CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL2 - Aanpassingen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Krimpenerwaard 2019

Raadsvergadering 16 november 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Wijzigingen Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Krimpenerwaard 201915.476 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

VERORDENING

Wetstechnische informatie Gegevens regeling Overheidsorganisatie Officiële naam regeling Citeertitel Besloten door Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld) Onderwerp

Gemeente Krimpenerwaard Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Krimpenerwaard Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Krimpenerwaard Gemeenteraad Krimpenerwaard Wijzigingen verordening per 1-1-2022

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Grondslagen 1. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 2. Jeugdwet Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) 3. Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen Datum TerugBetreft Ontstaansbron: inwerking- werkende datum treding kracht ondertekening; bron bekendmaking 1-1-2022 nee

Inwerkingtreding: datum ondertekening; bron bekendmaking

Voorstel gemeenteraad

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Krimpenerwaard Geldend van 16-10-2020 t/m heden 

Regeling o Intitule o Hoofdstuk 1. o Hoofdstuk 2. o Hoofdstuk 3.

o o o o o o o 

Hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8. Ondertekening Toelichting

Wetstechnische informatie

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Krimpenerwaard Geldend van 16-10-2020 t/m heden Intitulé Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Krimpenerwaard De raad van de gemeente Krimpenerwaard; besluit: vast te stellen de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Krimpenerwaard” HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanbieder: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene of maatwerkvoorziening te leveren; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015 en Jeugdwet; algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; algemene voorziening: dienst en/of product dat voor iedereen (van een bepaalde doelgroep) toegankelijk en/of verkrijgbaar, zonder toets of beschikking;

pag. 2 van 45

budgetplan: door de cliënt ingediend inhoudelijke plan met begroting en doelen voor de invulling van het pgb eigen bijdrage: financiële bijdrage van de cliënt als bedoeld in artikel 2.1.4 eerste lid van de Wmo 2015. Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor rolstoelen, collectief vraagafhankelijk vervoer en voorzieningen op grond van de Jeugdwet; cliënt: persoon die op grond van Jeugdwet of Wmo 2015 gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. In de Jeugdwet wordt de cliënt aangeduid als een jeugdige en zijn ouders; gebruikelijke hulp: de normale, dagelijkse zorg en/of opvoeding die partners, (pleeg)ouders of wettelijke vertegenwoordigen aan inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden; hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp; maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt afgestemde maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp.

In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als individuele voorziening; mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; melding: kenbaar maken van de hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid van deze verordening; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet; Artikel 2. Reikwijdte verordening

1. Deze verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning ten behoeve van ingezetenen van de gemeente Krimpenerwaard. 2. Deze verordening heeft betrekking op jeugdhulp voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel 3, van de Jeugdwet van wie minimaal een gezaghebbende ouder of verzorger zijn woonplaats heeft in de gemeente Krimpenerwaard. 3. In afwijking van de voorgaande leden heeft deze verordening ten aanzien van opvang en beschermd wonen in het kader van de Wmo 2015, betrekking op een ieder die zich voor deze ondersteuning tot het college wendt in de zin van artikel 1.2.1, onderdeel b en c, van de Wmo 2015. Artikel 3. Vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

pag. 3 van 45

1. Voor inwoners zijn vormen van dienstverlening beschikbaar waarvoor geen indicatie of verwijzing door een professional nodig is. Dit zijn de zogenaamde algemene voorzieningen. Tevens zijn maatwerkvoorzieningen beschikbaar. 2. Het college kan bij nadere regels de algemene en maatwerkvoorzieningen aanvullen. 3. Het college draagt er zorg voor dat er bij het verlenen van een maatwerkvoorziening redelijkerwijs rekening gehouden wordt met: a. behoeften en persoonskenmerken van de cliënt; b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt. HOOFDSTUK 2. Procedureregels ten behoeve van melding, onderzoek en aanvraag Artikel 4. Melding

1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding. 3. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan hulp, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan, zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen acht weken, een onderzoek uit overeenkomstig artikel 5 en 6. 4. In de ontvangstbevestiging informeert het college de cliënt of diens vertegenwoordiger over: a. de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure; b. de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na de melding een persoonlijk plan te overhandigen. 5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo en hoofdstuk 6 van de jeugdwet, treft het college een passende tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het vooronderzoek en gesprek. 6. Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, die elk kan verwijzen naar gecontracteerde jeugdhulp. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beoordeelt welke maatwerkvoorziening nodig is. Als de cliënt daarom verzoekt, draagt het college ten behoeve hiervan zorg voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 7.

Het college wijst de cliënt voor aanvang van het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning en als het om jeugdhulp gaat tevens op de mogelijkheid om gebruik te maken van een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

pag. 4 van 45

Artikel 5. Het gesprek

1. Het college voert een onderzoek uit naar aanleiding van de melding. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp voldoende bekend is, dan kan in overleg met de cliënt worden afgezien van een gesprek. 2. Het college gaat in gesprek met de cliënt en onderzoekt zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. wat de hulpvraag van de cliënt, de jeugdige of zijn ouders is; b.welke gemeente verantwoordelijk is voor het in behandeling nemen van de hulpvraag; c. bij een aanvraag op grond van de jeugdwet of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; d. bij een aanvraag op grond van de Wmo welke problemen zich voordoen bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie; e. welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie; f. de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen; g. beroep kan worden gedaan op een algemene voorziening; h. of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, een oplossing voor de hulpvraag te vinden en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen; i.

of de cliënt de voorziening in de vorm van zorg in natura of een pgb wil ontvangen; j. of aan de voorwaarden van een pgb wordt voldaan indien aangevraagd; k. welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn. 3. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. Cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze. 4. Het college is bevoegd om in het belang van het onderzoek de cliënt: a. op te roepen om in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem of hen te bevragen;

pag. 5 van 45

b.op een door of namens het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen hem of hen te doen bevragen en/of te onderzoeken. 5. Als de cliënt een persoonlijk of een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dit plan in het gesprek. 6. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, de vervolgprocedure en diens rechten en plichten, onder andere met betrekking tot verwerking van persoonsgegevens. Artikel 6. Het verslag

1.De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek wordt opgenomen in een verslag. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan de schriftelijke weergave toegevoegd. 2. Het college verzoekt de cliënt het verslag voor gezien of akkoord te ondertekenen. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om op het verslag aan te geven dat het verslag wordt gezien als een aanvraag. 3. Het college verstrekt het verslag zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen de termijn van 6 weken (vanaf de melding) voor maatschappelijke ondersteuning en 8 (vanaf de melding) weken voor jeugdhulp. Artikel 7. Aanvraag.

1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van: a. een door het college vastgesteld aanvraagformulier, of; b. een door de cliënt ondertekend verslag als bedoeld in artikel 6. 3. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist, jeugdarts of gecertificeerde instelling (GI) naar een jeugdhulpaanbieder, als zover genoemde jeugdaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 4. Het college vraagt advies aan een deskundige adviesinstantie als dit nodig is in het kader van de uitvoering van een onderzoek of de beoordeling van een aanvraag. 5. Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag om een maatwerkvoorziening geeft het college een beschikking af. 6. Een aanvraag kan niet worden gedaan nadat het onderzoek bedoeld in artikel 5 en 6 is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van 6 weken voor Wmo en 8 weken voor jeugdhulp.

pag. 6 van 45

Artikel 8. Beschikking

1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven: a. of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt; b. hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval aangegeven: a. Wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en; d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en; e.de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. HOOFDSTUK 3. Maatwerkvoorziening Artikel 9. Algemene uitgangspunten en criteria voor maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp

1. Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend voor zover: a. er geen voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. de cliënt de beperkingen niet kan wegnemen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met vrijwilligerswerk of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

pag. 7 van 45

c. de cliënt de beperkingen niet kan wegnemen met gebruikmaking van algemene voorzieningen; d. de cliënt de voorziening niet vóór de datum van het besluit op de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; e. voor zover deze als de goedkoopste passende voorziening kan worden aangemerkt; f. de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen g. deze in overwegende mate op het individu is gericht; h. de cliënt geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond. 2. Voor maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie geldt daarnaast dat deze alleen kan worden toegekend voor zover: a. de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. b. de beperkingen het gevolg zijn van een lichamelijke, geestelijke, verstandelijk oorzaak; een chronisch psychisch probleem of een psycho-sociaal probleem; c. het geen algemeen gebruikelijke voorziening betreft; d. de voorziening langdurig noodzakelijk is; e. de noodzaak tot ondersteuning voor cliënt niet redelijkerwijs vermijdbaar is geweest. 3.

Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen gelden de volgende uitgangspunten: a. Er wordt altijd beoordeeld op welke wijze een eventueel toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met algemene voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; b. De beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt gebaseerd op het verslag; Artikel 10. Aanvullende criteria voor specifieke maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

Het college kan de onderstaande aanvullende criteria voor verschillende maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp nader uitwerken en aanvullen in de Nadere Regels Maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard en Nadere Regels Jeugdhulp.

pag. 8 van 45

Artikel 10.1.1 Aanvullende criteria Hulp bij het huishouden

Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening bij het voeren van een huishouden als hij ondersteuning nodig heeft in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: 1.het schoon en leefbaar houden van de woning volgens algemeen hygiënische normen; 2. het beschikken over schone en draagbare kleding; 3. het beschikken over primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden; 4.het voeren van regie over het doen van het huishouden; 5. het verzorgen en of opvangen van kinderen. 6. beoordeling financiële zelfredzaamheid bij aanvraag maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden wordt bij de beoordeling van de eigen kracht en eigen mogelijkheden tevens de eigen financiële mogelijkheden (zelfredzaamheid) meegewogen. Voor niet AOW-gerechtigden wordt een inkomensgrens gehanteerd van 200% van het bruto wettelijk minimumloon en voor AOW-gerechtigden wordt een inkomensgrens van 150% van het bruto wettelijk minimumloon gehanteerd.

Artikel 10.1.2 Aanvullende criteria Woonvoorzieningen

1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, in de vorm van een woningaanpassing of in de vorm van hulpmiddelen voor de cliënt om zich in en om de woning te verplaatsen, als er sprake is van een aantoonbare beperking bij het normaal gebruik van de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in de woning. 2. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening indien geen sprake is van de volgende weigeringsgronden: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. aanpassingen ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie;

pag. 9 van 45

d. indien de kosten van de woonvoorzieningen meer bedragen dan € 7.000,-, dan geldt het primaat van verhuizen, tenzij er argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten; e. deze zich in gemeenschappelijke ruimtes bevinden en het gaat om andere voorzieningen dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders, trapleuningen portiekflat of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte of; f. deze zich in de gemeenschappelijke ruimtes bevinden en de cliënt woont in een specifiek voor mensen met een beperking of ouderen bedoeld gebouw; g. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; h. indien de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel renovatie van de woning om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning of aan het wooncomplex mogen worden gesteld. 3.

Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor het bezoekbaar maken van één woning indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling in de gemeente Krimpenerwaard en de cliënt regelmatig een bezoek brengt aan de bezoekbaar te maken woning, en het bezoek voor de cliënt noodzakelijk is voor het onderhouden van sociaal contact, en hij deze woning niet op een normale manier kan betreden of bereiken. Artikel 10.1.3 Aanvullende criteria Rolstoelvoorzieningen

Om in aanmerking te komen voor een (elektrische) rolstoel gelden de volgende criteria: 1. cliënt is langdurig aangewezen op zittend verplaatsen. 2. cliënt heeft medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan; 3. cliënt kan veilig deelnemen aan het verkeer; 4. de woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast. Artikel 10.1.4. Aanvullende criteria collectief vraagafhankelijk vervoer

Om in aanmerking te komen voor collectief vraagafhankelijk vervoer gelden de volgende criteria:

pag. 10 van 45

1. het college kan een vervoersvoorziening verstrekken als er beperkingen zijn in het verplaatsen over de korte afstand rondom de woning en verplaatsingen over de langere afstand binnen de leefomgeving (centrumzone + 5 aaneengrenzende zones in alle richtingen) van de cliënt die geen gebruik kan maken van het reguliere Openbaar Vervoer. 2. het CVV is niet bedoeld als vervoersmogelijkheid van en naar de dagbestedingslocatie. Artikel 10.1.5. Aanvullende criteria overige vervoersvoorzieningen

1. Om in aanmerking te komen voor een scootmobiel gelden de volgende aanvullende criteria: a. een scootmobiel is ter vervanging van de loop en of de fiets functie. b. de cliënt moet in staat zijn zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen; c. de cliënt heeft een substantiële vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern; d. de beperkingen zijn langdurend van aard; e. er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden. De scootmobiel dient gestald te worden in een daarvoor geschikte, overdekte, geventileerde ruimte (alleen bij natte accu's); f. Cliënt is in staat om – na instructie - op veilige wijze gebruik te maken van een scootmobiel. 2. Om in aanmerking te komen voor een handbike gelden de volgende aanvullende criteria: a. cliënt is aangewezen op een rolstoel; b.cliënt is in staat zich met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand te verplaatsen; c. cliënt heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte, die niet anderszins kan worden opgelost; d.er dient een toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt. Artikel 10.1.6. Aanvullende criteria Sportvoorzieningen

Cliënt kan in aanmerking komen voor een sportvoorziening als is voldaan aan de volgende criteria: 1. cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel;

pag. 11 van 45

2. cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot sportbeoefening; 3. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk. Artikel 10.1.7. Aanvullende criteria Beschermd wonen

Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Gouda: de geldende verordening en nadere regels maatschappelijke ondersteuning en het overige beleid met betrekking tot beschermd wonen. Artikel 10.2.1. Aanvullende criteria Individuele begeleiding

1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening individuele begeleiding als hij ondersteuning nodig heeft in relatie tot een of meerdere van de volgende criteria: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van praktische vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. eenvoudige opvoedondersteuning voor zover cliënt ondersteuning nodig heeft bij de opvoeding van zijn kinderen en er geen sprake is van een behoefte aan specialistische tweedelijns jeugdhulp voor deze kinderen; f. het leren omgaan door de gezinsleden met de beperkingen die de cliënt heeft; g. het verkrijgen en behouden van huisvesting. 2. De ondersteuning kan tevens de vorm hebben van een waakvlamfunctie, waarbij periodiek in de gaten wordt gehouden of de behaalde resultaten nog steeds aanwezig zijn en of er aanvullende ondersteuning nodig is. 3. Ondersteuning voor de in het vorige lid bedoelde waakvlamfunctie kan slechts aan de orde zijn als er geen sprake is van een indicatie voor nachtelijk toezicht en huisvesting. Artikel 10.2.2 Aanvullende criteria Dagbesteding

1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening dagbesteding, als hij ondersteuning nodig heeft in relatie tot een of meerdere van de volgende criteria: a. cliënt ondersteuning nodig heeft bij het vergroten van zijn netwerk, teneinde gevoelens van eenzaamheid te doorbreken; b. het noodzakelijk is het ondersteuningssysteem van cliënt te ontlasten; pag. 12 van 45

c. cliënt belemmeringen ondervindt bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag, zoals werk, scholing of vrije tijdsbesteding; d. de cliënt structuur en veiligheid nodig heeft teneinde verlies aan regie en zelfredzaamheid te voorkomen; e. het noodzakelijk is om cliënt te activeren tot zingevende activiteiten; of; f. de cliënt ondersteund moet worden bij het verkrijgen van werknemersvaardigheden. Artikel 10.2.3. Aanvullende criteria vervoer naar dagbesteding en dagbehandeling

1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer van en naar de dagbesteding als cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. Artikel 10.2.4 Aanvullende criteria Logeeropvang en logeerverblijf

Om in aanmerking te komen voor logeeropvang en logeerverblijf vanuit de Wmo en Jeugdwet moet naast de algemene voorwaarden, worden voldaan aan de hieronder genoemde voorwaarden: 1.de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; 2. ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk. Artikel 10.3.1. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen Jeugd en opvoedhulp

Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening Jeugd- en Opvoedhulp als er sprake is van de volgende criteria: 1. LVB problematiek of gedragsproblematiek bij de jeugdige, soms voortkomend uit de opvoedsituatie; 2. Hulp is nodig bij de opvoeding van de kinderen. Dit gaat ook over behandeling aan ouders /ouderbegeleiding in relatie tot de problematiek van de jeugdige; 3. Hulp is nodig bij het aanleren van vaardigheden, bewerkstellingen van een gedragsverandering bij de jeugdige of binnen het systeem van de jeugdige. Artikel 10.3.2. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen Jeugd GGZ

Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening Jeugd GGZ is vereist dat er sprake is van een DSM-5 stoornis of een via de DC: 0-3R (Diagnostische Classificatie van Psychische en Ontwikkelingsstoornissen op Zuigelingenleeftijd en Vroege Kinderleeftijd) te classificeren probleem. Artikel 11. Persoonsgebonden Budget

pag. 13 van 45

1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo en de 8.1.1 van de Jeugdwet. 2. De termijn waarvoor de kosten voorafgaand aan de aanvraag met terugwerkende kracht kunnen worden vergoed is afhankelijk van de periode waarin de noodzakelijkheid van de ondersteuning vastgesteld kan worden. De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in een plan: a. wat hij met het pgb wenst in te kopen; b. waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; c. indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; d. hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren; e. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; f. hoe hij de voorziening wenst te financieren. 3. Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college: a. er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is; b. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het verslag opgenomen beoogde resultaat; c. de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning minimaal voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. 4.

Het college acht een cliënt of zijn vertegenwoordiger in ieder geval niet in staat om aan pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a.problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; pag. 14 van 45

g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; h. twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid; i. gebleken overbelasting. 5.Tevens wordt de vertegenwoordiger alleen in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a. hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden; b. er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd. 6. Het college verlangt van de cliënt en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging teneinde het beheer van het pgb op verantwoorde wijze uit te voeren. 7. Een pgb is niet mogelijk: a. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie; b. voor zover deze is bedoeld voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de vertegenwoordiger; 8.

De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk indien dat aantoonbaar tot betere en efficiënte ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 9. Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol: a. het type hulp dat wordt geleverd; b. de frequentie van de hulp; c. een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode; d. de mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?); e. kwaliteit van de ondersteuning zit in de nabijheid van ondersteuner;

pag. 15 van 45

f. pgb leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is; g.als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben; h.De persoon uit het netwerk moet aangeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt. 10. Het college kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of de persoon of organisatie verantwoorde dienstverlening kan leveren. De aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd indien dit advies uitwijst dat de kwaliteit van de dienstverlening niet of onvoldoende gewaarborgd is. 11. De hoogte van een pgb: a. bedraagt niet meer dan de prijs van in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Indien een pgb wordt aangevraagd voor een voorziening in de vorm van hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, wordt de prijs bepaald op ten hoogste de prijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt. Als de verstrekking in natura een tweedehands voorziening betreft, wordt de prijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de voorziening technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering; b.

is voor zover deze voor dienstverlening wordt verstrekt opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris (minimaal wettelijk minimumloon), vakantiegeld, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten. 12. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: a. een zaak (vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en woningaanpassingen): Op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; b. huishoudelijke hulp: i. Voor zover het pgb bestemd is voor de inkoop van dienstverlening door een dienstverlener die in dienst is van of werkt voor een professionele organisatie die gericht is op de verlening van deze ondersteuning, of als professionele freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is voor de in te kopen dienstverlening, betreft het tarief per uur of per resultaat, maximaal 100% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt, of bij het ontbreken hiervan, maximaal 100% van de laagste marktprijs;

pag. 16 van 45

ii. als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een niet gekwalificeerd persoon uit het sociale netwerk, niet zijnde een onbetaalde vrijwilliger, wordt een uurtarief gehanteerd dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. c. individuele begeleiding: i. Voor zover het pgb bestemd is voor de inkoop van basis individuele of specialistische begeleiding door een dienstverlener die in dienst is van of werkt voor een professionele organisatie die gericht is op de verlening van deze ondersteuning, of als professionele freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is voor de in te kopen dienstverlening, betreft het tarief per uur of per resultaat, maximaal 100% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt, of bij het ontbreken hiervan, maximaal 100% van de laagste marktprijs; ii. als de basis individuele begeleiding wordt uitgevoerd door een niet gekwalificeerd persoon uit het sociaal netwerk, niet zijnde een vrijwilliger, wordt een uurtarief gehanteerd dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon en de minimumvakantiebijslag van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. d. groepsbegeleiding en dagbesteding: i.

dagbesteding met laag intensieve ondersteuning uitgevoerd door niet gekwalificeerde beroepskrachten met ondersteuning van een beroepskracht in dienst van een zorgaanbieder: op basis van 100% van het laagste toepasselijke tarief voor dergelijke begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon dat zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; ii. gespecialiseerde dagbesteding met hoog intensieve ondersteuning uitgevoerd door een daartoe opgeleide persoon in dienst van een zorgaanbieder: op basis van het 100% laagste toepasselijke tarief voor dergelijke begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid beroepskracht dat zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. e. Logeeropvang en logeerverblijf: i. met laag intensieve ondersteuning uitgevoerd door vrijwilligers met ondersteuning van een beroepskracht in dienst van een zorgaanbieder: op basis van het 100% laagste toepasselijke tarief voor dergelijke begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon dat zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; ii.

met hoog intensieve ondersteuning uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in dienst van een zorgaanbieder: op basis van het 100% laagste toepasselijke tarief dat voor dergelijke begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleide beroepskracht zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; pag. 17 van 45

iii. als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een niet gekwalificeerd persoon uit het sociaal netwerk kan het college een tegemoetkoming voor hulp uit het sociale netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en in artikel 8 van de Jeugdwet van maximaal €129,- per kalendermaand en maximaal € 42,50 per etmaal toekennen. f. Eigen vervoer van en naar de dagbesteding: De vergoeding bedraagt € 0,19 per kilometer g. een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier; h. aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening: op basis van de laagste prijs en het laagste tarief die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier of op basis van een uitgebrachte offerte; i. het bezoekbaar maken van een woning: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer; j. specialistische zorg voor Ernstige Enkelvoudige Dyslexie: Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek of behandeling van enkelvoudige ernstige dyslexie, indien: i.

de jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt; ii. er voldaan is aan de afspraken opgenomen in het Protocol Dyslexie Diagnose en Behandeling. Het tarief voor deze maatwerkvoorziening die hiervoor wordt gehanteerd is die van een door de gemeente gecontracteerde leverancier of op basis van een uitgebrachte offerte. 13. Het voor de cliënt geldende maximale tarief per uur, dagdeel of etmaal zoals wordt vastgesteld op de dag van de toekenning, blijft gedurende de looptijd van de toekenning ongewijzigd. 14. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. Het pgb voor woningaanpassingen moet binnen 15 maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het doel waarvoor het pgb is verleend en voldoen aan het programma van eisen van de woningaanpassing. 15. De prijs van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening wordt bepaald: a. Door het opvragen van drie offertes door de cliënt, of; b. na consultatie in de markt door het college, of;

pag. 18 van 45

c. in overleg met de aanbieder. 16. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. a. van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. b. informele hulp is: Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt Artikel 12. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Artikel 12.1. Nieuwe feiten en omstandigheden

1. Het college informeert cliënt of hun vertegenwoordigers in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; 2. De cliënt doet melding op verzoek of uit eigen beweging aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande het recht op een voorziening. Artikel 12.2. Beëindiging

1. Het college kan een besluit genomen op grond van deze verordening beëindigen of intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de voorziening is aangewezen; c. de voorziening niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de voorziening of het pgb;

pag. 19 van 45

e. de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd; f. bij wangedrag van een cliënt waardoor hulpverlening niet meer verstrekt kan worden. 2. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden of 15 maanden bij een woningaanpassing, na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden; 3. Bij opname van de cliënt in een ziekenhuis of instelling wordt een lopende pgb tot maximaal een maand na opname ter beschikking gesteld aan de zorgverlener, ondanks de gewijzigde situatie. Na deze maand wordt op basis van de dan geldende situatie een heroverweging gedaan over de benodigde zorg en wijze van financiering en kan het pgb beëindigd worden. 4. Bij verblijf buiten het hoofdverblijf kan het pgb voor diensten van de cliënt na 6 weken worden beëindigd; 5. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, zal deze voorziening worden teruggevorderd. Artikel 12.3. Herziening of intrekking

Het college kan een besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening herzien of intrekken indien: 1. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening; 2. blijkt dat de cliënt aan wie een pgb is toegekend niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in de beschikking. Artikel 12.4. Terugvordering

1. Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening is herzien of ingetrokken: a. het ten onrechte of tot een te hoog bedrag genoten pgb terugvorderen; b. de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura vorderen; c. of deze maatwerkvoorziening terugvorderen dan wel terughalen. 2. De vordering kan worden geïnd door middel van verrekening, als bedoeld in artikel 3.3 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel 12.5 Wangedrag en onzorgvuldig gebruik

1. Bij herhaald en/of ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening, treft het college -al dan niet tijdelijk-

pag. 20 van 45

maatregelen jegens cliënt ter bescherming van de medewerker van een aanbieder of ter voorkoming van (verdere) schade aan de in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening. 2. Bij een herhaling van dit ernstig wangedrag en/of het onzorgvuldig gebruik zal dit leiden tot beëindiging van de toegekende maatwerkvoorziening. Artikel 12.6 Fraudepreventie

Het college zet in op fraudepreventie, dat in ieder geval omvat: 1. het voorlichting geven aan inwoners van de gemeente Krimpenerwaard en in het bijzonder aan cliënten. 2. het informeren van cliënten over de rechten en plichten die zijn verbonden aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik. 3. Het college wijst een toezichthouder rechtmatigheid aan belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en Wmo 2015. Artikel 12.7 Opschorting betaling uit het pgb

1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12.2 lid 3. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel 12.8 Controle pgb

1. Het college kan onderzoeken, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor deze zijn verstrekt. 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op het gebruik of de besteding. HOOFDSTUK 4. Bijdrage in kosten Artikel 13. Bijdrage in kosten maatwerkvoorzieningen (alleen Wmo 2015)

1. De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. pag. 21 van 45

2. De hoogte van de bijdrage is in overeenstemming met hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; 3. Het college kan in de nadere regels bepalen: a. dat de bijdrage voor voorzieningen overeenkomstig wordt verlaagd. b. voor welke groep cliënten een korting op de bijdrage van toepassing is, en c. Welke factoren een rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage. 4. In afwijking van het eerste lid kan de verschuldigde bijdrage kwijt gescholden worden voor de cliënt die een inkomen heeft van minder dan 120% van de bijstandsnorm. 5. Voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is geen bijdrage in de kosten verschuldigd. 5a. Voor een maatwerksportvoorziening is cliënt geen bijdrage in de kosten verschuldigd. 6. De bijdrage voor de (maatschappelijke) opvang wordt geïnd door de aanbieder die de opvang biedt. 7. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening door het CAK vastgesteld en geïnd. 8. In afwijking van het eerste lid wordt voor het collectief vraagafhankelijk vervoer per rit een tarief per zone (inclusief opstapzone) gehanteerd. De hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer voor Wmo-pashouders bedraagt € 2.35 voor de eerste zone, € 3. 35 voor de tweede zone, € 4. 35 voor de derde zone, € 5.

45 voor de vierde zone, € 6. 45 voor de vijfde zone en € 7. 50 voor de zesde zone. De genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2022. Voor het actuele tarief kijkt u op https://groeneharthopper.nl/tarieven/. HOOFDSTUK 5. Kwaliteitseisen Artikel 14. Kwaliteitseisen voorzieningen zowel in natura als pgb

1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat de beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

pag. 22 van 45

d. en voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders. Het college kan daartoe een jaarlijks cliëntervaringonderzoek doen en kan zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse de geleverde voorzieningen controleren; 3. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. Eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten en niet beroepskrachten vallen daaronder. Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen door derden

1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; b. of een reële prijs die geldt voor: i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en; ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; b. en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten;

pag. 23 van 45

e. indexatie van de tarieven Wmo en Jeugdhulp worden (jaarlijks) herzien volgens de regionaal ingekochte contracten f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Artikel 16. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

1. Het college stelt nadere regels voor het melden van calamiteiten en geweld bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. HOOFDSTUK 6. Waardering mantelzorgers en vrijwilligers Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en vrijwilligers

Mantelzorgers komen in aanmerking voor maximaal één de gemeentelijke mantelzorgwaardering per kalenderjaar van mantelzorg indien: 1. De mantelzorger in ieder geval voor een periode van drie maanden en voor ten minste gemiddeld acht uur per week en onbetaald voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, familielid, kind of vriend(in) zorgt. 2. Degene die wordt verzorgd inwoner van de gemeente Krimpenerwaard is. 3. Per zorgbehoevende kunnen maximaal 2 mantelzorgers een mantelzorgwaardering aanvragen.

Artikel 17A Tegemoetkoming medische meerkosten

Het college verstrekt op basis van de Regeling tegemoetkoming medische meerkosten op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. HOOFDSTUK 7. Klachtregeling, medezeggenschap en inspraak Artikel 18. Klachtregeling

1. Aanbieders beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de voorzieningen. pag. 24 van 45

2. Het college ziet toe op het bestaan en de werking van de klachtregeling door periodieke overleggen met de aanbieders. 3. Klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening kunnen een klacht indienen die zal worden afgehandeld in overeenstemming met het Protocol Klachtenbehandeling gemeente Krimpenerwaard. 4. Indien cliënten niet tevreden zijn over de klachtafhandeling door de aanbieders kunnen cliënten een klacht indienen bij de gemeente Krimpenerwaard zoals bedoeld in het Protocol Klachtenbehandeling gemeente Krimpenerwaard. Artikel 19. Medezeggenschapsregeling

1. Aanbieders beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de voorzieningen. 2. Het college ziet toe op het bestaan en de werking van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek te laten overleggen door de aanbieders. Artikel 20. Betrekken van ingezetenen bij beleid

1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, onder wie in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan ter uitvoering van het tweede en derde lid nadere regels stellen. HOOFDSTUK 8. Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 21. Nadere regels, beleidsregels en hardheidsclausule

1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

pag. 25 van 45

2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het gestelde in deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

1. De verordening maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard 2018 wordt ingetrokken per 1 december 2019. 2. De Verordening Jeugdhulp Krimpenerwaard 2017 wordt ingetrokken per 1 december 2019. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard 2018 of de Verordening Jeugdhulp Krimpenerwaard 2017 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze Verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening. 4. Een maatwerkvoorziening die op grond van Verordening maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard 2018 of op grond van de Verordening Jeugdhulp Krimpenerwaard 2017 is verstrekt en waarvan de duur bij inwerkingtreding van deze verordening nog niet is verstreken, wordt geacht op grond van deze verordening te zijn verstrekt. 5. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard 2018 of op grond van de Verordening Jeugdhulp Krimpenerwaard 2017, tot dat het college een nieuwe beschikking heeft genomen. Het nieuwe besluit wordt genomen met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving. 6.

Op een bezwaarschrift dat is ingediend tegen een door het college op grond van Verordening maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard 2018 of op grond van de Verordening Jeugdhulp Krimpenerwaard 2017 en voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening genomen besluit, wordt beslist met toepassing van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Krimpenerwaard 2018 of op grond van de Verordening Jeugdhulp Krimpenerwaard 2017, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. 7. Van het in lid 2, lid 3 en lid 4 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op 1 december 2019. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Krimpenerwaard. Ondertekening

pag. 26 van 45

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Krimpenerwaard, gehouden op dinsdag 5 november 2019. de griffier, M.L. van Muijen de voorzitter, mr. R.S. Cazemier

Toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen Het aantal definities in artikel 1 is beperkt gehouden; evenals de omvang van de omschrijvingen. Hieronder volgen enkele aanvullende begrippen: Begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;

Cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; Familiegroepsplan: zoals gedefinieerd in de Jeugdwet als: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; Hulpverleningsplan: plan betreffende de verlening van jeugdhulp als bedoeld in artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6; Participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; Plan van aanpak: zoals gedefinieerd in de jeugdwet als: plan betreffende de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als bedoeld in artikel 4.1.3; persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; Sociale netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; pag. 27 van 45

Toekomstplan: zie artikel 2.6.1 nadere regels jeugd Vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; De waakvlamfunctie: een preventieve vorm van ondersteuning die kan worden ingezet voor monitoring en incidentele ondersteuning nadat de structurele, intensieve ondersteuning binnen een resultaatgebied is afgerond. Het gaat bij een waakvlamfunctie om laagfrequente ondersteuning waarbij minder sprake is van vaste periodieke contactmomenten van de aanbieder met de cliënt. Om te voorkomen dat de situatie van de cliënt eventueel weer zou kunnen verslechteren, wordt van de aanbieder verwacht de benodigde ondersteuning, indien nodig, weer tijdig op te schalen. Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Ten slotte ter verduidelijking een aanvulling op het begrip algemeen gebruikelijke voorziening: Uit rechtspraak volgt dat bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is onder andere de volgende vragen betrokken kunnen worden: Is de voorziening niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking? Is de voorziening algemeen verkrijgbaar? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Daarnaast moet een woonvoorziening in beginsel worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. Bijvoorbeeld, indien op basis van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een woning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners zoals ouderen of gehandicapten. Hier worden dan geen aanpassingen gerealiseerd. Artikel 2. Reikwijdte verordening De verordening is van toepassing op inwoners van de gemeente Krimpenerwaard. Voor het bepalen wie inwoner is van de gemeente wordt aangesloten bij de basisregistratie personen (BRP). Voor de aanvragen voor jeugdhulp en beschermd wonen zijn aanvullende criteria opgenomen. Specifiek is onder lid 3 de regeling voor beschermd wonen opgenomen. Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor Beschermd Wonen. De financiering daarvan loopt thans nog via de centrumgemeenten als bedoeld in de Wmo 2007. Voor de Krimpenerwaard is dat de gemeente Gouda.

Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Gouda, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het pgb in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente. Artikel 3. Vormen van ondersteuning

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=f36a033d-1f23-45ba-867a-5994be25b8a4