Bijlage 2 Toelichting NL.IMRO.1931.BP2001DK001-VG01
Tekst van het document
Uitsnede Risico Kaart (plangebied zwarte omkadering).
Transport over de weg Er bevinden zich in de nabijheid van het plangebied geen wegen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Transport over het spoor In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Transport over het water De Lek valt onder het 'basisnet water'. Bij ontwikkelingen op een afstand van 200 m van het basisnet water dient een groepsrisico-berekening uitgevoerd te worden. Het plangebied bevindt zich op ca. 270 m van de Lek. Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling geen groepsrisico-berekening nodig. Voor het plangebied levert het basisnet water geen belemmeringen op. Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen ondergrondse buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen aanwezig. Risicovolle inrichtingen Er bevinden zich geen risicovolle inrichting in de ruime omgeving van het plangebied.
26
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het plangebied valt onder hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. De missie van dit hoogheemraadschap luidt: ‘Droge voeten en schoon water’. Deze missie heeft betrekking op de veiligheid en de waterkwaliteit, en is uitgewerkt in het missiestatement: veiligheid voor inwoners en bedrijven, voldoen aan de complexe wateropgave in stedelijk en landelijk gebied, efficiënt en doelmatig werken, oog voor het waterschap als functionele overheid en voor de wijze waarop de organisatie naar buiten treedt.
27
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies aan waterberging in de bodem gecompenseerd. Uit berekeningen zal blijken hoeveel ruimte voor compenserende waterberging nodig is. De aanleg van de bergingsvoorziening komt voor rekening van plannemer van de ruimtelijke ingreep. Waterbeheerplan Schieland en de Krimpenerwaard 2016 - 2021 Het Waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het hoogheemraadschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de regio Midden-Holland. HHSK zorgt voor bescherming tegen overstromingen, een passend waterpeil, schoon oppervlaktewater, de zuivering van afvalwater en de wegen, opdat mensen hier kunnen wonen, werken en recreëren. De veranderende maatschappelijke en fysieke omstandigheden geven richting aan de accenten binnen het waterbeheer. Deze accenten vormen de rode draad voor het werk van het hoogheemraadschap in de komende planperiode: HHSK staat voor doelmatig en duurzaam waterbeheer en staat in directe verbinding met de omgeving.
Zo blijft het mogelijk bij het uitvoeren van de waterschapstaken soepel mee te bewegen met de klimatologische, technische en maatschappelijke ontwikkelingen. Duurzaam financieel beheer blijft de basis. Planspecifiek In de huidige situatie bestaat het plangebied op een smalle groenstrook na vrijwel volledig uit verharding. Als gevolg van de betreffende ontwikkeling zal het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie dan ook niet of nauwelijks toenemen. Gezien de huidige verharding kan uitgesloten worden dat de toename aan verhard oppervlak niet meer dan de gestelde drempelwaarde van 500 m² zal bedragen. Aan de zuidzijde van de te ontwikkelen appartementen worden drie parkeerplaatsen ontwikkeld. Deze parkeerplaatsen worden halfverhard gerealiseerd. Hemelwater zal worden afgekoppeld van het rioolwater en wordt zoveel mogelijk direct geïnfiltreerd in de grond. Het rioolwater zal worden aangesloten op het gemeentelijke rioolsysteem. Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aan de Ds Hugenholtzstraat 4c te Ammerstol.
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
28
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Om die reden is door Blom Ecologie een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd (18 december 2019, BE/2019/712/r, zie bijlagen bij toelichting 4). Navolgend zijn de resultaten en conclusies van het oriënterend onderzoek weergegeven. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Er wordt wel geadviseerd om een AERIUS-berekening uit te voeren. Stikstofdepositie De beoogde ontwikkeling van de drie appartementen gaat gepaard met de uitstoot van stikstof in de gebruiks- en bouwfase.
Derhalve moet in beeld gebracht worden wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Ten behoeve van de Wet natuurbescherming heeft Buro SRO een AERIUS-berekening uitgevoerd (27 januari 2021, SR190342, zie bijlagen bij toelichting 5). Uit de resultaten blijkt er in zowel de gebruiksfase als de bouwfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er kan geconcludeerd worden dat er geen significante gevolgen zijn voor Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming en is het plan uitvoerbaar. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit).
Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
4.5 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
29
Planspecifiek In de nabijheid van het plangebied bevindt zich de kerk van Ammerstol. De afstand tot de kerk is ca. 55 m waardoor de ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de cultuurhistorische waarde van de kerk. Tevens kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling invloed heeft op andere cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Om de archeologische waarde van de gronden van het plangebied vast te stellen is de archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard uit 2016 geraadpleegd (zie navolgende afbeelding).
Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied: zwart omcirkeld)
Uit de archeologische beleidskaart volgt dat het plangebied is gelegen in de zones aangegeven met WA-4. Bij de aanduiding WA-4 geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen dieper dan 0,30 m -Mv en groter dan 1.000 m². Met onderhavige ontwikkeling worden voorgenoemde grenswaarden niet overschreden. Bovendien betreft het mogelijk grond die reeds geroerd is ten behoeve van de huidige fundering. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht. De gronden in het plangebied zijn in het voorliggende bestemmingsplan, conform de archeologische beleidskaart, voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'.
30
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Verkeer De beoogde ontwikkeling gaat uit van de bestaande verkeersstructuur. Het aantal verkeersbewegingen dat met de beoogde ontwikkeling gegenereerd wordt staat in onderstaande tabel weergegeven. Hierbij is uitgegaan van 'rest bebouwde kom' in 'weinig stedelijk gebied' uit CROW-publicatie 381.
Koop, appartement, midden
Verkeersbewegingen per etmaal 6,0
Aantal woningen 3
Gem. totaal aantal verkeersbewegingen 18,0
Met de beoogde ontwikkeling is het gemiddelde aantal verkeersbewegingen 18 per etmaal. Dit is een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. De toename aan verkeersbewegingen die te verwachten is met de beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot verkeersproblemen. Bovendien had het clubgebouw van de tennisvereniging in de oorspronkelijke situatie tevens een verkeersaantrekkende werking. Het plangebied wordt ontsloten via het parkeerterrein aan de Willem van Lutterveldstraat. De toename van het aantal verkeersbewegingen kan hiermee worden opgevangen. Gesteld wordt dat de ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op het aspect verkeer. Parkeren Voor het aspect parkeren dient er aangesloten te worden bij de regels van het Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard. De ontwikkeling dient te voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is uitgegaan van drie middeldure koopappartementen in 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk gebied'. Navolgende tabel geeft een overzicht van het aantal benodigde parkeerplaatsen.
Koop, appartement, midden
Parkeernorm 1,9
Aantal woningen 3
Totaal aantal parkeerplaatsen 5,7
Uit de gegevens uit de tabel volgt dat er voor de beoogde ontwikkeling afgerond 6 parkeerplaatsen nodig zijn. Met het beoogde plan worden van het naastgelegen parkeerterrein twee parkeerplaatsen verwijderd voor de ontsluiting van de appartementen. Hiervoor in de plaats worden drie parkeerplaatsen teruggeplaatst, wat per saldo een toename van één parkeerplaats betreft. Goudappel Coffeng heeft een parkeeronderzoek uitgevoerd (6 juli 2021, 008470.20201213.N1.02, zie bijlagen bij toelichting 6), met als doel aan te tonen dat de parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen in de openbare ruimte (met één extra parkeerplaats) opgelost kan worden. Het parkeerterrein aan de Willem van Lutterveldstraat is de meest nabij gelegen parkeervoorziening voor het nieuwbouwplan. De parkeercapaciteit op dit parkeerterrein blijft gelijk ten opzichte van de huidige situatie (48 parkeerplaatsen). Op het drukste moment ontstaat een parkeerbezetting van 90% (werkdag nacht) op het parkeerterrein, wat voor een woonwijk acceptabel is. Er is daarmee sprake van een acceptabele parkeersituatie. Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
31
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
32
5.4 Wijze van bestemmen In het voorliggend bestemmingsplannen is aangesloten bij de planregels zoals deze zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Dorpsgebied' (vastgesteld op 25 oktober 2011) van de voormalige gemeente Bergambacht. Het voorliggende bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen:
• • •
'Verkeer'; 'Wonen'; 'Waarde - Archeologie 4'.
De bestemming 'Verkeer' is toegekend aan de gronden rondom het beoogde appartementengebouw. Deze gronden zijn/worden ingericht voor parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en groenvoorzieningen. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, voet- en fietspaden, verblijfsgebieden en bij deze bestemming behorende voorzieningen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m worden gebouwd. Aan het beoogde appartementengebouw is de bestemming 'Wonen' toegekend. Binnen deze bestemming zijn woningen, aan-huis-gebonden beroepen en bij deze bestemming behorende voorzieningen toegestaan. Binnen het bouwvlak mogen hoofdgebouwen worden gebouwd. Op de verbeelding zijn het maximum aantal woonheden (3), de maximale goothoogte (4 m), de maximale bouwhoogte (7 m) en het woningtype (gestapeld) aangeduid. Verder mogen er aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd. De gronden in het plangebied zijn, conform de archeologische beleidskaart, voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Binnen deze dubbelbestemmingen is er een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen dieper dan 0,30 m -Mv en groter dan 1.000 m².
33
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2º en 3° van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het voorgenomen plan betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. In deze overeenkomst wordt de betaling van eventuele tegemoetkoming in de planschade en eventuele inrichtingskosten in de openbare ruimte geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd, waardoor een exploitatieplan niet benodigd is. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
34
6.2.1 Participatie Op 7 oktober 2020 is een informatieavond georganiseerd. Daartoe zijn ca. 50 uitnodigingen verstuurd, waarna 11 personen zich aangemeld hebben. Tijdens de avond zijn de aanwezigen geïnformeerd over het plan en was er de mogelijkheid tot het stellen van vragen. De gestelde vragen, die betrekking hadden op onderwerpen als de inrichting van het buitenterrein, het parkeren en de manier van bouwen, zijn (schriftelijk) door de initiatiefnemer en de gemeente beantwoord. 6.2.2 Verslag vooroverleg Het bestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro voorgelegd aan het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en de provincie Zuid-Holland. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat het plan geen aanleiding geeft voor het maken van opmerkingen. Van provinciale belangen bleek na aanmelding bij de provincie geen sprake te zijn en ook nadien is er voor de provincie geen aanleiding geweest om binnen de gestelde termijn op het bestemmingsplan te reageren. 6.2.3 Verslag zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 31 maart 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. In de nota van beantwoording zijn deze zienswijzen samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien (datum, zie bijlagen bij toelichting 7).
35