CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Binnenstad Schoonhoven - deel 4 - Bijlagen bij Toelichting - deel 3 - 12, deel 1.pdf Advies nota Cultuurhistorie

Raadsvergadering 14 juli 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Binnenstad Schoonhoven30.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bijlage 12

Rho adviseurs voor leefruimte

Adviesnota Cultuurhistorie

193100.20150898

ADVIESBUREAU CULTUURHISTORIE

CONCEPT

Adviesnota cultureel erfgoed Gemeente Schoonhoven

2

!

Colofon Titel: Adviesnota Cultureel Erfgoed, Gemeente Schoonhoven Auteur: drs. Linda Driesen – van der Male Datum: 4 januari 2014 Kenmerk: 2013/ 5 / v2 Concept Opdrachtgever: Gemeente Schoonhoven Contactgegevens Organisatie Contactpersoon Mobielnummer Adres Email

           

Foto voorpagina: Zicht op de Voorhaven, vanaf de sluizen bij De Kat / Wal (foto auteur)

Culthis (Auteur rapport) Linda Driesen 06 – 247 85 589 Prinses Irenelaan 12 2252 GJ Voorschoten Linda@culthis.nl

Contactgegevens opdrachtgever Organisatie Gemeente Schoonhoven Contactpersoon Mw. M. van Burgsteden Telefoonnummer 0182-389207 Adres Haven 37 2871 CK Schoonhoven Email m.vanburgsteden@gschoonhoven.nl

Met dank aan: De heer Mentink (Historische verenging Schoonhoven), mevrouw Diekema (archeologische werkgroep Schoonhoven) en de heer De Vaal voor hun inhoudelijke toevoegingen aan hoofdstuk 2 over de ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling van de stad Schoonhoven.

3

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 Ten geleide 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Beleidsuitgangspunten 1.4 Werkwijze inventarisatie

5 5 6 6 9

HOOFDSTUK 2 Schoonhovense geschiedenis in thema’s 2.1 Middeleeuwse Ontginningen 2.2 Nederzettingen, stadsontwikkeling en bebouwing 2.3 Verdediging van Stad & Land 2.4 Waterbeheer 2.5 Bedrijvigheid 2.6 Historisch groen

12

HOOFDSTUK 3 Cultuurhistorische hoofdstructuur, kernkwaliteiten en omgangsvormen 3.1 Middeleeuwse Ontginningen 3.2 Nederzettingen, stadsontwikkeling en bebouwing 3.3 Verdediging van Stad & Land 3.4 Waterbeheer 3.5 Bedrijvigheid 3.6 Historisch groen

25

HOOFDSTUK 4 Omschrijving en algemene omgangsregels cultuurhistorische waarden 4.1 Omschrijvingen van de cultuurhistorische waarden 4.2 Algemene beleidsregels voor de omgang met cultuurhistorische waarden Hoofdstuk 5 Uitvoering van het beleid 5.1 Paraplubestemmingsplan voor het facet cultuurhistorie

34

4

12 13 16 18 19 23

25 27 30 31 32 32

34 36 40 40

5.2 Bouwen in afwijking van het bestemmigsplan 5.3 Aanpalend beleid 5.4 Voorkomende vragen bij het beleid

40 41 42

Bijlagen I. Rijksbeschermd stadsgezicht Schoonhoven II. Lijst van rijksmonumenten III. lijst van gemeentelijke monumenten IV. Aanvullende selectiecriteria voor cultuurhistorische waarden V. Overzicht stedenbouwkundige ontwikkeling Schoongoven VI. Tabel schematische weergave toetsaspecten V. Lijst Cultuurhistorische waarden

44 45 46 49 50 52 56 58

Literatuur en websites

71

HOOFDSTUK 1 TEN GELEIDE

Wandelend door Schoonhoven wordt direct duidelijk dat het beheer en behoud van cultuurhistorie niet alleen een overheidsaangelegenheid is. Het historische karakter van de gemeente is grotendeels tot stand gekomen door de gedreven inzet van inwoners. Waardering voor de plek heeft ertoe geleid dat inwoners van Schoonhoven door de eeuwen heen gebieden hebben behouden, beheerd en waar nodig getransformeerd. Hierdoor is een bijzonder, karakteristiek stadsbeeld en een kenmerkend buitengebied ontstaan dat de sporen van het gebruik in het verleden herbergt. De zichtbare, maar ook de haast onzichtbare, sporen vormen tezamen de cultuurhistorische waarden van de gemeente. Inwoners en gebruikers van het gebied ontlenen meestal onbewust een zekere vorm van identiteit aan deze karakteristieke cultuurhistorische waarden. Zij weten zich te plaatsen in de historie van familie en woonomgeving, waardoor een gevoel van ‘thuis’zijn ontstaat. Niet iedereen zal zich bewust zijn dat zijn welzijn in hoge mate bepaald wordt door de cultuurhistorie. Dat cultuurhistorische waarden bijdragen aan een interessant woon- en werkklimaat wordt echter steeds vaker door onderzoeken aangetoond. Niet alleen de belevingswaarde van een cultuurhistorisch rijke omgeving wordt gewaardeerd, steeds meer wordt aangetoond dat benutting van cultuurhistorie ook een economische component heeft.

Bedrijven willen zich identificeren met een bijzondere omgeving, recreanten en toeristen trekken naar cultuurhistorisch waardevolle gebieden en ook de waarde van vastgoed stijgt als gevolg van benutting van cultuurhistorie.1 De zichtbare cultuurhistorische waarden zijn onderdeel van het dagelijks leven, maar door de afwezigheid van zichtbare verbanden tussen waarden kan de context waarbinnen deze geplaatst moet worden soms onduidelijk zijn. Door samenhang aan te brengen tussen de karakteristieken van stad en 1 Witteveen + Bos, Economische waardering cultuurhistorie, 2004 en diverse opvolgende

casestudies, waaronder economische waarde van buitenplaatsen in 2012. T. Bade & G. Smid, Eigenhaard is goud waard. M. Linssen e.a., Een cultuurhistorisch argument. Essaybundel. Projectbureau Belvedere, Utrecht, 2009.

landschap ontstaat een coherent cultuurhistorisch beeld waar verleden, heden en toekomst samen kunnen komen. Hierdoor ontstaat een kans om de ruimtelijke kwaliteit van stad en landschap verder te versterken. De verbanden worden in beeld gebracht door een cultuurhistorische inventarisatie en een bijbehorende waardenkaart waarop de waarden zijn verbeeld. Gekoppeld aan beleidsregels en waarderingen voor de afzonderlijke cultuurhistorische waarden ontstaat een koppeling tussen historie en toekomstvisie.

1.1. AANLEIDING De gemeente Schoonhoven heeft om deze reden in 2013 een erfgoednota vastgesteld voor de periode 2012 – 2017. Zij heeft daarin de volgende doelen gesteld: 1. Het aanwijzen van 100 nieuwe gemeentelijke monumenten; 2. Het aanpassen van de subsidieverordening voor gemeentelijke monumenten; 3. Het aanwijzen van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht; 4. Het aanpassen van de monumentenverordening; 5. Het opstellen van een cultuurhistorische inventarisatie; 6. Het opstellen van richtlijnen voor de openbare ruimte van het beschermd stadsgezicht; 7. Het verbreden van het draagvlak voor monumenten en archeologie. Deze adviesnota en de bijbehorende cultuurhistorische inventarisatie en waardenkaart is het directe gevolg van punt 5 van de doelstellingen uit de erfgoednota. Daarnaast is het collegeprogramma 2010-2014 “Samen bouwen aan een aantrekkelijk Schoonhoven” een tweede aanleiding voor deze inventarisatie en beleidsregels. In het programma worden de waarden van Schoonhoven als zilverstad, vestingstad en als toeristische trekpleister erkent. Daarmee heeft het college aangegeven te willen bouwen aan versterking en behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5

1.2. DOEL De totstandkoming van een gebied is nooit af. Door bevolkingsgroei, bedrijvigheid en andere ontwikkelingen zal de gemeente steeds in beweging zijn. Nieuwe gebruiksvormen leiden tot nieuwe inzichten over de inrichting van het landschap. De afgelopen eeuwen is dit vooral een traag proces geweest, maar vanaf het midden van de 20e eeuw is dit proces in een sneltreinvaart gevorderd. De gevolgen daarvan betekenen niet altijd een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en soms betekent het ook vernietiging van erfgoed. Omdat zowel overheid als burgers zich steeds vaker realiseren welke invloed de cultuurhistorische waarden hebben op de ruimtelijke kwaliteit in hun woon- en werkomgeving, wil de gemeente deze waarden een duidelijker rol geven binnen het ruimtelijke ordeningsproces. Een cultuurhistorische inventarisatie en waardenkaart voorzien in het inzichtelijk maken van de verbanden tussen de aanwezige cultuurhistorische waarden en de historische ontwikkeling van het grondgebied. De verbanden vormen een cultuurhistorische hoofdstructuur die binnen het juridisch ruimtelijk kader benut kan worden. Karakteristieke landschappelijke en stedenbouwkundige kenmerken worden in een historisch ontwikkelingsbeeld geplaatst en geven richting aan het gewenste ruimtelijke beleid.

De gemeente legt hiermee een duidelijke visie neer over de wijze waarop zij het belang van de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen ruimtelijke ontwikkelingen zal afwegen. Voor iedereen binnen de gemeente, inwoner of ontwikkelaar, ontstaat vooraf de mogelijkheid kennis te nemen van alle aspecten van de ruimtelijke afweging die gemaakt gaan worden. Dit beleid is daarmee nadrukkelijk niet bedoeld om de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente Schoonhoven te bevriezen, maar om te inspireren en de daaruit voortvloeiende ruimtelijke kwaliteit te benutten en te versterken.

1.3. BELEIDSUITGANGSPUNTEN 1.3.1. Rijksoverheid Wet Ruimtelijke Ordening en Besluit Ruimtelijke Ordening

6

Naast de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Schoonhoven, stelt de gemeente zich ten doel te voldoen aan de beleidsregels van de rijksoverheid. Binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening conform de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) dient de gemeenteraad een veel omvattende belangenafweging te maken die moet resulteren in het leggen van bestemmingen en met het oog op die bestemmingen vast stellen van regels omtrent het gebruik, met inbegrip van mogelijkheden voor bebouwing, van de in het plan begrepen gronden.2 Hierbij is het doel dat deze afwegingen leiden tot een voor de gemeenschap zo gunstig mogelijk geheel.3 Sinds 1 januari 2012 is aan het besluit Ruimtelijke Ordening (BRO) artikel 3.1.6. lid 2a4 toegevoegd dat daarmee ook de aanwezige cultuurhistorische waarden noemt als onderdeel van de ruimtelijke afweging in het bestemmingsplan. Deze adviesnota voorziet in een overzicht en omgangsregels op hoofdlijnen voor de binnen de gemeente aanwezige cultuurhistorische waarden. Deze zullen nader uitgewerkt worden in het bestemmingsplan voor specifieke gebieden, ensembles en afzonderlijke objecten. Beschermde stads- en dorpsgezichten De rijksoverheid heeft jarenlang gebruik gemaakt van haar bevoegdheden om cultuurhistorische waarden binnen de lokale ruimtelijke kwaliteit op breed schaalniveau te behouden.

Zij heeft hiervoor het instrument ‘beschermd stads- en dorpsgezicht’ ingezet. Deze vorm van bescherming stelt de gemeente verplicht binnen de grenzen van het beschermde gebied een conserverend bestemmingsplan op te stellen. In de gemeente Schoonhoven komt één beschermd stadsgezicht voor dat in 1974 is aangewezen. Het beschermde gebied komt grotendeels overeen met het centrumgebied tussen de bolwerken (bijlage I).

2 Jurisprudentie Raad van State 19 januari 2011. 3 Toelichting WRO

4 Het betreffende artikel luidt: “(...)...een beschrijving van de wijze waarop met de in het

gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezig of te verwachten monumenten rekening is gehouden.”

Rijksmonumenten Naast gebiedsbescherming van het beschermd dorps- en stadsgezicht heeft de rijksoverheid de bevoegdheid (gebouwde) objecten aan te wijzen als rijksmonument. De toetsing van ontwikkelingen aan deze (gebouwde) objecten met een nationaal belang op het gebied van stedenbouwkundige, architectuur- of cultuurhistorische waarden, ligt bij de gemeente. Schoonhoven heeft 149 rijksmonumenten binnen de gemeentegrenzen. Een overzicht hiervan is opgenomen in bijlage II. 1.3.2. Provincie Zuid-Holland Structuurvisie Zuid-Holland De structuurvisie ‘Visie op Zuid-Holland’, daterend uit 2010 met een herziening in 2013, benoemt enkele waardevolle gebieden binnen de provincie. Deze gebieden hebben een hoge cultuurhistorische waarde en zorgen voor een hoge ruimtelijke kwaliteit van het gebied. De provincie richt zich met haar beleid op het behoud van het cultureel erfgoed binnen deze gebieden. De Oude Hollandse Waterlinie heeft binnen deze visie de waardering van kroonjuweel gekregen. Er is daarbij echter nadruk gelegd op de Wierickeschans en Weteringen. Schoonhoven wordt niet betrokken in de beleidsuitgangspunten. De Krimpenerwaard is binnen de structuurvisie aangewezen als topgebied. Dit zijn gebieden of structuren met een gave cultuurhistorische samenhang met betrekking tot archeologie, landschapshistorie en nederzettingen.

Aandacht wordt daarbij gevraagd voor de continuïteit van de gebiedsspecifieke patronen, bebouwingslinten en afzonderlijke bouwwerken zoals molens en boerderijen. Behoud en versterking zijn de uitgangspunten van het provinciale beleid. Daarnaast heeft de classificering ten doel te bevorderen dat de cultuurhistorie kan worden beleefd en bijdraagt aan de recreatief-toeristische kwaliteit van het landelijk gebied. De gebiedsomschrijving en de beleidslijnen zoals geformuleerd door de provincie Zuid-Holland zijn meegenomen in de gebiedswaarderingen bij en in de algemene omgangsregels in deze adviesnota.

Verordening ruimte: molenbiotopen De beleidsregels uit de verordening ruimte van de provincie (2010) dienen door de gemeente ook te worden meegenomen bij de actualisering van haar bestemmingsplannen. In deze nota is het begrip molenbiotoop geïntroduceerd. De molenbiotoop is bedoeld om molens te laten functioneren met een goede windvang. De molen Bonrepas aan de gelijknamige weg ten noorden van de kern van Schoonhoven valt binnen deze beleidsregeling. De biotoop is op de cultuurhistorische kaart opgenomen. Beleidsvisie Cultureel Erfgoed 2013-2016: Erfenis, erfgoed en erfgoud In het nieuwe provinciale erfgoedbeleid voor de periode 2013 – 2016 zet de provincie zich in om met andere partijen de handen ineen te slaan teneinde het erfgoed te beschermen, te ontwikkelen en te benutten. Centraal in haar beleid staan de zogenaamde zeven Erfgoedlijnen. Dit is een geografische structuur (kust, trekvaart, oude duinenrij, eiland, etc.), die meerdere monumentale stippen met één gemeenschappelijk historisch verhaal verbindt tot één streep of lijn op de kaart. Het zijn ensembles van erfgoed, landschap en water, die kwaliteit verschaffen aan de ruimte en beschikken over groot recreatief en toeristisch potentieel. Schoonhoven ligt binnen de erfgoedlijn “Oude Hollandse Waterlinie. 1.3.3.

Gemeentelijk beleid Structuurvisie De structuurvisie met de titel “Een vitale stad in het Groene Hart” geeft onder andere een overzicht van de inbreidings- en uitbreidingslocaties binnen Schoonhoven. Veel van deze locaties hebben een hoge cultuurhistorische waarde. In de structuurvisie wordt hier in zekere mate rekening mee gehouden in de vorm van het in stand houden van de lobbenstructuur van de vestingstad en het laten binnendringen van het landschap in de stad. Daarnaast wordt cultuurhistorie als een belangrijk aspect gezien voor de ontwikkeling en versterking van het toerisme in de stad. Binnen de verdere uitwerking van de plannen zoals opgenomen in de structuurvisie kan deze adviesnota bijdragen in het benutten van de

7

Grote Gracht met de nog niet tot stadspark ingerichte Trompertswal, ca. 1915 (foto Groene Hartarchief, stamnummer 26335)

Cultuurhistorie is een begrip dat wordt gebruikt om de verschillende sporen van het menselijk handelen door de eeuwen heen, zowel bovengronds als ondergronds, aan te duiden. Eigenlijk wordt er daarbij uitgegaan van de beschavingsgeschiedenis. Het menselijk handelen is een doorgaans doelgerichte activiteit gekoppeld aan een bepaald moment in de tijd, de geografische kenmerken van een gebied en denkbeelden van mensen. De ene handeling roept een nieuwe op. Hierdoor ontstaat een kettingreactie zo ontstaat het cultuurhistorische ‘verhaal’ van een gebied. Cultureel erfgoed omvat voorwerpen in musea, archeologische vondsten, archieven, monumenten en landschappen (materieel erfgoed), en ook de daaraan verbonden gebruiken, verhalen en gewoonten (immaterieel cultureel erfgoed).

8

Erfgoednota 2012 – 2017 cultuurhistorische waarden als onderdeel van de ontwikkeling van de stad op de gebieden van toerisme, stadsuitbreidingen en wonen en werken. Zoals in de aanleiding al genoemd, heeft het college zichzelf in de nota erfgoed onder andere ten doel gesteld het erfgoed van de gemeente Schoonhoven in kaart te brengen. Ten aanzien van de belangrijkste ontwikkelingsperioden heeft de gemeente hier de focus gelegd op de periode tot 1830 en de periode tussen 1830 en 1940. Daarbinnen wil zij de verschillende verhaallijnen duidelijk in beeld brengen. Binnen de verhaallijnen komen verschillende waarden voor in verschillende gradaties van waardering. Variërend tussen hoge, middelhoge en lage waarden. Daarnaast wil de gemeente de komende periode 100 nieuwe gemeentelijke monumenten aanwijzen. Deze komen deels voort uit de uitgevoerde inventarisatie. De huidige gemeentelijke monumentenlijst is opgenomen in bijlage III. Welstandsnota De welstandsnota van de gemeente Schoonhoven is in 2011 herzien. Deze nota is gebiedsgericht ingedeeld en bevat beschrijvingen van de aanwezige ruimtelijke karakteristieken binnen de gebieden. Hieraan zijn algemene en specifieke criteria voor ontwikkelingen opgenomen. De gebiedsbeschrijvingen uit de welstandsnota zijn meegewogen In de waarderingen voortkomend uit deze inventarisatie.

1.4. WERKWIJZE INVENTARISATIE 1.4.1. Oorspronkelijke uitgangspunten De gemeenteraad van Schoonhoven heeft in 2012 haar historie samengevat in zeven thema’s. Deze vormen het uitgangspunt voor de inventarisatie en bieden de context voor losse objecten en structuren. Het betreft de thema’s: 1. Middeleeuwse ontginningen 2. Waterbeheer 3. Nederzettingen en bebouwing 4. Stadsvorming

5. Verdediging van stad en land 6. Bedrijvigheid en infrastructuur 7. Historisch groen Deze thema’s zijn het gevolg van een samenwerking met een door gemeente opgerichte werkgroep van lokale deskundigen op het gebied van archeologie en erfgoed. De zeven thema’s vertegenwoordigen het totale ontwikkelingsbeeld van de gemeente binnen de twee belangrijkste aandachtsperioden5. Te weten de ontwikkeling tot 1830 en de ontwikkeling tussen 1830 en 1940. Binnen de thema’s komen verschillende soorten erfgoedwaarden voor. Deze kunnen worden vertaald naar gebieden, (infra)structuren, gebouwde objecten en historisch groen. Met deze thema’s in het achterhoofd is gestart met literatuuronderzoek en bestudering van historische kaartbeelden van de gemeente. Door de rol van Schoonhoven binnen de Hollandse Waterlinie zijn er relatief veel historische kaarten voor de gemeente beschikbaar. De gegevens van het literatuur- en kaartonderzoek hebben het grootste deel van de cultuurhistorische geheimen prijsgegeven. De uitkomsten zijn vervolgens getoetst aan de hand van historische prenten en foto’s en niet onbelangrijk aan de realiteit. Dit laatste heeft plaatsgevonden aan de hand van een beknopte veldinventarisatie waarbij gekeken is naar de nog aanwezige resten in het landschap en de stad die verwijzen naar het historisch gebruik ervan. N.B.

In deze inventarisatie is alleen uitgegaan van het bovengrondse cultuurhistorisch erfgoed. De gemeente Schoonhoven heeft in 2011 een archeologische beleidskaart op laten stellen, welke in 2012 is vastgesteld. De resultaten van de hiervoor beschreven werkwijze zijn opgenomen in een inventarisatielijst aangevuld met een beknopte waardering per erfgoedwaarde. Tevens is de lijst in beeld gebracht op de cultuurhistorische waardenkaart.

5 Conform erfgoednota Schoonhoven 2012 – 2017

. 9

1.4.2. Aanpassingen tijdens inventarisatie Tijdens de (veld)inventarisatie bleek in de vastgestelde cultuurhistorische thema’s een overlap te zitten. Daardoor zouden waarden een relatie hebben, zoals de Middeleeuwse ontginningen en de bijbehorende infrastructuur, van elkaar gescheiden worden. Dit was tegenstrijdig aan het achterliggende idee dat de thema’s samenhang moeten aanbrengen binnen de waardering van het erfgoed. Na overleg met de werkgroep en de beleidsmedewerker Monumenten en Archeologie van de gemeente Schoonhoven is besloten een kleine verschuiving aan te brengen binnen de thematisering. De werkgroep heeft daarbij wel de nadrukkelijke wens geuit de historische lijnen van zowel het buitengebied als de stad binnen de verschillende thema’s zo helder mogelijk in beeld te brengen. Met dit uitgangspunt in het achterhoofd is de inventarisatie afgerond aan de hand van de volgende thema’s:

1.4.3. Begrenzing inventarisatie In de erfgoednota 2012 – 2017 is vastgelegd dat de inventarisatie van het erfgoed plaats zou vinden binnen de twee tijdsperioden 14e eeuw – 1830 en tussen 1830 en 1940. Het rijksbeleid is echter al verder. Het rijk hanteert een 50-jaren grens en selecteert momenteel erfgoed tot aan 19636. Tijdens de inventarisatie is in overleg met de betrokken wethouder en de werkgroep besloten aan te sluiten op de landelijke leeftijdsgrens. Daarmee is de inventarisatie uitgebreid met de naoorlogse ontwikkelingen binnen Schoonhoven. Hierin vallen onder andere enkele binnen de stadsmuren gelegen ontwikkelingen evenals enkele uitbreidingswijken ten noordwesten van het centrum.

1. Middeleeuwse ontginningen (incl. bijbehorende infrastructuur en bebouwing) 2. Nederzettingen, bebouwing en stadsvorming (incl. bijbehorende infrastructuur) 3. Verdediging van stad en land 4. Waterbeheer 5. Bedrijvigheid, met een onderverdeling in: a) zilverwerkplaatsen, b) fabrieken, c) overige bedrijvigheid 6. Historisch groen Een tweede aanscherping die tijdens het proces heeft plaatsgevonden is een aanvulling van de selectiecriteria. Uitgangspunt waren de criteria zoals deze door het rijk zijn geformuleerd voor waardering van erfgoed. Schoonhoven is echter dusdanig rijk dat aanvullende criteria voor het selecteren van erfgoed noodzakelijk zijn om te voorkomen dat deze inventarisatie leidt tot het ‘bevriezen’ van de gemeente. De aanvullende criteria hebben met name betrekking op de (gebouwde) objecten binnen een thema. In bijlage IV zijn de selectiecriteria opgenomen.

10

6 Veel van de gebouwen die in Schoonhoven binnen in de Wederopbouwperiode zijn

gebouwd, zijn echter jonger. Hierdoor vallen belangwekkende gebouwen zoals de Vakschool (Mr. Kesterstraat 10) buiten deze inventarisatie.

Afbeelding 1 Schoonhoven Pre-stedelijke fase omstreeks 1250 (uit: Historische Stedenatlas van Nederland, dl 5, p.7)

Afbeelding 2 Detail Satellietfoto Schoonhoven met in rood aangegeven een deel van de Oude Sidewende of Langesteeg (foto Google Earth).

11

HOOFDSTUK 2 Schoonhovense geschiedenis in thema’s De ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Schoonhoven wordt bepaald door de rijke historische ontwikkeling van de gemeente. Niet alleen de gebouwde omgeving ademt deze rijkdom van eeuwen aan ontwikkeling uit. De landelijke gebieden rondom de kern zijn doordrenkt van deze historie en hebben hun stempel gedrukt op de ontwikkeling van de stad Schoonhoven. De kwaliteit in deze gebieden is het directe gevolg van de geografische onderlegger gecombineerd met eeuwen aan menselijk handelen. De geschiedenis van de stad geeft een beeld van de samenhang tussen (gemaakt) landschap en stadsontwikkeling. In de navolgende paragrafen wordt de geschiedenis van de stad omschreven aan de hand van de door de gemeenteraad vastgestelde thema’s. De omschrijving van de geschiedenis is niet uitputtend. Het bevat een omschrijving op hoofdlijnen als basis voor de cultuurhistorische kernkwaliteiten en de inventarisatie. In bijlage V wordt een beeldoverzicht van de ontwikkeling van Schoonhoven gegeven aan de hand van historische kaarten.

2.1 MIDDELEEUWSE ONTGINNINGEN PERIODE TOT 1830

De pre-stedelijke fase van Schoonhoven wordt bepaald door de natuurlijke waterlopen in het gebied. Gelegen ten noorden van de Lek, op de grens van de Krimpener- en Lopikerwaard is de bodem rondom Schoonhoven deels gevormd door deze getijdenrivier. Het gebied werd gekenmerkt door veenmoerassen met brede rivierbeddingen en uit klei opgebouwde oevers. De veenmoerassen waren ontstaan nadat de Noordzee het gebied niet meer kon bereiken als gevolg van de ontwikkeling van de Oude Duinen (aanvang ca. 3000 v. Chr.). Zo ontstond oppervlakteveen achter de Oude Duinen op de strandvlakten. Na deze ontwikkeling heeft de zee in dit gebied geen invloed meer gehad, alhoewel dat in veel andere gebieden wel het

12

geval was. In de gehele Krimpenerwaard ligt daardoor het veen aan de oppervlakte met uitzondering van de oevers langs de Lek, de Vlist en de Zevender. Daar is een laag klei afgezet over het veen met een dikte van 1 tot 5m. Ook in de Lopikerwaard is het veen voornamelijk afgedekt met klei. Slechts op een enkele plaats ligt het veen daar aan de oppervlakte. Ten noorden van de nederzetting Schoonhoven is de bodem gevormd door een vermenging van veen en klei. Deze bodemgesteldheid had tot gevolg dat in het gebied rondom het huidige Schoonhoven eigenlijk nauwelijks werd gewoond. De natte veenmoerassen vormden geen aantrekkelijk woongebied. Slechts op een enkele plek aan de Lek en de Hollandse IJssel werd op de stroomruggronden en oeverwallen gewoond. Deze woongebieden lagen echter meer oostelijk van Schoonhoven in de huidige provincie Utrecht. Het hierboven omschreven landschap was het landschap waarmee de Middeleeuwse bewoner van het gebied aan de slag moest om de woestenij tot cultuurland te vormen. De ontginningen in de gouw tussen Lek en Hollandse IJssel waren in de 11e eeuw al een flink stuk op gang. De veen- en klei-op-veen-gronden werden aan de hand van systematische aanleg van sloten geschikt gemaakt voor veeteelt en akkerbouw. Hierdoor ontstonden opstrekkende kavels met op de koppen boerderijen.

De oudste ontginningen lagen op de stroomruggen en langs de benedenlopen van riviertjes, zoals de Vlist en de Zevender. Deze waterlopen vormden een belangrijke basis voor die ontginningen. Hierbij werd de bovenloop van de Vlist vergraven. Dat deel draagt nu de naam Voorne.7 De iets jongere ontginningen hebben een gegraven veenwatering of natuurlijk veenwatering als basis van de ontginning. In de binnenlanden werd pas vanaf de tweede helft van de 11e eeuw gestart met de ontginningen en deze werden zo nodig voorzien van voor- zij- en achterkaden. Langs de rivieren was er al vroeg sprake van dijkjes met daarin sluisjes. Binnen de grenzen van de gemeente Schoonhoven liggen twee belangrijke ontginningen in het gebied. Dit zijn de ontginning Bergambacht – Bovenberg en ten oosten daarvan de ontginning Willige – Langerak en Noord en Zuid

7 Visser, Elsing, Hendrikx, e.a. (1990), p. 5 en 7

.

Zevenderpolder. Deze polders werden aan de westzijde begrensd door een kade, de ‘Oude Sidewende’. Deze structuur is nu ook nog in het landschap herkenbaar ter plaatse van de huidige Populierenlaan (afb. 2). Een tweede, overeenkomstige structuur, die nog steeds herkenbaar aanwezig is, is het Moordenaarslaantje (Moordenaarssteeg of Lollaardsteeg) die tussen de Lopikerweg en De Montignylaan loopt. Het vormde de begrenzing van één van de kampen van de ontginning Den Nesse. De Schelebrug kan gezien worden als een restant van een verbindingsweg tussen de Lek en Lopik. Deze weg is echter al opgeheven bij de aanleg van de bolwerken. Het noordzuid lopende deel van de Opweg, doorlopend in de Oude Haven en Haven, kan vermoedelijk worden gezien als de oostelijke begrenzingskade van de polder Bergambacht. In deze laatste polder lagen tevens een tweetal tiendblokken. Te weten Groot en Klein Tienhoven, waarvan de (koren)tienden werden verdeeld over de heer van Schoonhoven en de heer van Bergambacht8. Het gebied tussen deze twee ontginningen, bestaande uit het Hofland en de Nesse, waren restontginningen. Alhoewel het Hofland blijkens een rentmeestersrekening uit het midden van de 15e eeuw wel tot de polder Bergambacht werd gerekend.9 Deze twee restgebieden werden pas later verdeeld in hoeven.

Verschillende bronnen, zoals tiendrechten, vermeldingen van nederzettingen, relaties tussen moeder- en dochterparochies, e.d. tonen aan dat rond ca. 1200 alle ontginningen in het gebied gereed waren ten noorden van de Lek. De verantwoordelijkheid voor alle ontginningen lag in handen van de bestuurders in de regio, zoals de graven van Holland en de bisschop van Utrecht.

2.2. NEDERZETTINGEN, STADSVORMING EN BEBOUWING PERIODE TOT AAN 1830 EN PERIODE TUSSEN 1830 EN 1963 In de onder 2.1. omschreven ontwikkeling is er nog geen sprake van een echte nederzetting. Alhoewel de naam al in het midden van de 13e eeuw in oorkondes voorkomt, zal er op dat moment niet veel meer zijn geweest dan 8 Visser 1964, p. 21. 9 idem

een versterkt huis, van het geslacht Van der Lede, ter plaatse van het latere kasteel en enkele huisjes daar omheen. Schoonhoven was in die tijd een beleende heerlijkheid. Enkele decennia later in 1280 is er sprake van een leengoed met een recht (rechtspraak) en poort. Dan heeft er een duidelijke stedelijke ontwikkeling plaats gevonden, waardoor Schoonhoven als stad vorm heeft gekregen. Schoonhoven ontstaat dus rond het midden van de 13e eeuw aan de monding van de Zevender op het moment dat de ontginningen in het gebied zo goed als afgerond zijn. De vorm van de ontginningen hebben een enorme invloed gehad op de aanleg van het stratenpatroon. Het was geen zelfstandige ontwikkeling, maar werd gevormd op de reeds bestaande ontginningen van Bergambacht – Bovenberg en Willige – Langerak. Nog steeds is dat herkenbaar aan een beperkt hoogteverschil tussen de oost- en westzijde van de Haven. Maar dat is niet het enige wat zichtbaar is in de stad en herinnert aan de pre-stedelijke fase. De stad ontwikkelde zich direct aan de westzijde van de polderkade van Bergambacht. Zo kwamen het westelijke deel van de Haven, de Oude Haven en de Koestraat gereed. Ook ten oosten van de Haven werd gebouwd, maar de ontwikkeling was daar in eerste instantie beperkt tot de gevelwand langs de oostelijke Haven.

Uit deze vroeg stedelijke fase dateren twee belangrijke infrastructuren die nog altijd zichtbaar zijn in het stratenpatroon. Te noemen zijn de huidige Kerkweg met doorloop in de C.G. Roosweg. Deze is van onbekende ouderdom en gezien de ligging heeft de weg oorspronkelijk dienst gedaan als tiendweg. De tweede structuur is die tussen de kerk van Willige – Langerak en het centrum van Schoonhoven. Deze laatste is terug te vinden in het tracé Stadhuisstraat – Carmelietenstraat – Meent – De Montignylaan. De tweede weg was een belangrijke verbinding tussen de Haven van Schoonhoven en de kerk in Willige. De loop van deze verbinding bepaalde voor een deel de positionering van de erven in het centrum van Schoonhoven. Ook de loop van de prestedelijke Zevender, die dwars door het huidige Schoonhoven liep, is terug te zien in het tracé van de Lange Weistraat. De kronkelige loop, die afwijkend is van de verder grotendeels orthogonale stadsindeling, is bepaald door de loop van dit riviertje.

13

Uitsnede uit de plattegrond van Schoonhoven en Nieuwpoort, Jacob van Deventer, 1565 (Kaartcollectie binnenland Hingman Nationaal Archief).

14

In de 14e eeuw groeide Schoonhoven gestaag. Dit was mede ingegeven door de in 1300 verleende vergunning voor het omvesten van de stad. Schoonhoven groeide in het zuiden richting de Lek en aan de oostzijde van de Zevender. De aanleg van de stadsmuren, de dijk en later de verdere verstedelijking leidden ertoe dat de Zevender steeds meer werd beperkt tot een smalle sloot en uiteindelijk in 1933 werd gedempt. Rond het midden van de 14e eeuw werd een sluis aangelegd in de dam aan de Haven. Tot de tijd hadden de kades van de Haven en de Dam dienst gedaan als waterkering. Deze dam vormde een verzwakking van de waterkering, maar mogelijk een verbetering van het scheepverkeer en de handel binnen Schoonhoven. Tot 1572 werd de stad in westelijke richting uitgebreid. De Havenstraat vormde het achterom van de Koestraat met kleine bedrijvigheid, waarbij de Havensloot onderdeel uitmaakte van de infrastructuur voor vrachtverkeer over water. Niet lang daarna aan het einde van 16e of begin van de 17e werd ook de Scheepsmakerhaven (destijds Nieuwe Haven genaamd) binnen de stad getrokken. De aanleiding hiervoor was de aanleg van een aarden wal en nieuwe gracht als herstel van de in 1575 door de Spanjaarden verwoeste zuidelijke vesting. De jaren daarna, tussen 1585 – 1590 werden het Orangebolwerk, het Blockbolwerk en het Kruittorenbolwerk en de daartussen liggende wallen aangelegd.

Ook het de zuidelijke wallen werden in deze periode aangelegd. De daaropvolgende verbeteringen van de noordelijke en westelijke stadswallen en bolwerken (zie verder paragraaf 1.3. ) in de 17e en 18e eeuw, vergrootte het grondgebied binnen die omwalling. Dit had echter niet direct gevolgen voor de binnen de omwalling gelegen stedelijke groei. Het duurde nog tot in de 19e eeuw voor de open stukken binnen de stad aan de zijde van de Oude Singel bebouwd zouden worden. Opvallend binnen de gehele ontwikkeling van het stratenpatroon is dat deze strak de verkavelingsrichtingen blijft volgen van de Middeleeuwse ontginningen. Daardoor is binnen de oude stadsomwalling en bolwerken nog steeds het middeleeuwse landschap afleesbaar. In de 20e eeuw groeide Schoonhoven gestaag door. Gebieden aan de westen noordwestzijde van de middeleeuwse stadsmuren die nog tot ver in de 19e eeuw braak hadden gelegen, werden in de late 19e eeuw en vroege 20e eeuw verder bebouwd. Deels was er dus sprake van inbreiding. Vanaf het

midden van de 20e eeuw werd er echter gezocht naar ontwikkelingsruimte buiten de bestaande stad en zo ontstonden de wijken ten noordwesten en ten oosten van het centrum. Alhoewel er op verschillende plekken in deze wijken nog historische landschappelijke structuren te vinden zijn, zoals ter plaatse van de bocht in de H.A. Schreuderstraat / Vlisterstraat, is de oude landschapsstructuur in deze wijken toch minder afleesbaar. 2.2.1 Het kasteel Binnen de stadsontwikkeling nam de ontwikkeling van het kasteel een geheel eigen positie in. Tot het kasteel behoorde een omvangrijk gebied met een marktveld en landerijen. Onder andere de restontginning ’t Hofland was tot het eigendom van het kasteel te rekenen. Het centrum van het terrein werd bepaald door de burcht en de voorburcht. Deze laatste was voorzien van kleine bedrijfsgebouwen ten behoeve van het kasteel. In 1518 ging het kasteel in vlammen op. Uiteindelijke werd het kasteel in het begin van de 16e eeuw volledig afgebroken. Daarmee verdween deze volledig uit het stadsbeeld en de ruimtelijke inrichting van de stad. 2.2.2. De Hem Ten westen van de stedelijke bebouwing van Schoonhoven, tussen voormalige Kerkweg (huidige C.G. Roosweg) en de Lek, lag het klooster St. Michiel in Den Hem. De plaats waar dit klooster in 1396 werd gebouwd was toen in gebruik als boomgaard en was onderdeel van een klein buurtschap.

Het was bereikbaar via de Hemstoep, die vanaf de Lek toegang gaf tot de zijingang van het klooster. Deze loopt thans ter plaatse van de weg “de Hem” tussen de Lekdijk en de huidige C.G. Roosweg. De gemeenschap van de broeders bestond eerst uit enkele losse huisjes rond een kapel. Na een brand werd in 1407 de grondslag gelegd voor een klooster. Men noemde het klooster terloops: de Broeders in de Boomgaard of Broeders in de Hem. Waarbij ‘Hem” een verwijzing kan zijn naar ‘huisje’ of naar een inham in de Lekdijk. In 1494 werd het klooster door de bliksem getroffen en brandde het geheel af. Met hulp van andere kloosters en de eigen inkomsten kon het klooster hersteld worden. Echter niet voor lang. Nog geen eeuw later werd het klooster bezet en de gebouwen in as gelegd. Het klooster werd daarna niet

15

meer herbouwd. De grond werd in de 17e eeuw verkocht en als boomgaard is gebruik genomen.10 2.2.3. Versterkte Huis te Zevender In de Middeleeuwen vormde zich op de kleilagen rond het riviertje de Zevender een buurtschapje. In eerste instantie heette dit ‘Vijftienhoeven’. In de 13e eeuw kreeg het haar huidige naam. Onderdeel van dit buurtschapje was een versterkt huis van de Heren van Van der Lede / Arkel, die zich naar het huis te Zevender gingen noemen. De voormalige ligging van dit versterkte huis is nu nog in het landschap herkenbaar aan een omgracht terrein. 2.2.4. Willige Langerak Dit dorpje wordt voor het eerst in 1272 in akten genoemd. Het betreft dan de Heerlijkheid Willige-Langerak. Er is in die tijd al een parochiekerk aanwezig. Dat wijst weer op de aanwezigheid van een redelijk aantal bewoners van het gebied. Het op een verhoging in het landschap gelegen kerkje en het aan het begin van de huidige De Montignylaan gelegen oude rechthuis worden nog steeds gezien als de oude dorpskern van Willige-Langerak. De ligging van het kerkje op een heuvel verwijst naar de landschappelijke situatie ten tijde van de stichting van de eerste kerk. Er was duidelijk sprake van een nat landschap en mogelijke overstromingen van de Lek. De verhoging of terp was aangelegd ter bescherming van het gebouw in slechtere tijden.

Het gehele dorp Willige-Langerak werd in 1943 opgenomen in de gemeente Lopik. Na een gemeentelijke herindeling in 1970 werd de het westelijke deel, inclusief de oude dorpskern, bij de gemeente Schoonhoven gevoegd.

2.3. VERDEDIGING VAN STAD EN LAND PERIODE TOT AAN 1830 EN PERIODE TUSSEN 1830 EN 1963 De verdediging van stad en land was tweeledig. Enerzijds was er de schutterij die vanaf de Middeleeuwen tot in de 19e eeuw voor de orde en rust in Schoonhoven zorgde. De omvesting van de stad moest daarnaast 10 Van Berkum (1762), p. 439 – 447.

16

zorgen voor bescherming tegen aanvallen van buitenaf. Schoonhoven werd door haar ligging een spil in de verdediging van Holland binnen een netwerk van vestingen langs de (Oude) Hollandse Waterlinie. 2.3.1. Stadsmuren en bolwerken De in de Middeleeuwen aangebrachte stadsmuren bleken tijdens de Tachtigjarige oorlog onvoldoende bescherming te bieden. Geschut van de Spanjaarden zorgden ervoor dat de stad zich al aan het begin van de Tachtigjarige oorlog, in 1575, moest overgeven. Tussen 1582 en 1590 werd gestart met de aanleg van nieuwe versterkingen. Het Orangebolwerk, het Blockbolwerk en het Kruittorenbolwerk, de daartussen liggende wallen en de wal aan de zuidzijde van de stad kwamen binnen twee jaar tot stand. Door deze uitbreiding werd ook de Scheepmakershaven, die zich tussen de stad en een opslibbing in de Lek bevond, binnen de nieuwe wallen gebracht. De Scheepmakershaven (destijds Nieuwe Haven geheten) bood plaats aan ambachtelijke industrieën zoals pottenbakkers en zeilmakers. In 1601 kwam dit deel met de bouw van een nieuwe Veerpoort gereed (afb. 3). Voor Schoonhoven betekende 1672, net als voor de hele Republiek der Zeven verenigde Nederlanden, een nieuw rampjaar. Tijdens de aanleg van de (Oude) Hollandse Waterlinie in dat jaar kreeg Schoonhoven een vestingfunctie toebedeeld.

Al snel bleek dat de Middeleeuwse ommuringen aan de noord- een westzijde van Schoonhoven in verval waren geraakt. In 1673 werd daarom gestart met de voltooiing van de vestingswerken (afb. 4) volgens het Oud-Hollandse stelsel. De westelijke uitbreidingen vonden ver buiten de Middeleeuwse ommuring plaats, omdat er ruimte nodig was voor de vele troepen die in de stad ingekwartierd werden. Deze vergroting van de binnen de vestingwerken gelegen gronden hebben niet direct tot uitbreiding van de stad ten westen van de Oude Singel geleid. Die ontwikkeling duurde nog tot ver in de 19e eeuw. Eind 17e eeuw waren de vestingwerken aan de noord- en westzijde afgerond. Aan de ravelijnen, die buiten de vestingwerken lagen, is nog tot ver in de 18e eeuw gewerkt. De vestingwerken hebben tot 1816 dienst gedaan. Door de ontwikkeling van de Nieuwe Hollandse Waterlinie verloor Schoonhoven haar rol.

Afbeelding 3 Kopergravure van Schoonhoven, Marcus Boxhorn naar Guicciardini 1632. (Antiquarische afbeelding van internet).

Afbeelding 4 Tekening van de vesting Schoonhoven. Genesis Paen, 1698 (Kaartcollectie Binnenland Hingman, Nationaal Archief).

Schoonhoven werd niet langer gezien als strategisch punt binnen de linie. Net als andere vestingsteden die hun rol verloren, werd Schoonhoven als vesting opgeheven. Als gevolg daarvan werden de omwalling en bolwerken ten dele ontmanteld. De wallen aan de rivierzijde met het Orangebolwerk en het verdedigingswerk ter plaatse van het huidige hotel Belvedère mochten vanwege de waterkerende functie in stand blijven. De overige bolwerken werden ter egalisatie aan de gemeente aangeboden en dit gebeurde geleidelijk tot aan 1900. Het bleef een groene gordel langs de rand van Schoonhoven. In deze groene zone werden verschillende publieke en openbare functie of zaken ten behoeve van het algemene nut gerealiseerd, zoals de gasfabriek en de watertoren. Aan de noordoostzijde van de voormalige vesting werden wandelpaden en plantsoenen aangelegd op de wallen. Op zich was deze ontwikkeling niet geheel nieuw, want er werd in vredestijd altijd al door burgers op de wallen gewandeld. De met hakhout (eiken, linden, e.d.) beplantte wallen en bolwerken waren daar zeer geschikt voor. Het verschil met de ontwikkeling van een stadspark in de 19e eeuw was echter dat er een ontworpen wandeling werd aangelegd met uitzichtpunten over het omringende landschap en plantsoenen. De kadastrale minuut van 1828 geeft een fraai inzicht in deze ontwikkeling.

Het schept een beeld van de publieke wandelpaden en de particuliere tuinen. Op het Kruittorenbolwerk werd een katholieke kerk met begraafplaats aangelegd. Het Orangebolwerk werd ingericht als algemene begraafplaats. 2.3.2. Garnizoenstad Na de Tachtigjarige Oorlog besloot de overheid om in verschillende plaatsen garnizoenen te vestigen. Dat gebeurde niet in een kazerne, maar de ongehuwden werden ingekwartierd bij burgers, die verplicht waren daar aan mee te werken. Gehuwden huurden een woning in of in de buurt van de Garnizoensstad. Slechts in tijden van oorlog werden barakkenkampen opgericht, zoals in 1672. Het oorlogsmaterieel en de voorraden werden wel in een speciaal daarvoor opgericht gebouw opgeslagen. Aan de Oude Haven werd een arsenaal gebouwd en ingericht (thans zilvermuseum). Na de ontmanteling van 1816 kreeg ook het arsenaal een nieuwe functie. Maar tegen het midden van de 19e eeuw kwam de militaire functie toch weer terug naar Schoonhoven en

17

werd er wederom een garnizoen in de stad gelegerd. Het arsenaal werd in die tijd verbouwd tot kazerne. In 1876 werd vlak bij de kazerne een kantine gebouwd aan het Doelenplein 12. Op het Blockbolwerk werd een militair exercitielokaal, later kanonnenloods (thans Bastion 5), opgericht. Daarmee kreeg Schoonhoven midden in de stad weer een militaire functie met alle roering die daarbij hoorde. Tot in 1967 is de situatie zo gebleven. In dat jaar verliet het laatste garnizoen de stad definitief. 2.3.3. Stadsschutterij In Schoonhoven wordt er al aan het einde van de 14e eeuw gesproken over een schuttersgilde11. Er is dan ook sprake van een schuttersveld ten oosten van de Botersloot. Deze werd aangeduid met de term ‘oude Doelen’. In de 15e eeuw werden er nieuwe doelen aangelegd op de zuidboomgaard van het kasteel op het Hofland, ten oosten van de Stinkvliet. Dit waren de st. Jorisdoelen. Op het terrein verrees in de 17e eeuw een doelenhuis, als plek waar o.a. de schutters samen kwamen. Dit oude huis is aan het einde van de 18e eeuw vervangen door het huidige doelenhuis. Van Deventer tekent in de 16e eeuw op zijn kaart en paal met een vogel, dat symbool stond voor het schuttersgilde (de vogel als doel voor de schutters). Hiermee wilde hij mogelijk aan willen geven dat de schutters in deze periode ook op het huidige Doelenplein oefenden.

2.4. WATERBEHEER PERIODE TOT AAN 1830 EN PERIODE 1840 - 1963 Het waterbeheer in Schoonhoven richt zich aan de Zuidzijde op de Lek. Deze grote rivier heeft een veel invloed gehad op de ontwikkeling van het grondgebied direct aan de rivier. Aan de andere drie zijden van Schoonhoven is het waterbeheer niet minder relevant. De ontgonnen polders vragen constante aandacht in het beheer en de waterstanden. 2.4.1. Beheersing van de Lek De Lek kende getijden en daarnaast vele overstromingen in de seizoenen. Het ontgonnen landschap en de het ‘gewone’ hoogwater van de Lek lagen bijna op gelijke hoogte. Ieder jaar trad de rivier minimaal één keer buiten 11 Van Groningen (1996), p. 120

18

haar oevers. Wanneer dit gebeurde nam de rivier zandsediment en klei mee dat oeverwallen langs de rivier vormde. Op andere plekken, in de kommen die tussen oeverwal en bedding ontstonden, daalde het slib neer. Dit begroeide weer, waardoor de rivierbedding regelmatig verplaatste. De bedijking van de Lek loopt niet als een rechte lijn door het landschap en langs de Lek. Dit is het gevolg van het gebruik van de bestaande oeverwallen als basis voor de aanleg van de dijken. Deze waren ook niet recht en lagen, afhankelijk van de loop van de bedding en het hoogteverschil in het landschap, dichter naar of verder weg van de rivierbedding. De dijk heeft daardoor ook in de huidige situatie een natuurlijke vorm. De natuurlijke oeverwallen (tot ca. 1m), die langs de Lek waren gevormd voor de ontginningen, vormden nauwelijks bescherming bij overstromingen. Om deze reden waren er bij de ontginningen van het gebied ook kades aangelegd op de bestaande oeverwallen, die het water van de Lek tegen moesten houden. Deze vorm van waterkering was al voor 1150 aanwezig. De hoogte van de kades en later dijken werd naarmate de tijd vorderde steeds verder verhoogd. Dat gebeurde met buitendijks gelegen klei dat werd uitgestoken. De kleilagen op de waterkering werden aangestampt.

In de periode rond 1300 waren de kades langs de Lek slechts 1.40 meter hoog, aan het eind van de 17e eeuw een ruime 3 meter en in de huidige situatie circa 6 meter. Langs de Lekdijk west is er voornamelijk sprake van een schaardijk. De rivier loopt hier grotendeels direct langs de dijk. Er zijn daardoor geen uiterwaarden aanwezig. Aan de zijde van de Lekdijk oost is dat anders. Daar zijn stroken voorland aanwezig en is er sprake van baardijken. De waterkering van de Lek liep tot 1760 door de stad Schoonhoven heen. Het tracé liep langs de Lekdijk oost, de Korte Dijk (tot begin 20e eeuw Korte Dam geheten), langs de Haven oost over de Dam en via de Haven west naar de noordzijde van de Voorhaven en uiteindelijk verder langs de Lekdijk west. Via de Voorhaven, het Gat in de haven, kon de Lek de stad binnenkomen. . Een dam en later de sluizen moesten voorkomen dat de Haven zou overstromen bij hoog water. Na het gereedkomen van de buitensluis in de winter van 1762/1763 verloren de Haven en de Dam hun

waterkerende functie en liep het tracé van de dijk vanaf de Korte Dijk naar de Voorhaven. 2.4.2. Waterbeheer in de polder Bij de ontginningen rondom Schoonhoven werd gebruik gemaakt van een aantal natuurlijke riviertjes, zoals de Zevender en de Vlist. Er werden ook nieuwe verbindingen en weteringen gegraven, zoals de Voorne en de Botersloot. Deze waterlopen vormen de belangrijkste afvoeren voor het polderwater. Voor de 16e eeuw werd er vanuit de aan de Lek grenzende polders (o.a. Bergambacht) ook gelijk via sluisjes op de Lek geloosd. Door het stijgende waterniveau van de Lek werd dit langzaamaan onmogelijk en werd bemaling met molens noodzakelijk. In het landschap staan op verschillende plekken molens die nog steeds helpen bij het bemalen van de polders. De meest opvallende is de molen Bonrepas aan de gelijknamige weg. Andere molens in het gebied zijn inmiddels verdwenen of vervangen door elektrische gemalen, zoals aan lopikerweg 54 (niet meer functionerend). De historische wateraansluiting via het Wonder van Schoonhoven naar de polders Cabauw, Zuid-Zevender, Vijftienhoeven en Willige Langrak is nog wel in stand. In het landschap zijn de oude molenplaatsen nog steeds herkenbaar aan de aanwezige landschappelijke structuur van waterlopen en kleine, overwegend cirkelvormige, door molenvlieten omsloten percelen.

Naast de natuurlijke riviertjes, de gegraven weteringen, de molens en gemalen zijn met name de kavelsloten een belangrijk onderdeel van het landschap. Deze zorgen ervoor dat afzonderlijke kavels droog blijven. Het landschap bood in de voorgaande eeuwen plaats aan een groter agrarisch assortiment dan nu. Het natte karakter maakte het uitermate geschikt voor de aanleg van rietlanden langs de wateringen. Deze werden gemaaid en als materiaal voor verschillende huishoudelijke producten gebruikt. Tussen de wei- en akkerlanden (waaronder gras, hennep, hop, vlas, .e.d) werden ook gebieden met fruitbomen, hakhout en pestbosjes aangeplant. Het hakhout werd met name aangelegd op percelen dicht langs de wegen en de iets hoger gelegen (drogere) kades. Hierdoor zijn ook in het huidige landschap de kades nog herkenbaar aan de beplanting van iepen en elzen. Wilgen komen ook veel voor in het polderlandschap. Omdat deze boomsoort beter

tegen natte voeten kan, werden deze ook geplant direct langs de oevers van de wateringen en langs de opstrekkende kavels geplant. Met het verder inklinken en daardoor vernatten van de bodem is de diversiteit van het agrarische landschap ingeperkt en komt er nu voornamelijk veeteelt voor.

Afbeelding 4 Plattegrond van Schoonhoven uit Blaeu's Toonneel der Steden,1652 (afbeelding Wikipedia)

2.5. BEDRIJVIGHEID PERIODE TOT AAN 1830 EN PERIODE 1840 - 1963 De ligging van Schoonhoven aan de Lek, de Vlist en de Zevender en de aanleg van de Haven maakten het mogelijk voor de stad om zich te ontwikkelen naar een handelsgerichte gemeente. Schoonhoven heeft echter

19

bij de riviervaart op de Lek te kampen gehad van de invloed van Dordrecht, die wilde voorkomen dat Schoonhoven aan het internationale handelsverkeer deelnam. Ondanks de tegenwerking lukte het de Schoonhovenaren om al in de 14e eeuw graan te verhandelen met NoordFrankrijk ten behoeve van de bierbrouwerijen in de stad. Rondom de Haven en de Koestraat, met als achterom de Havenstraat en Havensloot, was er sprake van verschillende nijverheden die af en toe opbloeiden of juist weer afzwakten. Tegen 1500 namen veeteelt en visserij een vlucht, met name de zalmvisserij op de Lek werd een belangrijke bedrijfstak. In de stad was er onder andere textielnijverheid, leerlooierijen, touwslagerijen, koperslagerijen, pijpenmakers en oliemolens. Rondom de Scheepmakershaven waren ook verschillende nijverheden te vinden, zoals een zeilmakerij, timmerbedrijven, een pannen- en pottenbakkerij en een tapijtweverij. Ondanks alle bloeiende nijverheden en industrieën moet de rol van Schoonhoven als marktplaats niet onderschat worden. Ze had een sterke verzorgende functie als doorvoerhaven van producten (lokale kaas, boter, zalm e.d.) naar het achterland. Juist daaruit kwam een groot deel van inkomsten. Er werd al vroeg in de 16e eeuw gesproken over jaarmarkten die drie keer per jaar werden gehouden.

Met name de marktfunctie heeft Schoonhoven voor economische wisselvalligheden behoed.12 2.5.1 Goud- en zilversmederijen Een van de belangrijkste nijverheden binnen Schoonhoven waren de gouden zilversmeden. In de 17e eeuw, toen de vraag naar zilver hoog was, ontstond er een bloeiende handel. De grote zilvermeesters maakten zilverwerken op bestelling. Daarnaast werd de stad bevolkt door kleinere zilversmeden die op eigen risico seriematig producten maakten voor de verkoop. Specialisatie zorgde ervoor dat de zilversmederijen in de 18e en 19e eeuw verder konden groeien. In 1798 zijn er in de stad 34 patroons (werkplaatsen) en 80 werknemers. Door de snelle groei van het aantal werknemers, werden ook de werkplaatsen steeds groter.13 Na het vertrek van de Fransen verkeerde het land in crises, waardoor ook de zilverindustrie halveerde. De reden dat het zilver niet geheel uit Schoonhoven is 12 Henderikx (1990), p.10 13 Idem, p. 20

20

verdwenen, komt door de snelle groei van de rijkdom op het platteland. Tot aan het begin van de 20e eeuw is de ambacht bloeiend gebleven. Nog steeds is Schoonhoven bekend om haar zilver. Het ambacht wordt nog steeds overgedragen aan nieuwe leerlingen in de Vakschool, die voor de continuïteit van de beroepsgroep zorgt. De zilversmeden bevonden zich verspreid over de stad. De Haven, Oude Haven, Koestraat, Havenstraat en Havenstraatsewal huisveste zilversmeden. De smederijen waren meestal gelegen op de achterterreinnen van de woonhuizen. Het betreft smederijen met een oven en grote hoge ramen voor de toetreding van daglicht. Daarmee is het een zeer herkenbare architectuurtypologie binnen Schoonhoven. 2.5.2 (Nuts)bedrijven en industrieën De positie van Schoonhoven aan het water bood veel mogelijkheden voor transport. Hierdoor was Schoonhoven vanaf de 18e eeuw een aantrekkelijke vestingsplek voor bedrijven. Eén van de belangrijkste bedrijfstakken die een stempel op Schoonhoven heeft gedrukt, was de industrie voor verfgrondstoffen en verfproductie. De loodwitindustrie kwam in 1778 naar Schoonhoven. Loodwit was lange tijd een belangrijke grondstof voor verven, pleisters en plamuur. In 1923 werd de fabriek opgekocht door de gebroeders Schreuder, die een verffabriek in Schoonhoven hadden. De loodwitfabriek werd uiteindelijk de grootste loodwitproducent van Europa.

Tot 1996 heeft de fabriek in Schoonhoven gefunctioneerd. De fabrieken zijn inmiddels gesloopt. De verffabriek van de gebroeders Schreuder (later Hasco) kwam voort uit het schildersbedrijfje dat G.J. Schreuder in 1865 in de Koestraat was gestart. Het bedrijf breidde steeds verder uit en aan het begin van de 20e eeuw maakten het kant en klaar verfproducten voor huishoudelijk gebruik. In de ontwikkeling van het bedrijf legden zij zich steeds meer toe op het in eigen beheer produceren van verf- en verfbestanddelen. Mede als gevolg van enkele branden verhuisde het bedrijf naar een groter terrein aan de oostzijde van Schoonhoven. Meest kenmerkend voor de fabriek zijn de gebouwen aan de Voorhaven 33 en 35. Alle overige fabrieken zijn gesloopt. Door de eeuwen heen hebben meerdere kleinschalige fabriekjes zich in Schoonhoven gevestigd. Zij zijn niet allemaal even belangwekkend en zijn in de vergetelheid geraakt doordat er nu niets meer van terug te vinden is,

Dijkweg en –lichaam langs de Lekdijk oost (foto auteur)

De Langesteeg, of Oude Sidewende, tussen Willige Langerak en de Zevender aan de Lopikerweg, ca. 1905 (Groene Hartarchief stamnummer 60728)

Landschap gezien vanaf de Franse kade over Bergambachtse polder richting Lopikerweg (foto auteur 2013)

21

zoals de 19e eeuwse aardappelsiroopfabriek, die zich in de Veerstraat en later aan de Scheepmakershaven vestigde. Een ander 19e eeuws voorbeeld waar nog verwijzingen naar te vinden zijn in het stedelijke landschap van Schoonhoven is de gasfabriek. In 1856 kreeg Schoonhoven lopend gas dat door buizen werd aangevoerd. Het werd geleverd door de firma Brussen Goettsch & co die zich aan de Scheepmakershaven vestigde. In 1895 besloot de gemeenteraad dat het gas voortaan in gemeentebeheer moest worden gefabriceerd. De gemeente bouwde daartoe een nieuwe fabriek in de groene zone van de oude westelijke vestingwerken. Voor de productie van gas waren steenkolen nodig. Deze werden over de Lek aangevoerd. Thans is buiten de veerpoort aan de Lek nog een steiger aanwezig die werd gebruikt voor het lossen van het steenkool. De productie van gas heeft tot 1957 plaatsgevonden. Een 20e eeuws voorbeeld waarvan de aanwezigheid nog duidelijk herkenbaar is in de stedelijke inrichting van Schoonhoven is de Stoomzuivelfabriek aan de Lopikersingel 11. Deze fabriek werd in1901 opgericht door de gebroeders Ooms. Als gevolg van verschillende overnames heeft deze fabriek tot 1976 kunnen functioneren, alhoewel de stoomzuivelinstallatie al eerder was vervangen door nieuwere technieken. Noemenswaardig is ook de 20e eeuwse plateelfabriek in Schoonhoven, die in 1920 werd opgericht door T. Visser en T.V. Prins.

Het bedrijf trok haar werknemers aan uit Gouda waar een bloeiende plateelindustrie was. De fabriek met de fraaie Art Deco invloeden in de gevel (1929) verrijkt nog steeds het straatbeeld tussen de Wal en de Molenstraat. In 1901 kreeg Schoonhoven de eerste watertoren van de hele Krimpenerwaard als onderdeel van het waterleidingbedrijf. De gemeente startte met de bouw in 1900. Het zeer karakteristieke gebouw is benoemd tot rijksmonument. De ontwikkeling van bedrijven en fabrieken hebben in Schoonhoven voor een aantal grote en architectonisch opvallende gebouwen gezorgd. Met name de schaal van fabrieksgebouwen valt op binnen de kleinschaligheid van de bebouwing in de kern van Schoonhoven op. De 19e en vroeg 20e eeuwe bloei van de fabrieken laat zich ook lezen in de architectonische kwaliteit van deze gebouwen.

22

2.5.3 Bedrijfsmatig transport Omdat de landwegen onverhard en slecht waren was er een levendige transport van goederen en mensen over water. De riviertjes en sloten, zoals de Lopikerwetering (Zevender) en de Vlist vormden de infrastructuur binnen het polderlandschap. De Lek was daarnaast een belangrijke infrastructurele ader en stond in verbinding met grote steden zoals Dordrecht en Rotterdam. In eerste instantie was er vooral sprake van roei-, trek- en zeilboten, maar in de 19e eeuw kwamen ook de stoomschepen op. In 1853 werd de ‘Reederij op de Lek’ in het leven geroepen door een samenwerking van verschillende reders. Deze stoomradarboot (eerst één, later volgde uitbreiding van de dienst met meerdere boten) vervoerden personen en goederen over de Lek tussen Schoonhoven, Rotterdam en Dordrecht. In 1948 werd deze scheepvaartdienst opgeheven. Het opheffen van de dienst werd mede bepaald door de toename van bus- en vrachtwagentransport. In het verlengde van de Veerpoort ligt nog één steiger die herinnert aan deze radarstoomboten.14 Al vanaf de 13e eeuw zorgde een pontveer voor het overzetten van mensen en goederen naar de overzijde van de Lek. De 20e eeuw nam tevens een nieuwe transportvorm met zich mee. De aanleg van een treinspoor tussen Schoonhoven en Gouda. Tussen 1914 en 1942 was er een stoomtramverbinding tussen Gouda en Schoonhoven.

Het gebouw Spoorstraat 1 deed dienst als stationsgebouw met dienstwoning en vormde tevens het eindpunt van de lijn. Het belang van deze verbinding over land was erg groot voor onder andere de bedrijven in de stad. Zij floreerden bij deze nieuwe lijn. In 1932 veranderde de Nederlandse Spoorwegen de dienstregeling en werd de lijn zelfs gedegradeerd tot tramlijn. Hierdoor werd het vervoer van personen en goederen over deze lijn veel duurder. In 1940 werd besloten dat de diensten zouden worden overgenomen door bussen. In 1942 werd de rails gevorderd door de Duitse bezetter en verdween de lijn geheel. Toch is de herinnering aan deze lijn nog steeds levendig aanwezig. Niet alleen het oude station is terug te vinden aan de Spoorstraat, ook het tracé is nog altijd herkenbaar in het stedelijke 14 De Wit (2001), p. 27 - 28

landschap en de infrastructuur van Schoonhoven o.a. ter plaatse van de Spoorsingel.

2.6 HISTORISCH GROEN PERIODE TOT AAN 1830 EN PERIODE 1840 - 1963 Specifiek gebruik van een gebied vraagt om specifieke beplanting. Waar deze oorspronkelijke beplanting nog aanwezig is, voegt dit een extra cultuurhistorische laag toe aan de ruimtelijke kwaliteit. 2.6.1 Bolwerken Alhoewel het overgrote deel van de omwalling tussen de bastions uit grasland bestond, werden vanaf de 17e en 18e eeuw grote houtbestanden aangeplant op de stadswallen. De bolwerken van vestingsteden werden bij voorkeur beplant bomen met een taai wortelstelsel. Deze diende in eerste instantie ter versterking van de wallen. De wortels van de bomen hielden de grond bij elkaar en beschermden de wallen tegen uitspoeling. Anderzijds boden ze vers hout in tijden van oorlog voor militaire en andere doeleinden (zoals fabricage van werktuigen).15 Deze houtopstanden bestonden meestal uit iepen en linden, maar afhankelijk van de grond ook wel essen en berken. Na de Franse periode ging men veelal over op de Canadese populieren. In Schoonhoven werden de wallen in vredestijd beplant met linden, die als hakhout werden verkocht als ze kaprijp waren. Daarnaast werden de wallen soms beplant met meidoorn als een vorm van prikkeldraad. Deze plant werd in Schoonhoven alleen gebruikt op het talud van de Middeleeuwse ommuringen. Na de vernieuwing van de vestingwerken, kwam deze niet meer voor.

Van de Trompertswal (onderdeel van het huidige stadspark) is onder andere bekend dat deze was beplant met twee rijen opgaande iepen. Ook op andere plekken langs de voormalige bolwerken waren zowel aan de binnen als de buitenring met bomen beplant. Aan de Nieuwe Singel, Spoorsingel en Groene Singel zijn deze hakhoutlanen nog steeds aanwezig.

2.6.2 Beplanting van de polders, kades en boomgaarden. De inrichting van de polders heeft een eigen karakteristiek die nauw samenhangt met de natte ondergrond. Opvallend op de kaart van Blaeu is dat direct rondom Schoonhoven in de polder vele speeltuinen16 waren gelegen. Op een enkel gebouw na, aan de Nieuwe Singel en de Lopikerweg, is hier niets van bewaard gebleven. Wat rest is karakteristieke polderinrichting en -beplanting. De polders zijn slechts beperkt aangeplant. Langs de tiendwegen, de kades en een enkele kavelsloot staan knotwilgen, elzen of een enkele populier als houthak. Deze beplantingsvorm werd als geriefhout gebruikt door de boeren voor het maken van afrasteringen en gereedschap of het diende als brandhout. Hakhout werd ook op grienden, percelen laagveen, aangeplant. Er wordt dan ook wel van een hakhoutbosje of geriefhoutbosje gesproken. Langs de tiendwegen in de gemeente zijn verspreidt nog enkele van deze bosjes terug te vinden. Rondom de boerderijen werden verschillende soorten groen aangelegd. Ten eerste werden voor de voorgevel van de boerderij bomen geplaatst, zoals leilinden of populieren. Met name deze laatste was lange tijd favoriet vanwege de snelle groeiwijze en de goede kwaliteit hout. De functie was eenvoudig. De bomen boden bescherming tegen de zomerzon. Zo bleef de mooie kamer koel, evenals de melkkelder.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=c76bf018-fb5d-4a77-adc5-38f2d4282668