Bijlage 3: ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bergambacht, Lekdijk-Oost 5-7’
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bergambacht, Lekdijk-Oost 5-7’
Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967 GB Langerak In opdracht van: Wernand en Partners Bedrijfsjuristen B.V. Meander 701 (IJsseloord 2) 6825 ME Arnhem Datum: 03-01-2023 Zaaknummer: SXO-20212301 Identificatiecode: NL.IMRO.1931.PB2102BT050-ON01 Status: Ontwerp
1
Inhoudsopgave 1. Inleiding ……………………………………………………………………………………………………… 2 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 2 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................................................ 2 1.3 Vigerende bestemmingsplannen ................................................................................................... 3 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 4 2. Bestaande situatie …………………………………………………………………………………………. 5 2.1 Algemeen ...................................................................................................................................... 5 2.2 Ruimtelijke structuur ...................................................................................................................... 5 2.2.1 Verkeerstructuur en ontsluiting van het plangebied ............................................................... 5 2.2.2 Huidig gebruik ......................................................................................................................... 5 3. Nieuwe situatie ……………………………………………………………………………………………...
7 3.1 Planbeschrijving ............................................................................................................................ 7 3.2 Beeldkwaliteit ................................................................................................................................. 8 3.3 Klimaatadaptatie .......................................................................................................................... 12 3.4 Parkeren ...................................................................................................................................... 12 3.5 Verkeer ........................................................................................................................................ 13 4. Beleidskader ………………………………………………………………………………………………. 14 4.1 Rijksbeleid ................................................................................................................................... 14 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ........................................................................................ 14 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) .......................................................... 14 4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) .........................................................................................
16 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid ........................................................................................................... 16 4.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 17 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland ............................................................................................... 17 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland ................................................................................... 21 4.2.3 Provinciaal milieubelang ....................................................................................................... 23 4.2.4 Conclusie provinciaal beleid ................................................................................................. 23 4.3 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 24 4.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard ......................................................................................... 24 4.3.2 Conclusie gemeentelijk beleid .............................................................................................. 24 5. Milieuaspecten …………………………………………………………………………………………….
25 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.)..................................................................................... 25 5.2 Geluid .......................................................................................................................................... 27 5.3 Bedrijven & milieuzonering .......................................................................................................... 28 5.4 Bodem ......................................................................................................................................... 30 5.5 Archeologie .................................................................................................................................. 31 5.6 Watertoets ................................................................................................................................... 33 5.7 Ecologie ....................................................................................................................................... 39 5.8 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................... 41
5.9 Externe veiligheid ........................................................................................................................ 42 5.10 Explosieven (ontplofbare oorlogsresten) ................................................................................... 45 6. Economische uitvoerbaarheid …………………………………………………………………………. 46 6.1 Exploitatie .................................................................................................................................... 46 7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid ……………………………………………………………………. 46 7.1 Participatie ................................................................................................................................... 46 7.2 Vooroverleg ex art. 3.1.1 ............................................................................................................. 46 7.3 Zienswijzen .................................................................................................................................. 46 Bijlage 1
Omschrijving Akoestisch onderzoek
2 3
Geuronderzoek Ecologisch onderzoek
4
Stikstofdepositieonderzoek Onderzoek luchtkwaliteit
5
Auteur ARDEA acoustics & consult Buro Blauw Ekoza Ecologisch advies Locis Adviseurs
Referentie 2861GAC2.012
Datum 22-09-2022
BL2022.10918.02_V03 21.104
25-07-2022 23-05-2022
RNKyssKH3V87
24-02-2022
Buro Blauw
BL2022.10918.01_V02
21-07-2022
1
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het perceel Lekdijk-Oost 5-7 Bergambacht betreft een bestaand bedrijfsperceel. Op het perceel bevindt zich in de bestaande situatie een veevoederfabriek. De eigenaar van het perceel Lekdijk-Oost 5-7 Bergambacht heeft besloten de veevoederfabriek (waarvan het kantoorgedeelte reeds is gesloopt) te verhuren aan Op- en Overslag Terminal Bergambacht (OTB) B.V., hierna te noemen OTB. OTB is gevestigd aan de Lekdijk-Oost 15 te Bergambacht, alwaar men een op- en overslagbedrijf exploiteert. Het bedrijfscomplex bestaat uit opslagloodsen, een werkplaats, een weegbrug, een laad- en loskade, twee mobiele kranen en een kantoor. Het plan is om het perceel Lekdijk-Oost 5-7 Bergambacht bij het bedrijf OTB te betrekken, de veevoederfabriek te slopen en het terrein in te richten als op- en overslagterrein voor containers. Om het geluid naar de omgeving te beperken is het plan langs de Lekdijk een zicht/geluidscherm plaatsen. Het plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan ‘Lekoevers Bergambacht’ (vastgesteld op 12 december 2017) voor wat betreft de hoogte van de erfafscheiding en het gebruik van het plangebied als op- en overslaglocatie van containers.
Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Lekoevers Bergambacht’ (vastgesteld op 12 december 2017) zijn op het perceel toegestaan een veevoederfabriek (milieucategorie 4.1) en/of bedrijven tot milieucategorie 2.0. Daarbij mag de bouwhoogte van een erfafscheiding niet hoger zijn dan 2 meter. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt op grond van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo afgeweken van het vigerende bestemmingsplan ‘Lekoevers Bergambacht’. Een aanvraag voor het buitenplans afwijken via artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo moet voorzien zijn van een ruimtelijke onderbouwing. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld door Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Lekdijk-Oost 5-7 in Bergambacht. Het plangebied omvat de volgende kadastrale percelen: gemeente Bergambacht, Sectie B, nrs.: 5399, 6103 en 6107. Het plangebied is gelegen op het buitendijks gelegen bedrijventerrein aan de Lekdijk, direct ten zuiden van Bergstoep.
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
2
1.3 Vigerende bestemmingsplannen Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: Lekoevers Bergambacht Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Lekoevers Bergambacht’ (vastgesteld op 12 december 2017). De grond waarop het plangebied is gelegen heeft de enkelbestemmingen: • Bedrijventerrein; • Verkeer; • Water; De dubbelbestemmingen: • Waterstaat – Waterkering; • Waterstaat – Waterstaatkundige functie; • Waarde – Archeologie 2; • Waarde – Archeologie 8; En de aanduidingen: • Gebiedsaanduiding – boringsvrije zone; • Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - veevoederfabriek’; • Bouwvlak; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m): 30’ • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwingspercentage: 80%’
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Lekoevers Bergambacht’
Het plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan ‘Lekoevers Bergambacht’ (vastgesteld op 12 december 2017) voor wat betreft de hoogte van de erfafscheiding en het gebruik van plangebied als op- en overslaglocatie van containers.
3
Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard Op 29 januari 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ vastgesteld. De aanleiding van dit parapluplan zijn het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening. Hierdoor kan er voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor ontwikkelingen niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst worden aan parkeernormen. Inmiddels is ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waardoor het mogelijk is om het parkeren in het bestemmingsplan te regelen. De gemeente Krimpenerwaard heeft ervoor gekozen om een gemeente-dekkende regeling op te stellen voor parkeren. Dit heeft geresulteerd het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’. In paragraaf 3.4 ‘Parkeren’ is beschreven dat dit plan voldoet aan het parkeerbeleid.
1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: -
Hoofdstuk 2: Bestaande situatie; Hoofdstuk 3: Nieuwe situatie; Hoofdstuk 4: Beleidskaders; Hoofdstuk 5: Milieuaspecten; Hoofdstuk 6: Economische uitvoerbaarheid; Hoofdstuk 7: Maatschappelijke uitvoerbaarheid.
4
2. Bestaande situatie 2.1 Algemeen Bergambacht is één van de kernen van de gemeente Krimpenerwaard en is gelegen langs de Lek. De gemeente Krimpenerwaard behoort tot de provincie Zuid-Holland.
2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen op de buitendijkse gronden aan de Lekdijk-Oost te Bergambacht. Deze gronden zijn al jarenlang bedrijfsmatig in gebruik. De Lekdijk vormt een belangrijke structuurlijn in Bergambacht. De Lekdijk werd aangelegd om de laag gelegen Krimpenerwaard te beschermen tegen de Lek. De dijk fungeert tevens als een belangrijke verkeersroute in het gebied. De Lekdijk-Oost, waaraan het plangebied is gelegen, ontleent zijn naam aan de rivier de Lek, waar de dijk weerstand tegen biedt. De Lekdijk-Oost is ten zuiden gelegen van de kern Bergambacht verder landinwaarts. Het bedrijventerrein op de buitendijkse gronden in Bergambacht is een voorbeeld van een traditioneel bedrijventerrein. Deze terreinen hebben een eenvoudige hoofdstructuur met dicht op elkaar staande individuele gebouwen, waarvan de rooilijnen verspringen. De gebouwen zijn in het algemeen georiënteerd op de weg en soms op het water. De inrichting van de openbare ruimte is doelmatig en eenvoudig op het sobere af. Opslag in het zicht is geen uitzondering. Langs de Lek staan buitendijks enkele oudere fabrieken met onder meer silo’s en productiegebouwen. Deze gebouwen en objecten weerspiegelen hun functies en kennen weinig opsmuk. De functionele bebouwing is eenvoudig van opzet en in uitwerking.
Loodsen en hallen bestaan veelal uit twee tot drie lagen met een plat dak of flauw hellend zadeldak. Kantoren en entreepartijen vormen accenten in overwegend gesloten gevels. De detaillering is veelal sober en functioneel, materialen traditioneel. Gevels zijn van plaatmateriaal, bak- of betonsteen. Kleuren zijn rustig en sober, waarbij lichte grijzen en baksteentinten overheersen. 2.2.1 Verkeerstructuur en ontsluiting van het plangebied Het plangebied wordt in de huidige situatie ontsloten via de Lekdijk-Oost. De Lekdijk-Oost betreft een openbare weg met een 60 km/uur regime.
Afbeelding 3: Verkeerstructuur t.h.v. plangebied
2.2.2 Huidig gebruik Het perceel Lekdijk-Oost 5-7 Bergambacht betreft een bestaand bedrijfsperceel. Op het perceel bevindt zich in de bestaande situatie een veevoederfabriek. De eigenaar van het perceel Lekdijk-Oost 5-7 Bergambacht heeft besloten de veevoederfabriek (waarvan het kantoorgedeelte reeds is gesloopt) te verhuren aan OTB. OTB is gevestigd aan de Lekdijk-Oost 15 te Bergambacht. Het bedrijfscomplex bestaat uit opslagloodsen, een werkplaats, een weegbrug, een laad- en loskade, twee mobiele kranen en een kantoor.
5
Te slopen veevoerfabriek
Afbeelding 4: Bestaande situatie
6
3. Nieuwe situatie 3.1 Planbeschrijving OTB is gevestigd aan de Lekdijk-Oost 15 te Bergambacht. Het bedrijfscomplex bestaat uit opslagloodsen, een werkplaats, een weegbrug, een laad- en loskade, twee mobiele kranen en een kantoor. Het plan is om het perceel Lekdijk-Oost 5-7 Bergambacht bij het bedrijf OTB te betrekken, de veevoederfabriek (ca. 1.380 m2) te slopen en het terrein in te richten als op- en overslag terrein voor containers. Het bedrijfsterrein (laad- en loswal) van OTB is vergroot door de aanleg van een kade reeds vergund door Rijkswaterstaat). De omvang van de nieuwe op- en overslaglocatie (na sloop van de veevoederfabriek) bedraagt circa 4.386 m2. De vergunde opslag van containers aan de oostzijde van het bedrijf (circa 1000 teu) wordt deels verplaatst naar de locatie Lekdijk-Oost 5-7. Er vindt derhalve geen uitbreiding van de opslag van het aantal containers plaats, maar een verplaatsing van een deel van de opslag (opstelpunten). Op deze wijze kan de gehele nieuwe kade worden gebruikt voor het op en overslaan van containers. OTB wenst wel graag de mogelijkheid open te houden om in de toekomst, overeenkomstig de huidige algemene enkelbestemming “bedrijventerrein” op de huidige locatie een opslagloods te bouwen. Om het geluid naar de omgeving te beperken is het plan langs de Lekdijk een zicht/geluidscherm te plaatsen van ca. 9 meter.
De containers die eventueel tijdelijk worden opgeslagen worden niet hoger geplaatst dan de toegestane hoogte van 8 meter, waardoor deze niet zichtbaar zijn. Het geluidscherm wordt geplaatst rondom de noordzijde van het buitenopslagterrein en er worden geluidsreducerende maatregelen getroffen voor het gebruik van de elektrische mobiele containerkraan.
Afbeelding 5: Nieuwe situatie
7
3.2 Beeldkwaliteit Nota Ruimtelijke kwaliteit Op 13 december 2016 heeft de gemeente Krimpenerwaard de Nota Ruimtelijke kwaliteit vastgesteld. De inhoud en opbouw van de nota is bruikbaar als welstandsnota onder de huidige wetgeving en sorteert tegelijkertijd waar mogelijk voor op de vereisten van de Omgevingswet, waarin de ruimtelijke kwaliteit als samenspel tussen gebieden en gebouwen een belangrijk onderdeel is van de omgevingskwaliteit. Het plangebied is op de bij de Nota Ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard behorende gebiedenkaart aangeduid als ‘Bedrijventerreinen’ (Gebied 1E) van de kern Bergambacht.
Plangebied
Afbeelding 6: Uitsnede gebiedenkaart Nota Ruimtelijke kwaliteit
De Krimpenerwaard heeft diverse bedrijventerreinen. Het bedrijventerrein op de buitendijkse gronden in Bergambacht is een voorbeeld van een traditioneel bedrijventerrein. Deze terreinen hebben een eenvoudige hoofdstructuur met dicht op elkaar staande individuele gebouwen, waarvan de rooilijnen verspringen. De gebouwen zijn in het algemeen georiënteerd op de weg en soms op het water. De inrichting van de openbare ruimte is doelmatig en eenvoudig op het sobere af. Opslag in het zicht is geen uitzondering. Langs de Lek staan buitendijks enkele oudere fabrieken met onder meer silo’s en productiegebouwen. Deze gebouwen en objecten weerspiegelen hun functies en kennen weinig opsmuk. De functionele bebouwing is eenvoudig van opzet en in uitwerking. Loodsen en hallen bestaan veelal uit twee tot drie lagen met een plat dak of flauw hellend zadeldak. Kantoren en entreepartijen vormen accenten in overwegend gesloten gevels. De detaillering is veelal sober en functioneel, materialen traditioneel. Gevels zijn van plaatmateriaal, bak- of betonsteen. Kleuren zijn rustig en sober, waarbij lichte grijzen en baksteentinten overheersen. De bedrijventerreinen hebben een soepel welstandsniveau. Hier wordt alle nieuwbouw en reclame getoetst. In verband met de gevolgen voor de omgeving worden aan de gebiedsranden en langs provinciale wegen ook verbouwplannen getoetst.
Voor de overige plannen zijn alleen de criteria voor excessen van toepassing. De waarde van de bedrijventerreinen is in ieder geval gelegen in de functionaliteit van de overwegend eenvoudige bebouwing en de heldere opzet van de terreinen. Het beleid is in de regel gericht op het beheer van de rust in het straatbeeld en het aanzien vanuit de omringende gebieden. Het uitgangspunt is dat bouwplannen de kwaliteit op hoofdlijnen respecteren en geen afbreuk doen aan het stads- of dorpsbeeld. Voor bestaande bedrijfsgebouwen en eventuele (bedrijfs)woningen in gebied met een soepel niveau is het voorkomen van excessen
8
de basis voor de toets op ruimtelijke kwaliteit. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de samenhang op hoofdlijnen in zowel de architectonische uitwerking als het gebruik van materiaal en kleur, waarbij de nadruk ligt op de gebiedsranden en belangrijkste openbare ruimten. Criteria • Gebouwen in beginsel oriënteren op de weg: - representatieve en openbare functies bij voorkeur naar de straat richten; - aan de randen rekening houden met de invloed op aangrenzende gebieden, waaronder de overgang naar het landschap; - rooilijnen kunnen verspringen ten opzichte van elkaar; - opslag staat in beginsel uit het zicht; • Gebouwen zijn in beginsel individueel en afwisselend: - gebouwen zijn eenvoudig van opbouw en bestaan in beginsel uit een ongedeelde en evenwichtige hoofdmassa; - entrees en kantoorgedeelten vormgeven als accent of zelfstandige volume; • De architectonische uitwerking en detaillering zijn in beginsel evenwichtig en afgestemd op de omringende bebouwing: - de vormgeving is degelijk en verzorgd; - accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk; - wijzigingen in stijl, maat en afwerking afstemmen op hoofdvolume; - woningen hebben een individuele uitstraling en een bescheiden architectuur’ • Materialen en kleuren afstemmen op omgeving: - grote vlakken bestaan uit materialen met een
structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat - kleuren zijn in beginsel terughoudend en in onderlinge samenhang met hier en daar een accent. Toetsing plan Bergambacht ligt aan de Lek. Van oudsher heeft het dorp een sterke binding met de Lek. Het plangebied is gelegen op de buitendijkse gronden aan de Lekdijk-Oost te Bergambacht. Deze gronden zijn al jarenlang bedrijfsmatig in gebruik. De Lekdijk vormt een belangrijke structuurlijn in Bergambacht. De Lekdijk werd aangelegd om de laag gelegen Krimpenerwaard te beschermen tegen de Lek. De dijk fungeert tevens als een belangrijkste verkeersroute in het gebied. De Lekdijk-Oost, waaraan het plangebied is gelegen, ontleent zijn naam aan de rivier de Lek, waar de dijk weerstand tegen biedt. De Lekdijk-Oost is ten zuiden gelegen van de kern Bergambacht verder landinwaarts. Aan de Lekdijk-Oost ontwikkelde zich lintbebouwing en op de buitendijkse gronden bedrijvigheid. Om te komen tot een stedenbouwkundig passende nieuwe invulling van het plangebied is een stedenbouwkundige analyse uitgevoerd. Op basis van deze stedenbouwkundige analyse zijn een aantal algemene stedenbouwkundige randvoorwaarden geformuleerd: 1. Behoud waarde van traditionele bedrijventerreinen.
De waarde van de bedrijventerreinen is in ieder geval gelegen in de functionaliteit van de overwegend eenvoudige bebouwing en de heldere opzet van de terreinen. 2. De detaillering is veelal sober en functioneel, materialen traditioneel. Voor de inrichting van het terrein gebruik maken van plaatmateriaal, bak- of betonsteen. Kleuren zijn rustig en sober, waarbij lichte grijzen en baksteentinten overheersen. 3. Bedrijfsactiviteiten aan het zicht onttrekken vanaf de dijk. Om afbreuk aan het dorpsbeeld van de lintbebouwing te voorkomen is het wenselijk om de bedrijfsactiviteiten af te schermen. Middels dit plan zal de huidige veevoederfabriek worden gesloopt. De sloop van de huidige veevoederfabriek en de realisatie van een afscherming ter hoogte van circa 9 meter betekent een enorme visuele verbetering ten opzichte van de huidige situatie (toegestane hoogte van 30 meter). Ter hoogte van de bestaande op- en afrit tussen het terrein van OTB en het plangebied wordt eveneens een erfscheiding geplaatst, waardoor alle bedrijfsactiviteiten volledig zijn afgeschermd en aan het gezicht worden onttrokken vanaf de dijkzijde. Om te voorkomen dat er een lange dichte muur ontstaat is er extra aandacht besteed aan het geluidscherm. Het geluidscherm zal een natuurlijke geleiding krijgen, waarbij de tussenvakken worden begroeid met Hedera klimop.
Hiermee is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, waaronder ook de beleving vanaf de rivier.
9
Zuidgevel
Westgevel
Noordgevel
Afbeelding 7: Gevelbeelden nieuwe situatie
10
Afbeelding 8: Impressies nieuwe situatie
11
3.3 Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het hemelwater van verharding zal infiltreren in de bodem of afvloeien op de Lek. Het stijgen van de zeespiegel raakt het project niet direct. Het op- en overslagterrein wordt op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee maximaal wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer en droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.
De beplanting in het plangebied zijn bestand tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede.
3.4 Parkeren Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard Op 29 januari 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ vastgesteld. De aanleiding van dit parapluplan zijn het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening. Hierdoor kan er voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor ontwikkelingen niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst worden aan parkeernormen. Inmiddels is ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waardoor het mogelijk is om het parkeren in het bestemmingsplan te regelen. De gemeente Krimpenerwaard heeft ervoor gekozen om een gemeente-dekkende regeling op te stellen voor parkeren. Dit heeft geresulteerd het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’. De gemeente Krimpenerwaard gaat uit van de volgende uitgangspunten: 1. 2. 3. 4. 5.
Het gemiddelde parkeerkencijfer wordt als uitgangspunt genomen; Parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein; Alle kernen (in de bebouwde kom) vallen onder 'rest bebouwde kom'; Het buitengebied valt onder de noemer 'buitengebied'; Voor de hele gemeente geldt dat sprake is van 'niet stedelijk'.
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ indien op eigen terrein redelijkerwijs niet kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen. Een afwijking van het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ wordt pas verleend nadat het advies is verkregen van een verkeerskundige. De parkeernormen in het ‘Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard’ zijn gebaseerd op parkeernormen in het landelijke CROW-beleid. Het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening indien wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
12
Parkeerberekening Gebiedstype Het plangebied is gelegen in het gebiedstype ‘(Rest) bebouwde kom’. Parkeernorm Een op- en overslagbedrijf kan worden geschaard in de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/ bezoekers extensief’. Hiervoor een geldt een gemiddelde parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per 100 m 2 BVO. Het plan voorziet in de uitbreiding van een buitenopslagterrein van een op- en overslagbedrijf. De omvang van de nieuwe op- en overslaglocatie (na sloop van de veevoederfabriek) bedraagt circa 4.386 m2. Het plan voorziet niet in een uitbreiding van de bedrijfsgebouwen (geen toename van BVO). Desondanks voorziet het plan in zes extra parkeerplaatsen op eigent terrein (aan de noordzijde). Het plan voldoet aan het Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard.
3.5 Verkeer Ontsluiting Het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via een uitrit op de Lekdijk-Oost. Ter hoogte van de bestaande op- en afrit tussen het terrein van OTB en het plangebied wordt een erfscheiding geplaatst welke wordt voorzien van een roldeur. Verkeer Het plan voorziet in de uitbreiding van een op- en overslagterrein voor containers. Hiermee wordt de vergunde opslag van containers aan de oostzijde van het bedrijf (circa 1000 teu), deels verplaatst naar dit plangebied. Er vindt derhalve geen uitbreiding van de opslag van het aantal containers plaats, maar een verplaatsing van een deel van de opslag(opstelpunten) naar dit plangebied. Op deze wijze kan de gehele nieuwe kade worden gebruikt voor het op en overslaan van containers. Hiermee is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. In de loop van 2022 is begonnen met de herinrichting van de Veerstoep Bergambacht, waarbij de Veerstoep zal worden verlegd. De verkeersafhandeling, ook ten aanzien van het verkeer vanaf het bedrijventerrein, zal aanzienlijk verbeteren, mede doordat het bestemmingsverkeer voor het bedrijventerrein en de veerpont beter van elkaar wordt gescheiden. Daarbij dient opgemerkt te worden dat ter plaatse een veevoederfabriek is gevestigd.
Op grond van het vigerende bestemmingsplan Lekoevers Bergambacht (vastgesteld op 12 december 2017) zijn op het perceel bedrijven tot milieucategorie 2.0 alsmede een veevoederfabriek in mengvoeders tot milieucategorie 4.1, met daaraan gerelateerde verkeersbewegingen, toegestaan. Per saldo zal derhalve geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Het plan zal niet leiden tot negatieve effecten op het gebied van verkeersdoorstroming en -veiligheid op de Lekdijk-Oost.
13
4. Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Het plan voorziet in het realiseren van een toekomstbestendige situatie voor een watergebonden bedrijf op een bestaand bedrijfsperceel. Vanwege de ligging op buitendijkse gronden wordt het plan afgestemd met Rijkswaterstaat. Het plan is verder op rijksniveau kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Vrijwaringszone en veiligheid scheepvaart op vaarwegen Conform het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dient rekening gehouden te worden met de vrijwaringzone (Wro art. 4.3, Barro 2.1.2). Voor de Lek geldt een vrijwaringszone van 25 meter. De vrijwaringszone dient in beginsel vrij te blijven van bouwwerken en opgaande begroeiing die het functioneren van de vaarweg of de veiligheid van het scheepvaartverkeer in gevaar brengen. Hiervan kan worden afgeweken indien wordt aangetoond dat het functioneren van de vaarweg niet in het geding is. Het gebruik van de gronden binnen de vrijwaringszone langs de vaarweg mag geen belemmeringen vormen voor: 1. De doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; 2. De zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; 3. Het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; 4. De toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten, en 5. Het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. Rivierbed Artikel 2.4.3 van het Barro stelt dat een bestemmingsplan in het rivierbed alleen nieuwe bestemmingsplan toelaat ten opzichte van het voorafgaande bestemmingsplan als er sprake is van: 1.
Een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft en resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd; 14
2. Geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; 3. Een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en 4. Een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Stroomvoerend deel rivierbed Een bestemmingsplan kan volgens artikel 2.4.4 van het Barro alleen een wijziging mogelijk maken in het stroomvoerend rivierbed indien er sprake is van een of meer van de volgende activiteiten worden mogelijk gemaakt: 1. De aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken; 2. De verwezenlijking van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroepsof recreatievaart; 3. De bouw of wijziging van waterkrachtcentrales; 4. De vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier; 5. De aanleg of wijziging van scheepswerven voor beroeps- of pleziervaartuigen; 6. De verwezenlijking en het beheer van natuurterreinen; 7. De uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken; 8. De verwezenlijking van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden; 9. De winning van oppervlaktedelfstoffen; 10.
De verwezenlijking van voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd; 11. Activiteiten van een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd; 12. Een functieverandering binnen de bestaande bebouwing; 13. Activiteiten die onderdeel uitmaken van de lijst van maatregelen opgenomen in de Bijlage bij de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier en waarvan de uitvoering wordt gefinancierd door Onze Minister. 14. Het behoud van bekende of te verwachten archeologische monumenten. Het bedrijfsterrein (laad- en loswal) van OTB is vergroot door de aanleg van een kade (reeds vergund door Rijkswaterstaat). Hierdoor ontstaat er ruimte voor onder meer de op- en overslag van containers waarvan de situering qua milieubelasting gunstig is. Het overgrote deel van de uitbreiding van het bedrijfsperceel heeft reeds de bestemming ‘Bedrijventerrein’ in het vigerende bestemmingsplan. Het plan heeft geen negatieve effecten op het functioneren van de vaarweg of de veiligheid van het scheepvaartverkeer.
Afbeelding 9: Bestaande planologische situatie
15
4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.
In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt. ‘Wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2, dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Het plan is om het perceel Lekdijk-Oost 5-7 Bergambacht bij het bedrijf van OTB te betrekken, de veevoederfabriek (ca. 1.380 m2) te slopen en het terrein in te richten als op- en overslag terrein voor containers. Het bedrijfsterrein (laad- en loswal) van OTB is vergroot door de aanleg van een kade (reeds vergund door Rijkswaterstaat). De omvang van de nieuwe op- en overslaglocatie (na sloop van de veevoederfabriek) bedraagt circa 4.386 m2. Deze gronden hebben, behoudens een kleine strook van 150 m2 aan de Lekzijde, reeds de bestemming ‘Bedrijventerrein’.
De vergunde opslag van containers aan de oostzijde van het bedrijf (circa 1000 teu) wordt deels verplaatst naar de locatie Lekdijk-Oost 5-7. Er vindt derhalve geen uitbreiding van de opslag van het aantal containers plaats, maar een verplaatsing van een deel van de opslag (opstelpunten). Op deze wijze kan de gehele nieuwe kade worden gebruikt voor het op en overslaan van containers. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid Vanwege het kleinschalige karakter van het plan worden geen rijksbelangen geschaad. Er is geen sprake van ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.
16
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 10 oktober 2020 is een herziening van de Omgevingsvisie Zuid-Holland Koers 2020 gepubliceerd (ontwerp-Omgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. 5.
Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie Zuid-Holland streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Het plangebied valt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plan sluit hiermee aan bij het provinciaal beleid om de verstedelijkingsopgave primair te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied (BSD).
Vanuit jurisprudentie is met dit plan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er is sprake van een minimaal extra ruimtebeslag. Derhalve is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing.
17
Afbeelding 10: Bestaand stads- en dorpsgebied (BSD)
Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit : een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.
De provincie wil de kenmerken als de identiteit van de plek (historische, culturele, toeristische en ruimtelijke kenmerken), de geografische strategische ligging in het stedelijk netwerk en de aanwezige en nieuwe economische dragers van iedere stad en ieder centrum in het systeem beschermen. Iedere locatie betreft een unieke plek met een eigen (ruimtelijke) karakteristiek. Een brede waaier aan woon- en werkmilieus is een belangrijke voorwaarde voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Als herstructurering, transformatie of verdichting plaatsvindt binnen de stad, dan draagt dit bij aan de versterking van de ruimtelijke karakteristiek. Het plangebied is gelegen in de gebieden ‘veenweidegebied’, ‘linten, ‘steden en dorpen’, ‘stads- en dorpsrand’ en ‘watergebonden bedrijventerrein ‘van de provinciale kwaliteitskaart. Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide)landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld:
18
• • • • •
Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar
Linten Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.
Steden en dorpen Voor ontwikkelingen in ‘steden en dorpen’ heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving; • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden); • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt; • Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied; • Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.
Stads- en dorpsranden Voor ontwikkelingen in ‘stads- en dorpsrand heeft de provincie het volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Watergebonden bedrijventerrein Voor ontwikkelingen in ‘watergebonden bedrijventerreinen’ heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Er wordt respectvol omgegaan met aanwezig cultuurhistorisch erfgoed (zoals het industrieel erfgoed langs de Oude Rijn); • Ontwikkelingen in en rond de mainport sluiten aan bij het grootschalig industriële en logistieke havenkarakter; • Ontwikkelingen op en rond natte bedrijventerreinen sluiten aan bij het industriële en logistieke land-waterkarakter en dragen bij aan een gepaste overgang tussen terrein en omgeving; • Omgeving en het benutten van de milieuruimte zonder hinder voor de omgeving.
19
Afbeelding 11: Uitsnede kwaliteitskaart (laag van de cultuur- en natuurlandschappen)
Afbeelding 12: Uitsnede kwaliteitskaart (laag van de stedelijke occupatie)
20
Middels dit plan zal de huidige veevoederfabriek worden gesloopt. De sloop van de huidige veevoederfabriek en de realisatie van een afscherming ter hoogte van circa 9 meter betekent een enorme visuele verbetering ten opzichte van de huidige situatie (toegestane hoogte van 30 meter). Ter hoogte van de bestaande op- en afrit tussen het terrein van OTB en het plangebied wordt een erfscheiding geplaatst, waardoor alle bedrijfsactiviteiten volledig zijn afgeschermd en aan het gezicht worden onttrokken vanaf de dijkzijde. Om te voorkomen dat er een lange dichte muur ontstaat is er extra aandacht besteed aan het geluidscherm. Het geluidscherm zal een natuurlijke geleiding krijgen, waarbij de tussenvakken worden begroeid met Hedera klimop. Hiermee is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, waaronder ook de beleving vanaf de rivier. Het plan sluit aan bij de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Op 10 oktober 2020 is een herziening van de Omgevingsverordening gepubliceerd (ontwerp-Omgevingsverordening Zuid-Holland - Koers 2020). Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening).
Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: • Zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c.
Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: • Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Inpassen In dit licht kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur.
De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een bestaand bedrijfsperceel op een buitendijks bedrijventerrein. Bij het plan veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart.
21
Gebiedsidentiteit De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. Een gebiedsidentiteit is meestal van grote omvang. Het plan betreft de uitbreiding van een bestaand bedrijf. Er vinden geen grote wijzigingen plaats in de landschapsstructuur, in de verkeersstructuur, de leefbaarheid van het gebied en/of de waterstructuren. Het plan is passend binnen de gebiedsidentiteit. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Structuur Onder structuur worden de samenhangende ruimtelijke elementen bedoeld die in het gebied aanwezig zijn die het gebruik van functies in het gebied mogelijk maken. De aanwezige kernkwaliteiten op de locatie blijven behouden en/of worden versterkt.
Stedelijke ontwikkelingen (Ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Dit plan voorziet in de uitbreiding van een bestaand bedrijf. Vanuit jurisprudentie is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. Risico’s van klimaatverandering In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd.
Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. In paragraaf 3.3 ‘Klimaatadaptatie’ is beschreven op welke wijze bij dit plan rekening wordt gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. Milieubeschermingsgebieden voor grondwater Onder het begrip milieubeschermingsgebieden voor grondwater vallen onder het huidige regime van de Wet milieubeheer waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. Het plangebied valt binnen een gebied dat is aangewezen voor behoud van de kwaliteit van het grondwater als onderdeel van de drinkwatervoorziening. Dit plan voorziet niet in een gebruik van gronden danwel werkzaamheden die nadelige effecten hebben voor de drinkwatervoorziening.
22
4.2.3 Provinciaal milieubelang Provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsbeleid vier provinciale milieubelangen: • Bescherming van stiltegebieden De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied. •
Windenergie stimuleren De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens.
•
Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMCbedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde.
•
Beschermen van grote groepen mensen De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een invloedsgebied Groepsrisico van een EVrelevante risicobron.
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de provinciale milieubelangen. 4.2.4 Conclusie provinciaal beleid Het plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid zoals vastgelegd in het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland.
23
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard Op 14 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Krimpenerwaard de Omgevingsvisie Krimpenerwaard vastgesteld. In de omgevingsvisie heeft de gemeente vastgelegd wat van waarde is en welke toekomstige ontwikkelingen men ziet voor de leefomgeving. Deze visie geeft richting aan ruimtelijkmaatschappelijke ambities en opgaven. De gemeente Krimpenerwaard staat positief tegenover nieuwe initiatieven. Initiatieven die passen bij de Krimpenerwaard en bijdragen aan de toekomst. De gemeente hanteert hierbij het ‘ja-mits’ principe. De Lek is een belangrijke route voor de binnenvaart vanuit de havens van Rotterdam naar het achterland. Dit geeft een aantrekkingskracht voor bedrijven die voor hun transport gebruik kunnen maken van de rivier. Langs de rivier zijn allerlei watergebonden activiteiten en industriële bedrijven te vinden. De gemeente Krimpenerwaard zet in op gezonde en vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid binnen de gemeente en ontwikkelruimte voor ondernemers. De gemeente geeft ruimte aan ondernemers om te starten, te groeien en te ontwikkelen op een duurzame en maatschappelijk verantwoorde manier. Het plan betreft de uitbreiding van een bestaand bedrijf aan de Lekdijk-Oost te Bergambacht door een bestaande bedrijfslocatie van een veevoederfabriek bij het bedrijf te betrekken.
De uitbreiding biedt het bedrijf de noodzakelijke opslagcapaciteiten, waarmee een toekomstbestendige bedrijfssituatie voor het bedrijf wordt gecreëerd. Middels dit plan zal de huidige veevoederfabriek worden gesloopt. De sloop van de huidige veevoederfabriek en de realisatie van een afscherming ter hoogte van circa 9 meter betekent een enorme visuele verbetering ten opzichte van de huidige situatie (toegestane hoogte van 30 meter). Ter hoogte van de bestaande op- en afrit tussen het terrein van OTB en het plangebied wordt eveneens een erfscheiding geplaatst, waardoor alle bedrijfsactiviteiten volledig zijn afgeschermd en aan het gezicht worden onttrokken vanaf de dijkzijde. Om te voorkomen dat er een lange dichte muur ontstaat is er extra aandacht besteed aan het geluidscherm. Het geluidscherm zal een natuurlijke geleiding krijgen, waarbij de tussenvakken worden begroeid met Hedera klimop. Hiermee is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, waaronder ook de beleving vanaf de rivier. 4.3.2 Conclusie gemeentelijk beleid Het plan is hiermee in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.
24
5. Milieuaspecten 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, valt onder categorie D 11.3 van het Besluit m.e.r. Er geldt een m.e.r-plicht wanneer de ontwikkeling boven de drempelwaarde (een oppervlakte van 75 hectare of meer) uitkomt. De drempelwaarde wordt in dit plan niet overschreden aangezien het in casu gaat om een bedrijventerrein met een omvang van circa 4.386 m2. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. In andere gevallen (D lijst en wanneer een passende beoordeling van het kader van Wnb noodzakelijk is), is een m.e.r.-beoordeling nodig en bepalen B&W (lees: het bevoegd gezag) in een m.e.r.beoordelingsbesluit of er een m.e.r.-plicht is.