CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4: Motivering bij TAM-omgevingsplan Middelblok 1 en 191

Raadsvergadering 2 juni 2026, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) TAM-Omgevingsplan Middelblok 1 en 191 Gouderak16.655 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Middelblok 1 en 191 Gouderak Gemeente Krimpenerwaard

Colofon Gegevens over het project: Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1931.TAM2404BG024-VG01

Datum:

2026-03-18

Kenmerk Buro SRO:

SR240046

Contactpersoon Buro SRO:

R. van der Made

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Verstoep bouwadvies architectuur

Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:

’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Telefoon:

030-2679198

E-mail:

utrecht@buro-sro.nl

Internet:

www.burosro.nl

pagina 2 van 49

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding en ambitie .................................................................................................................................... 5 1.2 Aanduiding plangebied .................................................................................................................................. 5 1.3 Toetsing aan het omgevingsplan .................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ..................................................................................................................................................... 8

2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................................ 9 2.1 Participatie .................................................................................................................................................... 9 2.2 Omgevingstafel ............................................................................................................................................. 9 2.3 Bestuurlijk overleg ........................................................................................................................................10 2.4 Zienswijzen ..................................................................................................................................................10

3 Planbeschrijving ................................................................................................................................. 11 3.1 Huidige situatie.............................................................................................................................................11 3.2 Toekomstige situatie ....................................................................................................................................13

4 Beleidskaders ..................................................................................................................................... 16 4.1 Rijksbeleid ....................................................................................................................................................16 4.2 Provinciaal beleid .........................................................................................................................................17 4.3 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................................................23

5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu .......................................................................................... 25 5.1 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................25 5.2 Natuur ..........................................................................................................................................................27 5.3 Luchtkwaliteit................................................................................................................................................29 5.4 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................31 5.5 Bodem ..........................................................................................................................................................33 5.6 Geluid ...........................................................................................................................................................34 5.7 Waterhuishouding ........................................................................................................................................35 5.8 Activiteiten en milieuzonering

.......................................................................................................................38 5.9 Omgevingsveiligheid ....................................................................................................................................39 5.10 Trillingen.....................................................................................................................................................43 5.11 Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................................................44

6 Juridische aspecten ............................................................................................................................ 46 6.1 Algemeen .....................................................................................................................................................46 6.2 Verbeelding ..................................................................................................................................................46 6.3 Planregels ....................................................................................................................................................46 6.4 Toelichting op functies en locaties ...............................................................................................................47

7 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................................ 49

pagina 3 van 49

pagina 4 van 49

1 Inleiding 1.1 Aanleiding en ambitie Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie van Middelblok 191 te Gouderak, gemeente Krimpenerwaard, voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te slopen en hiervoor in de plaats twee bedrijfsgebouwen alsmede een schuilstal voor het hobbymatige houden van dieren te bouwen. De twee nieuwe bedrijfsgebouwen zijn ten behoeve van grondverzet- en aannemersbedrijf De Zwart Grondverzet, die in de huidige situatie is gevestigd aan Middelblok 1-5. Doordat die locatie de groei van het bedrijf niet kan accommoderen en die locatie in de directe invloedssfeer van de beoogde woningbouwontwikkeling 'Gouderak Oost' is gelegen, is het bedrijf niet meer passend op die locatie. Omdat de bestaande bebouwing op de nieuwe locatie, als voormalige veehouderij, niet geschikt is voor de bedrijfsvoering die De Zwart Grondverzet voor ogen heeft, is gekozen voor nieuwbouw op de locatie aan Middelblok 191. Hiermee zullen de bedrijfsactiviteiten op de huidige locatie aan Middelblok 1-5 gelijktijdig komen te vervallen, wat met het wijzigen van de functie van deze locatie naar wonen in het voorliggende plan juridisch-planologisch geregeld wordt. Voor het planvormen is een conceptaanvraag ingediend die op 12 juni 2023 aan de intaketafel is behandeld. In de brief d.d.

18 september 2023 heeft de gemeente Krimpenerwaard laten weten in principe akkoord te gaan en onder voorwaarden bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het voorgestelde plan. Vervolgens is het initiatief op 12 september 2024 behandeld aan de Omgevingstafel, waarbij de vorderingen van het planvoornemen zijn besproken en (hierop) integraal advies is gegeven, ten behoeve van het indienen van een formeel ontwerp en een vergunningsaanvraag bij de gemeente. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege) van de gemeente Krimpenerwaard, waar het bestemmingsplan 'Middelblok' onderdeel van is en waarin de locatie beschikt over de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'. Derhalve dient een herziening van het omgevingsplan te worden vastgesteld voor de planlocatie.

1.2 Aanduiding plangebied Het plangebied ligt ten zuiden van Gouda en ten noordoosten van Gouderak, aan het Middelblok 191, in de gemeente Krimpenerwaard. Kadastraal is de kavel bekend onder de gemeente Gouderak, sectie B, perceelnummers 4420 en 4805. Het terrein heeft een oppervlak van ca. 14.500 m². Het plangebied ligt in het buitengebied van Gouderak, nabij de Hollandsche IJssel en dichtbij Gouda.

pagina 5 van 49

De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth)

Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: Google Earth)

pagina 6 van 49

Daarnaast is de locatie aan het Middelblok 1-5 onderdeel van het plangebied. Deze locatie ligt vrijwel direct ten noordoosten van de kern Gouderak.

1.3 Toetsing aan het omgevingsplan Alle voorheen geldende bestemmingsplan maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard. Voor de planlocatie gold voorheen het bestemmingsplan ‘Middelblok', waarin de gronden voorzien zijn van de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden'. Tevens gold voor het zuidoostelijke deel van de planlocatie aan Middelblok 191, waar de schuilstal is beoogd, het bestemmingsplan 'Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard', waarin de gronden voorzien zijn van de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De navolgende figuur toont een uitsnede van het bestemmingsplan 'Middelblok'.

Uitsnede bestemmingsplan 'Middelblok', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Middelblok 191 Binnen het plangebied geldt voor het grotere noordoostelijke gedeelte van Middelblok 191 de enkelbestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor agrarische bedrijven, met uitzondering van intensieve veehouderij. Voor de zuidwestelijke en zuidoostelijke gedeelten van het plangebied geldt de enkelbestemming

pagina 7 van 49

'Agrarisch met waarden'. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor het behoud en herstel van de natuur- en landschapswaarden, agrarische bedrijven (met uitzondering van intensieve veehouderij) en extensieve recreatie. Naast de agrarische bestemming geldt voor het noordoostelijke en westelijke gedeelte van het plangebied ook de dubbelbestemming

'Waarde

-

Archeologie',

gericht

op

de

bescherming

van

archeologische

(verwachtings)waarden. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Daarnaast geldt voor het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Hierbij is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen dieper dan 3 m onder het maaiveld en een oppervlakte van 2.500 m². Tevens geldt voor het noordoostelijke en westelijke gedeelte van het plangebied een gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie', waarvoor een beperking geldt voor het bouwen van een woning of een ander geluidsgevoelig gebouw. Middelblok 1-5 Aan de planlocatie aan het Middelblok 1-5 is ook de enkelbestemming 'Agrarisch' toegekend. Ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf' is tevens een agrarisch aanverwant bedrijf ('Een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven en groene en recreatie functies in het buitengebied zonodig met behulp van werktuigen en apparatuur of op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van werktuigen of apparatuur. Kenmerkende werkzaamheden zijn cultuurtechnische werken en grondverzet, meststoffendistributie en agrarisch loonwerk.') toegestaan. Aan de voorzijde van erf, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' zijn twee bedrijfswoningen mogelijk.

Conclusie Het beoogde voornemen past niet binnen deze bestemmingen. Het gebruiken van de locatie voor een grondverzet- en aannemersbedrijf en de omzetting van de functie van de vertreklocatie naar wonen is immers niet toegestaan (binnen een agrarische bestemming), waardoor er een wijziging van het omgevingsplan vastgesteld dient te worden.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het resultaat van de participatie, het bestuurlijk overleg en de terinzagelegging beschreven. De huidige en toekomstige situatie komt in hoofdstuk 3 aan bod. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de hand van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 6. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.

pagina 8 van 49

2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2.1 Participatie Conform het participatiebeleid van de gemeente Krimpenerwaard dient er participatie gevoerd te worden en een participatieverslag opgesteld te worden. De participatie is vormgegeven door een persoonlijke benadering van omwonenden, waarbij het ontwerpboekje is getoond. Uit dit participatieverslag van februari 2024 (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1) blijkt dat er vragen zijn gesteld over de hoogte van de gebouwen. Verder is verzocht om geen ramen te maken in het beoogde bedrijfsgebouw dat aan de zijde van Middelblok 193 komt te staan. Verder zijn er geen bedenkingen geuit of opmerkingen geplaatst.

2.2 Omgevingstafel Onder de Omgevingswet is de vergunningverlening veranderd en ook de manier waarop integraal naar vergunningaanvragen wordt gekeken. Zo wordt de gemeente bij een aanvraag voor meerdere overheden het aanspreekpunt en verantwoordelijk voor de afhandeling in de keten. Om de nieuwe wijze van vergunningverlening onder de Omgevingswet mogelijk te maken, heeft de VNG samen met gemeenten de omgevingstafel als oplossing ontwikkeld. Na een eerste bespreking van een initiatief aan de Intaketafel kan, wanneer het initiatief wenselijk is, een gesprek plaatsvinden aan de omgevingstafel. Hierbij komen de initiatiefnemer, betrokken overheidspartijen en mogelijke belanghebbenden bij elkaar. Na dit gesprek kan een initiatief dat is besproken aan de omgevingstafel worden aangepast en vervolgens in het kader van de vergunningaanvraag of de wijziging van het omgevingsplan worden ingediend. Het initiatief is op 12 september 2024 besproken aan de Omgevingstafel van de gemeente Krimpenerwaard (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Bij dit gesprek zijn wensen en opmerkingen op het initiatief besproken vanuit de verschillende bestuurlijke partners, waaronder gemeente Krimpenerwaard, Omgevingsdienst Midden-Holland, provincie Zuid-Holland en Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Hierbij hebben de

pagina 9 van 49

bestuurspartners te kennen gegeven extra uitwerking of aanpassingen te willen zien betreffende de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing en de haalbaarheid van het initiatief voor wat betreft het aspect geluid.

2.3 Bestuurlijk overleg In deze paragraaf of in een bijlage zullen de reacties in het kader van het bestuurlijk overleg worden samengevat en van een beantwoording worden voorzien.

2.4 Zienswijzen Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft vanaf vrijdag 19 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is in de Nota van beantwoording zienswijzen (gemeente Krimpenerwaard, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 11) samengevat en beantwoord.

pagina 10 van 49

3 Planbeschrijving 3.1 Huidige situatie Op de locatie aan Middelblok 191 te Gouderak bestaat ongeveer de helft van het perceel uit een tweetal open schuren, erfverharding en een mestplaat, die zijn opgericht ten behoeve van een agrarisch bedrijf. De andere helft fungeert als weiland. De noordwestkant van het perceel grenst aan het Middelblok, die de ontsluiting vormt voor het (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel, de bijbehorende bedrijfswoning en een naastgelegen woning (Middelblok 189). De weg Middelblok is gelegen op de kruin van de dijk, die verbonden is met de daarachter gelegen provinciale weg N207. Verder kenmerkt de kavel zich door omringende en doorkruisende watergangen van het omringende veen(weide)landschap. De (directe) omgeving kenmerkt zich door afwisselend vrijstaande woningen, agrarische gronden en bedrijventerreinen, die zich aan de overzijde van het Middelblok bevinden. De navolgende afbeeldingen geven impressies van de huidige situatie weer.

Aanzicht plangebied vanaf Middelblok (bron: Google Street View)

pagina 11 van 49

Impressie plangebied, zicht (vanaf zuidoosten) op huidige agrarische bebouwing en achterliggend weiland (bron: Bui-TeGewoon, 02-02-2024)

Impressie plangebied vervolg, zicht vanaf noordoosten (bron: Bui-TeGewoon, 02-02-2024)

pagina 12 van 49

3.2 Toekomstige situatie Het voornemen is om op de locatie aan Middelblok 191 de bestaande bebouwing te slopen en daarvoor in de plaats twee nieuwe bedrijfsgebouwen en een schuilstal op te richten. De twee bedrijfsgebouwen zijn voor het grondverzet- en aannemersbedrijf De Zwart Grondverzet, terwijl de schuilstal dient voor het hobbymatig houden van dieren. Ten behoeve van de herinrichting van de planlocatie is een planboek vervaardigd (Verstoep bouwadvies architectuur, zomer 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3). De navolgende afbeelding toont een situatietekening van de toekomstige situatie.

Situatietekening toekomstige situatie (bron: Verstoep bouwadvies architectuur, zomer 2024)

Oude bedrijfslocatie De bestaande locatie aan Middelblok 1-5 is minder geschikt voor (uitbreiding van het) grondverzet- en aannemersbedrijf, door ruimtegebrek voor uitbreiding van het bedrijf en doordat het behouden van de bedrijfslocatie op bezwaren stuit bij eventuele nieuwbouwplannen ten oosten van de dorpskern Gouderak. Om die reden worden de bedrijfsactiviteiten aan Middelblok 1-5 te vervallen en verplaatst naar Middelblok 191. De functie van de vertreklocatie wordt gewijzigd naar wonen, waarbij de planologisch toegestane bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen. Het vervolg van de voorliggende motivering richt zich hoofdzakelijk op de nieuwe bedrijfslocatie aan Middelblok 191, omdat de ruimtelijke effecten met name waarneembaar zullen zijn op deze locatie. De toetsing aan het beleidskader en de aspecten van fysieke leefomgeving is dan ook met name voor deze locatie relevant.

pagina 13 van 49

Nieuwe bedrijfslocatie De nieuwe locatie heeft de voorkeur boven de bestaande locatie van het bedrijf, dat is gevestigd aan Middelblok 1-5. Daarentegen is er op de nieuwe locatie wel ruimte voor bedrijfsuitbreiding. Daarnaast is de nieuwe locatie meer passend bij de omgeving, die gekenmerkt wordt door een werklandschap gecombineerd met vrijstaande woningen. Tevens is de nieuwe locatie geschikt door de nabijgelegen uitvalswegen, met op korte afstand de N207. Planologische situatie De gronden ter plaatse van de planlocatie aan Middelblok 191 hebben in de bestemmingsplannen ‘Middelblok’ en 'Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard', die onderdeel zijn van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. Met deze bestemmingen zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het beoogde grondverzet- en aannemersbedrijf niet toereikend. Om de herinrichting van het terrein mogelijk te maken ten behoeve van het grondverzet- en aannemersbedrijf zal aan dit gedeelte van het plangebied de functie ‘Bedrijf’ worden toegekend. Daarmee komt de hiervoor geldende bestemming 'Agrarisch' te vervallen. Hierbij wordt het bouwvlak dusdanig ingetekend, zodat er enerzijds flexibiliteit is voor de bouwindeling van de beoogde bedrijfsgebouwen en anderzijds zekerheid is voor de omgeving.

Daarnaast kunnen de overige gronden de huidige toegewezen bestemming 'Agrarisch met waarden' behouden. Voor de planlocatie aan Middelblok 1-5 geldt dat hieraan deels de functie 'Wonen' en deels de functie 'Agrarisch met waarden' wordt toegekend. Hiermee is beoogd dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse beëindigd worden en de bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen. Landschappelijke inpassing en stedenbouwkundige (erf)inrichting Er is gekozen voor meerdere bebouwingsvolumes om aan te sluiten bij een erfinrichting. Na overleg met de gemeente is ervoor gekozen om de bebouwing te beperken tot twee bedrijfsgebouwen en een kleine schuilstal. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de oppervlakte aan bebouwing licht af van ca. 1.520 m² naar ca. 1.450 m². Voor het grondverzet- en aannemersbedrijf worden twee gebouwen voorgesteld. Hierbij zal het gebouw aan de oostkant dienstdoen als opslag van materieel, terwijl het westelijke gebouw bedoeld is als kantoor, werkplaats, wasplaats en opslag van grotere machines. De bedrijfsgebouwen krijgen een 'stoer', schuurachtig karakter met een sobere detaillering. De gevelopzet betreft een borstwering van metselwerk met daarboven (Zweeds rabat) planken. De toegepaste kleuren zijn in hoofdzaak donker en gedekt.

Door deze landschappelijke inrichting blijven de zichtlijnen vanaf de wegen op de dijk (straat Middelblok en rotonde) ten aanzien van het opstrekkende polderlandschap behouden, via de westkant van het plangebied. De beleving van de linten en het uitzicht op de polders kunnen via deze werklocatie optimaal ervaren worden. De langs de weg gelegen woningen kunnen blijvend worden gezien als 'hoofdgebouw'. De erfverharding wordt passend bij het gebruik ingericht: het bedrijfsterrein wordt geheel verhard, terwijl voor de overige verharding bij de landelijke sfeer wordt aangesloten (middels grind en/of gebakken klinkers in kleur). Bovendien wordt de te realiseren bebouwing opgenomen in het groen. De bebouwing wordt omgeven door series van streekeigen aan te planten bomen en struiken, waaronder de knotwilg, (zwarte) es, meidoorn, veldesdoorn en kardinaalsmuts. Hierbij wordt ervoor gezorgd dat het zicht langs de as van de sloot niet wordt belemmerd. Verder

pagina 14 van 49

worden er natuurlijke oevers toegepast, ter begeleiding van de waterstructuur en voor een goede overgang van de erfinrichting naar deze doorkruisende weteringen. Voorts wordt ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren aan de zuidzijde een bescheiden schuilstal toegevoegd

in

het zuidoostelijke

gedeelte van het plangebied.

Rondom

deze

schuilstal

zal

een

pluktuin/inspiratietuin worden ingericht, waarbij wordt aangesloten bij de karakteristieke landschappelijke elementen van de achterliggende polder. Ter plaatse van de pluktuin zal gekozen worden voor lage beplanting, zodat er geen zichtlijnen worden belemmerd naar de polder. Ruimtelijk gezien vormt dit gedeelte een ondergeschikte rol ten opzichte van het grondverzet- en aannemersbedrijf. Parkeersituatie In het middengedeelte van het plangebied wordt ruimte voor parkeren gereserveerd, dit wordt gesitueerd tussen de nieuwe bebouwing en de naastgelegen woning aan Middelblok 189. Door deze opzet is sprake van parkeren uit het zicht (vanaf de dijk). Er zullen in totaal 20 parkeerplekken worden ingericht. Deze parkeerzone wordt gevuld met groen en voorzien van een halfverharde ondergrond. Hierbij wordt ervoor gezorgd dat de afscherming van deze parkeervakken niet een hoge barrière wordt. In paragraaf 5.1 wordt nader ingegaan op de verkeer- en parkeersituatie.

pagina 15 van 49

4 Beleidskaders 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

2.

duurzaam economisch groeipotentieel;

3.

sterke en gezonde steden en regio's;

4.

toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het bijdragen aan sterke en gezonde steden en regio's met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen, door het verplaatsen van het bedrijf en het vestigen op een andere locatie, waardoor er ruimte voor woningbouw vrijkomt.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

pagina 16 van 49

Planspecifiek Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m². Voor ontwikkelingen van een terrein ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een extra ruimtebeslag van 500 m². In onderhavig geval betreft het de ontwikkeling een oppervlakte van ca. 1.500 m² aan bebouwing. Gelet op de huidige aanwezige bebouwing blijft de oppervlakte echter gelijk, waarmee er geen sprake is van extra ruimtebeslag. Desondanks worden in het kader van een evenwichtig toedeling van functies de behoefte de ligging buiten het bestaand stedelijk gebied hierna nader beschouwd. Behoefte De huidige locatie van het bedrijf aan Middelblok 1-5 is te klein om de groei van het bedrijf te kunnen accommoderen en daardoor is uitbreiding van bebouwing en bedrijfsterrein noodzakelijk. Onder andere mist het bedrijf een werkplaats, overdekte wasplaats en voldoende ruimte voor stalling. Op de beoogde locatie is meer ruimte aanwezig voor uitbreiding van het bedrijf.

Daarbij is de nieuwe locatie gunstiger gelegen aan het Middelblok, omdat hiermee het gedeelte van de weg/route van het Middelblok tussen Gouderak en Gouda wordt ontlast van tractoren, vrachtverkeer en ander zwaar materieel. Bestaand stedelijk gebied De planlocatie aan Middelblok 191 ligt aan de rand van het bestaand stedelijk gebied, met aan de overzijde van het Middelblok de bedrijventerreinen aan de Hollandsche IJssel. Een verplaatsing van het bedrijf aan Middelblok 1-5 naar de nieuwe locatie aan Middelblok 191 is gunstig voor de mogelijke uitbreiding van de dorpskern Gouderak, waarbij de percelen van en rondom huidige bedrijfslocatie een potentiële woningbouwlocatie zijn. Daarmee zou een uitbreiding van het bedrijf op de huidige locatie conflicten geven voor de uitbreiding van de kern Gouderak. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 18 februari 2025. Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland schetst

de

provincie

in

de

omgevingsvisie

haar

toekomstgerichte

vernieuwingsambities. Deze ambities vormen een stip op de horizon. 1.

Samen werken aan Zuid-Holland

2.

Bereikbaar Zuid‐Holland

3.

Schone energie voor iedereen

4.

Een concurrerend Zuid‐Holland

pagina 17 van 49

beleid

in

zeven

provinciale

5.

Versterken natuur in Zuid‐Holland

6.

Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland

7.

Gezond en veilig Zuid‐Holland

Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. De provincie wil gebiedsgericht, integraal en op het regionale schaalniveau sturen op kwaliteitsverbetering, het realiseren van beleidsdoelen en bij het gebied passende ruimtelijke ontwikkelingen (‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’). Gebiedsprofielen en ruimtelijke kwaliteit Het landschap in de provincie Zuid-Holland is gevarieerd. Voor 16 deelgebieden zijn in 2014 gebiedsprofielen gemaakt als uitwerking van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Deze gebiedsprofielen zijn samen met de regio ontwikkeld. Elk gebied heeft eigen gebiedskenmerken die de provincie van provinciaal belang vindt. De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen.

De gebiedsidentiteit is de basis voor nieuwe ontwikkelingen. Deze identiteit is ontstaan door eeuwenlange ingrepen in de ruimte. Daarbij is een aantal lagen te onderscheiden. De bodem, de ondergrond, gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen. Daarop ligt de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. In deze laag vind je het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut. Deze laag is gevormd door eeuwenlang (vaak agrarisch) gebruik door de mens. De derde laag die onderscheiden wordt is de laag van stedelijke occupatie, bestaand uit steden, dorpen en hun onderlinge netwerken. Tot slot gaat de laag van de beleving over identiteit, met als belangrijke dragers cultuurhistorie en (recreatieve) beleving. Passende ruimtelijke ontwikkeling Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol.

De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is. De provincie maakt onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau in wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit.

pagina 18 van 49

Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Planspecifiek Omgevingskwaliteit Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Navolgend worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart 'Laag van de ondergrond' van de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland is het gehele plangebied aangewezen als 'rivierdeltacomplex - rivierklei' en het noordelijke deel van het plangebied als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen'. Bij ontwikkelingen in het rivierengebied dient het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar gehouden te worden. Ook dienen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap bij ontwikkelingen herkenbaar en in stand te worden gehouden. Binnen het plangebied is er sprake van een hoogteverschil, vanwege de aanwezigheid van de dijk. Er worden echter geen ingrepen gedaan die afbreuk doen aan dit hoogteverschil. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in een 'veen(weide)landschap' en gedeeltelijk (aan de noordelijke zijde) in 'linten'.

Wat betreft de structuur in de veengebieden, wordt deze structuur sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. Richtpunten voor het veenlandschap zijn:

•

Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.

•

Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.

•

Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden.

•

Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.

•

Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Daarnaast zijn linten lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Er kunnen verschillende typen linten onderscheiden worden: dijklint, polderlint en boerenervenlint. Het uitgangspunt is dat de linten behouden blijven als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Aansluiten bij de huidige korrel betekent, dat bij een lint met grootschalige bebouwing, grote loodsen of schuren inpasbaar zijn, maar bij een lint met kleinschalige bebouwing niet. De nieuwe bebouwing wordt ingepast binnen de bestaande structuren langs de dijk/in het lint, waar meer bedrijvigheid en woningen zijn gevestigd, en niet direct in de veenweidepolders. De bebouwing van onderhavig

pagina 19 van 49

plan voegt zich binnen het verkavelingspatroon dat bepaald wordt door sloten en weteringen. Hierdoor blijft de gebiedsidentiteit van het polderlandschap behouden en wordt het veen(weide)landschap met de beoogde ontwikkeling niet aangetast. Voor wat betreft het behoud van de linten is gekozen voor meerdere bebouwingsvolumes en landschappelijke invulling van het perceel, om hiermee aan te sluiten bij een erfinrichting. Het nieuwe bedrijfsgebouw aan de oostelijke zijde wordt geplaatst op de bestaande fundatie van te slopen schuur. Het nieuwe bedrijfsgebouw dat in het zuidwestelijke gedeelte van het plangebied komt wordt groter van omvang. De gebouwen worden min of meer tegenover elkaar gesitueerd en in het verlengde achter de bestaande woningen. Daarmee blijft de nieuwe bebouwing inclusief nieuwe erfinrichting in hiërarchie ondergeschikt aan de bestaande woningen van Middelblok 189 en 191, waarmee het lint een onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied blijft. Beleidskeuzes De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader.

Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: - Veenweide met riviereninvloed De veenweidepolders lopen door tot aan de rivierdijken. Het hoogteverschil is geleidelijk en er is geen duidelijke oeverwal te onderscheiden. Wel is door de directe invloed vanuit de rivier hier meer klei in de bodem aanwezig en liggen de gronden hierdoor iets hoger. Ambities zijn dat het contrast van verdichte dijklinten op oeverwal en open veenweidegebied beleefbaar worden gehouden en dat doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de wegen op de dijk zoveel mogelijk behouden blijven. Met onderhavige ontwikkeling wordt een bedrijfslocatie herontwikkeld en daarbij de erfinrichting heringericht. Er wordt aangesloten op de bebouwingsstructuur langs het lint en de erfinrichting krijgt een ruime, landelijke opzet. Daarmee wordt het open veenweidegebied leefbaar gehouden en blijven de doorzichten vanaf de wegen op de dijk over de opstrekkende verkaveling behouden. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen.

De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.

4.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Op 1 juli 2025 is de laatste versie van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.

pagina 20 van 49

Ruimtelijke kwaliteit In artikel 7.43c van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan alleen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Onder de volgende voorwaarden kan ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit worden voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

b.

Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

c.

Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat het planvoornemen een ruimtelijke ontwikkeling is die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Er wordt immers (oude) bedrijfsbebouwing gesloopt en vervangen voor nieuwe bedrijfsbebouwing, waarbij het principe van een (agrarisch) erf blijft bestaan. Daarbij zijn geen wijzigingen op structuurniveau voorzien. De ontwikkeling voegt zich binnen het huidige verkavelingspatroon. Tevens zijn in de nabije omgeving meerdere bedrijfsfuncties gevestigd, te weten niet-agrarische bedrijfsfuncties aan de overzijde van het Middelblok en een mix van functies aan zuid(oost)zijde van het Middelblok. Het betreffende niet-agrarische bedrijf, dat wel nadrukkelijk verbonden is met het landelijk gebied, past bij de aard en schaal van het gebied. Bovendien blijkt uit subparagraaf 4.2.1 dat aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart wordt voldaan. Beschermingscategorie Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 7.43h van de omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast.

In de motivering van een ruimtelijke ontwikkeling moeten kwaliteiten betrokken worden die gaan over: a.

de kenmerkende maat, schaal en het groene karakter van het landschap;

b.

de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;

c.

het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap

d.

de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

In subparagraaf 4.2.1 is ingegaan op de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de landschapselementen. Hieruit is reeds gebleken dat het landschap met de beoogde ontwikkeling niet onevenredig wordt aangetast. Zowel de openheid als het groene karakter van het landschap verslechteren niet significant ten opzichte van de huidige situatie. De ontwikkeling beperkt zich tot het erf van het voormalige agrarische bedrijf en gronden achter de

pagina 21 van 49

woning aan Middelblok 189. De openheid en groene karakter van het veenweidelandschap zoals dat vanaf de dijk (Middelblok) ervaren wordt daarmee zoveel mogelijk behouden. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 7.45 lid 1 van de Omgevingsverordening is het volgende opgenomen: 'Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving’. Voor het voorgenomen plan is in subparagraaf 4.1.2 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt voldaan aan artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.45 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 7.41a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a.

wateroverlast door overvloedige neerslag;

b.

overstroming;

c.

hitte;

d.

droogte;

alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. - Wateroverlast Uit de Atlas leefomgeving blijkt dat het plangebied grotendeels niet gevoelig is voor extreme neerslag. Omdat de terreinverharding met onderhavig initiatief wel wordt verruimd, zullen er klimaatbestendige terreininrichtingen worden uitgevoerd om extreme neerslag te kunnen verwerken. - Overstroming Volgens de overstromingskaart van de klimaatatlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat ter plaatse van het plangebied een hoger overstromingsbeeld kan ontstaan, door de naastgelegen primaire waterkering/dijk. Echter is de overstromingskans in het gebied klein. Ook wordt er op voldoende afstand van de dijk af gebouwd, wat ruimte biedt voor toekomstige dijkverzwaring. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet noodzakelijk geacht. - Hitte Ter plaatse van het plangebied is het volgens de klimaatatlas op dit moment warmer dan gemiddeld. De hittestress zal toenemen wanneer het terrein wordt heringericht. Gelet op de groene aard van de omgeving, incluis het omliggende agrarische landschap, levert dit geen problemen op voor de planlocatie. - Droogte In het plangebied lijkt op basis van de klimaatatlas droogte geen probleem te vormen. De grondwaterstand heeft met een peil van ca. 1,5 m-mv een normale stand in het landelijk gebied.

Wel zullen er maatregelen worden getroffen om de verhardingstoename te compenseren en wordt het plangebied klimaatbestendig ingericht om

pagina 22 van 49

voldoende water in de grond vast te kunnen houden. Dit wordt nader behandeld in paragraaf 5.7. Daarnaast is er voldoende oppervlaktewater aanwezig rondom het plangebied. - Bodemdaling Uit de kaartlaag van de ondergrond van de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland is gebleken, zoals eerder behandeld in paragraaf 4.2.1, dat de ondergrond van de planlocatie is opgebouwd uit rivierklei vermengd met veenondergrond. Profielen met veenondergrond zijn in meer of mindere mate gevoelig voor bodemdaling. Tijdens de ontwikkeling dient er met zorg omgegaan te worden voor het behoud van het veen en de diepe veenpakketten. Daarnaast vormen de oeverwallen (dijken), waar de planlocatie aan gelegen is, plaatselijk hogere en drogere delen binnen het veengebied. Onderhavige ontwikkeling doet geen ingrepen in de bodem die negatieve effecten hebben op het verschil tussen de komgronden en oeverwallen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het meest nabij gelegen NNN-gebied betreft de polder Middelblok wat deel uitmaakt van het grote NNN-gebied Krimpenerwaard. Het is direct grenzend aan de zuidelijke gronden van de projectlocatie.

In artikel 7.61 is opgenomen dat een omgevingsplan voor het Natuurnetwerk Nederland daarbinnen geen activiteiten toe mag laten die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden significant beperken, of die leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Hierbij hoeft geen rekening gehouden te worden met ontwikkelingen buiten het Natuurnetwerk Nederland (geen externe werking). Desondanks heeft het beoogde plan geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland. Waar het plangebied in het zuiden grenst aan het NNN wordt alleen een pluktuin/inspiratietuin aangelegd met een kleine schuilstal voor het hobbymatig houden van dieren. Verder wordt het terrein landschappelijk ingepast door middel van streekeigen aanplant. Er worden dan ook geen negatieve effecten verwacht ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 5.2. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard, die de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 14 juli 2021 heeft vastgesteld, geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste

pagina 23 van 49

waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpenerwaarden” zijn als volgt opgedeeld:

•

Waarden van heel de Krimpenerwaard;

•

Waarden per gebied;

•

Waarden van de kernen.

De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Krachtig buitengebied Het buitengebied van de Krimpenerwaard is bijzonder en waardevol, maar staat voor uitdagingen. Hoe behouden we de kwaliteiten van het buitengebied, houden we droge voeten, hoe gaan we om met de ontwikkelingen in de landbouw, de vraag naar duurzame energie en de vraag naar ruimte voor bebouwing? Het antwoord op deze vragen is niet voor het hele buitengebied hetzelfde. Daarom zijn er ook verschillen aangegeven in de gebieden. Deze gebieden zijn weergegeven op de richting- en ruimtekaart. Per gebied is aangegeven waar de gemeente op inzet en welke speerpunten van belang zijn.

Planspecifiek De planlocatie behoort volgens de richting- en ruimtekaart tot het gebied 'dynamiek langs de rivieren'. Bij deze gebieden wordt onder meer ingezet op ruimte voor vitale toekomstbestendige bedrijvigheid. Onderhavig initiatief biedt een kans om een bestaand bedrijf dat groeit te verplaatsen naar een locatie waar, ten opzichte van de huidige bebouwing en het bedrijfsterrein aan Middelblok 1-5, meer ruimte is voor uitbreiding. Tevens past de beoogde opzet in schaal bij het gebied. Andere kansen voor het gebied zijn het vergroten van de verkeersveiligheid en waterveiligheid als basisvoorwaarde. Het streven van de gemeente is al jaren om de verkeersdruk met vrachtverkeer en tractoren op het Middelblok richting de kern Gouderak te verminderen. De verplaatsing van dit bedrijf richting een directe ontsluiting naar de provinciale wegen draagt bij aan dit voornemen. Voorts wordt er, door het initiatief op voldoende afstand van de dijk te realiseren, voldoende ruimte geboden voor eventuele toekomstige dijkversterking. Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met de omgevingsvisie.

pagina 24 van 49

5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Verkeer en parkeren 5.1.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering’ kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Met onderhavige ontwikkeling worden gebouwen ten behoeve van een grondverzet- en aannemersbedrijf gerealiseerd. Om de toename van het aantal verkeersbewegingen door de beoogde ontwikkeling aan te tonen, is CROW-publicatie 744 geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in de 'buitengebied' in een ‘niet stedelijk’gebied.

Daarbij is uitgegaan van de kencijfers voor een 'bedrijf (arbeidsextensief/ bezoekers extensief). Type functie Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief

Aantal m²

CROW-kencijfer

bvo

(gemiddeld) per 100 m² bvo

1.450

4,8

Verkeersgeneratie 69,6

(loods, opslag, transportbedrijf) Totaal

69,6

Met de beoogde ontwikkeling (ca. 1.450 m² bvo) bedraagt de verkeersgeneratie ca. 69,6 verkeersbewegingen per etmaal. Dit vormt naar verwachting geen noemenswaardige verandering in het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van een agrarisch bedrijf, dat thans toegestaan. De huidige (agrarische) bebouwing is met ca. 1.520 m² namelijk in omvang net iets groter dan de toekomstige situatie en daarbij geldt dezelfde type functie conform de CROW-publicatie. De verkeersbewegingen die te verwachten zijn met de beoogde ontwikkeling zullen derhalve niet leiden tot verkeersproblemen en kunnen worden opgevangen met de bestaande verkeersstructuur, zoals de nabijgelegen provinciale weg N207. Bovendien wordt, met de verplaatsing van het bedrijf van Middelblok 1-5 naar de beoogde locatie aan Middelblok 191 in algemene zin gezorgd voor een veiligere verkeerssituatie op het Middelblok richting de kern Gouderak (zie ook subparagraaf 4.3.1). Met de bedrijfsbeëindiging aan Middelblok 1-5 resteert op die locatie uitsluitend de verkeersgeneratie van de bedrijfswoning die naar burgerwoning wordt omgezet (ca. 8 voertuigbewegingen per etmaal).

pagina 25 van 49

De inrit nabij de aansluiting op het Middelblok wordt niet voorzien van een plateau, waarover is gesproken met de gemeente en wat in overweging is genomen. De inrit is namelijk reeds intensief gebruikt ten behoeve van het agrarische bedrijf en hierbij is gebleken dat de huidige situatie aanvaardbaar is. Tevens zorgt het creëren van een plateau ervoor dat de helling van de inrit steiler wordt. Voor de ontsluiting van de woning aan Middelblok 189 zou dit tot belemmeringen leiden. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.1.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfer - basis voor parkeernormering’ richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld op 29 januari 2019). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW en dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien.

Er wordt aangesloten bij de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'niet stedelijk'. Navolgende tabel geeft een overzicht van het aantal benodigde parkeerplaatsen gelet op de beoogde ontwikkeling aan Middelblok 191. Type functie Bedrijf arbeidsextensief/bezoekers extensief

Aantal

CROW-parkeerkencijfer

m² bvo

(gemiddeld) per 100 m² bvo

1.450

1,1

Parkeerbehoefte 16,0

(loods, opslag, transportbedrijf) Totaal

16,0

Uit de gegevens van de tabel volgt dat er voor de beoogde ontwikkeling minimaal 16 parkeerplekken nodig zijn in het plangebied. Met het beoogde plan worden in totaal 20 parkeerplekken aangelegd en daarmee wordt (op eigen terrein) ruim voldaan aan de parkeerbehoefte. Deze parkeerplekken worden uit het zicht vanaf de dijk in het middengedeelte van het plangebied gesitueerd, en worden opgelijnd tussen de bestaande woningen en de beoogde bebouwing. Omdat er door de beoogde ontwikkeling wat verharding wordt toegevoegd, worden er maatregelen getroffen om de negatieve gevolgen van wateroverlast te voorkomen. Voor de parkeerplekken houdt

pagina 26 van 49

dit in dat deze op een natuurlijke en klimaatadaptieve wijze worden ingericht en daarbij worden voorzien van halfverharding, bijvoorbeeld middels grastegels. Op de locatie Middelblok 1-5 is voldoende ruimte op eigen terrein voor de parkeerbehoefte van de bedrijfswoning die naar burgerwoning wordt omgezet (2-3 parkeerplaatsen per woning). Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

5.2 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd.

Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=66a50178-1508-4090-9731-f0f3c0058415