Bijlage 1 - 1e wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Krimpenerwaard milieuthema's
Tekst van het document
Subparagraaf 5.2.2.3 Terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés Paragraaf 4.3.5 van de regionale Nota bodembeheer 2023 geeft initiatiefnemers de mogelijkheid om bij werkzaamheden in kabel- en leidingtracés de vrijgekomen grond geroerd in het ontgravingsprofiel terug te plaatsen. Om dit ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet mogelijk te maken, is een maatwerkregel opgenomen.
24
Concept
(van 22-9-2025 15:50)
Artikel 5.38 Maatwerkregel terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingentracés
Concept
Paragraaf 4.3.5 van de regionale Nota bodembeheer 2023 geeft initiatiefnemers de mogelijkheid om bij werkzaamheden in kabel- en leidingtracés de vrijgekomen grond geroerd in het ontgravingsprofiel terug te plaatsen. Om dit ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet mogelijk te maken, is een maatwerkregel opgenomen.
Subparagraaf 5.2.2.4 Wijzigen van gebruiksfunctie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat Onder de Omgevingswet verplicht het Rijk de gemeenten niet tot het stellen van regels over de bodemkwaliteit in relatie tot een functiewijziging naar een gevoeliger gebruik, zonder bouwactiviteit. De regulering richt zich op de bouwactiviteiten. Het Rijk heeft het overgelaten aan gemeenten om hier invulling aan te geven. In artikel 3.1.6 van het huidige Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro) is aangegeven met welke onderwerpen rekening moet worden gehouden bij het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan. Hierin is geen rechtstreekse verplichting opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek of sanering van de bodem. Wel dient inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Vanuit dat gegeven werd een bodemtoets uitgevoerd. Onder de Omgevingswet komt het Bro te vervallen. In de Omgevingswet zijn geen regels opgenomen over het uiteenzetten van de inzichten over de uitvoerbaarheid. Er is dan geen grondslag meer om, enkel bij functiewijziging, een bodemtoets uit te voeren. Ten behoeve van het beschermen van de gezondheid betrekken wij de bodemkwaliteit bij een functiewijziging naar een gevoelig gebruik, ook zonder een bouwactiviteit.
Paragraaf 5.2.3 Niet-industriële bereiding van voedsel Het is aan de gemeente te zorgen voor een goed functionerend rioolstelsel. Hoe goed de gemeente zich ook inspant, verstoppingen komen voor. Het lozen van vet en olie zorgt vaak voor verstopping van het riool. Onderzoek toont aan dat als warm afvalwater, met daarin bijvoorbeeld vet of olie, afkoelt, vet en olie stolt en zich hecht aan de wanden van het riool. De afvoer wordt minder en dit leidt tot verstoppingen, overstromingen, viezigheid, stank en hoge kosten voor herstel. Ieder bedrijf dat vethoudend afvalwater loost moet daarom een vetafscheider met bijbehorende slibvangput hebben. Denk bijvoorbeeld aan horecabedrijven die door koken, bakken en frituren met vethoudende producten zoals vlees of friet met mayonaise vethoudend afvalwater lozen. Voor deze bedrijven is een vetafscheider verplicht. Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.
In de regels is ook een verbod opgenomen om afvalwater vanuit voertuigen of andere mobiele installaties (denk aan oliebollenkramen of foodtrucks) op de standplaats te lozen. Het is de bedoeling dat de initiatiefnemer het afvalwater in deze voertuigen opvangt en naar een erkende verwerker afvoert. Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 18252. Op grond van lid 6 kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In bepaalde gevallen kan het acceptabel zijn dat afvalwater vanuit voertuigen of andere mobiele installaties op het vuilwaterriool (of zelfs, na behandeling, in een regenwaterriool) wordt geloosd. Artikel 5.4.X.4 beidt dan de mogelijkheid om dat met een maatwerkvoorschrift toe te staan. Door goed keukenmanagement en/of door de aard en omvang van de horeca-activiteiten kan het voorkomen dat er vrijwel geen vethoudend afvalwater wordt geloosd. In dat geval is een vetafscheider
25
Concept
(van 22-9-2025 15:50)
niet nodig kan de gemeente middels een maatwerkvoorschrift ontheffing verlenen van de verplichting om een vetafscheider te hebben.
Concept
Q De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in Artikel 22.26, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit Artikel 22.26, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen.
Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd. Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht.
Zo is de eis in onderdeel a, onder 3, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd. Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In onderdeel i zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.
[datum vaststelling wijzigingsbesluit vangnetregeling] In sub f onder 2 is het woord 'gebouw' vervangen door 'hoofdgebouw'.Insub f onder 3 is het zinsdeel 'die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aan-grenzend openbaar toegankelijk gebied' vervangen door 'die loopt langs de voorkant van dathoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebiedzonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen'.Deze aanvulling op artikel 22.27 van de bruidsschat strekt tot verduidelijking van de eisen die voorde situering van vergunningvrije erf- en perceelafscheidingen onder f, onder 2 en 3, van dat artikelzijn gesteld. De aanvulling is opgenomen in de Vangnetregeling Omgevingswet Artikel 2.1b, aanvulling op artikel 22.27 bruidsschat. Artikel 22.26 van de bruidsschat bevat het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwacti-viteit te verrichten en het te bouwen
26
Concept
(van 22-9-2025 15:50)
Concept
bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27van de bruidsschat wijst een aantal bouwwerken aan waarop dat verbod niet van toepassing is.Daarbij gaat het onder andere om erfen perceelafscheidingen (artikel 22.27, onder f van debruidsschat). Deze zijn vergunningvrij als aan een aantal eisen wordt voldaan. Het gaat hier ondermeer om de in artikel 22.27, onder f, onder 2, van de bruidsschat gestelde eis dat de afscheidingmoet zijn geplaatst op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding infunctionele relatie staat en de in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat gestelde situe-ringseis voor de ligging van de (denkbeeldige) lijn waarachter vergunningvrije erf- en perceelafschei-dingen moeten zijn gelegen.Met de regeling in de bruidsschat over deze vergunningvrije erf- en perceelafscheidingen (hogerdan 1 m, niet hoger dan 2 m) is een beleidsneutrale omzetting van artikel 2, onder 12, van bijlageII bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) beoogd.
Daarbij is met de in artikel 22.27, onder f, onder 3,van de bruidsschat gestelde situeringseis in een vervangende regeling voorzien voor de situerings-eisen ‘achter de voorgevelrooilijn’ en ‘op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied’ zoalsdie voorheen in artikel 2, onder 12, onder b, onder 2 en 3, van bijlage II bij het Bor waren gesteld.De lijn waarachter erf- en perceelafscheidingen met een hoogte van 1 tot 2 m vergunningvrij kunnenworden opgericht is in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat omschreven als ‘de lijndie langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijkgebied’. Inmiddels is gebleken dat deze nieuwe omschrijving van de lijn in de praktijk tot verwarringleidt, met name als het gaat om het verloop van de lijn aan de zijkant en vervolgens aan de achterkantvan het gebouw. Onvoldoende wordt herkend dat met de omschrijving van de lijn geen wijzigingenten opzichte van de regeling onder het Bor zijn beoogd en wordt soms ten onrechte een vergunning-plicht verondersteld. Om hierover duidelijkheid te bieden wordt de omschrijving van de lijn naderaangevuld, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de begripsomschrijving van ‘achtererfge-bied’.
De methodiek om de ligging van het achtererfgebied te bepalen is namelijk dezelfde als demethodiek voor het bepalen van de ligging van de in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschatbedoelde lijn. Met de toevoegingen ‘vanaf daar’ in samenhang met ‘zonder het hoofdgebouw tedoorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen’ wordt buiten twijfel gestelddat de lijn bij bijvoorbeeld hoekwoningen eerst langs de voorgevel van het gebouw loopt en vervol-gens langs de zijgevel mee de hoek om loopt. In verband met de verduidelijking van de ligging vande lijn wordt artikel 22.27, onder f, onder 2 en 3, van de bruidsschat verder aangevuld wat betreftde aard van het gebouw waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie moet staan.Tot uitdrukking wordt gebracht dat het hierbij moet gaan om een hoofdgebouw. Hieronder moetop grond van artikel 1.1, eerste lid, van de bruidsschat worden verstaan een hoofdgebouw zoalsgedefinieerd in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Weliswaar is de eis dat sprakemoet zijn van een hoofdgebouw – en dus niet alleen ‘een gebouw’ – naar de letter een wijziging tenopzichte van de regeling in artikel 2, onder 12, van bijlage II bij het Bor, die ook uitging van dekoppeling aan een gebouw. Materieel gold de eis dat sprake moet zijn van een hoofdgebouw echterook al onder dat regime.
Toen vloeide die eis impliciet voort uit de begripsomschrijving van ‘erf’ en de koppeling aan de ligging achter de voorgevelrooilijn zoals die waren opgenomen in die regeling. R De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.
Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit Artikel 22.29 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in Artikel 22.33, eerste lid, genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering
27
Concept
(van 22-9-2025 15:50)
in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.
Concept
In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan.
Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen. Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42). [aanvulling wijzigingsbesluit vangnetregeling] Onderdelen c, d en e zijn toegevoegd ten opzicht van het originele artikel 22.33 uit de bruidsschat.Deze toevoeging is afkomstig uit artikel 2.2 van de Vangnetregeling Omgevingswet. Het corrigeerteen onvolkomenheid in de bruidsschat. Met de artikelen 2.2 en 2.5 worden respectievelijk de artikelen 22.33 en 22.278 van de bruidsschat aangevuld.
De in deze bepalingen opgenomen grondslagen omeen onder nieuw recht ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevings-planactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het tebouwen bouwwerk, en een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, nietzijnde een bouwwerk, of werkzaamheid, te weigeren, worden uitgebreid. De aanvullende bepalingenregelen dat zo’n vergunning ook moet worden geweigerd als sprake is van een nog onder oud rechtlopende procedure van een bestemmingsplan of inpassingsplan op grond van de voormalige Wetruimtelijke ordening. De vergunning kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming ismet het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hiermee wordt het regime van voorbereidings-bescherming, zoals dat bestond onder artikel 3.3 van de voormalige Wabo, voortgezet met de mo-gelijkheid de vergunning te weigeren. Hiermee wordt voorkomen dat voorbereidingsbeschermingverloren zou gaan en onbedoeld vergunning zou moeten worden verleend voor ontwikkelingen diemet het oog op de in voorbereiding zijnde nieuwe regeling ongewenst zijn. Hier is sprake van eenontbrekend overgangsrecht, wat in specifieke situaties onredelijk is.
De artikelen 2.2 en 2.5 vallenzowel onder criterium a, b als c (in artikel 22.33 opgenomen onder c, d en e).Onderdeel c is in de wijziging van de Vangnetregeling Omgevingswet (artikel 1, D) gewijzigd tenopzichte van artikel 2.2 uit bovenstaande bestaande Vangnetregeling Omgevingswet. Onder c is‘artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening’ vervangen door ‘artikel 3.8, eerstelid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening’. S
28
Concept
(van 22-9-2025 15:50)
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Concept
Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in Artikel 22.36 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover Artikel 22.36 betrekking heeft op die gebouwen - de onderdelen a en c - is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht. De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat.
Het gaat hier om Artikel 22.39, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen. Artikel 22.39, onder c, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in Artikel 22.36, onder a en c, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen.
Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van Artikel 22.39, onder c, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico's en aldus voor eenieder kenbaar zijn. Bij de opsomming van activiteiten in Artikel 22.39, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl.
Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in Artikel 22.39, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in Artikel 22.39, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van Artikel 22.39, onder c, buiten beschouwing te laten. [aanvulling wijzigingsbesluit vangnetregeling] Onder c is subonderdeel 14 toegevoegd ten opzicht van het originele artikel 22.39 uit de bruidsschat.Deze toevoeging is afkomstig uit artikel 2.3 van de Vangnetregeling Omgevingswet. Het corrigeert een onvolkomenheid in de bruidsschat.
Deze bepaling zorgt ervoor dat het bouwen, in stand houdenof gebruiken van bepaalde bouwwerken niet meer
29
Concept
(van 22-9-2025 15:50)
automatisch is toegestaan binnen een bepaaldeafstand vanaf opslagtanks waarin organische oplosmiddelen worden opgeslagen. T
Concept
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking Eerste lid De uitzondering in Artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl. Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo'n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw. De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw. Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten. Tweede lid Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten.
Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw. Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.
Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten
Geluidgevoelig gebouw
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd
30
Concept
Activiteiten
al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet
nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet
de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing
de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing
(van 22-9-2025 15:50)
Concept
in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd
de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing
de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar
de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing
de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing
in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar
de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing
de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing
artikel 22.55, derde lid [aanvulling wijzigingsbesluit vangnetregeling] Dit onderdeel maakte geen deel uit van de originele bruidsschat, maar is een aanvulling op artikel22.55 uit de bruidsschat afkomstig uit artikel 2.4 van de Vangnetregeling Omgevingswet. Dit onderdeelcorrigeert een onvolkomenheid in de bruidsschat. Deze zorgt ervoor dat de geluidsregels niet vantoepassing zijn op bovengrondse hoogspanningsverbindingen. In een dergelijke uitzondering wasnog niet voorzien, hoewel voor deze activiteit onder oud recht geen geluidsregels golden. Zonderhet toevoegen van deze uitzondering zouden deze hoogspanningsverbindingen in een aantal gevallenniet voldoen aan deze geluidsregels. Hoewel er in dergelijke gevallen uitzicht zou zijn op legalisatiedoor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit,is dit onredelijk belastend voor de beheerder en de betrokken gemeenten. U De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein. Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van Artikel 22.60 en Artikel 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt. Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer. Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid.
Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in Artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken. [datum wijzigingsbesluit vangnetregeling] Aan het eerste lid is de zinsnede 'of op een indu-strieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld' toegevoegd.Deze aanvulling komt uit de Vangnetregeling OmgevingswetArtikel 2.4a, aanvulling op artikel 22.61abruidsschat.In verschillende artikelen van de bruidsschat, zoals bijvoorbeeld artikel 22.71, is bepaald dat diegelden voor activiteiten die worden verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrie-terrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. Dat geldt echterniet voor artikel 22.61a van de bruidsschat, ingevoegd door het Verzamelbesluit
31
Concept
(van 22-9-2025 15:50)
Concept
Omgevingswet2022, over het verstrekken van gegevens en bescheiden bij het beginnen of wijzigen van activiteiten.Ingevolge het eerste lid geldt de informatieplicht alleen voor een activiteit die wordt verricht op eengezoneerd industrieterrein. De informatieplicht geldt niet voor een activiteit op een industrieterreinwaarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.Dit heeft als gevolg dat de in artikel 22.61a van de bruidsschat geregelde informatieplicht voorbedrijven vervalt op het moment waarop voor een aanwezig industrieterrein, met toepassing vanparagraaf 12.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de eerste geluidproductieplafonds alsomgevingswaarden worden vastgesteld. De gemeente kan uiteraard op dat moment bijomgevingsplan eigen regels met informatieplichten stellen, maar een impliciete verplichting daartoezou een onbedoelde belemmering kunnen vormen voor die eerste vaststelling van degeluidproductieplafonds. Met artikel 2.4a van de Vangnetregeling wordt deze belemmeringweggenomen. Zolang de bruidsschat geldt voor de locatie van het industrieterrein, blijft deinformatieplicht als bedoeld in artikel 22.61a van de bruidsschat gelden, ook als voor een bestaandindustrieterrein geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
Met artikel 12.2a, eerste lid, Bkl, ingevoegd door het Verzamelbesluit Omgevingswet 2023, is eenvergelijkbare belemmering weggenomen die artikel 5.78f Bkl had kunnen vormen. In het eerste lidvan dat artikel is bepaald dat artikel 5.78f niet hoeft te worden toegepast zolang de eerste geluidpro-ductieplafonds, die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 12.2 Bkl, van kracht zijn, tot uiterlijkhet tijdstip bedoeld in artikel 22.6, derde lid, van de Omgevingswet waarvoor alsnog met toepassingvan artikel 5.78f Bkl regels worden opgenomen in het niet-tijdelijk deel van het omgevingsplan.Voor de informatieplicht als bedoeld in artikel 22.61a van de bruidsschat is zo’n beperking niet nodig,aangezien ook dit artikel vervalt op het moment dat voor de locatie van het industrieterrein alsnogtoepassing wordt gegeven aan artikel 5.78f Bkl. Het ligt wel voor de hand om dan ook een informa-tieplicht in (het niet-tijdelijk deel van) het omgevingsplan op te nemen, die afgestemd kan wordenop de specifieke informatiebehoefte van de gemeente. V De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht Wat in Artikel 22.33 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in Artikel 22.278 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt Artikel 22.278 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is Artikel 22.278 identiek aan de werking van Artikel 22.33. Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op Artikel 22.33.
[aanvulling datum wijzigigingsbesluit vangnetregeling] Onderdelen c, d en e zijn toegevoegd ten opzicht van het originele artikel 22.278 uit de bruidsschat.Deze toevoeging is afkomstig uit artikel 2.5 van de Vangnetregeling Omgevingswet. Het corrigeerteen onvolkomenheid in de bruidsschat. Met de artikelen 2.2 en 2.5 worden respectievelijk de artikelen22.33 en 22.278 van de bruidsschat aangevuld. De in deze bepalingen opgenomen grondslagen omeen onder nieuw recht ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevings-planactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het tebouwen bouwwerk, en een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, nietzijnde een bouwwerk, of werkzaamheid, te weigeren, worden uitgebreid. De aanvullende bepalingenregelen dat zo’n vergunning ook moet worden geweigerd als sprake is van een nog onder oud rechtlopende procedure van een bestemmingsplan of inpassingsplan op grond van de voormalige Wetruimtelijke ordening. De vergunning kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming ismet het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hiermee wordt het regime van voorbereidings-bescherming, zoals dat bestond onder artikel 3.3 van de voormalige Wabo, voortgezet met de mo-gelijkheid de vergunning te weigeren.
Hiermee wordt voorkomen dat voorbereidingsbeschermingverloren zou gaan en onbedoeld vergunning zou moeten worden verleend voor ontwikkelingen diemet het oog op de in voorbereiding
32
Concept
(van 22-9-2025 15:50)
Concept
zijnde nieuwe regeling ongewenst zijn. Hier is sprake van eenontbrekend overgangsrecht, wat in specifieke situaties onredelijk is. De artikelen 2.2 en 2.5 vallenzowel onder criterium a, b als c (in artikel 22.278 opgenomen onder c, d en e).Onderdeel c is in de wijziging van de Vangnetregeling Omgevingswet (artikel 1, F) gewijzigd tenopzichte van artikel 2.2 uit bovenstaande bestaande Vangnetregeling Omgevingswet. Onder c is‘artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening’ vervangen door ‘artikel 3.8, eerstelid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening’.
33
Concept
(van 22-9-2025 15:50)