BIJL - Toelichting bestemmingsplan
Tekst van het document
Parkeren
De parkeernorm volgens het beleid van de gemeente is het midden van de minimum- en maximumnormen van het CROW voor ‘niet stedelijk gebied, rest bebouwde kom’. De activiteiten die plaatsvinden in zowel de bestaande als de nieuwe loods betreffen assemblage en opslag. Voor assemblage geldt een parkeernorm in de categorie ‘bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief’ en voor opslag ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
27
Op basis van de huidige activiteiten is de volgende verdeling gehanteerd: het ruimtebeslag voor assemblage 30% en het ruimtebeslag voor opslag 70%. Uit onderstaande parkeerberekening volgt dat in totaal 104 parkeerplekken benodigd zijn.
Momenteel zijn op de bestaande locatie 18 parkeerplekken aanwezig, aan de noordzijde van de bestaande bedrijfshal naast de toegang. Deze parkeerplekken blijven behouden. Daarnaast worden, zoals op de situatietekening opgenomen, nieuwe parkeerplekken op het terrein gerealiseerd. In totaal zullen er 105 parkeerplekken op het terrein aanwezig zijn. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. 4.2.3
Conclusie
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beleidskader
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. In artikel 5.16 van de Wm is vastgelegd dat voor een plan dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen uitgebreid luchtkwaliteit onderzoek uitgevoerd hoeft te worden en het plan doorgang kan vinden. Met andere woorden, draagt een project niet of niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
28
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten die in betekenende mate bijdrage kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. NIBM-projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In het Besluit NIBM is in artikel 5 een zgn. anticumulatiebepaling opgenomen. Hiermee wordt de verplichting opgelegd om nieuwe plannen die van dezelfde ontsluitingswegen gebruikmaken en individueel als NIBM aan te merken zijn, ook als één geheel te beschouwen. Hiermee wordt voorkomen dat een groot plan met een grote invloed op de luchtkwaliteit opgedeeld wordt in kleinere NIBM deelplannen. 4.3.2
Beoordeling
In het onderhavige plan is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen (zie ook paragraaf 4.2.1). Het plan zorgt daarom niet voor verslechtering van de luchtkwaliteit. Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht gegeven in de heersende luchtkwaliteit in het plangebied. Uit de monitorkaarten van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) blijkt dat, voor de maatgevende stoffen (fijn stof, zeer fijn stof en stikstofdioxide), bij het meest nabijgelegen rekenpunt aan de Dorpsstraat (zie figuur 4.1) de volgende waarden van toepassing zijn: -
De hoogst optredende jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) is 18,7 g/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 40 g/m3.
-
De hoogst optredende jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) is 16,9 g/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 40 g/m3.
-
Het hoogst optredende aantal overschrijdingen van de etmaalnorm voor fijn stof (PM10) is 6. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 35.
-
De hoogst optredende jaargemiddelde concentratie zeer fijn stof (PM2,5) is 9,3 g/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 25 g/m3.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
29
Figuur 4.1 NSL rekenpunt langs de Dorpsstraat ter hoogte van het plangebied 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.4
Geluid
4.4.1
Wettelijk kader
Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object – hiervoor kent de wet 'geluidgevoelige bestemmingen' zoals wonen, zorg en onderwijs. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een ruimtelijk plan: −
bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen een zone;
−
bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe gezoneerde (spoor) wegen (niet zijnde rijkswegen of hoofdspoorwegen vallend onder de Wet milieubeheer);
−
reconstructie van gezoneerde wegen (niet zijnde rijkswegen);
−
bestemmen van gronden voor gezoneerde industrieterreinen;
−
wijzigen van de grenzen van gezoneerde industrieterreinen of bijbehorende zones.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
30
Bij het bestemmen van gronden die behoren of gaan behoren tot een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Het geluid door het industrieterrein moet worden getoetst aan de krachtens de Wet geluidhinder geldende of vastgestelde grenswaarden. Waar nodig kunnen hogere waarden worden vastgesteld. 4.4.2
Beoordeling
In 2020 heeft Stinis een Activiteitenbesluit melding gedaan van het veranderen van de inrichting, welke verandering met dit bestemmingsplan nu ook planologisch wordt geregeld. Het geluidrapport van 17 juli 2020 met kenmerk R075323aj.201F6SR.cw is opgenomen in bijlage III van deze toelichting. Uit het geluidrapport blijkt dat het geluid van Stinis niet wezenlijk toe- of afneemt en dat het geluid van het bedrijventerrein blijft voldoen aan de krachtens de Wet geluidhinder geldende of vastgestelde grenswaarden. In het kader van de Wet milieubeheer is reeds positief
besloten op het onderzoek. 4.4.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
Kader
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid moet erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ editie 2009 is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De publicatie hanteert een tweetal verschillende omgevingstypen voor de richtafstanden: het omgevingstype ‘gemengd gebied’ en het omgevingstype ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en in rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor.
De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van een rustig woongebied. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden, zonder dat dit
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
31
ten koste gaat van het leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.
Tabel 4.1 Overzicht richtafstanden VNG-publicatie De bovengenoemde richtafstanden voor een rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden waar functiemenging is, bijvoorbeeld in een centrumgebied met veel winkels en voorzieningen, is er sprake van milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstanden van elkaar gesitueerd zijn. De richtafstanden uit tabel 4.1 zijn dan niet meer toepasbaar. In dat geval wordt er middels categorieën aangegeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn: -
Categorie A activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen;
-
Categorie B activiteiten zijn toegestaan aanpandig aan woningen indien ze bouwkundig van elkaar afgescheiden zijn;
-
Categorie C activiteiten zijn alleen toegestaan indien ze gesitueerd zijn aan een hoofdweg.
4.5.2
Beoordeling
Relevant voor de beoordeling van dit bestemmingsplan is dat binnen het plangebied maar een klein deel van de gronden nog niet aansluit bij de gewenste milieucategorie. Initiatiefnemer voert bedrijfsactiviteiten uit die behoren tot milieucategorie 3.2. Met onderhavig bestemmingsplan wordt voor het gehele perceel een milieucategorie 3.1 opgenomen. Daarnaast wordt ten behoeve de bedrijfsactiviteiten van initiatiefnemer de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - machinebouw’ opgenomen. In het vigerende bestemmingsplan is de milieucategorie 3.2 al toegestaan op het zuidelijk deel van het perceel (zie ook figuur 4.2, het geel gearceerde gebied). Op de oostelijke helft van het perceel is specifiek een scheepswerf is toegestaan. In het vigerende bestemmingsplan is dit aangeduid met een functieaanduiding (zie ook figuur 4.2, het rood gearceerde gebied). Deze aanduiding komt met dit bestemmingsplan te vervallen. Scheepswerfactiviteiten behoren doorgaans tot milieucategorie
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
32
3.2 en daarom krijgt de oostelijke helft de bestemming ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ als bedoeld in artikel 3.1, onder b, van de planregels. Alleen in het groen gearceerde gebied is ten hoogste milieucategorie 3.1 toegestaan. Voor dit groen gearceerde gebied moet beoordeeld worden of de hogere milieucategorie (3.2) inpasbaar is in de omgeving.
Categorie 3.1
Scheepswerf (cat. 3.2)
Categorie 3.2
Figuur 4.2 Toegestane milieucategorieën in het vigerende bestemmingsplan. Het meest relevant in de beoordeling zijn de woningen aan de Dorpsstraat 61 t/m 67. De woning aan de Dorpsstraat 65 is eigendom van initiatiefnemer en wordt als bedrijfswoning bij het bedrijf betrokken. Deze woning wordt in dit bestemmingsplan herbestemd van ‘wonen’ naar ‘bedrijf’ met een aanduiding ‘bedrijfswoning’. Omdat deze woning in de toekomst bij het bedrijf hoort hoeft het niet in de beoordeling betrokken te worden. Voor de woningen aan de Dorpsstraat 61, 63 en 67 is er geen sprake van een verslechtering van de situatie, omdat direct aangrenzend aan de woonpercelen al scheepswerfactiviteiten behorende tot milieucategorie 3.2 zijn toegestaan. De nieuwe bedrijfshal en hogere milieucategorie in het groen gearceerde gebied brengt hier geen verandering in.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
33
Opgemerkt wordt dat alle activiteiten gaan plaatsvinden in de nieuwe bedrijfshal. Omdat de scheepswerfactiviteiten plaatsvonden in de open lucht is er daarom sprake van minder uitstraling van hinder naar de omgeving. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen Dorpsstraat 61 t/m 67.
4.5.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Wettelijk kader
Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving van: −
het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
−
het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen);
−
het transport van aardgas en brandstoffen door buisleidingen;
−
het gebruik van luchthavens en overige risicobronnen zoals bijvoorbeeld windturbines hoogspanningslijnen en zendmasten.
Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), voor zover de risico's door een inrichting worden veroorzaakt. Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden sinds 1 april 2015 het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. De Basisnetten Weg, Water en Spoor geven de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. De normering voor risico’s door het transport, het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen en windturbines is gebaseerd op enkele begrippen. −
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10-6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.
−
Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hoe meer mensen nabij de bron verblijven, hoe groter het groepsrisico. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10 -5 per jaar, met de kans op een
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
34
ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. Het bevoegd gezag zal bij een nieuwe ontwikkeling moeten bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar risico. Vervolgens moet het bevoegd gezag over de hoogte van het groepsrisico verantwoording moeten afleggen. Bij de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag wordt er nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen voltrekken. Zo kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes van toepassing (Bevt). Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is dient ook aandacht te worden geschonken aan de volgende aspecten: −
Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen.
−
Hoogte van het groepsrisico.
−
Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte).
−
Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.
Er is echter sprake van een uitzondering wanneer: −
Het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.
−
Het groepsrisico, niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de eerst genoemde aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.6.2
Beoordeling
Het onderhavig plan voorziet niet in een nieuwe risicovolle inrichting, transportroute voor gevaarlijke stoffen of een buisleiding. Het plan heeft daarom geen effect op de veiligheidssituatie in de omgeving. Ook zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of relevante buisleidingen die die voor beperkingen zorgen voor het onderhavige plan. Wel is er een transportroute voor gevaarlijke stoffen aanwezig, namelijk de Lek. De Lek is opgenomen in het Basisnet water (categorie binnenvaartschepen, onderdeel van Corridor Amsterdam – Rijn). De Lek heeft geen PR 10-6 contour. Plaatsgebonden risico is dus geen belemmering voor het plan. Wel ligt het plangebied binnen 200 meter van de buitenrand van de transportroute. Conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
35
daarom ingegaan worden op verschillende aspecten van het groepsrisico. Conform lid 2 van artikel 8 van het Bevt kan dit echter achterwege blijven als aangetoond is dat: a) het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of b) het groepsrisico met niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. In het vigerende bestemmingsplan is geconcludeerd dat het groepsrisico binnen het plangebied lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Onderhavige ontwikkeling zorgt ook niet voor een toename van het aantal personen op de locatie. Er is dus geen wijziging in het groepsrisico. Er hoeft geen nadere beoordeling plaats te vinden in het kader van externe veiligheid. Slachtofferrisico bij overstromingen Conform artikel 6.23 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland moet voor nieuwe bebouwing in het buitendijkse gebied een inschatting gegeven worden van het slachtofferrisico bij een eventuele overstroming en een verantwoording van de afweging die is gemaakt voor het toelaten van nieuwe bebouwing. Omdat het aantal aanwezige personen op de locatie niet toeneemt door de nieuwe bebouwing (het aantal werknemers blijft immers hetzelfde) is er geen toename van het slachtofferrisico bij een overstroming. Er hoeft daarom geen nadere beoordeling of verantwoording plaats te vinden. 4.6.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.7
Bodemkwaliteit
4.7.1
Algemeen
In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit door aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.7.2
Beoordeling
In het kader van het plan zijn een actualiserend bodemonderzoek (2018) en eindsituatie bodemonderzoek (2019) uitgevoerd voor het perceel Dorpsstraat 67a (zie bijlagen IV en V). Onderstaand zijn de resultaten en conclusies van de onderzoeken toegelicht. Actualiserend bodemonderzoek (2018)
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
36
Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen aankoop van de onderzoekslocatie, de bestemmingsplanwijziging en de beoogde bouwplannen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat er bodemverontreinigingen op de locatie aanwezig zijn. Hierover is door het bevoegde gezag geoordeeld dat er nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Het onderhavige onderzoek heeft als doel om de bodeminformatie aan te vullen en te actualiseren. Uit het vooronderzoek blijkt dat het terrein in 2009 is onderzocht door IDDS BV. Uit het verkennend en aanvullend bodemonderzoek bleek dat er sprake is van bodemverontreiniging. In de bovengrond zijn gehaltes boven de tussenwaarde aangetroffen voor de parameters lood en zink. De parameters kwik, nikkel en PAK overschreden de achtergrondwaarde. Plaatselijk bleek de bovengrond sterk puinhoudend en sterk verontreinigd met PCB en zink. In het grondwater zijn lichte overschrijdingen molybdeen, xylenen en dichlooretheen aangetroffen. Destijds is geoordeeld dat de aanwezige verontreinigingen worden veroorzaakt door de aanwezige puinlaag. Er was destijds geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake was van nietonderzochte verontreinigingsbronnen. Er is derhalve afgezien van nader bodemonderzoek. Bij dit vooronderzoek worden, op basis van bekende bodeminformatie, verdachte deellocaties en de bijbehorende onderzoeksstrategie vastgesteld.
De doelstelling van het actualiserend bodemonderzoek is tweeledig en opgedeeld in een tweetal deellocaties. -
Deellocatie A – Toekomstig bouwblok (ONV);
-
Deellocatie B – Verontreinigingslocatie voorgaand onderzoek (NAD);
-
Deellocatie C - Voormalige scheepswerf (VED-HE).
Bij uitvoering van het veldwerk zijn er in de bodemlaag tot 0,5 m –mv diverse bijmengingen van steen, baksteen en sintels waargenomen. Op diverse plaatsen is er op een diepte van 0,2 tot 0,5 m –mv een laag slakken aangetroffen. Op diverse plaatsen zijn de boringen op een diepte van circa 1,5 m –mv gestaakt op een handmatig ondoordringbare laag van vermoedelijk klinkers. De bijmengingen en de ondoordringbare laag doen vermoeden dat het terrein is opgehoogd. Dit komt niet overeen met de bodem relevante gegevens die beschikbaar zijn bij de Omgevingsdienst. De analytische resultaten wijzen uit dat er sprake is van bodemverontreiniging. Over de gehele onderzoekslocatie is de bodem tot een diepte van 1,5 m –mv sterk verontreinigd met zink, nikkel, koper, cadmium en lood. Daarnaast is de bodem op veel plaatsen licht tot matig verontreinigd met kobalt, molybdeen, kwik, PAK, PCB en minerale olie. De overschrijdende parameters zijn bij vrijwel alle boringen identiek en hebben derhalve vermoedelijk eenzelfde oorzaak. De verontreinigingen zijn vermoedelijk te relateren aan de bijmenging van bodemvreemde materialen zoals slakken, sintels, baksteen en steen. Op plaatsen waar deze bijmengingen zijn waargenomen zijn de gemeten gehalten hoger dan waar deze niet zijn waargenomen.
De oorsprong van het bodemvreemde materiaal is onbekend maar hangt vermoedelijk samen met een mogelijk ophoging van het terrein.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
37
Het grondwater is ter plaatse van PB 04A sterk verontreinigd met lood. Daarnaast zijn er bij zowel PB 04A evenals PB 06 diverse overschrijdingen gemeten van metalen, aromatische koolwaterstoffen en vinylchloride. Gezien de parameters houden de verontreinigingen in het grondwater vermoedelijk verband met de aangetroffen verontreinigingen in de grond. Het gevonden asbestverdacht plaatmateriaal is na analyse asbesthoudend gebleken. Gelet op het feit dat het plaatmateriaal vergelijkbaar is met het materiaal op het dak en er verder geen verdacht materiaal op het maaiveld of in de bodem is aangetroffen, is het niet de verwachting dat er sprake is van verontreiniging van asbest in bodem. Gelet op de verspreiding van het bodemvreemde materiaal en de daaraan gerelateerde verontreiniging is er naar verwachting sprake van een verontreinigingssituatie van homogeen karakter. De kern van de verontreiniging betreft de toplaag tot ca. 1,0 m –mv. De onderliggende laag tot 1,5 m –mv is gelet op de lagere concentraties vermoedelijk verontreinigd geraakt ten gevolge van uitloging. Het totaal volume aan verontreinigde bodem overschrijdt de grenswaarde van 25 m3 verontreinigde grond ruimschoots, wat betekent dat er sprake is van een ernstig geval. Anders dan de conclusies uit het voorgaande onderzoek uit 2009, waarbij niet is gesproken over een gevalsdefinitie.
De grondwaterverontreiniging is vermoedelijk ontstaan ten gevolge van uitloging. Het totaalvolume aan verontreinigde bodemvocht is onbekend. Gezien de aard en de omvang van de verontreiniging is er mogelijk sprake van een saneringsnoodzaak op grond van de Wet bodembescherming (Wbb). Eindsituatie bodemonderzoek (2019) Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bedrijfsbeëindiging van der Velden Marine Systems op de locatie. Het onderzoek is er op gericht om te controleren of de locatie vervuild is geraakt door toedoen van de bedrijfsactiviteiten. De analyseresultaten wijzen uit dat er op diverse plekken sprake is van verontreiniging in bovenondergrond en het grondwater. Het gaat veelal om matige tot sterke verontreinigingen metalen, minerale olie, PCB’s en PAK. De aard van de verontreiniging lijkt op alle onderzochte terreindelen vergelijkbaar, wat doet vermoeden dat er sprake is van een homogene verontreiniging. Dit komt overeen met de resultaten van het eerdere verkennend bodemonderzoek. Ter plaatse van peilbuis 07 is in het grondwater een sterke verontreiniging vinychloride aangetoond. Hierop is besloten de buis 2x her te bemonsteren en enkele grondmonsters indicatief te laten analyseren. In geen van de grond- of grondwatermonsters is VOCl of vinylchloride aangetroffen. Vermoed wordt dat het aanvankelijk meetresultaat een meetfout of uitschieter is.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
38
De verontreinigingen lijken gerelateerd aan de aanwezigheid van puin en bodemvreemd materiaal en passen daarnaast in het (historisch) industriële karakter van de onderzoekslocatie. De bodemkwaliteit komt sterk overeen met de achtergrondwaarden voor de zone ‘oude industrie’, welke door de gemeente zijn vastgesteld. De onderzochte deellocaties zijn geenszins schoon, maar de verontreiniging valt niet te relateren aan de desbetreffende activiteit op deze deellocatie. Hoe en wanneer de verontreinigingen zijn ontstaan is niet vast te stellen. Daarmee is ook niet zonder meer uit te sluiten dat de verontreinigingen zijn ontstaan door toedoen van de huidige gebruiker of haar rechtsvoorgangers. Hierbij dient te worden opgemerkt dat enkel het bevoegde gezag gemachtigd is om hierover te besluiten. De bodemonderzoeken zijn voorgelegd aan een deskundige op het gebied van bodemkwaliteit. Beoordeeld is dat de kwaliteit van de bodem met deze onderzoeken voldoende is vastgelegd. Om de bodemkwaliteit in overeenstemming te brengen met het beoogde gebruik moet de locatie worden gesaneerd. 4.7.3
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan, mits de bodem van de locatie gesaneerd wordt.
4.8
Water
4.8.1
Wettelijk kader
Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting op de ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In deze paragraaf wordt uiteengezet of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding (grondwater en het oppervlaktewater). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze ruimtelijke plannen en besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is vastgelegd in onder meer het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Hierin heeft HHSK de hoofdlijnen van het
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
39
beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. 4.8.2
Beoordeling
Waterkering De planlocatie is gelegen in het beheergebied van Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard. De oever van de Lek maakt deel uit van een primaire waterkering (Dorpsstraat II, PKA 049). Zie figuur 4.3. Om de functionaliteit van de waterkering te beschermen zijn in de Keur van het Hoogheemraadschap geboden en verboden opgenomen. Activiteiten en ingrepen in of nabij de beschermingszone van de waterkering en die een negatieve invloed hebben op de waterkering zijn verboden. Het plangebied ligt deels binnen de ‘kernzone waterkering’ en ‘beschermingszone buitenkant’. Artikel 3.1 van de Keur schrijft voor dat een watervergunning benodigd is om in de beschermingszone van een waterstaatswerk bouwactiviteiten uit te voeren. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden voor de nieuwe bedrijfshal zal het plan voorgelegd worden aan het Hoogheemraadschap en de vereiste acties ondernomen worden om toestemming te krijgen voor het bouwplan.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
40
Figuur 4.3 Ligging plangebied ten opzichte van regionale waterkering Oppervlaktewater In het plangebied liggen geen oppervlaktewateren die in het beheer zijn van het Hoogheemraadschap. Het dichtstbijzijnde water is de Lek. De beheerder hiervan is Rijkswaterstaat. Voor de verlenging van de kade is reeds een Waterwetvergunning aangevraagd op 29 oktober 2021. In de Waterwetvergunning is beoordeeld dat er geen negatieve gevolgen zijn voor het oppervlaktewaterlichaam. Hemelwaterafvoer Ten behoeve van het verlengen van de kade moet een deel van het aangrenzende oppervlaktewater gedempt worden. Het te dempen water moet worden gecompenseerd, zodat er geen negatief effect is op de snelheid waarmee het regenwater naar oppervlaktewater afstroomt en het bergend vermogen niet verminderd wordt. Hiermee wordt wateroverlast voorkomen. Ten behoeve van de kader wordt er circa 880 m2 water gedempt. Uitgaande van een gemiddeld hoogwater van 115 cm boven NAP en een maatgevend hoogwater van 320 cm boven NAP is er een verschil van 205 cm. Dit resulteert in een verlies aan bergend vermogen van 1.804 m3 (2,05 m x 880 m2). Er moet dus 1.804 m3 aan water gecompenseerd worden. Initiatiefnemer heeft principe-afspraken gemaakt met buitenplaats Huys ten Donck (Ridderkerk) om daar de benodigde watercompensatie te realiseren voor de herontwikkeling van het buitendijkse deel van het landgoed.
Hiervoor wordt de watergang verruimd en ontstaat een toename van het bergend vermogen. Huys ten Donck stelt 2.000 m3 beschikbaar als compensatie voor dit bestemmingsplan.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
41
De benodigde watervergunning in het kader van de Waterwet voor het verlengen van de kade is verleend op 28 januari 2022. De vergunning is bijgevoegd bij deze toelichting als bijlage VI. Waterkwaliteit Met de nieuwbouw worden niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast, zodat verontreiniging van water en bodem wordt voorkomen. 4.8.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.9
Flora en fauna
4.9.1
Wettelijk kader
Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.
Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
42
verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. 4.9.2
Beoordeling
In het kader van het plan heeft EcologieWerkt een quick scan ecologie uitgevoerd (zie bijlage VII). Uit de quick scan blijkt het volgende. Soortbescherming Uit bureaustudie en veldbezoek is naar voren gekomen dat het uit te sluiten is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Het plangebied biedt geen geschikte biotoop voor beschermde soorten fauna en flora. Een nader onderzoek naar beschermde soorten is niet noodzakelijk om uit te sluiten dan wel aan te tonen dat het plangebied voor deze soorten een functie heeft. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten broedvogels een nest hebben in of nabij het plangebied. Hiervoor geldt de zorgplicht (bijlage I bij de quick scan). Indien de werkzaamheden starten tijdens het broedseizoen (maart t/m half augustus) moet door een ecoloog vastgesteld worden of algemene broedvogels een nest hebben binnen het plangebied of de verstorende invloedsfeer. Indien de geplande bouwperiode aanvangt vóór het broedseizoen en er voortdurend doorgewerkt wordt (m.u.v. de weekenden) komen algemene soorten niet tot broeden en hoeft er geen broedvogelcheck uitgevoerd te worden. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
De ingreep leidt niet tot verkleining van de habitats van soorten in Natura 2000gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op deze soorten. 4.9.3
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.10
Stikstofdepositie
4.10.1 Wettelijk kader In de Wet natuurbescherming (Wnb) van 1 januari 2017 zijn regels opgenomen voor de bescherming van natuur en landschap. In artikel 2.7, van de Wnb is vastgelegd wanneer voor het realiseren van een plan of project een vergunning benodigd is in het kader van de Wnb.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
43
In een voortoets wordt bekeken of het plan of project leidt tot een toename in de stikstofdepositie. Wanneer dit het geval is, kan de resulterende depositie mogelijk voor significante gevolgen zorgen op Natura 2000-gebieden. Voor het vaststellen van de mogelijke effecten van stikstofdepositie is gebruikgemaakt van AERIUS Calculator. Dit is een rekeninstrument waarmee stikstofdepositie kan worden berekend. Zodoende kan worden vastgesteld of door deze depositie, een project of bestemmingsplan een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. 4.10.2 Beoordeling Het plangebied bevindt zich op een bestaand bedrijventerrein in het bestaand stedelijk gebied. In het vigerende bestemmingsplan heeft de locatie een bedrijfsbestemming met een specifieke aanduiding ten behoeve van een scheepswerf, en is de bouw van gebouwen mogelijk. De locatie was tot voor kort als scheepswerf in gebruik, in overeenstemming met het bestemmingsplan. Met het wegbestemmen van de scheepswerf in dit bestemmingplan verdwijnt ook de bijbehorende stikstofuitstoot- en depositie. De beoogde uitbreiding van de bedrijfshal in dit bestemmingsplan heeft enkel als doel om de bestaande werkzaamheden efficiënter uit te voeren.
Er vindt geen toename van productie of uitbreiding van de werkzaamheden plaats, het aantal verkeers- en scheepvaartbewegingen zal daarom niet toenemen. Door het uitbreiden van de kavel worden enkel de rijlijnen en aanlegplaatsen iets verschoven binnen de beoogde kavel, dit zal geen verandering in de stikstofdepositie veroorzaken. Opgemerkt wordt dat de dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden ‘Boezems Kinderdijk’ (circa 1 km) en ‘Donkse Laagten’ (circa 8 km) niet stikstofgevoelig zijn. Aeriusberekening Aan de hand van de emissiekwantificering zijn voor de bouwfase en de gebruiksfase AERIUSmodellen opgesteld en doorgerekend. De berekeningsmodellen zijn doorgerekend met als uitkomst dat er geen depositieresultaten zijn hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar. Uitgaande van de rekenresultaten is er geen relevant nadelig effect voor Natura 2000-gebieden te verwachten vanwege stikstofdepositie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening bestaat voor het aspect stikstofdepositie geen belemmering. Uit het voorliggende onderzoek blijkt dat de bouwfase en gebruiksfase per saldo niet tot een toename van de stikstofdepositie leiden. De rapportage is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
44
4.10.3 Conclusie Significant negatieve effecten van de planontwikkeling voor de natuur zijn uit te sluiten. Het plan is ten aanzien van gebiedsbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming niet vergunningplichtig.
4.11
Archeologie en cultuurhistorie
4.11.1 Wettelijk kader Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Om het archeologisch erfgoed beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een ruimtelijk plan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een gebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. 4.11.2 Beoordeling Archeologie Op 17 december 2016 is de Archeologienota Krimpenerwaard in werking getreden. In de Archeologienota zijn bijlagen opgenomen met een archeologische verwachtingenkaart, waardenkaart en beleidskaart (zie onderstaande figuren). Het plangebied ligt in de historischlandschappelijke eenheid ‘uiterwaarden’. Voor dit gebied geldt voor de perioden van het Laat Paleolithicum tot aan de Nieuwe Tijd (tot 1950) een lage archeologische verwachting. Wel zijn binnen het plangebied 1 á 2 locaties aangegeven waar, op basis van analyse van luchtfoto’s, mogelijk stellingen uit WOII aanwezig zijn geweest. Conform de archeologische beleidskaart heeft het plangebied daarom de verwachtingswaarde ‘WA-2’. Hiervoor geldt dat behoud in situ het doel
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
45
is. Als dit niet mogelijk is geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m – maaiveld en een oppervlakte groter dan 50 m2. In het onderhavige plan is geen sprake van een negatief effect op mogelijk aanwezige archeologische waarden. De grond is reeds geroerd en er heeft lange tijd een bedrijfsgebouw gestaan. Na de sloop van het gebouw is de grond opgehoogd. Daarnaast wordt het plangebied nog verder opgehoogd tot het dezelfde maaiveldhoogte heeft als het naastgelegen perceel met de bestaande bedrijfshal van initiatiefnemer. Op basis van de openbare AHN-kaarten (Algemeen Hoogtebestand) gaat het om een additionele ophoging van circa 1,5 meter. Hiermee wordt voorkomen dat de grond dieper dan 0,3 m onder het bestaande maaiveld geroerd wordt.
Figuur 4.4 Uitsnede archeologische verwachtingenkaart
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
46
Figuur 4.5 Uitsnede archeologische waardenkaart
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
47
Figuur 4.6 Uitsnede archeologische beleidskaart Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten of karakteristieke panden aanwezig. 4.11.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.12
Bezonning
4.12.1 Algemeen Ten behoeve van het voorgestane bouwplan is een bezonningsstudie uitgevoerd. Hierin is het verschil in bezonning op omliggende kavels in de volgende drie situaties inzichtelijk gemaakt: 1.
Nieuwe loods
2.
Oude loods van voormalige scheepswerf
3.
Huidige planologische situatie met bouwvlak (bestemmingsplan bedrijventerrein Middelland-Dorpsstraat)
4.12.2 Beoordeling Uit de beoordeling volgt dat de nieuwe loods niet meer schaduw veroorzaakt op de aangrenzende percelen dan de bebouwing van de voormalige scheepswerf. Daarenboven zorgt de situatie met de
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
48
nieuwe loods voor minder schaduw dan eventuele bebouwing op het terrein welke op basis van de huidige planologische situatie mogelijk wordt gemaakt. De bezonningsstudie is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. 4.12.3 Conclusie Ten aanzien van bezonning is er geen sprake van een significante verslechtering in de nieuwe situatie ten opzichte van de situatie met bebouwing van de voormalige scheepswerf. Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
49
5
Juridische planopzet
5.1
Planopzet
5.1.1
Algemeen
Doel van dit bestemmingsplan is het opstellen van een adequate en actuele juridisch-planologische regeling voor de functiewijziging van het perceel. Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de uitgave Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, kortweg SVBP. 5.1.2
De verbeelding
De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op de planlocatie. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functieaanduidingen en bouwvlakken opgenomen. 5.1.3
De planregels
De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om door een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te verlenen, is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De uitvoering berust bij burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid maakt kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1.
Inleidende regels
2.
Bestemmingsregels
3.
Algemene regels
4.
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
50
welke wijze gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen.
5.2
Artikelsgewijze toelichting
5.2.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen. Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 5.2.2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Bedrijf De gronden in het plangebied zijn als zodanig bestemd dat bedrijven tot en met categorie 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten rechtstreeks zijn toegestaan. Machinebouw is met een specifieke aanduiding toegestaan. Binnen de bestemming 'Bedrijf' wordt eveneens ruimte geboden voor de bestaande bedrijfswoningen binnen het plangebied. Nieuwe bedrijfswoningen zijn niet mogelijk. Artikel 4 Water De waterpartijen binnen het plangebied zijn als zodanig bestemd teneinde de waterkwaliteit en kwantiteit binnen het plangebied op peil te kunnen houden. Het betreft een gedeelte van de rivier de Lek. Artikel 5 Waterstaat - Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de waterkerende functie van dijken en kaden. Deze bestemming heeft voorrang op andere bestemmingen op de locatie. Artikel 6 Waterstaat - Waterstaatkundige functie De buitendijks gelegen gronden hebben deze dubbelbestemming. Op basis van deze bestemming gelden beperkende regels ten aanzien van bouwen. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de waterbeheerder hieromtrent is gehoord en heeft geadviseerd.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
51
5.2.3
Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In dit plan zijn sommige bouwregels gerelateerd aan de oppervlakte van gronden, bijvoorbeeld aan de oppervlakte van een bouwperceel. Indien dezelfde gronden meerdere keren in aanmerking worden genomen bij het verlenen van (verschillende) omgevingsvergunningen, zouden de bebouwingsmogelijkheden daardoor onbedoeld verruimd kunnen worden. De anti-dubbeltelregel voorkomt dit. Artikel 8 Algemene bouwregels Dit artikel geeft regels ten aanzien van bestaande maatvoering. Artikel 9 Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft voor dit plan een beperking met betrekking tot het toegestane gebruik van gronden. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduiding zijn de zones opgenomen die over verschillende bestemmingen heen liggen. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Voor ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan is een algemene bevoegdheid tot afwijken opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van de afwijking. 5.2.4
Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in artikel 21 lid 1 Wro. Enkele bouwmogelijkheden in afwijking van de regels blijven bestaan voor gebouwen die afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet. Bestaande afwijkingen mogen niet worden vergroot. Uitbreiding is slechts mogelijk met een omgevingsvergunning om af te wijken van het bevoegd gezag. Artikel 13 Slotregel Het laatste artikel van de planregels betreft de slotregel van het onderliggende bestemmingsplan.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
52
6
Handhaving en uitvoerbaarheid
6.1
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening schrijven voor dat inzicht dient te bestaan in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. De ontwikkeling van het onderhavige plan wordt gerealiseerd vanuit een private exploitatie. Er is een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal verzekerd is. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de uitvoering en draagt het risico van de planontwikkeling. Voor de gemeente zijn aan de realisatie geen kosten en financiële risico’s verbonden, behoudens de kosten voor het begeleiden en in procedure brengen van dit bestemmingsplan en planontwikkelingskosten voor de anterieure exploitatieovereenkomst. De kosten voor de begeleiding en het doorlopen van de procedure van het bestemmingsplan vallen onder de legesverordening. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en de daarbij behorende onderzoeken zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Anterieure overeenkomst Het risico op planschade wordt door de gemeente verhaald op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten door een anterieure overeenkomst.
In de anterieure overeenkomst zullen onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot de te realiseren ruimtelijke ontwikkeling, de door de gemeente Krimpenerwaard gemaakte kosten en eventuele planschadeverhaal ontstaan door onderhavig bestemmingsplan worden opgenomen.
6.2
Handhavingsaspecten
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wabo en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking van de regels. Handhaving wordt onderscheiden in preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
53
controles op de uitvoering van vergunningen. Voorts bestaat preventieve handhaving uit het opstellen van duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels en uit communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijke actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
54
7
Procedure
7.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders waar nodig overleg plegen met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Per geval dient te worden beoordeeld met welke partijen dit overleg dient plaats te vinden. In het kader van onderhavig plan is vooroverleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners (Provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard)
7.2
Zienswijzen
Na het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. Dit houdt onder andere in dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze over het plan naar voren te brengen. Het bestemmingsplan is langs elektronische weg beschikbaar gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende de terinzagetermijn zijn een tweetal zienswijzen binnengekomen.
7.3
Vaststellingsfase
Met inachtneming en beantwoording van de zienswijzen wordt door de gemeenteraad een definitief bestemmingsplan vastgesteld, al dan niet met inbegrip van (ambtshalve) wijzigingen. Hierna wordt het vastgestelde bestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Belanghebbenden die een eventuele zienswijze naar voren hebben gebracht en belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij niet tijdig hun zienswijze bij de gemeenteraad naar voren hebben gebracht, kunnen gedurende deze periode beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan iedere belanghebbende beroep instellen over gewijzigde onderdelen in het bestemmingsplan. Na deze periode treedt het bestemmingsplan in werking, behalve wanneer tevens om een schorsing van de inwerkingtreding wordt gevraagd (voorlopige voorziening). Als het bestemmingsplan in werking is getreden, kunnen op basis daarvan omgevingsvergunningen worden verleend.
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
55
Bijlage I Overzicht percelen
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
Kadastrale kaart
Uw referentie: 075323ak
Deze kaart is noordgericht
12345 25
Schaal 1: 1000
Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens
Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Krimpen aan de Lek A 8326
Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 16 februari 2022 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
Bijlage II Situatietekeningen en visualisaties
R075323ak.21GDN79.dve | versie 02_001
3696
UIT B R E ID ING B E D R IJF S G E B O UW S T INIS | K R IMP E N A A N DE L EK D
08-03-2023 | AVB
O
STINIS
Vrouwenmantel 3 | 2871 NJ Schoonhoven | T 0182 - 32 01 11 | E info@verstoep.nl | www.verstoep.nl
3.000
59a
nieuw steiger
12.000
paal
25P
5P
59-59h
OPSLAG
A
2.500
VI
IV
VII
16P
VIII 1.500
III
II
5.000
V
B
W
looppad
paal
Q 0.13 BERGING onb.rt. 13,6 m2 GR
61
8.000 0.6 SPUITPLAATS verblijfsrt.
1.500
3.300
Q 8P
8.000
OPSLAG
101,7 m2 industrief. 2P
P rij leilinden 3m tot 6m hoog
0.12 kleedruimte onb.rt. 33,8 m2 GR 0.11 wasruimte onb.rt. 8,8 m2 0.9 WC 0.9 WC 0.9 WC GR toilrt. toilrt. toilrt. 2 1,1 0.10 0.9 WC 1,1 m m2KAST 1,2 m2 onb.rt. GR GR toilrt. GR 2 m2 2,0 m2,8 0.8 GR GRDAMES onb.rt. 6,3 m2 GR
C
65
N
371,3 m2 lichte industrief. 2P
O
0.7 ENTREE vrkrst. 12,0 m2 GR
N
M Z
M
0.5 MAGAZIJN 5000KG/M2 functiert.
gasbetonwand 2250mm hoog (3x750)
O
6P SERVICE P
0.1 KLEEDRUIMTE onb.rt. 15,5 m2 GR
1,4 m2 GR
gasbetonwand 2250mm hoog (3x750)
63
0.14 WC toilrt. 2 1,4 mWC 0.14 GR toilrt.
OPSLAG
0.2 FABRIEK 2 verblijfsrt.
0.3 SLUIS vrkrst.
737,0 m2 industrief. 15P
83,7 m2 GR
L
K 0.4 MAGAZIJN functiert.
X
263,0 m2 lichte industrief. 2P
C
J
I
H' H
H' H
GAS
LEK
J
2.522,1 m2 industrief. 50P
Y
wand 2000mm hoog
X
gasbetonwand 2250mm hoog (3x750)
gasbetonwand 2250mm hoog (3x750)
L 67
K
0.1 FABRIEK 1 verblijfsrt.
11,6 m2
4,2 m2
Z
LAAGSP.
16P
W
G
G
Y
DORPSSTRAAT
3,7 m2
TRAFO
F
F
E
E FABRIEK 2.456,6 m2
MAGAZIJN 410,5 m2
D
D 69
C
C 6P KLEEDRT. 8,6 m2
OPSLAG 32,6 m2
B
KLEEDRT
KANTOOR MAGAZIJN
46,7 m2
KAST
WC
1,2 m2
109,0 m2
A1
OPSLAG 92,3 m2
4
5
6
KAST
27,7 m2
3,1 m2
WC
1,2 m2
PORTAAL
BERGING MIVA
DOUCHE
PORTAAL
11,0 m2
10,3 m2
4,8 m2
4,0 m2
10,0 m2
4,0 m2
A 7
8
7P
9
10
11
12
13 7P
14
15
A
3
KLEEDRT.
PORTAAL
B
A
B
51,8 m2
WC
1,2 m2
41,8 m2
OPSLAG
1,3 m2
BERGING EXPEDITIE
16
17
18 9P
19
6P
OPSLAG
A1
71
N
BEGA NE GR OND | 1:600
VII
VIII 1.500
16P
Q 0.13 BERGING onb.rt. 13,6 m2 GR
8P
8.000 0.6 SPUITPLAATS verblijfsrt.
1.500
3.300
Q
61
8.000
looppad
OPSLAG
A
2.500
VI
IV
5.000
V
B
W
III
II
101,7 m2 industrief. 2P
P rij leilinden 3m tot 6m hoog
C
65
N
371,3 m2 lichte industrief. 2P
O
0.7 ENTREE vrkrst. 12,0 m2 GR
N
M Z
M
0.5 MAGAZIJN 5000KG/M2 functiert.
gasbetonwand 2250mm hoog (3x750)
O
6P SERVICE P
0.1 KLEEDRUIMTE onb.rt. 15,5 m2 GR
1,4 m2 GR 0.12 kleedruimte onb.rt. 33,8 m2 GR 0.11 wasruimte onb.rt. 8,8 m2 0.9 WC 0.9 WC 0.9 WC GR toilrt. toilrt. toilrt. 2 1,1 0.10 0.9 WC 1,1 m m2KAST 1,2 m2 onb.rt. GR GR toilrt. GR 2 m2 2,0 m2,8 0.8 GR GRDAMES onb.rt. 6,3 m2 GR
gasbetonwand 2250mm hoog (3x750)
63
0.14 WC toilrt. 2 1,4 mWC 0.14 GR toilrt.
X
OPSLAG
0.2 FABRIEK 2 verblijfsrt.
0.3 SLUIS vrkrst.
737,0 m2 industrief. 15P
83,7 m2 GR
L
K 0.4 MAGAZIJN functiert.
X
263,0 m2 lichte industrief. 2P
C
J
I
H' H
H' H
GAS
LEK
J
2.522,1 m2 industrief. 50P
Y
wand 2000mm hoog
67
gasbetonwand 2250mm hoog (3x750)
gasbetonwand 2250mm hoog (3x750)
L
K
0.1 FABRIEK 1 verblijfsrt.
LAAGSP.
11,6 m2
4,2 m2
Z
TRAFO
16P
W
G
G
Y
DORPSSTRAAT
3,7 m2
F
F
E
E FABRIEK 2.456,6 m2
MAGAZIJN 410,5 m2
D
D 69
C
C 6P KLEEDRT. 8,6 m2
OPSLAG 32,6 m2
B
KLEEDRT
KANTOOR MAGAZIJN
46,7 m2
KAST
WC
BERGING EXPEDITIE
1,2 m2
109,0 m2
A1
OPSLAG 92,3 m2
4
5
6
KAST
27,7 m2
3,1 m2
WC
1,2 m2
PORTAAL
BERGING MIVA
DOUCHE
PORTAAL
11,0 m2
10,3 m2
4,8 m2
4,0 m2
10,0 m2
4,0 m2
A 7
8
7P
9
10
11
12
13 7P
14
15
A
3
KLEEDRT.
PORTAAL
B
A
B
51,8 m2
WC
1,2 m2
41,8 m2
OPSLAG
1,3 m2
16
17
18 9P
19
N
BEGA NE GR OND | 1:400
Q
A
V
B
W
III
II
VI
IV
VII
VIII
Q
1.2 BERGING/TECHNIEK onb.rt. 9,9 m2 GR
P
P
1.4 KANTINE verblijfsrt. 84,7 m2 bijeenkomstf. 40P
O
O
C
N
N
1.1 overloop vrkrst. 24,9 m2 GR
M Z
M
L
L
1.11 KANTOOR SERVICE SPARE PARTS verblijfsrt. 71,0 m2 kantoorf. 8P
K
K
1.10 KANTOOR SERVICE SPARE PARTS verblijfsrt. 84,0 m2
X
kantoorf. 11P
X 1.6 OVERLOOP vrkrst.
Y
1.5 KANTOOR verblijfsrt. 63,0 m2 kantoorf. 8P
J
GR 1.8 wc toilrt. 1.7 portaal 1,4 m2 1.8 wctoilrt. GR 2 toilrt. 5,9 m 2 1,4 m GR
I 1.3 BERGING/TECHNIEK onb.rt. 24,6 m2
1.12 port. vrkrst. 1,2 m2 GR
GR
H' H
C
56,7 m2
GR
J
1.8 wc toilrt. SERVER 1.7 portaal 1.12 1,4 m2 onb.rt. toilrt. 1.8 wc GR 6,6 m2 5,9 m2 toilrt. GR 2 GR 1,4 m GR 1.9 BERGING/TECHNIEK