CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4: Motivering bij TAM-omgevingsplan Middelblok 1 en 191

Raadsvergadering 2 juni 2026, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) TAM-Omgevingsplan Middelblok 1 en 191 Gouderak16.655 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

pagina 27 van 49

•

aanwezige dier- en plantensoorten;

•

typen natuurlijke habitats;

•

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

•

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

•

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are. Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling aan Middelblok 191 is een quickscan natuur uitgevoerd (BuiTeGewoon, d.d. 2 februari 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat. Voor Middelblok 1-5 geldt dat hier geen (fysieke) wijzigingen zijn voorzien die van invloed kunnen zijn op beschermde natuurgebied, beschermde soorten of houtopstanden. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied.

Het meest dichtbijgelegen Natura 2000gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op ca. 4,5 km afstand ten noordoosten van het plangebied. Hier bevinden zich geen stikstofgevoelige waarden. Ook ligt het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wel is ten zuidoosten van de projectlocatie een NNN-gebied gelegen, te weten polder Middelblok. Het aangrenzende deel van polder Middelblok is aangewezen voor de natuurtypen 'Kruidenen faunarijk grasland'. Het natuurbeheertype 'Vochtig weidevogelgrasland (N13.01)' ligt op ca. 400 m afstand ten zuiden van de projectlocatie. De activiteiten op de heringerichte projectlocatie krijgen een groene invulling die aansluit bij erfbeplantingen en inrichting in het aangrenzende bebouwingslint. De afstand tot en aard en omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt beoordeeld als geen effect veroorzakend op de doelstellingen van genoemde NNN-gebieden.

pagina 28 van 49

Stikstofdepositie Vanwege een toename van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase is er een stikstofberekening uitgevoerd om de effecten op Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving (Verstoep bouwadvies architectuur, d.d. 20 oktober 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Soortenbescherming Er heeft zowel een bureauonderzoek als locatieonderzoek plaatsgevonden. Eerst zijn middels het bureauonderzoek een aantal beschermde soorten of situaties mogelijk aanwezig geacht, welke de basis vormden voor het latere locatiebezoek. Hierop zijn tijdens het veldbezoek mogelijk aanwezige vaatplanten, landzoogdieren, vleermuizen, broedvogels en jaarrond beschermde nesten, amfibieën en ringslangen onderzocht. Voor deze beschermde soorten, waaronder vaatplanten, vleermuizen, amfibieën en reptielen, zijn geen geschikte habitats aanwezig bevonden binnen het plangebied. De bevindingen leiden met betrekking tot soortenbescherming niet tot de noodzaak voor het aanvragen van ontheffingen of een specialistisch vervolgonderzoek, mits aan mitigerende en compenserende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt voldaan.

Wat betreft de mitigerende maatregelen is het voor de ringslang van belang om de opgeslagen steenmaterialen en het snoeihout buiten het overwinteringsseizoen (1 oktober - 15 maart) te verwijderen. Voor broedvogels houdt dit in dat het slopen van de opstallen buiten het broedseizoen (1 maart - 1 augustus) of na vrijgave vanuit een vogelcheck door een ecoloog mag plaatsvinden. Aansluitend wordt geadviseerd, met het oog op broedvogels, amfibieën en reptielen, om geen opslag van grond en zandhopen in het broedseizoen te creëren. Verder geldt te allen tijde en voor alle soorten een algemene zorgplicht. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.

5.3 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

pagina 29 van 49

1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van bedrijfsbebouwing ten behoeve van een grondverzet- en aannemersbedrijf alsmede een schuilstal voor het hobbymatig houden van dieren. Dit komt neer op twee grotere gebouwen en een kleine schuilstal. Door de aard en omvang is de beoogde ontwikkeling niet aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit volgt uit de NIBM-tool die is ingevuld voor Middelblok 191. De navolgende afbeelding toont de resultaten hiervan. Ook voor Middelblok 1-5, waar het bedrijf beëindigd wordt en de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, geldt dat dit 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Resultaten berekeningen NIBM-tool (bron: Buro SRO)

Daarnaast is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring

Luchtkwaliteit

gekeken

naar

de

luchtkwaliteit

in

en

rondom

het

plangebied.

De

achtergrondconcentraties over 2023 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij Middelblok 191 (receptor 62251686_15827452) bedragen respectievelijk maximaal 15,1 μg/m³ (PM10), 8,0 μg/m³ (PM2,5) en 12,7 μg/m³ (NO2). Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

pagina 30 van 49

5.4 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

•

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag

•

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

De kenmerken van het project.

2.

De plaats van het project.

3.

De kenmerken van de potentiële effecten.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de vervanging van bedrijfsbebouwing aan Middelblok 191 ten behoeve van een nieuwe bedrijfsfunctie. De bedrijfsfunctie aan Middelblok 1-5 komt hierbij te vervallen. Daarmee is onderhavig plan aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het

pagina 31 van 49

Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van de Omgevingswet beschrijft wanneer er sprake is van mer(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt: Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen: a.

die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en

b.

waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Kenmerken van het project Onderhavige ontwikkeling betreft het slopen van bestaande bedrijfsbebouwing ten behoeve van nieuwe bedrijfsbebouwing. De ontwikkeling heeft een totale bvo-oppervlakte van ca. 1.600 m². Wat betreft de aanlegfase wordt, voor het bouwrijp maken van de gronden, een deel van de bestaande funderingen hergebruikt. Voor het aanleggen van nieuwe funderingen wordt bij de graafwerkzaamheden mogelijk zand uit de bodem onttrokken. Verder worden voor de bouw de reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt zoals bouwmateriaal (hout, beton, metaal). Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. Verder komt bij de sloop van de bestaande bebouwing sloopafval vrij. Dit afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. Wel komen er tijdens de sloopfase (sloopafval) en aanlegfase (bouwafval) afvalstoffen vrij. Dit afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd.

Hinder wordt voorkomen door de bouwwerkzaamheden zoveel mogelijk gedurende reguliere werktijden plaats te laten vinden. In de omgeving van het projectgebied zijn hoofdzakelijk woningen aanwezig en er bevinden zich geen functies die extra gevoelig zijn voor geluid of trillingen. Plaats van het project Het plangebied van het onderhavige plan betreft een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied van Gouderak. Er zijn in de bestaande situatie drie schuren aanwezig. Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of een beschermd natuurgebied. Bovendien zijn er in het plangebied geen bijzondere natuurlijke hulpbronnen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling. Verder bevindt het zich niet in een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid of een landschap van historisch, cultureel of archeologisch belang. Wel zijn potentiële externe effecten op omliggende Natura 2000-gebieden relevant. Dit komt verderop in deze paragraaf aan bod.

pagina 32 van 49

Kenmerken van de potentiële effecten De verwachting is dat het project geen negatieve effecten veroorzaakt voor de bodem- en waterkwaliteit, mede doordat er geen uitlogende materialen worden toegepast en hemelwaterafvoer niet op het rioolstelsel wordt aangesloten. Er vinden geen ingrepen in beschermingszones van watergangen en -keringen plaats. De realisatie van de bedrijfsbebouwing leidt niet tot een permanente verslechtering van het geluidniveau en de luchtkwaliteit. Wel kunnen deze aspecten tijdens de aanlegfase verslechteren. Omdat het hierbij gaat om een beperkte verslechtering die tijdelijk van aard is, worden deze effecten niet als ernstig beoordeeld. Omdat het plangebied zich niet in een beschermd natuurgebied bevindt wordt er geen afbreuk gedaan aan beschermde natuurgebieden. Uit de uitgevoerde quickscan flora en fauna blijkt dat er geen beschermde flora en fauna worden geschaad. Ook van externe effecten op Natura 2000-gebieden is geen sprake, zoals blijkt uit een AERIUS-berekening. Er is in de toekomstige situatie slechts sprake van een beperkte toename van verkeersgeneratie. De infrastructuur rondom het plangebied kan de nieuwe verkeerssituatie echter gemakkelijk verwerken. Conclusie Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r.

nodig is en publiceert dit in een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. gemaakt hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het omgevingsplan. Op basis van deze plantoelichting kan geconcludeerd worden dat een m.e.r. niet opgesteld hoeft te worden.

5.5 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

•

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

•

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

pagina 33 van 49

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. In het verleden is op het terrein een veehouderij gevestigd. Gelet op de beoogde ontwikkeling dient, voor de bouwactiviteit ten behoeve van een bodemgevoelig gebouw en voor het mogelijk maken van een bodemgevoelige locatie ten behoeve van een bedrijfsfunctie, bij een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek te worden verstrekt. Voor de beoogde ontwikkeling zijn, mede door de aangetroffen olieverontreiniging op de locatie, meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. Er is in het recente verleden tweemaal (voor)onderzoek uitgevoerd. Deze zijn in beide gevallen beoordeeld door de Omgevingsdienst Midden-Holland. Daarbij constateerde de omgevingsdienst dat ter plaatse verontreinigde olie, metalen en asbest zijn aangetroffen. Derhalve heeft er gedurende de periode december 2021 en januari 2022 aanvullend bodemonderzoek inclusief asbestonderzoek plaatsgevonden (Linge milieu, d.d. 31 januari 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6).

Doel van het aanvullend onderzoek is het aanvullen van het eerdere onderzoek en het verifiëren van eerder vastgestelde verontreiniging. Geconcludeerd is dat de algemene kwaliteit van de grond en het grondwater van de locatie geen belemmering zijn voor de ontwikkeling van het terrein, met uitzondering van de locatie van een voormalige tank in de westelijke stal. Derhalve heeft een sanering plaatsgevonden voor de aangetroffen minerale olieverontreiniging, waarvoor een evaluatieverslag is opgesteld (Bottomline Projectbegeleiding, d.d. 15 november 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Uitvoering van de bemonstering heeft plaatsgevonden conform het protocol 6001. Op basis van de resultaten is, na overleg met bevoegd gezag, de aangetroffen verontreiniging in voldoende mate verwijderd. Voor de locatie Middelblok 1-5 geldt dat hier ten opzichte van de huidige, feitelijke situatie geen wijzigingen zijn voorzien met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen of locatie. De gronden die al behoren bij de bestaande woning worden in de toekomstige situatie ook voor wonen en tuin gebruikt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de bevindingen van de uitgevoerde onderzoeken geen belemmeringen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

pagina 34 van 49

Het

•

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

•

gebouw voor kinderopvang met bedden;

•

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen de geluidaandachtsgebieden van het geluidgezoneerde industrieterrein Middelblok, de provinciale weg N207 en het Middelblok. Er zijn echter geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen voorzien. Voor de bedrijfswoning aan Middelblok 191 en de naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning aan Middelblok 105 geldt dat dit een bestaande situatie is. Het plangebied is verder niet gelegen binnen een geluidaandachtsgebied voor railverkeer. Daarmee bestaat er geen aanleiding tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek voor wegverkeer, railverkeer of geluidgezoneerde industrieterreinen. In paragraaf 5.8 is aandacht voor het aspect geluid in relatie tot activiteiten en milieuzonering.

5.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de

pagina 35 van 49

Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van

het

hoogheemraadschap

het

Waterbeheerprogramma

2022-2027

vastgesteld.

In

het

Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:

•

het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

•

het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

•

vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen;

•

het zuiveren van afvalwater.

Het waterbeheer staat daarnaast voor een grote veranderopgave als gevolg van tal van grote ontwikkelingen. Om te kunnen blijven werken aan ‘droge voeten en schoon water’, moet het hoogheemraadschap zich nog nadrukkelijker en soms met nog meer inzet richten op deze ontwikkelingen. Het hoogheemraadschap gaat aan de hand van drie thema's voor de toekomst aan de slag met deze veranderopgave:

•

een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat in 2027;

•

een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen in 2027;

•

water en waterschap als onderdeel van de samenleving in 2027.

Keur en Beleidsregels Net als eerder tijdens de Waterwet het geval was, is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard op grond van de Omgevingswet als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

•

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);

•

watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);

•

andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);

pagina 36 van 49

•

de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

•

onttrekken en lozen van grondwater;

•

het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Planspecifiek Watercompensatie Bij een toename van verhard oppervlak is watercompensatie noodzakelijk. In de huidige situatie is een deel van de planlocatie aan Middelblok 191 verhard. Met de beoogde ontwikkeling aan Middelblok 191 is sprake van een toename aan verharding. Aan Middelblok 1-5 zijn geen wijzigingen ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie voorzien. Zoals volgt uit de bijlage (Verstoep bouwadvies architectuur, d.d. 8 oktober 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8) is de verhardingstoename ca. 1.145 m². Bij een compensatie-eis van 5%, dient 60 m² extra wateroppervlak aangelegd te worden. Dit oppervlak wordt aangelegd door de watergang aan de zuidzijde van het bedrijfsterrein te verbreden. Zowel de huidige als toe te voegen wateroppervlakken worden als werkingsgebieden opgenomen in de regels en visueel weergegeven op de verbeelding.

Waterafvoer Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar (vertraagd) afgevoerd naar de omliggende watergangen. Het afvalwater zal worden aangesloten op het bestaande rioolsysteem. Daarnaast wordt er ter plaatse van de voorgenomen was- en spuitplaats een obs geïnstalleerd die het waswater indirect (gezuiverd) loost op het open water. Waterkeringen De noordwestelijke gronden in het plangebied zijn in bestemmingsplan 'Middelblok' voorzien van een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Op deze gronden zijn bij recht geen gebouwen toegestaan. Echter, op grond van de actuele legger van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, bevindt vrijwel het gehele plangebied zich niet binnen de beschermingszone van een waterkering, met uitzondering van het uiterste noordwestelijke gedeelte van het plangebied. In dit deel van het plangebied zijn geen ingrepen voorzien. Bovendien wordt, ter bescherming van de waterkering, aan deze gronden de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' toegekend. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.

pagina 37 van 49

5.8 Activiteiten en milieuzonering Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’.

Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:

•

industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;

•

woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;

•

gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.

Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in het vestigen van een grondverzet- en aannemersbedrijf met twee bedrijfsgebouwen. Hiermee zal er in de toekomstige (gebruiks)fase sprake zijn van industrielawaai. Direct grenzend aan de planlocatie bevindt zich één woning (Middelblok 189) en in noordoostelijke richting bevinden zich op korte afstand drie woningen (Middelblok 193, 196 en 197). Een woonfunctie wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Er kan niet worden voldaan aan de richtafstanden van de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG voor het aspect geluid. Voor aannemersbedrijven met een werkplaats groter dan 1.000 m² geldt immers een richtafstand van 30 m voor geluid in gemengd gebied. Het toekomstige bedrijf komt op kortere afstand dan 30 m van de omliggende woningen. Hierdoor moet met een onderzoek nader bepaald worden of de toekomstige ontwikkeling het goede woon- en leefklimaat van deze woningen niet belemmert. Derhalve is akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Sain milieuadvies, d.d. 30 september 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9).

pagina 38 van 49

Sain milieuadvies concludeert in het akoestisch onderzoek dat in de representatieve bedrijfssituatie in de dagperiode wordt voldaan aan de normstelling vanuit de VNG-handreiking en het geldende omgevingsplan. Echter geldt dat bij incidentele bedrijfsactiviteiten, te weten het laden en lossen van vrachtwagens en/of tractoren, de normstelling vanuit de VNG-handreiking wel wordt overschreden. Dit komt door piekgeluiden die optreden bij het op- of afladen van een rupskraan of dieplader. Daarnaast geldt dat in de avond de normstelling vanuit het geldende omgevingsplan wordt overschreden op omliggende woningen (Middelblok 189 en 193). Dit komt door het terug komen rijden van tractoren, wat regelmatig plaatsvindt. Verder geldt voor de nachtperiode een overschrijding van de normstelling uit het omgevingsplan, door het wegrijden van tractoren en vrachtwagens. Er zijn mogelijkheden om met een maatwerkvoorschrift een hogere normstelling vast te stellen. Dat kan als voldaan wordt aan de instructieregels uit het Bkl en daarbij middels een goede onderbouwing ten aanzien van de representatieve bedrijfssituatie en de incidentele (piek)activiteiten. Aan de normen ten aanzien van de representatieve bedrijfssituatie wordt voldaan en voor de avond- en nachtperiode geldt dat de overschrijding amper waarneembaar is (avond) of slechts zelden plaatsvindt (nacht).

Hierdoor is (voornamelijk) gekeken naar de mogelijkheden om de geluidoverlast ten aanzien van incidentele piekmomenten te verminderen. Ten eerste zijn, door de ligging van de oprit ten opzichte van de woningen en de beoordelingshoogte van 5 meter, afschermende voorzieningen redelijkerwijs niet mogelijk. De voertuigen rijden na het verlaten van het bedrijfsterrein immers dicht langs de naastgelegen woning, waardoor een scherm geen invloed zal hebben op de beleving van de bewoners. Ten tweede geldt dat alle machines ten behoeve van het bedrijf op de locatie zelf staan, waarmee een goed inzicht in het zware materiaal kan worden gegeven. Dit zware materiaal wordt in de vroege ochtend niet gebruikt. Daarnaast zal, gezien de aard en frequentie van de activiteit, het vertrek van tractoren en vrachtwagens in de vroege ochtend geen afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat ter plaatse. Hierdoor is er sprake van een aanvaardbare situatie. Verder dient te worden benoemd dat er een bedrijfswoning (nr. 191) aanwezig is op het terrein, waarvoor niets verandert voor het aspect milieuzonering. Dit is en blijft een bedrijfswoning behorend bij het bedrijf op de planlocatie. Voor Middelblok 1-5 geldt dat de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Daarmee ontstaat geen nieuwe situatie in relatie tot bedrijven en andere milieubelastende activiteiten in de omgeving.

Conclusie Gezien het voorgaande vormen de milieubelastende activiteiten van de beoogde ontwikkeling geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. De berekende overschrijdingen van het omgevingsplan kunnen met een maatwerkvoorschrift toegestaan worden. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.9 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen

pagina 39 van 49

(Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was.

Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden.

Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (106/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine

pagina 40 van 49

sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Sevesoinrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden. Vervoer gevaarlijke stoffen Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat weten regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet.

Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:

•

30 meter voor een brandaandachtsgebied

•

200 meter voor een explosieaandachtsgebied

De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

pagina 41 van 49

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving).

Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle activiteiten, transportroutes of gasleidingen aanwezig zijn. In de verdere omgeving zijn wel risicobronnen aanwezig. Navolgend wordt hier verder op ingegaan. Buisleidingen Op circa 260 m van het plangebied in zuidwestelijke richting is de meest nabijgelegen buisleiding gelegen, die met deze afstand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Risicovolle activiteiten Daarnaast is op circa 260 m in oostelijke richting de meest nabijgelegen risicovolle activiteit gelegen. Dit betreft twee propaantanks. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen de veiligheidszones van deze activiteit Gezien de afstand vormt dit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Transportroutes gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N207. De weg is niet opgenomen in het Basisnet en heeft geen risicocontour. Echter worden over de N207 wel gevaarlijke stoffen vervoerd. Daardoor dient alsnog, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en om te zorgen voor een goed en veilig woon- en leefklimaat, het groepsrisico gewaarborgd te worden. Er is geen sprake van een significante toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig.

Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist. Hierbij worden de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid beschouwd vanuit een gifwolkscenario en explosiescenario. Bij een ongeval met een vrachtwagen met gevaarlijke stoffen is het namelijk mogelijk dat er een toxische wolk ontstaat en deze over het plangebied trekt. Het effectgebied waarbinnen onherstelbare of ernstige gezondheidsklachten bij blootstelling kunnen optreden is bij stabiel meer dan 1,5 km. Ook is het mogelijk dat er een explosie ontstaat die tot in het plangebied reikt. Derhalve dient de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van toekomstige bewoners te worden onderbouwd.

pagina 42 van 49

- Bestrijdbaarheid Het plangebied is vanuit de noordzijde voor de hulpdiensten goed bereikbaar. Nadere uitwerking voor bluswaterwinning wordt tussen brandweer en gemeente afgestemd. De opkomsttijd van de brandweer is voldoende en heeft geen bijzonderheden. Daarnaast is er in en rondom het plangebied voldoende oppervlaktewater aanwezig. - Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is dat zij

zichzelf

kunnen

onttrekken

aan

een

dreigend

gevaar

zonder

daadwerkelijke

hulp

van

de

hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is medebepalend voor het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval. Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in de bedrijfspanden of naastgelegen woningen te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk de gebouwen niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. Ook is het sluiten van ramen en deuren van belang. Naast het schuilen is vluchten dwars op de windrichting een belangrijk handelingsperspectief bij een toxische wolk. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

5.10 Trillingen Trillingen zijn een onderdeel van de fysieke leefomgeving. Van belang is het beperken van overlast door trillingen. Dit aspect is geregeld in paragraaf 22.3.5 van Omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard (op basis van de Bruidsschat). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in artikel 22.88 van Omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard en artikel 5.87a van het Bkl. Planspecifiek Het planvoornemen heeft betrekking op het vestigen van een grondverzet- en aannemersbedrijf. In onderhavig geval wordt niet voorzien in nieuwe trillinggevoelige gebouwen zoals (bedrijfs)woningen, echter zijn er (vrijwel) direct naast de planlocatie wel woningen aanwezig. Hierdoor is mogelijk sprake van trillinghinder veroorzakende activiteiten, zoals bij het slopen van de huidige bedrijfsbebouwing en het bouwen van de nieuwe bedrijfsbebouwing.

Om de trillinghinder zoveel mogelijk te beperken wordt voorgesteld om de aaneenvolgende werktijden met trillende machines te beperken en deze tijden af te stemmen met de bewoners van omliggende

pagina 43 van 49

woningen. Dit plan kan verder worden uitgewerkt bij het indienen van aanvraag voor de activiteit bouwen. De trillinghinder veroorzakende activiteiten beperken zich tot de tijdelijke sloop- en bouwfase. Het betreffende bedrijf gebruikt geen installaties die trillinghinder veroorzaken.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn onder de

Wro

veelal

doorvertaald

in

archeologische

en

cultuurhistorische

dubbelbestemmingen.

Deze

dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen. Planspecifiek Archeologie Het grootste deel van het plangebied is in het bestemmingsplan 'Middelblok' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Bureau voor Archeologie, d.d. 8 maart 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10). Hieruit volgt dat de bodemopbouw oorspronkelijk bestaat uit een klei-op-veen profiel waarvan de bovenste 15 cm humeus is (liedeerdgronden). In de ondergrond (7 tot 9 m -mv) liggen beddingafzettingen van de Gouderak en Zuidplas beddinggordel. In het Mesolithicum kan menselijke activiteit hebben plaatsgevonden op de oevers van de Gouderak en Zuidplas beddinggordels. Vanaf het begin van het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen ligt het plangebied in een veenmoeras en komgebied.

Hierdoor is het plangebied in deze periode ongeschikt voor bewoning. In de loop van de 11e eeuw wordt de Krimpenerwaard ontgonnen. Het plangebied ligt op ongeveer 50 m afstand van de rivierdijk. In de 17e eeuw ligt mogelijk in het noordwesten van het plangebied de Bakwetering. Begin 19 e eeuw wordt één strook in het noordoosten gebruikt als bouwland en op ander perceel bevindt zich een lijnbaan met bijbehorende bebouwing. De rest is in deze periode weiland. Ter hoogte van de huidige bebouwing zijn vanaf het einde van de 19e eeuw meermaals schuren gebouwd en gesloopt. In de 20 e eeuw zijn meerdere sloten gedempt.

pagina 44 van 49

Uit milieukundige boringen blijkt dat in het hele plangebied een puinpakket aanwezig is van ongeveer 50 cm en dikker. Lokaal is het puinpakket dikker dan 300 cm. Veelal ligt direct onder het puinpakket veen. Daar waar het puinpakket 50 cm of minder dik is, adviseert Bureau voor Archeologie om een verkennend en karterend booronderzoek uit te voeren, indien graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm -mv zijn voorzien. Dit is om nader te bepalen wat de aard en intactheid van het bodemprofiel is en om te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn. Bureau voor Archeologie adviseert om de rest van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat bij realisatie van de bedrijfsgebouwen en uitbreiding van de verharding niet door de bestaande puinlaag heen wordt gegraven. Bij de geplande schuilstal is geen nader onderzoek nodig, omdat de kans klein wordt geacht dat hier behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, gezien de afstand tot de ontginningsas en beddinggordel. Aan Middelblok 1-5 zijn geen bodemingrepen voorzien. Derhalve is voor deze locatie geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. De gronden zijn, in overeenstemming met de archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard, voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde - Archeologie 6’.

Cultuurhistorie Er zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten in of nabij van het plangebied aanwezig. Het plangebied is volgens het beleidsdocument Gebiedsprofiel Krimpenerwaard gelegen aan een cultuurhistorische rivierdijk (de Hollandsche IJssel). Voor gebieden rondom de dijk gelegen geldt dat door opeenvolgende, deels zeer recente, dijkversterkingen de grenzende bebouwing steeds meer met elkaar vervlochten is geraakt. Eerder is gebleken dat het plangebied is gelegen aan een dijklint en dat, gelet op landschappelijke inpassing, de beoogde bebouwing achter op het erf wordt ingepast, zodat de onderscheidende bebouwingslint en de zichtlijnen vanaf de dijk naar het achterliggende open strokenlandschap zoveel mogelijk behouden blijven. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

pagina 45 van 49

6 Juridische aspecten 6.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.

6.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

6.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende werkingsgebieden op alfabetische volgorde. Dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

•

toepassingsbereik;

•

functieomschrijving;

•

beoordelingsregels bouwactiviteiten;

pagina 46 van 49

•

beoordelingsregels gebruiksactiviteiten;

•

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

6.4 Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Krimpenerwaard. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend omgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden. Agrarisch met waarden Ten behoeve van reële grondgebonden graasdierbedrijven en hobbymatige agrarische activiteiten, zoals beweiding door landbouwhuisdieren, zijn de zuidwestelijke en zuidoostelijke gronden nabij Middelblok 191 en de achterzijde van het terrein bij Middelblok 1-5 voorzien van het werkingsgebied 'Agrarisch met waarden'. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - schuilstal' mag een schuilstal gebouwd worden. Binnen dit werkingsgebied geldt verder dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd mogen worden, met een maximum bouwhoogte van 1,5 m. Bedrijf Op de voor 'Bedrijf' aangewezen locaties, die de gronden betreffen die geen agrarische functie hebben en geen wateroppervlak zijn, worden bedrijven in de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1' (het hele werkingsgebied 'Bedrijf') een grondverzet- en aannemersbedrijf.

Verder is de (bestaande) bedrijfswoning op de verbeelding aangeduid. Het bouwen van gebouwen is mogelijk binnen de aangewezen bouwvlakken. Hierbij zijn maximum goot- en bouwhoogten opgenomen en is voor het grote een maximum bebouwingspercentage van 50% opgenomen. Verder zijn er bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten. Hiervoor zijn maximum bouwhoogten opgenomen. Water Ten behoeve van de aanleg van extra wateroppervlak worden de watergang aan de zuidzijde van het bedrijfsterrein verbreed. Zowel de huidige als nieuw aan te leggen wateroppervlakken worden voorzien van het werkingsgebied 'Water'. Hier zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogelijk met een maximum bouwhoogte van 2 m. Wonen Het erf behorende bij de woning aan Middelblok 1-5 is voorzien van het werkingsgebied 'Wonen', waarbinnen woningen, beroepsactiviteiten in en bij de woning en bijbehorende bouwwerken en voorzieningen mogelijk. Met het toekennen van deze functies worden de bedrijfsactiviteiten (loonbedrijf) die verplaatst worden naar Middelblok 191 'wegbestemd'. De twee bedrijfswoningen, die in de huidige planologische situatie toegestaan zijn, worden omgezet naar burgerwoningen. De bebouwingsmogelijkheden voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden teruggebracht naar wat gebruikelijk is bij burgerwoningen aan het Middelblok.

pagina 47 van 49

Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 6 Voor de bescherming van archeologische waarden wordt het plangebied voorzien van de werkingsgebieden 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 6'. Hierbij worden beperkingen gesteld aan bodemingrepen, waarbij uitzonderingen gelden van een diepte van 30 cm -mv en een oppervlakte 100 m² voor 'Waarde Archeologie 3', en een diepte van 3 m -mv en een oppervlakte van 2.500 m² voor 'Waarde - Archeologie 6'. Waterstaat - Waterkering Een klein noordwestelijk deel van het plangebied aan Middelblok 191 is voorzien van het werkingsgebied 'Waterstaat - Waterkering'. Op basis van de actuele legger is enkel dit gedeelte van het plangebied gelegen binnen de beschermingszone van de waterkering.

pagina 48 van 49

7 Economische uitvoerbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De bevoegde overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal, een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden. Planspecifiek De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

pagina 49 van 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=66a50178-1508-4090-9731-f0f3c0058415