BIJLAGE 3 Nota van uitgangspunten.pdf
Tekst van het document
Opdrachtgever verwacht dat de resultaten en adviezen naar aanleiding van deze onderzoeken worden gepresenteerd aan Opdrachtgever, zodat Opdrachtgever daar over kan besluiten.
3.2. Onderhoud en Beheer Het installatie- en gebouwontwerp dient zodanig te zijn dat het gebouw in zijn geheel optimaal exploitabel is. Er moet gestreefd worden naar minimalisatie van de levensduurkosten (energie, schoonmaak, onderhoud en facilitair beheer). De gemeente wordt eigenaar van het gebouw en zal verantwoordelijk zijn voor het totale beheer en facility management van het pand (onderhoud, schoonmaak, beveiliging, catering en ICT). Gebouwbeheersysteem Om het gebouw goed te kunnen beheren moeten zoveel mogelijk stand-alone installaties geïntegreerd worden in één, op IP-gebaseerd, gebouwbeheersysteem
Referentie: 1614806-0086.3.0.
(GBS). Waar mogelijk moeten stand-alone installaties worden geïntegreerd in het systeem. Vanaf één bedieningsstation moet het mogelijk zijn om met het GBS alle geïntegreerde systemen (klimaat, verlichting, branddetectie, toegangscontrole en andere installaties) te bedienen en te bewaken. Tevens moet het GBS een eigen inbelmogelijkheid hebben. Van de aanbieder worden concrete garanties geëist voor de connectiviteit en integratie met andere systemen, geleverd door derden. Logistiek De situering van de goedereningang en facilitaire ruimten moet zodanig zijn dat intern goederenverkeer (nieuwe apparatuur, afval, meubilair) goed mogelijk is. Dit stelt eisen aan: • • • • • • •
deurbreedtes (breed genoeg voor palletwagentjes, karren); gevelopeningen (bijv. voor binnenhalen installatiecomponenten); stootvastheid van afwerkingen; automatische deuren; afwezigheid van dorpels/drempels; ligging van facilitaire ruimten; afmetingen en ligging goederenlift.
Onderhoud Als onderdeel van de TCO-berekening dient de ontwerpende partijen een raming te maken van de te verwachten onderhouds- en exploitatiekosten van het gebouw. Op deze wijze zal de opdrachtgever voldoende inzicht hebben om uiteindelijk een keuze te maken tussen consequenties van ontwerpkeuzes. Bovendien kost onderhoud energie en grondstoffen en dient vanuit de duurzaamheidsgedachte zoveel mogelijk beperkt te worden. Om de geformuleerde duurzaamheideisen te behalen, zal het wellicht noodzakelijk zijn vernieuwende bouw- en installatietechnieken toe te passen. Als uitgangspunt geldt hierbij dat deze vernieuwende factoren niet tot onnodige onderhoudskosten of risico’s in de werking mogen leiden. Installaties en bouwdelen moeten op eenvoudige wijze bereikbaar, reinigbaar, te vervangen en te onderhouden zijn (ook door andere partijen dan de leverancier).
Pagina 11 van 61
Uitgangspunt is een duurzaam, onderhoudsvriendelijk gebouw en terrein, wat zich onder meer in de bestekken moet vertalen in: • Slimme, onderhoudsvriendelijke materialisering en detaillering. Ook servicekosten (schoonmaak e.d.) dienen voor zowel het gebouw als het terrein beperkt te worden. Daartoe maatregelen treffen om vuil op te vangen in de entreezone en gebouwtoegangen. • Voorkomen van details die een bovengemiddelde vervuiling met zich meebrengen (bijvoorbeeld stofnestvorming op ‘lastige’ plekken of vervuiling als gevolg van neerslag dat zich in gevoelige materialen ‘vreet’). • Bereikbaarheid van gebouw(delen) is van groot belang om goed onderhoud te kunnen plegen. Speciaal dienen hierbij de daken, gevels en atria uitgewerkt te worden voor een veilige, efficiënte en effectieve uitvoering van schoonmaak en technisch onderhoud. • Bereikbaarheid van alle installaties, zoals in schachten en boven plafonds. Geen installaties instorten of anderszins onbereikbaar maken. Schachten voorzien van toegangen. • Kanaalwerk en leidingen reinigbaar maken. • Legionella beheersmaatregelen (BRL 6010) uitwerken en automatiseren. • Slimme positionering van de ruimten en honoreren van de ruimterelaties zorgt voor een efficiënt onderhoudsproces. • Voor bewassing van gevels wordt uitgegaan van een glazenwasinstallatie inclusief gondel.
• Bij het terreinontwerp moet tevens rekening moeten worden gehouden met de toegankelijkheid van een hoogwerker of een ladder. • Maatregelen treffen voor een eenvoudig en efficiënt onderhoud van groen in, aan en op het gebouw, inclusief toevoer van water.
Energiemanagement De hoofdverdeelinstallatie en de onderverdeelinstallatie op de diverse plaatsen in het gebouw te voorzien van energiemeters zodat het energiegebruik gemonitord kan worden van de gebouw gebonden installaties en ook een inzicht ontstaat welk energiegebruik aan de gebruikers toegeschreven kan worden. Dit zal in de ontwerpfase verder uitgewerkt moeten worden en zal in overleg met de gemeente Krimpenerwaard gekeken moeten worden wat de mogelijkheden zijn op het gebied van energiemonitoringsoftware.
Schoonmaak Het gebouw moet zowel aan de binnenzijde als de buitenzijde eenvoudig zijn schoon te maken. Alle geveldelen moeten goed te reinigen zijn en daar waar nodig "graffitiproof". Aan de binnenzijde moeten oppervlakten bij voorkeur glad, vuilafstotend en nat afneembaar zijn.
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Pagina 12 van 61
4. Veiligheid 4.1.1 Brandveiligheidseisen Het gebouw dient te voldoen aan alle wettelijke eisen ten aanzien van brandbeveiliging en -preventie. De brandveiligheidsvoorzieningen moeten voldoen aan het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening en dienen in overleg met de Veiligheidsregio Hollands-Midden te worden bepaald. De belangrijkste brandveiligheidseisen komen samengevat op het volgende neer: • Brandcompartimentering: brandwerendheidscheiding tussen compartimenten volgens de regelgeving en eisen van de plaatselijke brandweer; • Brandveiligheidsklasse van toe te passen materialen en bekleding van de (hoofd)draagconstructie volgens de regelgeving; • Brandmeld- en ontruimingsinstallatie conform de genoemde regelgeving; • Noodverlichting; • Vluchtwegaanduiding; • Ter plaatse van de nooduitgangen buiten het gebouw ruimte vrijhouden voor vluchten en opstelplaatsen hulpdiensten; • Gang- en trapbreedten, trappenhuizen en zo nodig brandweerliften afgestemd op vluchtwegen conform de genoemde regelgeving; • Blusmiddelen (repressieve voorzieningen). • Droge blusleidingen in het gebouw en/of het terrein (conform bouwbesluit) De opdrachtgever moet worden geconsulteerd over de indeling in brandcompartimenten, vluchtroutes en de draairichtingen van (vlucht)deuren. In hoofdstuk 4,5 en 6 zijn nog nadere aspecten betreffende de brandveiligheid opgenomen.
4.1.2 Beveiligingszonering Beveiliging en sociale veiligheid is belangrijk binnen het gemeentehuis. De huisvesting moet voldoen aan alle wettelijk vastgelegde veiligheidseisen. De sociale veiligheid, gezondheid en het welbevinden van de gebruiker moeten gewaarborgd zijn. Veiligheid voor medewerkers door mogelijk agressief gedrag van bezoekers is een belangrijk aandachtspunt. Daarnaast mogen de primaire en secundaire bedrijfsprocessen niet in gevaar komen. Voor fysieke beveiliging en beveiliging van de (werk)omgeving dient de
Referentie: 1614806-0086.3.0.
NEN-7510 en dan met name hoofdstuk 11 en een deel van hoofdstuk 9 in acht te worden genomen. Gekeken naar de zonering van het gebouw is de volgende beveiliging gewenst: Openbare en semi-openbare zone Het publieksgebied is voor iedereen vrij toegankelijk. Bezoekers kunnen hier wachten totdat ze worden opgehaald voor hun afspraak. Zowel formele als informele overlegruimten zijn aanwezig in het publieksgebied zodat bezoekers niet meegenomen hoeven worden naar de privé zone in het gemeentehuis. Een aantal van deze formele overlegruimten in de publiekshal zijn inzetbaar als beveiligde spreekkamers. Het publieksgebied met formele en informele overlegplekken loopt op een natuurlijke manier over in het werkcafé en naar de raadszaal en trouwzaal. Privé zone De privé zone is het werkgebied van de ambtelijke organisatie en het College. Ook de Gemeenteraad heeft toegang tot deze zone. Bezoekers worden zo veel als mogelijk ontvangen in de openbare en semi-openbare zone en niet meegenomen naar de privé zone, zodat hier in alle rust en met de nodige privacy gewerkt kan worden. De privé zone is voorzien van passende toegangsbeveiligingsmaatregelen en enkel met toezicht en/of de juiste toegangsvoorziening bereikbaar. Buiten reguliere openingstijden en kantooruren is slechts de centrale vergadervleugel toegankelijk. Andere delen zijn dan ‘afgesloten’ en op het alarm geplaatst.
Tijdens Gemeenteraadsvergaderingen valt natuurlijk ook de raadszaal binnen de zone die dan opengesteld is. Ten tijde van crisissituaties, dienen daartoe aangemerkte crisisruimten ook buiten de reguliere openingstijden en kantooruren beschikbaar te zijn. Toegankelijkheid voor medewerkers vertaalt zich in een vrije toegang en zo min mogelijk deuren in het hele gemeentehuis. Echter vanwege privacy en veiligheid, zal er wel gewerkt worden met beveiligingsschillen/zonering, zoals al vermeld. • Zone 1: openbare zone: publieksgebied (plus het werkcafé, de raadszaal en de trouwzaal), wat vrij toegankelijk is voor bezoekers.
Pagina 13 van 61
•
Zone 2: semi-openbare zone: politiek- en projectgebied zowel te gebruiken door de ambtelijke organisatie als door de fracties (vooral ‘s avonds) en ketenpartners. • Zone 3: privédomein; werkgebied van de ambtelijke organisatie en het College. • Zone 4: ondersteunende ruimten binnen zone 1-3, waarbij de toegang geregeld is met een sleutelplan of elektronische toegangsbeveiliging. Hierbij gaat het om ruimten die slechts voor daartoe geautoriseerde medewerkers toegankelijk zijn. Denk hierbij aan logistieke ruimten, kluisruimte voor waardedocumenten, archieven, server- en netwerkruimte. Maar ook de ruimten van de catering en de schoonmakers.
Het publieksgebied met aangrenzend het werkcafé vormt het hart van het gebouw. Het werkcafé dient op een natuurlijke wijze het punt met de meeste beweging te worden waar collega’s, maar ook medewerkers en bezoekers elkaar ontmoeten. Door dit gebied geschikt te maken voor eten, ontmoeten, samenwerken, maar ook individueel werken, ontstaat eigenlijk een uitbreiding van de werkgebieden waarmee piekbenutting goed opgevangen kan worden. Door het bieden van een diversiteit aan plekken in een werkcafé, leert de ervaring dat het beter gebruikt wordt, ook buiten lunchtijd. Het werkcafé is ook toegankelijk voor zakelijke relaties. Zij kunnen daar gebruik van maken om voor of na een afspraak te werken. Door de positie van dit gebied gun je hun een ‘kijkje in de keuken’ en ontstaat een levendig gebied.
4.1.3 Openbare zone – publieksgebied De bezoeker van het gemeentehuis komt na binnenkomst door de hoofdentree in de publieke zone. In deze publieke zone wordt de bezoeker ontvangen door een gastheer/-vrouw. Hoewel deze gastheer/-vrouw een deel van de werktijd in de publieke zone staat en rondloopt om bezoekers te helpen, verricht hij/zij op rustige momenten ook bureauwerkzaamheden. Aangezien die een periode van meer dan 2 uur aaneengesloten kunnen beslaan maar hij/zij tegelijkertijd zicht moet kunnen houden op het publiek, is er in de publieke zone een Arbo-genormeerde werkplek beschikbaar binnen het gereserveerde vloeroppervlak van die zone.
4.1.4 Semi-openbare zone – politiek- en projectgebied Het publieksgebied met de overlegplekken klantencontact en formele (beveiligde) en informele overlegplekken is verbonden met de semi-openbare zone, waarin het centrale vergader/projectgebied is gesitueerd. Dit gebied is separaat van de overige gebieden ook buiten de reguliere openingstijden toegankelijk voor de fracties en Gemeentegraad en eventuele andere gebruikers (maatschappelijke partners). De personeelsingang wordt hiervoor gebruikt.
4.1.5 Privé zone - werkomgeving ambtelijke organisatie en het College De publieke zone is een ontmoetingsruimte waar verschillende voorzieningen zijn getroffen om de bezoeker gastvrij te ontvangen. Vanuit deze ontmoetingszone worden bezoekers opgehaald door de desbetreffende medewerker waarmee hij/zij een afspraak/overleg heeft. De gehele inrichting dient een informele sfeer te hebben. Het moet uitnodigend zijn om naar binnen te komen. Het publieksgebied met formele en informele overlegplekken is verbonden met het werkcafé, de raadszaal en de trouwzaal. Het publieksgebied is op hetzelfde niveau gesitueerd als de aangrenzende buitenruimte dat de verbinding met de omgeving vormt. Op die manier is het publieksgebied open, transparant en uitnodigend.
De werkgebieden voor de ambtelijke organisatie en het College bevinden zich in de privé zone, waarbij een deel van de werkplekken (met name de overlegplekken klantencontact en spreekplekken/ruimten) (frontoffice) zich in de openbare zone bevinden. De werkgebieden zijn uitsluitend te gebruiken door geautoriseerde medewerkers. In dit gebied worden in principe geen externen ontvangen. Dit betekent dat het werkdomein van het College zich zowel in zone 2 als zone 3 bevindt. Dit vraagt een nadere (ontwerp) uitwerking. Buiten reguliere openingstijden dienen de alarmtijden per zone aangepast te kunnen worden.
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Pagina 14 van 61
Ruimtes uit dezelfde beveiligingscategorie moeten zoveel mogelijk bij elkaar in één gebied gesitueerd worden zodat beveiligingsmaatregelen in één keer genomen kunnen worden. De buitengevel dient te bestaan uit een minimaal aantal toegangsdeuren. Beveiligingstechniek Om de benodigde inzet van personeel voor het beveiligen van het complex te beperken, moet het gebouw worden voorzien van een beveiligingssysteem dat bestaat uit de volgende componenten: • Camerasysteem (CCTV) binnen en rondom het gebouw; • Centrale omroepinstallatie (t.b.v. ontruiming); • Inbraakdetectie-installatie; • Intercom/videofoon-installatie; • Overvalalarm met stil alarm naar de hulptroepen (politie) in geval van een overval. • Agressie alarm met alarm naar de achterwacht in geval van agressie van een bezoeker in de publiekshal. • Toegangscontrolesysteem/aanwezigheidsregistratie via een app op de mobiele telefoons; • Personen Zoek Installatie (PZI) t.b.v. BHV. Vandaalbestendigheid voor de publieksruimten van het gemeentehuis geldt dat de afwerking en de inrichting van ruimten vandaalbestendig moeten zijn. Veiligheid entreehal en publieksplein In publieke ruimten zoals de entreehal en het publieksplein moet sprake zijn van visuele controle vanuit de receptie. In de receptiebalie van de centrale entree komen voor beveiligingsmedewerkers de mogelijkheden om de beveiligingsapparatuur te bedienen.
Veiligheid spreekkamers en ontvangst-/werkplekken De spreekkamers en ontvangst-/werkplekken zijn belangrijke plekken waar direct contact tussen personeel en bezoek plaatsvindt. Deze ruimten moeten voorzien worden van bouwkundige en technische voorzieningen om agressieproblemen te voorkomen (alarmknop, geen losse spullen, eigen vlucht/toegangsdeur, goede vluchtroute, voorkomen overspringen, zichtlijn met achterliggende werkruimten).
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Veiligheid crisiscentrum In noodsituaties moet een van de vergaderruimten in het vergadercentrum als crisiscentrum kunnen worden ingezet. Deze ruimte moet voorzien worden van noodstroom- en een no-breakaansluiting.
4.1.6 Sociale veiligheid In het Politiekeur Veilig Wonen staan handreikingen om een veilig gevoel bij medewerkers en bezoekers te bevorderen door een goede gebouwopzet en detaillering. Er dient rekening gehouden te worden met de aspecten ter bevordering van de sociale veiligheid. Dit betreft met name de openbare ruimten in en om het gebouw en de parkeer-, fiets- en wandelroutes. Voorkomen moet worden dat het publiek en medewerker zich onveilig voelen. Plekken waar bezoekers van het pand zich kunnen verschuilen of onterecht ophouden moeten voorkomen worden. Dus geen donkere hoeken, nissen en bouwdelen waar mensen zich kunnen verschuilen.
4.2. Toegankelijkheid Voor het gemeentehuis geldt dat een publiek gebouw betreft waar ook ouderen en mensen met lichamelijke beperkingen komen. Toegankelijkheid is dan ook een belangrijk onderwerp. Hieronder worden de eisen op hoofdlijnen toegelicht. Voor concrete specificaties wordt verwezen naar de laatste versie van het Handboek Toegankelijkheid. Het gebouw moet goed toegankelijk zijn voor mensen die moeilijk ter been zijn of in een rolstoel of scootmobiel zitten. Dit betekent, onder meer, eisen aan de volgende onderwerpen: • • • • •
de zwaarte van het gebruik van deuren inclusief deurdrangers; de hoogte van balies; de hoogte van bedieningspanelen ( liftbediening, kaartlezers); hellingshoeken; dimensionering van ruimten (draaimogelijkheden).
Mensen met visuele beperkingen
Pagina 15 van 61
Het gebouw moet goed toegankelijk zijn voor mensen die blind zijn of slecht kunnen zien. Dit betekent, onder meer, eisen aan: • de duidelijkheid van de bewegwijzering; • verlichtingsniveaus; • kleurcontrasten; • tactiel markeringen op trappen; • geleidelijnen in de vloerafwerking.
4.3. Aanpasbaarheid en flexibiliteit Toekomstige veranderingen in aard en omvang van de werkzaamheden stellen andere ruimtelijke eisen. De functionele levensduur van het gemeentehuis kan worden verlengd, wanneer op een juiste wijze rekening wordt gehouden met flexibiliteit. Te onderscheiden zijn veranderende eisen aan het gebouw betreffende volume, indeling en functie.
4.3.1 Gebouwflexibiliteit Mensen met luchtwegaandoeningen Het gebouw moet goed toegankelijk zijn voor mensen met luchtwegproblemen zoals astma. Dit betekent, onder meer, eisen aan • de toevoer van verse lucht; • de hoeveelheid allergene stoffen in afwerkingen; • de schoonmaak van het gebouw (voorkomen stofophoping e.d.). Mensen met auditieve beperkingen Het gebouw moet goed toegankelijk zijn voor mensen die niet of slecht kunnen horen. Dit betekent onder meer eisen aan: • het achtergrondgeluid; • de verstaanbaarheid van gesproken boodschappen; • de visuele aanduiding van cruciale boodschappen; • ringleidingen in de vergaderzalen en de raadzaal. Bij oplevering moet voorzien kunnen worden van het internationaal toegankelijkheidsymbool (ITS).
4.2.1 Bewegwijzering In het kantoorgedeelte wordt op logische plaatsen bewegwijzering opgenomen. Daarnaast wordt voorzien in een etageaanduiding, zowel in de centrale kern als aan de binnenzijde van de trappenhuizen (naast de deur, mede ten behoeve van de brandweer). Vanaf de bezoekersparkeerplaatsen naar de hoofdentree dient een voetgangerszone met adequate bewegwijzering te worden voorzien.
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Het nieuw te bouwen volume moet flexibel zijn; het moet dusdanig worden ontworpen dat onderdelen afgestoten kunnen worden of eventueel onderverhuurt kunnen worden. Ook dient gekeken te worden naar het verzwaren van de draagconstructie zodat het gebouwvolume vergroot kan worden door het plaatsen van een extra bouwlaag. In de voorontwerpfase dient het ontwerpteam een integraal onderzoek te presenteren aan de opdrachtgever over de wijze waarop de gebouwflexibiliteit gerealiseerd kan worden. Dit inclusief eventuele keuzemogelijkheden waarbij ook de consequenties op het vlak van de technische installaties inzichtelijk worden gemaakt.
4.3.2 Indelingsflexibiliteit Organisaties ontwikkelen zich voortdurend. De omgevingseisen veranderen vaak mee. Een hoge indelingsflexibiliteit draagt ertoe bij dat deze veranderingen met weinig inspanning, tegen lage kosten en op eenvoudige wijze, binnen het gebouw kunnen worden doorgevoerd. Uitgangspunt is om functies of ruimten zonder ingrijpende wijzigingen multi-inzetbaar te maken. Voorbeelden hiervan zijn: • dat in de frontoffice makkelijk balies of spreekkamers kunnen worden bijgeplaatst of afgestoten, of een andere functie kunnen krijgen. • verplaatsbare scheidingswanden met uniforme gevelaansluitingen; • bandrasterplafonds met een op de hoofdfuncties afgestemde modulering, waarin opgenomen de technische infrastructuur (klimaat, verlichting, veiligheid en dergelijke). Uitgangspunt: 1,80 m1 evenwijdig aan de gevel en 0,9 m1 haaks op de gevel; • uniforme detailleringen;
Pagina 16 van 61
•
•
voldoende fijnmazige bedienings- en aansluitmogelijkheden in de vorm van bijvoorbeeld vloer- en/of wandgoten (een en ander ter voorkoming van snoeren over de grond); alle apparatuur die de installaties in de kantoren bestuurt of voedt aanbrengen in de centrale gangen in de verlaagde plafonds. Indien er werkzaamheden/wijzigingen/onderhoud aan de installaties dient plaats te vinden, moet dit zodanig kunnen gebeuren dat dit vanaf de gangen kan geschieden zonder verstoring van de werkplekken op de kantoren.
In de frontoffice is eveneens indelingsflexibiliteit vereist, onder andere gericht op het bijplaatsen of verwijderen van balies en spreekkamers. Hierbij wordt niet uitgegaan van een modulaire opbouw, echter er moet wel worden gedacht aan voorbereiding van extra E- en datavoorzieningen en overcapaciteit en uitbreidbaarheid van de installaties.
Voor alle interne doorgangen geldt dat vervanging van bijvoorbeeld bouwkundige onderdelen, installaties en inventaris zonder problemen moeten kunnen gebeuren. Als minimale afmetingen wordt een plafondhoogte (onderkant verlaagd plafond) aangehouden van: Ruimtefunctie Kantoren Gangen Sanitaire ruimten
Minimale plafondhoogte in meter 2,8 2,6 2,6
De plafondhoogte voor meer specifieke functies zoals publieksgebied, raadzaal, eet/werkcafé dienen door het ontwerpteam te worden bepaald in samenhang met bijvoorbeeld akoestische eisen.
Onderstaande tabel bevat een overzicht van de eisen die gesteld worden aan de onderdelen van het gebouw, teneinde een maximale flexibiliteit van de indeling te bereiken. Onderdeel
Eis
•
Binnenwanden:
Verplaatsbare systeemwanden (wifi-doorlatend)
•
Draagconstructie:
Minimaal aantal kolommen in ruimte
•
Plafonds:
Systeemplafond
•
Klimaatinstallaties/bouwkundige
Aansluiting per 1,80 m¹
•
Voorzieningen aan gevel:
Regeling per 3,60 m¹
•
Verlichting:
Armaturen per 1,80 m¹
•
(Afgestemd op gevraagd luxniveau)
Regeling per 3,60 m¹
Eisen aan ambtelijke gebouwdeel (kantoren) ten behoeve van maximale indelingsflexibiliteit
Uitgangspunt dient een flexibele indeling te zijn, teneinde te kunnen anticiperen op wijzigingen in de organisatie of uitbreidingen. Dit kan vooralsnog het beste bereikt worden door toepassing van een gevelstramienmaat van 1,80 m¹. Mocht blijken dat een andere stramienmaat een betere flexibiliteit garandeert, dan is dat met de opdrachtgever bespreekbaar.
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Pagina 17 van 61
5. Bouwfysische prestaties In dit hoofdstuk worden de prestatie-eisen gegeven voor de binnenluchtkwaliteit, thermisch binnenklimaat, licht en uitzicht en geluid. Voor ieder thema geldt dat er met drie ambitieniveaus gewerkt wordt: • Klasse C (voldoende) • Klasse B (goed) • Klasse A (zeer goed) Aan ieder ambitieniveau zijn eigen (prestatie)eisen gekoppeld. Klasse C is hierbij het basisniveau c.q. de ondergrens; vaak gebaseerd op geldende wet- en regelgeving, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. De eisen zijn zo geformuleerd dat alle eisen die bij C staan ook voor B en A gelden, tenzij daar een zwaardere eis is opgenomen. In de komende paragrafen worden de gebruikers en technische eisen en bijbehorende diverse klassen nader toegelicht. Hierbij is uitgegaan van het Programma van Eisen Gezonde Kantoren 2021, ontwikkeld door het Platform Gezond Binnenklimaat. Voor alle onderstaande paragrafen in dit hoofdstuk zal er voor bijzondere ruimten zoals de Raadszaal , het Eet-werkcafé, archieven en andere bijzondere ruimten een aanvullend bouwfysisch advies van de bouwfysisch adviseur worden gevraagd.
5.1. Binnenluchtklimaat 5.1.1 Gebruikerseisen Het binnenklimaat wordt door de mensen in het gebouw verschillend beleefd. De ene persoon kan zich bijvoorbeeld prettiger voelen bij een bepaalde temperatuur dan de andere. Om aan zoveel mogelijk mensen tegemoet te komen worden ten aanzien van het binnenklimaat een aantal minimum- en maximumeisen gesteld, waarbinnen mensen zich prettig voelen. Daarbij waarderen de gebruikers het binnenklimaat beter als zij daar zelf invloed op uit kunnen oefenen, zoals het kunnen openen van een raam of het individueel (bij)regelen van de luchttemperatuur in het vertrek. Voorwaarde hierbij is wel dat de reactietijd beperkt dient te zijn.
5.1.2 Luchttechnische eisen Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’’ voor de CO2-concentratie
Referentie: 1614806-0086.3.0.
& Luchtverversing. Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De CO2-concentratie in verblijfsruimten (in de ademzone) ligt tijdens gebruikstijd op maximaal + 450 ppm boven de buitenluchtconcentratie
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De CO2-concentratie in verblijfsruimten (in de ademzone) ligt tijdens gebruikstijd op maximaal + 300 ppm boven de buitenluchtconcentratie
Uitgaande van een normaal, gemiddeld metabolisme voor kantoorwerk (1,2 à 1,4 met) en een CO2 productie van maximaal 0,005 L/s per persoon geldt dat aan de klasse C eis voldaan kan worden als er per persoon 25 m3/h aan verse lucht toegevoerd wordt.
Uitgaande van een normaal, gemiddeld metabolisme voor kantoorwerk (1,2 a 1,4 met) en een CO2 productie van 0,005 L/s per persoon geldt dat aan de klasse B eis voldaan kan worden als er per persoon 40 m3/h aan verse lucht toegevoerd wordt.
Uitgaande van een normaal, gemiddeld metabolisme voor kantoorwerk (1,2 a 1,4 met) en een CO2 productie van 0,005 L/s per persoon geldt dat aan de klasse A eis voldaan kan worden als er per persoon 60 m3/h aan verse lucht toegevoerd wordt.
De genoemde verse luchttoevoer per persoon kan omgerekend worden naar benodigde verse luchttoevoer per m2: ga in een klasse C gebouw in kantoorruimten (op verblijfsruimteniveau) uit van minimaal 3 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 8 m2 vloeroppervlak p.p.); in een bijeenkomstruimte is dit minimaal 8 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 3 m2 vloeroppervlak p.p. op kamerniveau).
De genoemde verse luchttoevoer per persoon kan omgerekend worden naar benodigde verse luchttoevoer per m2: ga in een klasse B gebouw in kantoorruimten uit van minimaal 5 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 8 m2 vloeroppervlak p.p. op kamerniveau); in een bijeenkomstruimte is dit minimaal 13 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 3 m2 p.p. op kamerniveau).
De genoemde verse luchttoevoer per persoon kan omgerekend worden naar benodigde verse luchttoevoer per m2: ga in een klasse A gebouw in een kantoorruimte uit van minimaal 7,5 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 8m2 pp op kamerniveau); in een bijeenkomstruimte is dit minimaal 20 m3/h/m2 (uitgaande van minimaal 3 m2 vloeroppervlak p.p. op kamerniveau).
Klasse C VOLDOENDE De CO2-concentratie in verblijfsruimten (in de ademzone) ligt tijdens gebruikstijd op maximaal + 750 ppm boven de buitenluchtconcentratie
Verblijfsruimten zijn voorzien van een CO2 monitor (CO2 stoplicht) die de momentane CO2 waarde met een kleurcodering weergeeft (hanteer hierbij de
Pagina 18 van 61
bovengenoemde klasse A, B en C grenswaarden).
Het te openen deel is voorzien van een uitzetmechanisme waarmee e.e.a. in elk geval in 1 stand is te fixeren.
Tabel 5: CO2-concentratie & Luchtverversing
De Klasse C-eis is voor verse luchttoevoer komt min of meer overeen met de wettelijke minimumeis zoals vastgelegd in het Bouwbesluit 2012 (nieuwbouweis kantoorfunctie: minimaal 6,5 l/s per persoon = 23,4 m3/h per persoon en eis bestaande bouw: minimaal 3,44 l/s per persoon = 12,4 m3/h per persoon ). De genoemde CO2 (steady state) grenswaarden komen overeen met de CO2 grenswaarden genoemd in NEN 16798-1. De hoeveelheid luchtverversing dient te worden bepaald conform de bepalingen uit de norm NEN-EN 16798-3 en die in NEN 1087. Gebruik bij debietmetingen altijd een nuldruk-gecompenseerde meter. De lokale, momentane CO₂-concentratie is volgens opgave gemeente Krimpenerwaard 450-550 ppm. Aanname is dat de ventilatielucht in de verblijfsruimten zó toegevoerd en afgevoerd wordt, dat een goede doorspoeling van de ruimte gegarandeerd is; de ventilatieefficiëntie (verhouding tussen de hoeveelheid ventilatielucht die de ademzone bereikt en de totale hoeveelheid ingebrachte lucht) is bij voorkeur minimaal 0,8. Voor open kantoorruimten / kantoortuinen dienen dezelfde CO2- en ventilatie-eisen aangehouden te worden als voor kamerkantoren. Echter: boven (bij) vierkante meters die onderdeel zijn van open kantoorgebieden maar die gebruikt worden als verkeersruimte (loopzones) kan worden afgezien van verse luchttoevoer. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’’ voor de spuiventilatie.
Klasse C VOLDOENDE Er zijn geen klasse C eisen voor ‘Spuiventilatie’
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Per stramien van 3,60 m is voorzien in minimaal 1 te openen deel. De afmetingen van het te openen deel zijn dusdanig dat een spuiventilatie- capaciteit van minimaal 100 L/s gegarandeerd is (bepaald conform NEN 1087).
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Per stramien van 3,60 m is voorzien in minimaal 1 te openen deel. De afmetingen van het te openen deel zijn dusdanig dat een spuiventilatie- capaciteit van minimaal 100 L/s
In het geval te openen delen niet mogelijk zijn en is voorzien in een zogenaamde 'boostknop' waarmee het mechanische ventilatiesysteem (al dan niet tijdelijk) in een hoogstand te zetten is (met verse luchttoevoer die minimaal 2x hoger is dan standaard) dan kan dat gezien worden als een alternatieve (kwalitatief iets mindere) klasse B oplossing.
gegarandeerd is (bepaald conform NEN 1087). Het te openen deel is voorzien van een uitzetmechanisme. Verder dient gezorgd te zijn voor meerdere fixatiestanden (incl. kierstand) of is een en ander traploos instelbaar. Indien klasse A niveau vereist is dan is het niet toegestaan om het 'boost- knopalternatief' in te zetten.
Tabel 6: Spuiventilatie
Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor de luchtvochtigheid.
Klasse C VOLDOENDE De relatieve luchtvochtigheid binnen bedraagt maximaal 70%.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Gelijk aan Klasse C
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De relatieve luchtvochtigheid binnen ligt tussen de 30 en 70%. De eventueel aanwezige luchtbevochtigingsinstallatie is 'Legionellaproof' (zie aan het einde van deze lucht tabel); verder wordt voldaan aan de hygiëne- eisen uit VDI 6022 en wordt het systeem minimaal 2 keer per jaar geïnspecteerd op vervuiling. Verder dient ontwerp en onderhoud van een en ander in lijn te zijn met de aanbevelingen in het VLA onderhoudsbestek (LIT 12).
Pagina 19 van 61
Tabel 7: Luchtvochtigheid
Bovengenoemde eis geldt specifiek voor de ruimtelucht en niet voor de inblaas- lucht. De genoemde eis voor klasse C impliceert dat niet is voorzien in luchtbevochtiging. De genoemde eis voor klasse A impliceert dat is voorzien in (een beperkte mate van luchtbevochtiging). Dit heeft met name een positief effect als sprake is van werkzaamheden waarbij meerdere uren per dag intensief beeldschermwerk verricht wordt. Een en ander kan uitgelegd worden op een bevochtigingssetpoint van 35%; een hoger setpoint hanteren heeft geen meerwaarde. Vanuit energetisch oogpunt en onderhoudsperspectief geen stoombevochtiging toepassen. Bij toepassen van adiabatische bevochtiging rekening houden met het voorkomen van legionella door toepassing van waterbehandeling. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor schimmels en bacteriën.
Klasse C VOLDOENDE De concentratie binnen voor individuele soorten bedraagt maximaal 2x de momentane buitenconcentratie (waarbij per soort 10 KVE/m3 als default waarde aangehouden dient te worden). Is de binnenconcentratie meer dan een factor 2 hoger dan is een nadere analyse nodig en gelden onderstaande kwantitatieve grenswaarden. De concentraties aan schimmels en bacteriën liggen onder de volgende grenswaarden: groep A (indicator organismen slecht schoonmaken): < 1000 KVE/m3 voor bacteriën en < 500 KVE/m3
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Gelijk aan Klasse C
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Voor klasse A gelden dezelfde KVE-eisen als bij klasse B en C. Een aanvullende eis is dat er bij oplevering controlemetingen uitgevoerd dienen te worden.
voor gisten en schimmels; groep B (o.a. indicator voor hygiëne < 100 KVE/m3; groep C (o.a. indicator organismen voor waterschade): < 10 KVE/m3. Tabel 8: Schimmels en bacteriën
Bovenstaande eisen gelden niet voor micro-organismen die onderdeel zijn van het menselijke huidmicrobioom (mensgebonden schimmels en bacteriën). Als er klachten zijn (gezondheidsklachten die mogelijk gerelateerd zijn aan blootstelling aan schimmels en bacteriën, of sprake van een hinderlijke geur van mogelijke biologische oorsprong) dan kan er – zonder dat er metingen uitgevoerd worden – standaard vanuit worden gegaan dat aan genoemde eisen voldaan wordt. Als er sprake is van deze specifieke klachten dan kan het zinvol zijn om metingen uit te laten voeren. Indien gemeten wordt dan geldt dat er gemeten moet worden in lijn met de bepalingen uit het document ‘Binnenklimaat Nederland Meetprotocol: Luchtmetingen microorganismen utiliteitssector’. Er dient altijd op dezelfde dag binnen en buiten te worden gemeten. Dit aangezien de momentane buitencondities (bv. in de herfst of bij extreem warm weer) sterk verstorend kunnen werken. Hanteer minimaal 3 metingen per locatie. Wij adviseren de ontwikkelingen rondom het Corona-virus te volgen en bij het ontwerp rekening te houden met mogelijke, aangescherpte eisen in verband met de reductie van het risico op besmettingen via luchtbehandelingssystemen. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor vluchtige organische stoffen. Klasse C VOLDOENDE De formaldehyde (HCOH) concentratie bedraagt maximaal 120 microgram/m3.
De totale vluchtige organische stoffen oftewel TVOC-
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De formaldehyde (HCOH) concentratie bedraagt maximaal 30 microgram/m3. De totale vluchtige organische stoffen oftewel TVOC-
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Gelijk aan klasse B
De totale vluchtige organische stoffen oftewel TVOCconcentratie bedraagt
Pagina 20 van 61
concentratie bedraagt maximaal 1000 microgram/m3.
concentratie bedraagt maximaal 500 microgram/m3.
maximaal 300 microgram/m3.
De koolmonoxide concentratie (CO) bedraagt maximaal 10 milligram/m3.
Gelijk aan klasse C
Gelijk aan klasse C
Tabel 9: Vluchtige organische stoffen
Tabel 10: Verbrandingsgassen
In klasse C gebouwen geldt dat geen luchtmetingen nodig zijn om te bewijzen dat aan de klasse C TVOC en HCOH-eis voldaan wordt. Tenzij sprake is van geur- hinder / een ‘chemische lucht’ binnen: in dat geval kan het nuttig zijn om wel (alsnog) metingen te doen (zie verder onder ‘toelichting’ bij klasse B).
De koolmonoxide metingen worden uitgevoerd in lijn met de bepalingen in NEN-EN 14626
De genoemde bovengrenzen voor de TVOC en formaldehyde concentratie gelden voor onbemande, maar wel ingerichte ruimten. Een en ander uitgaand van normaal ingeschakelde installaties (bv. verwarming en ventilatie). Bij kwaliteitsniveau Klasse B of A; de formaldehyde metingen worden uitgevoerd in lijn met de bepalingen in NEN-ISO 16000-3. De TVOC-metingen in lijn met NEN-ISO 16000-4. In nieuwbouw- of renovatiesituaties wordt bij voorkeur niet gelijk na oplevering gemeten (in verband met uitdamping) maar binnen 2 à 4 weken na oplevering. Indien bewezen kan worden dat het leeuwendeel van de interieurmaterialen (en in elk geval de vloerbedekking, de wandafwerking, de plafondafwerking en de meubels) emissiearm is (bv. beschikt over een Fins M1 label of een Duitse Der Blaue Engel keurmerk) dan kan ervan uitgegaan worden dat automatisch aan de genoemde klasse B TVOC en HCOH-eis voldaan wordt en is meting niet per se noodzakelijk.
Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor fijnstof.
Klasse C VOLDOENDE De jaar gecorrigeerde PM2,5 (fijn- stof) concentratie is maximaal 20 microgram/m3.
Aanvullende eis ten aanzien van de fijnstof penetratie via de gevel en het ventilatiesysteem (filtersectie): de PM2,5 (fijnstof) concentratie binnen bedraagt maximaal 1 keer de momentane buitenconcentratie (uurgemiddelde indoor/outdoor ratio = 1).
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De jaar gecorrigeerde PM2,5 (fijnstof) concentratie is maximaal 15 microgram/m3.
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De jaar gecorrigeerde PM2,5 (fijnstof) concentratie is maximaal 10 microgram/m3.
Aanvullende eis ten aanzien van de fijnstof penetratie via de gevel en het ventilatiesysteem (filtersectie): de PM2,5 (fijnstof) concentratie binnen bedraagt maximaal 0,5 keer de momentane buitenconcentratie (uurgemiddelde indoor/outdoor ratio = 0,5).
Aanvullende eis ten aanzien van de fijnstof penetratie via de gevel en het ventilatiesysteem (filtersectie): de PM2,5 (fijnstof) concentratie binnen bedraagt maximaal 0,25 keer de momentane buitenconcentratie (uurgemiddelde indoor/outdoor ratio = 0,25).
Tabel 10: Fijnstof
Bij kwaliteitsniveau Klasse A; om een klasse A score te behalen zal altijd gemeten dienen te worden; ook als op zich al is aangetoond dat alle toegepaste (interieur)materialen emissiearm zijn. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse C’ voor verbrandingsgassen.
Klasse C VOLDOENDE
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B
De genoemde bovengrens voor de fijnstof concentratie geldt bij normaal ingeschakelde installaties (bv. ventilatie en verwarming). In klasse C gebouwen geldt dat geen luchtmetingen nodig zijn om te bewijzen dat aan de klasse C PM2,5 eis voldaan wordt. Tenzij het gebouw gelegen is op een belaste locatie of er vermoedens bestaan ten aanzien van bronnen binnen het gebouw die fijnstof verspreiden.
Pagina 21 van 61
Er gelden geen eisen voor de PM10 concentratie. Dit is weinig zinvol omdat een groot aandeel van deze concentratie wordt veroorzaakt door resuspensie door o.a. loopbewegingen. Ook gelden er geen eisen voor de PM1 ,concentratie. Er is nog te weinig wetenschappelijk onderzoek beschikbaar (te weinig bekend over dosis effect relatie PM1 concentratie – gezondheidseffecten) om concrete eisen te stellen t.a.v. PM1, grenswaarden.
Ten aanzien van de indoor / outdoor ratio berekening geldt het volgende: als tijdens een tijdvak de buitenconcentratie ≤ 5 µg/m3 neem dan voor de berekening aan dat de buitenconcentratie op dat moment 5 µg/m3 was.
Voor klasse B geldt dat de genoemde eisen normaliter kunnen worden behaald door filters toe te passen met een minimale kwaliteit van: • ePM1 ≥ 50% bij ODA1 • ePM1 ≥ 70% bij ODA2 • ePM1 ≥ 80% bij ODA3 (Gebaseerd op ISO1689 en de EN16798-3 en conform Binnenklimaat Nederland rapportage (2019) specificatie luchtfilters voor luchtbehandelingssytemen)
Klasse C VOLDOENDE
Voor klasse A geldt dat de genoemde eisen normaliter kunnen worden behaald door filters toe te passen met een minimale kwaliteit van: • ePM1 ≥ 70% bij ODA1 • ePM1 ≥ 80% bij ODA2 • ePM1 ≥ 90% bij ODA3 (Gebaseerd op ISO1689 en de EN16798-3 en conform Binnenklimaat Nederland rapportage (2019) specificatie luchtfilters voor luchtbehandelingssytemen) Wil men bewijzen dat aan de eisen voldaan wordt dan dient met minimaal 1 week aaneengesloten te meten; gedurende de meetperiode is het zo dat: i. de PM2,5 buitenconcentratie minimaal 4 uur < 5 microgram/m3 is, en: ii deze minimaal 4 uur > 20 microgram/m3 bedraagt. Is na één week meten niet aan beide voorwaarden voldaan dan zal men langer moeten meten tot alsnog sprake is geweest van genoemde ‘gunstige’ buitenmeetcondities. De PM2,5 metingen dienen uitgevoerd te worden in lijn met de bepalingen over de meetstrategie in het Binnenklimaat Nederland meetprotocol fijnstof bepaling Kantoren (2015).
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor hygiëne ventilatiesysteem.
Er zijn geen klasse C eisen
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De stofdepositie in luchtkanalen en in andere componenten & appendages die deel uitmaken van een eventueel aanwezig mechanisch ventilatiesysteem is dusdanig dat voldaan aan de reinheidseisen uit het LUKA handboek, specifiek luchtreinheidsklasse M (midden).
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De stofdepositie in luchtkanalen en in andere componenten & appendages die deel uitmaken van een eventueel aanwezig mechanisch ventilatiesysteem is dusdanig dat voldaan aan de reinheidseisen uit het LUKA handboek, specifiek luchtreinheidsklasse H (hoog).
Luchttoevoerkanalen en luchtbehandelingskasten moeten zo rein mogelijk worden gehouden tijdens de uitvoeringsfase. Zorg o.a. dat luchtkanalen afgedopt aangeleverd worden.
Luchttoevoerkanalen en luchtbehandelingskasten moeten zo rein mogelijk worden gehouden tijdens de uitvoeringsfase. Zorg o.a. dat luchtkanalen afgedopt aangeleverd worden.
Verder dienen de luchtbehandelingskasten, luchtkanalen en andere ventilatiesysteemcomponente n uitgevoerd en onderhouden te worden in lijn met de bepalingen uit het Binnenklimaat Nederland bestek Onderhoud & Beheer Luchtbehandelingssystemen Kantoor.
Verder dienen de luchtbehandelingskasten, luchtkanalen en andere ventilatiesysteemcomponente n uitgevoerd en onderhouden te worden in lijn met de bepalingen uit het Binnenklimaat Nederland bestek Onderhoud & Beheer Luchtbehandelingssystemen Kantoor.
Eventueel aanwezige centrale recirculatiekleppen en warmtewielen staan zo afgesteld dat recirculatie op
De eventuele aanwezige centrale installatie voor warmteterugwinning is zo vormgegeven en wordt zo
Pagina 22 van 61
gebouwniveau oftewel opnieuw inbrengen van verontreinigde retourlucht tijdens gebruikstijd zo goed als uitgesloten is (met maximaal 5% kortsluiting van retourlucht).
geregeld en onderhouden dat centrale recirculatie wordt vermeden (100% scheiding tussen retour en toevoerlucht, ook ’s nachts). Dit betekent dat er bijvoorbeeld een twincoil systeem, platenwisselaar of goed ingesteld warmtewiel toegepast kan worden.
Tabel 11: Hygiëne ventilatiesysteem
Bij kwaliteitsklasse B geldt dat decentrale recirculatie op kamerniveau (denk bv. aan een plafondinductiesysteem of split-units) wel is toegestaan.
op een dusdanige wijze in contact staan met de binnenlucht dat blootstelling aan een verhoogde concentratie aan asbestvezels mogelijk is. Tabel 13: Asbest
Indien onbekend is of wel of niet sprake is van asbesthoudende materialen in het gebouw zal een asbestinventarisatie uitgevoerd dienen te worden. Betreft een gebouw dat na 1995 is opgeleverd dan is een en ander niet nodig en kan er sowieso vanuit worden gegaan dat er geen asbest aanwezig is.
Bij kwaliteitsklasse A geldt dat ook systemen die werken met decentrale recirculatie worden vermeden.
Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse C’ voor legionella.
Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse C’ voor tabaksrook.
Klasse C VOLDOENDE
Klasse C VOLDOENDE In het gebouw wordt niet gerookt (ook niet in rookruimten) en dit is zichtbaar aangegeven. Roken is tevens verboden bv. bij de ingang en op het omliggende terrein.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Gelijk aan klasse C
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Gelijk aan klasse C
5.2. Thermisch binnenklimaat 5.2.1 Gebruikerseisen
Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor asbest.
In het gebouw zijn geen asbesthoudende materialen aanwezig die in een dusdanige staat zijn c.q. die
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B n.v.t.
Tabel 14: Legionella
Tabel 12: Tabaksrook
Klasse C VOLDOENDE
Installaties voor warm en koud tapwater zijn uitgevoerd & worden beheerd conform de bepalingen in ISSO-publicatie 55.1, 55.2 en 55.3 (Legionellabestrijding).
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C n.v.t.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C In het gebouw zijn geen asbesthoudende materialen aanwezig.
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Gelijk aan klasse B
Het binnenklimaat wordt door de mensen in het gebouw verschillend beleefd. De ene persoon kan zich bijvoorbeeld prettiger voelen bij een bepaalde temperatuur dan de andere. Om aan zoveel mogelijk mensen tegemoet te komen worden ten aanzien van het binnenklimaat een aantal minimum- en maximumeisen gesteld, waarbinnen mensen zich prettig voelen. Daarbij waarderen de gebruikers het binnenklimaat beter als zij daar zelf invloed op uit kunnen oefenen, zoals het kunnen openen van een raam of het individueel (bij)regelen van de luchttemperatuur in het vertrek. Voorwaarde hierbij is wel dat de reactietijd beperkt dient te zijn.
Pagina 23 van 61
5.2.2 Klimaat technische eisen Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor het wintercomfort.
Klasse C VOLDOENDE De operatieve temperatuur in de leefzone (combinatie van de luchttemperatuur en stralingstemperatuur) bedraagt in het stookseizoen minimaal 19 °C.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De operatieve temperatuur in de leefzone (combinatie van de luchttemperatuur en stralingstemperatuur) bedraagt in het stookseizoen minimaal 20 °C.
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De operatieve temperatuur in de leefzone (combinatie van de luchttemperatuur en stralingstemperatuur) bedraagt in het stookseizoen minimaal 21 °C.
Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen op vertrekniveau handmatig na te regelen met minimaal +/- 2 °C rond een standaardsetpoint van 21 °C.
Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen op vertrekniveau handmatig na te regelen met minimaal +/- 2 °C rond een standaardsetpoint van 21 °C.
Bovengenoemde eis betreffende handmatige naregeling van de temperatuur is met voldoende 'snelheid' te beïnvloeden: temperatuureffect minimaal 1 °C per half uur na verstelling.
Bovengenoemde eis betreffende handmatige naregeling van de temperatuur is met voldoende 'snelheid' te beïnvloeden: temperatuureffect minimaal 1 °C per half uur na verstelling. Daar waar sprake is van open kantoorruimten met meer dan 10 werkplekken is handmatige naregeling mogelijk m.b.v. een microklimatiseringssysteem (denk bv. aan verwarmde stoel, een verwarmingsmatje of stralingspaneel onder het bureau of een in het bureaublad geïntegreerd verwarmingssysteem).
De operatieve temperatuur betreft het gemiddelde van de luchttemperatuur en de gemiddelde stralingstemperatuur. Indien sprake is van werkplekken die op 1,5 m of meer van de gevel af geplaatst zijn en goede geïsoleerde gevels, vloeren en daken (niveau Bouwbesluit 2012 of beter) dan kan men de aanname doen dat de operatieve temperatuur gelijk is aan de luchttemperatuur gemeten ter plaatse van de werkplekken. De operatieve temperatuur wordt vastgesteld conform de bepalingen in NEN-EN-ISO 7726 en NEN-EN-ISO 7730. Bovengenoemde eisen voor de binnentemperatuur zijn van toepassing tenzij de daggemiddelde buitentemperatuur lager is dan -5°C. Met ‘daggemiddelde buitentemperatuur’ wordt hier bedoeld: (dagmaximum + dagminimum) / 2. De leefzone is het gedeelte van een verblijfsgebied gelegen binnen 0,6 m van een uitwendige scheidingsconstructie, binnen 0,2 m van een inwendige scheidingsconstructie tot 1,8 m boven de vloer. Bij kwaliteitsklasse B en C geldt dat er een robuuste mogelijkheid is om de temperatuur handmatig na te regelen; bij voorkeur via een logische bediening die eenvoudig te bereiken is en goed in het zicht geplaatst is. De temperatuursensor in de bedienunit heeft een aantoonbare nauwkeurigheid van +/1°C. De temperatuur mag bij aanwarmbedrijf en/of verstellen van het temperatuursetpoint niet meer dan 2°C boven de gewenste en ingestelde setpoint komen.
Tabel 15: Wintercomfort
De operatieve temperatuur wordt vastgesteld conform de bepalingen in NEN-EN-ISO 7726 en NEN-EN-ISO 7730.
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Pagina 24 van 61
Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor het zomercomfort voor gebouwen met actieve koeling (‘alpha-gebouwen’).
Klasse C VOLDOENDE De operatieve temperatuur binnen voldoet aan de klasse C adaptieve bovengrenzen voor alpha-gebouwen zoals beschreven in ISSO 74 (2014). Voorwaarde hierbij is dat het gebouw is voorzien van te openen delen (minimaal 1 per gevelstramien van 3,6 m) terwijl er wordt afgezien van een (te) strikt kledingprotocol.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De operatieve temperatuur binnen voldoet aan de klasse B adaptieve bovengrenzen voor alpha-gebouwen zoals beschreven in ISSO 74 (2014). Voorwaarde hierbij is dat het gebouw is voorzien van te openen delen (minimaal 1 per gevelstramien van 3,6 m) terwijl er wordt afgezien van een (te) strikt kledingprotocol. Er is voorzien in mogelijkheden voor indirecte handmatige naregeling van de temperatuur in de zomer.
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De operatieve temperatuur binnen voldoet aan de klasse B adaptieve bovengrenzen voor alpha-gebouwen zoals beschreven in ISSO 74 (2014). Voorwaarde hierbij is dat het gebouw is voorzien van te openen delen (minimaal 1 per gevelstramien van 3,6 m) terwijl er wordt afgezien van een (te) strikt kledingprotocol. Er is voorzien in aanvullende mogelijkheden voor indirecte handmatige naregeling van de temperatuur in de zomer (los van via het gebruik van de te openen ramen); denk aan buitenzonwering die handmatig ingesteld / overruled kan worden en/of aan voorzieningen waarmee plaatselijk, tijdelijk een verhoging van de luchtsnelheid is te realiseren (bv. tafelventilatoren of plafondventilatoren).
Tabel 16: Zomercomfort ‘alpha-gebouwen’
Kies voor de eisen ‘zomer comfort gebouwen met actieve koeling’ indien voorzien is in actieve koeling zoals koelinductieunits, koelplafonds en splitunits. Kies voor de eisen ‘zomercomfort met passieve koeling’ indien er geen actieve (zichtbare) koeling aanwezig is maar wel voorzien is in te openen ramen; betonkernactivering kan hierbij overigens tot de categorie passieve koeling gerekend worden (onderscheid in overeenstemming met ISSO 74).
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Voor klasse C geldt dat indien er sprake is van een inschatting van het oververhittingsrisico op basis van een temperatuuroverschrijdingsberekening dan dient, met het oog op klimaatverandering, gerekend te worden met referentiejaar NEN 5060-1% 2018. In uitzonderlijke gevallen kan afgesproken worden om met het referentiejaar NEN5060-5% 2018 te rekenen. Hierbij dient er rekening mee gehouden te worden dat als voor het jaar NEN5060-5% 2018 gekozen wordt het aantal uren per jaar dat het in de praktijk warm is flink hoger zal liggen. Voor klasse A geldt dat indien er sprake is van een inschatting van het oververhittingsrisico op basis van een temperatuuroverschrijdingsberekening dan dient, met het oog op klimaatverandering, gerekend te worden met referentiejaar NEN 5060-1% 2018. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor de thermische isolatie gebouwschil.
Klasse C VOLDOENDE Dichte delen Ramen en deuren
Rc,vloer ≥ 3,5 m²K/W Rc,gevel ≥ 4,5 m²K/W Rc,dak ≥ 6,0 m²K/W Uw,max ≤ 2,20 W/m² Uw,gem ≤ 1,65 W/m²
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Rc,vloer ≥ 4,5 m²K/W Rc,gevel ≥ 5,0 m²K/W Rc,dak ≥ 7,0 m²K/W Uw,max ≤ 1,65 W/m² Uw,gem ≤ 1,20 W/m²
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Rc,vloer ≥ 6,5 m²K/W Rc,gevel ≥ 6,5 m²K/W Rc,dak ≥ 8,0 m²K/W Uw,max ≤ 1,20 W/m² Uw,gem ≤ 0,80 W/m²
Tabel 17: Thermische isolatie gebouwschil
De warmteweerstand van de gebouwschil moet zodanig zijn dat warmteverliezen in de winterperiode worden beperkt, zonder dat in de zomerperiode te veel warmte wordt vastgehouden. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor tocht.
Klasse C VOLDOENDE De combinatie van luchtsnelheid,
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De combinatie van luchtsnelheid,
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Gelijk aan klasse B
Pagina 25 van 61
luchttemperatuur en turbulentie-intensiteit is dusdanig dat een DR-index (Draught Rate) van maximaal 30% gegarandeerd is.
luchttemperatuur en turbulentie-intensiteit is dusdanig dat een DR-index (Draught Rate) van maximaal 20% gegarandeerd is.
Tabel 18: Tocht
De DR-index (Draught Rate) staat voor het verwachte percentage ontevredenen ten gevolge van tocht bij gesloten deuren en ramen. De genoemde tochthinder parameters worden vastgesteld conform de bepalingen in NEN-EN-ISO 7726. Het tochtrisico wordt bepaald op nekhoogte bij zitten (1,1 m) en enkelhoogte (0,1 m), e.e.a. met gesloten ramen en deuren en in de leefzone (zoals gedefinieerd in de toelichting bij wintercomfort). Indien sprake is van verhoogde luchtsnelheden die veroorzaakt zijn door acties van gebouwgebruikers (denk aan de inzet van ventilatoren e.d.) dan spreekt men van een 'bries-effect' en gelden de genoemde tochteisen niet. Bij kwaliteitsniveau klasse C De genoemde DR 30% eis komt bij normale wintertemperaturen binnen overeen met een maximale luchtsnelheid van 0,20 m/s; in het tussenseizoen is dit max. 0,25 m/s en in de zomer max. 0,30 m/s. Uitgaande van een luchttemperatuur van resp. 20, 23 en 26 °C en een turbulentie-intensiteit van 40 à 60%. Bij kwaliteitsniveau klasse B en A; de genoemde DR 20% eis komt bij normale wintertemperaturen binnen overeen met een maximale luchtsnelheid van 0,15 m/s; in het tussenseizoen is dit max. 0,20 m/s en in de zomer max. 0,25 m/s. Uitgaande van een luchttemperatuur van resp. 20, 23 en 26 °C en een turbulentie-intensiteit van 40 à 60%. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor de lokale behaaglijkheid (overig).
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Klasse C VOLDOENDE Vloeren zijn dusdanig geïsoleerd, afgewerkt en/of verwarmd dat de vloertemperatuur minimaal 17 °C is.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C Vloeren zijn dusdanig geïsoleerd, afgewerkt en/of verwarmd dat de vloertemperatuur minimaal 19 °C is.
De verticale temperatuurgradiënt (verschil tussen luchttemperatuur op nek- en enkelhoogte) is < 4 K/m.
De verticale temperatuurgradiënt is < 3 K/m.
De stralingstemperatuurasymmetrie (verschil in stralingstemperatuur tegenoverliggende vlakken) is: - bij een verwarmd plafond (bv klimaatplafond, betonkernactivering) < 7 K; - bij een koude wand / raam < 13 K; - bij een gekoeld plafond (bv klimaatplafond, betonkernactivering) < 18 K; - bij een verwarmde wand / aangestraald geveldeel < 35 K.
De stralingstemperatuurasymmetrie (verschil in stralingstemperatuur tegenoverliggende vlakken) is: - bij een verwarmd plafond (bv klimaatplafond, bka) < 5 K; - bij een koude wand / raam < 10 K; - bij een gekoeld plafond (bv klimaatplafond, bka) < 14 K; - bij een verwarmde wand / aangestraald geveldeel < 23 K.
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B Gelijk aan klasse B
Tabel 19: Lokale behaaglijkheid (overig)
Lokaal thermisch (dis)comfort wordt vastgesteld conform de bepalingen in NEN-ENISO 7726 en NEN-EN-ISO 7730. De verticale temperatuurgradiënt wordt bepaald op respectievelijk nekhoogte bij zitten (1,1 m) en enkelhoogte (0,1 m), e.e.a. met gesloten ramen en deuren en in de leefzone (zoals gedefinieerd in de toelichting bij wintercomfort).
Pagina 26 van 61
5.3. Geluidstechnische gebouweigenschappen 5.3.1 Gebruikerseisen Geluidshinder waarbij verstoring van de concentratie optreedt, mag niet voorkomen. Geluid vanuit een bepaalde ruimte mag geen overlast veroorzaken in een andere ruimte. Binnen alle zelfde ruimten moet tevens de spraakverstaanbaarheid gewaarborgd zijn. Daarbij mogen collega’s in eenzelfde kantoorruimte geen last hebben van elkaar. De geluiden van andere collega’s in dezelfde open ruimte mogen daarom alleen op de achtergrond hoorbaar zijn. Collega’s mogen elkaar wel horen, maar het weerkaatsend geluid moet minimaal zijn. De wanden, vloeren en plafonds moeten daarbij voor voldoende demping zorgen. Een goede toepassing van geluidisolatie en beheersing van de akoestiek zijn in een open en transparante werkomgeving van groot belang. Onderstaande eisen ten aanzien van geluid dienen daarom te worden nagestreefd. Voor de geluidsnormen wordt de NEN 5077 en de ‘NPR 3438 - Geluidhinder op de arbeidsplaats’ gehanteerd.
5.3.2 Geluidstechnische eisen Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor de geluidwering van de gevel.
Klasse C VOLDOENDE De geluidwering van de gevel (GA;k) is gelijk aan het verschil tussen de geluidbelasting op de gevel en 40 dB met een minimum van 20 dB.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De geluidwering van de gevel (GA;k) is gelijk aan het verschil tussen de geluidbelasting op de gevel en 35 dB met een minimum van 25 dB.
Klasse A ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De geluidwering van de gevel (GA;k) is gelijk aan het verschil tussen de geluidbelasting op de gevel en 30 dB met een minimum van 25 dB.
Tabel 20: Geluidwering van de gevel
De geluidwering van de gevel dient te worden bepaald conform de bepalingen in NEN 5077. De geluidwering dient te worden bepaald bij gesloten ramen, uitgaande van de beoogde hoeveelheid luchtverversing. Voor de geluidbelasting wordt uitgegaan van de werkelijke (gecumuleerde) geluidbelasting afkomstig van alle relevante bronnen buiten (verkeer, industrie e.d.). Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse A’ voor de lucht- en contactgeluidisolatie van wanden en vloeren. Voor de raadszaal gelden andere geluidstechnische eisen. Deze zullen door het ontwerpteam (bouwfysisch adviseur) verder uitgewerkt worden.
De luchtgeluidisolatie (DnT;A) tussen verblijfsruimten onderling bedraagt ten minste 39 dB.
Kwaliteitsniveau Klasse B GOED extra t.o.v. klasse C De luchtgeluidisolatie (DnT;A) tussen verblijfsruimten onderling bedraagt ten minste 42 dB.
Klasse A1 ZEER GOED extra t.o.v. klasse B De luchtgeluidisolatie (DnT;A) tussen verblijfsruimten onderling bedraagt ten minste 45 dB.
De luchtgeluidisolatie (DnT;A) van een open kantoor naar verblijfsruimte bedraagt ten minste 27 dB. Dit geldt mede rekening houdend met een eventuele deur.
De luchtgeluidisolatie (DnT;A) van een open kantoor naar verblijfsruimte bedraagt ten minste 33 dB. Dit geldt mede rekening houdend met een eventuele deur.
De luchtgeluidisolatie (DnT;A) van een open kantoor naar verblijfsruimte bedraagt ten minste 33 dB. Dit geldt mede rekening houdend met een eventuele deur.
De luchtgeluidisolatie (DnT;A) van een verblijfsruimte naar een verkeersgebied bedraagt ten minste 27 dB. Dit geldt mede rekening houdend met een eventuele deur.
De luchtgeluidisolatie (DnT;A) van een verblijfsruimte naar een verkeersgebied bedraagt ten minste 33 dB. Dit geldt mede rekening houdend met een eventuele deur.
De luchtgeluidisolatie (DnT;A) van een verblijfsruimte naar een verkeersgebied bedraagt ten minste 33 dB. Dit geldt mede rekening houdend met een eventuele deur.
De contactgeluidisolatie (LnT;A) tussen naast elkaar gelegen en boven elkaar gelegen verblijfsruimten
De contactgeluidisolatie (LnT;A) tussen naast elkaar gelegen en boven elkaar gelegen verblijfsruimten
De contactgeluidisolatie (LnT;A) tussen naast elkaar gelegen en boven elkaar gelegen verblijfsruimten
Klasse C VOLDOENDE
1 Afhankelijk van de positie van de MER/SER ruimte gelden zwaardere eisen deze worden
in de ontwerpfase bepaald door het ontwerpteam.
Referentie: 1614806-0086.3.0.
Pagina 27 van 61
en verkeersgebieden bedraagt ten hoogste 57 dB.
en verkeersgebieden bedraagt ten hoogste 57 dB.
en verkeersgebieden bedraagt ten hoogste 57 dB.
In de praktijk resulteren de klasse C geluidisolatie-eisen in een redelijke speechprivacy (geluid in het buurvertrek hoorbaar maar niet verstaanbaar bij normaal stemvolume).
In de praktijk resulteren de klasse B geluidisolatie-eisen in een verhoogde speechprivacy (geluid onhoorbaar bij normaal stemvolume).
In de praktijk resulteren de klasse A geluidisolatie-eisen in een hoge speechprivacy (geluid onhoorbaar bij normaal en verhoogd stemvolume).
Tabel 21: Lucht- en contactgeluidisolatie van wanden en vloeren
Bij kwaliteitsklasse C geldt dat het gewogen luchtgeluiddrukniveauverschil DnT;A en het gewogen contactgeluiddrukniveau LnT;A dient te worden bepaald conform de bepalingen in de NEN 5077. Bij kwaliteitsklasse B geldt het gewogen luchtgeluiddrukniveauverschil DnT;A en het gewogen contactgeluiddrukniveau LnT;A dient te worden bepaald conform de bepalingen in de NEN 5077. Let bij lichtgewichtvloeren (zoals staalbetonplaten en clt) ook op laagfrequent geluid.
klasse B eis aldaar bedraagt 40 dB in plaats van de hier boven genoemde 35 dB.
klasse A eis aldaar bedraagt 35 dB in plaats van de hier boven genoemde 30 dB.
Tabel 22: Installatiegeluid
Het karakteristiek installatiegeluid- niveau LI;A dient te worden bepaald conform de bepalingen in NEN 5077. Let bij lichtgewichtconstructies ook op laagfrequent geluid. Onder installaties wordt in deze context o.a. verstaan: installaties voor luchtverversing, installaties voor verwarming en koeling, installaties voor warmte- en koudeopwekking. Voor de nieuwbouw geldt kwaliteitsniveau ‘Klasse B’ voor geluid apparatuur.