12 20210624 Bestemmingsplan Zorgboerderij Broek 4 en 6, Mariahout_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. 4.9.2 Onderzoek en conclusie Aangenomen mag worden dat de uitbreiding van een bestaande zorgfunctie niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In onderhavig geval is sprake van de uitbreiding van vierkante meters aan zorgfunctie en het opheffen van de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning. Uitgaande van het 3% criterium is binnen de projectlocatie geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Derhalve hoeft voor het planvoornemen geen onderzoek inzake luchtkwaliteit te worden uitgevoerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
33
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Sonseweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatste van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.10
Flora en fauna
4.10.1 Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
34
bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het project niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 4.10.2 Onderzoek Natuurbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.2). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Strabrechtse Heide & Beuven" ligt op een afstand van ruim 12,5 kilometer. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Brabant (NNB) (figuur 4.3). Het dichtstbijzijnde NNB gebied ligt op een afstand van circa 100 meter.
Figuur 4.2: Ligging projectlocatie t.o.v. Natura 2000-gebieden
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
35
Figuur 4.3: Ligging projectlocatie t.o.v. NNB en EVZ
Het projectgebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Vanwege de geringe ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, genereert de beoogde ontwikkeling qua stikstofdepositie eveneens geen problemen. De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en typen uit Natura 2000-gebieden. Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, de uitvoering van het project niet in de weg. Soortenbescherming Onderhavig planvoornemen voorziet in de uitbreiding van het aantal vierkante meters zorgfunctie en, ter compensatie, het opheffen van de planologische mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning. Daarnaast wordt ter plaatse van Broek 6 en 6z de bestemming in overeenstemming gebracht met het feitelijke gebruik. Het projectgebied is in de bestaande situatie, buiten de bestaande en te handhaven bebouwing, ingericht als parkeerterrein en tuin met voornamelijk paden en gazon. Deze tuin wordt regelmatig gecultiveerd en het planvoornemen voorziet niet in het rooien van beplanting.
Indien het rooien van beplanting wel noodzakelijk blijkt, zal dit buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. De aanwezigheid van beschermde flora en fauna in de bestaande situatie nihil. De bestaande houtwal aan de noord- en westzijde van het projectgebied kent wel natuurlijke waarden. De houtwal is in het kader van de eerdere bestemmingswijziging en de daaraan gekoppelde landschappelijke inpassing, opgewaardeerd. Het planvoornemen voorziet in de handhaving van deze houtwal door het overnemen van de geldende groenbestemming ter plaatse.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
36
4.10.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het project.
4.11
Kabels en leidingen
Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn, naats hetgeen is aangegeven in paragraaf 4.8.2, geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
4.12
Water
4.12.1 Beleid en normstelling Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in de projectlocatie met water en water-gerelateerde aspecten wordt omgegaan. Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets.
Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie).
Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo).
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
37
Beleid waterschap De projectlocatie maakt deel uit van het stroomgebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om onderhavige projectlocatie in de gemeente Laarbeek. Het waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van het waterschap. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast. Voor wat betreft de aanwijzing van de gebieden waarvoor een vergunning voor het lozen in en afvoeren naar oppervlaktewateren is vereist, is dit ook een taak van het waterschap. Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterbeheerplan beschrijft de doelen van het Waterschap Aa en maas voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheersplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.
Keur Waterschap Aa en Maas De “Keur Waterschap Aa en Maas” bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van het Waterschap. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. De Keur van het waterschap is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2000 m², 2000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Wanneer de toename van het verhard oppervlak minder is dan 2000 m² is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. In deze gevallen is de gemeente het bevoegd gezag. Beleid provincie Noord-Brabant Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het 'Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021'. Het plan staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het document vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Brabant.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
38
De projectlocatie is volgens het Provinciaal Milieu- en Waterplan gelegen binnen het gebied dat is aangeduid als 'water in bebouwd gebied'. Vanuit het Provinciaal Milieu- en Waterplan zijn hier geen nadere eisen aan verbonden. De projectlocatie is niet gelegen in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Wel is de locatie gelegen in een boringsvrijezone met een maximale boordiepte. Gemeente Laarbeek De gemeente Laarbeek heeft een samenwerkingsverband met diverse Brabantse Peel-gemeenten. Het waterbeleid van de gemeente Laarbeek is opgenomen in “Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 20162021”. Ten aanzien van de omgang met hemelwater sluit de gemeente Laarbeek zich aan bij het beleid van het waterschap Aa en Maas. 4.12.2 Situatie projectlocatie Bestaande bebouwing en verharding In de feitelijk bestaande situatie zijn de gronden ter plaatse van de beoogde nieuwe zorgboerderij niet verhard. Planologisch is hier wel al een beheerderswoning met een oppervlakte van 250 m² en zijn bijgebouwen met een maximaal oppervlak van 100 m² toegestaan. Ter plaatse van Broek 6 en 6z zijn ruimtelijk geen wijzigingen voorzien. Grondwater De gemiddelde hoogste grondwaterstand in de omliggende gebieden van de projectlocatie bedraagt tussen de 0,40 tot 0,80 m-mv (bron: Bodematlas Provincie Brabant).
Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand en grondwaterstroming op de locatie. Oppervlaktewateren Aan de randen van de projectlocatie bevindt zich een sloot die uiteindelijk afwatert naar de A-watergang "Loop van Bosven". Deze sloot wordt in het kader van de landschappelijke inpassing en binnen de bestemming 'Groen' uitgebreid. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Het planvoornemen voorziet ter plaatse van Broek 4 in de uitbreiding van het aantal vierkante meters aan zorgfunctie en het opheffen van de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning. Planologisch is een beheerderswoning met een oppervlak van 250 m² toegestaan. De nieuwe zorgboerderij voor de beoogde woongroep zal een maximale oppervlakte krijgen van 350 m². Daarnaast is reeds 100 m² aan bijgebouwen toegestaan. Het planvoornemen voorziet niet in het aanbrengen van verharding. Het extra verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie zal dan ook maximaal 450 m² bedragen. Voor dergelijke oppervlakten aan verharding geldt vanuit het waterschap geen compensatie verplichting. Desalniettemin zijn er in het kader van de eerdere bestemmingswijziging al compenserend maatregelen in de vorm van het verbreden van de bestaande sloot, voorzien.
Ter plaatse van Broek 6 en 6z zijn geen wijzigingen voorzien die van invloed kunnen zijn op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. De gemeente Laarbeek sluit zich aan bij het beleid van het Waterschap. Op grond van het beleid van het Waterschap en gemeente hoeft er geen voorziening voor infiltratie/buffering te worden getroffen. Extreme neerslag Wateroverlast vanwege extreme buien is op het perceel voorkomen doordat er een hoogteverschil bestaat tussen de bestaande bebouwing en de omliggende infrastructuur. Extreme neerslag zal derhalve geen directe problemen veroorzaken. Materiaalgebruik Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
39
De afkoppeling van het hemelwater van het afvalwater maakt dat er in de bestaande bebouwing geen materialen gebruikt zijn of mogen worden die de grondwaterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, zoals uitlogende materialen, bijvoorbeeld zink en lood. Overige aandachtspunten Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
40
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
41
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planopzet
Wettelijk kader
Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen met als doel dergelijke plannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken.
5.2
Planonderdelen
Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing dan wel motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting.
5.3
Inhoud algemeen
Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.
5.4
Regels
De regels worden opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De regels bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het projectgebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het projectgebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
42
door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 9. Wijzigingsbevoegdheid. Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouwen gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk 'Afwijken van de bouwregels' en 'Afwijken van de gebruiksregels'. Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden.
Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels. Bestemmingen De geldende bestemmingen 'Groen - Landschapselement' en 'Maatschappelijk' ter plaatse van Broek 4 zijn overgenomen. Ook de aanduiding 'zorgboerderij' is overgenomen. De maatvoeringsaanduiding 'maximum oppervlakte: 375 m²' is komen te vervallen. Dit aangezien het planvoornemen voorziet in de uitbreiding van het aantal vierkante meters aan zorg. Ter plaatse van Broek 6 (en 6z) worden de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' vervangen door de bestemmingen 'Maatschappelijk'. Voor de bestaande gebouwen is een bouwvlak opgenomen en zijn de bestaande goot- en bouwhoogten opnieuw vastgelegd. Wonen in een bedrijfswoning is alleen toegestaan ter plaatse van het adres broek 6. Hier is een aanduiding voor opgenomen. De systematiek van de bouwregels is gewijzigd ten opzichte van de huidige systematiek. Er zullen bouwvlakken worden opgenomen ter plaatse van de bestaande bebouwing en de beoogde nieuwe bebouwing. Daarmee wordt het oppervlak aan hoofdbebouwing begrensd.
Om enige flexibiliteit te behouden krijgt het bouwvlak ter plaatse van de beoogde nieuwe zorgboerderij een groot bouwvlak. Hier wordt echter wel een maatvoeringsaanduiding opgenomen waarmee het maximaal oppervlak aan hoofdbebouwing wordt begrensd op 350 m². De bestemming 'Groen' wijzigt dus niet.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
43
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Laarbeek is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten (anterieure overeenkomst). Hiermee kunnen de gemeentelijke kosten voor het voeren van de planologische procedure en de kosten voor de openbare voorzieningen worden verhaald. Daarnaast zijn hierin ook zaken omtrent planschade vastgelegd. In paragraaf 3.3.2 is geconcludeerd dat er geen bijdrage hoeft te worden betaald in het kader van de LIR. Het is dan ook niet noodzakelijk hier iets over op te nemen in de anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Laarbeek. Voor de gemeente Laarbeek zelf zijn er aldus geen kosten verbonden aan de verwezenlijking van het plan. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het planvoornemen betreft een kleinschalige ingreep, waarbij een bestaande zorgfunctie wordt uitgebreid en de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning wordt opgeheven. De ontwikkeling komt ook niet in aanmerking om een bijdrage te doen in het kader van de landschapsinvesteringsregeling van de gemeente Laarbeek. Gelet hierop en gezien het feit dat het planvoornemen geen verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit met zich meebrengt ten opzichte van de bestaande feitelijke noch de bestaande planologische situatie, mag aangenomen worden dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
44
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
45
Hoofdstuk 7
7.1
Procedure
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten, zoals naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. 7.1.1 Provincie Noord-Brabant In deze toelichting is onderbouwd dat het planvoornemen niet in strijd is met provinciale belangen. Het bestemmingsplan is wel digitaal aangemeld bij de provincie. 7.1.2 Waterschap Aa en Maas Het planvoornemen is gelet op de ondergeschikte veranderingen voor de waterhuishouding in het kader van de watertoets niet vooraf aan de formele procedure aan het waterschap Aa en Maas aangeboden.
7.2
De te volgen procedure
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure: Ontwerp: publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro. Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad Vaststelling: vaststelling door de Raad mogelijkheid reactieve aanwijzing publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn Inwerkingtreding: na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan) Beroep: beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
7.3
Ontwerp
Overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 3.8 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd in het gemeentehuis en digitaal raadpleegbaar gesteld. Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
46
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 5 februari 2021 tot en met 18 maart 2021 voor iedereen ter inzage gelegen. Binnen deze termijn bestond de mogelijkheid om zienswijzen bij de gemeenteraad in te dienen. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door de provincie Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch en de Gasunie te Groningen. Verder is er een ambtelijke reactie binnengekomen van het waterschap Aa en Maas. Zienswijze provincie De provincie geeft aan dat er bij dit plan sprake is van een categorie 3-ontwikkeling waarbij voor de toevoeging van 475 m² aan bedrijfsgebouwen een bijdrage moet worden berekend in het kader van de landschapsinvesteringsregeling (LIR-bijdrage). In dit bestemmingspan is echter beredeneerd dat een eventuele bijdrage voor de toevoeging van een zorgwoongebouw wegvalt tegen het niet meer realiseren van een bedrijfswoning zodat er dus geen bijdrage nodig is. Zienswijze Gasunie De Gasunie heeft een viertal opmerkingen: De functieaanduiding 'zorgboerderij' valt binnen de belemmeringenstrook van de gasleiding. Dit is strijdig met het Besluit externe veiligheid buisleidingen. antwoord: De functieaanduiding is uit de belemmeringenstrook worden gehaald. Er ontbreekt een voorrangsregeling tussen de verschillende (dubbel)bestemmingen. Deze dient alsnog te worden opgenomen waarbij de bestemming 'leiding' primair geldt ten opzichte van de andere bestemmingen.
antwoord: Er is een voorrangsregeling in het bestemmingsplan opgenomen (zie 11.2). Bepaling 5.3 in het bestemmingsplan (afwijken bouwregels) dient anders te worden omschreven. antwoord: bepaling 5.3 is aangepast conform het voorstel van de gasunie. In paragraaf 4.8 van de toelichting van het bestemmingsplan is onvoldoende aandacht besteed aan de externe veiligheidsaspecten van de aardgastransportleiding hetgeen wettelijk verplicht is. antwoord: in de toelichting is een uitgebreidere uitleg gegeven over de externe veiligheidsrisico's. Er is ook een berekening uitgevoerd (zie 4.8.2) Reactie waterschap Het waterschap geeft aan dat in de toelichting wordt aangegeven dat de projectlocatie niet in een boringsvrije zone ligt. Dat is niet correct. Ten aanzien hiervan wordt opgemerkt dat de projectlocatie inderdaad in een boringsvrije zone ligt. De toelichting is hierop aangepast (zie 4.12.1) en de zone is op de verbeelding en in de bestemmingsregels (zie 9.1) van het plan opgenomen. Gelet op het feit dat de ingekomen zienswijzen/reactie aanleiding geven het plan aan te passen, dient het bestemmingsplan gewijzigd door de gemeenteraad te worden vastgesteld.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756