BOPA-beleid gemeente Krimpenerwaard 2024 met verwerkte aanpassingen H2 en H4
Tekst van het document
De hoofdstructuur
55
Dit zijn de belangrijkste provinciale wegen, de N207, de N228 en de N210, die door het gebied lopen. Er is nog een aantal provinciale wegen; de N216 nabij Schoonhoven, die de verbinding vormt tussen de N210 en het veer naar Groot-Ammers/Gorinchem, en nog een paar provinciale wegen die de N210 verbinden met de kernen. Alleen de hoofdaders N207, N228 en N210 beschouwen we in het kader van het horecabeleid buitengebied als hoofdstructuur. De drie provinciale wegen voorzien in een snelle ontsluiting van het gebied. Het is een relatief grootschalige structuur die voor het grootste deel door open gebied loopt, hier en daar begeleid door bomenrijen en andere beplanting. Binnen de zone van de hoofdstructuur ligt één van de Toeristische Overstappunten (TOP) in de Krimpenerwaard, namelijk de TOP Loetbos. Dit is een punt waar dagrecreanten hun auto kunnen parkeren en het gebied als uitgangspunt nemen voor een fiets-, wandelof kanotocht. De indicatieve ‘zone hoofdstructuur’ wordt globaal begrensd op een afstand van 300 meter aan weerszijde van de genoemde provinciale wegen. Recreatieve ‘hotspots’ als golfcentrum Crimpenerhout en Kanocentrum Loetbos liggen binnen deze indicatieve zone hoofdstructuur. De zone heeft deels een overlap met begrensde natuur; Natuur Netwerk Nederland (NNN). Hier zullen de gebruiksmogelijkheden van gronden in sommige gevallen beperkt(er) zijn.
De Dijklinten
De (rivier)dijken langs de Lek en de Hollandsche IJssel, de Steinsedijk, de Lageweg (‘shortcut’ van de Groenedijk in Ouderkerk aan den IJssel) en de ‘dijken’ aan weerszijde van de Vlist. Alleen de percelen die een rechtstreekse ontsluiting hebben op deze ‘dijken’ vallen binnen dit deelgebied. De dijken zijn vanuit hun (veelal) waterstaatkundige functie hoger gelegen. Het zijn linten die, op de Lageweg na, de organische structuur van de rivieren volgen. De grote rivierdijken (Lek, Hollandsche IJssel) zijn wat breder en vaak ook wat intensiever gebruikt, de Vlistdijk en de Steinsedijk zijn wat smaller en bochtiger, alhoewel de weg aan de Westvlisterdijkzijde breder is dan aan de Oostvlisterdijkzijde, die meer voor fietsers is ingericht. Vanaf de dijken is er vaak open zicht op het water en het achterland. In sommige gevallen, met name langs de Vlist, is ook sprake van intensieve beplanting, wat de beleving afwisselend maakt. De Lageweg is vanuit waterstaatkundig oogpunt geen dijk maar wordt in het kader van dit beleid wel als zodanig beschouwd. De Steinsedijk heeft overigens formeel inmiddels ook geen waterstaatkundige functie meer. De bebouwing staat onderaan de dijk of dicht op de weg, en varieert van individuele bebouwing tot bebouwingslinten, die soms zijn uitgegroeid tot een kern.
Met name de Vlistdijk, die over het algemeen een wat kleiner schaalniveau heeft, is interessant als toeristische fietsroute.
De veenweidegebieden
De veenweidegebieden zijn de planmatig gerealiseerde droogmakerijen. De gebieden bestaan uit langsontginningsassen, met loodrecht daarop de diepe slagenverkaveling. De slotenpatronen met soms veenputten, de weilanden en de verre zichten zijn kenmerkend voor de veenweidegebieden. Dit gebied heeft een rustig karakter. De ontginningsassen (Tiendwegen) zijn smalle wegen, aan één of twee zijden begeleid door sloten, waarlangs vaak de voor de streek karakteristieke knotwilg is te vinden. De Tiendwegen worden vooral gebruikt voor bestemmingsverkeer maar ook als wandel- en fietsroutes, wat 56
de routestructuren zeer geschikt maakt voor extensieve dagrecreatie. Langs de Tiendwegen is in de afgelopen eeuwen woonbebouwing ontstaan en er zijn relatief veel agrarische bedrijven te vinden. Vanwege de schaalvergroting in de landbouw komen steeds meer agrarische complexen leeg te staan wat kansen biedt voor vestiging van horecabedrijven, zoals theetuinen.
Soorten horecabedrijfsvoering Horeca-activiteiten kunnen in drie vormen uitgevoerd worden: zelfstandig, als nevenfunctie of als ondersteunende functie.
Zelfstandig horecabedrijf • • •
Horeca is de hoofdactiviteit op een perceel. Voorbeelden zijn een zelfstandig restaurant of café; De activiteiten is als hoofdbestemming in het bestemmingsplan geregeld. Bijvoorbeeld met de bestemming ‘Horeca’; De horeca is in principe toegankelijk voor iedereen.
Horeca als nevenfunctie •
• •
De activiteit Horeca wordt uitgevoerd naast een andere functie op het perceel. Dit kan bijvoorbeeld wonen, (dag)recreatie (zoals een camping) of agrarisch zijn. Een voorbeeld is een theetuin. De horeca- activiteit krijgt nooit de overhand. Dat wordt geregeld door maximale maten op te nemen in een definitie. De horecafunctie is alleen overdag en in de vroege avonduren geopend. Dat betekent concreet dat deze alleen tussen 9:00 en 22:00 uur geopend mag zijn; De horecafunctie is voor iedereen toegankelijk.
Horeca als ondersteunende functie • • •
De activiteit Horeca wordt uitgevoerd ter ondersteuning van de hoofdfunctie op het perceel. Voorbeeld is een kaasboerderij, die na een rondleiding een consumptie aanbiedt; De openingstijden van de horecafunctie zijn gekoppeld aan die van de hoofdfunctie; De horecafunctie is alleen toegankelijk voor bezoekers van de hoofdfunctie; de horeca is dus geen doel op zich.
De aard van de horeca-activiteiten Om per gebied goed te bepalen welke horeca is toegestaan, is het van belang om diverse categorieën te onderscheiden binnen de drie soorten horeca zoals hiervoor beschreven. De nieuwe indeling bestaat uit 4 categorieën. Bij deze categorieën spelen de openingstijden een belangrijke rol. Verder is het al dan niet verstrekken van alcohol opgenomen. Dit is gedaan, omdat bij het schenken van alcohol randvoorwaarden vanuit de Drank- en horecawetvergunning gelden. Als signaalfunctie is dit onderscheid opgenomen.
Categorie 1: daghoreca zonder alcohol
57
Dit betreft horecabedrijven waar bezoekers overdag heen komen om een consumptie te nuttigen. In deze zaken wordt geen alcohol geschonken. Het gaat om lichte daghoreca, direct mogelijk op basis van het bestemmingsplan. Onder deze categorie kunnen ook accommodaties voor het organiseren van bijeenkomsten, zoals vergaderingen en seminars vallen. Gedacht moet bijvoorbeeld worden aan een theetuin of een lunchroom. -
Er wordt geen alcohol geschonken;
-
De horecafunctie is alleen overdag geopend. Dat betekent concreet dat deze alleen tussen 9:00 en 19:00 uur geopend mag zijn. In de zomerperiode (mei-september) mag de horecafunctie tot 20:00 uur geopend zijn.
Categorie 2: daghoreca met alcohol
Dit betreft daghorecazaken waar alcohol geschonken wordt. Onder deze categorie kunnen ook accommodaties voor het organiseren van bijeenkomsten, zoals vergaderingen en seminars vallen. Het vieren van kleinschalige (verjaardags) feesten valt hier ook onder. -
De ondernemer beschikt over een Drank- en horecawetvergunning;
-
De horecafunctie is alleen overdag en in de vroege avonduren geopend. Dat betekent concreet dat deze alleen tussen 9:00 en 22:00 uur geopend mag zijn.
Categorie 3: dag- en avondhoreca met alcohol
Dit betreft horecazaken die naast de dagperiode ook in de avondperiode geopend zijn, waar alcohol wordt geschonken, vaak in combinatie met de verkoop van eten (restaurants). Onder deze categorie kunnen ook accommodaties vallen voor het organiseren van bijeenkomsten, zoals vergaderingen en seminars, en feesten en partijen. -
De ondernemer beschikt over een Drank- en horecawetvergunning;
-
De eigenaar mag de zaalaccommodatie niet verhuren aan derden onder de conditie dat deze hun eigen (alcoholische) drank mee mogen nemen. Dit is in strijd met artikel 25 Drank- en horecawet;
-
De horecafunctie is alleen in de dag- en avondperiode geopend. Dat betekent concreet dat deze tussen 9:00 en 24:00 uur geopend mag zijn, dus ook buiten de zomerperiode om (oktober-april).
Horeca in categorie 3 kan niet als ondersteunende functie worden uitgevoerd.
Categorie 4: dag, avond- en nachthoreca met alcohol
58
Dit betreft horecazaken die in de dag, avond- en in de nachtperiode geopend zijn, waar alcohol wordt geschonken, vaak in combinatie met de verkoop van eten (restaurant). Onder deze categorie kunnen ook accommodaties vallen voor het organiseren van bijeenkomsten, seminars en feesten en partijen. -
De ondernemer beschikt over een Drank- en horecawetvergunning;
-
Openingstijden zijn geregeld in de APV. Concreet betekent dit dat de horecafunctie tot 2:00 uur ’s nachts geopend mag zijn;
-
Horecabedrijven die op grond van het Activiteitenbesluit meldingsplichtig zijn, en waaraan geen aangebouwde woningen gesitueerd zijn worden geacht een akoestisch onderzoek uit te (laten) voeren als ze meer dan 80 dB(A) muziekgeluid produceren. Als er sprake is van aangebouwde woningen dan geldt de onderzoeksverplichting bij het produceren van meer dan 70 dB(A) muziekgeluid.
Horeca in categorie 4 kan niet als neven- of ondersteunende functie uitgevoerd worden.
Beleidskeuzes
Keuzes en voorwaarden Aan de hand van voorstellen en keuzes uit hoofdstuk 2 is het beleid vormgegeven. Hierin is per deelgebied aangegeven welk type horeca toegestaan is. Daarbij worden twee punten specifiek opgemerkt: •
•
Horeca in het buitengebied is in principe alleen toegestaan in de bestaande bedrijfsbebouwing. In bepaalde situaties kan nieuwbouw worden toegestaan. Bijvoorbeeld in de zone langs de hoofdstructuur. Wel ook kan worden overwogen om specifieke locaties nieuwbouw toe te staan indien anders niet kan worden voldaan aan de eisen die de Drank- en horecawet (zie hoofdstuk 5) aan de inrichting stelt, bijvoorbeeld voor de bouw van sanitaire voorzieningen. Voorwaarde is wel dat het beleid de horeca-inrichting toestaat; Binnen de verschillende categorieën is in principe zaalverhuur mogelijk. Deze vorm van exploitatie heeft een bijzondere positie in het buitengebied. Zaalverhuur zorgt namelijk voor een toestroom van grotere groepen naar de zaalverhuurlocatie. De verkeersafwikkeling en parkeren kunnen dan een grote ruimtelijke impact hebben op de omgeving. Verder is een aandachtspunt, met name bij categorie 3 en 4, dat er feesten georganiseerd kunnen worden. Zaalverhuur kan daarom snel leiden tot overlast. Om die reden dient zaalverhuur expliciet te zijn toegestaan in het bestemmingsplan dan wel te zijn toegestaan met behulp van een omgevingsvergunning ‘strijdig gebruik’. Gelet op het voorgaande gelden bij zaalverhuur altijd extra ruimtelijke eisen op basis van het bestemmingsplan.
De beleidskeuzes zijn in de volgende paragrafen toegelicht.
Gebied 1: de hoofdstructuur
59
Categorie
Aard
Randvoorwaarden Algemeen: -
Horecavestigingen mogen alleen in of aansluitend aan bebouwingsclusters gerealiseerd worden.
-
De vestiging van solitaire horecavestigingen is alleen bij uitzondering mogelijk. Medewerking kan verleend worden als een horecavestiging een belangrijke aanvulling is op het bestaande horecabestand.
-
Horeca mag alleen in bestaande bebouwing gerealiseerd worden. Voor nieuwbouw zal altijd een aparte Ruimtelijke afweging gemaakt moeten worden.
-
De horeca-activiteiten mogen geen beperkingen opleggen bij aangrenzende functies.
-
Aangetoond moet worden op welke manier omwonenden en andere belanghebbenden betrokken zijn in het voorgenomen plan c.q. draagvlak is gecreëerd is voor de ontwikkeling (participatie).
1
Neven- en ondersteunend
Toegestaan
2
Hoofd, neven- en ondersteunend
Toegestaan
3
Hoofdfunctie, neven
Voor nieuwe horecaontwikkelingen in deze categorieën is altijd een planologische procedure nodig. Daarbij geldt dat: -
Voorzien moet worden in een goede ontsluiting op de hoofdstructuur; de horeca mag niet leiden tot overlast van het wegennet;
-
Er moet worden voorzien in een veilige verkeersafwikkeling;
-
Er sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden.
60
4
Hoofdfunctie
Gebied 2: De Dijklinten (waaronder de wegen langs De Vlist, Lageweg en de Steinsedijk) Categorie
Aard
Randvoorwaarden Algemeen: -
Horeca mag alleen in bestaande bebouwing gerealiseerd worden;
-
De horeca-activiteiten mogen geen beperkingen opleggen op aangrenzende functies.
Indien zich een goed initiatief aandient, dient de initiatiefnemer aan te tonen dat: -
Het concept een bijdrage levert aan de beleving van het buitengebied van de Krimpenerwaard;
-
Dit concept passend is voor deze locatie;
-
Sprake is van een goede verkeersafwikkeling;
-
Geen belemmeringen op aangrenzende percelen optreden;
-
op welke manier omwonenden en andere belanghebbenden betrokken zijn in het voorgenomen plan c.q. draagvlak is gecreëerd is voor de ontwikkeling (participatie).
1
Neven- en ondersteunend
Horeca als neven- of ondersteunende activiteit is toegestaan tot een oppervlakte van 100 m2.
2
Hoofd, neven- en ondersteunend
Horeca als neven- of ondersteunende activiteit is toegestaan tot een oppervlakte van 100 m2. Voor initiatieven waarbij horeca de hoofdactiviteit is een planologische procedure nodig. Daarbij wordt op basis van bovengenoemde argumenten een afweging 61
gemaakt. 3
Hoofdfunctie, neven
In dit geval is altijd een planologische procedure nodig. Daarbij wordt op basis van bovengenoemde argumenten een afweging gemaakt.
4
Hoofd
Categorie 4-horeca is niet toegestaan.
Gebied 3: Veenweidegebieden
Categorie
Aard
Randvoorwaarden Algemeen: -
Horeca mag alleen in bestaande bebouwing gerealiseerd worden;
-
De horeca-activiteiten mogen geen beperkingen opleggen op aangrenzende functies.
Indien zich een goed initiatief aandient, dient de initiatiefnemer aan te tonen dat: -
Het concept een bijdrage levert aan de beleving van het buitengebied van de Krimpenerwaard;
-
Dit concept specifiek is voor deze locatie;
-
Sprake is van een goede verkeersafwikkeling;
-
Geen belemmeringen op aangrenzende percelen optreden;
-
op welke manier omwonenden en andere belanghebbenden betrokken zijn in het voorgenomen plan c.q. draagvlak is gecreëerd is voor de ontwikkeling (participatie).
62
1
Neven- en ondersteunend
Horeca als neven- of ondersteunende activiteit is toegestaan tot een oppervlakte van 100 m2. Daarbij wordt op basis van bovengenoemde argumenten een afweging gemaakt.
2
Hoofd, neven- en ondersteunend
Horeca als neven- of ondersteunende activiteit is toegestaan tot een oppervlakte van 100 m2. Voor initiatieven waarbij horeca de hoofdactiviteit is een planologische procedure nodig.
3
Hoofd, neven
Categorie 3 is niet toegestaan in dit gebied. Bestaande horecainrichtingen, die in het bestemmingsplan expliciet een horecabestemming hebben gekregen, uitgezonderd. Toepassing hardheidsclausule bij uitzondering mogelijk. Zie paragraaf 5.1.
4
Hoofd
Categorie 4 is niet toegestaan in dit gebied. Bestaande horecainrichtingen, die in het bestemmingsplan expliciet een horecabestemming hebben gekregen, uitgezonderd. Toepassing hardheidsclausule bij uitzondering mogelijk. Zie paragraaf 5.1
Afwijkingsmogelijkheden
Incidentele activiteiten
B&W kunnen bij horeca-categorie 2 incidenteel activiteiten toe staan na 22.00 uur. Normaal gesproken wordt dat alleen toegestaan bij horeca-activiteiten die in horeca categorie 3 vallen (tot 24:00 uur). Het is vaak niet gewenst om een dergelijke inrichting tot volwaardige categorie 3 aan te wijzen. Wel kan het, in het kader van de beleefbaarheid van het buitengebied, gewenst zijn om wat ruimte te bieden voor bepaalde activiteiten (bijvoorbeeld een bruiloftsfeest na een diner). Afwijking geschiedt middels een tijdelijke omgevingsvergunning waarbij voor maximaal zes dagen per kalenderjaar kan worden afgeweken (dus een tijdelijke vergunning kan worden verleend) van de sluitingstijden die zijn opgenomen in het bestemmingsplan (Ruimtelijke afweging). Voorts kan een evenementenvergunning en een ontheffing van de sluitingstijden uit de APV noodzakelijk zijn om de incidentele afwijking(-en) mogelijk te maken (afweging op milieugronden). 63
Dat kan onder de volgende voorwaarden: -
De latere openingstijden gelden voor maximaal 6 dagen per kalenderjaar; De activiteiten zijn tot 24.00 uur toegestaan; Er mag geen sprake zijn van versterkte muziek; Het parkeren en de verkeersafwikkeling moeten geborgd zijn; De initiatiefnemer moet vooraf bij B&W een aanvraag om een tijdelijke omgevingsvergunning indienen; Indien blijkt dat na de zes evenementen/activiteiten de afwijking niet passend blijkt of voor (onevenredige) overlast zorgt, dan wordt de tijdelijke omgevingsvergunning voor de toekomst niet meer verleend.
Overige wet- en regelgeving en andere aanvullende regels
Algemeen: overige wet- en regelgeving Op horecabedrijven is een veelheid aan (vaak complexe) wettelijke voorschriften van toepassing. Deze voorschriften worden gesteld in het belang van de openbare orde en veiligheid, de ruimtelijke ordening, het milieu en op grond van overwegingen van sociaal hygiënische en sociaaleconomische aard. Het betreft wettelijke regelingen van zowel het rijk als de gemeente. De uitvoering van deze regelingen berusten bij diverse instanties. Dit betekent dat een initiatief, naast de ruimtelijke afweging, onder andere voldaan moet worden aan de volgende wet- en regelgeving: • •
• • •
Drank- en Horecawet (DHW); van toepassing op (horeca)bedrijven die alcoholhoudende dranken verstrekken; De Algemene Plaatselijke Verordening (APV); de initiatiefnemer dient te voldoen aan de regels die op basis van de APV worden gesteld aan activiteiten die in en rondom het horecabedrijf plaatsvinden. In dit verband moet bijvoorbeeld gedacht worden aan een horeca-exploitatievergunning en een eventuele evenementenvergunning; De Wet BIBOB; ter voorkoming van het faciliteren door de overheid van criminele activiteiten; deze ‘BIBOB’-toets is vaak verbonden aan de verlening van een horeca- exploitatievergunning; De Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit (omgevingsvergunning milieu/ melding / geluid); Brandveiligheid en bouwen (Bouwbesluit/ brandweer).
De initiatiefnemer/ ondernemer is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit bovenstaande wet- en regelgeving; dit betekent dat laatstgenoemde in eerste instantie zelf moet (laten) bepalen in hoeverre de door hem/haar gewenste horecafunctie past binnen de hiervoor geschetste toetsingskaders. Daarbij komt dat bovenstaande opsomming niet limitatief is. Hierna zal bij enkele aanvullende aspecten, voortvloeiend uit bovengenoemde regelgeving, nader worden stilgestaan.
64
Specifiek: aanvullende regels
Levende muziek
Wettelijke geluidsnormen voor het ten gehore brengen van levende muziek zijn streng. De normen voor geluid zijn in het Activiteitenbesluit vastgelegd. Binnen de openingstijden is levende muziek in de categorieën 1 t/m 4 binnen de inrichting toegestaan, mits wordt voldaan aan de normen die hiervoor zijn gesteld. Levende muziek in de buitenruimte is met een ‘kennisgeving incidentele festiviteit’ toegestaan. De gemeente heeft namelijk op basis van de APV de mogelijkheid om een horecaondernemer op verzoek ontheffing te verlenen van de gestelde geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit. Dit betekent niet dat de ondernemer op die dagen ‘vrij spel’ heeft; overmatige geluidshinder zal altijd moeten worden voorkomen. Het doel is om de horecabedrijven de mogelijkheid te bieden om op een beperkt aantal dagen binnenshuis en buitenshuis (binnen de inrichtingsgrenzen) activiteiten te organiseren die anders vanwege de strenge geluidsnormen niet mogelijk zouden zijn. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de maatschappelijke functie van de horeca. Een bepaalde mate van geluidsoverlast moet op die momenten dus door de omgeving worden geaccepteerd. Daar staat tegenover dat de situatie zowel voor ondernemers als omwonenden inzichtelijk is.
Incidentele festiviteiten
Het is de exploitant van de inrichting toegestaan om maximaal twaalf keer per kalenderjaar incidentele feesten te houden, mits de houder van de inrichting hiervan ten minste twee weken vóór de aanvang van de festiviteiten het college op de hoogte heeft gebracht via een daarvoor beschikbaar formulier. Hierbij geldt dat diverse partners (ondernemers, omwonenden, politie) minimaal twee weken voorafgaand aan de incidentele festiviteit op de hoogte gebracht dienen te worden. Hierdoor ontstaat draagvlak en betrokkenheid bij alle partijen zodat er minder snel handhavend opgetreden hoeft te worden en overlast beperkt blijft. Met andere woorden: meer preventieve handhaving en concretisering van handhaving. Voor de regels omtrent de collectieve festiviteiten wordt verwezen naar artikel 4.3 van de APV van de gemeente. Zoals vermeld in de inleiding van deze paragraaf gaat bij incidentele activiteiten om afwijkingen van maximale geluidsniveaus en niet om afwijking van sluitingstijden.
Collectieve festiviteiten
De voor de collectieve festiviteiten aan te wijzen dagen door het college zullen met de horecabedrijven afgestemd en gecommuniceerd worden. Het college maakt de aanwijzing van de collectieve dagen ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Voor de regels omtrent de collectieve festiviteiten wordt verwezen naar artikel 4.2 van de APV van de gemeente Krimpenerwaard.
65
Terrassen
Het wel of niet toestaan van een terras is afhankelijk van de ruimte, het gebruik of de functie van een gebied. Hierbij worden de navolgende concrete uitgangspunten gehanteerd: -
-
Er moet een goede doorstroming van algemeen verkeer (voetgangers, rolstoelgebruikers, voetgangers met kinderwagens en overige daarmee gelijk te stellen gebruikers), verzorgenden bevoorradend verkeer en calamiteitenverkeer mogelijk zijn en blijven; Er mag geen overlast ontstaan door: 1. 2. 3. 4.
Onevenredige geluidhinder voor bewoners in de omgeving; Belemmering van de weg; Belemmering van de toegang tot woningen en andere gebouwen; Belemmering van de (nood)uitgangen van andere gebouwen of de horecavestiging waartoe het terras behoort.
Voor alle terrassen waar alcoholhoudende drank wordt verstrekt is een Drank- en Horecavergunning vereist. Voor het terras gelden dan op grond van de Drank- en Horecawet en terrassenbeleid aanvullende eisen. De gemeente Krimpenerwaard werkt aan een nieuw terrassenbeleid.
Nevenfunctie
Een functie ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel omvang (m²), omzet (€) als de effecten op het woon- en leefklimaat.
Handhaving Het succes van dit beleid staat of valt met de handhaving ervan. B&W is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de bepalingen van het bestemmingsplan maar ook van horecawet- en regelgeving. Daarnaast zijn er andere instanties die belast zijn met toezicht en handhaving van horeca. Het betreft veelal landelijk opererende instanties, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Arbeidsinspectie, et cetera. Deze diensten opereren voornamelijk autonoom, volgens eigen beleid. In specifieke gevallen kan er wel samengewerkt worden met gemeentelijke diensten, bijvoorbeeld tijdens een integrale horecacontrole. Overleg en afstemming is nodig, uitwisselen van gegevens is belangrijk. In het kader van het handhavingsuitvoeringsprogramma van 2020 en verder zal in beeld worden gebracht met welk urenbeslag rekening moet worden gehouden.
Slotbepalingen 66
Procedure Voorafgaand aan de vaststelling van het aangepaste beleid zullen alle horecaondernemers en overige andere betrokkenen, waaronder bijvoorbeeld Koninklijke Horeca Nederland, in een brief van de voorgenomen beleidswijziging op de hoogte worden gebracht. De raad wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op de voorgenomen beleidswijziging. Daarna wordt het ontwerpbeleid zes weken ter inzage gelegd waarbij iedereen in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren. Dit proces vindt plaats voordat het beleid door de raad wordt vastgesteld.
67
Hoofdstuk 6 Bed & Breakfast en recreatiewoning Krimpenerwaard Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Krimpenerwaard, Gelet op: 1. Artikel 2.1, lid 1, onder c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo); 2. Artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 2° (Wabo) in samen hang met artikel 4, lid 9 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor); 3. Beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid 2015 gemeente Krimpenerwaard. Besluit:
Hoofdstuk 1 Doel Beleidsregels
Het college heeft in haar coalitieakkoord het doel gesteld om de aantrekkelijkheid van de Krimpenerwaard voor toerisme en recreatie te vergroten. In dit kader worden natuur- en recreatiegebieden opgewaardeerd en worden initiatieven om dit doel te bereiken zoveel mogelijk ondersteund. Deze doelstelling heeft onder meer uitwerking gekregen in het recent vastgestelde bestemmingsplan “Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)”. Een groter aanbod aan Bed & Breakfast’s (hierna: B&B’s) en recreatiewoningen zal het toerisme naar de Krimpenerwaard bevorderen. Momenteel bieden alleen bestemmingsplannen in het buitengebied ruimte voor kleinschalige overnachtingsmogelijkheden in de vorm van B&B’s. Door ook B&B’s binnen de bebouwde kom en recreatiewoningen toe te staan, zal er een groter aanbod komen en een bredere doelgroep worden aangesproken. Het is mogelijk om met een omgevingsvergunning af te wijken van een bestemmingplan om op een locatie een B&B of een recreatiewoning toe te staan. Dit kan met een omgevingsvergunning voor het gebruiken van bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan door het toepassen van Bijlage II van het Bor. Voor recreatiewoningen in het buitengebied kan dit alleen met een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan. Wanneer het een permanente recreatiewoning is kan er alleen medewerking verleend worden door de uitgebreide procedure te volgen.
In de huidige beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid 2015 is geen toetsingskader voor het toestaan van B&B’s en recreatiewoningen opgenomen. Het is wenselijk om voor deze specifieke vorm van afwijken concrete beleidsregels vast te stellen waar de aanvragen omgevingsvergunning aan kunnen worden getoetst. Deze beleidsregels zijn zodanig opgesteld dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen B&B’s en hotelfaciliteiten. Er zijn ook regels opgenomen om overlast voor de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Tevens moet de eigenaar van de B&B en/of recreatiewoning op grond van de verordening toeristenbelasting toeristenbelasting betalen. Hiervoor moet een nachtregister bijgehouden worden. In het nachtregister moet minimaal opgenomen worden: de naam van de gast, de woonplaats, het aantal personen en het aantal nachten. 68
De B&B of de recreatiewoning moet voldoen aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De ruimten waarbinnen deze vorm van verblijfsrecreatie wordt aangeboden moet voldoen aan deze bouwregelgeving. Voor een B&B met maximaal 10 personen is het na vaststelling van de nieuwe bouwverordening niet meer nodig om een vergunning brandveilig gebruik aan te vragen. Door vroegtijdig het plan te bespreken, zal zowel de kwaliteit van het initiatief als het draagvlak in de omgeving worden vergroot. Hiermee wordt voorkomen dat het gesprek met de omgeving pas plaatsvindt wanneer een plan al tot in detail is uitgewerkt en is ingediend. Om dit draagvlak te creëren is het belangrijk om als initiatiefnemer omwonenden en andere belanghebbenden bij de plannen om een B&B te beginnen of het realiseren van een recreatiewoning te betrekken. De belanghebbenden krijgen dan de kans om hun ideeën of mening te laten horen. Deze inbreng kan worden verwerkt in uitwerking van het plan.
Hoofdstuk 2 Bed & Breakfast
Artikel 1 Definitie
In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Bed & Breakfast: het tegen betaling bieden van een kleinschalige mogelijkheid tot kortstondig recreatief nachtverblijf met het serveren van ontbijt. Onder B&B wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.
Artikel 2 Beoordelingscriteria
Een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een Bed & Breakfast (B&B) in een voor wonen bestemd hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk(en) kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende criteria: a. de B&B bestaat uit niet meer dan 4 kamers voor maximaal 8 personen, b. de B&B wordt uitgeoefend door de bewoner of eigenaar zelf. c. de bebouwing behoudt in overwegende mate haar hoofdfunctie;
69
d. de B&B mag niet als zelfstandige wooneenheid functioneren. Een keuken en kookvoorziening is daarom niet toegestaan; e. het gebruik mag geen nadelige gevolgen hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; f.
in afwijking van het hierboven bepaalde (onder e) mag op de openbare weg worden geparkeerd, voor zover dat niet leidt tot een onevenredige belasting van de verkeers- en parkeersituatie ter plaatse;
g. de nevenactiviteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de omgeving; h. het gebruik van de B&B mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. De impact op de omgeving mag niet anders zijn dan dat er enkel gewoond zou worden;
Hoofdstuk 3 Recreatiewoning
Artikel 1 Definitie
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Recreatie woning: een gebouw (geen woonkeet, geen stacaravan of een ander bouwwerk op wielen zijnde) dat uitsluitend één woning omvat, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor het houden van recreatief (nacht)verblijf door één of meer personen, die elders hun hoofdverblijf hebben, en dat niet bestemd is voor permanente bewoning.
Artikel 2 Beoordelingscriteria
Een omgevingsvergunning voor het exploiteren van een recreatiewoning in een bestaand bijgebouw kan worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende criteria: a. per woning is één recreatiewoning toegestaan binnen de bestaande bijgebouwen/ bouwmogelijkheden voor bijgebouwen, b. een recreatiewoning is niet toegestaan bij een bedrijfswoning op een bedrijventerrein; c. de recreatiewoning mag uitsluitend worden verhuurd aan toeristen; 70
d. de recreatiewoning mag maximaal zes weken aaneengesloten per jaar aan éénzelfde persoon verhuurd worden; e. de verhuur van de recreatiewoning mag alleen door de hoofdbewoners (ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA)) plaatsvinden; f.
binnen de bebouwde kom mag de recreatiewoning aan maximaal zes personen tegelijkertijd verhuurd worden.
g. buiten de bebouwde kom mag de recreatiewoning aan maximaal tien personen tegelijkertijd verhuurd worden. h. het gebruik van de recreatiewoning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woonen leefklimaat. De impact op de omgeving mag niet anders zijn dan dat er enkel gewoond zou worden; i.
de recreatiewoning mag niet leiden tot een onevenredige toename van de parkeerdruk.
71
Hoofdstuk 7 Pré-mantelzorgwoningen Gelet op: 1. 2. 3. 4. 5.
Artikel 2.1, lid 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht Artikel 2, lid 22, artikel 4, lid 11 en artikel 5 lid 1c van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht Beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid Krimpenerwaard
Besluit:
Hoofdstuk 1 Inleiding
Paragraaf 1.1 Doel beleidsregel
De gemeente wil meewerken aan pré-mantelzorgwoningen in situaties waar (nog) geen vergunningsvrije mantelzorgwoning gerealiseerd kan worden maar waar bewoning ten behoeve van zorg wel gewenst is. In veel situaties is een mantelzorgwoning niet toegestaan, omdat er (nog) geen sprake is van intensieve zorg. Ouder worden vraagt echter niet altijd direct om intensieve zorg, maar vaak wel om directe zorg. Dit wil de gemeente mogelijk maken omdat er vanuit de participatiesamenleving wordt verwacht dat we meer voor elkaar gaan zorgen en dat burgers zo lang mogelijk zelfredzaam blijven. In deze beleidsregel worden voorwaarden vastgelegd op basis waarvan de gemeente meewerkt aan verzoeken voor prémantelzorgwoningen. Dit beleid voorziet enkel in aanvragen die betrekking hebben op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en daarmee vallen onder het werkgebied van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van de gemeente.
Paragraaf 1.2 Mantelzorgbegrip en huidige situatie Volgens het Bor is mantelzorg intensieve zorg of intensieve ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, maar die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt. In het Bor is, in samenhang met de Wabo, geregeld dat mantelzorgwoningen vergunningsvrij gerealiseerd mogen worden in of bij de woning van de mantelzorgers of verzorgden. De overheid maakt het hiermee mogelijk dat mantelzorgers en verzorgden in elkaars nabijheid kunnen wonen. Als de mantelzorgbehoefte beëindigd, door bijvoorbeeld overlijden of verhuizing, mag de gecreëerde mantelzorgwoning niet langer gebruikt worden als woning. Een mantelzorgwoning is alleen vergunningsvrij als de mantelzorgbehoefte kan worden aangetoond met een door een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medische 72
adviseur afgegeven zorgindicatie. Deze verklaring moet goed onderbouwd zijn en duidelijk maken dat intensieve zorg of intensieve ondersteuning een mantelzorgwoning noodzakelijk maakt. Vaak blijkt uit een verklaring dat er wel sprake is van mantelzorg maar dat dit niet gaat om intensieve ondersteuning die de gebruikelijke hulp van huisgenoten overstijgt.
Paragraaf 1.3 Gewenste situatie Opgemerkt is dat er meer vraag naar en behoefte aan de mogelijkheid is om als familieleden voor elkaar te gaan zorgen en bij elkaar op hetzelfde perceel te gaan wonen. De gemeente vindt het dan ook een goede ontwikkeling om, voordat sprake is van een vergaande mantelzorgrelatie, de mogelijkheid te bieden een pré-mantelzorgwoning te plaatsen. Er kan een tijdelijke omgevingsvergunning worden verleend voor een pré-mantelzorgwoning in gevallen waarbij er sprake is van een zorgrelatie tussen betrokkenen waarbij het wenselijk en begrijpelijk is dat bij elkaar op eenzelfde perceel wordt gewoond, maar waarbij dit op grond van de regelgeving niet vergunningsvrij mogelijk is. De verwachting moet aanwezig zijn dat er binnen tien jaar een mantelzorgbehoefte ontstaat in de zin van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
Hoofdstuk 2 Vergunning
Paragraaf 2.1 Tijdelijke omgevingsvergunning Zoals aangegeven kan een pré-mantelzorgwoning niet vergunningsvrij geplaatst worden en is dit op grond van het bestemmingsplan ook niet toegestaan. De Wabo en het Bor biedt het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in bepaalde gevallen (tijdelijk) af te wijken van het bestemmingsplan. De gemeente heeft in haar beleidsregels ‘Buitenplanse afwijkingsbevoegdheid Krimpenerwaard’ aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college van het bestemmingsplan kan afwijken. Omdat de voorwaarden voor pre-mantelzorgwoningen niet in deze beleidsregel zijn opgenomen, is hiervoor apart beleid opgesteld om op deze wijze de toetsingskaders bekend te maken. Een omgevingsvergunning voor (het gebruik van een gebouw als) een pré-mantelzorgwoning kan voor een periode van maximaal tien jaar worden verleend. Na tien jaar komt de omgevingsvergunning te vervallen. Als de termijn van de vergunning is verlopen of eerder in geval van verhuizen of overlijden, mag de pré-mantelzorgwoning niet meer worden gebruikt als woning. Dit betekent dat een verplaatsbare unit weggehaald moet worden en indien een woning is gerealiseerd in een bestaande schuur of aanbouw hier de voorzieningen moeten worden verwijderd die het een zelfstandige woonruimte maken.
De vergunning komt ook te vervallen als in de loop van de tien jaar een mantelzorgbehoefte in de zin van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht ontstaat waarbij de tijdelijke woning vergunningsvrij wordt. De voorwaarden moeten zoveel mogelijk aansluiten bij de uitgangspunten rondom mantelzorg. De aanvrager moet aantonen dat er wordt voldaan aan de voorwaarden voor het plaatsen van een prémantelzorgwoning. 73
Hoofdstuk 3 Voorwaarden
Artikel 1 Sociale relatie
Er moet sprake zijn van een sociale relatie tussen verzoekers waarbij zorg voor elkaar of voor de hulpbehoevenden wordt gedragen. Een relatie tussen personen, vaak de familieband, maakt dat men voor elkaar wil zorgen.
Artikel 2 Leeftijd De persoon of personen die een pré-mantelzorgwoning wensen, moeten de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd hebben. Daarna ontstaat vaak de behoefte om kleiner te gaan wonen en wordt de behoefte aan een mantelzorgrelatie groter.
Artikel 3 Realisatie pré-mantelzorgwoning De pré-mantelzorgwoning moet gerealiseerd worden binnen de bestaande bebouwing of binnen de bestaande bebouwingsmogelijkheden volgens het bestemmingsplan of de Wabo (vergunningsvrij bouwen). Dit om te voorkomen dat de nieuwe situatie leidt tot een verdere (ongewenste) verstening van de omgeving.
Artikel 4 Overeenkomst Bij het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, noemen de Beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid Krimpenerwaard het noodzakelijk dat er een overeenkomst wordt gesloten tussen de aanvrager en de gemeente Krimpenerwaard. Hierin kunnen, naast de vergunning, afspraken worden gemaakt over de invulling van de nieuwe woonsituatie en de beëindiging daarvan. De tijdelijke woning kan in geen geval leiden tot een permanente woonbestemming en/of woongebruik.
Artikel 5 Geen verslechtering woonsituatie Als algemene voorwaarde wordt gesteld dat de nieuwe pré-mantelzorgwoning niet mag leiden tot een verslechtering van de woonsituatie in het algemeen. Hier wordt onder andere mee bedoeld dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein moet zijn en er geen onevenredige afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van de naastgelegen erven mag ontstaan. 74
75
Hoofdstuk 8 Tijdelijke Tiny houses Krimpenerwaard 2021 Inleiding
In 2017 is de Woonvisie vastgesteld. Hierin is opgenomen dat de gemeente Krimpenerwaard concreet wil werken aan innovatieve concepten zoals Tiny houses. Af en toe wordt de gemeente al benaderd met vragen over deze nieuwe woonvorm. Op dit moment zijn er nog geen kaders of beleidsregels opgesteld. Er lijkt voldoende belangstelling te bestaan om een pilot periode te starten. De looptijd van de pilot is 5 jaar. Daarna volgt een evaluatie en wordt bekeken of dit beleid een permanent karakter krijgt.
Doel beleidsregel
Het vaststellen van een aantal beleidsuitgangspunten om initiatieven te beoordelen en deze vernieuwende en innovatieve woonvorm tijdelijk mogelijk te maken. Het doel van deze pilot is om ervaring op te doen met deze woonvorm. Omdat de woningen een tijdelijk karakter hebben kan geëxperimenteerd worden zonder dat er een onomkeerbare situatie ontstaat. Dit laatste is vooral van belang omdat het beleid van andere overheden nog niet voldoende voorziet in dergelijke woonvormen. De pilot periode kan gebruikt worden om hiermee te experimenteren en te onderzoeken op welke wijze dit inpasbaar is.
Voor wie doen we het?
Wonen in een tiny house is een basis voor een bewuster en duurzamer leven met een zo klein mogelijke ecologische voetafdruk. De eigenaar van een tiny house wil zelfvoorzienend zijn en bewust en duurzaam leven. Dit kunnen ook starters op de woningmarkt zijn of mensen die tijdelijk in een tiny house willen wonen ter overbrugging naar een permanente woning.
Afbakening toepassingsbereik
De beleidsregels zijn bedoeld om te experimenteren met het tijdelijk plaatsen van tiny houses. Of een tiny house op een specifieke locatie geplaatst kan worden hangt mede af van het beleid van andere overheden zoals Provincie en Hoogheemraadschap. De beleidsregels bieden hiervoor geen grondslag. De beleidsregels geven alleen antwoord op de vraag in hoeverre vanuit de gemeente kan worden meegewerkt met een initiatiefvoorstel. De beleidsregels zijn van toepassing bij particuliere initiatieven. Initiatieven op gronden van de gemeente vallen buiten de reikwijdte van deze beleidsregels.
Beleidskeuzes en voorwaarden
76
Binnen de bebouwde kom Tiny houses kunnen solitair of geclusterd geplaatst worden. Binnen de bebouwde kom is het plaatsen van een tiny house als hoofdwoning binnen een woonbestemming mogelijk. Daar is een omgevingsvergunning voor nodig waarbij voldaan moet worden aan de regels in het bestemmingsplan. Aanvrager dient daarbij aan te tonen dat het tiny house voldoet aan het Bouwbesluit, direct of op basis van de gelijkwaardigheidsbepaling. Bij een andere bestemming, geclusterde plaatsing of geclusterde plaatsing binnen de woonbestemming is een procedure nodig om tijdelijk af te wijken van de regels van het bestemmingsplan. Afhankelijk van het verzoek kan daaraan medewerking worden verleend. Geen medewerking wordt verleend aan het plaatsen van tiny houses op een bedrijventerrein, volkstuinen(complex), camping of andere recreatieve bestemming. Uitgangspunten bij de beoordeling zijn: -
-
-
Tijdelijkheid, maximaal 5 jaar met een eventuele verlenging van nog een keer 5 jaar Het uiterlijk van de tiny houses sluit aan bij de ruimtelijke kenmerken van de omgeving. Bij geclusterde plaatsing streven we naar een goede balans tussen diversiteit en inpassing in de omgeving Tiny houses hebben een footprint van maximaal 36m2 en een gebruiksoppervlakte van maximaal 50m2 Tiny houses hebben een maximale hoogte van 4 meter Parkeergelegenheid dient op eigen terrein gerealiseerd te worden op basis van het parapluplan parkeren van de Krimpenerwaard (of diens rechtsopvolgers) Een tiny house is verplaatsbaar, energie neutraal en gebouwd van duurzame materialen De voorkeur gaat uit naar off grid functioneren maar een elektra- en wateraansluiting is mogelijk. De kosten komen voor rekening van de eigenaar. Een gasaansluiting behoort niet tot de mogelijkheden. Ook het plaatsen van een gastank of vergelijkbare voorziening is niet mogelijk Het tiny house mag geen belemmering opleveren voor omliggende (agrarische) bedrijven
In het buitengebied Het geclusterd plaatsen van tiny houses in het buitengebied valt buiten de reikwijdte van deze beleidsregels. Dergelijke initiatieven zullen aparte beoordeeld worden conform de uitgangspunten die zijn opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. Een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van de locatie is daarbij leidend. Omdat de kaders voor dergelijke ontwikkelingen elders geregeld zijn voorziet deze beleidsnotitie niet in concrete regels voor deze initiatieven. Plaatsing van solitaire tiny houses in het buitengebied is onder voorwaarden mogelijk binnen alle daar aanwezige bestemmingen, met uitzondering van de bestemming ‘bedrijventerrein’. De volgende beleidsregels van toepassing: • • • •
Tijdelijkheid, maximaal 5 jaar met een eventuele verlenging van nog een keer 5 jaar Het tiny house is landschappelijk inpasbaar waarbij het ‘Krimpenerwaards kookboek’ als inspiratiekader dient Het uiterlijk van het tiny house is passend in de omgeving waarbij het ‘Krimpenerwaards kookboek’ als inspiratiekader dient Tiny houses hebben een footprint van maximaal 36m2 en een gebruiksoppervlakte van maximaal 50m2 77
• •
• •
• • • • • • • • •
Tiny houses hebben een maximale hoogte van 4 meter Het tiny house dient geplaatst te worden binnen het bestaande bouwvlak, danwel bij het ontbreken van een bouwvlak, in het bestemmingsvlak waar op grond van het bestemmingsplan bebouwing is toegestaan. Per bouwvlak of bestemmingsvlak mag maximaal 1 tiny house geplaatst worden. Uitbreiding van het bouwvlak ten behoeve van het plaatsten van een tiny house is niet mogelijk Tiny houses worden niet geplaats voor de voorgevel van het hoofdgebouw. Voor wat betreft de situering wordt aangesloten bij de bouwregels in het bestemmingsplan De maximaal toegestane afmetingen van bestaande bijbehorende bouwwerken, vergunningvrij of op basis van het bestemmingsplan, wordt ten tijde van de aanvraag om vergunning niet overschreden. Door het plaatsen van het tiny house mag de hiervoor genoemde oppervlakte met max 36m2 worden overschreden.
Het tiny house is verplaatsbaar, energie neutraal en gebouwd van duurzame materialen Tiny houses worden niet aangesloten op de nutsvoorzieningen en functioneren volledig off grid Het tiny house mag geen belemmering opleveren voor omliggende (agrarische) bedrijven Het tiny house wordt niet gebruikt voor recreatieve doeleinden of als tweede woning en dient bewoont te worden door de eigenaar/vergunninghouder Tiny houses zijn niet toegestaan op volkstuinen(complexen), campings of andere recreatieve bestemmingen Bijgebouwen zijn niet toegestaan, behalve bijgebouwen die noodzakelijk zijn voor het mogelijk maken van off grid bewoning. Voor dergelijke bijgebouwen geldt een maximale oppervlakte van 5m2 bovenop de hiervoor genoemde maten Parkeergelegenheid dient op eigen terrein gerealiseerd te worden op basis van het parapluplan parkeren van de Krimpenerwaard (of diens rechtsopvolgers) Er dient voldaan te worden aan het beleid van andere overheden. Eventuele toestemmingen van deze overheden dienen door aanvrager zelf te worden aangevraagd (denk daarbij aan bijvoorbeeld de toestemming van het Hoogheemraadschap voor lozing op het oppervlaktewater) Aanvrager dient aan te tonen dat het tiny house voldoet aan het Bouwbesluit (na inwerkingtreden van de Omgevingswet het Besluit bouwwerken leefomgeving), direct of op basis van de gelijkwaardigheidsbepaling.
Indieningsvereisten vergunningaanvraag
Voordat een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend wordt eerst door middel van een vooroverleg beoordeeld of het initiatief voldoet aan deze beleidsregels en de overige wettelijke vereisten. Op die manier wordt de haalbaarheid onderzocht en wordt voorkomen dat aanvrager onnodige kosten maakt. De aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend conform de wettelijke vereisten zoals beschreven in het besluit omgevingsrecht (Bor) aangevuld met een motivering waarin is opgenomen op welke wijze het initiatief past binnen deze beleidsregels. Bij geclusterde plaatsing maakt ook een inrichtingsplan deel uit van de aanvraag.
Overige voorwaarden en aandachtspunten
78
In alle gevallen blijven de wettelijke vereisten van toepassing. Bij de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit worden de geldende visies en beleidskaders gehanteerd. Een goede ruimtelijke ordening en een gezond woon- en leefklimaat staan voorop. Daarnaast wordt van aanvrager verwacht dat deze de omgeving betrekt bij de planvorming en een verslag overlegd waaruit blijkt op welke wijze invulling hieraan is gegeven en wat er is gedaan om eventuele bezwaren weg te nemen. De uitkomsten worden betrokken bij de besluitvorming op de aanvraag omgevingsvergunning.
79
Hoofdstuk 9 Inrittenbeleid 2017 Gemeente Krimpenerwaard Afkortingen- en begrippenlijst
Afkortingen aan- huis gebonden beroepen Beroepen voor onder andere assurantiekantoortjes, thuiskappers, huisartsen, fysiotherapeuten en ontwerpbureautjes die veelal aan huis gevestigd zijn.
APV Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Krimpenerwaard
ASVV 201 Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom
CROW Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw
KCC Klant Contact Centrum
KLIC Kabels en Leidingen Informatiecentrum
80
Wabo Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht
Begrippen
binnen de bebouwde kom Alle percelen binnen de komgrenzen van de wegenverkeerswet.
buiten de bebouwde kom Alle percelen buiten de komgrenzen van de bebouwde kom wegenverkeerswet.
erftoegangsweg Wegen die zijn gericht op het ontsluiten van erven, woningen en bedrijven. Kenmerkend voor een erftoegangsweg is dat in principe alle verkeerscategorieën van dezelfde rijbaan gebruik maken. Het gaat hier om alle manoeuvres die nodig zijn voor het bereiken van particuliere en openbare percelen, het in en uitstappen en het laden en lossen van goederen. Op deze wegen is sprake van uitwisseling zowel op de wegvakken als op de kruispunten. Voor deze wegen geldt een maximale snelheid van 30 km/h. binnen de bebouwde kom, buiten de bebouwde kom geldt een maximale snelheid van 60 km/h.
gebiedsontsluitingsweg Deze wegen faciliteren zowel het stromen als het uitwisselen van verkeer. Deze twee functies worden naar plaats gescheiden. Het stromen vindt plaats op wegvakken tussen de kruispunten, het uitwisselen op kruispunten. Voor gebiedsontsluitingswegen geldt een maximale snelheid van 50 km/h binnen de bebouwde kom, buiten de bebouwde kom geldt een maximale snelheid van 80 km/h.
groeiplaats De ondergrondse (wortelpakket) en bovengrondse ruimte (stamen kroon) van een boom, die deze in neemt bij het volledig uitgroeien van de boom.
KLICmelding 81
Melding die ervoor zorgt dat leidingbeheerders op de hoogte zijn van de geplande werkzaamheden in de ondergrond, dit ter voorkoming van graafschade.
nieuwbouwlocatie Locatie waar nieuwe bouwwerken worden opgericht en waar in opdracht van de gemeente nieuw openbare gebied wordt aangelegd.
schade groen -
van de stam in de bast; beschadiging/snoei van wortels dikker dan 5 cm; beschadiging/snoei van takken dikker dan 5 cm.
inrit De uitweg als bedoeld in artikel 14, lid 3 onder ІІІ Wegenwet, te weten iedere rechtstreekse ontsluitingsmogelijkheid van een perceel naar de openbare weg, waaronder we verstaan de begrippen uitweg, oprit en uitrit.
weg Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. (Zie artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994).
openbare parkeerplaats Plaats op straat (openbaar) waar je een auto kunt/mag parkeren (dit kunnen aangegeven vakken zijn maar ook stoken gelegen aan de linker- of rechter kant van de rijweg in lengterichting langs een trottoirband).
woonrijp maken Het afwerken van openbare delen van een bouwterrein vooruiteindelijk gebruik. Het betreft het aanbrengen van voorzieningen op of in het maaiveld. Woonrijp maken vindt plaats aan het einde of na afronding van de bouwactiviteiten. 82
1 Inleiding
Een uitweg, ook wel uitrit, inrit of oprit genoemd, is een aansluiting vanuit een perceel op de openbare weg. Voor de leesbaarheid noemen we deze termen in de rest van dit voorstel een ‘inrit’. In deze notitie worden enkel inritten naar ‘bestemmingen’ (bijvoorbeeld woningen, bedrijven) behandeld.
1.1 Aanleiding
In de gemeente Krimpenerwaard is het verboden zonder vergunning een inrit te maken of te veranderen. Op grond van de Wabo in combinatie met de APV, kan hiervoor een omgevingsvergunning worden aangevraagd. In de APV zijn voor deze vergunning diverse weigeringsgronden opgenomen. Bovendien kan de gemeente, ter bescherming van het belang waarvoor de vergunning is vereist, voorschriften en beperkingen verbinden aan de vergunning. Er bestaat binnen de gemeente behoefte aan een kader op basis waarvan vergunningsaanvragen voor inritten worden getoetst. Dit beleids- en toetsingskader is in dit document vastgelegd. Dit beleid bevordert eenduidige besluitvorming (consistentie) en biedt de aanvrager vooraf inzicht in de toetsingscriteria (transparantie).
1.2 Doelstelling
De doelstelling van onderhavig beleid is een helder en formeel kader te scheppen, waarin onder andere de voorwaarden en het beheer en onderhoud met betrekking tot de aanleg van inritten naar gemeentelijke wegen zijn vastgelegd.
1.3 Leeswijzer
Hoofdstuk 2 gaat in op het wettelijk kader voor het inrittenbeleid. In hoofdstuk 3 is het beleid nader geformuleerd. Hoofdstuk 4 beschrijft de uitvoeringsaspecten en tenslotte in hoofdstuk 5 zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.
2 De wettelijke basis
Met betrekking tot het maken of veranderen van een inrit is diverse wet- en regelgeving van belang. Hieronder wordt kort op deze wet- en regelgeving ingegaan.
83
2.1 Wabo In de Wabo is in artikel 2.2 lid 1 sub e het volgende opgenomen: “Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: •
e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.”
2.2 Wegenwet Op grond van artikel 14 van de Wegenwet moet de eigenaar van een weg het uitwegen hierop in beginsel gedogen. Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt aangesloten te regelen. Deze regeling is opgenomen in de APV artikel 2:12. “Maken en veranderen van een uitweg” en daarmee de wettelijke basis voor dit inrittenbeleid.
2.3 APV In de APV wordt in artikel 2:12 lid 1 bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg naar de openbare weg te maken of te veranderen. In artikel 2:12 lid 2 staan criteria waarop een vergunning kan worden geweigerd. Artikel 2:12 Maken en veranderen van een uitweg luidt als volgt: 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. b. c. d.
Ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; Indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; Indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; Indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.
2.4 Bestemmingsplannen Aanvragen worden altijd getoetst aan het geldende bestemmingsplan. In sommige bestemmingsplannen zijn voorwaarden opgenomen voor een inrit. 84
3 Nadere uitwerking weigeringsgronden voor inritten Voor iedere inrit, binnen of buiten de bebouwde kom, moet een vergunning worden aangevraagd. Iedere aanvraag voor een inritvergunning wordt getoetst aan de weigeringsgronden. Dit hoofdstuk beschrijft de uitleg die het college van burgemeester en wethouders aan deze weigeringsgronden geeft. Bij iedere aanvraag wordt een belangenafweging gemaakt waarbij onderstaande bepalingen worden meegenomen. Afwijking van de beleidsregels is altijd mogelijk op grond van artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht.
3.1 Ter voorkoming van gevaar voor verkeer op de weg Een inrit wordt geweigerd indien de inrit komt te liggen: a. op een plaats waar door de inrit de verkeersveiligheid in gevaar komt; b. aan een gebiedsontsluitingsweg (tenzij de wegbeheerder hiermee instemt). c. op of nabij een rotonde, kruising of splitsing van wegen; d. op of nabij een voetgangersoversteekplaats; e. op of nabij een bushalte; f.
op een plaats waar belemmeringen ontstaan voor het in- en uitrijden met een personenauto van één of meer bestaande garages;
g. op een plaats waar de inrit op een fiets- en/of voetpad uitkomt en dat pad moet worden bereden om vanaf de openbare weg het perceel te bereiken; h. op een plaats waar verlichting of bebording is aangebracht en deze uit oogpunt van veilig gebruik van de weg niet verplaatst kan worden; i.
op een plaats waar het zicht vanaf de inrit op de weg/voetpad/fietspad onvoldoende is voor verkeer en er alternatieven zijn of de aanvraag een 2e inrit betreft.
j.
de inrit tot gevolg heeft dat straatmeubilair of een nutsvoorziening en/of ander obstakel dienen te worden verplaatst, terwijl er in de nabije omgeving geen geschikte alternatieve locatie voor genoemde objecten voorhanden is en/of er geen overeenstemming tot verplaatsing van het obstakel is met de eigenaar.
85
3.2 Indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats Dit criterium heeft betrekking op de functie die de betrokken weg heeft, de inrichting van de weg en de gevolgen die de inrit kan hebben op de functie van de weg. Een inrit wordt geweigerd indien: a. het aanleggen van een inrit ten koste gaat van één of meerdere openbare parkeerplaatsen.
3.3 Indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast Een inrit wordt geweigerd indien: a. schade aan een monumentale boom of aan de groeiplaats van een monumentale boom wordt toegebracht, tenzij deze boom onveilig is en kap onvermijdelijk is; b. schade aan een kapvergunningplichtige boom of aan de groeiplaats van een kapvergunningplichtige boom wordt toegebracht, tenzij deze boom onveilig is en kap onvermijdelijk is; c. de inrit dichter dan 2 meter van de buitenzijde van de stam van een boom ligt; d. de inrit reststukken haag (<5 m1) of reststukken groen (< 5 m2) veroorzaakt. Tenzij het voor de punten b t/m e een eerste inrit betreft en geen alternatief voorhanden is. Er worden dan voorwaarden opgenomen in de vergunning, bijvoorbeeld een smallere inrit of een inrit met technische aanpassingen. Een tweede inrit wordt op deze gronden geweigerd.
3.4 Bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving Een inrit van een woning wordt geweigerd indien: a. aansluitend aan de inrit op eigen terrein geen minimale ruimte van 5 meter lang en/ of 2,5 meter breed beschikbaar is; b. er minder dan 2,5 meter ruimte is op eigen terrein naast de woning zodat het leidt tot parkeren in de voortuin van de woning; c. een inrit afwijkt van de volgende maximale breedtes (zie ook par. 4.2): o o o o
Voor een enkele particuliere inrit: 4,5 meter, figuur A Voor een dubbele particuliere inrit t.b.v. één woning: 6,5 meter, figuur B Voor een dubbele particuliere inrit t.b.v. twee woningen: 8 meter, figuur B Voor een enkele particuliere inrit buiten bebouwde kom: 8 meter
86
d. de aanvraag een tweede inrit of meerdere betreft, tenzij alle inritten benodigd zijn voor een legaal gerealiseerde garage of carport en deze niet via bestaande mogelijkheden te bereiken is, figuur C; e. de inrit leidt tot parkeren in de voortuin van tussenwoningen, figuur D; f.
de inrit in strijd is met het geldende inrichtings-, bestemmings- en/of definitief beeldkwaliteitsplan;
g. naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders sterk afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke belevingswaarde van het desbetreffende gebied. Voor een inrit naar een landbouwperceel gelden dezelfde regels als voor een enkele particuliere inrit buiten de bebouwde kom. Een inrit van een bedrijf wordt geweigerd indien: a. een inrit bij bedrijf afwijkt van de maximale breedte van 8 meter. b. de aanvraag betrekking heeft op meerdere inritten. o
o o
Bij bedrijven met een kavelbreedte van het perceel van minder dan 32 meter wordt maximaal 1 inrit toegestaan. Twee inritten, welke samen een maximale breedte van 8 hebben wordt toegestaan, indien dit voor de bedrijfsvoering noodzakelijk is. Er moet dan minimaal 8 meter tussen beide inritten aanwezig zijn en de kavelbreedte van het perceel bedraagt tenminste 16 meter. Bij bedrijven met een kavelbreedte van het perceel van meer dan 32 meter worden maximaal 2 inritten toegestaan, mits er minimaal 8 meter tussen beide inritten aanwezig is. Bij bedrijven met een kavelbreedte van het perceel van meer dan 64 meter zijn maximaal 3 inritten toegestaan, mits er minimaal 8 meter tussen elke inrit aanwezig is.
Er geldt dat buiten de bedrijventerreinen alleen inritten voor bedrijven worden aangelegd als de vestiging van het bedrijf is toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan en de parkeerdruk op straat hiermee wordt verlicht. Bij inritten buiten bedrijventerreinen wordt een onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde aan-huis gebonden beroepen en de overige bedrijven. Voor aan-huis gebonden beroepen gelden dezelfde regels als voor een woning.
4 Uitvoeringsaspecten Bij het aanleggen van inritten hanteert de gemeente een aantal algemene en specifieke uitgangspunten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in inritten binnen de bebouwde kom onderverdeeld naar particulier, nieuwbouw en bedrijfsmatig en inritten buiten de bebouwde kom.
4.1 Algemeen Algemene uitgangspunten bij de aanleg van inritten: 87
a. Voor iedere inrit dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Indien mogelijk dient de vergunning gelijktijdig met de omgevingsvergunning activiteit bouwen te worden aangevraagd; b. Legeskosten ten behoeve van de vergunning komen voor rekening van de aanvrager; c. De kosten ten behoeve van de aanleg van de inrit (inclusief eventuele extra maatregelen zoals verplaatsen van een lichtmast, kolken, straatmeubilair, groenvoorziening en kabels en leidingen) bedragen € 160,- (exclusief B.T.W., prijspeil 2017) per strekkende meter breedte van de aan te leggen nieuwe inrit. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd met de index welke gebruikt wordt bij het opstellen van de begroting (afkomstig uit de jaarlijkse mei-circulaire van het Rijk) De kosten onder b. en c. worden in rekening gebracht bij de aanvrager, tenzij: o o