CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

10 20250206 bijlage b - ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 Beek en Donk1

Raadsvergadering 6 februari 2025, gemeente LaarbeekBij agendapunt: B Voorstel tot vaststelling van Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) uitbreiding bedrijfsperceel Professor Dondersweg 8, Beek en Donk24.657 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Soortenbescherming

In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe indirecte tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring waarbij de aanwezigheid van mensen licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. ,

,

,

,

,

De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen maar wel bescherming behoeven: ,

,

Vogels Dit betreffen alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3. 1 van de Wnb) en de onder de voormalige Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. •

,

Internationaal beschermde soorten Dit betreffen alle dieren en planten genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3. 2 van de Wnb). •

,

Overige beschermde soorten Dit betreffen soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3. 2 vallen (paragraaf 3. 3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de voormalige Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol die onder de Wnb niet meer is beschermd). •

,

,

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1. 11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. ,

,

22 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Toets projectlocatie In relatie tot de Wet natuurbescherming kan over de projectlocatie het volgende worden opgemerkt: • De locatie waar de uitbreiding van de loods plaats vindt wordt al lange tijd intensief gebruikt ten behoeve van het agrarisch loonbedrijf waardoor het onwaarschijnlijk is dat in de directe omgeving van de loods beschermde soorten voorkomen; • Een gedeelte van de locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden -2’ met de functieaanduidingen specifieke vorm van agrarisch met waarden – cultuurhistorisch waardevol gebied kwetsbare soort(en) en struweelvogels. De (omliggende) landerijen zijn echter sinds lange tijd in gebruik als agrarische grond. Door de intensieve bewerking van het land (maaien bemesten) is het zeer onwaarschijnlijk dat in de directe omgeving van de projectlocatie beschermde soorten voorkomen; • Door middel van het versterken van de erfbeplanting wordt onderhavige ontwikkeling landschappelijk ingepast. De erfbeplanting sluit aan bij de bestaande structuren en gebiedssoorten en draagt bij aan een aantrekkelijkere leefomgeving voor eventueel voorkomende soorten. ,

,

,

,

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4. 2

Landschappelijke inpassing

De gemeente Laarbeek heeft in 2003 een landschapsontwikkelingsplan opgesteld. In het plan worden de kenmerken van het Laarbeekse landschap benoemd en wordt de gewenste ontwikkelingsrichting omschreven. Het gaat dan met name om de ontwikkelingen in het buitengebied. In het landschapsontwikkelingsplan wordt onder meer een visie verwoord op het gebied van natuur cultuurhistorie en landschap. In het plan is ook aandacht besteed aan herstel behoud en ontwikkeling op deze vlakken met hieraan gekoppeld uitvoeringsinstrumenten en een budget. Vormgeving van het landschap het benutten en uitbreiden van bestaande kwaliteiten en waar nodig het toevoegen van nieuwe elementen worden als belangrijke thema’s benoemd. ,

,

,

Als kernkwaliteiten voor het buitengebied van Laarbeek worden de verscheidenheid aan landschapstypen de diversiteit in groenelementen zowel waardevol voor natuur als voor de recreant en de op sommige plekken duidelijk waar te nemen cultuurhistorische waarden genoemd. ,

,

,

Toets landschapsontwikkelingsplan De projectlocatie is gelegen binnen het deelgebied ‘Leek en De Biezen’ (zie volgende figuur).

23 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Projectlocatie

Figuur 10: Uitsnede kaart deelgebieden Landschapsontwikkelingsplan

Het deelgebied ‘Leek en De Biezen’ heeft geen duidelijk herkenbare eigen identiteit. Tussen de verschillende landschapselementen zoals verspreid liggende bebouwing laanbeplanting langs diverse wegen beken en bosdelen is nauwelijks sprake van een herkenbare samenhang. Het gebied vormde voorheen de overstromingsvlakte van de AA. De aanwezige natuurwaarden worden onvoldoende benut. ,

,

,

,

Gewenste ontwikkeling in het gebied zijn: • Water als ordeningsprincipe voor landgebruik; • Ontwikkelingen van natte natuurwaarden; • Beleefbaar bruikbaar en recreatief aantrekkelijk water. ,

Water als ordeningsprincipe voor landgebruik Het versterken van het element ‘water’ en het benutten van het historisch gegeven dat in dit gebied de overstromingsvlakte van de Aa is gelegen maar niet als zodanig herkenbaar biedt mogelijkheden om het gebied goed te ontwikkelen. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen dit landschapsbeeld waarin het element water het beeld en gebruik bepaald. ,

,

,

Ontwikkelingen van natte natuurwaarden In diverse plannen is reeds gesproken over waterretentie en noodopvang. Waterretentie biedt mogelijkheden voor een goede waterhuishouding en levert een bijdrage aan de natuurwaarden in het deelgebied. Hierbij geldt als randvoorwaarde dat alleen natuurlijke laagten worden gebruikt. Beleefbaar bruikbaar en recreatief aantrekkelijk water Door middel van de juiste beplanting kan de aanwezigheid van water worden versterkt. Erfbeplanting en kavelbeplantingen kunnen hier een belangrijke bijdragen aan leveren. De herkenbaarheid van het gebied kan vergroot worden door natte graslanden te ontwikkelen en meer zwarte elzen aan te planten. ,

Voor onderhavige ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarin rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige landschappelijke kwaliteiten zoals verwoord in het landschapsontwikkelplan. De volgende figuur toont een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan.

24 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Figuur 11: Uitsnede landschappelijk inpassingsplan beoogde situatie

Het volledige landschappelijk inpassingsplan is als bijlage toegevoegd. De plicht tot onderhoud en instandhouding van de erfbeplanting wordt gewaarborgd door deze op te nemen in een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer en als voorwaardelijk verplichting in het bestemmingsplan.

4. 3

Cultuurhistorie en archeologie

4. 3. 1

Cultuurhistorische en aardkundige waarden

Cultuurhistorie neemt een belangrijke plaats in de ruimtelijke ordening in. Met cultuurhistorische waarden dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden in de vorm van bescherming en behoud van deze karakteristieke gebiedswaarden. Volgens de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 herziening 2016’ van de provincie Noord-Brabant is de projectlocatie gelegen binnen de regio van cultuurhistorisch belang ‘Peelrand’ (zie volgende figuur). ,

25 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Peelrand Broekontginningen langs de Aa en de Snelle loop

Figuur 12: Uitsnede ‘Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 , herziening 2016’ provincie Noord-Brabant (projectlocatie rood omkaderd)

De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Het doel binnen deze regio is onder andere het behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio en het verder ontwikkelen beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten van de aanwezige cultuurhistorische waarden van de Peelrand in hun samenhang. ,

,

,

Daarnaast behoort de locatie tot de Broekontginningen langs de Aa en de Snelle Loop een gebied van historisch geografisch belang buiten de cultuurhistorische landschappen. Dit gebied is een redelijk gaaf broekontginningslandschap met landbouwgronden bossen en lanen. De ontginningsstructuur is goed herkenbaar. Het gebied wordt doorsneden door de snelle Loop waarlangs vroeger de Walgraaf lag de grens tussen Gemert en de dorpen ten westen van de Aa. ,

,

,

,

De Burgemeester Coenenweg gelegen ten noorden van de projectlocatie is aangewezen als historischgeografisch lijnelement van hoge waarde. De Professor Dondersweg en de Biezenweg respectievelijk gelegen ten westen en ten noordwesten van de projectlocatie zijn aangewezen als historisch geografisch lijnelement van redelijk hoge waarde. Al genoemde wegen zijn van belang vanwege de ontginningsgeschiedenis. ,

,

De volgende figuur toont een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Laarbeek.

26 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Projectlocatie

Figuur 13: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Laarbeek

Zoals reeds benoemd ligt de projectlocatie in een gebied van historisch geografisch belang; de locatie behoort tot de Broekontginningen langs de Aa en de Snelle Loop. De wegen in de directe omgeving van de projectlocatie zijn historisch geografische lijnen van redelijk hoog belang vanwege de ontstaansgeschiedenis. De uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ heeft geen invloed op de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving van de projectlocatie. De aanwezige cultuurhistorische waarden worden door onderhavige ontwikkeling niet aangetast Met betrekking tot aardkundig waardevolle gebieden is het beleid erop gericht om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar beleefbaar en begrijpelijk te houden. De projectlocatie is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. ,

4. 3. 2

Archeologische waarden

Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt moeten in het geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. ,

,

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Laarbeek 2021 valt de projectlocatie onder de gebieden met een lage archeologische waarde (zie volgende figuur).

27 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Projectlocatie

Figuur 14: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Laarbeek 2021

Bij gebieden met een lage archeologische verwachting gaat het om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Vooral de voormalige heidegebieden hebben een lage verwachting; hierbij is verder geen sprake van afdekkende lagen waardoor archeologische resten dichter onder het oppervlak verwacht kunnen worden. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bodemingrepen die groter 2 zijn dan 25. 000 men dieper gaan dan 03 meter onder maaiveld of 05 meter bij esdekken. ,

,

,

Bij onderhavige ontwikkeling wordt een loods uitgebreid met 200 m.2 Hiermee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden. Derhalve is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Ten behoeve van de buitenopslag van onder andere zand grind puin en groenafval behoeven geen graafwerkzaamheden uitgevoerd te worden. ,

,

Indien tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) of zoals gangbaarder is bij de gemeente conform Artikel 5. 10 (Archeologische toevalsvondst) en Artikel 5. 11 (Waarneming) van de Erfgoedwet 2016. ,

4. 4

Verkeer ontsluiting en parkeren

4. 4. 1

Verkeer en ontsluiting

,

De projectlocatie wordt ontsloten door middel van een bestaande inrit op de Professor Dondersweg. Een noordelijke inrit komt uit op de Biezenweg. Het verkeer dat gebruik maakt van deze weg is voornamelijk bestemmingsverkeer. In de beoogde situatie wenst initiatiefnemer de toegang tot het bedrijf vanaf de Professor Dondersweg te verleggen in noordelijke richting aan de Professor Dondersweg. De nieuwe inrit wordt zo gesitueerd dat er geen bomen aan de Professor Dondersweg hoeven te worden gekapt. ,

Momenteel loopt de hoofdroute naar de achter de bebouwing gelegen opslagvoorzieningen tussen de bestaande bedrijfsgebouwen door. Aangezien hier zwaar in- en uitgaand transport de interne verkeersbewegingen rondom de bebouwing kruist is deze route vanuit oogpunt van verkeersveiligheid niet ideaal. Door de nieuwe toegang tot het bedrijf is het achterliggende opslagterrein beter bereikbaar om de ,

28 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

gebouwen heen en kunnen de in- en uitgaande verkeersbewegingen gescheiden lopen van de interne bewegingen.

Figuur 15: Ontsluiting bestaande situatie

Figuur 16: Ontsluiting beoogde situatie

Voor het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van de normen voor verkeersgeneratie zoals in de CROWmodule ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ voor arbeidsextensieve en bezoekers extensieve bedrijven d. d. 1 december 2018. ,

Voor een niet-stedelijke locatie in het buitengebied geldt een norm van 39-57 verkeersbewegingen per dag per 100 m 2 bedrijfsvloeroppervlak. Er wordt uitgegaan van de ondergrens omdat de verkeersgeneratie 2 in werkelijkheid lager ligt. In de beoogde situatie is sprake van 1. 850 mbedrijfsvloeroppervlak hetgeen op basis van de CROW overeenkomt met 72 verkeersbewegingen per dag een toename van 8 verkeersbewegingen per dag ten opzichte van de huidige situatie. ,

,

,

,

,

In de praktijk is sprake van de volgende verkeersbewegingen van en naar de inrichting: Bezoekers / werkverkeer: 8 bestelbussen per etmaal en 4 personenauto’s per etmaal; • • Transport vrachtwagens: 8 vrachtwagens per etmaal; • Transport tractoren: 11 tractoren per etmaal. De Professor dondersweg is een 60 km-weg. Zij is berekend op de geringe toename aan verkeersbewegingen. 4. 4. 2

Parkeren

Het uitgangspunt ten aanzien van parkeren is dat parkeren moet plaatsvinden op eigen terrein. Uitgegaan wordt van de parkeernormen zoals gepubliceerd in de CROW-module ‘Toekomstig bestemming parkeren Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Voor arbeidsextensieve en bezoekers extensieve bedrijven in het buitengebied geldt een parkeernorm van 08-13 parkeerplaatsen per 100 m.2 Er wordt uitgegaan van de ondergrens omdat de parkeerbehoefte in werkelijkheid lager ligt. Voor onderhavige ontwikkeling komt dit op basis van de CROW neer op 15 parkeerplaatsen een toename van 2 parkeerplaatsen ten opzichte van de bestaande situatie. ,

,

,

,

Binnen de projectlocatie is voldoende verharding aanwezig voor parkeergelegenheid. 29 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

5.

Milieuaspecten

Milieuaspecten spelen een rol in de ruimtelijke planvorming wanneer aan een gebied functies worden toegekend die een milieubelasting doen ontstaan of doen toenemen. Door middel van een goede ruimtelijke ordening kan een milieubelasting ook worden beperkt of worden voorkomen zodat wordt bijgedragen aan de duurzame ontwikkeling van de gemeente. Milieuaspecten worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces betrokken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig afgewogen tegen andere belangen die evenzeer claims leggen op de beschikbare ruimte. ,

5. 1

M. e. r. -beoordeling

Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben dient op basis van wet- en regelgeving vaak een m. e. r. of m. e. r. -beoordeling plaats te vinden. Onderhavig plan ziet op vergroting van het bestemmingsvlak ‘bedrijf’ een uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden en het planologisch mogelijk maken van de huidige loon- en grondwerkzaamheden. ,

De beoogde ontwikkeling komt voor als activiteit in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m. e. r. : • Onderdeel D. 11. 3: De aanleg wijziging of uitbreiding van een industrieterrein ,

De drempelwaarden in kolom 2 (In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte hectare of meer) worden door onderhavig plan niet overschreden. Daarnaast wordt de activiteit niet genoemd in kolom 3 of 4. Er is derhalve geen sprake van een (formele) m. e. r. -beoordelingsplicht.

5. 2

van

75

Bodem

Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit. Bodemtoets Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet in bepaalde gevallen worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Onderhavig plan ziet op het uitbreiden van het bestemmingsvlak en uitbreiding van één van de bedrijfsgebouwen. De uitbreiding van de loods vindt plaats binnen het huidige bouwvlak. De uitbreiding van het bestemmingsvlak vindt plaats op grond die in de huidige situatie als agrarische grond in gebruik is. In het verleden hebben zich hier mogelijk bodem verontreinigende activiteiten voorgedaan. Een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. De rapportage 1 van het onderzoek is toegevoegd als bijlage aan onderhavige rapportage.

Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese " onverdachte niet lijnvormige locatie " worden aanvaard gezien het feit dat geen verhogingen zijn geconstateerd in de grond. • De verontreiniging met naftaleen in het grondwater kan niet worden verklaard op grond van het gebruik van de deellocatie of de zintuiglijke waarnemingen. Gezien het gehalte is geen nader ,

,

1 Verkennend

bodemonderzoek , Prof. Dondersweg 8 Beek en Donk , 224-BDPD8-vo-v1 , 17 april 2024 30 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

•

onderzoek noodzakelijk. De hergebruiksmogelijkheden voor de grond die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten kunnen indicatief gezien als multifunctioneel toepasbaar worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Laarbeek. ,

,

,

,

Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn tegen de uitbreiding van het bestemmingsvlak uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid.

5. 3

Water

De projectlocatie is niet gelegen binnen of in de nabijheid van een beschermingszone van een grondwaterwingebied voor de openbare drinkwatervoorziening of een waterbergingsgebied (zie volgende figuur).

Figuur 17: Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming IOV Noord-Brabant (projectlocatie rood)

Onderhavige ontwikkeling vormt geen belemmering c. q. bedreiging voor de hydrologisch waardevolle en kwetsbare gebieden. In de beoogde situatie is sprake van een toename van verhard oppervlak. De waterhuishoudkundige gevolgen binnen het plan worden behandeld in de waterparagraaf (hoofdstuk 6).

5. 4

Geurhinder

De Wet geurhinder en veehouderij schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. ,

De grondslag hiervan ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij besluitvorming omtrent een 31 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Er moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: • Wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang veehouderij; berekening middels voorgrondbelasting); • Is er ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object; berekening middels achtergrondbelasting). Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op de projectlocatie van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van de projectlocatie (belang veehouderij). Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op de projectlocatie als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van de projectlocatie (belang geurgevoelig object). 5. 4. 1

Beoordeling belangen veehouderijen (voorgrondbelasting)

In de directe omgeving van de projectlocatie zijn de volgende veehouderijbedrijven gelegen: • Professor Dondersweg 3 Beek en Donk (melkrundveehouderij): afstand circa 60 meter; • Kloosterdreef 7-8 Aarle-Rixtel (melkrundveehouderij): afstand circa 360 meter; • De Biezen 6a Aarle-Rixtel (pelsdierhouderij/melkrundveehouderij): afstand circa 360 meter ,

,

,

De ligging van de veehouderijbedrijven is weergegeven in de volgende figuur. Professor Dondersweg 3 (melkveehouderij)

De Biezen 6a (melkrundveehouderij/ nertsenhouderij)

Kloosterdreef 7-8 (melkveehouderij) Figuur 18: Veehouderijbedrijven in de directe omgeving (projectlocatie rood omkaderd)

Onderhavig initiatief betreft geen toevoeging van een geurgevoelig object. Ten behoeve van de veehouderijen in de directe omgeving verandert er niets aan het beschermingsregime. De ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor de ontwikkeling van deze en andere veehouderijbedrijven.

32 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

5. 4. 2

Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)

De geurbelasting als gevolg van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat op een locatie. In de kaartbank van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant is een kaart opgenomen die de achtergrondbelasting geur in maart 2022 in beeld brengt (zie volgende figuur).

Projectlocatie

Figuur 19: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur maart 2022 (https://atlas. odzob. nl/portal/apps/webappviewer/index. html?id=504c14413ebc4c3e89640fd2be05d167)

Op de projectlocatie is sprake

van een zeer

goed woon-

leefklimaat.

en

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5. 5

Geluid

In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit kader is onderzocht of de toekomstige ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de omgeving. Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen ziekenhuizen verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. ,

,

,

,

De Professor Dondersweg betreft een 60 km/uur-weg met een geluidzone. Echter er is alleen sprake van bedrijfsgebouwen en geen woning. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk. ,

33 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Industrielawaai In het kader van de ontwikkeling dient te worden onderzocht wat de geluidbelasting op de directe omgeving is als gevolg van de bestaande en nieuwe activiteiten die middels de bestemmingswijziging mogelijk worden gemaakt. Akoestisch onderzoek industrielawaai Derhalve is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.2 Het onderzoek heeft als doel het bepalen van de toekomstige geluidsbelasting op omliggende geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen van derden en op referentiepunten op bepaalde afstanden van de inrichtingsgrens als gevolg van de bedrijfsactiviteiten binnen de inrichting. De resultaten worden vervolgens getoetst aan de te stellen geluidvoorschriften. ,

,

Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt met de representatieve bedrijfssituatie overschreden ter hoogte van de woningen gedurende de avondperiode én ter hoogte van de 50 meter toetspunten gedurende de dag- en avondperiode. Het maximale beoordelingsniveau van 65 dB(A) etmaalwaarde wordt met de representatieve bedrijfssituatie overschreden ter hoogte van de 50 meter toetspunten gedurende de avondperiode. Met inachtneming van de maatregelen en opmerkingen genoemd in de rapportage is bij de omliggende woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd en wordt de inrichting niet in haar mogelijkheden belemmerd.

5. 6

Bedrijven en milieuzonering

Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinder veroorzakende en hindergevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in de projectlocatie mogelijk worden gemaakt dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. ,

De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) geeft per bedrijfsactiviteit richtafstanden met betrekking tot geur fijnstof geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden. De afstanden gelden in principe tussen de grenzen van de functievlakken. ,

,

De volgende figuur laat de ligging van de woningen en bedrijven zien in de directe omgeving van de projectlocatie.

2 Akoestisch

onderzoek , Prof. Dondersweg 8 Beek en Donk , G&O Consult , 6186ao0124 , 6 september 2024 34 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Professor Dondersweg 6 (glastuinbouw)

Professor Dondersweg 3 (melkveehouderij)

De Biezen 6a (melkrundveehouderij/ nertsenhouderij) Projectlocatie

Peeldijk 10 (hoveniersbedrijf)

Kloosterdreef 7-8 (melkveehouderij)

Figuur 20: Ligging bedrijven in de omgeving van de projectlocatie

De volgende tabel toont de meest nabijgelegen bedrijven en de bijbehorende richtafstanden. Tabel 1: Richtafstanden op basis van ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters) Professor Dondersweg 6 (glastuinbouw) Geur Stof Geluid Gevaar Kassen met of zonder verwarming 10 10 30 10 Professor Dondersweg 3 (melkveehouderij) Fokken en houden van rundvee

Werkelijke afstand (meters) 57

100

30

30

0

16

Biezendijk 6a (melkveehouderij/nertsenhouderij)) Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van overige dieren: nertsen/vossen

100 200

30 30

30 30

0 0

330

Peeldijk 10 (hoveniersbedrijf) plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b. o. > 500 m²

30

10

50

10

390

30 0 0 0

30 30 10 10

0 0 10 0

300 360

Kloosterdreef 7-8 (melkveehouderij/klooster/hotel/restaurant) Fokken en houden van rundvee 100 Kerkgebouwen 0 Hotel 10 10 Restaurant

35 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

In de beoogde situatie worden echter geen nieuwe hindergevoelige objecten gerealiseerd. Derhalve hebben omliggende bedrijven geen invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de ontwikkeling. De tabel laat zien dat voor alle bedrijven aan de richtafstanden wordt voldaan met uitzondering van het melkveebedrijf aan de Professor Dondersweg 3. Aangezien op de locatie Professor Dondersweg geen sprake is van een hindergevoelig object heeft dit geen gevolgen voor onderhavige ontwikkeling Omgekeerd dient de projectlocatie zelf te worden getoetst aan de richtafstanden die horen bij de beoogde situatie. In onderhavige situatie betreft het een loon- en grondverzetbedrijf. In de VNG-tabel voor bedrijven en milieuzonering vallen de activiteiten onder de activiteiten van loonbedrijven. Grondverzet wordt niet specifiek genoemd maar de grondverzetactiviteiten mogen als vergelijkbaar worden beschouwd met de activiteiten van een loonbedrijf. ,

De volgende tabel toont het type bedrijfsactiviteiten en de bijbehorende richtafstanden. Tabel 2: Richtafstanden op basis van “Bedrijven en Milieuzonering” (VNG) Categorie bedrijvigheid Indices en richtafstanden (meters) Professor Dondersweg 8 Beek en Donk Geur Stof Geluid Dienstverlening t. b. v. de landbouw Algemeen (o. a. loonbedrijven): b. o. > 500 m² 30 10 50 Wegenbouw- en bouwbedrijf 10 30 50 (Bouwbedrijven algemeen: b. o. < 2. 000 m²)

Gevaar 10 10

De dichtstbijzijnde woning is de bedrijfswoning van de melkveehouderij aan de Professor Dondersweg 3. De afstand tussen de functievlakken bedraagt slechts 16 meter waardoor niet wordt voldaan aan de richtafstanden met betrekking tot geur stof en geluid. De werkelijke afstand tussen de bedrijfswoning en de verlengde loods en de opslag van materialen bedraagt respectievelijk 65 en 55 meter. Bovendien blijft de aard van het bedrijf met betrekking tot het aspect bedrijven en milieuzonering ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. ,

,

Op grond hiervan mag worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woning. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5. 7

Luchtkwaliteit

Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 titel 5. 2 Wm). Titel 5. 2 handelt over luchtkwaliteit; daarom staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. ,

Toetsing woon- en leefklimaat initiatief Ter plaatse van de projectlocatie is sprake van de huidige achtergrondconcentraties stoffen:3 fijnstof (PM10 ): 1572 μg/m³; • • zeer fijnstof (PM25 ):898 μg/m³; • stikstofdioxiden (NO2 ): 1295 μg/m³. ,

,

,

,

Deze waarden voldoen aan de wettelijke normen. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woonleefklimaat in de huidige situatie.

en

3 www. atlasleefomgeving. nl

36 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Niet in betekenende mate bijdragen In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde. Om te beoordelen of het beoogde initiatief NIBM bijdraagt is de NIBM-tool (versie 2022) ingevuld. Hierin is de bijdrage berekend bij een toename van het aantal dagelijkse voertuigbewegingen van 96. De volgende figuur toont het resultaat. ,

,

Figuur 21: NIBM-tool

De ontwikkeling heeft geen significante invloed op de luchtkwaliteit; het plan is te kleinschalig om in betekenende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

5. 8

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang en -dagverblijven. ,

,

,

Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten in beeld worden gebracht. Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). De eisen ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen en de daarmee samenhangende risico’s zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen die risicovolle stoffen transporteren geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. ,

,

De volgende figuur toont een uitsnede van de Risicokaart waarop de meest nabijgelegen risicobronnen in beeld zijn gebracht (zie volgende figuur).

37 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Figuur 22:

Uitsnede

risicokaart

omgeving projectlocatie (projectlocatie rood).

Op een afstand van circa 170 meter ten oosten van de projectlocatie ligt een olietransportleiding. De leiding heeft een risicocontour van 35 meter. Onderhavig projectlocatie is niet gelegen binnen de risicocontour van de olieleiding. Verder liggen er diverse propaangastanks in de omgeving van de in Gemert, projectlocatie. De meest nabijgelegen propaangastank is gelegen op de locatie (geanonimiseerd) BN kilometer van de Daarnaast er een tweetal benzinestations in de gelegen op 1,2 projectlocatie. liggen van de aan de in Beek en Donk en aan de in omgeving projectlocatie, gelegen (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) BN GN Gemert, respectievelijk op een afstand van circa 1,5 en 2,5 kilometer van de projectlocatie. De projectlocatie ligt ruimschoots buiten de risicocontouren van de risicobronnen. Verder bevinden invloed

zijn

zich in de

op de externe

Het aspect externe

5.9

nabije omgeving veiligheid.

veiligheid

vormt geen

van

de

projectlocatie geen inrichtingen

belemmering

voor

of transport die

van

onderhavige ontwikkeling

Duurzaamheid

De gemeente Laarbeek stimuleert duurzaamheidsambities verplichtingen. Dit kan op diverse manieren:

die verder gaan

dan

de

wettelijke

Energie Er kunnen energiebesparende maatregelen worden toegepast aan nieuwe gebouwen. Ook zonnepanelen worden geïnstalleerd ten behoeve van de opwekking van groene energie.

Klimaatadaptie Door de klimaatverandering

meer extremen optreden, zoals hevige regenval en droge droogte en/of hitte. Er zijn diverse maatregelen om hierop te anticiperen. Een klimaatadaptieve inrichting van het terrein zorgt ervoor dat bij hevige regenval het water kan inzijgen. Daarmee wordt het perceel minder heet in de zomer. zomers.

Dat

Binnen

het

hemelwater

leidt dan

perceel van

de

zullen

kunnen

er

steeds

tot wateroverlast,

wordt voorzien bestaande

en

voorzieningen voor de infiltratie van hemelwater. beoogde oppervlakte worden ter plaatse geïnfiltreerd. in voldoende

Het

38

Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8, Beek

en

Donk

Natuurinclusief bouwen Natuurinclusief bouwen biedt de mogelijkheid voor (beschermde) dieren om te kunnen leven in bebouwd gebied. Dit kan gerealiseerd worden door gebruik te maken van speciale gevelstenen waardoor bepaalde vogels of vleermuizen gebruik kunnen maken van het gebouw om in te leven. ,

Binnen het bedrijf worden de volgende maatregelen getroffen met betrekking tot duurzaamheid: • Ten behoeve van het nieuw op te richten gedeelte van de loods dat tevens gedeeltelijk de functie van kantoor en kantine krijgt wordt gebruik gemaakt van energiebesparende materialen zoals isolatie en het gebruik van een warmtepomp. • De projectlocatie wordt landschappelijk ingepast. Door de reeds aanwezige bomen en nieuwe beplanting wordt schaduw gecreëerd; • Het terrein wordt zo ingericht dat bij hevige regenval het water kan inzijgen middels de te realiseren greppels. ,

39 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

6.

Waterparagraaf

6. 1

Watertoets

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen de projectlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in Beek en Donk is in handen van de gemeente Laarbeek en het Waterschap Aa en Maas.

6. 2

Waterbeleid

Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Provinciaal Milieu- en Waterplan van de provincie Noord-Brabant Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas Keur Waterschap Aa en Maas Vierde Nota Waterhuishouding Nationaal bestuursakkoord water en Beleidsbrief regenwater en riolering. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). ,

,

,

,

,

Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas In het Waterbeheerplan 2022-2027 staan de doelstellingen van waterschap Aa en Maas voor de periode 2022-2027. Hierin wordt beschreven wat gedaan moet worden om die doelen te halen. Hierdoor weten de inwoners van het werkgebied en de partners wat ze van het waterschap kunnen verwachten. Met dit plan wordt ook invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening Water om een waterbeheerplan op te stellen. In de nieuwe Omgevingswet staat de verplichting om een waterbeheerprogramma op te stellen. De eisen aan een dergelijk programma zijn vergelijkbaar met de huidige eisen aan een waterbeheerplan. Het grootste verschil is dat de hoofdlijnen van het watersysteembeleid een plek krijgen in het Omgevingswet-instrument ‘omgevingsvisie’ van rijk provincie en gemeenten. Hier wordt op ingegaan om de maatregelen in dit waterbeheerplan in de goede context te kunnen plaatsen. De samenhang tussen de omgevingsvisies en dit plan vraagt om goede afstemming. ,

,

In het waterbeheerplan is een indeling gemaakt in programma’s: • Waterveiligheid; • Klimaatbestendig en gezond watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde. Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen op de projectlocatie is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud aanvoer afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd zonder een ontheffing van het waterschap. ,

,

,

40 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van 2 verhard oppervlak van maximaal 500 m 2 toename van een verhard oppervlak tussen 500 men 10. 000 2 2 men projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10. 000 m. Plannen met een verhardingstoename tot 500 m 2 zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. 2 2 Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 men 10. 000 mhanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m)3 = Toename verhard oppervlak (m)2 * gevoeligheidsfactor * 006 (in m)).

De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 006 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt 3 met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m/ha. ,

,

,

Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 In 2018 heeft de gemeente Laarbeek het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) vastgesteld. Met dit plan geeft de gemeente Laarbeek invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater een doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater een grondwaterhuishouding in balans en het verder professionaliseren van de watertaken. De planperiode van dit GRP omvat de periode 2019 tot en met 2023. ,

,

Ten aanzien van hemelwaterzorgplicht stelt de gemeente Laarbeek dat iedere eigenaar primair verantwoordelijk is voor de verwerking van zijn eigen hemelwater op zijn eigen terrein. Ze streeft wel naar een duurzame en doelmatige inzameling en transport van hemelwater wanneer het niet lukt om zich redelijkerwijs van het hemelwater te kunnen ontdoen. ,

In het GRP is voor verschillende soorten plannen opgenomen hoe om te gaan met regenwater. Bij kleinschalige (her)bouw in de situatie waarbij ten hoogste 2 nieuwe woningen worden gerealiseerd geldt het volgende. Om in die situatie de afvoer naar de riolering en/of het watersysteem te reduceren baseert de gemeente zich op de toename van het verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie. Er dient een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m 2 toename verhard oppervlak te worden aangebracht op eigen terrein. Deze eis geldt ongeacht de lozingssituatie. Bij toepassing van alternatieve voorzieningen (zoals groene daken) wordt de waterbergingsnorm gereduceerd op basis van de op dat moment geldende inzichten. Bij een beperkte toename van het verhard oppervlak kan een afvoer naar het gazon waar het water kan wegzijgen mogelijk al voldoende zijn. ,

6. 3

Oppervlaktewater

De volgende figuur toont de ligging van leggerwatergangen in de omgeving van de projectlocatie in beheer bij het waterschap (zie volgende figuur).

41 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

B-watergang

Figuur 23: Ligging leggerwatergangen waterschap AA en Maas

Aan de westzijde van de projectlocatie grenst de projectlocatie aan een B-watergang. Onderhavige ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de watergang en wordt niet belemmerd door de watergang.

6. 4

Grondwater

Via de Bodematlas van provincie Noord-Brabant zijn gegevens opgevraagd over de grondwaterstand bij de projectlocatie. Hieruit is gebleken dat de gemiddelde hoogste waterstand zich rond 40-60 cm onder het maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand rond de 120-140 cm onder het maaiveld (zie volgende figuren).

Figuur 24: GHG (bron: Bodematlas , Noord-Brabant) (projectlocatie rood omkaderd) 42 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Figuur 25: GLG (bron: Bodematlas , Noord-Brabant) (projectlocatie rood omkaderd)

6. 5

Afvoer hemelwater

Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen betekent dat het schone hemelwater afkomstig van daken en erfverharding op het perceel moet worden verwerkt door middel van infiltratie of waterberging. Gezorgd moet worden dat voldoende buffercapaciteit aanwezig is. De oorspronkelijke landelijke afvoer mag niet overschreden worden bij een bui die eens in de 10 jaar voorkomt (T=10). Verhard oppervlak Onderstaande tabel geeft de hoeveelheid verhard oppervlak binnen de projectlocatie weer ten behoeve bebouwing en erfverharding in de bestaande situatie en in de beoogde situatie.

van

De beleidsregel ‘omgaan met regenwater bij nieuwbouw en bij herbouw’ van gemeentelijk rioleringsplan is van toepassing. Het totaal verhard oppervlakte bedraagt 10. 500 m² op basis van bergingseis van 60 mm dient 630 m³ waterberging te worden voorzien. De waterberging is voorzien op een 4-tal locaties. In het zuidelijke bosperceel zijn reeds een tweetal infiltratiesloten aanwezig waarop zuidelijk loods en een gedeelte van bestaande verharding is aangesloten. De noordelijk loods en het centrale verharde middengedeelte watert af op de aanwezige greppel aan de oostzijde van het perceel. In de nieuwe situatie wordt de greppel richting het oosten verplaats en vergroot zodat deze voorziet in benodigde waterberging. De vierde waterbergingslocatie is voorzien in de vorm van een poel aan de noordzijde van het perceel tussen struweelbeplantingen. ,

Tabel 3: Berekening waterberging Betreft Greppel in bestaand bosperceel (westelijke) Greppel in bestaand bosperceel (oostelijke) Greppel , nieuw (oostzijde) Poel , greppel (noordzijde)

Oppervlakte waterschijf 72 m²

Inhoud (m3) op basis waterschijf van 50 cm 36 m³

98 m²

49 m³

327 m² 824 m² Totaal

1635, m³ 3905, m³ 6605, m³

43 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Gebruik niet logende materialen Het gebruik van niet uitlogende materialen is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Activiteitenbesluit staat dat niet verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater ook als dat in contact is geweest met oppervlakken als daken. Bij de bouw van de nieuwe bedrijfsbebouwing zal geen gebruik worden gemaakt van onbehandelde uitlogende materialen zoals koper zink en lood teerhoudende dakbedekking (PAK’s) en van met verontreinigde stoffen verduurzaamd hout. Doordat het hemelwater niet vervuild is is het geen probleem om het hemelwater te laten infiltreren. ,

,

,

,

Lozen op het riool Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater is in de beoogde situatie de locatie op het gemeentelijk riool aangesloten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt Laarbeek inzake de watertoets.

aan

het beleid van Waterschap Aa en Maas en de gemeente

44 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

8.

Conclusie

Op de locatie Professor Dondersweg 8 te Beek en Donk is een loon- en grondwerkbedrijf gevestigd. Op het perceel is een tweetal loodsen ten behoeve van de stalling van machines en de opslag van materialen. Een deel van het perceel wordt gebruikt voor de buitenopslag van materialen (onder andere zand grind puin en groenafval). ,

,

De initiatiefnemer is voornemens het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ te vergroten naar circa 13 hectare om meer buitenopslag van onder andere zand grind puin en groenafval mogelijk te maken. Het bestaande bouwvlak (056 hectare) wordt daartoe niet vergroot. Daarnaast wil hij de bestaande noordelijke loods vergroten met circa 200 m² waarin onder andere een kantine en een kantoor ten behoeve van zijn bedrijf worden gevestigd. De uitbreiding van de bebouwing vindt binnen het bestaande bouwvlak plaats. ,

,

,

,

,

Het beoogde project past niet binnen de regels van het bestemmingsplan. De gewenste oppervlakte aan bedrijfsbebouwing (1. 850 m²) overschrijdt de maximale toegestane oppervlakte van 1. 650 m² en buitenopslag buiten het bedrijfsbestemmingsvlak is niet mogelijk. Daarnaast is het wenselijk de functieaanduiding ‘Agrarisch loonbedrijf ’te wijzigen naar ‘Loon- en grondverzetbedrijf’. Het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ dient te worden vergroot naar 13 hectare. De maximale bebouwde oppervlakte dient te worden gewijzigd naar 1. 850 m.2 De functie-aanduiding ‘Agrarisch loonbedrijf’ dient te worden gewijzigd naar ‘loon- en grondverzetbedrijf’. ,

Het initiatief dient ruimtelijk en milieukundig inpasbaar te zijn in de omgeving. De beoogde ontwikkeling voldoet aan alle geldende planologische en milieukundige voorwaarden: • De ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de provincie Noord-Brabant voor agrarische en niet-agrarische functies binnen landelijk gebied en de groenblauwe zone; • De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid zoals verwoord in de omgevingsvisie buitengebied; • De in de omgeving voorkomende waarden (landschap ecologie cultuurhistorie archeologie hydrologie) worden niet onevenredig aangetast door het initiatief; • Het initiatief wordt conform het beleid van de provincie (zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering landschap) en de gemeente op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast; • Het initiatief is milieu hygiënisch aanvaardbaar. De ontwikkeling vormt vanuit de diverse milieuaspecten geen belemmering voor de omliggende bedrijven en er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. • Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Er is sprake van een toename van verhard oppervlak waarvoor op basis van de Keur van het Waterschap Aa en Maas en het gemeentelijk beleid een compensatie noodzakelijk is voor de afvoer van hemelwater. De hemelwaterberging vindt plaats door middel van een aan te leggen poel. ,

,

,

,

45 Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8 , Beek en Donk

Bijlage

(geanoimserd)

1

_Situatietekening

bestaande

en

beoogde

situatie

Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8, Beek

en

Donk

bestaand bestemmingsvlak Bedrijf (11 ha)

landschappelijke inpassing

,

bestaand bouwvlak (056 ha) ,

bestaande bedrijfsbebouwing

bestaande inrit

erfverharding opslag materialen

roP e

fs

os r

bestaande bedrijfsbebouwing

D

o

n

ed r sw e

g

landschappelijke inpassing bestaand bosperceel

Situatietekening bestaand

Agron Advies BV Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469PS Boerdonk www. agronadvies. nl

Professor Dondersweg 8 Beek en Donk Formaat tekening A4 Schaal 1 : 1. 000 d. d. 04-01-2023 versie 1`

beoogd bestemmingsvlak Bedrijf (13 ha) ,

erfverharding opslag materialen

nieuwe inrit

nieuwe uitbreiding

bestaande bedrijfsbebouwing

gebouw

te vervallen inrit

erfverharding opslag materialen

(200 m²)

roP e

fs

os r

bestaande bedrijfsbebouwing

D

o

n

erfverharding opslag materialen

ed

r sw e

bestaand bosperceel

g

Agron Advies BV

Pastoor van Schijndelstraat 33a 5469PS Boerdonk www. agronadvies. nl

Situatietekening beoogde situatie Professor Dondersweg 8 Beek en Donk Formaat tekening A4 Schaal 1 : 1. 000 d. d. 20-12-2023 versie 2

(geanoimserd)

Bijlage

2

Uitgangspunten Aeriusberekening

Ruimtelijke onderbouwing Professor Dondersweg 8, Beek

en

Donk

Uitgangspunten Aerius Professor Dondersweg 8 Beek

Donk

en

Versie 03 , 21-11-2024

De initiatiefnemer is voornemens het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ te vergroten van 11 hectare naar circa 13 hectare om meer buitenopslag van onder andere zand grind puin en groenafval mogelijk te maken. Daarnaast wil hij de bestaande noordelijke loods vergroten met circa 200 m² waarin onder andere een kantine en een kantoor ten behoeve van zijn bedrijf worden gevestigd. De uitbreiding van de bebouwing vindt binnen het bestaande bouwvlak plaats. Verder wil initiatiefnemer zijn activiteiten planologisch vastleggen. ,

,

,

,

,

Gebruiksfase beoogde situatie In de beoogde situatie wordt het bestemmingsvlak vergroot tot 13 hectare; het bebouwd oppervlak wordt uitgebreid tot 1. 850 m.2 ,

Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Hieronder volgt een opgave van het aantal verkeersbewegingen: Bezoekers / werkverkeer: 8 bestelbussen per etmaal en 4 personenauto’s per etmaal; Transport vrachtwagens: 8 vrachtwagens per etmaal; Transport tractoren: 11 tractoren per etmaal. Koude start Een ‘koude start’ is het fenomeen dat voertuigen met een koude motor meer emissie uitstoten dan voertuigen met een warme motor. De koude start heeft een overgang richting warme motor die van korte duur is. Vandaar dat bij het opstellen van emissiefactoren de keuze is gemaakt om koude emissie (in gram/koude start) en warme emissie (in gram/km) te scheiden. Uit de publicaties van TNO (de partij die de emissiefactoren na onderzoek publiceert) volgen deze uitgangspunten: • Er is duidelijk onderscheid te maken tussen voertuigen met koude start en rijdend verkeer. Aangezien de koude start beperkt is qua duur respectievelijk 10 en 30 seconden voor benzineLPG- en dieselvoertuigen (zowel licht- middel- als zwaar verkeer); • In (verkennend) onderzoek van TNO is naar voren gekomen dat binnen de periode van 10 tot 30 seconden de voertuigen nog niet of nauwelijks van hun startlocatie zijn vertrokken.

De emissie van de koude start zal op basis van dit onderzoek hoofdzakelijk plaatsvinden rondom de startlocatie van het voertuig en niet op de wegen met doorgaand verkeer; • Na ongeveer 2 uur stilstand (zonder draaiende motor) is de motor weer koud. Dit is van belang voor het toekennen van emissie op locaties waar voertuigen tijdelijk stilstaan onder andere parkeerplaatsen laden/lossen. ,

,

,

,

,

In onderhavige situatie is sprake van een ‘koude start’ bij de verschillende voertuigen. Deze bron is als oppervlaktebron ingevoegd. Worst case is aangenomen dat bij 50% van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een ‘koude start’. Mobiele werktuigen Draaiuren en eigenschappen van mobiele werktuigen Op het terrein zelf worden ten behoeve van bouw verschillende machines ingezet. De precieze cijfers hiervan zijn in deze fase onbekend. Derhalve is een schatting gemaakt van het aantal draaiuren van mobiele werktuigen. Hierbij is uitgegaan van het bouwrijp maken en realiseren van het project. In de navolgende tabel zijn de ingevoerde eigenschappen van de mobiele werktuigen uiteengezet. Tevens is hierin aangegeven het brandstof- en Adblue verbruik. Deze worden als volgt berekend:

Figuur 1: uitsnede handreiking Instructie gegevensinvoer

voor Aerius calculator

2023. 2 berekening brandstofverbruik

De berekening van de uitstoot van mobiele werktuigen in Aerius is gebaseerd op: • Het vermogen en de stage klasse van de machine; • De tijd dat de machine aanstaat; • Het totale brandstofverbruik; • En eventueel AdBlue verbruik. AdBlue wordt enkel gebruikt in dieselmotoren voorzien van een SCR. Het doel is om het stikstofoxide (NOx) uitstoot te verlagen. Het verwachte aantal liter gebruikte AdBlue wordt geschat. Voor Stage IV en V werktuigen is dit 6% van het dieselverbruik. ; Voor stage III is dit 3% van het dieselverbruik. Bij stage I en II wordt geen gebruik gemaakt van AdBlue. De volgende tabel geeft een overzicht van de gebruikte mobiele bronnen het vermogen de stageklasse het aantal draaiuren en het brandstof- en AdBlueverbruik. Binnen het plangebied vindt opslag plaats van onder andere zand grind puin en groenafval. De gegevens uit het akoestisch onderzoek zijn als uitgangspunt genomen voor de volgende berekening. ,

,

Tabel 1: Gebruik mobiele werktuigen Beschrijving werktuig Vermogen (kW) Vrachtwagen (6 minuten 200 per etmaal) Tractor (3 minuten per 150 etmaal) Laadschop en kraan (3 120 uur en 25 minuten per etmaal)

Stage klasse

,

,

,

Stage IV

Draaiuren per jaar 31

Brandstofverbruik [liter per jaar] 1. 404

Stage IV

21

702

Stage IV

1. 066

28. 782

Adblue verbruik [liter per jaar] 4) -

-

1. 727

Stationair draaiende motoren worden apart ingevoerd. Hiervoor geldt er een eigen formule:

In bijlage 1 van de Instructie gegevens invoer Aerius-calculator worden de emissiefactoren voor NHen NO x 3 voor stationair draaiende motoren weergegeven. De volgende tabel geeft de ammoniakemissie en de NO-x emissie voor de stationair draaiende motoren weer. Tabel 2: Emissies stationair draaiende motoren referentiesituatie Beschrijving werktuig Draaiuren EF-stationair EF_stionair EF-stationair EF_stionair per jaar NH 3 (g/uur) 1) NO x (g/uur) 1) NH 3 totaal (g) NO x totaal (g) Stationair draaiende 365 09144 , 1111488 , 33376 , 40.56931 , motor 2) 1) Gegevens 2019 , omdat dat de oudste gegevens in de bijlage van de Aerius instructie zijn. 1) Gemiddeld draait er dagelijks ongeveer 60 minuten een motor van een vrachtwagen stationair. De gehele inrichting is hiervoor als oppervlaktebron ingevoerd.

Stookinstallaties Ten behoeve van het nieuw op te richten gedeelte van de loods wordt gebruik van een warmtepomp. Hierdoor is geen sprake van stikstofemissie. In de instructie gegevensinvoer voor AERIUS wordt bij stookinstallaties waar de installatie niet is bemeten verwezen naar de ABees Excel-applicatie van Infomil om te bepalen wat de emissiekentallen zijn. Deze module verwijst naar de emissie-eisen op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierin is voor aardgasgestookte ketels een norm opgenomen van 70 mg/m³. Voor het bepalen van het rookgasdebiet kan ingevolge de Handleiding Meten van luchtemissies de volgende formule worden gehanteerd: ((P [kW] / 1. 000) * 3. 600) / 3165 [MJ/m³ ] * 90 [m³ rookgas/m³ aardgas]. Waarbij P het vermogen van de ketel is. De CV-ketel van 45 kW hebben een flux van 46 m³ /uur gezamenlijk. Het aardgasverbruik is 4. 500 m³ /jaar wat gelijk staat 40. 500 Nm³ rookgas en met bovenstaande flux uitkomt op 880 vollastdraaiuren en 284 kg NOx per jaar. ,

,

,

,

Realisatiefase Gedurende de bouwwerkzaamheden van de uitbreiding van de loods (200 m)2 (realisatiefase) treden er mogelijk effecten op zoals een tijdelijke toename van concentraties aan luchtverontreinigende stoffen. Tijdelijk zal er werkverkeer rijden van en naar de locatie. Het gaat om een aantal verkeersbewegingen samen met de (vaak mobiele) bronnen die bij de bouw gebruikt worden. Deze verkeersbewegingen en de inzet van mobiele bronnen leiden mogelijk tot stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Verkeersgeneratie Het bouwproject genereert voor een periode van circa 3 maanden een toename aan licht middelzwaar en zwaar verkeer. Tijdens de realisatiefase heeft men te maken met de volgende activiteiten waarbij sprake is van verkeer van en naar de inrichting. ,

Tabel 3: Voertuigbewegingen Activiteit Aanvoer zand ten behoeve van realisatie bijbehorende bouwwerken Aanvoer bouwmaterialen Afvoer afval bouw Voertuigbewegingen bestelbus personeel bouwbedrijf Voertuigbewegingen met auto diverse

Aantal vrachten 30 vrachten totaal

Aantal ritten per jaar 60 ritten totaal

1 bestelbus per dag

130 ritten totaal

2 auto’s per dag

260 ritten totaal

In onderhavige situatie is enkel sprake van een ‘koude start’ bij het lichte verkeer. Het middelzwaar- en zwaar verkeer wordt enkel ingezet voor het aan- en afvoeren van materiaal en materieel. Deze bron is als oppervlaktebron ingevoegd. Worst case is aangenomen dat bij 50% van het aantal verkeersbewegingen (licht verkeer) sprake is van een ‘koude start’. Mobiele bronnen Draaiuren en eigenschappen van mobiele werktuigen Tabel 4: Gebruik mobiele werktuigen Beschrijving werktuig Vermogen (kW) Mobiele kraan ten behoeve van graafwerkzaamheden realisatie gebouwen 200 Hijskraan ten behoeve van realisatie gebouw 200

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=9608bec9-70c3-4b20-b310-48ce9e0c1239