Bijlage 3: ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Voor het plan is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling is toegevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning. Kenmerken van het plan OTB is gevestigd aan de Lekdijk-Oost 15 te Bergambacht, alwaar zij een op- en overslagbedrijf exploiteert. Het bedrijfscomplex bestaat uit opslagloodsen, een werkplaats, een weegbrug, een laaden loskade, twee mobiele kranen en een kantoor. Het bedrijf is voornemens het perceel waarop zich thans een veevoederfabriek bevindt bij haar bestaande inrichting te betrekken, de fabriek te slopen en het terrein, dat (deels) zal worden voorzien van een erfafscheiding, in te richten als op- en overslagterrein voor containers. Ligging van het plangebied Het plangebied betreft een bestaand bedrijfsterrein waar zich thans een veevoederbedrijf bevindt. Het plangebied is gelegen aan de Lekdijk-Oost 5-7 in Bergambacht. Het plangebied omvat de volgende kadastrale percelen: gemeente Bergambacht, Sectie B, nrs.: 5399, 6103 en 6107. Het plangebied is gelegen op het buitendijks gelegen bedrijventerrein aan de Lekdijk, direct ten zuiden van Bergstoep. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Voor de bestaande inrichting van het plangebied is op 19 september 2016 een omgevingsvergunning verleend voor een diervoederproducent.
Daarin zijn onder meer de volgende toegestane activiteiten beschreven: Aanvoer van grondstoffen per schip, lossen van schepen, vullen silo’s met vrachtwagen en shovel; aanvoer stukgoed per vrachtwagen; productie van veevoeders en afvoer product met vrachtwagens. De activiteiten van OTB zijn, behoudens de productie van veevoeders, vergelijkbaar te noemen, waarbij evenwel de nadruk ligt op de op- en overslagactiviteiten, waaronder tevens begrepen de container op- en overslag. Het plan is om het plangebied bij het bestaande bedrijfsperceel van OTB te betrekken als op- en overslagterrein en de opslag van containers aan de oostzijde (ca. 1000 teu) van het bedrijf deels te verplaatsen naar het plangebied. Er vindt derhalve geen uitbreiding van de opslag van het aantal containers plaats, maar een uitbreiding van de opslag(opstelpunten) ervan door de uitbreiding met het plangebied. Op deze wijze kan de gehele nieuwe kade worden gebruikt voor het op- en overslaan van containers.
25
In de volgende hoofdstukken en de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer. Conclusie Voor dit plan geldt geen m.e.r-plicht en derhalve hoeft er geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. Voor het plan is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling ingediend. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling is toegevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.
26
5.2 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan betreft de uitbreiding van een op- en overslagbedrijf. Een op- en overslagbedrijf wordt niet aangemerkt als geluidsgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeers-, railverkeers- en/of industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Op het D/Z Six buitenterrein zal met name de (tijdelijke) opslag van containers plaatsvinden. De nieuwe kade en laad- en loswal zal uitsluitend gebruikt worden voor laad- en losactiviteiten. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van een elektrische mobiele kraan, welke voorzien is van speciale geluiddempers (SAS en NR) om de piekgeluiden op te vangen.
Het terrein wordt aan de Lekdijkzijde voorzien van een erfafscheiding van 9.00 meter. De bestaande op- en afrit (tussen het OTB- en D/Z Six terrein) wordt eveneens afgeschermd met genoemde erfafscheiding, doch deze wordt voorzien van een roldeur. Alle activiteiten vinden derhalve achter de erfafscheiding plaats en worden volledig aan het zicht onttrokken. Gunstig effect m.b.t geluid is ook de routering van het transport. Deze loopt parallel aan de kade, waarover volgeladen vrachtverkeer geleid wordt via het perceel van Zand en grindhandel Molenaar richting de Veerstoep. Daarmee wordt de Lekdijk maximaal ontlast. In het kader van de gewenste uitbreiding is, met het oog een goede ruimtelijke onderbouwing, een uitgebreid akoestisch onderzoek ingesteld, waarbij tevens (gelet op de gewijzigde transportbewegingen) de gehele inrichting is meegenomen. Het rapport is toegevoegd in de bijlage. In maart 2022 zijn geluidsmetingen uitgevoerd bij een aantal belangrijke geluidbronnen/activiteiten. De resultaten van de geluidsmetingen zijn verwerkt in het akoestisch rekenmodel om de gemiddelde en piekgeluidsniveaus te berekenen. Op basis van de uitgevoerde metingen en berekeningen wordt geconcludeerd dat de uitbreiding in westelijke richting voldoet aan het Activiteitenbesluit. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.
27
5.3 Bedrijven & milieuzonering Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Gemengd gebied Het plangebied is gelegen in het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstand mag daarmee één afstandstrap worden verlaagd. Onderzoek Het plan betreft de uitbreiding van een op- en overslagbedrijf. Hiermee is conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) sprake van een uitbreiding van een milieubelastende activiteit. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) geldt voor een laad-, losen overslagbedrijf van containers voor de binnenvaart (SBI-code: 6311.2) een richtafstand van 300 meter voor geluid, 0 meter voor geur, 10 meter voor stof en 50 meter voor gevaar (milieucategorie 4.2). Deze richtafstanden mogen worden verlaagd naar 200 meter (geluid), 0 meter (geur), 0 meter (stof) en 30 meter (gevaar).
De dichtstbijzijnde woning (Dijklaan 101) is gelegen op circa 33 meter van de uitbreidingslocatie. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden voor geur, stof en gevaar en is voor deze aspecten het uitvoeren van een onderzoek niet noodzakelijk. Akoestisch onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsuitstraling van de geplande uitbreiding van het bedrijf op de omgeving. Het rapport is toegevoegd in de bijlage. In dit rapport wordt in eerste instantie getoetst aan de streefwaarden voor een rustige woonwijk op basis van de VNG-richtlijn. Voor de woningen op korte afstand van het bedrijf wordt ook getoetst aan deze streefwaarden maar zal, voor zover relevant, tevens getoetst worden aan de richtwaarden voor gemengd gebied. 28
Voor bedrijfswoningen op een bedrijventerrein is het gebruikelijk om uit te gaan van 5 dB(A) ruimere grenswaarden. Voor de bedrijfswoning worden de waarden uit het Activiteitenbesluit beschouwd als streefwaarde. Voor de woningen aan de zuidzijde van de Lek (Bergstoep, Groot-Ammers) wordt gezien de landelijke omgeving en het verkeer over de Bergstoep richting Schoonhoven aansluiting gezocht bij de streefwaarden voor een rustige woonwijk. Voor de richtwaarden gaat de VNG standaard uit van een rustige woonwijk, weinig verkeer. Dat betekent dat men uitgaat van een gemiddeld geluidsniveau van 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Deze richtwaarde is daarmee 5 dB(A) lager dan de grenswaarde volgens het Activiteitenbesluit. Daarnaast wordt in bijlage 5 van de VNG richtlijn geadviseerd om voor de piekniveaus uit te gaan van een streefwaarde van 65 dB(A). Deze richtwaarde is dus ook 5 dB(A) lager dan de grenswaarde volgens het Activiteitenbesluit. Deze waarden voor de gemiddelde en maximale geluidsniveaus kunnen dus beschouwd worden als streefwaarde voor optimale inpassing voor een rustige woonwijk. Voor een gemengd gebied met combinatie van wonen en bedrijven, zoals in deze situatie het geval is, geeft de VNG dat dan uitgegaan kan worden van 5 dB(A) hogere grenswaarden.
Deze waarden zijn dan in overeenstemming met het Activiteitenbesluit en bedragen 50, 45 en 40 dB(A) voor de gemiddelde geluidsniveaus en 70 dB(A) voor de piekgeluidsniveaus. In maart 2022 zijn geluidsmetingen uitgevoerd bij een aantal belangrijke geluidbronnen/activiteiten. De resultaten van de geluidsmetingen zijn verwerkt in het akoestisch rekenmodel om de gemiddelde en piekgeluidsniveaus te berekenen. Om het geluid naar de omgeving te beperken is het plan langs de Lekdijk een zicht/geluidscherm plaatsen. Door deze maatregel zal ter plaatse van de woningen van derden voldaan worden aan de streefwaarden van de VNG. Bij de meeste woningen wordt zelfs voldaan aan de streefwaarde voor een rustige woonwijk. Voor zover al sprake is van een hogere geluidsbelasting dan is dat niet het gevolg van de uitbreiding maar van de nu al bestaande situatie. Geuronderzoek Ondanks dat er wordt voldaan aan de richtafstand is besloten om een geuronderzoek uit te laten voeren om de geurbelasting in de nieuwe situatie in kaart te brengen en te toetsen aan het acceptabel geurhinderniveau als opgenomen in de Beleidsnota Geurhinderbeleid Provincie Zuid-Holland. Het rapport is toegevoegd in de bijlage. Uit het geuronderzoek kunnen de volgende conclusies geformuleerd worden: 1. De maximale geurbelasting als 98 percentielwaarde ter hoogte van geurgevoelige objecten type 1 bedraagt maximaal 1,3 ouE/m3.
Deze geurbelasting ligt binnen het afwegingsgebied van het acceptabel geurhinderniveau, waarbij opgemerkt wordt dat de ernstige hindergrens van 1,5 ouE/m3 conservatief is ingeschat. 2. De maximale geurbelasting als 98 percentielwaard ter hoogte van geurgevoelige objecten type 2 bedraagt maximaal 1,5 ouE/m3. Ook ter hoogte van verspreid liggende woningen wordt voldaan aan het acceptabel geurhinder niveau. In de nieuwe situatie valt geen ernstige geurhinder te verwachten en er wordt voldaan aan het acceptabel geurhinderniveau van de provincie Zuid-Holland. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat voor de omliggende woningen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
29
5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Het plan voorziet in het uitbreiden van het buitenopslagterrein en realiseren geluidswal op/aan LekdijkOost 5-7 te Bergambacht. Het plan is getoetst aan de Nota ‘Bodemkwaliteit bij Bouwen’ (2013). Hierbij is het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) geraadpleegd. Voor zover bekend hebben de op de locatie geen bodembedreigende bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. Voor het plan is geen verkennend bodemonderzoek noodzakelijk, omdat er geen gebouwen worden gerealiseerd waarin personen zullen verblijven. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
Gezien de historie van het terrein (deels gedempt) is het mogelijk dat bodemverontreinigingen aanwezig zijn. Bij toekomstige graafwerkzaamheden moet hier rekening mee gehouden worden. Als er grond vrijkomt, dan kan deze zonder beperking op het terrein zelf worden hergebruikt. Als er grotere volumes grond afgevoerd moeten worden, dan kan dat op basis van de bodemkwaliteitskaart voor de regio of na partijkeuring van deze grond. Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek in relatie met de plannen en het benodigde grondverzet is omgevingsdienst Midden-Holland, namens Gemeente Krimpenerwaard.
30
5.5 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Archeologienota Krimpenerwaard In 2015 is de gemeente Krimpenerwaard gevormd uit vijf gemeenten die elk een eigen archeologiebeleid kenden. Het archeologiebeleid van deze gemeenten is ‘geharmoniseerd’ in de ‘Archeologienota Krimpenerwaard’. Het archeologiebeleid is samengevat in elementen te weten: de beleidsnota en een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, opgesteld door het adviesbureau RAAP (december 2016). De nota gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het plan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Het plangebied ligt in een gebied zonder archeologische verwachtingswaarde. Uit vergelijking met oude topografische kaarten blijkt dat er dempingen van water hebben plaatsgevonden. In de jaren ’70 was een deel van het plangebied in gebruik als haven. Het plan voorziet in het uitbreiden van het buitenopslagterrein en realiseren geluidswal op/aan Lekdijk-Oost 5-7 te Bergambacht. Hiermee is geen sprake van graafwerkzaamheden die eventuele aanwezige archeologische resten in de bodem kunnen aantasten. Derhalve wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.
31
Plangebied
Afbeelding 13: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Conclusie Het plan ondervindt geen belemmeringen wat betreft archeologie. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag (zijnde gemeente Krimpenerwaard).
32
5.6 Watertoets Op grond van de Waterwet en onderliggende regelgeving zijn Rijkswaterstaat en de waterschappen ‘waterbeheerder’ bevoegd gezag in de Nederlandse oppervlaktewateren. Rijkswaterstaat (RWS) is bevoegd gezag in de Rijkswateren, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is bevoegd gezag voor de keringen en in de overige wateren. De activiteiten in het plangebied vinden plaats in het rijkswaterstaatswerk de Lek. Hiervoor geldt een vergunningplicht in het kader van de Waterwet. Een aanvraag voor activiteiten in de Lek wordt getoetst aan de Waterwet artikel 6.5c en aan artikel 6.12 van het Waterbesluit. Tevens is hierop van toepassing de Beleidsregels grote rivieren (Bgr). De activiteiten vinden plaats in stroomvoerend regime. Hierbij dient de aanvrager van de activiteiten rekening te houden met een eventuele compensatie in verband met afname van het bergend vermogen tussen Gemiddeld Hoog Water (GHW) en Hoog Water Referentie (HWR). De activiteiten zijn vergunningplichtig voor HHSK en voor RWS, hierdoor is er sprake van samenloop. Nationaal Waterplan 2022-2027 Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.
Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee, die als wettelijke bijlagen zijn opgenomen. In het Nationaal Waterplan is vastgelegd dat de waterveiligheid op drie manieren moet worden geborgd: 1. Voorkomen van een overstroming; Het voorkomen van overstromingen richt zich op de waterkeringen. De waterkeringen op orde te brengen en te houden het primaire doel. Het is de taak van het hoogheemraadschap om de waterkeringen veilig en robuust te houden. Daarbij constant zoekend naar de balans tussen de belangen en wensen van omgeving en wat het beheer en veiligheids- vraagstuk vereist van een waterkering. Ook gericht op klimatologische ontwikkelingen in de komende decennia. 2. Beperken van de gevolgen van een overstroming; Behalve door het verkleinen van de overstromingskans (versterken van waterkeringen) kan het overstromingsrisico worden verkleind door de gevolgen van een overstroming te beperken. Het beperken van de gevolgen van een overstroming heeft betrekking op de inrichting van een gebied. Wanneer onverhoopt toch een overstroming plaatsvindt, moet de schade zo klein mogelijk zijn. Met de juiste inrichtingsmaatregelen kan de schade door een overstroming zo veel mogelijk worden beperkt. 3.
Het bestrijden van calamiteiten en rampen. Beleidslijn grote rivieren Op buitendijkse gronden is de Beleidslijn grote rivieren (Bgr) van toepassing. Deze Beleidslijn is van de rivierbeheerder in dit geval de minister van Infrastructuur en Waterstaat. De Bgr bestaat uit de beleidsbrief ‘Beleidslijn grote rivieren’ (17 februari 2006) en de Beleidsregels grote rivieren. De Beleidslijn grote rivieren heeft als doelstelling om: • De beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden; • Ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken. De beleidslijn maakt onderscheid tussen twee afwegingsregimes. • Het 'stroomvoerend regime'. Dit geldt voor delen van het rivierbed waar, op grond van rivierkundige overwegingen, in principe alleen specifiek omschreven 'riviergebonden' activiteiten zijn toegestaan ('Ja, mits'). Deze activiteiten moeten voldoen aan rivierkundige voorwaarden. Niet-riviergebonden activiteiten zijn niet toegestaan; alleen onder specifieke criteria zijn uitzonderingen mogelijk ('Nee, tenzij'). • Het 'bergend regime'. Dit geldt voor delen van het rivierbed waar in principe alle activiteiten kunnen worden toegestaan, mits deze voldoen aan de gestelde rivierkundige voorwaarden ('Ja, mits').
33
De Lek en de daarbij behorende buitendijkse gronden vallen onder het stroomvoerend regime. In het gedeelte van het rivierbed waar het stroomvoerend regime geldt worden in principe alleen riviergebonden activiteiten toegestaan. Voor riviergebonden activiteiten (zoals een op- en overslagterrein) in het deel van het rivierbed waar het stroomvoerend regime van toepassing is, geldt een 'ja, mits'toetsingsregime. Toestemming wordt gegeven indien: • Er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft; • Er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit, en; • Er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is; Voor de activiteiten die zijn toegestaan onder artikel 6d (de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven) van de Beleidsregels grote rivieren geldt aanvullend dat: •
De watervergunning zal worden verleend voor een bepaalde termijn en de resterende waterstandeffecten of de afname van het bergend verbogen ten minste voor de duur van die termijn duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.
Het plan Het plan voorziet in de uitbreiding van een buitenopslagterrein van een op- en overslagbedrijf. Het betreft hier een bestaand bedrijfsterrein waar zich thans nog een veevoederfabriek bevindt. De huidige fabrieksgebouwen zijn nog aanwezig. Het uitbreidingsplan houdt in dat de bestaande gebouwen worden gesloopt (of zijn recentelijk gesloopt). Rondom (een gedeelte van) het terrein wordt een zicht/geluidscherm gerealiseerd. Door de aanleg van de kade is de laad- en loswal vergroot. Hiervoor heeft RWS reeds eerder een watervergunning verleend. De omvang van de nieuwe op- en overslaglocatie (na sloop van de veevoederfabriek) bedraagt circa 4.386 m 2. De uitbreidingslocatie is reeds volledig verhard terrein, waarbij op de afbeeldingen hieronder in beeld is gebracht welke gebouwen worden/zijn gesloopt. Het gaat om een (sloop)oppervlakte van ca.1.380 m 2.
Afbeelding 14: Bestaande situatie
34
Afbeelding 15: Nieuwe situatie
Waterbeheerprogramma 2022-2027 (Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard) Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden aan de hand van de volgende drie thema’s uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3.
Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Het waterschap heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van overstorten, van de hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater, het dempen en graven van watergangen en het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur maakt het mogelijk dat het Hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.
35
Watergangen De hoofdwatergangen vormen de hoofdinfrastructuur van het watersysteem. De primaire functie van de hoofdwatergangen is de aan- en afvoer van water. De functie van ander oppervlaktewater is vooral waterberging en heeft in principe de status 'overig water'. Hoofdwatergangen zijn over het algemeen ruim zodat ze voldoende doorstroomprofiel hebben. Het systeem moet robuust genoeg zijn om hevige neerslag binnen het peilgebied te kunnen opvangen alvorens af te wentelen op naburig gebied. Voor de oevers langs open water wordt gestreefd naar een onderhoudsvriendelijke inrichting (inclusief bereikbaarheid). Voor hoofdwatergangen geldt standaard een Keurzone van tenminste 5 meter aan weerszijden van de watergang. Het plangebied grenst aan rivier de Lek. Ten noorden van het plangebied, aan de andere zijde van de dijk, is een hoofdwatergang gelegen (OAF-4676). De hoofdwatergang ligt buiten het plangebied. Het aanvragen van een watervergunning dan wel het indienen van een melding bij het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard is niet noodzakelijk.
Afbeelding 16: Legger oppervlaktewater HHSK
Waterberging en -compensatie Voor 'toename van verharding bij ruimtelijke ontwikkelingen' heeft Schieland en de Krimpenerwaard beleid vastgesteld. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: • • • •
Compenserende waterberging wordt in beginsel gerealiseerd door het graven van open water. Compensatie vindt in beginsel plaats binnen de grenzen van het plangebied. Wanneer compensatie in het plangebied niet mogelijk is, dan wordt de compensatie in ieder geval gerealiseerd in hetzelfde peilgebied. Wanneer er geen mogelijkheid is om compenserende waterberging te realiseren binnen het plangebied of het peilgebied kan in overleg met het
36
• • •
hoogheemraadschap een andere positie worden bepaald. Tevens zijn onder restricties bepaalde vormen van alternatieve waterberging bespreekbaar. Waterberging wordt gerealiseerd vóór uitvoering van het plan. Het aanbrengen van >500 m2 verharding is vergunningplichtig op grond van de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. De berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan.
Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 Op 27 juni 2012 is het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Het doel van dit beleid is om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2; 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m2 en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak; 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak. Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden.
Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m 2 verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Het plan voorziet in de uitbreiding van een buitenopslagterrein van een op- en overslagbedrijf. Door de aanleg van de kade is de laad- en loswal vergroot. De omvang van de nieuwe op- en overslaglocatie (na sloop van de veevoederfabriek) bedraagt circa 4.386 m2. De effecten van de sloop van de fabriek en de aanleg van de erfafscheiding met betrekking tot de afvoercapaciteit en het bergend vermogen van de rivier dient nader in kaart te worden gebracht. Daartoe heeft OTB een watercompensatieplan opgesteld dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag watervergunning zoals is aangevraagd bij Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat heeft voor de nieuwe kade reeds een watervergunning verleend. Nautisch beheer Rijkswaterstaat is vaarwegbeheerder van de Lek en ziet toe op een veilige en vlotte doorstroming van het scheepvaartverkeer en draagt zorg voor het waarborgen van het functioneren van de vaarweg nu en in de toekomst. Conform het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dient rekening gehouden te worden met de vrijwaringzone (Wro art. 4.3, Barro 2.1.2). Voor de Lek geldt een vrijwaringszone van 25 meter.
De vrijwaringszone dient in beginsel vrij te blijven van bouwwerken en opgaande begroeiing die het functioneren van de vaarweg of de veiligheid van het scheepvaartverkeer in gevaar brengen. Hiervan kan worden afgeweken indien wordt aangetoond dat het functioneren van de vaarweg niet in het geding is. Het gebruik van de gronden binnen de vrijwaringszone langs de vaarweg mag geen belemmeringen vormen voor: 1. De doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; 2. De zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; 3. Het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; 4. De toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten, en 5. Het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. Het plan vormt geen belemmeringen voor de gestelde voorwaarden in artikel 2.1.2 van de Barro.
37
Waterkering Voor waterkeringen geldt een restrictief bouwbeleid. Bouwplannen moeten worden getoetst aan het beleid (de keur) en het bebouwingsvrije profiel. Binnen het bebouwingsvrije profiel wordt geen nieuwe bebouwing toegestaan. Buiten dit profiel kan bebouwing onder voorwaarden worden toegestaan. Voor alle werken binnen de zones van de waterkering geldt dat ze zonder vergunning niet zijn toegestaan. Voor primaire waterkeringen gelden strengere eisen dan voor overige waterkeringen. Bij primaire waterkeringen geldt een gesloten seizoen voor alle werkzaamheden van 1 oktober tot 15 april. Conform de Legger van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard ligt in het plangebied een primaire waterkering (Lekdijk). Binnen de kern- en beschermingszone gelden conform de Keur van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard beperkingen en voorschriften ter bescherming van het waterstaatswerk. De kern- en beschermingszone van de primaire waterkering strekt zich uit over het plangebied. Het plan voorziet in het uitbreiden van het buitenopslagterrein en het realiseren van een geluidscherm op/aan Lekdijk-Oost 5-7 te Bergambacht. De werkzaamheden vinden plaats buiten het bebouwingsvrije profiel van de waterkering.
Afbeelding 17: Legger dijken HHSK
Riolering Het hemelwater van verharding zal infiltreren in de bodem of afvloeien op de Lek. In het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen, hoofdrioolgemalen en zuiveringen gelegen. Boringsvrije zone Het plangebied valt binnen een gebied dat is aangewezen voor behoud van de kwaliteit van het grondwater als onderdeel van de drinkwatervoorziening. Dit plan voorziet niet in een gebruik van gronden danwel werkzaamheden die nadelige effecten hebben voor de drinkwatervoorziening. Conclusie Voor de uitbreiding van het buitenopslagterrein en het plaatsen van het zicht/geluidscherm dient een watervergunning te worden aangevraagd bij zowel Rijkswaterstaat als bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze vergunning is aangevraagd en wordt in samenloop afgehandeld door Rijkswaterstaat namens de minister. 38
5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van planten diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Uit de ecologische quickscan is geconcludeerd dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Ten allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Voor vogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland.
Op een afstand van circa 3 kilometer ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Op een afstand van circa 60 meter ligt het Natuurnetwerk Nederland. Ondanks dat het plan buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Er zijn geen bomen aanwezig binnen het projectgebied. Wnb-regelgeving ten aanzien van houtopstanden is daarom niet van toepassing. Er zijn geen invasieve exoten aangetroffen binnen het projectgebied. Wet- en regelgeving voor invasieve exoten is daarom niet van toepassing.
Afbeelding 18: Plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden
39
Afbeelding 19: Plangebied in relatie tot Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Voor het plan is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd in de bijlage. Uit de Aerius-berekening blijkt dat de ontwikkeling resulteert in een toename van depositie van 0,01 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied de Uiterwaarden Lek. Vervolgens is het verschil tussen de referentiesituatie en de beoogde situatie berekend. De depositie van de beoogde situatie neemt niet toe ten opzichte van de depositie in de referentiesituatie. Dus er is sprake van intern salderen en er hoeft geen nieuwe vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd te worden. Conclusie Het plan ondervindt, mits de algemene zorgplicht in acht wordt genomen, wat betreft ecologie geen belemmeringen. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.
40
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m3
Geldig Vanaf jan. 2015
40 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Max 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf jan. 2015
Onderzoek Het plan voorziet in de uitbreiding van een op- en overslagterrein voor containers. Hiermee wordt de vergunde opslag van containers aan de oostzijde van het bedrijf (circa 1000 teu), deels verplaatst naar dit plangebied. Er vindt derhalve geen uitbreiding van de opslag van het aantal containers plaats, maar een verplaatsing van een deel van de opslag(opstelpunten) naar dit plangebied. Op deze wijze kan de gehele nieuwe kade worden gebruikt voor het op en overslaan van containers. Daarbij dient opgemerkt te worden dat ter plaatse een veevoederfabriek is gevestigd. Op grond van het vigerende bestemmingsplan Lekoevers Bergambacht (vastgesteld op 12 december 2017) zijn op het perceel bedrijven tot milieucategorie 2.0 alsmede een veevoederfabriek in mengvoeders, met daaraan gerelateerde verkeersbewegingen, toegestaan. Luchtkwaliteitsonderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd met als doel de fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) concentraties op leefniveau, welke veroorzaakt worden door de activiteiten van het bedrijf in de nieuwe situatie, in kaart te brengen en te toetsen aan de grenswaarde als opgenomen in bijlage 2 van Wm. Het rapport is toegevoegd in de bijlage.
Uit het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat voor de fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) concentraties wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen zoals gesteld in de Wet milieubeheer. Conclusie Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
41
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Stationaire risicobronnen Uit de risicokaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Het plan voorziet tevens niet in het toevoegen van een mogelijke risicobron. Op het bedrijfsterrein is sprake van opslag van kunstmest. De opslag van kunstmest valt direct onder het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi) als het gaat meer dan 100.000 kg meststoffen groep 2 (art. 1c Revi). Daarnaast kan mogelijk het ‘Besluit risico’s zware ongevallen’ (Brzo) van toepassing zijn. Dit hangt ervan af of de BRZO drempelwaarden worden overschreden. Het gaat bij OTB om de (binnen)opslag van kunstmest behorende tot de categorie 1.2. Het gaat om een opslagcapaciteit van 2.500 ton. Deze opslag voldoet aan de voorschriften van PGS7. Gelet op het soort kunstmeststof en de opslagcapaciteit, is het “Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)” niet van toepassing. Hetzelfde geldt ten aanzien van het “Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo)”. De drempelwaarden worden door de opslag bij OTB niet overschreden.
Aangezien op het terrein geen kunstmest wordt opgeslagen zijn er geen gevolgen voor de externe veiligheid.
42
Plangebied
Afbeelding 20: Uitsnede Risicokaart externe veiligheid
Buisleidingen Binnen en in de directe omgeving daarvan komen geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen voor. Vervoer gevaarlijke stoffen via weg en spoor In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen via vaarweg Het Basisnet Water gaat uit van de kaart met alle vaarwegen van CEMT klasse II en hoger. • Categorie zeevaart (rood): Belangrijke toegangen naar zeehavens; • Categorie binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (zwart): Belangrijke binnenvaarwegen; • Categorie scheepvaart zonder frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (groen): Minder belangrijke vaarwegen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor de rode en zwarte vaarwegen beperkingen opgelegd. Zo dient er rekening te worden gehouden met de effecten van een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen. Langs enkele vaarwegen zijn eveneens de zogenaamde Plasbrand Aandacht Gebieden (PAG’s) vastgesteld. Voor belangrijke binnenvaarwegen (zwart) geldt: • Geen nieuwe bestemmingen binnen de waterlijn; • Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) 25 meter vanaf de waterlijn en in de uiterwaarden.
Bouwen binnen een PAG is mogelijk in afweging met de gemeente; • Verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Berekening nodig indien bevolkingsdichtheid > 1500 personen/ha dubbelzijdig of 2250 personen/ha enkelzijdig. De Lek is in het Basisnet water aangewezen als een transportroute van gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat het plan moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). 43
De Lek wordt in het rapport Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg. Voor de rode, zwarte en groene vaarwegen zijn gebruiksruimtes voor het vervoer (veiligheidsbuffer) gedefinieerd. Deze gebruiksruimten worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) 10-6 per jaar contour en het groepsrisico. Er is geen 10-6/jaar PR-contour, zodat aan het plaatsgebonden risico wordt voldaan. Artikel 8 schrijft voor dat indien het plangebied gelegen is binnen een afstand van 200 meter vanaf de vaarweg, er een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Het plangebied ligt direct langs de Lek. Deze vaarweg maakt deel uit van het Basisnet en is hierin omschreven als deel van de corridor Amsterdam – Rijn. De Regeling basisnet gaat voor deze vaarwegen uit van maximaal 8.303 schepen LF1, 9.063 schepen LF2 en 332 schepen met GF3. GF3 is de stof met het grootste invloedsgebied: 90 meter vanaf de risicobron. Op de Lek zijn schepen van ten hoogste CEMT-bevaarbaarheidsklasse VIa toegestaan. Volgens de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (bijlage 1.4) wordt langs een vaarweg van deze klasse de grenswaarde van 10% van de oriëntatiewaarde alleen overschreden als binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden van meer dan 500 personen per hectare zijn en het transport van LT2 en GF3 samen meer dan 1.000 tankschepen per jaar is.
Op basis van deze vuistregel kan worden gesteld dat 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en een berekening niet nodig is. Omdat het plangebied binnen het invloedgebied van de transportroute ligt, moet het groepsrisico worden verantwoord. Daarbij moet het bevoegd gezag conform artikel 7 uit het Bevt in elk geval ingaan op: a. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de Lek, en b. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de Lek een ramp voordoet. Bestrijding calamiteit Het externe risico wordt veroorzaakt door het vervoer van brandbare vloeistoffen over het water. Daardoor kan een plasbrand ontstaan. De wijze van bestrijden van een dergelijke calamiteit verandert niet als gevolg van het plan. Ook de bereikbaarheid van een incident op het water verandert niet ten opzichte van de bestaande situatie. Zelfredzaamheid Wanneer een plasbrand op het water optreedt en deze plasbrand ook nabij de oever ter plaatse van het plangebied brandt, moet men het gebied ontvluchten. Het plangebied beschikt over een uitgang richting de dijk (dus van de risicobron) af, zodat men deze mogelijkheid heeft. Bovendien beschikt het bedrijf over een alarmering, waardoor het plangebied tijdig worden ontruimd en staan de bedrijfspanden niet direct op de oever, maar enkele meters daarvan af.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
44
5.10 Explosieven (ontplofbare oorlogsresten) Beleidskader Op 5 mei 1945 werd Nederland officieel bevrijd van de Duitse overheersing, wat niet betekende dat het leven weer onmiddellijk zijn normale gang kon terugvinden zoals begin 1940 aan de orde was. Eén van de zaken die achterbleven na WOII was een groot aantal, op en in de (water)bodem aanwezige NGE, in de vorm van onder andere achtergelaten munitievoorraden, mijnenvelden en vele blindgangers van allerhande soorten munitie die tijdens het gebruik in de oorlog niet naar behoren hadden gefunctioneerd. In de gemeente Sliedrecht hebben in de Tweede Wereldoorlog bombardementen plaatsgevonden. Daarmee bestaat er bij bodemingrepen een verhoogde kans op het aantreffen van conventionele niet gesprongen explosieven (NGE). Onderzoek Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is daarmee niet noodzakelijk. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect explosieven (ontplofbare oorlogsresten) geen belemmeringen.
45
6. Economische uitvoerbaarheid 6.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een planschadeovereenkomst met het bedrijf OTB gesloten, waarin is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van het bedrijf komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een ruimtelijke ontwikkeling te informeren. De ontwikkeling van OTB is met de voorzitter van Vereniging Leefbaar Bergstoep (hierna VLB) besproken, waarna VLB in haar nieuwsbrief een artikel gewijd heeft aan de uitbreidingsplannen van OTB. Vanuit de Vereniging is het verzoek gekomen extra aandacht te geven aan het geluidsaspect. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 5.2 heeft OTB daar zo veel mogelijk rekening mee gehouden. De leden hebben vervolgens de gelegenheid gekregen om op het betreffende artikel te reageren waarvan geen gebruik is gemaakt. Het bedrijf OTB wil graag goede buur zijn voor de directe omwonenden en zal derhalve ook in goed overleg de omwonenden blijven informeren en betrekken bij de voorgenomen plannen.
7.2 Vooroverleg ex art. 3.1.1 Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de overlegpartners.
7.3 Zienswijzen De ontwerpbeschikking en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij een ieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden.
46