk in een concreet geval. Het zal lang niet altijd in het belang van de jeugdige of de ouders worden geacht, dat de ondersteuning wordt geboden door iemand uit het netwerk. HOOFDSTUK 2
RESULTATEN JEUGDHULP EN VOORZIENINGEN
Artikel 2.1 De te bereiken resultaten ingevolge de wet In artikel 2.1.Jeugdwet zijn de doelen voor het gemeentelijk jeugdhulpbeleid bepaald. Het zijn doelen die nadrukkelijk sinds de stelselwijziging per 2015 worden nagestreefd, te weten: het voorkomen van problemen en een vroegtijdige inzet van ondersteuning, hulp en zorg, normaliseren, ontkokeren, demedicaliseren en uitgaang van de eigen kracht van jeugdigen en de ouders en van de professionals. En dat alles vanuit de verantwoordelijkheid van het college dat kinderen gezond en veilig opgroeien, de jeugdige in staat wordt gesteld om te groeien naar zelfstandigheid en de jeugdige voldoende zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren (artikel 2.3, lid 1 Jeugdwet). In verband met de wettelijke opdracht heeft de landelijke wetgever aan de gemeente een ruime mate van beleidsvrijheid gegeven om hieraan nadere invulling te geven. Echter tegelijkertijd heeft de wetgever in artikel 2.9 onder a Jeugdwet bepaald, dat de gemeenteraad bij verordening regels vastlegt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorzieningen.
Dat zo zijnde, is het onmiskenbaar dat de beleidskeuze om een individuele voorziening en eventueel een algemene voorziening nader uit te werken middels het resultaatgericht indiceren hoe dan ook meerdere raakvlakken heeft met de rechten en verplichtingen van een jeugdige of de ouders. Het is om deze reden dat de keuze is gemaakt om een afzonderlijk hoofdstuk te besteden aan de te bereiken resultaten als uitwerking van de gemeentelijke verantwoordelijkheid zoals geduid in artikel 2.3, lid 1 Jeugdwet. Artikel 2.2 Algemene voorzieningen Voorzieningen ingevolge de jeugdwet vallen uiteen in algemene en individuele voorzieningen. Zie de definities van deze voorzieningen in artikel 1.1. Zie de begrippen uitgelegd in de toelichting bij dit artikel 1.1 waarbij met name ook van belang is hoe beide voorzieningen zich tot elkaar verhouden. 21
Ingevolge artikel 2.9 Jeugdwet moeten algemene (c.q. overige) voorzieningen in de verordening geduid worden. Zie daartoe de voorzieningen zoals genoemd in lid 1 waarbij vervolgens omwille van de praktische uitvoerbaarheid de bevoegdheid aan het college wordt gegeven om de algemene voorzieningen nader te concretiseren in nadere regels (lid 2). Gezins – en jongerencoaching is in de uitvoeringspraktijk een zeer belangrijke algemene voorziening. De gezins- en jongerencoaches zijn jeugdprofessionals die in het lokale gebiedsteam verantwoordelijk zijn voor de intake van zorg- en ondersteuningsvragen. Zij zijn vanuit de gemeente echter niet alleen het eerste aanspreekpunt (verzorgen intake) voor ouders en jongeren met vragen over opvoeden en opgroeien, maar kunnen vervolgens ook concreet ondersteuning bieden aan ouders en jongeren. In die rol (ondersteuning) betreft gezins- en jongerencoaching een algemene voorziening. Artikel 2.3 Individuele voorzieningen Teneinde de resultaten te bereiken zoals geduid in artikel 2.1, kan de gemeente individuele voorzieningen treffen. In het eerste lid is bepaald dat de gemeente vijf types van individuele voorzieningen treft waarbij ingevolge lid 2 aan het college de bevoegdheid wordt gegeven om deze voorzieningen ter uitvoering nader te concretiseren.
Dit omdat de uitvoeringspraktijk kan vragen om een nadere verfijning van de benoemde individuele voorzieningen. Zie in dat licht ook de algemene toelichting over deze verordening: delegatie aan het college blijft evenwel, ondanks de spanning die het kan opleveren met artikel 2.9 Jeugdwet onder a. en b., nodig. Pilots ter doorontwikkeling van beleid en regelingeving en nieuwe ontwikkelingen vragen nadrukkelijk om de mogelijkheid om op het niveau van college van burgemeester en wethouders (tijdelijk) zaken in te regelen. Ter voorkoming dat alle regels over de vaststelling van voorzieningen gedetailleerd in de verordening worden vervat, is in lid 2 bepaald dat het college in nadere regels een nadere verfijning kan geven in de vorm van het benoemen van kernactiviteiten en / of taken alsmede, indien de noodzaak daartoe blijkt, het benoemen van de mate van frequentie. HOOFDSTUK 3
TOEGANG TOT JEUGDHULP
In dit hoofdstuk is de toegang tot jeugdhulp geregeld waarbij na een algemene paragraaf (3.1) de vier afzonderlijke toegangskanalen worden beschreven in afzonderlijke paragrafen (3.2 - 3.4). Paragraaf 3.1 Algemeen Artikel 3.1 Toegang tot individuele voorzieningen De toeleiding naar individuele voorzieningen kan op verschillende manieren plaatsvinden. a. toegang via de gemeente; b. toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist; c. toegang via een gecertificeerde instelling; en d. toegang via de rechter, het openbaar ministerie en de de justitiële jeugdinrichting. Artikel 3.2 Cliëntondersteuning De Jeugdwet zelf zegt niets over cliëntondersteuning. De mogelijkheid tot (kostenloze) cliëntondersteuning in geval van jeugdhulp bestaat echter wel degelijk en ligt vast in de Wmo 2015. Zie daartoe artikel artikel 1.1 van deze verordening (definitie is rechtstreeks ontleend aan artikel 1.1.1. Wmo 2015) en artikel 2.2.4. Wmo 2015. Artikel 3.3 Nadere regels In dit artikel is voor het college een regelgevende bevoegdheid opgenomen om nadere regels te kunnen stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een jeugdige of de ouders aanspraak maken op een invididuele voorziening. De reden hiervan is dat mocht in de uitvoeringspraktijk blijken dat er behoefte is aan nadere procedurele kaders, dan kan het college in nadere regels hier invulling aan geven.
22
Paragraaf 3.2 Toegang via de gemeente Artikel 3.4 Aanvraag In de Jeugdwet wordt, anders dan in geval van de Wmo (uitgebreide beschrijving van proces van melding-aanvraag), niet beschreven hoe het toegangsproces er uit ziet. Dit betekent dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. Het besluitvormingsproces tot al dan niet toekennen van een individuele voorziening (artikel 1:3 lid 2 Awb) start met een aanvraag ingevolge artikel 1:3 lid 3 Awb (zijnde een verzoek van belanghebbende om een besluit te nemen). In lid 1 is vervolgens bepaald dat de aanvraag mondeling, per post en digitaal kan worden ingediend. De gemeente heeft overigens een standaard aanvraagformulier beschikbaar voor burgers. Lid 2: spoedeisende aanvragen Nadat de aanvraag is gedaan start de aanvraagprocedure zoals beschreven in deze paragraaf. Het spoedeisende karakter van een aanvraag kan met zich brengen dat een beslistermijn van enkele weken of - in uitzonderlijke gevallen - zelfs enkele dagen als de redelijke termijn in de zin van artikel 4:13 lid 1 Awb moet worden aangemerkt. Ook kan het gaan om een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Lid 2 gaat over een spoedeisende situatie zijnde de situatie dat, wanneer iemand een aanvraag doet bij de gemeente, de reguliere beslistermijn van (max) 8 weken niet kan worden afgewacht vanwege de spoed tot zorginzet.
Een stap verder dan een spoedeisende situatie is de acute crisissituatie ingevolge artikel 2.6, eerste lid, onder b van de wet. In geval van een acute crisissituatie dienen ouders en jeugden geen aanvraag in bij de gemeente maar wenden zij zich 24/7 rechtstreeks bij een door de gemeente aangewezen instantie (ten tijde van schrijven verordening: SpoedvoorJeugd, Zuidoost-Brabant). Hierbij moet met name gedacht worden aan situaties waarbij er buiten kantooruren een regeling getroffen moet worden voor een jeugdige; een jeugdige moet bijvoorbeeld op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing acuut uit zijn eigen gezin in een pleeggezin worden geplaatst of de situatie waarbij er per direct opvang geregeld moet worden voor een kind omdat de ouders ten gevolge van een ongeval zijn opgenomen in het ziekenhuis. Maar ook kan het gaan om situaties waarbij het kind acute geestelijke gezondheidszorg nodig heeft bijvoorbeeld in verband met een psychose. Het gaat daarbij dus om spoedeisende zaken, waarvoor de gemeente 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar moet zijn en hulp moet kunnen verschaffen. Artikel 3.5 Onderzoek Nadat de aanvraag is ingediend start het onderzoek. Alle relevante gegevens worden verzameld teneinde in staat te zijn een besluit te kunnen nemen.
Hoewel de Jeugdwet geen bepalingen kent inzake de identificatieplicht, is in dit artikel (lid 2), naar analogie van Wmo (artikel 2.3.4., lid 1, Wmo 2015 jo artikel 2.3. Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018) bepaald dat de identiteit van de jeugdige en / of de ouders gecheckt kan worden middels een geldig legitimatiebewijs. Ten aanzien van jeugdigen is bepaald dat verzocht kan worden om een geldig legitimatiebewijs vanaf het bereiken van de legitimatieplichtige leeftijd. Die bedraagt momenteel 14 jaar. Deze identificatieplicht moet niet verward worden met de verificatieplicht van het burgerservicenummer van alle jeugdigen zoals dat vastligt in artikel 7.2.2 e.v.van de wet Een gesprek (persoonlijk en / of telefonisch) maakt in beginsel onderdeel uit van het onderzoek. Gegevens behoeven niet te worden opgevraagd c.q. een gesprek kan achterwege blijven indien de jeugdige of de ouders genoegzaam bekend zijn bij de gemeente. Het afzien daarvan gebeurt ingevolge lid 3 altijd in overleg met de aanvrager. Een aanvraagprocedure is veelal voorafgaan door (uitgebreid) contact met een gezins- en jongerencoach waardoor het onderzoek om te komen tot een beslissing op de aanvraag beperkt kan blijven. Artikel 3.6 De medewerkingsverplichting van de jeugdige, ouders en huisgenoten De jeugdige en ouders hebben een wettelijke informatie- en medewerkingsplicht.
Dit geldt ook voor huisgenoten in het kader voor de beoordeling gebruikelijke hulp. 23
Zie daaromtrent artikel 8.1.2 lid 1 en lid 3 van de wet. Hoewel in lid 1 de plicht wordt gekoppeld aan een beslissing aangaande pgb kan uit de Memorie van Toelichting worden afgeleid dat de wetgever die restrictie niet heeft beoogd aan te brengen. Zie overigens ook artikel 4:2 lid 2 Awb (inlichtingenplicht in relatie tot het doen van een aanvraag). Ter nadere uitwerking van de wettelijke medewerkingsverplichting is dit artikel 3.6 van de verordening opgenomen.Geregeld is in lid 1 dat het college twee mogelijkheden heeft voor een te verrichten onderzoek. Het college kan allereerst iemand oproepen op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen en daar die vragen te beantwoorden die nodig zijn om tot een zorgvuldig besluit te komen. Voor wat betreft het bepalen van de locatie van onderzoek houdt het college, zoveel als mogelijk, rekening met de persoonlijke omstandigheden van jeugdige, de ouders dan wel de huisgenoot, bijvoorbeeld een mobiliteitsbeperking. De tweede mogelijkheid is uitgebreider: deze biedt ook de gelegenheid tot onderzoek, bijvoorbeeld door een arts. Het college zal, zoveel als mogelijk, de gevraagde inzet tot bevraging en onderzoek (laten) verrichten in de gemeente zelf.
Het zal duidelijk zijn dat er van deze mogelijkheden alleen maar gebruik kan worden gemaakt als dit noodzakelijk is, dat wil zeggen als zonder dit onderzoek een zorgvuldige besluitvorming niet mogelijk is. In lid 2 is daarom geregeld dat in principe van de jeugdige, de ouders en huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp mag verwacht worden mee te werken aan het genoemde onderzoek. Is de jeugdige of de ouders niet bereid tot medewerking, dan zal het college moeten beoordelen of zonder deze medewerking een zorgvuldig besluit te nemen is. Is dat niet mogelijk dan zal het college de aanvraag moeten afwijzen omdat de jeugdige of de ouders dan niet voldaan heeft aan zijn aantoon- en inlichtingenverplichting, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij of zij voldoet aan de voorwaarden voor een aanspraak op een individuele voorziening. Een zelfde benadering geldt in de situatie dat een huisgenoot zijn of haar medewerkingsverplichting niet nakomt (in het kader van beoordeling gebruikelijke hulp). Ook dan volgt uit de jurisprudentie van de bestuursrechter dat de aanvraag afgewezen moet worden. Leidend is dan dat de aanvraag afgewezen moet worden omdat de noodzaak van de gevraagde voorziening niet kan worden vastgesteld. De niet-medewerking van een huisgenoot wordt dus toegerekend aan de jeugdige of de ouders.
Deze komt in bewijsnood omdat hij / zij de noodzaak niet kan aantonen van de aanvraag. Zie hiertoe CRvB 25-07-2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090). Wat betreft de term gebruikelijke hulp zoals gebezigd in dit artikel: zie ook de definitie (en de toelichting daarop) zoals neergelegd in artikel 1.1 en hierna de toelichting bij artikel 4.1. In artikel 3.6, lid 3 is de medewerkingsverplichting van de jeugdige, de ouders en huisgenoten nader aangevuld. Namelijk, dat zij, naast een (actieve) informatieplicht, ook dienen mee te werken aan een bezichtiging van de persoonlijke woon- en leefsituatie, of een controle van een verstrekte of te verstrekken dienst. Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer is in lid 4 nadrukkelijk bepaald dat er een noodzaak moet zijn voor een dergelijk onderzoek. Die noodzaak kan ook zijn gelegen in de beleidsdoelstelling ter voorkoming van oneigenlijk dan wel misbruik van voorzieningen. Vaste lijn in de rechtspraak is dat het college gehouden is om de minst in de persoonlijke levenssfeer ingrijpende methode van onderzoek te volgen. Dit vloeit direct voort uit de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Proportionaliteit betekent dat het gebruikte middel in een goede verhouding moet staan tot het doel dat wordt gediend. Subsidiariteit betekent dat, indien je de keuze hebt uit verschillende methodes, je de lichtste methode dient in te zetten.
Het moge duidelijk zijn dat artikel 3.6 normaliter geen enkele rol speelt in het contact tussen het college en de jeugdige en ouders. Het komt echter wel eens voor dat de bereidheid van jeugdige, hun ouders en huisgenoten om informatie te verschaffen of de medewerking te verlenen aan een onderzoek er niet is dan wel te beperkt. In die gevallen biedt artikel 3.6 uitkomst. Zie in dat licht ook artikel 4.2, eerste lid, sub e van deze verordening.
24
Artikel 3.7 Gesprek Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en de ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en de ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens het gesprek met de jeugdige en de ouders het een en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam) plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of de ouders thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden. Zie hiertoe ook de relatie met de inzet van een gezins- en jongerencoach als algemene voorziening (voorafgaande aan aanvraag individuele voorziening): een gesprek c.q nadere besprekingen kunnen achterwege blijven indien de situatie en de behoefte van de jeugdige of de ouders genoegzaam bekend zijn. Zie daartoe ook lid 3. Indien een persoonlijk gesprek bij mensen thuis of op locatie niet nodig is, kan het gesprek ingevolge lid 1 overigens ook telefonisch plaatsvinden.
In de onderdelen a tot en met k zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of de ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en de ouders voorop gesteld overeenkomstig het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Artikel 3.8 Deskundigheid Hoewel in de juridische context wellicht overbodig is een bewuste keuze gemaakt om een artikel op te nemen over de inzet van deskundigheid. Dit op basis van de uitspraak van de CRvB d.d. 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) waarin de CRvB bijzondere aandacht schenkt aan het begrip deskundigheid waarbij gesteld wordt “…verschillende stadia van onderzoek vragen om een op die stadia aangepaste deskundigheid ….
Het college dient ervoor te zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.” Artikel 3.9 Verslag Niet te verwarren met de opmaak van de rapportage die de basis vormt voor het besluit tot al dan niet toekennen van een voorziening, gaat dit artikel over een verslag ter overlegging aan de jeugdige en / of de ouders. Naar analogie van de Wmo (artikel 2.3.2, lid 8 Wmo 2015) is deze processtap van verslag (ter overlegging aan de jeugdige en of de ouders) opgenomen. Met dat verschil dat de stap ingevolge de Wmo verplicht is en het in onderhavige verordening is opgenomen als een mogelijkheid voor het college. De reden om het op te nemen als een mogelijkheid en niet als een verplichting houdt verband met het feit dat het proces jeugd veelal een ander verloop kent dan in geval van Wmo. Aan een aanvraagprocedure individuele voorziening Jeugd is veelal de inzet van een algemene voorziening (vaak gezins- en jongerencoaching) vooraf gegaan. Dat maakt dat de jeugdige en zijn ouders veelal uitgebreid bekend zijn bij het college, afstemmingen hebben plaatsgevonden en de opmaak van een verslag ter overlegging geen dan wel een zeer beperkte meerwaarde zal hebben. Kortom, een verslag moet meerwaarde hebben.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie dat gelet op de complexiteit van de casus en / of de veelheid van hetgeen besproken en afgesproken, een verslag als naslagwerk de jeugdige en de ouders kan ondersteunen (bijv. ook richting communicatie / afspraken met anderen). In lid 2 is de principiële bevoegdheid van een cliënt benoemd op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens tot lees- en correctierecht. Om het onderzoek slagvaardig te kunnen afronden is in 25
de praktijk de noodzaak gebleken tot het stellen van een termijn voor reactie gerelateerd aan het verslag. Een termijn van 14 dagen na verzending van het verslag, wordt een redelijke termijn geacht. Het betreft hier wel een termijn van orde en geen fatale termijn. Dat wil zeggen, het college wordt geacht een zekere vorm van redelijkheid in acht te nemen bij een kleine overschrijding van de termijn van 14 dagen waarin een reactie van een cliënt nog kan binnenkomen. Los van deze termijn gerelateerd aan het verslag c.q. het proces van melding / aanvraag, kan de cliënt altijd verzoeken, ook na een gestelde termijn voor het geven van een reactie, om een correctie van hem betreffende gegevens bij de gemeente. Artikel 3.10 Beschikken en inhoud beschikking Ingevolge lid 1 dient een beschikking binnen acht werken na ontvangst aanvraag te worden gegeven. Nu de Jeugdwet (anders dan de Wmo) geen beslistermijn noemt, heeft het bepaalde in artike 4:13, lid 2 Awb te gelden: 8 weken. Paragraaf 3.3 Toegang via huisarts, medisch specialist en de jeugdarts Artikel 3.11 Doorverwijzing naar gecontracteerde aanbieder De Jeugdwet regelt dat jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht.
Dit proces van verwijzing speelt zich in principe, tenzij de gemeente daartoe afspraken maakt met de arts, af buiten het gezichtsveld van de gemeente. Heeft de gemeente in het proces na verwijzing “slechts” de rol van financierder of kan de gemeente, vanuit de wens tot het crëeren van grip (zorginhoudelijk en financiëel), zichzelf een inhoudelijke rol toeeigenen. Hoewel de wet zelf daar niet heel expliciet over is, kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat gemeenten wel degelijk een rol hebben of anders gezegd, zorgaanbieders gehouden zijn om voor wat betreft de zorginzet na verwijzing, de door de gemeente gestelde voorwaarden na te leven. Zie in dat kader ook de Memorie van Toelichting (p. 148): "...Voor de gemeente betekent de wettelijke verwijsbevoegdheid dat zij een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts zullen moeten accepteren als toegang tot jeugdhulp. In de praktijk zullen de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van jeugdhulp een jeugdige nodig heeft, doch slechts een verwijzing geven voor bijvoorbeeld psychiatrische hulp of een andere vorm van jeugdhulp. De jeugdhulpaanbieder waar de jeugdige of zijn ouder vervolgens met deze verwijzing naartoe gaat, zal inhoudelijk beoordelen welke zorg de jeugdige precies nodig heeft, met welke frequentie en voor hoe lang (de duur en de omvang).
Deze laatste zal dus de daadwerkelijke inhoud van de voorziening bepalen. Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die de gemeente op grond van artikel 2.8 bij verordening stelt. De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen. ...” In het perspectief van het bovenstaande, is artikel 3.11 opgenomen. Ingevolge lid 2 stelt het college van burgemeester en wethouders een protocol op waaraan de aanbieder gehouden is. De kaders voor het protocol liggen vervolgens vast in lid 3. Lid 3 is rechtstreeks ontleend aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 01 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477).
In deze uitspraak (feitelijk de eerste uitspraak van de CRvB in het kader van de jeugdwet), geeft de Centrale Raad belangrijke aanwijzingen voor gemeenten hoe een onderzoek naar jeugdhulp moet worden uitgevoerd. Deze aanwijzingen zijn verwerkt in lid 3.
26
In het verlengde van artikel 4.1, lid 3 van deze verordening, is in lid 4 bepaald dat de aanbieder – gelijk de gemeente in het gemeentelijk toegangsproces – gehouden is om de goedkoopst passende voorziening in te zetten. Ook dit vormt een belangrijk kader voor de zorgaanbieder. Uitgangspunt is dat de zorgaanbieder na verwijzing de zorginzet bepaalt met inachtneming van het protocol. Via lid 5 wordt echter nadrukkelijk de bevoegdheid geregeld van het college om een contraexpertise toe te passen waarbij dus de uitkomst kan zijn dat de zorginzet zoals voorgestaan door de aanbieder niet wordt geaccordeerd. Een dergelijke contra-expertise kan plaatsvinden op basis van een ontvangen signaal, op basis van eerder ten aanzien van een specifieke aanbieder geconstateerde onregelmatigheden (in de brede zin van het woord) of op basis van een steekproef. Tot slot is in lid 6 geregeld dat het protocol onderdeel wordt van de privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en aanbieders waarbij vervolgens, ten behoeve van de uitvoeringspraktijk, nadere werkafspraken ter uitvoering van het protocol gemaakt kunnen worden.
Gezien het feit dat de Memorie van Toelichting stelt dat aanbieders zich naast de regels in de verordening moeten houden aan afspraken in de overeenkomst / subsidieregeling, , is het vanuit de context van de juridische afdwingbaarheid raadzaam om vast te leggen dat het protocol dus onderdeel wordt van de privaatrechtelijke overeenkomst Artikel 3.12 Doorverwijzing naar niet-gecontracteerde aanbieder De wetgever is in de memorie van toelichting bij artikel 2.6 lid 1 onder g van de wet (verwijzen door arts) heel helder over doorverwijzing naar een niet gecontracteerde aanbieder. De wetgever geeft expliciet aan dat verwijzing plaats dient te vinden naar een gecontracteerde aanbieder. De wetgever stelt letterlijk: “Voor de duidelijkheid zij nog opgemerkt dat het bovenstaande alleen geldt voor die jeugdhulpaanbieders waarmee de gemeente een contract of subsidierelatie heeft.
Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden deze andere keuze te vergoeden en zullen de jeugdige of zijn ouders de kosten van deze jeugdhulp zelf dienen op te brengen.” De praktijk is veelal weerbarstiger dan de theorie: verwijzing naar en zorginzet nadien door niet gecontracteerde partners vindt plaats. Daarom is artikel 3.12 vormgegeven teneinde de praktijk in goede banen te leiden. Indien verwijzing plaatsvindt naar een niet-gecontracteerde aanbieder heeft het proces te gelden zoals geduid in dit artikel. Van de niet gecontracteerde aanbieder wordt verwacht dat deze snel, in ieder geval voor de start van zorg, contact legt met de gemeente. Dan is het aan de gemeente om te beoordelen of het zorgaanbod van de betreffende aanbieder passender is dan het reeds gecontracteerde aanbod. Indien dat het geval sluiten de gemeente en de niet-gecontracteerde aanbieder alsnog een contract waarbij dezelfde kwaliteitseisen gelden als voor de reeds gecontracteerde aanbieders als ook maximaal het tarief geldt ingevolge het zin-aanbod.
Aanvullend, niet onbelangrijk, is in lid 3 bepaald dat artikel 3.11, lid 2 en verder, ook van toepassing is op de niet gecontracteerde aanbieder. Ook de niet gecontracteerde aanbieder is gehouden aan het protocol, heeft te werken volgens het principe van goedkoopst passende voorziening en kan geconfronteerd worden met een contra-expertise door de gemeente. Lid 4: Indien een contract tot levering zorg in natura niet tot stand komt accepteert de gemeente geen declaratie van de betreffende aanbieder. Dit laat onverlet dat de betreffende aanbieder de zorg wellicht kan c.q. gaat leveren over de boeg van een persoonsgebonden budget. De beoordeling tot toekenning pgb is aan de gemeente. Indien én geen contract zin tot stand komt en geen pgb, heeft de gemeente noch jegens de aanbieder noch jegens de cliënt een verplichting tot betaling van geleverde zorginzet.
27
Artikel 3.13 Persoonsgebonden budget na verwijzing Als de jeugdige of de ouders de zorginzet willen verzilveren via de verstrekkingsvorm pgb, moeten zij daartoe een aanvraag indienen bij de gemeente. Alleen de gemeente is namelijk bevoegd tot beoordeling over de inzet van een pgb (artikel 8.1.1 Jeugdwet). Artikel 3.14 Beschikken en inhoud beschikking Lid 1/2: Na verwijzing door huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft de gemeente een beschikking af. Aan het besluit tot afgifte van deze beschikking is het proces zoals geduid in artikel 3.11 (of eventueel 3.12) van de verordening vooraf gegaan. De beschikking door de gemeente betreft het officiële besluit richting de jeugdige of de ouders tot al dan niet inzet van jeugdhulp. De afgifte van de beschikking mag dus niet verward worden met het zgn. berichtenverkeer zoals dat plaatsvindt tussen de gemeente en de aanbieder waaronder begrepen het zgn. 301-bericht dat de gemeente naar de aanbieder verstuurt zijnde de opdrachtverlening tot zorginzet. Dat is iets wat zich aan het gezichtsveld van de jeugdige en de ouders onttrekt. Lid 3: Dit artikellid is relevant indien de jeugdige of de ouders de zorginzet na verwijzing wensen te verzilveren in de vorm van een pgb. Zie daartoe artikel 3.13 van deze verordening.
Paragraaf 3.4 Toegang via justitieel kader Artikel 3.15 Zorginzet Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren.
Dit kan de rechter omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK): Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Ten tijde van schrijven van verordening wordt het AMHK door gemeente vormgegeven via de stichting Veilig Thuis, ZuidoostBrabant.
28
Artikel 3.16 Persoonsgebonden budget na toegang justitieel kader Als de jeugdige of de ouders de zorginzet willen verzilveren via de verstrekkingsvorm pgb, moeten zij daartoe een aanvraag indienen bij de gemeente. Alleen de gemeente is namelijk bevoegd tot beoordeling over de inzet van een pgb (artikel 8.1.1 Jeugdwet). In geval van het justitiële kader, zal het overigens, indien er überhaupt al een voorkeur bestaat voor pgb-verstrekking in plaats van zorg in natura, vaak de instelling zijn die namens de jeugdige en de ouders een pgb aanvraagt en de jeugdige en ouders vervolgens ook ondersteunt in de rol van budgethouder. Zie in dat kader ook artikel 8.1.1, tweede lid, sub a Jeugdwet waarin expliciet is bepaald dat de instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp hulp kan bieden om taken verbonden aan het pgb op een verantwoorde manier uit te voeren. Artikel 3.17 Beschikken en inhoud beschikking In geval van zorginzet via een gecertificeerde instelling of toegang in het kader van het jeugdstrafrecht wordt door het college een beschikking afgegeven indien de jeugdige of de ouders het aanbod verstrekt willen krijgen in de vorm van een pgb. Het is namelijk altijd, zie daartoe ook artikel 3.16, aan de gemeente om een inhoudelijke beoordeling te doen over de vraag of voldaan is aan de voorwaarden van verstrekking in de vorm van een pgb i.p.v. zorg in natura. HOOFDSTUK 4
TOEGANG VIA DE GEMEENTE: CRITERIA EN WEIGERINGSGRONDEN INDIVIDUELE VOORZIENING
Artikel 4.1 Criteria voor een individuele voorziening Ingevolge artikel 2.9. sub a Jeugdwet worden bij verordening regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Dit betekent vervolgens geen ingekaderd stelsel van criteria en voorwaarden. Iedere beoordeling vraagt om maatwerk en maatwerk betekent een bepaalde mate van vrijheid in de beoordelingsruimte. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een voorziening kan krijgen. In dit artikel is dit uitgewerkt. Lid 1 slaat terug op hetgeen bepaald in hoofdstuk 2. Toekenning van een voorziening houdt verband met het (kunnen) bereiken van een resultaat. Daarbij wordt, ingevolge lid 2, beoordeeld of de beperkingen of problemen niet op een andere manier dan de inzet van een gemeentelijke voorziening verminderd of weggenomen kunnen worden. Het gaat dan primair om de vraag wat mensen zelf of met behulp van hun omgeving kunnen bewerkstelligen. Hierbij dient altijd de toets van de redelijkheid te worden ingezet: wat mag redelijkerwijs aan ondersteuning van anderen verwacht worden. Hierbij wordt de feitelijke situatie van een jeugdige, de ouders en hun omgeving gewogen.
Ten aanzien van mantelzorg betekent dit, - afgezien van het gegeven dat mantelzorg nooit dwingend kan worden opgelegd -, dat een mogelijk gevaar voor overbelasting van de mantelzorger in ogenschouw wordt genomen. Specifiek over de inzet van gebruikelijke hulp (aanvullend op hetgeen reeds toegelicht onder artikel 1.1): De toets gebruikelijke hulp zoals we die maken in het kader van de Jeugdwet (en de Wmo) betreft een redelijkheidstoets en dat gaat verder dan sec de vraag of geboden ondersteuning als “normaal” of “gangbaar” betiteld kan worden. Iedere situatie is anders. Dat betekent dat voor de vraag of van een huisgenoot in redelijkheid kan worden verwacht of hij / zij gebruikelijke hulp biedt de specifieke situatie van de jeugdige, de ouders en eventuele andere huisgenoten bepalend is: maatwerk. Relevante toetselementen zijn in dat kader: -
persoonskenmerken van de ondersteuningsbehoevende;
-
de benodigde ondersteuningsintensiteit (aard en frequentie zorghandelingen, mate van planbaarheid, mate van uitstelbaarheid, mate van toezicht, omvang in tijd, korte of langdurige (chronische) situatie …);
-
woonsituatie / samenstelling gezin (één- of tweeoudergezin, aantal kinderen, leeftijd kinderen …);
29
-
(verplichte) activiteiten van huisgenoot (werk, school, hoeveel uur …). Hierbij geldt overigens als uitgangspunt dat het hebben van een baan of het volgen van een opleiding het leveren van gebruikelijke hulp niet per definitie in de weg staat. Dit geldt ook voor andere activiteiten in het kader van participatie van een huisgenoot (hobby, vrijwilligerswerk …);
-
kennis en vaardigheden (waaronder begrepen de leerbaarheid) van huisgenoot om de benodigde ondersteuning te leveren;
-
gezondheidssituatie van huisgenoot waaronder mede begrepen de draagkracht / belastbaarheid van de huisgenoot. Hierbij speelt ook de eigen verantwoordelijkheid van de huisgenoot een rol. Van een huisgenoot mag, binnen de grenzen van redelijkheid, worden verwacht dat inspanningen worden geleverd om zijn draagkracht/belastbaarheid te vergroten;
-
leeftijd van huisgenoot;
-
sociaal netwerk (inzet / ondersteuning van anderen uit netwerk).
Onder e. is de situatie benoemd waarin de voorziening voor de jeugdige of de ouders algemeen gebruikelijk is. In de definitiebepalingen van deze verordening wordt reeds uitgezet wat het begrip “algemeen gebruikelijke voorziening” inhoudt. Tot slot is onder f. en g. bepaald dat, alvorens een individuele voorziening kan worden verstrekt, beoordeeld moet worden of de jeugdige of de ouders gebruik kunnen maken van een algemene voorziening (sub f) dan wel gebruik kunnen maken van een voorliggende voorziening (sub g) zijnde een voorziening ontleend aan een andere wettelijke regeling dan de Jeugdwet. Zie artikel 1.2 Jeugdwet voor wat betreft de definiëring van het begrip voorliggende voorziening. Voorliggende voorzieningen zijn de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële inrichtingen, de Zorgverzekeringswet (basisverzekering) en voorzieningen op grond van andere wetten, voor zover het college van oordeel is dat daar aanspraak op bestaat. Lid 3: In lid 3 wordt bepaald dat een voorziening als de goedkoopst passende voorziening aangemerkt moet kunnen worden. Het gaat daarbij op de eerste plaats om een voorziening die passend is voor het ondervonden probleem. Maar wanneer dan meerdere voorzieningen passend blijken te zijn, mag volstaan worden met de goedkoopst passende voorziening.
Artikel 4.2 Weigeringsgronden individuele voorziening In dit artikel worden in het eerste lid de zogenaamde afwijzingsgronden benoemd. Onder a. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend c.q. een gevraagde voorziening wordt afgewezen indien niet aan het bepaalde van artikel 4.1 is voldaan. Onder b. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de jeugdige niet als ingezetene van een gemeente kan worden aangemerkt. Voor wat betreft de vraag wat heeft te gelden als de woonplaats van de jeugdige, wordt volledig aangesloten bij het daartoe bepaalde in de Jeugdwet (artikel 1.1). Gemeenten en aanbieders ervaren in de praktijk veel problemen bij de uitvoering van het woonplaatsbeginsel. Daarom is per 1 januari 2019 een wettelijke vereenvoudiging voorzien. Onder c. wordt bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de gevraagde voorziening, voor de jeugdige of de ouders, niet in een directe relatie staat met de ondersteuningsvraag c.q. behoefte van de jeugdige dan wel de ouders ingevolge de Jeugdwet. Denk hierbij bijv. aan de situatie dat een jeugdige al aantal jaren huiswerkbegeleiding heeft. Op het moment dat de jeugdige beperkingen gaat ondervinden en op die grond een geldelijke vergoeding wil ontvangen ter dekking van diezelfde huiswerkbegeleiding, dan volgt in beginsel een afwijzing.
Het gaat immers niet om meerkosten ten opzichte van de situatie vóór het intreden van de beperkingen.
30
Onder d. wordt bepaald dat een voorziening niet wordt toegekend als niet meer is na te gaan of de voorziening noodzakelijk was en of wel sprake was van een goedkoopst passende voorziening, bijvoorbeeld omdat de voorziening door de betrokkene al ingezet is. In artikel 3.4, lid 2 van deze verordening wordt voorzien in een spoed-aanvraagprocedure. Omdat deze procedurele mogelijkheid er is, geldt dat onder zeer strikte voorwaarden nog de mogelijkheid geboden wordt voor een toekenning van een aanvraag met terugwerkende kracht. Om de striktheid nader aan te scherpen, is er aan het gestelde in sub d toegevoegd dat de jeugdige of de ouders dan ook moet aantonen dat de zelf gekozen voorziening ook daadwerkelijk de goedkoopst passende voorziening is. Tegelijkertijd blijft onverkort gelden dat deze zelf gekozen voorziening ook aangemerkt moet kunnen worden als een passende bijdrage aan de gestelde hulpvraag, zoals bedoeld in artikel 2.3, lid 1 Jeugdwet. Onder e. wordt de situatie bedoeld dat jeugdige of de ouders geen medewerking verlenen aan een onderzoek ter beoordeling van het recht op een voorziening door hun informatie- en medewerkingsverplichting niet na te komen. Zie ook de toelichting onder 3.6. Een aanvraag voor een voorziening kan dan geweigerd worden. Met de eigen verantwoordelijkheid als uitgangspunt wordt, onder sub f.
gesteld dat de aanvraag voor een voorziening dient te worden afgewezen indien de jeugdige of de ouders zich (verwijtbaar) in een situatie hebben gebracht die aanleiding is voor de hulpvraag aan de gemeente, nu de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij redelijkerwijs voorzienbaar was voor de jeugdige dan wel de ouders. De toevoeging beoogt nadrukkelijk een verband te leggen tussen enerzijds de voorzienbaarheid van de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij en anderzijds de voorzienbaarheid van de maatregelen die een jeugdige of de ouders, gelet op hun eigen verantwoordelijkheid, redelijkerwijs zelf kunnen treffen. Sub f betreft een afweging in het kader van de redelijkheid. Was de situatie redelijkerwijs vermijdbaar geweest en wat had vervolgens aan in te zetten acties / maatregelen redelijkerwijs van de jeugdige en / of de ouders verwacht mogen worden. Twee vragen die in de specifieke context van de aanvraag beantwoord dienen te worden waarbij de maatschappelijke realiteit niet uit het oog verloren kan worden maar ook de kwetsbaarheid van betrokkenen. Voorbeeld: Een echtscheiding ontaart in een vreselijke vechtscheiding waarbij de kinderen van de ouders behoorlijk in de knel komen en jeugdhulp nodig is. Kan nu met een beroep op sub f een aanvraag worden afgewezen ? Nee, dat gaat te ver.
De maatschappelijke werkelijkheid is nu eenmaal dat vele huwelijken geen stand houden, niet alle aspecten rondom een echtscheiding in pais en vree beslecht kunnen worden en kinderen vervolgens – ook bij een echtscheiding die niet problematisch verloopt – in de knel kunnen komen. Ander voorbeeld: Een alleenstaande moeder vraagt de voorziening vervoer aan gerelateerd aan de voorziening dagopvang voor haar zoon van 6. De moeder vindt het, kort gezegd, teveel gedoe om haar zoon zelf weg te brengen want dan komt ze, naar eigen zeggen, te laat op haar werk. Dit terwijl de werktijden aanpasbaar zijn maar moeder geen overleg daartoe wil aangaan met haar werkgever. Kun je in een dergelijk geval met een beroep op sub f. tot afwijzing komen ?Ja, in een dergelijk geval kun je in redelijkheid afwijzen. Nog een voorbeeld: Voor een jeugdige met diagnose adhd wordt een voorziening aangevraagd gericht op training ter verbetering van de concentratie. De medicatie zoals voorgeschreven door de arts wordt door het kind niet ingenomen. Ouders kunnen aan de gemeente niet goed uitleggen waarom de medicatie niet wordt ingenomen. Is in een dergelijk geval een afwijzing aan de orde ? Dat zou wellicht kunnen, maar niet zondermeer.
Hierbij speelt ook het vraagstuk van de causaliteit: zouden de concentratie-problemen er niet zijn, indien de jeugdige de medicijnen zou innemen? Het gaat niet aan om, zonder verdergaand onderzoek
31
c.q. specifieke deskundigheid, deze vraag te beantwoorden. Dit dan nog los van de vraag waarom de ouders de medicijnen niet toedienen? Hebben ze daar een legitieme reden voor ? Sub g: De aanvraag voor een individuele voorziening wordt afgewezen indien de kosten waarvoor de voorziening wordt aangevraagd niet als noodzakelijk zijn aangemerkt ingevolge een voorliggende voorziening. Voorkomen moet immers worden dat, middels een toekenning ingevolge de Jeugdwet, landelijk beleid om bepaalde kosten niet te vergoeden van overheidswege doorkruist wordt.
HOOFDSTUK 5
HET PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)
Artikel 5.1 Regels voor pgb In plaats van een voorziening in zorg in natura (zin) kan een jeugdige of de ouders, indien zij dat wensen, een voorziening toegekend krijgen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Zie daartoe artikel 8.1.1., eerste lid, Jeugdwet. Aan deze regel ligt het principe ten grondslag dat een pgb voor mensen kan bijdragen aan het behouden van de regie over hun eigen leven. Dit betekent niet dat de gemeente zondermeer gevolg geeft aan het verzoek tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een pgb. De wetgever heeft in artikel 8.1.1, tweede lid, Jeugdwet, een drietal voorwaarden benoemd, verwerkt in het tweede lid van artikel 5.1.
a. Bekwaamheid van de jeugdige of zijn ouder: De eerste voorwaarde betreft de bekwaamheid van de jeugdige of de ouders. Allereerst wordt van een jeugdige of de ouders verwacht dat deze zelfstandig een redelijke waardering kunnen maken van hun belangen ten aanzien van de zorgvraag. Een jeugdige of de ouders kan bijvoorbeeld door de gemeente worden gevraagd duidelijk te maken welke problemen hij heeft, hoe deze zijn ontstaan en bij welke ondersteuning de jeugdige of de ouders gebaat zouden zijn. Ten tweede wordt van de jeugdige of de ouders verwacht dat deze de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze kunnen uitvoeren. Bij deze taken kan gedacht worden aan het kunnen kiezen van de (juiste) zorgverlener die in de zorgvraag voldoet (waaronder begrepen kennis dragen van de benodigde kwaliteitseisen en kunnen toetsen of de zorgverlener daaraan voldoet), het aangaan van een contract, het in de praktijk aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van een juiste administratie. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de jeugdige of de ouders getoetst, maar het oordeel van de gemeente is hierin leidend. Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden van een pgb, dan kan de gemeente het pgb weigeren. Dat is een beslissing van de gemeente waarop een jeugdige of de ouders vervolgens bezwaar kunnen maken.
Minimumleeftijd vereist? Uit de wet volgt dat iedere jeugdige – ongeacht zijn leeftijd – een voorziening kan aanvragen in de vorm van een pgb. Er zal daarom in elke casus beoordeeld moeten worden of de jeugdige in kwestie hiervoor bekwaam genoeg is. Daarbij spelen de bepalingen uit het burgerlijk wetboek rondom de handelingsbekwaamheid een rol. Wanneer de conclusie is dat de jeugdige in staat is om alle taken die horen bij het pgb zelfstandig uit te voeren, dan zal hij zelfstandig het budgetbeheer mogen uitoefenen. Uit artikel 7.3.5 lid 1 Jeugdwet zou je wellicht kunnen opmaken dat iemand die jonger is dan 16 jaar niet zelfstandig een pgb mag beheren. In dit artikel staat dat iemand van 16 jaar zelfstandig toestemming kan geven voor het verlenen van jeugdhulp en dat hij zelfstandig rechtshandelingen kan verrichten die verband houden met de jeugdhulp. Of hieraan de conclusie verbonden mag worden dat iemand jonger dan 16 jaar nooit zelfstandig een pgb kan beheren is echter niet helemaal duidelijk. Hierover is nog geen jurisprudentie. Kortom, het stellen van een absolute leeftijdsondergrens is (nog) niet aan de orde. Tot slot: De jeugdige of zijn ouders kunnen voor de uitvoering van het pgb-houderschap de hulp inroepen van derden zoals benoemd in het artikellid.
Deze hulp van een derde laat evenwel onverlet dat de aanvrager zelf verantwoordelijk blijft voor de uitvoering voor de aan het pgb verbonden taken. 32
Wanneer deze derde het pgb-beheer om wat voor reden dan ook niet goed uitvoert, is en blijft de budgethouder zelf verantwoordelijk. Dit kan er voor zorgen dat budgethouders in een kwetsbare positie terechtkomen. Dit in ogenschouw nemende is het van groot belang om bij een verzoek tot pgb waarbij een derde betrokken is, goed te kijken naar bijvoorbeeld de mate waarin de aanvrager snapt dat hij verantwoordelijk blijft als budgethouder, hoe bewust de keuze is geweest voor de specifieke derde, de onderlinge relatie, de aanwezigheid van een set heldere afspraken over de rolverdeling tussen de aanvrager en de derde. En uiteraard dienen de kennis en vaardigheden van de derde om als vertegenwoordiger op te treden beoordeeld te worden.
33
b. Motivering door de jeugdige of de ouders: De jeugdige of de ouderen dienen te motiveren dat de voorziening die wordt gelever in de vorm van zorg in natura, niet passend is. Voorbeelden hiervan zijn: de (onregelmatige) tijden van jeugdhulp, de noodzaak tot één vaste zorgverlener, specifieke wensen ten aanzien van hulpverlening. Met de argumentatie moet duidelijk worden dat de jeugdige of de ouders zich voldoende hebben georiënteerd op de voorziening in natura. Wanneer een persoon de onderbouwing in redelijkheid heeft beargumenteerd mag de gemeente de aanvraag niet weigeren. Dit geldt ook wanneer de gemeente in haar ogen een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod in natura heeft gedaan aan de jeugdige of de ouders. In deze gevallen kan de gemeente het pgb omwille van de motivering niet weigeren, mits ook wordt voldaan aan de eerste en derde voorwaarde. Uiteindelijk ligt de keuze om wel of geen beschikking af te geven bij de gemeente. Als de gemeente weigert een pgb te verstrekken, dan is dat een besluit waartegen een jeugdige of ouders in bezwaar kunnen gaan. c. Gewaarborgde kwaliteit van dienstverlening De derde en laatste voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb betreft de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp. De kwaliteit dient naar het oordeel van het college gewaarborgd te zijn.
De budgethouder heeft zelf de regie over de ondersteuning die hij met het pgb contracteert. Daarmee krijgt hij de (mede-) verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij deze zo nodig bijsturen. Het college kan op basis van deze bepaling vooraf toetsen of de kwaliteit goed is. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt de gemeente mee of de diensten in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Voor wat betreft kwaliteitseisen: zie hoofdstuk 7 van deze verordening (tekst en toelichting). Lid 3: Analoog aan zorginzet ingevolge zorg in natura, is lid 3 opgenomen. Het creëren van een bepaalde mate van grip op zorginzet wordt ook wenselijk geacht op de verstrekkingsvorm pgb in de medische verwijsroute. Het kan immers niet zo zijn dat de aanbieder zorg in natura wel gebonden is aan een bepaalde standaard en de pgb-dienstverlener vervolgens niet. Lid 4: Ingevolge artikel 8.1.1. lid 3 van de wet kan de gemeente voorwaarden stellen voor wat betreft de inzet van het sociaal netwerk bij een pgb. Middels dit artikellid heeft de gemeente dergelijke voorwaarden gesteld.
Hoewel de inzet van het sociale netwerk zeer belangrijk en waardevol is, wordt het wenselijk geacht om de (betaalde) inzet van het netwerk te beperken tot die gevallen dat de jeugdige of de ouders aantonen dat de inzet beter, efficienter en doelmatiger is dan in geval van professionele inzet. Dit artikellid c.q. deze zienswijze is ontleend aan de visie van de wetgever. Zie Kamerstukken II, 33 684, nr. 11, p. 17: “Hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk zeer waardevol vindt, acht de regering het wenselijk dat beloning daarvan met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Een gemeente kan dit het beste beoordelen in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders.“ Voor de volledige context: Pgb-dienstverlening anders dan door een professionele dienstverlener betreft particuliere inzet. Particuliere inzet omvat mede inzet door het sociaal netwerk. Voor de werking van dit lid 3 moet dus een goed onderscheid gemaakt worden tussen particuliere inzet zijnde inzet door het sociaal netwerk en particuliere inzet niet zijnde inzet door het sociaal netwerk.Voor wat betreft de definitie van het begrip sociaal netwerk: zie artikel 1.1.
Lid 5: Ter ondersteuning van de toets aan de voorwaarden in het tweede lid, is in het vierde lid bepaald dat de jeugdige of de ouders desgevraagd een pgb-plan dienen over te leggen. Uitgangspunt is dat de gemeente een pgb-plan opvraagt. In specifieke situaties, denk bijv. aan een aflopende indicatie die (ongewijzigd) gecontinueerd kan worden, kan de keuze worden gemaakt om de jeugdige en of de ouders niet opnieuw om een pgb-plan te vragen.
34
35
Lid 6: Zodra een collectieve voorziening niet meer in stand te houden zou zijn vanwege het feit dat men daarvoor massaal een persoonsgebonden budget aanvraagt, kan dat een overwegend bezwaar zijn en hoeft er geen persoonsgebonden budget voor worden toegekend. Het persoonsgebonden budget mag niet leiden tot het ondergraven van het systeem. Dit artikellid is rechtstreeks ontleend aan de Verordening maatschappelijke ondersteuning. De praktische waarde van dit artikellid voor de jeugdverordening lijkt momenteel niet aanwezig vanwege het ontbreken van collectieve voorzieningen maar dat kan, bij de doorontwikkeling van de voorzieningen jeugd, wellicht anders worden. Daarom is dit artikellid opgenomen in onderhavige verordening. Artikel 5.2 De hoogte van het pgb Dit artikel berust op artikel 2.9, onder c, van de wet. Hierin staat dat in de verordening wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Ook in de rechtspraak is de vraag over de toereikendheid van een pgb actueel. Dit blijkt bijvoorbeeld uit overweging 4.4 van de uitspraak van de CRvB 09-03-2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:982) waarin gesproken wordt over “kwalitatief goed - met zorg in natura vergelijkbare – in te kopen zorg”.
Hiermee is een inhoudelijke vergelijking beoogd tussen in casu Wmo-huishoudelijke ondersteuning in natura en Wmo-huishoudelijke ondersteuning in pgb en niet een vergelijking in geld. Voor wat betreft het pgb-tarief maken we, ingevolge lid 2, een onderscheid tussen professionele dienstverlening en particuliere inzet. In lid 3 is vervolgens bepaald dat het pgb-tarief voor de professional is gebaseerd op de door de jeugdige of de ouders aangegeven werkelijke kosten (veelal afgeleid van het pgb-plan). De maximale hoogte van een pgb wordt vervolgens evenwel begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende door het college ingekochte voorziening in natura. Uitgangspunt is dus dat het pgb niet hoger is dan de kosten van een voorziening in natura (artikel 8.1.1., vierde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de jeugdige of de ouders beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. De jeugdige of de ouders kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste dienstverlener duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.
Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen voorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Hierbij geldt nadrukkelijk ook dat het college in een concrete situatie moet onderzoeken of er aldus een inhoudelijk gelijkwaardig in te kopen dienst overblijft in vergelijking met een voorziening in natura. Dit sluit aan bij de vaste (Wmo-)jurisprudentie van de CRvB dat het college een vergewisplicht heeft om na te gaan in de concrete situatie of het eindresultaat voor de jeugdige of de ouders ook daadwerkelijk passend is. Tegelijkertijd geldt dat het college bij deze concrete toetsing van de hoogte van het te verlenen pgb voor de in te kopen dienst, bevoegd is om deze af te stemmen op de goedkoopst passende voorziening in natura . Onverkort geldt als ondergrens dat de verleende voorziening in de vorm van een pgb passend is in de concrete klantsituatie. Hieruit volgt dat het college in een concrete casus gehouden is tot een redelijke belangenafweging om zo te komen tot maatwerk, gelet op het algemene beginsel van behoorlijke bestuur van het gebod tot een redelijke belangenafweging op grond van artikel 3:4, lid 1 Awb.
Lid 4: Indien het pgb ingevolge lid 3 is gebaseerd op de kostprijs zorg in natura, vindt nadien indexering plaats van het toegekende budget gelijk aan een eventuele indexering van het tarief zorg in natura. Op deze manier houden pgb en tarief zin gelijke tred. Voor een toegekend pgb korter of gelijk aan 12 maanden vindt echter geen indexering plaats. De administratieve ballast tot wijziging van het pgb weegt niet op tegen het (beperkte) geldelijke voordeel voor de budgethouder.
36
Lid 5: Voor wat betreft de hoogte van een pgb voor particuliere inzet wordt ook uitgegaan van de werkelijke aangegeven kosten maar wordt vervolgens het maximum gerelateerd aan de Wet minimumloon (Wml). Het uurtarief bedraagt maximaal 125% van het Wml inclusief vakantietijd en vakantiegeld. Voor wat betreft begeleiding groep (uitgedrukt in dagdelen) heeft te gelden dat een dagdeel geldt als een uur. Ten aanzien van particuliere inzet waaronder mede begrepen de inzet door iemand uit het sociaal netwerk dient te worden toegelicht dat in het proces van aanvraag zoals beschreven in hoofdstuk 3 van de verordening altijd onderzocht wordt of een jeugdige of de ouders met behulp van gebruikelijke zorg, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat zijn om (deels) tot een oplossing te komen anders dan de inzet van een individuele voorziening ingevolge de Jeugdwet. Zie daartoe artikel 4.2, lid 1. Indien die mogelijkheden er (deels) niet zijn (naast de toets aan andere criteria) wordt overgegaan tot de inzet van een individuele voorziening waarbij de jeugdige of ouders hun voorkeur kunnen uitspreken voor een pgb. Bij de inzet van het pgb kan vervolgens iemand uit het sociaal netwerk worden betrokken om de diensten te leveren (tegen betaling).