CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b: TAM-omgevingsplan Noordse Weide Stolwijk, motivering en regels

Raadsvergadering 2 juni 2026, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) TAM-omgevingsplan Noordse Weide, Stolwijk32.491 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Motivering

51

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

5.3

Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Waterschapsverordening van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten, leggers en andere documenten. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2.

Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Waterschapsverordening en legger In de waterschapsverordening staan regels over activiteiten op of bij dijken, sloten, grondwater en wegen binnen het beheersgebied van een waterschap. De regels zijn bedoeld om het watersysteembeheer goed te kunnen uitvoeren. Daarnaast heeft het waterschap een leggerkaart, waarop de afmetingen en de vorm van sloten en dijken staan. Op de kaart staat ook wie er verantwoordelijk is voor het onderhoud. Schieland en de Krimpenerwaard heeft afzonderlijke leggers voor sloten en dijken.

Waterberging (Beleidsregel Aanbrengen verhard oppervlak 2024) Het waterbergingsbeleid bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect is de versnelde afvoer van neerslag. Het beleid beschrijft op welke wijze het effect van ruimtelijke ontwikkelingen op de waterberging wordt bepaald en hoe ongewenste gevolgen van deze ontwikkelingen kunnen worden gecompenseerd. HHSK maakt onderscheid in drie typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m². 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak. 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak De compensatie eis wordt door HHSK berekend. HHSK beschrijft in het beleid onder andere de volgende toetsingscriteria: Aanvullende waterberging ter compensatie van verhardingstoename dient voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding te worden gerealiseerd; Waterberging moet algemeen en te allen tijde beschikbaar zijn; De waterberging moet in hetzelfde peilgebied op zo'n kort mogelijke afstand van de ontwikkeling worden gerealiseerd. Alleen wanneer dit niet mogelijk is kan in overleg een andere benedenstroomse locatie overwogen worden.

52

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Middelgrote plannen Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Dit levert voor de ontwikkelaar van het plan een compensatie-eis op, uitgedrukt in m² wateroppervlak. Dit is een percentage van de verhardingstoename. De compensatie-eis verschilt per gebied.

5.4

Waterhuishouding

Watersysteem Sinds de isolatie van de kern Stolwijk kan het veenweidegebied ten noordoosten van Stolwijk alleen nog via de onderdoorgang van de N207 ter hoogte van de Lansing afvoeren. Dit is een kleine onderdoorgang. Bij uitwerking van de plannen dient rekening te worden gehouden met de afwatering van het achterliggend gebied (tussen Bovenkerkseweg, Bergvliet en Bilwijkerweg). Het plangebied maakt onderdeel uit van twee peilgebieden. Dat betreft het vaste waterpeil van het stedelijk gebied van Stolwijk, dat een peil heeft van -2,18 NAP, en het waterpeil van het buitengebied dat een fluctuerend waterpeil heeft tussen de -2,25 en -2,20 NAP. Hogere waterpeilen kunnen het oxidatiedeel van bodemdaling beperken. Het zettingendeel wordt niet beperkt door ophoging. In figuur 13 zijn de peilgebieden aangeduid. Door het plangebied te betrekken bij het stedelijk gebied van Stolwijk met het vaste waterpeil wordt voorkomen dat er in de toekomst forse zettingen optreden.

Figuur 13: Plankaart met peilgebieden. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in een kern- en/of beschermingszone van een regionale waterkering, zoals opgenomen op de Legger Waterkeringen van het Hoogheemraadschap. Bij gebiedsontwikkelingen in de Krimpenerwaard moet worden uitgegaan van het principe van meerlaagse veiligheid. De landelijke maatlat en het convenant klimaat adaptief bouwen geven handvatten voor bouweisen. Bij uitwerking van bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

Motivering

53

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Oppervlaktewateren Aan de noordzijde van het plangebied ligt primair oppervlaktewater met een beschermingszone van 5 meter. Aan de oost-, west- en zuidzijde van het plangebied ligt overig oppervlaktewater met een beschermingszone van 1 meter vanaf de insteek van het talud. Verder ligt er in het plangebied een overige watergang (figuur 14). In de beschermingszones van het primaire en overige oppervlaktewater vindt geen bebouwing plaats. De watergangen blijven in de nieuwe situatie behouden. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

Figuur 14: Uitsnede vigerende Legger Watersystemen 2023. Plangebied blauw omkaderd. Meerlaagse veiligheid De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaateffectatlas blijkt dat voor het plangebied de kans op overstromingen klein is. Bij een overstroming vanuit de primaire kering van de Lek (rivier gedomineerd) kan de waterdiepte ter plaatse oplopen tot 3,2 m. De beoogde woongebouwen in het plangebied betreffen grondgebonden en gestapelde woningen die minimaal uit één tot twee bouwlagen met een kap of vier tot vijf bouwlagen bestaan. Met deze hoogten (inclusief de ophoging van het maaiveld) is er bij elk gebouw de mogelijkheid voor personen om zich in veiligheid te brengen. Bij het ontwerp wordt, waar mogelijk, rekening met mogelijkheid tot vluchten/evacuatie via dakramen. Bij woningen die geen tweede verdieping hebben kunnen vluchten naar de appartementen die binnen dit plangebied gerealiseerd worden. Bewoners van appartementen kunnen via brandtrappen vluchten/ evacueren naar hoger gelegen verdiepingen. Het is voor het thema meerlaagse veiligheid bij overstromingen, gelet op de kans en de effecten, niet doelmatig en noodzakelijk om extra maatregelen te treffen.

Waterkwaliteit Op basis van de Europese kaderrichtlijn mag e waterkwaliteit in het plangebied er niet op achteruit gaan. Bij uitwerking van het plan zal daarbij aandacht zijn voor:

54

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

voldoende waterbreedte en diepte van de verschillende watergangen in het plangebied; kunstwerken (duikers/bruggen, e.d.) dienen voldoende breed, diep en hoog genoeg te zijn waardoor zij geen obstakel vormen voor de doorstroming van het water; watergangen worden waar mogelijk voorzien van natuurvriendelijke oevers; afstroming van vervuild water (zoals bijvoorbeeld van wegen, parkeerplaatsen en (honden-) uitlaatplaatsen) wordt voorkomen; bomen worden zodanig gepositioneerd dat zoveel als mogelijk rekening wordt gehouden met het voorkomen van bladval in de watergangen. Beschrijving waterkwantiteit In de bestaande situatie is het perceel bestemd weidegebied. Het plangebied wordt getransformeerd naar een woongebied met ca. 95 woningen met bijbehorende groenvoorzieningen en ontsluitingswegen. De bestaande watergangen blijven behouden. Het verhard oppervlak neemt toe met 9.416 m² zoals opgenomen in tabel 5.1. Voor de extra waterbergingsbehoefte moet op basis van het peil in de kern Stolwijk rekening worden gehouden met 7% verhardingscompensatie. Dit betekent dat op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap 659 m² watercompensatie nodig is. Daarboven dient te dempen water voor 100% te worden gecompenseerd.

Het compensatiewater wordt gerealiseerd middels het graven van een brede waterpartij aan de zuidkant van het plangebied en verbreding van sloten aan de westzijde van het plangebied. Hiervoor zal tijdig een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap. Tabel 5.1: Waterbalans plangebied.

Motivering

55

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Hoofdwatergang aan noordzijde van plangebied.

Overige watergang naast Bilwijkerweg.

Overige watergang in plangebied.

Overige watergang aan zuidzijde van plangebied.

Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op een nieuw aan te leggen gemeentelijke riolering met één dan wel meerdere pompgemalen overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de woningen wordt op oppervlaktewater geloosd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. 5.4.1 Wateradvies Over de planontwikkeling heeft vooroverleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap. Het definitieve wateradvies wordt verwerkt, nadat het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard een vooroverlegreactie heeft gegeven. 5.4.2 Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen heeft deze planontwikkeling geen nadelige gevolgen. Daarmee voldoet de ruimtelijke ontwikkeling aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat.

56

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Hoofdstuk 6

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

De beleidsvelden milieu en fysieke leefomgeving groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en de fysieke leefomgeving. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de fysieke omgevingsaspecten en het milieu die een rol spelen bij beoogde planontwikkeling. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van de fysieke leefomgeving van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn Milieueffectrapportage, Activiteiten en milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit, Omgevingsveiligheid en Gezondheid. 6.1.1 Milieueffectrapportage Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er wordt niet meer getoetst aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval moeten nagaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. Onderzoek/ beoordeling Dit TAM-omgevingsplan maakt 94 woningen mogelijk op gronden die nu zijn bestemd voor agrarische doeleinden (weiland).

De ontwikkeling valt niet onder 'plannen en programma's' zoals genoemd in de richtlijn in artikel 2 van de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn in 1 lijst zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog 2 lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit). Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten is het volgende opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Tabel 6.1: Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Projecten Gevallen waarin de Gevallen waarin de Besluiten als mer-plicht geldt mer-beoordelingsplicht bedoeld in artikel (artikel 16.43, eerste geldt (artikel 16.43, 11.6, derde lid, lid, aanhef en onder eerste lid, aanhef en onder c, van het a, van de onder b, van de Omgevingsbesluit Omgevingswet) Omgevingswet) J11 Stedelijk Niet van toepassing Aanleg, wijziging of Het omgevingsplan ontwikkelingsproject uitbreiding met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

De ontwikkeling valt niet onder 'plannen en programma's' zoals genoemd in de richtlijn in artikel 2 van de SMB-richtlijn. Er is geen milieueffectrapport nodig, omdat de vervolgfunctie volgens de Omgevingswet

Motivering

57

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling, zoals dat is aangetoond in de Plan-mer-beoordeling Noordse Weide. Conclusie Op basis van de in Bijlage 3 opgenomen Plan-mer-beoordeling Noordse Weide kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet noodzakelijk. Gelet op het “nee, tenzij” principe kan daarom worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport. 6.1.2 Activiteiten en milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid en geur. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Bedrijfsactiviteiten moeten worden getoetst aan het Besluit activiteiten leefomgeving. De Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 (VNG) geeft daarnaast richtafstanden voor de ruimtelijke inpasbaarheid van nieuwe initiatieven, per type bedrijvigheid, voor geur en geluid. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.

De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot 3 groepen met bijbehorende aanpak, namelijk: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bedrijven Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen De richtafstanden in Activiteiten en milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals woningen. De richtafstanden in de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering zijn geclassificeerd in zones voor geluid en geur. In tabel 6.2 zijn de richtafstanden uit de VNG-richtlijn opgenomen. De afstanden gelden voor rustige woonwijken en rustige buitengebieden. Indien sprake is van gemengd gebied dan mag de richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. Tabel 6.2: Richtafstanden volgens VNG-richtlijn. Zone geluid Zone geur FM* FM* 1 1 2 2 3 3 4 4 * FM: Geschikt voor Functiemenging.

Minimale afstand (meter) 10 30 50 100 200

Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt aan de Bilwijkerweg ten noorden van de woonkern van Stolwijk. Aan de oostzijde ligt een rioolwaterzuivering van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Voor het overige liggen er in de nabijheid weilanden. Sprake is van een gemengd buitengebied in verband met de aanwezigheid van de rioolzuiveringsinstallatie. Uit inventarisatie (tabel 6.3) is gebleken dat er (binnen een zone van 100 meter) één milieubelastende activiteit relevant is. Tabel 6.3: Overzicht milieubelastende activiteiten. Globale locatie Bedrijfsnaam Richtafstand t.o.v. gemengd gebied Bilwijkerweg 8a, Rioolwaterzuiverings- 100 m Stolwijk installatie van HHSK (milieucategorie 4.1)

58

Feitelijke afstand 100 m

Nader onderzoek ja

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Rioolwaterzuiveringsinstallatie Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft aan de Bilwijkerweg 8a een rioolzuiveringsinstallatie in gebruik. Voor gemengd gebied dient voor het onderdeel geur rekening te worden gehouden met een richtafstand van 100 meter. Voor geluid is dat 50 meter, voor stof en gevaar 10 meter. Het onderdeel geur is relevant. In verband hiermede is een geuronderzoek uitgevoerd door Olfasense B.V. Geuronderzoek Olfasense B.V. heeft in opdracht van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard een geuronderzoek uitgevoerd bij rioolwaterzuiveringsinstallatie Stolwijk (verder RWZI Stolwijk) aan de Bilwijkerweg 8A te Stolwijk in verband met het voornemen om een aantal woningen te bouwen nabij de RWZI. Dit geuronderzoek is uitgevoerd om de invloed van de RWZI op de beoogde bouwlocatie in beeld te brengen. Het rapport van 26 maart 2024, rapportnummer HHSK24B1, is opgenomen in Bijlage 4. Uit de resultaten hiervan kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). De geursituatie van de RWZI is in beeld gebracht aan de hand van beschikbare emissiekengetallen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (die gebaseerd zijn op het STOWA-onderzoek in de jaren 90) en de gegevens ten aanzien van de grootte van de onderdelen uit het ontwerp van de huidige RWZI die zijn aangeleverd door de opdrachtgever.

Uit dit geuronderzoek blijkt dat op één van de drie toetspunten, de geurbelasting hoger is dan de gestelde geurnorm voor deze locatie. In de huidige situatie kan er in een deel van de beoogde nieuwbouwlocatie niet voldaan worden aan de geurnormen die gesteld zijn in artikel 5.100 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In figuur 15 zijn de geurcontouren van 0,5 en 1,0 ouE/m³ als 98-percentielwaarde als gevolg van de RWZI in Stolwijk in de huidige situatie weergegeven. Dit betekent dat woningbouw niet mogelijk is binnen een klein gedeelte van het plangebied waar de geurcontour van 0,5 ouE/m³ als 98-percentielwaarde overschrijdt.

Motivering

59

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Figuur 15 Geurcontouren van 0,5 en 1,0 ouE/m³ als 98-percentielwaarde als gevolg van de RWZI in Stolwijk in de huidige situatie. Conclusie geurrapport Uit de resultaten van het geuronderzoek valt af te leiden dat de richtafstanden voor gemengd gebied ten opzichte van nabijgelegen milieubelastende activiteiten in acht worden genomen wanneer er binnen de geurcontour van 0,5 ouE/m³ als 98-percentielwaarde geen woningbouw plaatsvindt. Met inachtneming hiervan is deze woningbouwontwikkeling vanuit het onderdeel geur mogelijk. Overige geurhinder De geplande ontwikkeling ligt niet in de nabijheid van een agrarisch bedrijf. Het dichtstbijzijnde bouwvlak van een agrarisch bedrijf ligt ten noorden van het plangebied aan de Bilwijkerweg 10 op 250 meter afstand. Een onderzoek naar (geur)hinder van dit agrarisch bedrijf is niet noodzakelijk. Drift van gewasbeschermingsmiddelen Voor wat betreft gewasbeschermingsmiddelen rondom open teelt is niet uit te sluiten dat bespuiting op nabijgelegen percelen gezondheidsrisico’s veroorzaakt bij omwonenden. In Nederland bestaat echter geen landelijke wet- of regelgeving die een minimale afstand voorschrijft tussen open teelt waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en woningen of andere gevoelige bestemmingen.

In de praktijk wordt bij fruitteelt vaak een afstand van 50 meter gehanteerd, maar deze norm is niet gebaseerd op gezondheidskundige inzichten, doch op jurisprudentie. Uit recente uitspraken van de Raad van State blijkt dat het lastig is om locatie-specifiek aan te tonen dat een kleinere afstand volstaat voor een goed woon- en leefklimaat; gangbare modellen zijn hiervoor door de hoogste bestuursrechter als onvoldoende deugdelijk beoordeeld. In zaken rond lelieteelt is het voorzorgbeginsel leidend geweest: ondanks

60

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

naleving van geldende regelgeving werd het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door de rechter niet toegestaan, vanwege het ontbreken van wetenschappelijke consensus over de gezondheidsrisico’s. De beschikbare onderzoeken geven geen direct bewijs voor gezondheidsschade door blootstelling aan bestrijdingsmiddelen, maar sluiten risico’s ook niet uit. Onzekerheden bestaan onder meer over de relevante blootstellingsroutes, de afstand waarbinnen blootstelling optreedt, en de effecten van cumulatieve blootstelling. Het GGD adviseert daarom, uit voorzorg, om de afstand tot open teelt zo groot mogelijk te houden. In de onderhavige plansituatie worden de omliggende gronden gebruikt voor veeteelt, waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Toetsing aan planontwikkeling De agrarische gronden aan de oost-, noord- en westzijde hebben in het omgevingsplan Krimpenerwaard (bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Hier zijn alleen reële grondgebonden graasdierbedrijven toegestaan, alsmede agrarisch aanverwant gebruik, zoals het beweiden van dieren, al dan niet in het kader van de agrarische bedrijfsvoering. Glastuinbouw, intensieve veehouderij, tuinbouw, sierteelt en bomenteelt zijn hier uitgesloten, omdat deze aanduiding hier niet op de verbeelding is opgenomen.

Verder is het op grond van artikel 3.6.1 van de regels van het omgevingsplan (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) verboden zonder omgevingsvergunning buiten het bouwvlak o.a. gronden te benutten ten behoeve van de teelt van ruwvoedergewassen. Voor de graslanden ten behoeve van het beweiden van graasdieren worden geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast, terwijl overige agrarische functies zijn uitgesloten. Dit betekent dat de huidige regeling toereikend om drift van gewasbeschermingsmiddelen tegen te gaan. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies en wordt voldaan aan de eisen voor een goed woonen leefklimaat. Lichthinder De geplande ontwikkeling betreft een gevoelige bestemming voor lichthinder. De ontwikkeling ligt niet in de buurt van een potentiële bron van lichthinder. Een onderzoek naar lichthinder is nodig noodzakelijk. Trilling Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op een locatie op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen.

De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. Er zijn in de omgeving van de planlocatie geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken zoals spoorlijnen. Er wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Uit inventarisatie is gebleken dat de bedrijfsvoering van in de nabijheid gelegen bedrijven door de woningbouwontwikkeling niet wordt beperkt wanneer er binnen de geurcontour van 0,5 ouE/m³ als 98-percentielwaard van de nabijgelegen rioolwaterzuivering geen woningbouw plaatsvindt. Met inachtneming hiervan is deze woningbouwontwikkeling mogelijk. In het verkavelingsplan wordt de geurcontour gerespecteerd en als zodanig vastgelegd op de verbeelding dat binnen de geurcontour geen woningen zijn toegestaan. Met inachtneming hiervan is er geen aanleiding om aan te nemen dat de functie Wonen in het plangebied milieuhygiënische en naar de omgeving zal opleveren. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen dit TAM-omgevingsplan.

Motivering

61

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

6.1.3 Geluid Wettelijk kader algemeen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 bruidsschat); Geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 bruidsschat); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 bruidsschat).

De instructieregels uit Afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. 6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen.

Het Bkl verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen het Bkl regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 3.22 van het Bkl is geluidsgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Onderzoek/ beoordeling Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een weg gelden, staan in tabel 6.4. Tabel 6.4: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl)

62

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Provinciale wegen en Rijkswegen Gemeentewegen en waterschapswegen

50 Lden

60 Lden

53 Lden

70 Lden

De relevante wegen in het geluidaandachtsgebied van het plangebied zijn meerdere gemeentewegen, een waterschapsweg en de Provincialeweg N207 (Schoonhovenseweg) In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe woningen. Het aanvaardbare woon- en leefklimaat moet door middel van akoestisch onderzoek worden aangetoond. Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de nieuwe standaardwaarde of minder. In verband hiermede is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Cauberg Huygen te Rotterdam (rapport van 11 november 2025, referentie 11968-61093-02v2, Bijlage 5). Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Omdat voor de Provinciale weg N207 (Schoonhovenseweg) nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld wordt deze weg, in overeenstemming met artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet volgens de oude Wet geluidhinder beoordeeld. Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai blijkt het volgende: Uit de berekeningen blijkt dat het optredende geluid vanwege de gemeentewegen maximaal 49 Lden bedraagt. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de standaardwaarde (53 Lden). Uit de berekeningen blijkt dat het optredende geluid vanwege de waterschapsweg (Bilwijkerweg) maximaal 61 Lden bedraagt.

Hiermee is sprake van een overschrijding van de standaardwaarde (53 Lden). Uit de berekeningen blijkt dat de optredende geluidbelasting vanwege de provinciale weg Schoonhovenseweg (N207) maximaal 48 dB bedraagt. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Het gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid is maximaal 61 Lden. Een snelheidsverlaging van 60 naar 30 km/uur op de Bilwijkerweg levert een aanzienlijke verbetering op. De verbetering leidt ertoe dat de standaardwaarde niet meer wordt overschreden. Alle bouwvlakken zijn geheel geluidluw. Als de bovenstaande wijziging niet wordt doorgevoerd wordt geadviseerd om een overschrijding van de standaardwaarde aan te vragen binnen het plangebied van de waterschapsweg (Bilwijkerweg) van 61 Lden. Hiervoor is dan een onderbouwing afgewogen hogere geluidswaarden nodig. De woningen voldoen hiermee aan het gemeentelijke geluidbeleid. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel verkeerslawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op het bepalen van het geluid zijn op grond van artikel 3.24, lid 5 van het Bkl de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds).

Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een spoorweg gelden, staan in tabel 6.5. Tabel 6.5: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) Geluidbronsoort (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Lokale spoorwegen en 55 Lden 70 Lden Hoofdspoorwegen

Motivering

63

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt niet in een geluidaandachtsgebied van een spoorlijn, zodat er vanuit dit oogpunt geen beperkingen zijn. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel spoorweglawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. In artikel 3.25 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het bepalen van geluid door industrieterreinen. Op het bepalen van het geluid zijn op grond van lid 4 de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een industrieterrein gelden, staan in tabel 6.6. Tabel 6.6: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen.

Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) Geluidbronsoort (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Industrieterreinen 50 Lden 55 Lden 40 Lnight 45 Lnight Onderzoek/ beoordeling Voor industrieterreinen geldt dat er binnen het geluidreferentiepunt in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in het Bkl. In de nabijheid van het plangebied als bedoeld in artikel 3.33 (geluidreferentiepunten voor industrieterreinen) liggen geen (gezoneerde) industrieterreinen met een geluidproductieplafond. Verder wordt rekening gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Er is voor de woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel industrielawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig en grondwatergevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4);

64

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijziging van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek/ beoordeling De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. In verband met de woningbouwontwikkeling heeft Waders Milieu te Waddinxveen een milieuhygiënisch bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd (rapport van 18 juni 2025, kenmerk 25409101A, Bijlage 6). Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden afgeleid. Conclusies uit rapport Bodemonderzoek In de geanalyseerde boven- en ondergrond(meng)monsters tot circa 1,5 m-mv, al dan niet met bijmengingen aan bodemvreemde bestanddelen, zijn ten hoogste lichte verontreinigingen met enkele zware metalen en PAK aangetoond.

De algemene bodemkwaliteit op de locatie is in voldoende mate vastgesteld alsook de bodemkwaliteit ter plaatse van de voormalige kade, de twee dammen, het brughoofd, de slootdempingen, de voormalige dam en de voormalige standplaats van het melklokaal. Het grondwater bevat licht verhoogde gehalten aan barium en naftaleen. Voor de overige onderzochte stoffen zijn in het grondwater geen verhoogde gehalten aangetoond. De licht verhoogde gehalten voor barium zijn waarschijnlijk van natuurlijke oorsprong (niet veroorzaakt door menselijk handelen). De oorzaak van de licht verhoogde gehalten aan naftaleen in het grondwater is onduidelijk: een (punt)bron is niet aanwijsbaar. Asbest in grond-/puinonderzoek Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het asbest in grond-/ puinonderzoek gedeeltelijk standhoudt. In de puinverhardingslagen ter plaatse van de twee dammen en het brughoofd is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. De bovengrond met bijmengingen aan baksteen, metselpuin en dakpan ter plaatse van de voormalige dam (in de meest westelijke slootdemping) bevat daarentegen wel asbest. Deze grondanalyse wordt representatief geacht voor al het puinhoudende dempingsmateriaal in deze slootdemping (boringen 101 t/m 103: 0,6-1,0 m-mv). De grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek (50 mg/kg ds) wordt niet overschreden.

Aanbevelingen De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan en de aanvraag van een omgevingsvergunning. De kwaliteit van de bodem is in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader asbest in grondonderzoek of nader bodemonderzoek te adviseren. Wel wordt aanbevolen om de puinverhardingen ter plaatse van de twee aanwezige dammen en het brughoofd alsook het dempingsmateriaal in de meest westelijke slootdemping, inclusief de grond met bijmengingen aan bodemvreemde materialen ter plaatse van de voormalig dam aldaar, van de locatie te verwijderen en af te voeren als (niet-vormgegeven) bouwstof of afval. Conclusie Op basis van het bodem- en asbest in grond-/puinonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate bepaald. De onderzoeklocatie is geschikt voor het voorgenomen gebruik. Voorafgaand aan het bouwrijp maken van het terrein zal in overleg met het bevoegd gezag op basis van het verkennend bodemonderzoek de puinverhardingen ter plaatse van de twee aanwezige dammen en het brughoofd alsook het dempingsmateriaal in de meest westelijke slootdemping, inclusief de grond met bijmengingen aan bodemvreemde materialen ter plaatse van de voormalig dam aldaar, van de locatie worden verwijderd en afgevoerd als (niet-vormgegeven) bouwstof of afval.

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van de

Motivering

65

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Aanvullingswet bodem of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. 6.1.4.1 Ontplofbare oorlogsresten Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens weer meer onderzoek nodig zijn. Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden.

Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies.

De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. In Bkl zijn onder andere omgevingswaarden opgenomen voor zwaveldioxide (artikel 2.3), stikstofdioxide en stikstofoxiden (artikel 2.4) en fijn stof (artikel 2.5). De omgevingswaarden gelden voor de buitenlucht. Deze zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG 1989, L 393) waartoe het publiek gewoonlijk geen toegang heeft. In tabel 6.7 is een overzicht gegeven van de omgevingswaarden uit het Bkl. Tabel 6.7: Omgevingswaarden maatgevende stoffen Besluit kwaliteit leefomgeving. kalenderuurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen stof jaargemiddelde NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 3 PM10 40 µg/m n.v.t. 50 µg/m 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden

66

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Artikel 8.17 van het Bkl stelt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de omgevingswaarden in acht worden genomen. Onderzoek/ beoordeling Voor de toetsing of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit is van belang met welke functies het plangebied wordt uitgebreid. In het gebied al aanwezige functies worden niet meegerekend bij het bepalen van de verkeersaantrekkende werking van het plan. Ten opzichte van de bestaande planologische situatie is er sprake van het toevoegen van 94 woningen. Voor het plan is met behulp van de zogenaamde NIBM-tool berekend of de beoogde ontwikkeling van de woningen leidt tot een in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Nagegaan is wat de berekende maximale bijdrage aan luchtemissies van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling is. Het middelzware en zware verkeer is hierbij als vrachtverkeer meegenomen. Hierbij is ervan uitgegaan dat de ontwikkeling maximaal 636 auto's per dag aantrekt (mvt/weekdagetmaal), waarvan 0,5 % vrachtwagens. In tabel 6.8 is de uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weergegeven. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek is niet nodig. Tabel 6.8: Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op luchtkwaliteit.

Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is verder het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) in het kader van de Omgevingswet geraadpleegd voor 2023 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Bilwijkerweg ter hoogte van het plangebied (x: 112330.229966571 y: 443623.654178756). Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 11,66 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 14,85 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 7,90 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat het Bkl de uitvoering van het project Noordse Weide in Stolwijk niet in de weg staat. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Deze ontwikkeling maakt het oprichten van 94 woningen mogelijk. In het onderzoek naar luchtkwaliteit is berekend dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Voor dit plan is voorts het CIMLK geraadpleegd.

Volgens de CIMLK-monitoringtool is de concentratie NO2 en PM10 op de rekenpunten onder de grenswaarden, zodat er geen gevolgen zijn voor deze functie. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, steeds beter. Artikel 8.17 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit luchtkwaliteit) van het Bkl staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.

Motivering

67

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

6.1.6 Omgevingsveiligheid Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7. lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief in een voorschriftengebied ligt, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl).

Onderzoek/ beoordeling Voor omgevingsveiligheid is een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen.

68

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Voor het plangebied is het Portaal Atlas Veiligheid (afgekort PAV) geraadpleegd. Deze kaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Omgevingsveiligheid is relevant wanneer een plan: een nieuwe risicobron mogelijk maakt of wijzigt of, (Beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties mogelijk maakt binnen het aandachtsgebied van een risicobron. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van kwetsbare objecten conform wetgeving op het gebied van omgevingsveiligheid. Ten westen van het plangebied ligt op circa 180 meter de N207. Hier is sprake van transport van gevaarlijke stoffen. Aangezien de beoogde planontwikkeling buiten het aandachtsgebied hiervan ligt zijn er geen beperkingen voor het plangebied. Conclusie Bij omgevingsveiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Het plangebied ligt niet binnen een gifaandachtsgebied van wegen en/of explosieaandachtsgebieden of brandaandachtsgebieden van bedrijven.

Het aspect omgevingsveiligheid staat dit TAM-Omgevingsplan niet in de weg. 6.1.7 Gezondheid Wettelijk kader In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Eén van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderzoek/ beoordeling In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard is in algemene zin aandacht besteed aan gezondheid. Het is één van de speerpunten: gezond en veilig woon- en leefklimaat (paragraaf 3.5.6). Speerpunt: gezond en veilig woon- en leefklimaat Voldoende rust, een gezonde lucht en een veilige omgeving zijn belangrijk voor de gezondheid. Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving neemt de gemeente gezondheidseffecten mee in haar afweging.

De Krimpenerwaard is een veilig gebied waar mensen in gezondheid oud kunnen worden. De Krimpenerwaard moet een aantrekkelijke en veilige plek blijven om te wonen, werken en te leven. Door de leefomgeving gezonder in te richten kan veel gezondheidswinst worden geboekt. Een gezonde inrichting van de leefomgeving bevordert de fysieke en mentale gezondheid en beschermt tegen negatieve omgevingsinvloeden. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigingen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), aandacht voor groen en water, elkaar ontmoeten (sociale cohesie), ontspanning, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid en water), balans tussen geluid en stilte, klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan hitte- en wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen. Een veilige leefomgeving is een leefomgeving waarin bewoners, ondernemers, politie, gemeente en andere partners samen werken aan veiligheid. De gemeente faciliteert dit door het aanbieden en ondersteunen van onder andere het Keurmerk Veilig Ondernemen, Burgernet, WhatsApp buurtpreventie, Meld misdaad anoniem en andere (burger) participatie initiatieven.

De gemeente zet in op onder andere: Gezondheid is integraal onderdeel bij ontwikkelingen in de leefomgeving;

Motivering

69

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Een goede milieukwaliteit: 1. Aansluiten op Schone Lucht Akkoord; 2. Aandacht voor geluid- en luchtkwaliteit, lichtoverlast. Bijvoorbeeld bij nieuwe ontwikkelingen; 3. Gezonde bodem en schoon water; Veilige leefomgeving: 1. De kwaliteit van de leefomgeving wordt mede bepaald door fysieke veiligheid; 2. Samenwerken aan een veilige en gezonde leefomgeving; 3. De leefomgeving wordt mede vormgegeven volgens de ontwerpprincipes voor veiligheid; 4. Voorkomen of beperken van risico's vergroot de veiligheid; 5. Afstand tot de risico's vergroot de veiligheid; 6. Bouwwerken en omgeving bieden bescherming; 7. Bouwwerken en gebieden zijn snel en veilig te verlaten. Landelijk is er veel aandacht voor een gezonde leefomgeving. Het is belangrijk dat de overheid blijft investeren in het verbeteren van de milieukwaliteit (gezondheidspreventie). Daarnaast moet beleid gericht zijn op een fysieke en sociale omgeving die gezond gedrag bevordert. Conclusie Beschermen van de gezondheid en van het milieu is in algemene zin opgenomen in de Omgevingsvisie. Gezondheid wordt nader vastgelegd in het omgevingsplan in de vorm van omgevingswaarden. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functie op locaties. Er wordt rekening gehouden met milieuaspecten zoal geluid, bodem en luchtkwaliteit. De woningen worden op voldoende afstand van het rioolwaterzuiveringsbedrijf gebouwd.

In paragraaf 6.1 is dit aangetoond. Voor deze bewoners kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Dit TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stadsen dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 6.2.1 Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland Op de Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) wordt onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans.

Het plangebied ligt 0 tot 5 m onder maaiveld in Komafzettingen met Veen in de Formatie van Echteld en Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen laagpakket met geen of lage archeologische waarden. De gronden (ruim) dieper dan 5 m maaiveld (basis holoceen) liggen in het type Binnenmeren in de Formatie van Echteld. Ook deze gronden hebben geen of lager archeologische waarden. Alleen het zuidelijke gedeelte heeft ruim dieper dan 5 m maaiveld (basis holoceen) hoge archeologische waarden met kenmerk Rivierduinen in de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen. Een uitsnede van de Cultuur Historische Atlas is opgenomen in figuur 16. Een watergang in het plangebied is aangemerkt als poldergrens met hoge waarde. Deze sloot blijft behouden.

70

Motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Noordse Weide, Stolwijk

Figuur 16: Uitsnede Cultuur Historische Atlas PZH. Plangebied geel omkaderd. 6.2.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de Archeologienota Krimpenerwaard vastgesteld. Deze nota schept duidelijkheid over de archeologische waarden binnen de gemeente en geeft richtlijnen over de omgang hiermee. Op grond van de archeologische beleidskaart heeft de lintbebouwing een hoge trefkans met de aanduiding 'Waarde - Archeologie 6', waarbij in beginsel een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 3m –Mv en een plangebied groter dan 2.500 m² (figuur 17).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=700d8f57-d148-4a7b-a00a-d684f5d5752b