CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

11 20250508 Bijlage H Verordeningen met wijzigingen bijhouden

Raadsvergadering 8 mei 2025, gemeente LaarbeekBij agendapunt: B Voorstel tot vaststelling van beleidsneutrale actualisatie verordeningen fysieke leefomgeving40.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

ARTIKEL 15: Bescherming gemeentebomen 1. Het is verboden om bomen in eigendom van de gemeente: a. te beschadigen, te bekladden of te beplakken; b. daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken. 2. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van Burgemeester of wethouders één of meer voorwerpen in of aan een gemeentelijke boom aan te brengen of anderszins te bevestigen. ARTIKEL 16: Strafbepaling 1. Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in artikel 14, eerste lid is gegeven, is gehouden dienovereenkomstig te handelen. 5

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021 2.

Hij die handelt in strijd met het bij of krachtens artikel 14, tweede lid, artikel 15, eerste en tweede lid bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke beoordeling op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde.

ARTIKEL 17: Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van Burgemeester en wethouders of Burgemeester aangewezen personen. ARTIKEL 18: Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van 1. bekendmaking. op 1 oktober 2021 2. Op dat tijdstip wordt de op 11 9 december september 2014 2021 vastgestelde Bomenverordening Laarbeek 20152021, ingetrokken. ARTIKEL 19: Overgangsbepaling 1. De vergunningen of ontheffingen die verleend zijn krachtens de in het vorige artikel, tweede lid, genoemde verordening, blijven van kracht tot de tijd waarvoor zij verleend werden verstreken is, of totdat zij worden ingetrokken. 2. Aanvragen om vergunning of ontheffing die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld volgens het recht zoals dat gold vóór het tijdstip waarop deze verordening in werking is getreden. ARTIKEL 20: Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: Bomenverordening Laarbeek 20252021. 2. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van [invullen] 9 september 2021.

De raad van de gemeente Laarbeek, medewerker beleid en projecten

de burgemees ter van Laarbeek

6

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021

J. van den Berg

F.L.J. van der Meijden

7

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021

APPENDIX: BIJDRAGEREGELING WAARDEVOLLE BOMEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A VAN DE BOMENVERORDENING LAARBEEK 2021

ARTIKEL 1: Bijdrageregeling waardevolle bomen 1. Burgemeester en wethouders kunnen een bijdrage verlenen in de kosten van maatregelen, die noodzakelijk zijn voor het duurzaam instandhouden van een waardevolle boom. 2. Onder duurzame maatregelen, als bedoeld in het eerste lid, zijn in elk geval begrepen: a. het onderzoek naar de kwaliteit van de waardevolle boom en de groeiplaats; b. structurele groeiplaatsverbetering; c. bescherming van de groeiplaats; d. snoeiwerkzaamheden; e. kroonverankering; f. uitrasteren van de waardevolle boom. 3. De bijdrage kan worden verleend aan: a. de eigenaar van de grond waarop zich de waardevolle boom bevindt, met uitzondering van overheden, natuurbeschermingsorganisaties en andere publiekrechtelijke lichamen; b. een natuurlijk of rechtspersoon die krachtens een persoonlijk of zakelijk recht het feitelijke gebruik heeft van de grond waarop zich de waardevolle boom bevindt. 4. Burgemeester en wethouders kunnen, naast het in het eerste en tweede lid van dit artikel bepaalde, diensten verlenen voor het onderhoud en de instandhouding van een waardevolle boom. Desgewenst kunnen zij hiervoor een schriftelijke, meerjarige overeenkomst sluiten. ARTIKEL 2: Procedure bijdrageregeling waardevolle bomen 1.

Een aanvraag om een bijdrage of dienstverlening als bedoeld in het eerste lid, respectievelijk vierde lid van artikel 1 moet schriftelijk worden ingediend bij Burgemeester en wethouders. 2. De aanvraag dient ondertekend te zijn door zowel de eigenaar als de gebruiker van de grond waarop zich de waardevolle boom bevindt. 3. De bijdrage wordt slechts verleend indien een begroting van de kosten, opgesteld door een deskundig boomverzorger dan wel door de gemeente, wordt bijgevoegd en vooraf door Burgemeester en wethouders is goedgekeurd. 4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere voorwaarden stellen aan vorm en inhoud van de aanvraag en de aanvraagprocedure. ARTIKEL 3: Hoogte van de bijdrage 1. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks de bijdragen vast voor de in artikel 1 bedoelde maatregelen. Zij kunnen een maximumbijdrage vaststellen voor de maatregelen te verrichten aan één waardevolle boom. 2. De bijdrage wordt alleen toegekend voor de kosten, die vooraf door Burgemeester en wethouders zijn goedgekeurd. 3. De bijdrage wordt verleend onder de voorwaarden dat: a. de maatregelen worden uitgevoerd door een deskundig boomverzorger; b. de maatregelen binnen 1 jaar na toekenning worden uitgevoerd; c. de waardevolle boom in alle opzichten behoorlijk in stand wordt gehouden en zich kan ontwikkelen. 4.

Aan het verlenen van de bijdrage kunnen door Burgemeester en wethouders nadere voorwaarden worden gesteld. ARTIKEL 4: Uitbetaling bijdrage 8

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021 De bijdrage wordt uitbetaald indien: a. Burgemeester en wethouders is gebleken dat de maatregelen naar behoren zijn uitgevoerd; b. binnen uiterlijk 15 maanden na toekenning van de bijdrage de rekening van de boomverzorger is overgelegd.

ARTIKEL 5: Het vervallen van de bijdrage 1. De toekenning van de bijdrage vervalt, zodra: a. degene aan wie de bijdrage is toegekend ophoudt eigenaar te zijn of anderszins onbevoegd wordt over de waardevolle boom te beschikken; b. de houtopstand teniet is gegaan; c. niet wordt voldaan aan de bepalingen van deze bijdrageregeling; d. niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij toekenning van de bijdrage; e. de eigenaar een privaatrechtelijke rechtspersoon is, die ontbonden wordt. 2. Ingeval het eigendom van de waardevolle boom gedeeltelijk overgaat of de waardevolle boom gedeeltelijk teniet gaat, bepalen Burgemeester en wethouders of en in hoeverre voor het overblijvende deel van de waardevolle boom verdere verlening van de bijdrage plaatsvindt.

9

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021

BOMENVERORDENING LAARBEEK 2021 TOELICHTING ARTIKELSGEWIJS ARTIKEL 1: Begripsomschrijvingen a. boom Afbakening van het begrip boom is van belang in verband met het aangeven van de ondergrens van de bescherming. Het betreft zowel vitaal als afgestorven houtachtig gewas. Hiermee kan voorkomen worden dat een kwaadwillende boomeigenaar er voor zorgt dat een gezonde boom dood gaat of `bij vergissing´ een gezonde boom kapt. Het kan tevens wenselijk zijn om dode bomen te bewaren vanwege hun ecologisch waardevolle functies of omdat er wettelijk beschermde diersoorten in nestelen. Door de minimale doorsnede en de meerstammigheid kunnen zeer oude struiken ook juridisch beschermd zijn. b. houtopstand Een kernbegrip van deze verordening, waarop het kapverbod en de omgevingsvergunningplicht van toepassing zijn. Door dit begrip centraal te stellen indien sprake is van omgevingsvergunningplichtige bomen, boomvormers of andere houtachtige gewassen wordt duidelijk dat de bescherming in dat geval betrekking heeft op meer dan bomen alleen. boomvormers. Een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een boomachtige struik. In het alledaagse spraakgebruik heeft een boom één of slechts enkele stammen.

In de natuur bestaat er echter een geleidelijke overgang: heester - struik - struikachtige boom - (meerstammige) boom. h. beschermde houtopstand Een houtopstand is beschermd indien daarop het kapverbod van deze verordening van toepassing is. Dit betreffen onder andere de beschermde houtopstanden van de Groene Kaart maar ook gemeentelijke bomen met een doorsnede van meer dan 10 cm. Tevens zijn houtopstanden die zijn aangeplant in het kader van een herplantplicht en houtopstanden die zijn aangeplant door middel van een overeenkomst met een overheidsorgaan beschermd door middel van het kapverbod. i. Groene Kaart Er is bewust gekozen voor een (digitale) topografische kaart en niet alleen voor een register van beschermde houtopstanden. Een kaart zorgt voor een coherent geheel (groene verbindingen vallen eerder op). De Groene Kaart met het bijbehorend register zorgt voor meer structuurbescherming en ook voor betere randvoorwaarden voor ruimtelijke (groene) inrichting dan alleen een lijst met beschermde houtopstanden. Een Groene Kaart sluit bovendien goed aan bij de systematiek van andere ruimtelijke instrumenten en daardoor is integraal omgevingsbeleid eenvoudiger te realiseren. j. vellen Elke wijze van het te gronde richten van een houtopstand ongeacht of dit gedeeltelijk is, bijvoorbeeld bij kappen, of volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen).

Ook ingrepen die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume, vallen onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon tegen te kunnen gaan. Het instandhouden door periodieke snoei van de door kandelaberen of knotten ontstane kroonvorm is niet ontheffing- of omgevingsvergunningplichtig. De eerste keer kandelaberen of knotten is wel ontheffing- of omgevingsvergunningplichtig. Het verwijderen van hoofdwortels, waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de houtopstand ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip vellen. Door de verordening ook van toepassing te laten zijn op het ernstig beschadigen of ontsieren van samengestelde verschijningsvormen, worden

10

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021 grootschalige ingrepen in omgevingsvergunningplichtig.

een

houtopstand

eveneens

ontheffing-

of

l. boomwaarde De richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen en houtige gewassen (NVTB, Postbus 683, 7300 AK Apeldoorn, tel. 055-5999449) voor de monetaire boomwaarde worden jaarlijks vastgesteld aan de hand van de prijsindexcijfers van het CBS, marktprijsgemiddelden en andere kengetallen. De richtlijnen gelden als de meest deskundige methodiek voor de wijze van vaststellen van de geldwaarde van bomen en worden in de rechtspraak erkend. Het spreekt overigens voor zich dat beschermde houtopstanden ook vele andere waarden dan monetaire waarde kunnen vertegenwoordigen. m. Bomen Effect Analyse Waardevolle houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de bomen, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken. De Bomen Effect Analyse (BEA) is de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur.

De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg. n. bevoegd gezag De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geeft de term ‘bevoegd gezag’ weer. Nu de aanvraag tot vergunning of ontheffing tot het vellen van beschermde houtopstanden voortaan een aanvraag tot een omgevingsvergunning is, dient de term ‘bevoegd gezag’ gehanteerd te worden i.p.v. ‘Burgemeester en wethouders’. De Omgevingswet definieert de term ‘bevoegd gezag’ echter niet. Er is dus voor een betekenis van algemene strekking gekozen: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet. ARTIKEL 3: Kapverbod Er is in artikel 3 bewust gekozen voor een ontheffingenstelsel in plaats van een vergunningenstelsel om aan te geven dat in beginsel een ontheffing slechts bij hoge uitzondering wordt verleend. Ook bij interpretatieverschillen, bij gerede twijfel of bij tegenstrijdige deskundigenadviezen en vergelijkbare randgevallen geldt dat de ontheffing niet wordt verleend. Een ontheffing is dus een uitdrukking van een juridisch voorzorgsbeginsel. Dit in tegenstelling tot een omgevingsvergunning die bij twijfelgevallen in beginsel wel verleend wordt. Er wordt voor het kapverbod in deze verordening geen onderscheid gemaakt tussen vitale en afgestorven beschermde houtopstand.

Hiermee kan voorkomen worden dat een kwaadwillende boomeigenaar er voor zorgt dat een gezonde beschermde houtopstand dood gaat of ‘bij vergissing’ een gezonde beschermde houtopstand kapt. Het kan tevens wenselijk zijn om dode bomen te bewaren vanwege hun ecologisch waardevolle functies of omdat er wettelijk beschermde diersoorten in nestelen. Indien voor een beschermde houtopstand een herplantplicht wordt opgelegd zal voor de kap van de herplant wederom een kapverbod gelden.

ARTIKEL 4: Criteria

11

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021 Indien bouw of aanleg ter plaatse van de beschermde houtopstand de reden tot de ontheffingsaanvraag is, moet allereerst duidelijk zijn in welke mate een maatschappelijk belang met de realisatie gediend is. Vervolgens moeten voorafgaand aan een eventuele ontheffing de alternatieven voor (her)inrichting of aanpassing van de plannen voldoende onderzocht zijn en als onmogelijk of zeer onwenselijk zijn aangemerkt. Indien gevaarzetting (voorkomen van letsel of schade) reden tot de ontheffingsaanvraag is, moeten voorafgaand aan een eventuele ontheffing de (boomverzorgings-) alternatieven voor kap voldoende onderzocht zijn en als onmogelijk of zeer onwenselijk zijn aangemerkt.

ARTIKEL 7: Aanvraag Aanvragers kunnen slechts zijn: eigenaren van of zakelijk gerechtigden tot een beschermde houtopstand. Zakelijk gerechtigden zijn in beginsel degenen die een notariële akte kunnen overleggen betreffende een recht van erfpacht, pacht, opstal, erfdienstbaarheid, vruchtgebruik of pootrecht betreffende de beschermde houtopstand. Huurders hebben een persoonlijk en geen zakelijk recht. Zij moeten dus de schriftelijke toestemming voor kapaanvraag van de verhuurder, die eigenaar van de beschermde houtopstand is, overleggen. De eigenaar van een beschermde houtopstand kan bij (huur)overeenkomst of bij machtiging zijn huurders het recht tot omgevingsvergunningaanvraag verlenen. Na ontbinding van de huurovereenkomst is de omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand die altijd zaaksgebonden is, nog van toepassing op het project. Voorschriften van de omgevingsvergunning dienen dan door de eigenaar van het perceel nagekomen te worden. De indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning zijn in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor)Omgevingsregeling verplicht voorgeschreven. Buiten deze verplichte indieningsvereisten zijn in artikel 75 van deze verordening aanvullende indieningsvereisten gesteld. De indieningsvereisten samen maken dat alle informatie aanwezig is om een goede inschatting te maken ten aanzien van de omgevingsvergunningverlening.

Algemene indieningsvereisten staan in artikel 7.3 Omgevingsregeling1.3 Mor: Artikel 7.31.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvrAlgemene aanvraagvereisten aag (omgevingsvergunning red) Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd; b. het telefoonnummer van de aanvrager; c. het adres, de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; d. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde; f. als de aanvraag elektronisch wordt ingediend: het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde; g. als wordt gevraagd een voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden over regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 van de wet: een beschrijving van het onderwerp van dat voorschrift; en h. als wordt gevraagd om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. 1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager; a.

de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronische adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; b. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project; 12

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021 c. een omschrijving van de aard en de omvang van het project; d. een omschrijving van de aard en omvang van de gevolgen van het project voor de fysieke leefomgeving, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag; e. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van gemachtigde, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; f. indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam, adres en woonplaats. 2. De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen. 3. De aanvrager doet bij de aanvraag een gespecificeerde opgave van de kosten van de te verrichten werkzaamheden.

ARTIKEL 8: Intrekking of wijziging In dit artikel zijn de gronden aangegeven voor intrekking, wijziging van de omgevingsvergunning die verstrekt is op grond van deze verordening (art. 5.40 en artikel 18.10 Omgevingswet 2.31 lid 2 Wabo). De intrekking van de omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand - indien sprake van sanctie - is geregeld in afdeling 185.1 van de Omgevingswethoofdstuk 5 Wabo. Het gezag dat bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen kan deze dan geheel of gedeeltelijk intrekken indien: - de omgevingsvergunning is verleend op grond van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens (artikel 18.10 lid 4 sub a Omgevingswet); - niet overeenkomstig de omgevingsvergunning is of wordt gehandeld (artikel 18.10 lid 1 Omgevingswet; - de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd (artikel 18.10 lid 1 Omgevingswet); - de houder van de omgevingsvergunning leeft de voor hem geldende regels niet na (art. 18.10 lid 1 Omgevingswet5.19 lid 1 Wabo). Tevens is het mogelijk op grond van artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet jo.

2.33, eerste lid onder e Wabo voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege is verleend, op grond van artikel 5.39 Ow in te trekken indien deze betrekking heeft op een activiteit die ontoelaatbaar ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of dreigt te hebben en het opleggen van voorschriften daar geen oplossing voor biedt ( art. 2.31, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo). Bij wijziging of intrekking van de omgevingsvergunning dient wederom de reguliere ofindien voorgeschreven- de uitgebreide procedure te worden gevolgd.

ARTIKEL 9: Beperking geldigheidsduur Dit artikel blijkt nodig te zijn om misbruik van (zeer) oude omgevingsvergunningen tegen te gaan. ARTIKEL 10: Bijzondere vergunningsvoorschriften De voorschriften die herplant inhouden moeten concreet en precies worden uitgewerkt, bijvoorbeeld naar locatie, boomsoort of grootte. Uit de rechtspraak naar aanleiding van de herplantplicht blijkt dat beleidsmatige uitwerking van aard en omvang van de herplantplicht noodzakelijk is. De omgevingsvergunning heeft een zaaksgebonden karakter (art. 5.37 Omgevingswet art. 2.25 Wabo). Om die reden is de vergunninghouder niet degene aan wie de 13

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021 omgevingsvergunning is verleend, maar degene die verantwoordelijk is voor uitvoering. De naleving van de voorschriften m.b.t. herplant, valt daarom tevens onder zijn verantwoording. Wanneer de omgevingsvergunning gelding krijgt voor een ander dan de aanvrager of houder van de omgevingsvergunning moet tenminste een maandvier weken van tevoren dit aan het bevoegd gezag worden mee gedeeld. Zie hiervoor het Besluit omgevingsrecht artikel 5.37 lid 2 Omgevingswet4.8 (Bor). Dit, op grond van artikel 7.216 Omgevingsregeling, onder vermelding van: a. naam en adres van de aanvrager of vergunninghouder; b. een aanduiding van de omgevingsvergunning krachtens welke de activiteiten worden verricht; c. naam, adres en telefoonnummer van degene voor wie de omgevingsvergunning zal gaan gelden; d. de verwachte datum dat de omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder; en e. als de gegevens en bescheiden elektronisch worden verstrekt: de e-mailadressen van de personen, bedoeld onder a en c. a. naam en adres vergunninghouder- aanvrager b. de omgevingsvergunning of omgevingsvergunningen krachtens welke de activiteiten worden verricht; c. de naam, het adres en het telefoonnummer van degene voor wie de omgevingsvergunning zal gaan gelden; d.

de contactpersoon van degene voor wie de omgevingsvergunning zal gaan gelden; het beoogde tijdstip dat de omgevingsvergunning zal gaan gelden voor de onder c bedoelde persoon.

ARTIKEL 11: Herplant-/instandhoudingsplicht Herplantvoorschriften zijn concreet en eenduidig en moeten zeer gedetailleerd soort, locatie en plantwijze voorschrijven. De wijze waarop de zelfstandige herplant- en instandhoudingsplicht wordt uitgevoerd, gebeurt op beleidsmatige wijze. De uitwerking kan deel uitmaken van een breder opgezet handhavingsbeleid. Factoren die daarbij een rol spelen, zijn de ernst van de overtreding, de mate van (on)verantwoordelijkheid die aan de overtreder kan worden toegekend en de feitelijke mogelijkheden tot uitvoering van een herplant. Artikel 5:18 WaboArtikel 18.4a Omgevingswet biedt de mogelijkheid- indien sprake is van een herstel, - of instandhoudingssanctie van het velverbod- onder oplegging van last onder bestuursdwang of dwangsom, bij het besluit tot herplantverplichting tevens te bepalen dat de uitvoering van het besluit tevens geldt voor de rechtsopvolger.

ARTIKEL 12: Schadevergoeding -vervallenARTIKEL 14: Bestrijding van boomziekten Dit artikel is bedoeld om besmettelijke boomziekten zoals de iepziekte adequaat te kunnen bestrijden. Belangrijk is dat verspreiding van potentieel broedhout en de besmetting wordt voorkomen. In het derde lid is een bijzondere bestuursdwang bevoegdheid in aanvulling op de algemene gemeentelijke bestuursdwang bevoegdheid opgenomen, vanwege de ernst van de zaak en noodzaak snel te kunnen handelen vooral voor een afdeling "Groen". ARTIKEL 16: Strafbepaling De OmgevingswetWabo verbiedt in artikel 5.52.3 het handelen in strijd met een voorschrift uit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Door artikel 5.4 Invoeringswet Wabo is hetHet handelen zonder omgevingsvergunning of het handelen in strijd met een omgevingsvergunning is strafbaar gesteld in de Wet economische delicten.

14

Bomenverordening Laarbeek 20212025 Vastgesteld d.d. 9 september 2021 Om die reden zijn de strafbepalingen van artikel 16 van deze verordening niet van toepassing op dergelijk handelen maar de bepalingen van de Wet economische delicten. Overtreding van artikel 3 lid 1, van deze verordening en overtreding van voorschriften op grond van artikel 10 van deze verordening, heeft als strafmaat een hechtenis van maximaal 6 maanden, taakstraf en/of een geldboete tot maximaal € 19.000 (artikel 6 Wed). De boomwaarde kan verhogend op de geldboete werken. Indien de boomwaarde hoger is dan een vierde gedeelte van € 19.000, kan een geldboete worden opgelegd van maximaal € 74.000. De op grond van artikel 16 van deze verordening ingestelde strafvervolging laat onverlet de mogelijkheid van het instellen door Burgemeester en wethouders van een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding wegens schade aan gemeentelijke houtopstand.

ARTIKEL 17: Toezichthouders Ter toezicht op de naleving en het toezicht op de uitvoering en handhaving van het verbod een beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen zonder omgevingsvergunning (art. 5.13 Wabo18.7 Omgevingswet), zijn de aangewezen toezichthouders bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. Wel dienen toezichthouders daarbij in het bezit te zijn van een machtiging, met toestemming tot betreding, van Burgemeester en wethouders.

15

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

Erfgoedverordening gemeente Laarbeek 2021 De raad van de gemeente Laarbeek; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [invullen] 6 juli 2021; gelet op de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet en de Omgevingswet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; besluit vast te stellen de volgende verordening: Erfgoedverordening gemeente Laarbeek 2021

§ 1. Algemeen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: 1. Archeologische begeleiding: vorm van onderzoek waarbij de uitvoering van nietarcheologische werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid. Het proces kan 3 doelen dienen: a. om bij afwezigheid van adequaat vooronderzoek door fysieke belemmeringen alsnog een vorm van inventariserend veldonderzoek te kunnen verrichten (cf. IVO-proefsleuven); b. om eventueel aanwezige archeologische informatie te behouden (cf. Opgraven); c. om bij (beperkte) ingrepen in gewaardeerde terreinen aanwezige archeologische informatie te behouden (cf. Opgraven). 2. Archeologische beleidskaart: kaart met ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingsgebieden en het te voeren beleid, vastgesteld door de bevoegde overheid 3. Archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. 4. Archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn; 5.

Bodemarchief: alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is gekomen door activiteiten van mensen en door natuurlijke processen. 6. Cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; 7. Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg: een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg. 8. Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek.

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

9. Gemeentelijke adviescommissie: De door de raad ingestelde adviescommissie zoals bedoeld in artikel 15 van de Monumentenwet 1988 en na inwerkingtreding van de Omgevingswet de door de raad ingestelde commissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet ];van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet). 9.10.

Gemeentelijk erfgoedregister: de lijst waarop zijn geregistreerd de

overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in artikel 2. 10.11.

Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in

artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; 11.12.

Hoge verwachtingswaarde: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de

archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek is aangeduid als categorie 4 en 5 en waarvan op basis van historische, geologische en/of bodemkundige opbouw een hoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht. 12.13.

Lage verwachtingswaarde: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de

archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek is aangeduid als categorie 7 en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een lage dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht. 13.14.

Middelhoge verwachtingswaarde: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone

die op de archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek is aangeduid als categorie 6 en waarvan op basis van geologische en bodemkundige opbouw een middelhoge dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht. 14.15.

Normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op

het behoud van monumentale waarde. 15.16.

Terrein van archeologische waarde: gebied of terrein dat zich bevindt in de zone

die op de archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek is aangeduid als categorie 3 en waar archeologische waarden, door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd. 16.17.

Terrein van hoge archeologische waarde: gebied of terrein dat zich bevindt in

de zone die op de archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek is aangeduid als categorie 2 en waar hoge archeologische waarden, door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn aangetoond, die als behoudenswaardig kunnen worden gekarakteriseerd. 17.18.

Omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in 5.1, eerste lid, aanhef en

onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht;artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 18.19.

Opgraving: het onderzoeken van archeologische vindplaatsen, met als doel de

gegevens van de vindplaats te documenteren en daarmee de informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Opgravingen worden verricht door een partij met certificaat als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, Erfgoedwet 2016 en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA); 19.20.

Plan van aanpak: een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te

voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. 20.21.

Programma van Eisen: het Programma van Eisen (PvE) is een door een bevoegde

overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. 21.22.

Rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het

rijksmonumentenregister. 22.23.

Rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet.

Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister 1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister). 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.

§ 2. Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Artikel 4. Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 5. Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 3 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6 is bekendgemaakt. 2.

De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 6. Advies gemeentelijke adviescommissie

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3 advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet. 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen 4 weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel 7. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 8. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 9. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.

In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3. 3. Paragraaf 3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 10. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 2 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

§ 3. Bescherming gemeentelijk monument Artikel 11. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 12. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 13.

Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 12, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel 14. Weigeringsgronden 1. De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

§ 4. Rijksmonumenten Artikel 15. Advies omgevingsvergunning rijksmonument Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.15.1, eerste lid, aanhef en onder f onder b van de Omgevingswet, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

§ 5. Archeologische verwachtingswaarden Artikel 16. Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning het archeologische bodemarchief in een archeologisch waardevol gebied of archeologisch verwachtingsgebied te verstoren, te beschadigen of te vernielen. 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing: a.

bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld met een omvang van minder

dan 50 m2 in terreinen van zeer hoge archeologische waarde (categorie 2) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; b.

bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld met een omvang van minder

dan 100 m2 in terreinen van (hoge) archeologische waarde (categorie 3) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; c.

bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld met een omvang van minder

dan 250 m2 in gebieden met een hoge archeologische verwachting, historische kern (categorie 4) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; d.

bij bodemingrepen dieper dan 30 of 50 cm (bij esdek) onder maaiveld met een

omvang van minder dan 500 m2 in gebieden met een hoge archeologische verwachting (categorie 5) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; e.

bij bodemingrepen dieper dan 30 of 50 cm (bij esdek) onder maaiveld met een

omvang van minder dan 2500 m2 in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (categorie 6) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; f.

bij bodemingrepen dieper dan 40 cm met een omvang van minder dan 25.000 m2 in

gebieden met een lage archeologische verwachting (categorie 7) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart; g. in gebieden zonder archeologische verwachting (categorie 8) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. 3. Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien: a. in het geldende bestemmingsplan omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg die in overeenstemming zijn met het vastgestelde beleid; b.

er sprake is een activiteit als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 sub a van de Omgevingswet,

waarbij met toepassing van artikel 5.18 jo. artikel 5.21 Omgevingswet in samenhang met afdeling 8.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving vergunning is verleend artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, en er voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.

Artikel 17 Wijzigen kwalificatie van een locatie Op grond van een melding ingevolge artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet 2016 en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het college een terrein of locatie alsnog aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument, gebied van archeologische waarde, of gebied met hoge of middelhoge verwachting.

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

Artikel 18 Vergunning archeologische verwachtingsgebieden 1. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: •

het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of

•

de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of

•

in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn

2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische beleidskaart: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek en/of een opgraving; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een vergunninghoudende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 3. De gevraagde omgevingsvergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen te blijven. 4. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in overeenstemming met paragraaf 3.1 van de Erfgoedwet 2016 zijn aangewezen als beschermd archeologisch rijksmonument. Artikel 19 Opgravingen en begeleiding 1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1.1 sub 1c van de Erfgoedwet, dient onverminderd de overige bepalingen van deze wet: a.

het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1, waarbij nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek;

b.

de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoel in artikel 1 van deze verordening ter goedkeuring aan het college te overleggen.

2. In de nadere regels kan het college bepalingen opnemen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 3. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere eisen voldoet, kan het college advies vragen aan een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Artikel 20. Procedure De bepalingen uit artikel 13 en 14 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 18, eerste lid, en artikel 19, eerste lid, onder b.

§ 6. Handhaving en toezicht

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

Artikel 21. Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 11 of het bepaalde krachtens artikel 12, derde lid, van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 22. Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door burgemeester en wethouders aangewezen personen.

§ 7. Slotbepalingen Artikel 23. Intrekken oude verordening De Erfgoedverordening gemeente Laarbeek 202113 wordt ingetrokken. Artikel 24. Overgangsrecht 1. Een krachtens de Erfgoedverordening gemeente Laarbeek 2013 2021 aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen om vergunningen die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening gemeente Laarbeek 2013. Artikel 25. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening gemeente Laarbeek 20212025.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Laarbeek, [invullen]9 september 2021, De raad voornoemd, Plv. griffier,

de burgemeester van Laarbeek

J. van den Berg

F.L.J. van der Meijden

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

Toelichting ALGEMEEN Deze verordening is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Op enkele punten is afgeweken van de modelverordening. De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet en, op de voet van het overgangsrecht van artikel 9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 12,15 en 38 van de Monumentenwet 1988. Deze laatste wetgeving blijft op grond van het overgangsrecht van de Erfgoedwet van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Daarnaast iszijn ook de artikelen 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) van belang in verband met de bescherming van gemeentelijke monumenten door middel van omgevingsvergunningen. ARTIKELSGEWIJS Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Artikel 1. Begripsbepalingen De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd.

Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten of cultuurgoederen. Daarnaast is in het tweede lid geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening. Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. Artikel 3. Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument.

Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude verordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Artikel 4. Voornemen tot aanwijzing Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw).

Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigenden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Omgevingswet3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.

Artikel 5. Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijke monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. De voorbescherming voor gemeentelijke monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken en is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5.1 lid 1 sub b van

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

de Omgevingswet. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten). Artikel 6. Advies gemeentelijke adviescommissie Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de praktijk wordt de monumentencommisie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 8 maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat vooruitlopend op de Omgevingswet gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de Omgevingswet zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel uitmaken van deze commissie (onder de Monumentewet 1988 geldt dat voor leden van burgemeester en wethouders), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in deze verordening. Onder Op grond van artikel 17.9 van de Omgevingswet (artikel 17.9 van het wetsvoorstel zoals dat op 22 maart 2016 is aangenomen door de Eerste Kamer) zal stelt de gemeenteraad een adviescommissie ingesteld moeten worden die in ieder geval tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, met betrekking tot een monumentvoor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig

te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de Omgevingswet) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Omgevingswet) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Omgevingswet maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze commissie mogelijk. Artikel 8. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Tweede lid

Met opmerkingen [JS1]: Schrappen/herschrijven?

Zaaknummer:

24913-2021

Documentnummer:

24913-2021:025801

De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Artikel 9. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 6 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming. Artikel 10.

Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. Artikel 11. Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 9, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Artikel 12. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op aartikel 5.1, in samenhang met artikel 4.4 lid 2 van de Omgevingswet, rtikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude verordening. Artikel 14. Weigeringsgronden In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 16.58 van de Omgevingswet.artikel 3.2a van de Wabo. Artikel 15.

Advies omgevingsvergunning rijksmonument Zie de toelichting bij artikel 8. De term “rijksmonument” is gedefinieerd in artikel 1.1 van de ErfgoedwetWabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure inzake deze omgevingsvergunning is geregeld in de Omgevingswet die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening ex artikel 17.9 van de Omgevingswet.(artikel 15 van de Monumentenwet 1988). Artikel 16. Instandhoudingbepaling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=1b0b9864-98cd-4761-9212-e43023d700d8