12 20210624 Bestemmingsplan Zorgboerderij Broek 4 en 6, Mariahout_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Laarbeek
Zorgboerderij Broek 4 en 6, Mariahout
bestemmingsplan
Laarbeek Zorgboerderij Broek 4 En 6, Mariahout bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1659.BPBGBroek4en6MH-VG01
20 december 2020
concept voorontwerp ontwerp vastgesteld
projectnummer:
21 januari 2021 2 juni 2021
20201756 projectleider:
R. Verkooijen
gecertificeerd door Lloyd's conform ISO 9001: 2008
aangesloten bij
© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Zorgboerderij Broek 4 en 6, Mariahout Laarbeek
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1659.BPBGBroek4en6MH-ON01
20 december 2020 21 januari 2021 2 juni 2021
concept ontwerp vastgesteld
projectnummer:
20201756 opdrachtleider:
R. Verkooijen
2
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging van het projectgebied
7
1.3
Geldende bestemmingsplannen
8
1.4
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2
Planvoornemen
11
2.1
Bestaande situatie
11
2.2
Gewenste situatie
11
Hoofdstuk 3
Beleidskader
15
3.1
Rijksbeleid
15
3.2
Provinciaal beleid
17
3.3
Gemeentelijk beleid
19
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
23
4.1
Algemeen
23
4.2
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling
23
4.3
Verkeer en parkeren
24
4.4
Archeologie en Cultuurhistorie
26
4.5
Bodem
27
4.6
Wegverkeerslawaai
27
4.7
Bedrijven en milieuzonering
28
4.8
Externe veiligheid
30
4.9
Luchtkwaliteit
32
4.10
Flora en fauna
33
4.11
Kabels en leidingen
36
4.12
Water
36
Hoofdstuk 5
Juridische planopzet
41
5.1
Wettelijk kader
41
5.2
Planonderdelen
41
5.3
Inhoud algemeen
41
5.4
Regels
41
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
43
6.1
Economische uitvoerbaarheid
43
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
43
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
3
Hoofdstuk 7
Procedure
45
7.1
Vooroverleg
45
7.2
De te volgen procedure
45
7.3
Ontwerp
45
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
4
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
5
Toelichting
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
6
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Bij de gemeente Laarbeek is het verzoek binnengekomen om medewerking te verlenen aan de wijziging van het geldende bestemmingsplan aan de Broek 4. Ter plaatse is reeds een zorgboerderij voor dag- en nachtverblijf toegestaan met een maximum vloeroppervlak. Daarnaast is ter plaatse ook een beheerderswoning toegestaan. Inmiddels is duidelijk dat er niet langer behoefte is aan een beheerderswoning op deze locatie. Wel zijn extra vierkante meters zorg gewenst. Om dat planologisch-juridisch mogelijk te maken dient het geldende bestemmingsplan ter plaatse dus gewijzigd te worden. Met de uitbreiding van het aantal zorgmeters bij Broek 4 wordt beoogd een afzonderlijke woongroep voor bewoners met een hoge(re) zorgindicatie te realiseren. Hier is momenteel veel behoefte aan. De planologisch toegestane beheerderswoning is nog niet gerealiseerd. In plaats van deze beheerderswoning wordt beoogd een nieuw gebouw ten behoeve van de afzonderlijke woongroep te realiseren. De nieuwe bebouwing zal daarbij wel voldoen aan de voorgeschreven maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 en 8 meter. Op het adres Broek 6 (en 6z) was voorheen een technisch hulpbedrijf aanwezig. Dit is planologisch ook zo vastgelegd door middel van de bestemming 'Bedrijf'. In de feitelijk bestaande situatie is echter geen bedrijf meer aanwezig.
De gronden zijn in het bezit van landgoed Grootenhout en worden gebruikt ten behoeve van de zorgfunctie. De bestemmingsplanwijziging aan Broek 4 is een goede aanleiding om ook ter plaatse van Broek 6 de bestemming in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik.
1.2
Ligging van het projectgebied
Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Laarbeek, zuidwestelijk van de kern Mariahout. De locatie maakt onderdeel uit van het zogenoemde gehucht Broek. Op kleine afstand, ongeveer 35 meter ten westen van de bestaande woonboerderij aan de Broek 4 is de kruising Broek/Stekkermortel gelegen. De oppervlakte van het betreffende perceel is circa 5.919 m². Het projectgebied is kadastraal bekend als gemeente Mariahout, sectie L, perceelsnummer 1083.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
8
Figuur 1.1: Luchtfoto en kadastrale kaart met begrenzing projectgebied rood omlijnd (Bron: Esri Nederland, Kadaster)
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Voor het grootste gedeelte van het plangebied geldt het wijzigingsplan 'Zorgboerderij Broek 4, Mariahout', dat door de Raad is vastgesteld op 2 februari 2016 en inmiddels onherroepelijk is. Op basis van dat bestemmingsplan gelden binnen het projectgebied 2 bestemmingen: 'Groen - Landschapselement' waarmee de, in verband met de bestemmingswijziging van destijds noodzakelijke, landschappelijke inpassing ter plaatse is vastgelegd; 'Maatschappelijk', waarmee de zorgfunctie met een maximaal oppervlak van 375 m² en een beheerderswoning mogelijk is gemaakt.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
9
Figuur 1.2: Uitsnede geldende bestemmingsplannen met projectgebied rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van Broek 6 is het bestemmingsplan 'Buitengebied', dat door de Raad is vastgesteld op 6 juli 2010. Het bestemmingsplan is vervolgens op 28 juni 2012 gedeeltelijk onherroepelijk geworden. Op basis van dit bestemmingsplan geldt ter plaatse van het perceel Broek 6 de bestemming 'Bedrijf'. De gronden hier zijn bestemd voor bedrijfsdoeleinden met bijbehorende voorzieningen. Ter plaatse geldt de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf technisch hulpbedrijf'. Twee stroken grond ter plaatse van Broek 6 zijn bestemd als 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' waarmee de (voormalige) agrarische activiteiten planologisch zijn vastgelegd. De onderdelen van het bestemmingsplan 'Buitengebied' die zijn vernietigd hebben gedeeltelijk betrekking op het projectgebied van onderhavige bestemmingsplanherziening. Ter plaatse van een klein gedeelte van het plangebied in de zuidwesthoek is het bestemmingsplan 'Buitengebied – 1e herziening' dan ook gedeeltelijk van kracht. Dat bestemmingsplan is door de raad van de gemeente Laarbeek d.d. 4 december 2013 vastgesteld. De herziening ter plaatse had betrekking op het corrigeren van de ligging van de aardgastransportleidingen. Aan de bestemming en bouwmogelijkheden is bij de herziening niets gewijzigd.
De dubbelbestemming 'Leiding' wordt in dit bestemmingsplan overgenomen.
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk zal in hoofdstuk 2 worden ingegaan op het planvoornemen. Het beleidskader zal in hoofdstuk 3 uiteen worden gezet waarna in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten. In hoofdstuk 5 wordt de juridische opzet van dit bestemmingsplan beschreven. In hoofdstuk 6 aangetoond worden dat het plan zowel economisch als maatschappelijk gezien haalbaar is. Tot slot zal in hoofdstuk 7 worden aangegeven welke procedure dit bestemmingsplan doorloopt.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
10
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
11
Hoofdstuk 2
2.1
Planvoornemen
Bestaande situatie
2.1.1 Broek 4 Het projectgebied is ter plaatse van het adres Broek 4 sinds 2016 in gebruik als zorgboerderij met een maximaal oppervlak van 375 m². Binnen de huidige bestaande bebouwing worden 14 mensen met dementie gehuisvest conform de visie zoals beschreven in Bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing. De woonboerderij heeft een grote en omheinde tuin waarin de bewoners, die intensieve zorg nodig hebben, vrij rond kunnen lopen en hun eigen ding kunnen doen, zoals kippen voeren, vegen, was ophangen, planten water geven etc. De landschappelijke inpassing, die als voorwaarde voor de wijziging naar de maatschappelijke bestemming moest worden aangelegd, is vrijwel geheel voltooid. Na realisatie van de laatste bebouwing zal deze landschappelijke inpassing worden afgerond met de aanleg van de verbrede watergang aan de noordzijde van het perceel. Zie verder ook paragraaf 2.2.1 en figuur 2.2 voor een kleine aanpassing van de groenbestemming. 2.1.2 Broek 6 In het verleden was op dit adres een technisch hulpbedrijf gesitueerd. In dat kader was hier ook de bestemming 'Bedrijf' opgenomen. De gronden zijn echter in het bezit van landgoed Grootenhout en zijn al lange tijd niet in gebruik ten behoeve van een bedrijf. De gronden worden feitelijk gebruikt in het kader van de zorgfunctie van zorgboerderij Grootenhout. Dit is echter nooit als zodanig planologisch-juridisch vastgelegd.
In de woning aan Broek 6 is een echtpaar gehuisvest. Het gebouw met huisnummer 6z is in gebruik als zorgwoning met ruimte voor maximaal 2 personen. Hier verblijft momenteel een echtpaar met dementie.
2.2
Gewenste situatie
2.2.1 Broek 4 De reden van onderhavig planvoornemen is de almaar toenemende vraag naar dag- en nachtverblijf voor dementerende ouderen. Een specifieke vraag die steeds urgenter wordt is de vraag naar andere woongroepen. Woongroepen voor mensen met een hogere zorgindicatie. Het is beter om deze mensen in een aparte woongroep te kunnen huisvesten. Dit type bewoner vraagt namelijk meer aandacht en brengt over het algemeen meer onrust teweeg binnen een woongroep wat een negatieve invloed heeft op andere bewoners. Beoogd wordt om ter plaatse van Broek 4, ter hoogte van de locatie waar eerder de beheerderswoning was voorzien, een woongroep te realiseren voor bewoners met een hogere zorgindicatie. Aangezien in de bestaande situatie de volledige 375 m² wordt benut voor de zorgfunctie, is uitbreiding van het
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
12
aantal vierkante meters gewenst. Ter compensatie wordt de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning geschrapt. Er blijkt niet langer behoefte te zijn aan de beheerderswoning. Het beheer van de zorginstelling vindt plaats via de hoofdvestiging van Landgoed Grootenhout aan Broek 14.
Figuur 2.1: Beoogde globale inrichting Broek 4 en 6 met de nieuwbouw in geel
In dit bestemmingsplan wordt niet langer uitgegaan van een maximaal oppervlak aan zorgfuncties. De bouw- en daarmee ook de gebruiksmogelijkheden, zullen worden beperkt door een op te nemen bouwvlak. De maximale goot- en bouwhoogte zullen ten opzichte van de geldende bestemming niet wijzigen. De maximale hoogten blijven respectievelijk 3,5 meter en 8 meter. De aanduiding zorgboerderij zal worden overgenomen van het geldende bestemmingsplan en is van toepassing binnen de gehele bestemming 'Maatschappelijk'. De nieuwe woongroep voor bewoners met een hogere zorgindicatie zal worden gehuisvest in een nieuw op te richten gebouw. Dit gebouw zal, geheel in de stijl van de overige bebouwing op het perceel en landgoed Grootenhout, een landelijke uitstraling krijgen. Met de situering van het nieuwe gebouw zal rekening worden gehouden met een optimale indeling van het perceel in combinatie met de noodzakelijke parkeervoorzieningen en de landschappelijke inpassing. De bouw van een zogenoemde Orangerie als bijgebouw is nog steeds gewenst. Dit gebouw zal worden opgericht bij de nieuwe hoofdbebouwing aan Broek 4 en zal in de vorm van een Orangerie een echte eyecatcher zijn. Binnen de toegestane afmetingen voor bijgebouwen (maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 3 en 5,5 meter, en maximaal 100 m²) zal de Orangerie worden gerealiseerd.
Daarbij wordt veel gebruik gemaakt van natuurlijke materialen en glas.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
13
Benadrukt wordt dat de bestemming 'Maatschappelijk' hier niet zal wijzigen. Het planvoornemen voorziet uitsluitend in de uitbreiding van het aantal vierkante meters aan zorgfunctie en het laten vervallen van de mogelijkheid voor de realisatie van een bedrijfswoning. Wel zal wat geschoven worden met de bestemmingsgrenzen van de bestemmingen 'Groen' en 'Maatschappelijk'. Door het verleggen van deze bestemmingsgrenzen kan het perceel efficiënter worden ingericht. De groenstrook aan de noordwestzijde van het plangebied zal daar waar deze 12 meter breed is, worden teruggebracht naar 8 meter. De gehele oppervlakte aan groen die hier wordt verwijderd, zal worden gecompenseerd op eigen terrein aan de noordoostzijde van het plangebied. Figuur 2.2 toont deze wijziging. De groene stippellijn toont de groenbestemming conform het geldende bestemmingsplan. Het licht groen vlak toont de beoogde groenbestemming.
Figuur 2.2: Aanpassing Groenbestemming
2.2.2 Broek 6 Ten aanzien van de bestaande feitelijke situatie zal ter plaatse van Broek 6 (en Broek 6z) niets wijzigen. Aan de aanwezige legale bebouwing wijzigt niets. De woning ter plaatse van Broek 6 wordt als zodanig gebruikt. Het voormalige bedrijfsgebouw met huisnummer 6z, van oorsprong de garage bij de woning aan Broek 6, is in gebruik als zorgwoning. Hier kunnen maximaal 2 personen met een zorgindicatie worden gehuisvest. Deze bestaande situatie is nog niet eerder planologisch vastgelegd. Bij de beoogde bestemmingsplanwijziging wordt deze feitelijke bestaande situatie alsnog planologisch en juridisch geregeld. Het planvoornemen kent hier geen ruimtelijke wijzigingen. Parkeren wordt hier reeds op eigen terrein voorzien en er wordt niets aan- of bijgebouwd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
14
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
15
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit de beleidsplannen voor de projectlocatie weergegeven, omdat deze zoals gezegd mede uitgangspunt voor het lokale maatwerk zullen zijn.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
16
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: a. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. b. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Doorwerking plangebied Het planvoornemen is, op nationaal niveau, dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van de uitbreiding van een bestaande zorgboerderij in het buitengebied van Mariahout wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10.
Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallele Kaagbaan. Het Barro bevat alleen die regels die voortkomen uit het eerdere ontwerp van de AMvB Ruimte (d.d. 2 juni 2009) en die tevens terugkomen in de SVIR. Het gaat dan om regels ter bescherming van de belangen inzake Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Er is voor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. Deze regels kunnen pas in werking treden als de wet dit provinciaal medebewind en de mogelijkheid om af te wijken van de algemene regels vastlegt. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde (nationaal belang 13) en de EHS (nationaal belang 10). Van deze laatste zullen de artikelen op een later tijdstip aan het Barro worden toegevoegd. De overige belangen vanuit de SVIR zullen in de ontwerpwijziging van het Barro terugkomen. Deze zal op een nader te bepalen tijdstip in werking treden.
Uitzondering hierop is het nationale belang inzake buisleidingen. Deze wordt eerst beschreven in de Structuurvisie buisleidingen alvorens hiervoor regels in het Barro worden opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
17
Ter plaatse van plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.1.3 Eindconclusie rijksbeleid De ontwikkelingen binnen de projectlocatie raken geen van bovenstaande rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor deze ruimtelijke onderbouwing.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving' Op 14 december 2018 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie is overheid bindend en loopt vooruit op de invoering van de Omgevingswet in 2022. In de Omgevingsvisie verwoordt de provincie haar visie op de toekomst van Brabant tot aan 2050. Centraal staan hierbij de kernwaarden die de provincie geformuleerd heeft ten aanzien van haar handelen. De kernwaarden zijn: 1. Meerwaarde-creatie; 2. Technische- en sociale innovatie; 3. Kwaliteit voor kwantiteit; 4. Steeds beter; 5. Pro-actief. Beoordeling Met de Omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het voorliggend initiatief betreft een kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal vierkante meters zorg wordt uitgebreid en de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning komt te vervallen. De bestemming 'Maatschappelijk' wordt niet gewijzigd. Deze bestemming is eerder al als passend beoordeeld en de ruimtelijke gevolgen van de beoogde aanpassing zijn nihil.
De bestemming 'Bedrijf' zal ook worden gewijzigd in de bestemming 'Maatschappelijk'. Daarmee wordt het zorgcluster ter plaatse compleet gemaakt. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant.
3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Iov N-B) is op 25 oktober 2019 vastgesteld. Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Iov N-B is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De Iov N-B is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Iov N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
18
functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Beoordeling Bevordering van ruimtelijke kwaliteit Een van de hoofdlijnen van de Verordening heeft betrekking op de ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap. Gebiedskenmerken zijn de spil van ruimtelijke kwaliteit: het gaat daarbij om het verbinden van de opgave met de plek. In de Iov is de bevordering van ruimtelijke kwaliteit concreet vertaald in twee principes: zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit behelst in hoofdzaak de regel dat de geboden ontwikkelruimte bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In het bijzonder geldt als regel het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Dat betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. Nieuw ruimtebeslag moet zo veel mogelijk voorkomen worden.
Met het planvoornemen wordt de uitbreiding van het aantal vierkante meters aan zorg mogelijk gemaakt binnen de geldende maatschappelijke bestemming. Ter compensatie wordt de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning geschrapt. Dit planvoornemen is alleen mogelijk indien het planologische regime gewijzigd wordt. In het kader van de Iov is dan ook sprake van een 'Ruimtelijke ontwikkeling". De ontwikkeling voorziet niet in nieuw ruimtebeslag. Er wordt feitelijk alleen een andere invulling gegeven aan de bebouwing die planologisch reeds is toegestaan. In plaats van een beheerderswoning wordt een nieuwe zorgwoongroep voor dementerenden met een hogere zorgindicatie gerealiseerd. In het kader van de Landschapsinvesteringsregeling van de gemeente Laarbeek (waarin het provinciale beleid is verankerd) is in het kader van het geldende bestemmingsplan 'Zorgboerderij Broek 4, Mariahout' reeds bepaald welke compenserende maatregelen er nodig waren voor de wijziging naar de maatschappelijk bestemming. Aangezien het planvoornemen nu niet voorziet in een bestemmingswijziging, zijn er geen aanvullende compenserende maatregelen noodzakelijk. Daarmee is dan ook aangetoond dat het planvoornemen voldoet aan de eisen van de provincie omtrent de bevordering van ruimtelijke kwaliteit. Landelijk gebied De projectlocatie is ook conform de Iov gelegen binnen het 'Landelijk gebied'.
Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die: a. de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; b. een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; c. kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk Gebied. Met name lid c is relevant voor dit planvoornemen. De bestaande niet-agrarische functie wordt Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
19
namelijk uitgebreid. De maatschappelijke bestemming zelf wordt uitgebreid met de wijziging van een bedrijfsbestemming naar een maatschappelijk. Het maximaal aantal vierkante meters zorg wordt binnen de bestemming maatschappelijk losgelaten. De zorgfunctie wordt binnen het projectgebied met name begrensd door de op te nemen bouwvlakken, eventueel een maximum bebouwd oppervlak binnen die bouwvlakken en de maximale goot- en bouwhoogten. Ter compensatie komt de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning aan Broek 4 te vervallen. Bij vaststelling van het geldende bestemmingsplan 'Zorgboerderij Broek 4, Mariahout' is reeds geoordeeld dat de functie passend is in de omgeving. Er worden ook geen effecten verwacht op de andere aspecten zoals mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders. Deze aspecten komen in hoofdstuk 4 aan bod. In het kader van de wijziging van de agrarische bestemming naar 'Maatschappelijk' zijn bij de vaststelling van het bestemmingsplan 'Zorgboerderij Broek 4, Mariahout' afspraken gemaakt over de compenserende maatregelen voor de realisatie van de zorgboerderij ter plaatse. Het perceel is landschappelijk ingepast conform de gemeentelijke Landschapsinvesteringsregeling en een restbedrag is overgemaakt ten behoeve van het Landschapsinvestingsfonds van de gemeente.
Voor dit planvoornemen volstaat het opheffen van de mogelijkheid voor de realisatie van de beheerderswoning als compenserende maatregel voor de uitbreiding van het aantal vierkante meters aan zorgfunctie. Voor de bestemmingswijziging aan Broek 6 van 'Bedrijf' naar 'Maatschappelijk' zijn geen compenserende maatregelen vereist. De grondwaarden van beide bestemmingen zijn namelijk gelijk. Bovendien is hier sprake van een reeds feitelijk bestaande situatie die door middel van een bestemmingsplanherziening planologisch-juridisch wordt vastgelegd. Een maatschappelijke bestemming geeft overigens minder hinder voor de omgeving dan een bedrijfsbestemming. Conclusie Geconcludeerd mag worden dat onderhavig planvoornemen voorziet in een kleinschalige ontwikkeling binnen bestaande bouwmogelijkheden. De ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van het aantal vierkante meters aan zorgfuncties en het opheffen van de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning. Aangezien er ruimtelijk geen wijzigingen zijn voorzien staat deze ontwikkeling in goede verhouding tot de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Laarbeek 2010-2020 In de structuurvisie van de gemeente Laarbeek is de visie op de verdere ontwikkeling van de gemeente Laarbeek voor de komende 10 jaar vastgelegd. Deze visie kent een bepaalde mate van globaliteit om integraal de verbanden tussen de gewenste ontwikkeling in beeld te kunnen brengen. Eenmaal tot stand gekomen vormt de visie voor het bestuur en de raad het uitgangspunt voor de afweging bij elke belangrijke ruimtelijke beslissing en voor de inzet van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten zoals bestemmingsplannen en de inzet van menskracht. Het betreft geen dichtgetimmerd eindplan, maar het vertrekpunt van de gemeente voor gesprekken met andere overheden, marktpartijen en partners om ontwikkelingen en investeringen in de gemeente te initiëren.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
20
Figuur 3.1: Uitsnede visiekaart Structuurvisie Laarbeek 2010-2020 De visiekaart geeft voor de projectlocatie geen directe ambitie aan. Wel is de projectlocatie gelegen in de directe nabijheid van een 'Robuuste ecologische verbinding'. Het Laarbeekse deel van de robuuste ecologische verbinding tussen de Strabrechtse Heide en het Groene Woud ligt direct ten zuiden van de projectlocatie. De uitbreiding van de zorgfunctie binnen de maatschappelijke bestemming van een bestaande zorgboerderij heeft geen invloed op de ontwikkeling van de robuuste ecologisch verbindingszone.
3.3.2 Landschapinvesteringsregeling In de Iov zijn regels vastgelegd die de belangen van de provincie bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten beschermen. Met deze regels moet bij de opstelling van bestemmingsplannen rekening worden gehouden. In de Iov wordt verplicht gesteld dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied bij moeten dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. Dit is echter met name bedoeld voor ontwikkeling waarbij bebouwing wordt toegevoegd of op een andere manier gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. Het planvoornemen heeft geen gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit aangezien uitsluitend wordt voorzien de uitbreiding van het aantal vierkante meters aan zorgfunctie en het opheffen van de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning. De zogenaamde landschapsinvesteringsregeling (LIR) is van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking kan worden verleend. De verplichting om de kwaliteit te verbeteren komt bovenop de 'basis'-verplichting om te zorgen voor de (handhaving) van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. Op grond van de Vr 2014 worden de volgende investeringen beschouwd als investeringen in de Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
21
kwaliteit van het landschap: 1. de kwaliteit van bodem/water/natuur/landschap/cultuurhistorie; 2. in extensieve recreatieve mogelijkheden. Een gemeente kan er voor kiezen om per ontwikkeling te onderbouwen hoe met de LIR wordt omgegaan en per ontwikkeling overleg te hebben met de provincie of met deze onderbouwing kan worden ingestemd. Er kan ook voor worden gekozen om vooraf vast te leggen hoe in het algemeen met de LIR wordt omgegaan, deze algemene omgang af te stemmen met de provincie en vervolgens bestemmingsplannen overeenkomstig deze algemene werkwijze op te stellen. Dit laatste heeft als voordeel dat vooraf in het overgrote deel van de gevallen voor de initiatiefnemers duidelijk is welke bijdrage vanuit de ontwikkeling moet worden gedaan en dat hierover overeenstemming bestaat met de provincie. Daarmee worden onnodige planontwikkelingskosten voorkomen, omdat niet eerst sprake moet zijn van een volledige uitgewerkt plan voordat op dit onderdeel duidelijkheid ontstaat ten aanzien van de haalbaarheid. De gemeente Laarbeek heeft voor de laatste mogelijkheid gekozen en daartoe de LIR gemeente Laarbeek op 2 oktober 2012 vastgesteld.
In het kader van de bestemmingsplanwijziging zoals vastgelegd in het geldende bestemmingsplan 'Zorgboerderij Broek 4, Mariahout' heeft landschappelijke inpassing al plaatsgevonden en is al een bedrag overgemaakt naar het landschapsinvesteringsfonds van de gemeente Laarbeek. Voor onderhavige kleinschalige ontwikkeling is, in overleg met de gemeente Laarbeek bepaald dat deze ontwikkeling valt binnen categorie 1 van de LIR: Dit zijn ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen. Dit geldt zowel voor de planologische wijzigingen ter plaatse van Broek 4 als ter plaatse van Broek 6 en 6z. Binnen categorie 1 vallen onder andere kleinschalige ontwikkelingen die plaatsvinden binnen bestaande en/of binnen de vigerende planologische regeling passende bebouwing. Hiertoe behoren onder meer aan huis gebonden beroepen en bedrijven, huisvesting van seizoensarbeiders en reclasseringsjongeren, bed & breakfast, (recreatieve) nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten voor zover dit alles gerealiseerd wordt binnen de bestaande bebouwing en/of vigerende bouwregeling. Het planvoornemen past binnen deze beschrijving en voldoet aan de LIR van de gemeente Laarbeek.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
22
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
23
Hoofdstuk 4
4.1
Sectorale aspecten
Algemeen
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Laarbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.
4.2
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de plicht om een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen waardoor toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de hiervoor beschreven omstandigheden uit bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van onderhavige ruimtelijke onderbouwing, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten.
Hieruit zijn geen bezwaren gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Bovendien kan worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief geen stedelijke ontwikkeling in het kader van de MER betreft. Het planvoornemen heeft namelijk uitsluitend betrekking op een functiewijziging binnen de bestaande bebouwing. Er wordt geen bebouwing toegevoegd. Ten aanzien van de planm.e.r.-plicht, geldt dat bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is vanwege de beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling en ruime afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (ruim 14 kilometer). Omdat geen passende beoordeling noodzakelijk is, hoeft ook geen planm.e.r. te worden opgesteld.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
24
4.3
Verkeer en parkeren
4.3.1 Broek 4 De bestaande zorgboerderij aan Broek 4 wordt feitelijk ontsloten via de Stekkermortel aan de zuidwestzijde van het projectgebied. Ten opzichte van de bestaande situatie wordt in de nieuwe situatie slechts een beperkte aantrekkende werking verwacht. In de bestaande situatie maken maximaal 14 bewoners gebruik van de zorgfaciliteit. Met de uitbreiding van de zorgfunctie kunnen nog eens maximaal 10 bewoners worden gehuisvest. Aangezien het hier bewoners betreffen met een hogere zorgindicatie, worden er zeer beperkt extra verkeersbewegingen verwacht. Deze bewoners blijven bij voorkeur op een vaste locatie waar structuur en regelmaat belangrijke uitgangspunten zijn. Zij worden dan ook niet of slechts sporadisch opgehaald voor activiteiten buiten het complex. De meeste verkeersaantrekkende werking zal dan ook vanuit de bezoekers van de bewoners komen. Gezien de bestaande inrichting van het terrein alsmede van de Stekkermortel en de capaciteit van die weg, mag aangenomen worden dat de geringe toename van het verkeer geen belemmering vormt voor de verkeersafwikkeling ter plaatse. Het beoogde nieuwe gebouw zal gebruikt worden door maximaal 10 personen. Het dagverblijf zal door dezelfde personen worden gebruikt. Het aantal van 10 bewoners is dan ook aangehouden bij het berekenen van het aantal noodzakelijke parkeerplaatsen.
Aangezien de bewoners allemaal gebracht en gehaald moeten worden is een parkeerruimte wenselijk. Voor de (mantel)verzorgers zal er eveneens parkeergelegenheid moeten zijn. Ter plaatse is, conform het landschappelijke inpassingsplan reeds een ruime parkeergelegenheid aanwezig. Dit parkeerterrein biedt ruimte voor het parkeren van 10 auto's. De parkeerkeergelegenheid kan eenvoudig gespiegeld worden aan de andere zijde van de bestaande ontsluitingsweg. Een andere optie is om parkeervoorzieningen te realiseren aan de Stekkermortel. Feit is dat binnen het projectgebied voldoende ruimte aanwezig is om aan de hierna berekende parkeerbehoefte te kunnen voldoen. De ontsluiting van deze parkeergelegenheid vindt via de Stekkermortel plaatsvinden die op zijn beurt ontsluit op Broek. Ook het bevoorraden zal via deze inrit plaatsvinden. CROW geeft in de categorie 'wonen' kencijfers voor serviceflats. Serviceflats worden door het CROW omschreven als zelfstandige woningen met een beperkte zorgvoorziening. Dat is bij deze zorgboerderij niet het geval, omdat het gaat om bewoners met een hogere zorgindicatie die zelf geen auto bezitten. Parkeerplaatsen zijn alleen nodig voor het halen en brengen, voor personeel en voor overige bezoekers. Het past daarom beter om aan te sluiten bij het CROW kencijfer in de categorie 'gezondheidszorg – verpleeg- en verzorgingstehuis'.
Dat kencijfer bedraagt maximaal 0,7 per wooneenheid, inclusief parkeren voor personeel en bezoekers. Op basis van dat kencijfer zijn er 17 parkeerplaatsen nodig (24 kamers * 0,7 per wooneenheid).
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
25
Figuur 4.1: beoogde inrichting met 18 pp + 3 pp aan Broek 6
Bij het CROW-kencijfer staat wel vermeld dat voor deze functie alleen globale parkeerkencijfers worden gegeven en bij het toepassen van de cijfers een forse marge in acht moet worden genomen. De initiatiefnemer verwacht dat er op het maatgevende moment 12 parkeerplaatsen nodig zijn voor het halen en brengen van bewoners, 4 parkeerplaatsen voor het personeel en 2 parkeerplaatsen voor overige bezoekers. Dit aantal van in totaal 18 parkeerplaatsen wordt op eigen terrein gerealiseerd en is voldoende om te voorzien in de behoefte van de zorgvoorziening.
4.3.2 Broek 6 Voor Broek 6 (en 6z) geldt dat parkeren hier reeds op eigen terrein plaatsvindt. Voor de (beheerders)woning wordt uitgegaan van een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Voor de zorgfunctie met maximaal 2 bewoners geldt een parkeernorm van 0,7 parkeerplaatsen per persoon inclusief bezoekersparkeren. De totale parkeerbehoefte komt hier dus neer op (afgerond) 3 parkeerplaatsen. Op het perceel is voldoende ruimte om dit aantal parkeerplaatsen te realiseren.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
26
4.4
Archeologie en Cultuurhistorie
4.4.1 Archeologie Bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden. Dit geldt voornamelijk voor plannen waarbij de grond wordt geroerd. Aangezien het planvoornemen niet voorziet in graafwerkzaamheden en uitsluitend in een inpandige functiewijziging, is het niet noodzakelijk om de projectlocatie te onderzoeken op eventuele aanwezigheid van archeologische waarden.
Figuur 4.1: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Laarbeek
Het projectgebied is op de Archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek aangeduid als gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij esdek en agrarisch bestemde gronden. Het planvoornemen voorziet ter plaatse van Broek 4 in de realisatie van een nieuw gebouw voor de huisvesting van mensen met dementie. Dit nieuwe gebouw komt in plaats van de eerder beoogde beheerderswoning. Die beheerderswoning zou een maximaal vloeroppervlak van 250 m² krijgen. De beoogde nieuwe bebouwing voor de huisvesting van mensen met dementie zal een maximale oppervlakte van 350 m² krijgen. De oppervlakte van de Orangerie zal maximaal 100 m² bedragen. In totaal zal dus 450 m² aan bebouwing worden toegevoegd. Daarmee blijft de bodemingreep van onderhavig planvoornemen beneden de grens van 500 m².
Bovendien is het niet aannemelijk dat de bodemingrepen dieper zullen reiken dan 50 cm onder maaiveld. Het is dan ook niet noodzakelijk om ter plaatse een archeologisch onderzoek uit te laten voeren.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
27
Ter plaatse van Broek 6 zijn geen grondwerkzaamheden voorzien.
4.4.2 Cultuurhistorie De Cultuurhistorische Waardenkaart (provincie Noord-Brabant) geeft inzicht in de actuele en potentiële cultuurhistorische en archeologische waarden in de gemeente Laarbeek. Deze hangen onder andere samen met de wijze van ontginning. Op de cultuurhistorische waardenkaart is de bestaande woonboerderij waar het nachtverblijf ten behoeve van de huidige zorgboerderij plaatsvindt, opgenomen als boerderij met cultuurhistorische waarde, niet zijnde een monument. Zowel de Stekkermortel als Broek zijn opgenomen als historische lijn van redelijk hoge waarde. Ter plaatse van het nieuwe gebouw zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Het planvoornemen heeft geen invloed op de boerderij met cultuurhistorische waarden en heeft ook geen invloed op de historische lijnen in de directe nabijheid. Met het onderhavige planvoornemen zullen de cultuurhistorische waarden dan ook niet worden aangetast.
4.5
Bodem
In artikel 2.4.1, lid 1 van de Bouwverordening is bepaald dat een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. In het kader van het geldende bestemmingsplan 'Zorgboerderij Broek 4, Mariahout', waarbij de bestemming is gewijzigd van 'Agrarisch' naar 'Maatschappelijk', is door middel van een verkennend bodemonderzoek aangetoond dat de gronden geschikt zijn voor het maatschappelijke gebruik. Het planvoornemen voorziet niet in de wijziging van het hoofdgebruik ter plaatse. De geldende bestemming 'Maatschappelijk' wordt dan ook niet gewijzigd. Onderzoek naar de bodemkwaliteit ter plaatse is dan ook niet noodzakelijk. De gronden ter plaatse van Broek 6 (en 6z) zullen worden gewijzigd van 'Bedrijf' naar 'Maatschappelijk'. Bij overdracht van de gronden naar de huidige eigenaar is een schone grond verklaring ondertekend en is inzichtelijk gemaakt dat er geen bodemverontreiniging aanwezig is. Bovendien zijn de gronden reeds lange tijd in gebruik voor de maatschappelijk functie. De kwaliteit van de bodem ter plaatse behoeft dan ook geen nader onderzoek.
4.6
Wegverkeerslawaai
4.6.1 Beleid en normstelling Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een geluidsgevoelig object mogelijk wordt gemaakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
28
4.6.2 Onderzoek Het planvoornemen voorziet in het realiseren van een geluidgevoelig object aangezien er bewoners zullen overnachten. In de feitelijk bestaande situatie is ter plaatse geen bebouwing aanwezig. Feitelijk wordt hier dan ook een nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt. Het projectgebied is gelegen aan de wegen Broek en Stekkermortel. De straat Broek is ter plaatse ingericht als 60- km/uur weg. De afstand van het nieuwe gebouw aan Broek 4 tot de weg Broek bedraagt ruim 40 meter. Tussen de betreffende weg en de boogde locatie van het nieuwe gebouw is afschermende bebouwing aanwezig ter plaatse van Broek 6 en 6z. De verkeersintensiteit op de weg Broek is laag. De weg wordt voornamelijk gebruikt door bewoners van het buitengebied van Laarbeek. Het betreft hier dus geen doorgaande route. Ook het feit dat er andere woningen (Broek 2/2a, 10) en de bestaande zorgboerderij aan Broek 4 op veel kortere afstand van Broek zijn gelegen, toont aan dat de woonkwaliteit hier niet wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de weg. Ter plaatse van het dag/nacht verblijf is dan ook geen sprake van geluidsoverlast. Ook voor Stekkermortel geldt een 60 km/uur regime. Een groot deel van deze weg is niet verhard hetgeen erop wijst dat in de praktijk geen sprake is van een 60 km/uur weg.
Bovendien is de verkeersintensiteit op deze weg dermate laag dat verharden van de weg blijkbaar geen noodzaak is. De afstand van beoogde nieuwe bebouwing en de weg Stekkermortel bedraagt ruim 15 meter. Door middel van de Stekkermortel wordt slechts een klein deel van het buitengebied ontsloten en er zijn aan de straat slechts enkele bedrijven en woningen gelegen. Dat toont aan dat de verkeersintensiteit hier zo laag is, dat hier geen sprake kan zijn van geluidsoverlast. Ook het feit dat er andere woningen op kortere afstand van de Stekkermortel zijn gelegen (Stekkermortel 1 bijvoorbeeld), toont aan dat de woonkwaliteit hier niet wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de weg. Op basis van deze afstand tot de weg, gecombineerd met de maximale snelheid plus de lage verkeersintensiteit ter plaatse, kan geconcludeerd worden dat ter plaatse geen geluidhinder als gevolg van wegverkeer aanwezig is. Ter plaatse van Broek 6 is sprake van een bestaande situatie. Hier worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Bovendien is ter plaatse geen sprake van geluidsoverlast. De huidige opstallen zijn voorzien van goede geluidsisolatie. Akoestisch onderzoek is hier dan ook niet noodzakelijk.
4.6.3 Conclusie Op basis van de afstand tot de weg, gecombineerd met de maximale snelheid plus aanwezigheid van woningen in de nabijheid die zijn gelegen op kortere afstand tot de Stekkermortel en Broek, kan geconcludeerd worden dat ter plaatse geen geluidhinder als gevolg van wegverkeer aanwezig is.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder door omliggende bedrijven op milieugevoelige functies. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van milieugevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. In deze publicatie is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. Alle bedrijven die in de buurt van de planlocatie liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand. Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
29
4.7.2 Onderzoek Het projectgebied ligt in een deel van het buitengebied waar gemengde functies voorkomen. Zo zijn er agrarische bedrijven aanwezig alsmede een bestaande zorgboerderij en woningen. Op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering kan het planvoornemen het best worden onderverdeeld in de groep Gezondheids- en welzijnszorg. Het planvoornemen kan qua activiteiten waarschijnlijk het best worden vergeleken met een 'verzorgingshuis'. Dergelijke activiteiten vallen onder milieucategorie 2 met een grootst aan te houden afstand van 30 meter tot milieugevoelige objecten. Dit betreft echter een richtafstand. In gemengde gebieden (waar in onderhavige situatie sprake van is) kan de aan te houden afstand met 1 stap worden verkleind naar 10 meter. Het planvoornemen voldoet hieraan. De dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning ligt aan de Stekkermortel 1 op een afstand van ruim 20 meter vanaf de beoogde nieuwe bebouwing. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Ten zuidoosten van de projectlocatie geldt ter plaatse van het adres Broek 6 (en 6z) de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'technisch hulpbedrijf'. In de feitelijk bestaande situatie is ter plaatse geen bedrijf meer aanwezig en het perceel is in eigendom van initiatiefnemers. Dit zal ook zo meegenomen worden in dit bestemmingsplan.
Deze bedrijfsbestemming vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe zorggroep aan de Broek 4. Op circa 80 meter ten westen van de bestaande woonboerderij ligt eveneens een zorgboerderij. Deze activiteit is dus ook aan te merken als een milieugevoelige functie (categorie 2). De afstand tot deze zorgboerderij is echter voldoende groot. Deze zorgboerderij is dan ook niet van invloed op onderhavig planvoornemen. Het agrarische bedrijf aan de Broek 14 betreft een paardenfokkerij en valt onder de milieucategorie 3.1. De aan te houden afstand tot milieugevoelige bestemmingen (gemengd gebied) bedraagt 30 meter. De afstand vanaf de paardenstallen tot het projectgebied is ruim 30 meter. De afstand van de paardenstallen tot de nieuwe beheerderswoning is zelfs ruim 50 meter. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van de paardenfokkerij. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen. Een zorgboerderij wordt niet specifiek in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering genoemd. Een dergelijke functie is vergelijkbaar met een 'verpleeghuis' waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter in rustig buitengebied. De dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning ligt aan de Stekkermortel 1 op een afstand van ruim 20 meter vanaf de beoogde nieuwe bebouwing.
Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Verder zijn in de omgeving geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van het projectgebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
30
4.7.3 Geurhinder agrarische bedrijvigheid Het relevante aspect met betrekking tot veehouderijbedrijven is de eventuele geurhinder. De Wet geurhinder veehouderijbedrijven (Wgv) beschouwd een bedrijfswoning als geurgevoelig object in relatie tot de eventuele hinder van veehouderijbedrijven. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt op ruim 300 meter afstand tot het projectgebied aan de Knapersven 36-38. Aangezien op kortere afstand van deze intensieve veehouderij reeds reguliere woningen aanwezig zijn (kleinste afstand vanaf inrichtingsgrens tot woning aan Knapersven 9 en 13 bedraagt respectievelijk 16 en 45 meter) en ter plaatse van de projectlocatie reeds maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een zorgboerderij aanwezig is waarmee het bedrijf rekening moet houden, zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de andere kant mogen ook de bestaande veehouderijen niet in hun ontwikkeling worden geschaad. Het planvoornemen betreft de uitbreiding van een zorgboerderij en het opheffen van de mogelijkheid voor de realisatie van een beheerderswoning. De bestaande zorgboerderij op het perceel is op kortere afstand tot de intensieve veehouderij gelegen als de beoogde nieuwe zorgboerderij. Er komen dan ook geen geurgevoelige objecten dichterbij de omliggende veehouderijen te liggen.
Bovendien is de beoogde functie op aanzienlijk grotere afstand tot de veehouderijen gelegen dan de woningen aan Knapersven. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van de belangen van de veehouderijen. Het aspect “milieuzonering” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van een goed woon-, en leefklimaat en bestaande bedrijven worden niet in hun belangen geschaad. 4.7.4 Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Beleid en normstelling Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. 4.8.2 Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de nabije omgeving van het projectgebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Daarnaast worden geen gevaarlijkste stoffen vervoerd over de weg, water of spoor. Parallel aan de Stekkermortel, ten zuidwesten van het projectgebied, is een aardgasleiding aanwezig. Dit betreft een gasleiding van 368 mm dik, een wanddikte van 8 mm en een maximale werkdruk van 40 bar. De buisleiding is gelegen op circa 93 cm beneden maaiveld. De leiding ligt niet binnen het projectgebied. Wel is de 5-meter zone van de leiding gedeeltelijk binnen het projectgebied gelegen.
In dat kader is voor het planvoornemen dan ook een risicoberekening van de gasleiding uitgevoerd. De rapportage van de berekening is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting. De berekeningen hebben geleid tot de volgende conclusies. Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
31
Plaatsgebonden risico De berekeningen hebben niet geleid tot een PR 10-6 -contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Groepsrisico Het groepsrisico van de aardgasleidingen A-521 en Z-544-01 is in zowel de huidige als toekomstige situatie lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Om inzicht te krijgen in de verandering van het groepsrisico bij een (veel) groter aantal aanwezigen in het plangebied, is ook nog een aanvullende berekening uitgevoerd met 200 aanwezigen. Dit levert een toename op maar het groepsrisico blijft onder de 10% van de oriëntatiewaarde. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via Broek en Stekkermortel.
Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Mariahout. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal een woongroep voor bewoners met een hogere zorgindicatie gerealiseerd worden. De aanwezigen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De begeleiders van de woongroep zijn 24 uur per dag aanwezig, zij zullen de bewoners begeleiden bij een incident. Het personeel dient derhalve geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een ongeval. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen.
Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Belemmeringenstrook De planlocatie ligt op ongeveer 2 m van het hart van buisleiding Z-544-01 en daarmee gedeeltelijk binnen de belemmeringenstrook van 4 m. Er worden geen bouwwerken in de belemmeringenstrook opgericht. De planlocatie ligt ruimschoots buiten de belemmeringenstrook van buisleiding A-521. 4.8.3 Conclusie Het aspect Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Rho adviseurs voor leefruimte
20201756
32
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.9 weergegeven. Tabel 4.9: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide jaargemiddelde 40 µg/m³ (NO2 ) concentratie fijn stof (PM10 ) jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24-uurgemiddelde max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ concentratie fijn stof (PM2,5 ) jaargemiddelde 25 µg /m³ concentratie Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.