BIJL2 - Aanpassingen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Krimpenerwaard 2019
Tekst van het document
pag. 28 van 45
In de Verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij toegankelijke) en maatwerk (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene voorziening. Hier kunnen cliënten gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De cliënt kan zich voor deze ondersteuning dus rechtstreeks tot de aanbieder wenden. Een maatwerkvoorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg of hulp. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de cliënt deze hulp daadwerkelijk nodig heeft. De gemeente bepaalt zelf welke hulpvrij toegankelijk is en welke niet. De opgesomde voorzieningen in deze verordening zijn voorbeelden van voorzieningen en is geen limitatieve opsomming. Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente regels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. De volgende algemene voorzieningen zijn onder andere beschikbaar:
a. Informatie en advies voor jeugdige en ouder, Centrum voor Jeugd en Gezin; b. Algemeen Maatschappelijk Werk; c. Jeugdgezondheidszorg; d. Veilig Thuis; e. Integrale crisisdienst; f. Vertrouwenspersoon; g. Kindertelefoon; h. Cliëntondersteuning; i. Crisisdienst.
De volgende maatwerkvoorzieningen Wmo zijn onder andere beschikbaar:
a. Hulp bij het huishouden; b. Woonvoorzieningen; c. Rolstoelvoorzieningen; d. Vervoersvoorzieningen; e. Sportvoorzieningen; f. Individuele begeleiding; g. Dagbesteding; h. Vervoer naar dagbesteding (en dagbehandeling); i. Logeeropvang en logeerverblijf; j. Beschermd wonen.
De volgende maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar:
a. Jeugdzorg plus; b. Jeugdbescherming; c. Jeugdreclassering; d. Jeugd en opvoedhulp waaronder:
pag. 29 van 45
i. Ambulante jeugdhulp; ii. Dagbehandeling; iii. Verblijf pleegzorg; iv. Verblijf 24-uur zorg; v. Spoedeisend zorg (ambulant en verblijf); vi. Vervoer. vii. Individuele begeleiding zonder verblijf; viii. Dagbesteding met vervoer zonder verblijf; ix. Logeeropvang (respijtzorg); e. Jeugd GGZ waaronder: o i. Basis Jeugd GGZ; o ii. Specialistische jeugd GGZ; o iii. Ernstige Enkelvoudige Dyslexie zorg (EED). o o o o o o o o o
Artikel 4. Melding Voordat de cliënt een aanvraag indient voor een maatwerkvoorziening, doet hij een melding bij het college waarin hij zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning (hulpvraag) aangeeft. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. De ontvangst van de melding wordt schriftelijk bevestigd (onder schriftelijk wordt ook een digitale vorm van communiceren verstaan) Omdat het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan, is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Indien de cliënt er voor kiest een persoonlijk plan aan te leveren dan dient hij daarin te beschrijven welke oplossing volgens hem de beste is: gezien de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt in acht nemende, de eigen mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk zijn zelfredzaamheid te bevorderen.
Het college kan in spoedeisende gevallen (conform artikel 6 van de jeugdwet gaat het dan om gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen), daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, of de aanvraag van cliënt. Op grond van de wet wijst het college de cliënt voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 5. Het gesprek Een gesprek met de cliënt, zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger en / of zijn familieleden, maakt deel uit van het onderzoek, tenzij dat niet nodig is, bijvoorbeeld omdat de cliënt genoegzaam bekend is. Van het gesprek wordt een schriftelijk verslag gemaakt pag. 30 van 45
In het verlengde van de inlichtingenplicht ligt de medewerkingsplicht. Die houdt in dat de cliënt alle medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de Wmo 2015 of de Jeugdwet die het college noodzakelijk vindt. Zo is iemand verplicht om gehoor te geven aan een oproep van het college of om zich te onderwerpen aan onderzoek dat door (of namens) het college is ingesteld. Als iemand niet voldoet aan de medewerkingsplicht dan kan dit gevolgen hebben voor het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Zo kan het zijn dat het college niet kan vaststellen of iemand (nog langer) recht heeft op een maatwerkvoorziening. Of dat de omvang van de voorziening niet kan worden vastgesteld. Die medewerking kan bestaan uit het aanleveren van rapportages, door derden gemaakt over de inwoner. Of andere relevante informatie, zoals informatie van school. Maar ook uit het geven van toestemming gesprekken te voeren met hulpverleners van de jeugdigen en medewerkers van de scholen. Verder kan het onder omstandigheden nodig zijn de jeugdige (langdurige) te observeren of deskundigen te vragen een nader advies te geven. Van de aanvrager mag worden verwacht dat hij toestemming geeft tot deze inbreuk op zijn gezinsleven voor zover sprake is van informatie die nodig is voor het nemen van een beslissing op de aanvraag.
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt, waar mogelijk met mantelzorger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de cliënt te krijgen. Of dit gesprek op een gemeentelocatie plaatsvindt, op school, bij de cliënt thuis of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere(opeenvolgende) gesprekken. Tijdens het onderzoek moet duidelijk worden hoe ook de meest complexe maatwerkvoorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te komen tot een maatwerkvoorziening met allerlei waarborgen rond een deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in 24uursopvang.Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt. Artikel 6. Het verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is niet vormvrij.
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave pag. 31 van 45
van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een aantal werkdagen overheen. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is een paar dagen tijd na het gesprek nuttig. Artikel 7. Aanvraag Een aanvraag Wmo en Jeugdwet kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het derde lid de mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekende weergave van het onderzoek als aanvraag aan te merken. Uit de artikelen 1:381 BW jo. 1:453 en 1:454 BW volgt dat de curator of mentor beslist over de inzet van zorg en begeleiding, waaronder ook moet worden verstaan het aanvragen van een voorziening op grond van deze verordening. De Wmo bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet worden afgegeven (artikel 2.3.5, tweede lid). Wanneer het college het niet redt om binnen de beslistermijn van 2 weken een beschikking af te geven, is het aan het college om daarover in gesprek te treden met de cliënt en instemming te vragen met uitstel van de beslistermijn op aanvraag, zo volgt uit (TK 2013-2014, 33 841, nr. 64, p. 81-82). Wanneer de cliënt niet instemt met het uitstel, kan het college de beslistermijn éénmaal verlengen door toepassing te geven aan artikel 4:14 Awb. Artikel 9. Algemene uitgangspunten en criteria voor maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid en participatie levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat de essentialia van de maatwerkvoorzieningen in de Verordening terug te vinden moeten zijn. In de onderstaande artikelen is daar invulling aan gegeven De termijn waarvoor de kosten voorafgaand aan de aanvraag met terugwerkende kracht kunnen worden vergoed is afhankelijk van de periode waarin de noodzakelijkheid van de ondersteuning vastgesteld kan worden. Weigeringsgronden voor maatwerkvoorziening:
pag. 32 van 45
De in lid 2 opgenomen criteria zijn alleen van toepassing op maatwerkvoorzieningen gericht op zelfredzaamheid en participatie. Voor woonvoorzieningen zijn nog concretere weigeringsgronden opgenomen. Daarbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar de verantwoordelijkheid van de Vereniging van Eigenaren of Woningbouwvereniging. Als een aanvraag om jeugdhulp wordt ingediend, moet het college altijd onderzoeken of er (nog) sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen of psychische stoornissen. Als dat het geval is zal het college moeten vaststellen of de ingezette ondersteuning een noodzakelijke en passende voorziening is voor de jeugdige. Kan het college die beoordeling echter niet meer maken (bijvoorbeeld omdat de jeugdhulp al een tijd geleden van start is gegaan), dan moet dat in onze ogen voor risico van de jeugdige of ouder(s) blijven. Of te wel: alleen in dat geval hoeft de gemeente de jeugdhulp die is aangevangen niet te betalen. Artikel 10. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp De voorzieningen opgenomen onder 10.1 worden uitsluitend verstrekt op grond van de Wmo. De voorzieningen opgenomen onder 10.2 worden zowel verstrekt op basis van de Wmo als de Jeugdwet. De voorzieningen opgenomen onder 10.3 worden uitsluitend verstrekt op grond van de Jeugdwet.
Artikel 10.1.1 Aanvullende criteria ondersteuning bij het huishouden In de meeste gevallen zal het gaan om het schoon en leefbaar houden van de woning. Maar het kan ook de andere resultaten betreffen die in dit artikel worden genoemd, als geen andere oplossingen beschikbaar en/of geschikt zijn. De zwaarte en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt. De normen zoals deze zijn beschreven in het protocol indicatiestelling hulp bij het huishouden van KPMG zijn het uitgangspunt voor de bepaling van de aard en de frequentie van de te verrichten taken en hoeveel tijd hiermee gemoeid is. De inzet van gezinsleden met betrekking tot de gebruikelijke hulp is in principe niet leeftijdgebonden. Onder de 18 jaar kan ook hulp geboden worden. Dit is niet afdwingbaar maar komt in het gesprek aan de orde. 6. In het geval van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden zal bij het gesprek met de cliënt de gemeente nagaan of de aanvrager zelf in een oplossing kan voorzien. Daarbij komt onder andere ook de financiële zelfredzaamheid c.q. eigen financiële mogelijkheden aan de orde. Financiële zelfredzaamheid valt onder het oplossend vermogen. Er is een verband tussen de zelfredzaamheid van een persoon en diens financiële omstandigheden. Kortom, financiële redzaamheid is onderdeel van de algemene zelfredzaamheid en de eigen kracht.
Hiertoe wordt voor niet AOW-gerechtigden een inkomensgrens gehanteerd van 200% van het bruto wettelijk minimumloon en voor AOW-gerechtigden wordt een inkomensgrens van 150% van het bruto wettelijk minimumloon gehanteerd. De grens van 150% van het bruto wettelijk minimumloon en 200% van het bruto wettelijk minimumloon zijn
pag. 33 van 45
ruimschoots hoger dan de inkomensgrens waar, voor de invoering van het abonnementstarief, de inkomensafhankelijke bijdrage op van toepassing was. De reden om twee inkomensgrenzen in te voeren is gelegen in het feit dat een niet AOW-gerechtigde aanzienlijk meer loonheffing op het inkomen dient af te dragen dan een AOW-gerechtigde en dus netto minder overhoudt. Heeft de cliënt een hoger (gezins)inkomen dan 150% van het wettelijk minimumloon (AOWgerechtigd) dan wel 200% van het wettelijk minimumloon (niet AOW-gerechtigd) dan is hij in principe financieel zelfredzaam, kan hij zelf in een oplossing voorzien en zal de aanvraag voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden na afronding van het onderzoek worden afgewezen. Dit kan anders zijn wanneer er bijvoorbeeld sprake is van beslag op het gezinsinkomen of hoge schulden, aangezien de eigen financiële mogelijkheden dan aanzienlijk beperkt kunnen zijn. Kortom, er dient in alle gevallen een volledig onderzoek plaats te vinden naar de individuele omstandigheden van de cliënt. Een afwijzing puur het op inkomen zonder volledig onderzoek is niet toegestaan.
Artikel 10.1.2. Aanvullende criteria Woonvoorzieningen Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van een woonvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan een woningaanpassing of een speciale douchestoel. Daarnaast kan een maatwerkvoorziening worden toegekend zodat de cliënt zich in en om de woning kan verplaatsen. Een uitraaskamer kan worden verstrekt als woonvoorziening wanneer er sprake is van aantoonbare beperkingen vanwege een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen. Het genoemde primaat van verhuizen wordt niet toegepast als de kosten meer bedragen dan €7000 als er argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten. Factoren die een rol kunnen spelen bij de belangenafweging zijn onder andere: sociale omstandigheden, werksituatie, verandering in woonlasten. Het te bereiken resultaat van de toe te kennen maatwerkvoorziening bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Het gaat daarbij om het kunnen gebruiken en bereiken van de elementaire woonruimten voor de dagelijkse levensverrichtingen (het normale gebruik van de woning).
Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Onder omstandigheden van het individuele geval kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (toegang en doorgang).. In dit artikelen zijn aanvullende criteria opgenomen voor maatwerkvoorzieningen voor specifieke woonsituaties: de uitraaskamer, bezoek baar maken van een woning voor een persoon die zijn hoofdverblijf in een Wlz inrichting en voor woonwagens en woonschepen. Artikel 10.1.3. Aanvullende criteria Rolstoelvoorzieningen
pag. 34 van 45
Een rolstoel voorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt het openbaar vervoer niet kan bereiken of niet kan gebruiken en/of is aangewezen op het in overwegende mate zittend verplaatsen. De rolstoelvoorziening is onder andere gericht op een of meer van de volgende resultaten:
a. het kunnen bereiken van winkels;
b. het kunnen onderhouden van sociale contacten;
c. het deelnemen aan activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening, binnen de leefomgeving van de cliënt;
d. de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning;
e. overige noodzakelijke verplaatsingen in kader van het leven van alledag
Artikel 10.1.4. Aanvullende criteria collectief vraagafhankelijk vervoer Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van een voorziening voor het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving gericht op zelfredzaamheid en participatie. Deze nadere criteria beschrijven met welk doel de verplaatsingsvoorziening wordt verstrekt. Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld sociale contacten te onderhouden. Daarnaast worden specifieke criteria aangegeven per vervoersmiddel. Het uitgangspunt is dat maximaal 2000 kilometer per jaar kan worden afgelegd. Hiermee voldoet de gemeente ruimschoots aan de vereisten uit de jurisprudentie die aangeeft dat 1.500-2.000 km vol doende is. Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom bevoegd in individuele gevallen af te wijken naar beneden of naar boven. Dat kan (ook) het geval zijn als er meer dan één verplaatsingsvoorziening wordt verleend. De verplaatsingen kunnen immers betrekking hebben op de korte, de middellange en op de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. Met de inwoner wel gekeken worden naar voorliggende mogelijkheden zoals mogelijkheden via aanwezige vrijwillige vervoersdiensten. Artikel 10.1.6. Aanvullende criteria Sportvoorzieningen
pag. 35 van 45
Deze voorziening ziet op het kunnen uit- oefenen van een sport en kan naast een andere vervoersvoorziening verstrekt worden. Voor topsport of sport op hoog niveau geld dat hiervoor sprake is van voorliggende mogelijkheden voor een sportvoorziening op basis van sponsoring en mogelijkheden via diverse fondsen. Een sportvoorziening is noodzakelijk als de cliënt door sportbeoefening beter in staat is te participeren. Ook kan sportbeoefening bijdragen aan de zelfredzaamheid: het draagt bij aan de verbetering van de conditie en vertrouwen in zichzelf en kan eraan bijdragen dat de cliënt zijn eigen mogelijkheden en vaardigheden (her)ontdekt. Daarnaast moet er sprake zijn van meerkosten bij de sportbeoefening als gevolg van de beperking. Bijvoorbeeld doordat hij een speciale sportvoorzieningen nodig heeft. Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie, kan een sportvoorziening alleen worden verstrekt als de sport regelmatig wordt beoefend. Artikel 10.1.7. Aanvullende criteria Beschermd wonen Beschermd wonen wordt geboden aan mensen met een psychiatrische achtergrond. Psychiatrische kwetsbaarheid kan belemmeren op enkele of meerdere levensgebieden waardoor zij minder in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Het gaat om personen bij wie op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving centraal staat. De doelstellingen van beschermd wonen zijn herstel en stabilisatie van het gewone leven, veilig gezond wonen, het bevorderen van zelfredzaamheid, eigen kracht leren ontwikkelen en inzetten en vermaatschappelijking (gelijkwaardig burgerschap). Gemeente Gouda is centrumgemeente voor de uitvoering van beschermd wonen van de regio Midden Holland. Artikel 10.2.1 Aanvullende criteria Individuele begeleiding De individuele begeleiding bij zelfstandig leven wordt toegekend opdat de cliënt zo lang mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Dit is de achterliggende doelstelling als aan de cliënt de maatwerkvoorziening wordt toegekend. De begrenzing van deze Wmo-doelstelling wordt gevormd door artikel 2.3.5 lid 6 van de wet: als de cliënt is aangewezen op de Wet langdurige zorg, dan wordt vanuit die wet zorg ontvangen. Die zorg kan ook worden geboden in de thuissituatie of in een instelling voor zorg met verblijf. Het college zal moeten beoordelen in welke mate de cliënt zelfredzaam is en of, en zo ja welke ondersteuning nog is aangewezen om de cliënt op een zo volwaardige manier te laten meedoen in de maatschappij.
De ondersteuning kan bijvoorbeeld bestaan uit het helpen bij het structureren van het huishouden om financiële en andere problemen te voorkomen. Uiteraard gaan hierbij de algemene voorzieningen voor op de maatwerkvoorzieningen. De individuele begeleiding kan ook oog hebben voor behoeftes op het gebied van participatie, bijvoorbeeld het hebben van sociale contacten. Immers, het algehele welbevinden van de cliënt staat in de Wmo 2015 centraal
pag. 36 van 45
Bij de individuele begeleiding gelden de volgende kernbegrippen:
a. De ondersteuning is erop gericht dat cliënt door stimulans en/of toezicht in staat is om het sociale leven zelfstandig vorm te geven.
b. De ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen en het zelfstandig nemen van besluiten.
c. De ondersteuning kan zich ook richten op het (tijdelijk) overnemen van taken tot en met het aan- leren hiervan.
De omvang en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt. Artikel 10.2.2. Aanvullende criteria Dagbesteding Dagbesteding is onder meer gericht op één of meer van de volgende resultaten:
a. sociale activiteiten buitenshuis met als doel duurzaam sociaal contact en ontmoeting;
b. structuur en veiligheid;
c. ontlasten mantelzorger;
d. het aanbieden van routine en structuur voor de dag;
e. voorkomen van verwaarlozing/opname.
dit met als achterliggend doel om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen.
pag. 37 van 45
De omvang van de maatwerkvoorziening dagopvang wordt bepaald in overleg met de cliënt op basis van het persoonlijk plan en het gesprek. Indien geen overeenstemming wordt bereikt wordt hierbij de (voormalige) ciz indicatiewijzer versie 7.1 gehanteerd. Artikel 10.2.3. Aanvullende criteria Vervoer naar dagbesteding en dagbehandeling Naast de vertrekking van een maatwerkvoorziening dagbesteding of dagbehandeling is het mogelijk om een maatwerkvoorziening vervoer naar de dagbesteding of dagbehandeling te verstrekken indien een cliënt gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. Uitgangspunt is dat de dagbesteding/dagbehandeling in de nabijheid van de woonomgeving is (uitgangspunt 6 km). De intensiteit van het vervoer is afhankelijk van de mate van het gebruik van de dagbesteding (aantal dagdelen). Artikel 10.2.4. Aanvullende criteria Logeeropvang en logeerverblijf Als bij de mantelzorger van de cliënt de balans tussen draagkracht en draaglast is verstoord of verstoord dreigt te raken, dan is er reden om voor cliënt logeeropvang of logeerverblijf buiten de thuissituatie mogelijk te maken. Dit kan plaatsvinden in een instelling. Artikel 11. Persoonsgebonden budget Uitgangspunt is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in natura krijgt.
Als de cliënt dat wenst, bestaat de mogelijkheid om een pgb te verstrekken. In artikel 11 van de verordening wordt aangegeven op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. De hoogte van een pgb is niet hoger dan de prijs die de gemeente zou moeten betalen voor een maatwerkvoorziening in natura. In de situatie dat de maatwerkvoorziening van de beoogde aanbieder duurder is dan het aanbod van het college, dient de cliënt zelf de meerkosten te betalen. Wanneer de cliënt een voorziening nodig heeft die niet verstrekt wordt door een van de gecontracteerde aanbieders, dan wordt er geen korting doorgevoerd. Het uitgangspunt van de wetgever is dat het pgb voor niet-professionele zorgverleners beperkt dient te blijven tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, et cetera. Voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de aanvrager kan de gemeente gebruik maken van de bepalingen rond gebruikelijke hulp die zijn vastgelegd in deze verordening.
De methodiek om de uren huishoudelijke hulp te bepalen wordt gebaseerd op het protocol indicatiestelling hulp bij het huishouden van KPMG Plexus en Bureau HHM (juli 2016). Het betalen van hulp die anders zonder betaling geleverd zou worden uit het sociale netwerk van de cliënt wordt door het college als niet wenselijk geacht. Derhalve wordt een pgb niet verstrekt aan een niet-professionele zorgverlener als de mate van verplichting gering is. Dit is het geval als de hulp overgeslagen kan worden zonder dat gevolgen heeft voor de cliënt. (voorbeelden: hulpverlener is ziek of op vakantie waardoor de hulp wordt overgeslagen, cliënt is op vakantie, etc). pag. 38 van 45
De Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat een pgb-tarief op basis van het minimumuurloon voor niet-professionele hulp redelijk is. (Rb Den Haag 27-02-2017 Zaaknummer AWB - 16 _ 276). In lid 12 is opgenomen de hoogte van een pgb en de daarbij te hanteren tariefdifferentiatie als de budgethouder kiest voor inschakeling van iemand uit het sociaal netwerk of een zzp’er of een zorgorganisatie met medewerkers in loondienst. Lid 12 berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners.
Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.) Daarbij wordt opgemerkt dat bij personen uit het sociaal netwerk sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst. De hoogte van het pgb sluit vanzelfsprekend aan op het uitgangspunt dat het college niet meer toekent dan goedkoopst passende bijdrage. In lid 12 is de hoogte vastgesteld van een pgb voor een professionele aanbieder of zzp-er en is gebaseerd op 100% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. In lid 12 is geregeld dat er een vergoeding verstrekt kan worden aan het sociale netwerk. Een dergelijke vergoeding kan verstrekt worden omdat in dit geval de inzet van een professional wordt voorkomen waardoor de uitgaven lager zullen zijn. Wel dienen er vooraf afspraken gemaakt te worden over de in te zetten uren zodat vooraf duidelijk is welke kosten vergoed dienen te worden voor de werkzaamheden die zijn uitgevoerd. In de nadere regels worden de pgb tarieven individuele begeleiding niet professioneel opgenomen. Artikel 12.
Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Artikel 12.1 Nieuwe feiten en omstandigheden In de wet is deze inlichtingenplicht nu geregeld, in tegenstelling tot voorheen. De inlichtingen vanuit de cliënt zijn voor het college van belang om te kunnen beoordelen of ondersteuning nog steeds nodig is. Voorde cliënt moet redelijkerwijs duidelijk zijn dat de inlichtingen van invloed kunnen zijn op het recht op de voorziening, dan wel de aard, hoogte of duur daarvan. Artikel 12.2 Beëindiging Er wordt gesproken van beëindiging van een voorziening, als deze voorziening stopt vanaf de datum van het beëindigingsbesluit. Beëindiging heeft dus geen terugwerkende kracht, in tegenstelling tot pag. 39 van 45
herziening of intrekking van een besluit. Het artikel benoemt situaties waarin het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening. Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel hoort een afweging tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen Het zich niet houden aan de verplichtingen verbonden aan een bruikleenvoorziening, kan leiden tot beëindiging van die voorziening. Het college zal bij die beëindiging wel moeten overwegen of het daarvoor een andere maatwerkvoorziening in de plaats stelt. Hierbij mag het college volstaan met hetgeen strikt noodzakelijk is ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie van cliënt. Bij de afweging wordt de verwijtbaarheid van cliënt in aanmerking genomen Artikel 12.3 Herziening of intrekking Herziening of intrekking van een besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Het deels ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden wordt herziening genoemd. Het volledig ongedaan maken wordt intrekking genoemd. De in dit artikel genoemde situaties om een besluit te kunnen herzien of intrekken staan naast de mogelijkheden op grond van de wet. Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling).
Bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel hoort een afweging tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen. Artikel 12.4 Terugvordering In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten en/of degene die zijn medewerking heeft verleend aan het ‘misbruik’ van de wet. Namelijk indien opzéttelijk onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Er is voor gekozen de terugvorderingsmogelijkheden uit te breiden in dit artikel. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Voor zover sprake is van de wettelijke grondslag voor terugvordering, kan het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat geeft een executoriale titel. Bij andere terugvorderings-gronden moet de invordering langs civielrechtelijke weg plaatsvinden. De grondslag is dan onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). Hiervoor is in ieder geval nodig dat het college een herzienings-of intrekkingsbesluit en een terugvorderingsbesluit neemt.
Hoewel de wetgever in principe beoogt om de geldswaarde van maatwerkvoorzieningen terug te vorderen, is in dit artikel onder b ook de bevoegdheid gecreëerd om maatwerkvoorzieningen die in bruikleenzijn toegekend terug te halen (terug te vorderen).
pag. 40 van 45
Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel hoort een zorgvuldige afweging tussen alle bij het te nemen besluit betrokkenbelangen. De verordening biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening. Deze voorziening is getroffen in artikel 3.3 lid 3 landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dat artikel geeft de gemeenteraad de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering krachtens de Wmo 2015 met vorderingen van of op de persoon op grond van de Wmo 2015 of de Participatiewet. Op die wijze kunnen gemeenten de bijdrage in de kosten voor opvang verrekenen met de bijstandsuitkering die betrokkene van de gemeente ontvangt. Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening dient het college een zorgvuldige belangenafweging te maken. Hierbij is het de vraag of het college in redelijkheid zijn verrekeningsbevoegdheid mag uitoefenen. Daartoe dient het college de betrokken belangen in kaart te brengen en tegen elkaar af te wegen. Artikel 12.5 Wangedrag en onzorgvuldig gebruik Het komt voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van zorgaanbieders of oneigenlijk gebruik maken van verstrekte voorzieningen. Voor die gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen van al dan niet tijdelijke maatregelen.
Uiteraard dient daarbij de ondersteuningsbehoefte van cliënt betrokken te worden. Artikel 12.6 Fraudepreventie Het college zet in op fraudepreventie. Een voorbeeld van algemene voorlichting is het communiceren in huis- aan- huis bladen over verrichte handhavingsacties en de uitkomsten hiervan. Vanzelfsprekend is deze communicatie anoniem, dus niet herleidbaar tot bepaalde cliënten. Van belang is dat er een grondige toets plaatsvindt aan de voorkant. Deze toets betreft ingeval van een pgb:
a. de regiemogelijkheden van cliënt of degene die de cliënt daarvoor wenst in te schakelen;
b. de kwaliteit van het door de cliënt te overleggen pgb-plan.
Artikel 12.7 Opschorting betaling uit het pgb Regelt de mogelijkheden om een opschortende werking van uitbetaling pgb te verzoeken aan SVB. Artikel 12.8 Controle pgb
pag. 41 van 45
Het college houdt het recht om een verstrekte pgb te controleren. Het is aan de gemeente om te bepalen of ze de verantwoording en controle wil inrichten en zo ja, op welke wijze ze dat doet. De besteding van het pgb kan door het college eenmalig bij een zaak en kan periodiek gecontroleerd worden bij diensten en andere periodieke betalingen. Bij de controle beoordeelt het college of de cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen. Bij de controle op de besteding wordt de kwaliteit van de geboden diensten beoordeeld en of hiermee de beoogde resultaten worden behaald. Deze beoordeling vindt plaats tijdens evaluatiemomenten. Deze evaluatiemomenten betreffen maatwerk. Bij de ene cliënt kan dit bijvoorbeeld halfjaarlijks zijn en bij de andere cliënt één maal in de vijf jaar of zelfs helemaal niet. Artikel 13. Bijdrage in kosten maatwerkvoorziening (alleen Wmo 2015) Met ingang van 1 januari 2019 betalen alle cliënten die gebruik maken van één of meer Wmo maatwerkvoorzieningen, ongeacht inkomen en vermogen, een maximale periodebijdrage van € 17,50.Vanaf 2020 bedraagt de eigen bijdrage € 19,00 per maand. Uitzondering geldt voor degenen die gebruik maken van beschermd wonen zorg in natura of maatschappelijke opvang.
Cliënten die gebruik maken van beschermd wonen zorg in natura of maatschappelijke opvang blijven de huidige inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen, met dien verstande dat de vermogensinkomensbijtelling van 8% naar 4% gaat. De maximale periodebijdrage geldt niet voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens (art. 3.8 lid 4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt door het CAK vastgesteld. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs, bij het vaststellen van de bijdrage. Het is in een enkel geval mogelijk dat de kostprijs van de maatwerkvoorziening lager is dan de periodebijdrage. Het ligt voor de hand dat daarnaast met de aanbieders afgesproken wordt dat cliënten, voordat zij gebruik maken van een algemene voorziening, op de hoogte worden gesteld van de bijdrage die zij daarvoor verschuldigd zullen zijn. Voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is geen bijdrage in de kosten verschuldigd. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Artikel 14. Kwaliteitseisen voorzieningen In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende eisen aan de kwaliteit van voorzieningen uitgewerkt.
Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is wettelijk verplicht. pag. 42 van 45
De in het derde lid genoemde kwaliteitscriteria worden vastgelegd in nadere regels Wmo 2015 en nadere regels jeugd. Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de prijs- kwaliteit verhouding van de te leveren diensten wordt bepaald. Op deze wijze waarborgen wij een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de kwaliteitseisen en sluiten wij aan bij de bestaande uitvoeringspraktijk binnen de Krimpenerwaard. Tevens is bepaald op welke wijze de jaarlijkse indexering van de tarieven Wmo 2015 en Jeugdhulp worden herzien. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten en niet beroepskrachten vallen daaronder. Artikel 16. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, die door het college is aangewezen, onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening.
In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 16 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en vrijwilligers De jaarlijkse waardering van mantelzorgers wordt geregeld in de nadere regeling. Het maximum budget wordt vastgesteld door de raad. Artikel 18. Klachtregeling In artikel 18 is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen. In het tweede lid zijn instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Voor klachten over de gemeente is hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 19. Medezeggenschapsregeling In dit artikel gaat het om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. In het tweede lid zijn instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Door onder andere de resultaten van een cliëntervaringsonderzoek te overleggen. Artikel 20. Betrekken van ingezetenen bij beleid
pag. 43 van 45
Het wordt aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap over beleid vorm te geven. Artikel 21. Nadere regels, beleidsregels en hardheidsclausule Dit artikel geeft het college de bevoegdheid nadere regels te stellen en te besluit indien de verordening in een bepaalde situatie niet voorziet. Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Door intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard 2018 komen ook de daarop gebaseerde nadere regels (Regeling maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard 2018) te vervallen. Door intrekking van de Verordening Jeugdhulp Krimpenerwaard 2017 vervallen ook de nadere regels die daarop gebaseerd zijn (Regeling pgb jeugdhulp Krimpenerwaard 2016, eerste wijziging). In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende maatwerkvoorzieningen op basis van de oude verordening; een lopende maatwerkvoorziening wordt geacht op grond van de nieuwe verordening te zijn verstrekt. Deze nieuwe verordening heeft onmiddellijke werking. Dit betekent dat op een aanvraag die is ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard 2018 of Verordening Jeugdhulp Krimpenerwaard 2017 waarop nog niet is beslist voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening, wordt beslist met toepassing van deze verordening.
In het zesde lid is voor lopende bezwaarschriften een uitzondering gemaakt: lopende bezwaarschriften worden volgens de oude verordening afgedaan. Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Krimpenerwaard. Artikel Intrekking oude regeling De Verordening wordt ingetrokken. Artikel Overgangsbepaling Artikel Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van en heeft terugwerkende kracht tot. Artikel Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als:. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Krimpenerwaard, gehouden op <21 december 2021. de griffier,
de voorzitter,
pag. 44 van 45
dr. M.L. van Muijen
mr. R.S. Cazemier
pag. 45 van 45