Bijlage 2 Toelichting NL.IMRO.1931.BP2001DK001-VG01
Tekst van het document
bestemmingsplan
Ds Hugenholtzstraat 4c, Ammerstol Gemeente Krimpenerwaard
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1931.BP2001DK001-VG01
Datum:
2021-07-06
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. R. van der Made | dhr. S. Koop
Kenmerk Buro SRO:
SR190342
Opdrachtgever:
HBC Planontwikkeling
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8
2 Initiatief .................................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 22 4.3 Water ................................................................................................................................................................ 27 4.4 Ecologie ............................................................................................................................................................. 28 4.5 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 29 4.6 Archeologie ....................................................................................................................................................... 30 4.7 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 31
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 32 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 32 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 32 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 32 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 33
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 34 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 34 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 34
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens een pand met drie appartementen te realiseren ter plaatse van het voormalige clubgebouw van de tennisclub aan de Ds Hugenholtzstraat 4c te Ammerstol. Voor de beoogde ontwikkeling van de appartementen dient het bestaande voormalige clubgebouw gesloopt te worden. In het vigerende bestemmingsplan 'Dorpsgebied' is het plangebied voorzien van de bestemming 'Sport'. Binnen de bestemming 'Sport' zijn sportterreinen voor buitensporten, zoals voetbalvelden, ijsbanen en tennisbanen toegestaan. De beoogde ontwikkeling van het pand met drie appartementen sluit niet aan op het vigerende bestemmingsplan. Om de beoogde planontwikkeling mogelijk te maken dient een partiele herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Ds Hugenholtzstraat 4c te Ammerstol, gemeente Krimpenerwaard. Het plangebied ligt in het midden van de kern Ammerstol. Ten noorden van Ammerstol ligt de N210 en ten zuiden stroomt de Lek. Het plangebied staat bekend onder de kadastrale gemeente Ammerstol, sectie A, perceel 841 (deels), 1457 (deels) en 1458. Het plangebied is gelijk aan het bestemmingsvlak 'Sport' uit het geldende bestemmingsplan 'Dorpsgebied' (zie toelichting paragraaf 1.3). Aan de noordzijde van het plangebied grenst een gebouw met een maatschappelijke functie. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich een parkeerterrein aan de Willem van Lutterstraat, waar oorspronkelijk tennisvelden gelegen waren. In de nabije omgeving van het plangebied zijn verder voornamelijk woningen gesitueerd. Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
5
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Dorpsgebied'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 25 oktober 2011. De betreffende gronden zijn geheel voorzien van de enkelbestemming 'Sport' en van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Daarnaast is het plangebied voorzien van een bouwvlak met een maximum goothoogte van 4 m. Het plangebied valt geheel binnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - a3'. Verder is het plangebied nog voorzien van de gebiedsaanduiding 'wrozone - wijzigingsgebied 2'. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan 'Dorpsgebied' ter plaatse van het plangebied.
6
Uitsnede vigerend bestemmingplan 'Dorpsgebied' (plangebied wit omkaderd)
De voor 'Sport' aangewezen gronden binnen het plangebied beschikken over de aanduiding 'sportveld', waarbij sportterreinen voor buitensporten, zoals voetbalvelden, ijsbanen en tennisbanen toegestaan zijn. Binnen het bouwvlak mag gebouwd worden. Binnen het bouwvlak mag een bebouwingspercentage van 20% aanwezig en geldt een maximale goothoogte van 4 m. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Tevens geldt de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - a3' waarbij bouwwerken een oppervlakte van maximaal 1.000 m² mogen hebben en geen bouwwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld mogen plaatsvinden. Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanwezig aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied 2' het plan wijzigen naar de bestemming 'Verkeer' ten behoeve van de aanleg van een parkeerterrein, waarbij bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 250 m², 10% van de toename aan verhard oppervlak gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater moet worden. Deze wijzigingsbevoegdheid is reeds toegepast op de gronden ten zuiden van het plangebied. Voor de gronden van het plangebied is tevens het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' van toepassing. Dit parapluplan is vastgesteld op 29 januari 2019.
In het 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' wordt onder andere geregeld dat een omgevingsvergunning slechts verleend kan worden voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig het bepaalde in de CROW-publicatie 381 en diens rechtsopvolger(s). Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een partiële herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
7
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is aandacht voor de planbeschrijving. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarin de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.
8
2 Initiatief 2.1 Huidige situatie In het plangebied bevindt zich een voormalig clubgebouw van een tennisclub. Ten zuiden bevindt zich een parkeerterrein aan de Willem van Lutterveldstraat waar voorheen tennisvelden gesitueerd waren. Het voormalig clubgebouw ligt niet direct aan de Ds Hugenholtzstraat en is bereikbaar vanaf het parkeerterrein aan de Willem van Lutterveldstraat en een looppad vanaf de Ds Hugenholtzstraat. Het volledige plangebied is voorzien van verharding op een smalle groenstrook aan de noordzijde van het plangebied na. Navolgende afbeeldingen tonen een plattegrond van de huidige situatie en een vogelvlucht van het plangebied.
Plattegrond huidige situatie
Vogelvlucht huidige situatie
9
Het voormalige clubgebouw is een relatief nieuw gebouw (2006) in vergelijking met de omliggende bebouwing. Het gebouw heeft een laag puntdak en heeft een oppervlakte van 105 m². Aan de zuidzijde van het aangrenzende parkeerterrein bevindt zich de kerk van Ammerstol die gebouwd is in 1880. De meeste woningen rond het plangebied zijn gebouwd in de jaren '50 en 60'.
2.2 Toekomstige situatie Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het bestaande voormalige clubgebouw van de tennisclub gesloopt. Daarvoor in de plaats wordt er een pand met drie appartementen ontwikkeld. Het eerste appartement bevindt zich op de begane grond en beschikt over een loggia. Het tweede en derde appartement bevinden zich op de verdieping en beschikken tevens over met een loggia. Het oostelijke appartement op de verdieping beschikt over een werkkamer op de begane grond. Verder is er op de begane grond voor ieder appartement een berging voorzien. Voor de entree van de appartementen worden twee parkeerplaatsen verwijderd en nabij de entree van jeugdsoos wordt één parkeerplaats verwijderd. Hiervoor in de plaats worden drie nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd (zie navolgende afbeelding). Deze parkeerplaatsen en de overige gronden rondom het beoogde appartementengebouw krijgen in het voorliggende bestemmingsplan, gelijk aan de omliggende gronden, de bestemming 'Verkeer'. Navolgende afbeelding toont een plattegrond van de begane grond en buitenruimte in de beoogde situatie.
Schets toekomstige situatie (bron: Verstoep)
10
Toekomstige situatie begane grond (bron: Verstoep)
11
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat de beoogde ontwikkeling geen rijksverantwoordelijkheid omvat zijn er geen raakvlakken met het Rijksbeleid. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld.
Planspecifiek Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. ‘
12
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen, afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Met de beoogde ontwikkeling aan de Ds Hugenholtzstraat is er sprake van sloop-nieuwbouw. Er wordt een voormalig clubgebouw gesloopt en er worden drie appartementen ontwikkeld. De ontwikkeling is hiermee niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft het plan niet nader getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Bovendien vindt ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
• • • • • • •
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
13
2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is de ruimtelijke hoofdstructuur hier niet specifiek van toepassing. Met de beoogde ontwikkeling wordt er aangesloten bij de ambitie 'energievernieuwing'. De appartementen zullen duurzaam gebouwd worden. Dit houdt in dat de woningen gasloos gebouwd worden en voorzien worden van een goede isolatie. Bovendien zullen de woningen voldoen aan de BENG-eisen. Hiermee wordt er bijgedragen aan de ambitie voor energievernieuwing Met betrekking tot de omgevingskwaliteit worden navolgend de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven. Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een rivierdeltacomplex (rivierklein/ veen). De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Ontwikkelingen in het rivierengebied dienen het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar te houden.
Gezien de ontwikkeling zich in bestaand bebouwd gebied afspeelt en er in de huidige situatie reeds bebouwing aanwezig is in het plangebied zal het initiatief geen gevolgen hebben voor de ondergrond.
14
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in een veenlandschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. Richtpunten voor het veenlandschap zijn:
•
Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
• • •
Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen
•
Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.
De nieuwe bebouwing wordt geplaatst binnen de bestaande structuren en niet in de veenweidepolders. Tevens betreft de ontwikkeling de vervanging van bestaande bebouwing. Geconcludeerd wordt dat het veenlandschap niet wordt aangetast met de beoogde ontwikkeling. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied valt binnen het gebied dat is aangewezen voor 'Steden en dorpen'. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. De volgende richtpunten zijn hierbij van belang:
• •
Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.
• •
Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd.
• •
Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt.
Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur.
Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied.
Met de beoogde ontwikkeling wordt er met name bijgedragen aan de versterking van de ruimtelijke karakteristiek. Het stedenbouwkundig patroon blijft behouden met het vervangen van de bebouwing. Het beoogde plan voorziet in een gebouw met twee bouwlagen wat binnen het straatbeeld past. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor de genoemde richtpunten. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de 'laag van stedelijke occupatie'. Beleidskeuzes De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. De kaarten van het gebiedsprofiel vormen op de betreffende locatie geen aanvulling op de voorgenoemde kwaliteitskaarten. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling invulling geeft aan het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
15
Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en de ontwikkeling is in overeenstemming met de gebiedsprofielen. De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling voorziet in herontwikkeling van een perceel waarbij een bestaand clubgebouw wordt gesloopt en plaats maakt voor drie appartementen. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de
16
kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet. Milieubeschermingsgebied voor grondwater De planlocatie ligt in een milieubeschermingsgebied voor grondwater als bedoeld in artikel 1.2 lid 2 sub a van de Wet milieubeheer. Op kaart 5 bij de Omgevingsverordening zijn de milieubeschermingsgebieden voor grondwater aangeduid. Op deze kaart wordt onderscheid gemaakt in waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones, en boringsvrije zones. Het plangebied ligt in een boringsvrije zone, die het laagste beschermingsregime kent. In de Omgevingsverordening worden geen eisen gesteld aan bestemmingsplannen ten aanzien van de ligging in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. In de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland worden wel beperkingen opgelegd aan een milieubeschermingsgebied voor grondwater. In een boringsvrije zone is onder andere voor boorputten, het graven dieper dan 2,5 m onder het maaiveld, het verwijderen van funderingswerken/heipalen en andere handelingen die de weerstand van de bodem kunnen aantasten een ontheffing van de Provinciale milieuverordening nodig.
In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan is een regeling opgenomen die toeziet op de kwaliteit van het grondwater en die beperkingen oplegt aan bodemingrepen dieper dan 2,5 m onder het maaiveld. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Ruimtelijke Agenda Midden Holland (2010) Op 15 februari 2010 heeft het portefeuillehoudersoverleg Groene Hart, RO en Volkshuisvesting de Ruimtelijke Agenda Midden-Holland ‘Geslaagde kwaliteit in een vitale regio' vastgesteld. De ruimtelijke agenda is opgesteld in samenwerking met de portefeuillehoudersoverleggen Verkeer en Vervoer, Milieu en het Regionaal Economisch Overleg (REO). Het heeft als doel het vormen van een integraal gezamenlijk beleid. De Randstedelijke ontwikkelingen in omringende regio’s, de samenwerking in de Zuidvleugel en het Groene Hart vragen om regionale afstemming en visie op de lange termijn. Vijf speerpunten geven de belangrijkste integrale thema’s weer waaraan de 10 gemeenten in Midden-Holland samen werken: a. b. c. d. e.
Verbetering van de noord-zuidverbinding door ontwikkeling van de N207-corridor Een regionaal programma ketenmobiliteit met een bijzondere functie voor de Gouweknoop Een regionaal programma voor verbeterde voorzieningen Een regionaal programma voor een gastvrij Midden-Holland, gekoppeld aan marketing van de regio Een regionaal fonds gekoppeld aan de doelen van de ruimtelijke agenda
Planspecifiek Midden-Holland zet in op een stevige ontwikkeling van de kwaliteit van de woningbouw. De regio wil hoogwaardige en onderscheidende woonmilieus ontwikkelingen, die bovendien duurzaam zijn en aansluiten op het landschap. Het is daarbij van groot belang om voldoende betaalbare woningen te realiseren, zodat keuzevrijheid op de regionale, maar ook lokale woningmarkt wordt gewaarborgd. Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van kwalitatief hoogstaande appartementen. De woningen worden duurzaam gebouwd met een hoogwaardige isolatie. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan voldoende betaalbare woningen.
17
3.3.2 Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013 - 2019 In de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013 - 2019 (RAW) hebben de gemeenten in MiddenHolland vastgelegd hoe zij vorm willen geven aan de samenwerking rondom wonen. De samenwerkende gemeenten willen met de Regionale Agenda Wonen vooral vanuit een kwaliteitsambitie de regio MiddenHolland positioneren ten opzichte van omliggende regio’s en gemeenten. Voor Midden-Holland is gekeken naar de groei van de bevolking, de verwachte groei van de woningvoorraad, sociale woningbouw en de behoefte aan woningen voor de komende tien jaar. Belangrijke stap die gemeenten met deze agenda maken is dat zij hun woningbouwprogramma voor de periode tot en met 2019 aanzienlijk hebben teruggebracht. Gemeenten geven prioriteit aan financieel en maatschappelijk urgente projecten. Belangrijk aspect om de samenwerking rond wonen verder vorm te geven is te starten met het uitwisselen van gegevens, zodat afstemming en bijsturing kan plaatsvinden. Gemeenten monitoren met elkaar door middel van een gezamenlijk systeem de voortgang van de woningproductie en het woningbouwprogramma. Een woningbouwprogramma is een flexibel instrument en geen blauwdruk. Bij wijzigende marktomstandigheden kan bijstelling van de afspraken plaatsvinden.
Conclusie De meeste gemeenten in Midden-Holland zijn de afgelopen jaren onvoldoende in staat geweest om huishoudens aan zich te binden. Het migratiesaldo voor de regio was negatief. Er is onvoldoende gebouwd om aan de woningbehoefte te voldoen. De vitaliteit van de regio komt hierdoor onder druk te staan: er trekken veel meer mensen weg, dan er komen wonen. Met de beoogde ontwikkeling vindt er een lichte toename van het aantal woningen plaats. Er worden per saldo drie extra woningen gerealiseerd in de vorm van appartementen waarmee er een bijdrage wordt geleverd aan de woningvoorraad. De woningaantallen in de RAW worden hiermee niet overschreden. Bovendien wordt er invulling gegeven aan de vraag naar koopwoningen/appartementen. Het bieden van goede huisvestingsmogelijkheden is een belangrijke voorwaarde voor een vitale regio.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard (ontwerp) geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:
• • •
waarden van heel de Krimpenerwaard; waarden per gebied; waarden van de kernen.
De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de
18
omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Vitale kernen De kernen zijn het hart van de gemeenschap in de Krimpenerwaard. Hier wonen, werken en ontmoeten mensen elkaar. Hier zijn bloeiende verenigingen, doen mensen hun boodschappen, gaan kinderen naar school en wordt er gesport. Voor alle kernen zet de gemeente onder andere in op de volgende speerpunten:
• • • • • •
toename woningen in relatie tot behoefte; een diverser woningaanbod; ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid; bevorderen gezondheid; gezond en veilig woon- en leefklimaat; toekomstbestendige winkelgebieden.
Planspecifiek De voornoemde speerpunten voor de kernen, waaronder Ammerstol, zijn van toepassing op voorliggend plan. De beoogde woningen sluiten aan bij de behoefte. In Ammerstol is het aanbod aan appartementen beperkt, terwijl er, onder andere door vergrijzing, wel behoefte is aan appartementen. Met het voorgenomen plan ontstaat een diverser woningaanbod. De ontwikkeling vindt plaats binnen een veilige en gezonde leefomgeving. Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan in lijn is met de omgevingsvisie. 3.4.2 Structuurvisie - Beleef Bergambacht (2008) De structuurvisie van de voormalige gemeente Bergambacht is op 28 oktober 2008 vastgesteld. Omdat er nog geen recente structuurvisie van de gemeente Krimpenerwaard is, wordt er aangesloten bij de structuurvisie van de voormalige gemeente Bergambacht. De structuurvisie vormt een integrale visie op de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van de gemeente Bergambacht, zowel in de kernen als in het buitengebied. Belangrijke aspecten uit de structuurvisie zijn de volgende: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
ruimtelijke kwaliteit; wonen bij het groen; rondom zorg en leefbaarheid; bereikbaarheid en benaderbaar; vitaal en ondernemend; brede plattelandsontwikkeling; recreatie, de groene motor; duurzaam Bergambacht.
Planspecifiek Voor de beoogde ontwikkeling zijn met name de aspecten 'wonen bij het groen'. Binnen de gemeente dienen het inwoneraantal en de leeftijdsopbouw op peil te worden gehouden. Binnen de kernen moet gebouwd worden voor een evenwichtige bevolkingsopbouw en niet voor de instandhouding van (commerciële) voorzieningen. Voor de eigen inwoners dient daarom een adequate huisvesting te worden geboden. Om dit te bereiken dient onder andere de doorstroming bevorderd te worden door het ontwikkelen van een bij de diverse doelgroepen (o.a. starters en senioren) passend woningaanbod. Met de beoogde ontwikkeling wordt er bijgedragen aan doorstromingsmogelijkheden. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de structuurvisie van Bergambacht.
19
3.4.3 Woonvisie Krimpenerwaard Tijdens de raadsvergadering van 9 mei 2017 heeft de gemeente de Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht vastgesteld. Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. Binnen de nieuwe gemeente is nu behoefte aan een gezamenlijke woonvisie. In de woonvisie wordt vooruit gekeken tot 2030. Het uitvoeringsprogramma gaat specifieker in op de periode 2017-2020. Om aan te sluiten op de trends en ontwikkelingen op het gebied van 'wonen', zijn vijf strategische thema's uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5.
Positionering in de regio; onderscheidend zijn. Betaalbaar & beschikbaar; betaalbare woningen, doorstroom bevorderen, aansluiten op woningbehoefte, aandacht voor bijzondere doelgroepen. Duurzame gebouwde omgeving; energiezuinig en kwalitatief goed bouwen, aandacht voor bestaande bebouwing. Wonen-welzijn-zorg, draagvlak voor huisvesting van bijzondere doelgroepen in buurten. Bouwen aan vitale kernen; transformatie, inbreiding, kwaliteitsverbetering, woningbouw binnen de kernen.
Groeiperspectief In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt de gemeente de ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Er is met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Voor ouderen bestaat er een behoefte aan nultredenwoningen. Om voldoende en passende woningen in de juiste woonomgeving beschikbaar te hebben en aan te sluiten op de ambities van de Krimpenerwaard is de huidige plancapaciteit van circa 1.400 woningen voor de periode tot 2025 niet voldoende. De doelstelling van 3.000 nieuwe woningen in de periode 2015-2030 betekent dat er nog een woningbouwopgave van 1.600 extra woningen tot 2030 is. Planspecifiek Met onderhavig plan worden er appartementen gerealiseerd, waardoor doorstroming in de woningmarkt wordt bevorderd. Daarnaast wordt er energiezuinig en kwalitatief goed gebouwd met aandacht voor de bestaande bebouwing. Dit wordt gedaan door de woningen te voorzien van goede isolatie, gebruik van duurzame bouwmaterialen en door aan te sluiten bij de bestaande bebouwing in bouwhoogte, kleurgebruik en vormgeving.
20
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie beperkt toe. De ontwikkeling is in haar aard en omvang zeer beperkt. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de
21
bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk. Planspecifiek In het kader van de nieuwbouw van het bestaande clubgebouw is op 1 oktober 2004 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door AT MilieuAdvies B.V. (oktober 2004, AT04333, zie bijlagen bij toelichting 1). De resultaten van het onderzoek laten zien dat de bovengrond niet verontreinigd is. De ondergrond is licht verontreinigd met koper en zink. Ook is in het grondwater een licht verhoogde concentratie chroom gemeten. Op basis van de resultaten bestond er geen aanleiding voor de uitvoering van nader onderzoek. De licht verhoogde concentraties in grond en grondwater gaven geen beperkingen ten aanzien van de nieuwbouw van het clubgebouw. Op 24 mei 2018 is in opdracht van de Omgevingsdienst Midden-Holland een historisch vooronderzoek uitgevoerd door Antea Group B.V. (24 mei 2018, 433199, zie bijlagen bij toelichting 2).
Uit zowel de bodemkwaliteitskaart als uit het eerder uitgevoerde bodemonderzoek is de verwachting dat de algemene kwaliteit 'wonen' zal zijn met ten hoogste licht verhoogde gehalten in de bovengrond. Het grondwater kan een licht verhoogde concentratie barium bevatten. Met betrekking tot asbest is de planlocatie onverdacht. Op basis van het historisch vooronderzoek wordt verwacht dat de bodemkwaliteit niet veranderd is ten opzichte van de bekende bodemkwaliteit in 2004. Voor zover bekend hebben er geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden en zijn geen er ondergrondse tanken bekend. De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft een bodemadvies uitgebracht (30 mei 2018, 2018129063, zie bijlagen bij toelichting 3), waaruit volgt dat op basis van het historisch vooronderzoek wordt verwacht dat de bodemkwaliteit niet veranderd is ten opzichte van de resultaten uit het bodemonderzoek dat is uitgevoerd in 2004. De locatie is hiermee geschikt voor de functie 'Wonen met tuin'. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling van drie appartementen.
22
4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Met de ontwikkeling worden er slechts drie woningen toegevoegd. Er kan daarmee gesteld worden dat er sprake is van een NIBM-bijdrage aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Daarnaast is met behulp van NSL-monitoring gekeken naar de luchtkwaliteit in het plangebied. Uit achtergrondconcentraties van 2017 (rekenpunt 15474517) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voor stikstofdioxide en voor fijnstof ruim onder de grenswaarde blijft. De volgende concentraties zijn gemeten over 2017: 20,435 μg/m³ (NO2), 18,643 µg/m³ (PM10) en 11,436 µg/m³ (PM2,5). Gesteld wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh).
De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag
23
overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een gevoelig object. Voor het toevoegen van gevoelig object binnen de onderzoekszone van een (spoor)weg is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Alle wegen die zich rond het plangebied bevinden hebben een snelheidsregime van 30 km/uur, waarmee de locatie niet binnen de onderzoekzone van een weg ligt. Bovendien grenst het beoogde appartementengebouw niet aan deze 30 km/uur wegen en vormt de bebouwing in de omgeving een afscherming voor wegverkeerslawaai, waarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In de nabijheid van het plangebied zijn verder geen spoorweg en geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig.
Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling van de drie appartementen. 4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof.
De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden er woningen gerealiseerd waarmee er sprake is van een gevoelige functie. Er dient getoetst te worden of er ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot bedrijven en milieuzonering.
24
Rondom het plangebied bevinden zich voornamelijk woonbestemmingen, maatschappelijke bestemmingen en enkele bedrijfsbestemmingen. Er kan dan ook uitgegaan worden van een gemengd gebied. Het dichtstbijzijnde bedrijf bevindt zich op ca. 117 m afstand aan de Europalaan 30. Hier zijn bedrijven toegestaan uit ten hoogste categorie B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (functiemenging), wat overeenkomt met een bedrijf met een milieucategorie 2. Bij een dergelijk bedrijf met milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 10 m in gemengd gebied waar ruimschoots aan voldaan wordt. Op een afstand van ca. 55 m bevindt zich de kerk van Ammerstol. Voor een kerkgebouw geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 m. De afstand van de appartementen voldoet ruim aan de gestelde richtafstand. Direct grenzend aan het plangebied bevinden zich enkele maatschappelijke functies. Ten noorden van het plangebied, op ca. 14 m, zit een dagbesteding voor ouderen gevestigd. In een gemengd gebied hoort hier een richtafstand van 0 m bij. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een buurthuis voor jongeren (jeugdsoos). De afstand tot het buurthuis bedraagt ca. 5 m terwijl een richtafstand van 10 m in gemengd gebied geldt. De activiteiten van dit buurthuis vinden vrijwel uitsluitend binnen plaats. De zuidelijke gevel, gericht op het buurthuis, van de appartementen wordt voorzien van een 'dove gevel'.
Hiermee wordt de eventuele geluidsoverlast van het buurthuis geminimaliseerd. Gezien bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico
25
wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart: