CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2_Ontwerp onderbouwing Noord 25 Krimpen aan de Lek

Raadsvergadering 10 maart 2026, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) BOPA Noord 25 Krimpen aan de Lek25.001 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor een verdieping van de identiteit en waarden van de kernen wordt verwezen naar het rapport 'Koers en kader Krimpenerwaard'. Het plangebied ligt in de Lekstreek. De Lekstreek bestaat uit de Lek en de zone van bebouwing en bedrijvigheid op de oeverwal langs de dijk. Dit deelgebied strekt zich uit van Schoonhoven tot en met Krimpen aan de Lek. De Lek/Nieuwe Maas staat onder invloed van eb en vloed. De hoofdstroom die dicht langs de dijk loopt is een brede, dynamische rivier. Langs de Lek (en de Nieuwe Maas; daar ligt juist natuurgebied De Zaag) liggen buitendijkse gebieden die zijn ingericht als natuurgebieden. Van oudsher zijn hier ook bedrijven gevestigd.

30

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Visie en speerpunten In de toekomst is de gemeente Krimpenerwaard een vitaal leefbaar gebied waar mensen in goede gezondheid en met plezier wonen, werken en genieten van de unieke omgeving. Waarbij iedereen mee kan doen en zijn verantwoordelijkheid neemt. In deze dynamische gemeente zijn de kernen in verbinding met de omliggende gebieden en vervult de Krimpenerwaard een belangrijke rol binnen de regio op het gebied van duurzaamheid, biodiversiteit en ruimtelijke ontwikkeling. De opgaven en uitdagingen die hieraan bijdragen zijn vertaald in Speerpunten. Deze Speerpunten geven richting aan de afweging van Initiatieven, het opstellen van beleid en het vormgeven van het omgevingsplan. Langs de rivieren is altijd al veel dynamiek en ontwikkeling geweest. De bodem is hier door de rivierklei en de zeeklei steviger dan in het midden van de Krimpenerwaard. Dit is gunstig voor landbouw, infrastructuur en bebouwing. Bovendien zijn veel plekken relatief goed bereikbaar. Dit biedt kansen aan ontwikkelingen voor bijvoorbeeld bedrijven. Hierbij houdt de gemeente rekening met infrastructuur, leefbaarheid, waterveiligheid, drinkwatervoorzieningen en landschappelijke kwaliteiten. De gemeente zet hier in op onder andere de volgende speerpunten. Speerpunt 3.5.3: 'versterken van de linten' De gemeente wil de linten behouden voor de toekomst door ze te versterken.

De linten zijn belangrijk voor het beeld van de Krimpenerwaard en vormen een belangrijke cultuurhistorische karakteristiek. De linten vertellen het verhaal van het ontstaan van de Krimpenerwaard door het ontginnen van het landschap. In de linten is zicht op het landschap belangrijk. Door ontwikkelingen in het buitengebied verandert het gebruik van bebouwing, erven en wegen. Ontwikkeling in de linten draagt bij aan het behoud van de linten. Bij voorkeur komen nieuwe functies (zoals wonen, recreatie en toerisme, andere agrarische verdienmodellen en duurzame ontwikkelingen) in bestaande (cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing of in plaats van bestaande bebouwing. Nieuwe bebouwing moet een versterking vormen voor de lokale identiteit. Ieder lint heeft zijn eigen karakter en kwaliteiten. Daarom zijn ontwikkelingsmogelijkheden per lint verschillend. Speerpunt 3.5.7: 'ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid'. De gemeente zet zich in op gezonde en vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid binnen de gemeente en ontwikkelruimte voor ondernemers. Zij geeft ruimte aan ondernemers om te starten, te groeien en te ontwikkelen op een duurzame en maatschappelijk verantwoorde manier. Speerpunt 3.5.12: Vergroten fysieke bereikbaarheid Een goede bereikbaarheid is van belang voor de economie en de aantrekkelijkheid van de Krimpenerwaard als gebied om te wonen en te werken.

De wegen van de Krimpenerwaard zijn de afgelopen zestig jaar weinig veranderd. Er zijn nu weinig wegen om in of uit de Krimpenerwaard te komen omdat de (oever)verbindingen beperkt zijn. Door toename van het aantal verkeersdeelnemers loopt het verkeer vast in de spits bij bijvoorbeeld de Algerabrug en bij Westergouwe in Gouda. Nieuwe ontwikkelingen voor bijvoorbeeld woningbouw of bedrijven moeten passen bij de verkeerscapaciteit van de wegen. Zowel nu als in de toekomst. Eventuele aanpassingen die nodig zijn om nieuwe ontwikkelingen in te passen zijn integraal onderdeel van de ontwikkeling. Speerpunt 3.5.20: 'waterveiligheid als basisvoorwaarde De gemeente werkt samen met de waterschappen aan een waterveilig Krimpenerwaard. Hierbij kijkt de gemeente bij ontwikkelingen naar onder andere evacuatiemogelijkheden: 1. hoge punten die schuillocaties bieden bij overstroming; 2. mogelijkheden voor evacuatie bij overstroming vergroten; het effect op toekomstige dijkversterking. Door bijvoorbeeld nieuwe bebouwing niet te dicht op de dijk te bouwen. Dit spaart kosten bij een toekomstige dijkversterking. Speerpunt 3.5.21: 'Samenwerken aan goede waterkwaliteit' De gemeente werkt samen met partijen zoals waterschappen, waterwinbedrijven, provincie, natuurbeheerders en agrariërs aan een goede waterkwaliteit.

Hierbij wordt gekeken naar o.a.: voorkomen (erf) afspoeling (vervuild water dat vanaf de straat in het water terecht komt); stimuleren van ecologische inrichting van water en oevers, zowel in de bebouwde omgeving (nieuwbouw & reconstructie) als in het buitengebied. Toetsing aan speerpunten De planontwikkeling ligt ten noorden van industrieterrein 'De Zaag'. Dit industrieterrein wordt niet beperkt

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

31

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

in haar mogelijkheden, zoals aangetoond in paragraaf 6.1.2. Dit betekent dat er ruimte blijft voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid. Dit plan maakt een passende herbestemming (wonen) mogelijk. Deze ontwikkeling in het lint draagt bij aan het versterken en behouden van de kwaliteiten en identiteit van het betreffende lint. De ontwikkeling is passend en gebiedseigen qua maat en schaal voor de plek. De omgevingskwaliteit zoals lucht, geluid, veiligheid, gezondheid, leefbaarheid is voldoende zoals toegelicht in paragraaf 6.1 Milieu. Dit plan is in overeenstemming met het speerpunt 'versterken van de linten'. In plaats van een loodgietersbedrijf met transportbusjes komen er nu vier woningen met een vergelijkbaar aantal verkeersbewegingen. De Noord kan deze verkeersbewegingen opvangen. De waterveiligheid komt niet in geding, omdat de woningen buiten de bebouwingsvrije zone van de dijk worden gerealiseerd. De primaire waterkering wordt niet aangetast. Het souterrain onder de woningen valt binnen het overstromingsgevaren gebied, deze ligt al 250 mm hoger dan de naastgelegen woningen welke niet onderlopen. Bovendien kan ingeval van overstroming worden gevlucht naar de bovenverdieping. De waterkwaliteit is niet in het geding bij deze ontwikkeling. Conclusie De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de gemeente.

Het toevoegen van vier woningen op een woonperceel, waarvan één al bij recht is toegestaan in combinatie met de milieuonderzoeken wijst uit dat de functie passend is. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Deze ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 4.4.2 Woonvisie gemeente Krimpenerwaard 2023-2028 De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 4 juli 2023 de 'Woonvisie gemeente Krimpenerwaard 2023-2028' met de aansprekende titel 'Vitale kernen in het groen' vastgesteld. De woonvisie vormt de basis voor het woonbeleid dat door de gemeente de komende jaren wordt gevoerd. Het bevat doelen en uitvoeringsacties op basis van vier thema's: beschikbaarheid & betaalbaarheid, aantrekkelijke & inclusieve nieuwbouw, wonen, zorg & welzijn en duurzaamheid. De woonvisie vormt een basis voor afspraken met bijvoorbeeld woningcorporaties en huurdersorganisaties. Ook bevat de woonvisie kaders en randvoorwaarden voor nieuwbouwplannen. De woonvisie kan op zichzelf gezien worden als een woonzorgvisie. Doelstellingen Woonvisie De woonvisie gaat over de integrale opgaven op de lokale woningmarkt. Wonen gaat niet alleen over stenen, maar is veel breder. De hoofddoelstelling is “het versterken van onze vitale kernen doordat iedereen beschikt over een prettige en passende woning, woon- en leefomgeving”.

Om deze hoofddoelstelling te behalen is de woonvisie verder uitgewerkt in vier pijlers: Pijler 1 – beschikbaarheid en betaalbaarheid Pijler 2 – aantrekkelijke en inclusieve nieuwbouw Pijler 3 – wonen, zorg en welzijn Pijler 4 – duurzaamheid Per pijler zijn de belangrijkste ontwikkelingen en doelen geschetst. In het uitvoeringsprogramma is uiteengezet hoe de gemeente deze doelen gaat behalen. In deze woonvisie zet de gemeente in op het versterken van de vitale kernen doordat iedereen beschikt over een passende woning en prettige en passende woon- en leefomgeving. De gemeente wil tot 2040 4.000 woningen bouwen. Locaties binnen de kernen zijn schaars. En waar er nog ruimte is wil de gemeente ook groen behouden. Daarom zal vooral aan de randen van de kernen moeten worden gebouwd. Hierbij heeft de gemeente aandacht voor de ruimtelijke en groene structuur die het mooie gebied kenmerkt. Van de 4.000 woningen wordt ingezet op 30% sociale huurwoningen. Ook zet de gemeente fors in op de bouw van middenhuur en betaalbare koopwoningen. In totaal moet 75% van de woningen in nieuwbouwplannen betaalbaar zijn. De nieuwe woonvisie heeft een andere boodschap dan de woonvisie uit 2017. Zes jaar geleden sprak de gemeente de ambitie uit 3.000 woningen te bouwen en zag zij slechts behoefte aan 200 nieuwe sociale huurwoningen.

Daarbij moest de hele opgave een plek krijgen binnen de bestaande grenzen van de kernen. In 2023 ziet de wereld er anders uit. De opgaves zijn groot. Klimaatverandering, zorgdragen voor voldoende passende woningen voor een vergrijzende samenleving, tekort aan starterswoningen,

32

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

verschillende (zorg)doelgroepen die langer zelfstandig thuis (moeten) wonen, de groeiende groep mensen die een beroep moet doen op de sociale huursector en een groot tekort aan woningen, zijn maar enkele voorbeelden. De gemeente zal niet in de termijn van één woonvisie alle opgaves die in het verleden zijn ontstaan het hoofd kunnen bieden. Maar door kaders en duidelijke doelen te stellen, wil zij een grote stap vooruit zetten. Het bouwen van woningen draagt eraan bij dat inwoners in hun geliefde Krimpenerwaard kunnen blijven wonen. Jongeren hoeven niet te vertrekken om een passende woning te vinden. Jonge gezinnen blijven of verhuizen op latere leeftijd terug naar de gemeente. De gemeente heeft te maken met een ouder wordende bevolking en dat brengt nieuwe behoeften aan verschillende woonvormen en soms ook een zorgvraag met zich mee. Ook zijn er andere doelgroepen die zorg behoeven en een eigen plek nodig hebben. Het hebben van een dak boven je hoofd is een basisbehoefte. Maar er is nog zoveel meer dat bijdraagt aan prettig kunnen wonen en goed in je vel zitten. Een sterke sociale basis met een laagdrempelig aanbod van activiteiten stimuleert ontmoeting en voorkomt eenzaamheid. De woonvisie heeft niet alleen aandacht voor stenen, maar ook voor het sociale gedeelte van wonen en de zorg die sommige mensen nodig hebben.

De woonvisie is daarom niet alleen een woonvisie, maar tegelijkertijd ook een woonzorgvisie. Tot slot is er ook aandacht klimaatverandering en duurzaamheid in de woonvisie. De gemeente moet zorgen voor klimaatadaptieve, natuur-inclusieve en duurzame woonwijken. Dit geldt voor nieuwbouw, maar ook voor bestaande wijken. Veel woningen staan er immers al. Uitvoeringsprogramma Wonen 2023-2028 In de woonvisie heeft de gemeente haar visie vastgelegd voor de komende jaren. Om het hoofddoel te behalen heeft de gemeente, per thema, meerdere subdoelen geformuleerd. De gemeente heeft daarbij telkens per subdoel aangegeven welke acties zij onderneemt om de visie uit te voeren. Deze acties zijn samengevat in het Uitvoeringsprogramma Wonen 2023-2028. Pijler 1: beschikbaarheid en betaalbaarheid De gemeente zet in op de bouw van 4.000 woningen tot 2040. De gemeente zet bij ieder nieuwbouwplan in op 75% betaalbaar. De gemeente zet in op nieuwbouw gericht voor de doorstroming van ouderen. Pijler 2: aantrekkelijke en inclusieve nieuwbouw Er worden kwalitatief goede en levensloopbestendige woningen toegevoegd. De gemeente zet in op de bouw van zoveel mogelijk levensloopbestendige woningen binnen 500 meter rondom voorzieningen. De gemeente realiseert met nieuwbouw en doorstroming kansen voor jongeren en jonge gezinnen. De gemeente zet in op flexwonen als kans voor jongeren en spoedzoekers.

De gemeente blijft aandacht houden voor andere bijzondere doelgroepen. In de komende jaren wordt er naar gestreefd om in alle kernen woningen te bouwen. Om ruimte voor groen en klimaatadaptatie te maken wordt binnenstedelijk hoogbouw voorgestaan. Pijler 3: wonen, zorg en welzijn De gemeente faciliteert aanpassingen in de bestaande voorraad. De gemeente faciliteert en stimuleert geclusterde woonzorginitiatieven voor ouderen en zorgbehoevenden. De gemeente zet in op een leefomgeving die past bij een toenemende zorgvraag. De gemeente zet in op een passend voorzieningenniveau per kern om de sociale basis te versterken. De gemeente zet in op voldoende geschikte woningen en een grote woondiversiteit voor kwetsbare doelgroepen. Pijler 4: duurzaamheid Het verduurzamen van de bestaande particuliere voorraad (huur en koop). Het verduurzamen van de corporatievoorraad. Duurzame, toekomstbestendige en betaalbare nieuwbouw (geen actiepunten). Toekomstbestendige wijken met aandacht voor groen (geen actiepunten).

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

33

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Toetsing planinitiatief aan Woonvisie Het oprichten van vier woningen in de dure koopsector levert een bijdrage aan de doelstellingen van de Woonvisie, omdat er een (kwalitatieve) behoefte is aan koopwoningen voor de doelgroep doorstromers. Het toevoegen van de vier woningen draagt bij aan het in stand houden van het sociale netwerk, gemeenschapsleven, identiteit van het bebouwingslint nabij het dorp, ruimtelijke kwaliteit en aan een levendig verenigingsleven. De woningen worden duurzaam gebouwd zoals nader toegelicht in paragraaf 4.4.4.1. Conclusie De vier woningen in de dure koopsector sluiten aan op de woningbehoefte in Krimpen aan de Lek voor de doelgroep doorstromers. De planontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke volkshuisvestelijke uitgangspunten zoals genoemd in de Woonvisie. 4.4.3 Nota ruimtelijke kwaliteit De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard” vastgesteld. De nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Vanaf dat moment vervallen de Welstandsnota’s van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist. De nota bevat de beleidsregels met daarin de criteria die de gemeente toepast bij de welstandsbeoordeling van bouwplannen.

Met de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard” is gekozen voor harmonisering en deregulering van het welstandsbeleid met behoud van ruimtelijke kwaliteit. Een groot aantal woongebieden en bedrijventerreinen hebben een soepel toetsingsniveau waarbij verbouwingen welstandsvrij zijn. Om onaanvaardbare situaties tegen te gaan is een excessenregeling opgenomen. De eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ kan aangeschreven worden om die strijdigheid op te heffen. Ter ondersteuning van het beleid zijn er twee kaarten gemaakt. Er is een niveaukaart en een gebiedenkaart. De invulling van de beleidskaarten zijn een vertaling van de hoofdlijnen van de ruimtelijke kwaliteit in de Krimpenerwaard ten behoeve van de toetsen van het uiterlijk van bouwwerken op zichzelf en in hun omgeving. De Noord maakt in de Nota onderdeel uit van een gewoon niveau. Bouwplannen in gebieden met een gewoon niveau zullen ten opzichte van het soepele gebied met meer aandacht bekeken worden. De lat ligt hoger, gezien de beeldbepalende ligging en bijbehorende uitstraling op bezoekers en passanten. Uitgangspunt in gebieden met een gewoon niveau is het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen aan achterkanten kunnen hier veelal eenvoudiger beoordeeld worden dan bouwplannen aan voorkanten.

De welstandsnota bevat voor gebieden met een gewoon welstandsniveau een set criteria, die aanstuurt op een inpassing van bouwplannen zonder de kwaliteit van het gebied uit het oog te verliezen. De woordkeuze en bandbreedte van de criteria bieden ten opzichte van het bijzondere niveau meer mogelijkheden om tot een eigen invulling te komen. De per gebiedstype opgestelde criteria moeten in samenhang met beschrijving, waardering en uitgangspunten geïnterpreteerd worden. Conclusie Het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied (gebied 2E) ten noorden van de Nieuwe Maas (gebied 2C, Lek). Hiervoor zijn gebiedsgerichte criteria aangegeven. Het bouwplan wordt om advies voorgelegd aan de commissie Ruimtelijke kwaliteit. Het bouwplan zal voldoen aan de in de Nota vastgelegde gebiedsgerichte criteria. Aan de door de commissie te maken opmerkingen zal worden voldaan.

34

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

4.4.4

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

4.4.4.1 Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijv. oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Ook het gebruik van niet logende bouwmaterialen valt onder de noemer duurzaam bouwen. Dit is van belang voor de waterkwaliteit. In de waterparagraaf 5.4 wordt hierop ingegaan. Tevens zal hierin aandacht worden besteed aan waterhuishoudelijke aspecten. Duurzame gemeente In de door de gemeenteraad van Krimpenerwaard vastgestelde Omgevingsvisie wil de gemeente de lat van verduurzamen hoog leggen. Als landelijke gemeente gaat zij een stevige bijdrage leveren aan een verstandig klimaatbeleid. De gemeente beseft dat rond 2050 het aardgas zo’n beetje op zal zijn en dat zij daarom vanaf heden moet toewerken naar energieneutrale gebouwen die niet langer met aardgas verwarmd hoeft te worden.

Zij wil een duurzame ontwikkeling stimuleren door ook in te zetten op energiezuinige woningen en energiebesparing. Ook in de door de gemeenteraad op 4 juli 2023 vastgesteld 'Woonvisie gemeente Krimpenerwaard 20232028' is aandacht klimaatverandering en duurzaamheid. De gemeente moet zorgen voor klimaatadaptieve, natuur-inclusieve en duurzame woonwijken. Dit geldt voor nieuwbouw, maar ook voor bestaande wijken. Doel: duurzame, toekomstbestendige en betaalbare nieuwbouw Voor nieuwbouwprojecten sluit de gemeente aan bij de duurzaamheidseisen zoals deze in (thans) het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn opgenomen. De gemeente legt daarmee geen aanvullende bovenwettelijke duurzaamheidseisen op voor nieuwbouwwoningen. Dit doet zij om de bouwkosten te drukken en nieuwbouwprojecten met betaalbare woningen financieel haalbaar te houden. Conform landelijke wetgeving is nieuwbouw aardgasvrij (= minimaal BENG) en heeft nieuwbouw een milieuprestatie (MPG) van maximaal 1,0. Dit wil daarentegen niet zeggen dat de gemeente ontwikkelende partijen niet stimuleert om hogere duurzaamheidsambities te realiseren. In gesprekken met ontwikkelende partijen wordt gekeken waar ruimte ligt. Toetsing planinitiatief De vier woningen worden overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) gerealiseerd. De woningen niet meer aangesloten op het aardgasnetwerk.

De woningen krijgen voorts zonnepanelen op het dak. De isolatie-eisen zijn conform eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: warmteopslag in de grond of warmtepomp via de lucht, warmteterugwinning vanuit ventilatie en opvang en recyclen van regenwater. 4.4.4.2 Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan "weten, willen en werken" om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte en e. bodemdaling. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas. Wateroverlast door overvloedige neerslag In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

35

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Onderdeel Oordeel en conclusie Waterdiepte bij hevige bui – 70 mm / 2 uur Geen tot maximaal 5 cm. Oplosbaar, geen belemmering. (1:100 jaar) Waterdiepte bij hevige bui – 140 mm / 2 uur Geen tot maximaal 5 cm. Oplosbaar, geen belemmering. (1:100 jaar) Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie en scenario 2050 Hoog een gering risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘wateroverlast’. Ter voorkoming van wateroverlast zal het vloerpeil van de bebouwing komen te liggen boven het door het waterschap aan te houden vaste peil. Overstroming In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Plaatsgebonden overstromingskans norm 2050 – Grote kans (> 1/30 per jaar) 20 cm Plaatsgebonden overstromingskans huidige Grote kans (> 1/30 per jaar) situatie – 20 cm Maximale overstromingsdiepte kaart middelgrote Geen tot 0,5 - 1,0 meter kans Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie een groot risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘overstroming’. Vanwege de buitendijkse ligging van de woningen is het doorbreken van een waterkering niet relevant. Daarom is de buitendijkse ligging in beschouwing genomen. Hiervoor is waterstaatinfo van Rijkswaterstaat geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de gemiddelde waterhoogte normaal -40 tot 210 cm is.

Bij de bouw van de woningen wordt rekening gehouden met de relevante grenswaarden van de waterhoogten door het vloerpeil van de bebouwing boven het door het waterschap gehanteerde vaste peil te realiseren, te weten 5+m NAP. Door deze maatregel is het tijdens een overstroming mogelijk om verticaal te evacueren naar een hoger gelegen verdieping binnen de woningen. Voor het souterrain blijft er wel een overstromingsrisico bestaan. Dit is geen groot risico, omdat de bovenzijde van de souterrainvloer 2,87 meter lager ligt op 2,13 m+ NAP. Bovendien wordt het souterrain als berging/onbenoemde ruimte aangemerkt waar niet voortdurend personen verblijven. Ingeval van overstroming kunnen bewoners vluchten naar de verdieping. Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Door aanplant van bomen kan verkoeling worden geboden. In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Hittestress door warme nachten 2050 Geen; toekomstige toestand afhankelijk van keuzes bij inrichting en beheer.

Ligging in stedelijk hitte-eiland Ligging binnen de invloedssfeer van een bebouwingslint. Nu 0,2-0,4 Cc warmer dan het open buitengebied. Dit kan oplopen afhankelijk van de herinrichting van de omgeving. Het plangebied ligt in een bebouwingslint. Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie geen sprake is van hittestress bij aanhoudende hitte. Belangrijk is om de woningen warmtewerend te ontwerpen en bouwen, zoals het aanbrengen van zonneweringen vanweg de grote raampartijen gericht op het zuiden. Door aanleg van groene parkeerplaatsen wordt hittestress enigszins beperkt. Het planten van bomen kan voor verkoeling zorgen. Er is nu geen of weinig effect op bestaande omgeving te verwachten, want het project is zodanig van omvang dat er geen significant verschil zal zijn op het bestaande stedelijk hitte-eiland. Droogte

36

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Risico droogtestress Geen tot laag (jaarlijkse opbrengstderving <10% bij gras bij hoog scenario). Risico verschilzetting 2050 Dit scenario Is niet beschikbaar. De bestaande functie is weinig droogtegevoelig. In de nieuw beoogde ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfsloods gesloopt om plaats te maken voor vier woningen. Door droogtemaatregelen te nemen zoals infiltratie van hemelwater in de bodem kunnen risico’s beperkt worden. Bij uitwerking van het plan is infiltratie van hemelwater in de bodem mogelijk, omdat het plangebied niet volledig wordt verhard. Verder worden de parkeerplaatsen voorzien van grasbetontegels. Bodemdaling In onderstaande tabel zijn de relevante parameters van de klimaateffectatlas in beschouwing genomen. Onderdeel Oordeel en conclusie Bodemdaling 2020-2050 Geen Bodemdaling door ophoging 10 -25 cm Uit de analyse blijkt dat er voor de bestaande situatie een klein risico is voor de ontwikkeling ten aanzien van het aspect ‘bodemdaling’. De bodem bestaat uit weinig draagkrachtige lagen van veen en klei. Er wordt geen pakket zand of grond aangebracht, zodat er geen versterkte bodemdaling optreedt. De woningen dalen niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn geen maatregelen nodig.

4.4.4.3 Biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen Natuur-inclusief bouwen betekent dat er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. Hiermee wordt gezorgd voor een betere leefomgeving van mens en dier, bijvoorbeeld door groene daken en gevels, bomen op balkons en wadi’s, maar ook door wat meer alledaagse aanpassingen zoals het planten van bomen en struiken, het bieden van nest- en schuilgelegenheden aan dieren of het aanleggen van natuurlijke vijvers. Initiatiefnemer is voornemens vier woningen te realiseren in het plangebied. Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen: Toetsing planinitiatief Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen: a. Voor de Huismus wordt ruimte beschikbaar gehouden onder onderste twee rijen dakpannen. b. Voor de Gierzwaluw worden holle inbouwstenen ingemetseld in de randen van de zijgevels. c. Voor vleermuizen worden kasten ingemetseld in de spouw op diverse plaatsen en op een aantal zijgevels vleermuiskasten geplaatst.

Daarnaast wordt in een groenvoorziening een groepskast voor vleermuizen op een paal aangebracht. Aanbevolen wordt: voorzieningen voor de Gewone dwergvleermuis, voor de Laatvlieger en in beperkte mate voor de Ruige dwergvleermuis. Conclusie De woningen worden gebouwd volgens de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Bij uitwerking van het bouwplan wordt rekening worden gehouden met de gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen, klimaatadaptatie, biodiversiteit en natuur-inclusief bouwen overeenkomstig de hiervoor genoemde maatregelen.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

37

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

38

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Water en de fysieke leefomgeving hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de fysieke leefomgeving en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een weging van waterbelang geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de weging van het waterbelang is de relatie tussen planvorming op het gebied van de fysieke leefomgeving en de waterhuishouding te versterken.

5.2

Beleidskader rijk en provincie

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. 5.2.1 Beleid Rijk Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. 5.2.2 Provincie Regionaal waterprogramma Zuid Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben op 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. In dit programma staat wat de provincie doet om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen die betrekking hebben op water (verplichte onderdelen).

Het gaat om de volgende richtlijnen: Kaderrichtlijn Water; Grondwaterrichtlijn; Drinkwaterrichtlijn; Richtlijn Overstromingsrisico’s; Zwemwaterrichtlijn. Naast deze verplichte onderdelen bevat het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 ook niet-verplichte onderwerpen, zoals zoetwatervoorziening, wateroverlast, vaarwegbeheer en waterrecreatie. Hiermee laat provincie Zuid-Holland zien hoe ze samen met haar partners werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Het regionaal waterprogramma is zelfbindend. Dat betekent dat alleen Gedeputeerde Staten eraan gebonden zijn. Toch heeft het regionaal waterprogramma ook gevolgen voor andere overheden. Die zijn wettelijk verplicht rekening te houden met de verplichte onderdelen van het regionaal waterprogramma. De binding van andere overheden aan de niet-verplichte onderdelen is waar nodig geregeld via de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

39

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

5.3

Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Waterschapsverordening van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten, leggers en andere documenten. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap haar visie en ambities voor het waterbeheer voor de komende jaren. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2.

Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Waterschapsverordening en legger In de waterschapsverordening staan regels over activiteiten op of bij dijken, sloten, grondwater en wegen binnen het beheersgebied van een waterschap. De regels zijn bedoeld om het watersysteembeheer goed te kunnen uitvoeren. Daarnaast heeft het waterschap een leggerkaart, waarop de afmetingen en de vorm van sloten en dijken staan. Op de kaart staat ook wie er verantwoordelijk is voor het onderhoud. Schieland en de Krimpenerwaard heeft afzonderlijke leggers voor sloten en dijken.

Waterberging (Beleidsregel Aanbrengen verhard oppervlak 2024) Het waterbergingsbeleid bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect is de versnelde afvoer van neerslag. Het beleid beschrijft op welke wijze het effect van ruimtelijke ontwikkelingen op de waterberging wordt bepaald en hoe ongewenste gevolgen van deze ontwikkelingen kunnen worden gecompenseerd. HHSK maakt onderscheid in drie typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m². 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak. 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak De compensatie eis wordt door HHSK berekend. HHSK beschrijft in het beleid onder andere de volgende toetsingscriteria: Aanvullende waterberging ter compensatie van verhardingstoename dient voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding te worden gerealiseerd; Waterberging moet algemeen en te allen tijde beschikbaar zijn; De waterberging moet in hetzelfde peilgebied op zo'n kort mogelijke afstand van de ontwikkeling worden gerealiseerd. Alleen wanneer dit niet mogelijk is kan in overleg een andere benedenstroomse locatie overwogen worden.

40

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK.

5.4

Waterhuishouding

Veiligheid en waterkeringen Op de Legger Dijken ligt het plangebied in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering (figuur 9). Het bebouwingslint ligt in de kernzone van de waterkering, terwijl de tweede lijn bebouwing ten noorden van de uitloper van de Nieuwe Maas is gelegen. De woningen worden in de kern- en beschermingszone gebouwd. Hiervoor wordt tijdig een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit aangevraagd. Met inachtneming hiervan worden de waterstaatkundige belangen voldoende beschermd.

Figuur 9: Uitsnede Legger Dijken. Plangebied blauw omkaderd. Oppervlaktewateren Op de Legger het watersysteem ligt het plangebied niet in de kern- en beschermingszone van primair of overig oppervlaktewater. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Beschrijving waterkwantiteit De bestaande schuur van 202 m² wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats komen vier woningen met een bebouwd oppervlak van 282 m². Het bebouwd oppervlak neemt met 80 m² toe. Het onbebouwd verhard oppervlak wordt minder, omdat de stelconplaten op het terrein worden verwijderd. Op grond van de

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

41

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

richtlijnen van het hoogheemraadschap is het realiseren van watercompensatie niet nodig, omdat de toename aan verharding minder is dan 500 m². Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de woningen wordt op het oppervlaktewater afgevoerd. Voor vergunningplichtige activiteiten zal een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap. Weging van het waterbelang De aanvraag omgevingsvergunning wordt om advies voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het wateradvies wordt verwerkt in de definitieve onderbouwing. 5.4.1 Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen dit bouwplan.

42

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Hoofdstuk 6

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

De beleidsvelden milieu en fysieke leefomgeving groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en de fysieke leefomgeving. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de fysieke omgevingsaspecten en het milieu die een rol spelen bij de beoogde planontwikkeling. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van de fysieke leefomgeving van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn Milieueffectrapportage, Activiteiten en milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit, Omgevingsveiligheid en Gezondheid. 6.1.1 Milieueffectrapportage Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Met de aanvraag om een omgevingsvergunning zijn dergelijke besluiten niet aan de orde. In artikel 11.6 (aanwijzen mer-(beoordelings)plichtige projecten) van het Omgevingsbesluit zijn in lid 3 projecten genoemd die mer-(beoordelings)plichtig zijn zoals opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. Onderzoek/ beoordeling Met deze aanvraag omgevingsvergunning worden vier woningen mogelijk gemaakt.

De ontwikkeling valt niet onder 'plannen en programma's' zoals genoemd in de richtlijn in artikel 2 van de SMB-richtlijn. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn in 1 lijst zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog 2 lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit). Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten is het volgende opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Tabel 6.1: Bijlage V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Projecten Gevallen waarin de Gevallen waarin de Besluiten als mer-plicht geldt mer-beoordelingsplicht bedoeld in artikel (artikel 16.43, eerste geldt (artikel 16.43, 11.6, derde lid, lid, aanhef en onder eerste lid, aanhef en onder c, van het a, van de onder b, van de Omgevingsbesluit Omgevingswet) Omgevingswet) J11 Stedelijk Niet van toepassing Aanleg, wijziging of Het omgevingsplan ontwikkelingsproject uitbreiding met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

Gelet op de aard, omvang en directe omgeving (alsmede relevante jurisprudentie over dit onderwerp) is de beoogde ontwikkeling zelfstandig beschouwd mogelijk niet aan te merken als een stedelijk

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

43

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor de ontwikkeling van onderhavig project zijn milieuonderzoeken uitgevoerd (akoestisch onderzoek, bodemonderzoek, ecologisch onderzoek en stikstofberekeningen). Deze onderzoeken zijn gebruikt om de milieueffecten te beoordelen voor deze mer-beoordeling. Er is geen milieueffectrapport nodig, omdat het project volgens het de Omgevingswet niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Conclusie Voor het oprichten van vier woningen zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Gelet op het “nee, tenzij” principe kan daarom worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport. 6.1.2 Activiteiten en milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid en geur. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Bedrijfsactiviteiten moeten worden getoetst aan het Besluit activiteiten leefomgeving. De Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 (VNG) geeft daarnaast richtafstanden voor de ruimtelijke inpasbaarheid van nieuwe initiatieven, per type bedrijvigheid, voor geur en geluid.

Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot 3 groepen met bijbehorende aanpak, namelijk: Nieuwe milieugevoelige functies nabij bedrijven Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen De richtafstanden in Activiteiten en milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals woningen. De richtafstanden in de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering zijn geclassificeerd in zones voor geluid en geur. In tabel 6.2 zijn de richtafstanden uit de VNG richtlijn opgenomen. Indien sprake is van gemengd gebied dan mag de richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. Tabel 6.2: Richtafstanden volgens VNG richtlijn. Zone geur Zone geluid FM* FM* 1 1 2 2 3 3 4 4 * FM: Geschikt voor Functiemenging.

Minimale afstand (meter) 10 30 50 100 200

Onderzoek/ beoordeling Aan de Noord staan nabij het plangebied voornamelijk grondgebonden woningen. Aan de westzijde staat een bedrijfswoning met bedrijfsloods. Aan de overkant van de Sliksloot ligt een bedrijventerrein. Sprake is van een gebied met functiemenging. Uit inventarisatie is gebleken dat dat de volgende milieubelastende activiteiten relevant zijn: Tabel 6.3: overzicht bestaande (agrarische) bedrijven in directe omgeving plangebied. Adres Richtafstand tot Nader onderzoek Bedrijf gemengd gebied Veehouderijbedrijf Noord 40a 50 m Ja, het bouwvlak ligt op minimaal 30 (SBI code 0122) meter afstand tot de dichtstbijzijnde (milieucategorie 3.2) nieuw woning. KKS Noord 27 10 m Nee, De afstand tussen de (milieucategorie 2) dichtstbijzijnde woning en het bedrijf is minimaal 25 meter.

44

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

AWZI De Groote Zaag Zaag 8 < 100.000 i.e. (milieucategorie 4.1)

100 m

Nee, de afstand tussen de AWZI en de dichtstbijzijnde woning is 130 m.

Verder zijn de twee nabijgelegen industrieterreinen 'De Zaag' en 'Noord' relevant. Hieronder vindt een beoordeling plaats van deze milieubelastende activiteiten. Veehouderijbedrijf Noord 40a, Krimpen aan de Lek Uit artikel 5.92 Bkl volgt dat geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. In het omgevingsplan wordt met de definitie van een 'geurgevoelig object' méér soorten gebouwen aangewezen dan wat artikel 5.91, eerste tot en met derde lid van het Bkl als minimum voorschrijven. Deze ruimere aanwijzing is toegestaan op grond van artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl en wordt dan ook als uitgangspunt gehanteerd bij de beoordeling van de nabijgelegen veehouderijbedrijven. Voor dierenverblijven en overige agrarische activiteiten staan er standaardwaarden in het Bkl (artikel 5.109 en 5.120 e.v.). Als aan de standaardwaarden of aan de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan wordt voldaan, dan is geur aanvaardbaar. In het Bkl zijn afstanden opgenomen voor het houden van dieren zonder geuremissiefactoren ten opzichte van geurgevoelige gebouwen, dit is 50 meter buiten de bebouwde kom. Er zijn afwijkende afstanden opgenomen voor een veehouderij waar dieren worden gehouden met geuremissiefactor. Voor ruimte-voor-ruimte woningen staat dit in artikel 5.111 van het Bkl.

Voor woningen buiten de bebouwingscontour geldt dat er minimaal 50 meter moet zijn tussen de locaties. Voor zowel stof als geluid geldt een minimaal aan te houden afstand van 30 meter voor een veehouderij met rundvee. Voor de toetsing van het woon- en leefklimaat en de ontwikkelmogelijkheden wordt er gekeken naar de maximaal planologische mogelijkheden. Hieruit blijkt dat de minimale afstand van 50 meter voor geur niet wordt gerespecteerd, omdat het bouwvlak van de veehouderij tot de dichtstbijzijnde nieuwe woning circa 30 meter is. Besluit activiteiten leefomgeving Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat voorwaarden die bepalen of een inrichting wel of niet onder het Besluit valt. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op het aantal dieren, de afstand tot een kwetsbaar gebied, de afstand tot gevoelige objecten en de aard en capaciteit van stoffen die worden op- en overgeslagen. Indien niet aan de minimale afstanden wordt voldaan, is het bedrijf vergunningplichtig. De minimale afstanden zijn weergegeven in tabel 6.4. Tabel 6.4: Minimale afstanden landbouwbedrijven Inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden Minimumafstand binnen de 100 m bebouwde kom Minimumafstand buiten de 50 m bebouwde kom

Inrichting waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden 50 m 25 m

Naast de in de tabel genoemde afstanden gelden minimale afstanden tot opslagen van mest, afgedragen gewassen en dergelijke. Het veehouderijbedrijf aan de Noorde 40a valt onder het Bal. Bij het toelaten van nieuwe gevoelige functies en de nieuwbouw of uitbreiding van agrarische bedrijven dient rekening te worden gehouden met (afstands)normen ten aanzien van landbouwbedrijven. Op grond hiervan dient een afstandsnorm van 50 meter te worden aangehouden, omdat het plangebied buiten de bebouwde kom ligt. De afstand kan met 25 meter worden verminderd, wanneer de gemeente een Geurverordening heeft vastgesteld op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (afgekort Wgv). Ten aanzien geurhinder wordt het volgende opgemerkt. Geurverordening gemeente Krimpenerwaard De gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard heeft op 1 november 2016 de ’Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017’ vastgesteld. Deze verordening is bedoeld om knelpunten die zijn ontstaan door de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer en van

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

45

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

de Wet geurhinder en veehouderij en die botsen met het ruimtelijke beleid van de gemeente waar mogelijk op te heffen. Met deze verordening wil de gemeente ruimte bieden aan agrarische bedrijven en nieuwe ontwikkelingen aan de rand van de bebouwde kom mogelijk te maken. Op grond hiervan dient tussen een agrarische inrichting waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en de gevel van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter afstand te worden gehouden vanaf de dichtstbijzijnde gevel van de stal tot naburige woningen en andere geurgevoelige functies. Toetsing bedrijf aan Geurverordening Binnen een straal van 50 meter ligt een veehouderijbedrijf aan de Noord 40a. De afstand tussen de dichtstbijzijnde nieuwe woning en deze geurbelastende activiteit is minimaal 30 meter. De bedrijfsactiviteiten van dit bedrijf worden niet beperkt. Andersom geredeneerd levert de vervolgfunctie naar wonen geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat kan in het plangebied voldoende worden gegarandeerd. Voldaan kan worden voldaan aan de minimaal aan te houden afstanden van de Geurverordening, zodat er vanuit milieuzonering geen beperkingen zijn. Noord 27 Aan de Noord 27 staat een bedrijfswoning met hierachter een bedrijfsloods waar een bedrijf in milieucategorie 1 en 2 is toegestaan. Hier is KKS gevestigd. Een bedrijf in reparaties aan machines en werktuigen.

Dit perceel staat nu te koop. Een bedrijf in milieucategorie 2 valt onder functiemenging met een richtafstand van 10 meter. De afstand ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning is minimaal 25 meter. Er is geen nader onderzoek nodig. AWZI De Groote Zaag Aan de Zaag 8 ligt AWZI De Groote Zaag van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Op deze zuivering wordt het afvalwater gezuiverd van de kernen Krimpen aan de Lek, Lekkerkerk en Ouderkerk aan den IJssel (gemeente Krimpenerwaard) alsmede van Krimpen aan den IJssel. Op deze AWZI kan het water van circa 68.100 inwoners worden gezuiverd. Voor het aspect geur dient een afstand van 100 meter te worden aangehouden. De afstand ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning is minimaal 130 meter. Er is geen nader onderzoek nodig. Bedrijventerreinen met geluidproductieplafond Ten zuiden van het plangebied ligt aan de overzijde van de Sliksloot op circa 30 meter het industrieterrein 'De Zaag'. In noordwestelijke richting ligt op circa 70 meter het industrieterrein 'Noord'. Het plangebied ligt in de geluidsinvloedssfeer van deze industrieterreinen waar bedrijven zijn toegestaan tot en met milieucategorie 5.

De bouw van een woning is binnen de geluidzone niet toegestaan, tenzij uit akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege het industrieterrein op enige gevel van de betrokken woning of het betrokken gebouw niet hoger zal zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. In verband hiermede is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Ambro Advies te Gorinchem (rapport van 15 augustus 2025, documentnummer 20252292.v1.1, Bijlage 1). Uit de uitgevoerde berekeningen kan het volgende worden afgeleid (conclusies overgenomen uit rapport). Uit het onderzoek blijkt dat de standaardwaarde van 50 Lden vanwege industrie wordt overschreden. Het hoogst berekende geluid vanwege industrie bedraagt 54 dB. De geluidbelasting valt binnen de grenswaarden van 55 dB. Vanwege het industrielawaai is een hogere waarde procedure nodig. De aangevraagde hogere waarden zijn opgenomen in tabel tabel 6.5. Tabel 6.5: Geluidbelasting industrie per woning Woning LAr,LT etmaalwaarde 1 54 2 53 3 53 4 53 Maatregelen bij de ontvanger Aanvullend zullen op grond van het gezamenlijke geluid van wegen en industrie gevelmaatregelen

46

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

worden getroffen waardoor het binnenniveau in de verblijfsgebieden niet meer zal bedragen dan 33 dB en in de verblijfsruimten niet meer dan 35 dB. Zie hiervoor het afzonderlijke geluidwering gevelonderzoek met kenmerk 2025317 V1.0 van 15 augustus 2025, zoals opgenomen in Bijlage 2. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Voor alle woningen geldt dat zowel het gecumuleerde als het gezamenlijk geluid 62 dB bedraagt op de maatgevende (voor)gevel. De hieruit volgende eis voor de karakteristieke geluidwering van de gevels bedraagt 62-33 = 29 dB voor de verblijfsgebieden en 27 dB voor de verblijfsruimten. Deze geluidwering zal worden bereikt. Het binnenniveau zal niet meer bedragen dan 33 dB/35 dB(A). Alle woningen beschikken over een geluidsluwe gevel zodat voldaan wordt aan 'Beleidsregel Hogere waarden, 2018 regio Midden-Holland'. Met inachtneming van de resultaten van het akoestisch onderzoek is aangetoond dat er geen aanleiding om aan te nemen dat de nieuw te bouwen woningen in het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Een goed verblijfs- leefklimaat blijft gegarandeerd. Geurhinder De geplande ontwikkeling ligt niet in de nabijheid van een overig (agrarisch) bedrijf of andere bron van geurhinder. Een onderzoek naar geurhinder is niet noodzakelijk. Lichthinder De geplande ontwikkeling betreft een gevoelige bestemming voor lichthinder.

In de directe omgeving zijn geen locaties of activiteiten waarvan problemen worden verwacht op het gebied van verlichting. Een onderzoek naar lichthinder is niet noodzakelijk. Trilling Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op een locatie op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. Er zijn in de omgeving van de planlocatie geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken zoals spoorlijnen. Er wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Uit inventarisatie en onderzoek is gebleken er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd die een beperking zijn voor deze planontwikkeling. Voor de woningen kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen dit bouwplan.

Met inachtneming van het vorenstaande is er geen aanleiding om aan te nemen dat de activiteit Wonen in het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zal opleveren. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen de vervolgfunctie naar woondoeleinden met een bedrijf aan huis. Andersom geredeneerd zijn er voor het nabij gelegen agrarisch bedrijf geen beperkingen voor de bedrijfsvoering als gevolg van de vervolgfunctie naar Wonen. De planontwikkeling geeft vanuit milieuzonering geen beperkingen voor bestaande milieugevoelige- en milieubelastende activiteiten.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

47

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

6.1.3 Geluid Wettelijk kader algemeen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de Bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 Bruidsschat); Geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 Bruidsschat); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 Bruidsschat).

De instructieregels uit Afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. 6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen.

Het Bkl verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen het Bkl regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 3.22 van het Bkl is geluidsgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Onderzoek/ beoordeling Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een weg gelden, staan in tabel 6.6. Tabel 6.6: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=a3cc97bb-80e1-4114-b633-88656bd636c3