CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL - Nota Ruimtelijke Kwaliteit - 1053997.pdf

Raadsvergadering 4 juli 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Beleidsnota zon op dak beschermd gezicht29.590 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Nota

Ruimtelijke kwaliteit

INHOUD Stroomschema Gebruik van de nota

6

Hoofdstuk 1 Inleiding Uitgangspunten Gebruik van de nota Leeswijzer

7 8 8

Hoofdstuk 2 Hoofdlijnen ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit Landschap Stedenbouw Architectuur Erfgoed Identiteit en beleving

11 12 13 14 16 18

Hoofdstuk 3 Beleidskaarten Niveaukaart Gebiedenkaart

21 26

Hoofdstuk 4 Objecten Voor- en achterkant Vergunning Standaardplan Basis en aanvullende criteria Welstandsvrije objecten • Aanbouwen (object 1) • Bijgebouwen (object 2) • Gevelwijzigingen (object 3) • Dakkapellen en dakramen (object 4) • Dakopbouwen (object 5) • Erfafscheidingen (object 6) • Installaties (object 7) • Rolluiken (object 8) • Reclames (object 9)

28 29 29 29 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38

Hoofdstuk 5 Gebieden Criteria gebieden

43

Kernen • Stedelijke kernen (1A) • Dorpskernen (1B) • Oude uitbreidingen (1C) • Woongebied (1D) • Bedrijventerreinen (1E) • Groen en parken (1F)

46 50 54 56 60 62

Landschap • Vlist (2A) • Hollandsche IJssel (2B) • Lek (2C) • Polderlinten (2D) • Landelijk gebied (2E) • Recreatiegebied (2F)

66 70 74 76 78 80

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 3

Hoofdstuk 6 Afwijkende plannen Algemene criteria Excessen Grotere projecten

85 86 87

Bijlagen • Begrippenlijst • Standaardopzet beeldkwaliteitsplannen • Bronnen

91 96 98

Colofon

99

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 4

HOOFDSTUK 1 Inleiding

Stroomschema gebruik nota ruimtelijke kwaliteit Betreft uw bouwplan een vergunningplichtig bouwwerk?

Nee

Sommige objecten zijn vergunningvrij en worden niet preventief getoetst. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om geen exces te bouwen. Vergunningvrije objecten zijn in ieder geval geen exces als ze voldoen aan de criteria in de nota ruimtelijke kwaliteit. Het onderstaande schema geldt voor vergunningplichtige objecten, maar als u deze naloopt voor een vergunningvrij object kunt u een inschatting maken of uw object voldoet aan de criteria en daarmee een exces voorkomen. (Zie ook de Excessenregeling in hoofdstuk 6.) Informatie over vergunningvrij bouwen kunt u onder meer verkrijgen bij de gemeente en de rijksoverheid.

Ja BETREFT HET EEN PLAN AAN OF BIJ EEN CULTUURHISTORISCH GEBIED OF OBJECT? beschermd gezicht monument beeldbepalend pand

Ja

Ga verder met

Nee IS HET EEN OBJECT? • aanbouw • bijgebouw • gevelwijziging • dakkapel of dakraam • dakopbouw • erfafscheiding • installatie of rolluik • reclame

Criteria voor Erfgoed Krimpenerwaard heeft een rijke historie. Enkele gebieden zijn aangewezen als Rijks- of gemeentelijk beschermd gezicht en diverse panden zijn aangewezen als monument of cultuurhistorisch waardevol object. Eventuele veranderingen aan deze gebouwen en in deze gebieden vragen om een zorgvuldige aanpak. Hiervoor zijn enkele uitgangspunten opgenomen in hoofdstuk 2. Een deel van de vergunningvrije mogelijkheden is niet van toepassing in beschermde gezichten en aan of bij monumenten.

Ja

Criteria voor veel voorkomende (bescheiden) objecten Voor vergunningplichtige bouwwerken bij en het wijzigingen van bestaande panden zijn in hoofdstuk 4 eenvoudige criteria opgenomen, waarmee snel uitsluitsel te geven is binnen welke grenzen het plan in ieder geval voldoet. Plannen die niet passen binnen de objectcriteria worden beoordeeld op andere gronden, zoals de gebiedscriteria of de algemene criteria.

Ja

Criteria voor grotere plannen Grotere plannen worden beoordeeld aan de hand van de gebiedscriteria in hoofdstuk 5. Aan de hand van de bebouwingstypologie is Krimpenerwaard verdeeld in gebieden. Hiervoor zijn uitgangspunten en criteria opgesteld, waarmee de ontwerper rekening moet houden.

Ja

Afwijkende plannen Voor plannen die de bestaande structuur doorbreken of in hun architectuur afwijken van de omgeving kunnen de criteria voor objecten en grotere plannen ontoereikend zijn. Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de algemene criteria of aanvullend beleid zoals een beeldkwaliteitsplan. Een object dat sterk afwijkt van en afbreuk doet aan de omgeving kan gezien worden als een exces als er sprake is van een evidente buitensporigheid in het uiterlijk. Zie hiervoor de toelichting in hoofdstuk 6 en de beschrijving van de ruimtelijke kwaliteit op hoofdlijnen van de Krimpenerwaard in hoofdstuk 2.

Nee IS HET EEN GROTER PLAN? Een groter plan voor (ver)bouw dat past in de structuur en de architectuur van het betreffende gebied, zoals een kern, woongebied, bedrijventerrein of het landelijk gebied Nee IS HET EEN AFWIJKEND PLAN? Afwijkend van de gebiedsstructuur of architectuur danwel een exces

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 6

Hoofdstuk 1

INLEIDING  1 januari 2015 zijn de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Op Schoonhoven en Vlist samengevoegd tot de nieuwe gemeente Krimpenerwaard. Het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten wordt met deze nieuwe nota ruimtelijke kwaliteit daarom geïntegreerd en waar nodig geactualiseerd. Met de herziening van 2016 wil de gemeente daarnaast het ruimtelijk kwaliteitsbeleid dereguleren waar mogelijk vereenvoudigen en afstemmen op de beleving van de burger. De wens is een praktische, goed leesbare en uitnodigende nota. De inhoud en opbouw van de nieuwe nota is bruikbaar als welstandsnota onder de huidige wetgeving en sorteert tegelijkertijd waar mogelijk voor op de vereisten van de Omgevingswet, waarin de ruimtelijke kwaliteit als samenspel tussen gebieden en gebouwen een belangrijk onderdeel is van de omgevingskwaliteit. Uitgangspunten Doel van de toets op ruimtelijke kwaliteit is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Met de verschijningsvorm van een bouwwerk wordt iedere voorbijganger geconfronteerd. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte, dat het een bijdrage levert aan de totstandkoming en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving.

Doel van het beleid is het toezicht op ruimtelijke kwaliteit helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. Daarbij is het van belang aanvragers door middel van de nota ruimtelijk kwaliteit van tevoren op de hoogte te stellen van de aspecten die een rol spelen bij de beoordeling en bespreking van plannen. Het beleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen. Evenwicht Krimpenerwaard zoekt naar een evenwicht tussen de bouwmogelijkheden voor burgers en bedrijven enerzijds en het aanzien van de gemeente anderzijds. De redelijkheid van het beleid is beredeneerd aan de hand van een analyse van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten van de Krimpenerwaard. De waardevolle plekken en ruimtelijke samenhang tussen de verschillende gebieden is hierin beschreven. Aan de hand van deze analyse is bepaald waar het uiterlijk van bouwwerken bij moet dragen aan de ruimtelijke kwaliteit en waar een meer terughoudende inzet gepast is. Het uiterlijk van bouwwerken kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van bijvoorbeeld druk bezochte gebieden of langs beeldbepalende routes. Daarnaast wordt in de gebieden waar een kwaliteitskader voor geldt, ingezet op kwaliteitsverbetering.

Voor veel woongebieden en bedrijventerreinen wil de gemeente zich wat betreft het uiterlijk van bouwwerken echter meer terughoudend opstellen en waar mogelijk ruimte laten voor particulier initiatief. Wat betreft vergunningvrij bouwen wordt aangesloten op de mogelijkheden die het Rijk biedt. Van toetsen naar bespreken Gebouwen staan zelden op zichzelf. Onder de huidige regelgeving beperkt de vergunningverlening zich wat betreft het aanzien van de omgeving tot een toets op bestemmingsplan en welstand. Landschap en stedenbouw worden slechts indirect gewogen tijdens het opstellen van het beleid en erfgoed komt pas aan de orde als er sprake is van een monument of beschermd gezicht. Onder de Omgevingswet kunnen meer aspecten worden betrokken in de afweging of een initiatief op zijn plaats is. De rol van de gemeente verschuift daarbij van toetsen naar bespreken en afwegen. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om tot een goede omgevingskwaliteit te komen. Goed vakmanschap is daarbij van belang.

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 7

Gebruik van de nota De nota ruimtelijke kwaliteit is niet bedoeld als leesboek, maar opgesteld als een naslagwerk om op te zoeken wat van toepassing is. Daarnaast maakt een digitale ontsluiting van de nota het mogelijk een overzicht van de geldende regels per adres op te vragen. De nota bevat verschillende beoordelingskaders. De verschillende hoofdstukken bevatten de criteria, die de gemeente hanteert bij de beoordeling van bouwplannen. Wie wil weten welke criteria op een aanvraag van toepassing zijn, doorloopt het hiernaast afgebeelde stroomschema. Indien gewenst kunnen bij de gemeente inlichtingen worden ingewonnen over de interpretatie van de nota ruimtelijke kwaliteit in het licht van het beoogde plan. De in de nota opgenomen foto’s zijn te zien als illustratie bij de gebiedsbeschrijving (dus niet als afbeelding van de gewenste eigenschappen). Leeswijzer Hoofdstuk 2 is een kader voor omgevingskwaliteit. Het hoofdstuk bevat een inspiratiekader met landschap, openbare ruimte, stedenbouw met inbegrip van openbare ruimte, architectuur en erfgoed. Dit inspiratiekader is een beleidsdocument voor de hele gemeente. De daarop volgende hoofdstukken zijn een vertaling van het kader ten behoeve van het bespreken en beoordelen van het uiterlijk van bouwplannen.

Het toetsingskader bevat objectgerichte criteria voor kleinere bouwwerken en gebiedsgerichte criteria voor bouwwerken in relatie tot ruimtelijke inrichting en landschap. Hoofdstuk 3 bevat de beleidskaarten met de indeling naar samen hangende welstandsgebieden en welstandsniveaus. De niveaukaart geeft aan op welke plekken de nadrukkken komen te liggen in de beoordeling. De gebiedenkaart is een weergave van de verschillende gebiedstypen, aan de hand waarvan de beschrijvingen in hoofdstuk 5 zijn gemaakt. De ontwikkelingskaders waaronder beeldkwaliteitsplannen zijn als aanvullende aanduiding over de kaart geprojecteerd. Hoofdstuk 4 bevat criteria voor veel voorkomende objecten als dakkapellen en bijgebouwen. Aan de hand van het betreffende welstandsniveau (zoals ingetekend op de kaart in hoofdstuk 3) is te bepalen welke criteria van toepassing zijn. Als een plan hier niet aan voldoet, dan zal op basis van de gebiedscriteria of de algemene welstandscriteria alsnog worden bekeken of het plan past in zijn omgeving. In hoofdstuk 5 wordt voor de gebieden in de gemeente aangegeven op welke wijze het architectonisch vakmanschap zou moeten worden ingevuld. De beschrijvingen en criteria geven per gebiedstype aan welke eigenschappen wenselijk zijn en dienen als agenda voor de beoordeling.

De criteria staan niet op zichzelf, maar worden gebruikt in combinatie met de gebiedsbeschrijving, waarin ook de kernwaarden van het gebied zijn benoemd. In hoofdstuk 6 is een toelichting op de procedure voor afwijkende plannen gegeven. De nota is in hoofdzaak geschreven voor het beheer van bestaande gebieden. Plannen die de bestaande structuur of architectuur doorbreken en plannen voor bijzondere objecten zoals bijvoorbeeld een brug zullen op een andere wijze moeten worden beoordeeld. Dit kan vooraf op basis van bijvoorbeeld een stedenbouwkundig plan of beeldkwaliteitsplan danwel op basis van de algemene criteria. De algemene criteria zijn de regels van het architectonische vakmanschap en gelden als uitgangspunt voor iedere welstandsbeoordeling. Achteraf kan een plan beoordeeld worden aan de hand van de excessenregeling, waarin criteria staan voor bouwwerken en andere vergunningplichtige activiteiten die zonder vergunning of in afwijking van een vergunning zijn gerealiseerd, maar zo onder de maat zijn dat zij als exces moeten worden gezien. Met behulp van deze criteria kan de gemeente excessen voorkomen en achteraf optreden tegen misstanden. In de bijlagen is onder meer een begrippenlijst en een standaardopzet voor beeldkwaliteitsplannen opgenomen.

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 8

HOOFDSTUK 2 Hoofdlijnen ruimtelijke kwaliteit

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 9

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 10

Hoofdstuk 2

HOOFDLIJNEN RUIMTELIJKE KWALITEIT De identiteit en beleving van de omgeving komen samen in het begrip ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit heeft betrekking op onder meer landschap, stedenbouw, architectuur, openbare ruimte en erfgoed. In dit hoofdstuk wordt verschillende aspecten van de ruimtelijke kwaliteit van de Krimpenerwaard op hoofdlijnen beschreven en overwogen. Deze overwegingen zijn te gebruiken om de verschillende aspecten van nieuwe plannen integraal kunnen te bespreken en wegen. Dit hoofdstuk is geschreven om eigenaren en gebruikers in staat stellen in samenspraak met de gemeente verantwoordelijkheid te nemen voor ruimtelijke kwaliteit en hun eigen belangen te wegen tegen de belangen die anderen hebben bij die kwaliteit. Om dit te kunnen doen is het nodig om deze kwaliteit waar te nemen en te waarderen. Ruimtelijke kwaliteit is geen eenduidig aan te wijzen begrip en er is ook zelden sprake van een vastomlijnd eindbeeld. Sommige kwaliteiten zijn vaste waarden, andere bieden kansen voor verbetering of laten een ruimhartige interpretatie toe. Ruimtelijke kwaliteit is een samenspel van beheer en ontwikkeling met oog voor regels, beleid en wensen.

De eigenschappen en ambities in het licht hiervan beschreven en bedoeld als inspirerend kader, waarmee het aanzien van gebouwen en gebieden kan worden betrokken in overwegingen om ontwikkelingen een passende plek te geven in een omgeving. Door de vinger te leggen op de omgevingskwaliteit hoeft de gemeente niet langer alleen maar af te dwingen. Dit hoofdstuk beschrijft de kwaliteiten op verschillende schaalniveaus. De hoofdlijnen vormen een agenda voor het bespreken en afwegen van ruimtelijk kwaliteit bij het maken van plannen voor gebouwen en gebieden. Ze kunnen worden gebruikt om te overwegen en beredeneren of een initiatief op zijn plaats is en past bij de identiteit van de Krimpenerwaard. Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit is een breed begrip, dat deel uitmaakt van de veranderingen die de Omgevingswet met zich meebrengt. Onder de huidige regelgeving beperkt de vergunningverlening zich wat betreft het aanzien van de omgeving tot een toets op bestemmingsplan en welstand aangevuld met erfgoed als er sprake is van een monument of beschermd gezicht. Landschap en stedenbouw maar ook de waarde van niet-monumentale objecten en structuren worden slechts indirect gewogen tijdens het opstellen danwel aanpassen van beleid en regels. Onder de Omgevingswet is de flexibilteit groter en kunnen tegelijkertijd meer aspecten worden betrokken in de afweging of een initiatief past.

Ruimtelijke kwaliteit is volgens de toelichting op de Omgevingswet één van de kwaliteiten van de fysieke leefomgeving. Onder ruimtelijke kwaliteit wordt in deze toelichting de onderling wederkerige verhouding begrepen tussen: belevingswaarde (de eigenschappen van de ruimtelijke expressie), gebruikswaarde betreft (de eigenschappen van de werking en de functie) en toekomstwaarde (de houdbaarheid van de expressie en het functioneren in de tijd). Ruimtelijke kwaliteit is daarmee geen eenduidige eigenschap, maar een weging van waarden. Het afwegingsproces vergt, afhankelijk van de maatschappelijke wensen en opgaven, steeds maatwerk op meerdere schaalniveaus.

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 11

Ruimtelijke kwaliteit krijgt inhoud in relatie tot voorwaarden en overwegingen op korte en op lange termijn en omvat een balans tussen behoud en ontwikkeling van waarden van een gebied. Dit is afhankelijk van de plaats en het initiatief. Gezien de identiteit van de Krimpenerwaard spelen bij deze weging aspecten als landschap, stedenbouw, architectuur, openbare ruimte en erfgoed een rol. Landschap Het wijdse landschap met groene weiden, dijken en rivieren is van groot belang voor de identiteit van de Krimpernerwaard. Het is een cultuurlandschap, dat in de loop der eeuwen constant is aangepast en veranderd om tegemoet te komen aan veranderende omstandigheden maar tegelijkertijd op hoofdlijnen goed bewaard is gebleven. Het is een landschap met een sterke identiteit. Het landschap is de overwegend onbebouwde ruimte van het veenweide- en rivierengebied, waarin het overwegend agrarisch en recreatief gebruik grotendeels samenvalt met cultuurhistorische en ecologische waarden. De ruimtelijke kwaliteit van het landschap is het resultaat van een wisselwerking tussen menselijk handelen en natuurlijke processen, dat in zijn huidige vorm voor een aanzienlijk deel terug te voeren is op de ontginning en waterhuishouding van het gebied. In de Krimpenerwaard zijn de lange lijnen van de middeleeuwse verkaveling goed herkenbaar aan de sloten, kaden, weteringen en tiendwegen.

Dit geldt met name voor het fijnmazig verkavelde middendeel van de polders. De Krimpenerwaard heeft hier een wijds maar tegelijkertijd kleinschalig landschapsbeeld, waarvan de veenweides en sloten de basis vormen en de wegbeplantingen en het opgaand groen van eendenkooien en pestbosjes voor afwisseling zorgen. Een bijzonder deel van dit gebied is de zone langs de Vlist met een sterk contrast tussen het besloten kleinschalig lint en open veenweidelandschap. Langs de Lek is het landschap weids en open. Vanaf de weg over de kruin van de hoge dijk is het open landschap van de uiterwaarden en diepe opstrekkende verkaveling goed te ervaren. Tussen Schoonhoven en Bergambacht is het landschap overigens kleinschaliger en ‘verdicht’ met boomgaarden en moestuinen. Ook langs de Hollandsche IJssel is er sprake van een diepe opstrekkende verkaveling, zij het dat die vanaf de lagere dijk vanwege de deels dicht op elkaar staande bebouwing minder goed te ervaren is. Uitgangspunt landschap Voor het landschap is het duurzaam beheren van de ruimtelijke structuren en elementen uitgangspunt met aandacht voor het gebruik en de belevingswaarde alsmede het behoud van cultuurhistorische waarden.

Overwegingen landschap Beheer en gebruik Het cultuurlandschap van de Krimpenerwaard is het resultaat van een langdurige en doorgaande ontwikkeling, waaraan eeuwenlang beheer is af te lezen en waaraan steeds nieuwe elementen zijn toegevoegd. Het overwegend open landschap is goed behouden een samenspel met weiden, water, dijken, bomen, wegen en bebouwing. Dit samenspel is van grote waarde voor het de beleving, maar ook voor natuur en recreatief medegebruik. Het is afhankelijk van goed beheer en dus van passend gebruik. Voor bet beheer van het bestaande landschap is het nodig veranderingen in te passen met behoud van gebruik, structuur en belevingswaarde. Gebieden en structuren Veenweiden en het dijklandschap van de rivieren zijn de meest in het oog springende landschapstypen van de Krimpenerwaard. Daarnaast zijn er onder meer het bebouwd gebied van de kernen, de doorgaande wegen en recreatiegebieden te onderscheiden als aparte gebieden. Deze gebiedstypen staan niet op zichzelf, Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 12

maar zijn met elkaar verweven door wegen, watergangen, bomenrijen en zichtlijnen. Objecten als bruggen, gemalen, molens, (kerk)torens en groen zijn accenten die betekenis geven aan de gebieden en structuren. Naast deze obejcten is ook de openheid daartussen het noemen waard. De openbare ruimte is bescheiden en valt wat betreft de beleving in hoofdzaak samen met de smalle wegen, maar het gevoel van ruimte is veel groter door het wijdse zicht over het landschap van weiden en water. Wijzigingen en toevoegingen moet worden ingepast met respect voor het onderscheid in gebiedskarakter en de continuiteit van de doorgaande structuren, waarbij het in stand houden van het karakter van het veenweidelandschap van belang is. Bebouwingslinten De bebouwing in het landschap is voornamelijk geconcentreerd in de (dijk)linten met boerderijen, woonhuizen en een enkel bedrijf. De linten zijn van groot belang voor het karakter van de gemeente. Ze zijn afwisselend, maar de bebouwing heeft in de regel wel een vergelijkbare maat en schaal, die bepalend is voor deze streek. De bebouwing is geordend per erf. Er is een standaard ordening met een hoofdgebouw aan de voorzijde en daarachter de eenvoudiger bebouwing van de bijbehorende schuren en stallen. Aan de achterzijde grenzen deze erven meestal aan het wijdse landschap en geregeld is er een zichtlijn over het erf.

Tussen de erven door is er zicht op het landschap, dat afhankelijk van het lint breed of smal is en eenzijdig of tweezijdig. de meeste linten en wegen worden begeleid door bomen in een smalle berm en sloten. Veranderingen moeten met respect voor deze eigenschappen worden ingepast, waarbij met name de inrichting van het kavel met onderscheid eerste- en tweedelijns bebouwing de aandacht vraagt. Uitzonderingen In elk gebied zijn uitzonderingen aan te wijzen, wat niet wil zeggen dat ze zonder meer als aanleiding te gebruiken zijn om nieuwe uitzonderingen te rechtvaardigen. Soms zijn het waardevolle restanten van ouder gebruik zoals een pestbosje, een gemaal of watertoren. Deze historische uitzonderingen zijn het behouden waard en moeten zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Andere keren zijn het bijvoorbeeld bedrijven aan huis, die zijn uitgegroeid tot een maat en schaal die moeilijk in een lint past. Bij veranderingen is in deze gevallen de kwaliteit in de omgeving maatgevend. Van plannen voor eventuele nieuwe uitzonderingen mag worden verwacht, dat deze de hoofdlijnen van de ruimtelijk kwaliteit van het landschap niet aantasten. Stedenbouw De kernen zijn verbijzonderingen in het landschap van de Krimpenerwaard. Landschappelijke en stedenbouwkundige structuren zijn vaak sterk verweven.

De kernen zijn daarmee te zien als verbijzonderingen in het landschap op plekken waar lijnen elkaar kruisen of verschillende soorten gebruik elkaar raken. Dijken, linten en water lopen vanuit de omgeving door in de dorpen. Dat geldt zelfs voor vestingstad Schoonhoven, waar de oude loop van de Vlist is terug te zien als drager van de stedelijke structuur. In de loop der tijd is het bebouwd oppervlak uitgebreid met woonijken en bedrijventerreinen, die in deze structuur zijn ingepast. Binnen deze structuur heeft elke kern een eigen sfeer en bebouwingspatroon. Binnen dit patroon zijn vaak accenten te vinden, die zowel een bijzonder gebouw kunnen zijn waaronder een kerk of brug als een bijzondere functie zoals een openbaar gebouw of een bijzondere plek zoals een marktplein. Uitgangspunt stedenbouw  Uitgangspunt voor het beheer van de stedenbouwkundige waarden in de Krimpenerwaard is het behoud van de ruimtelijke hoofdstructuren en het eigene van de kernen. Van belang zijn daarbij zijn de ruimtelijke structuur met veelal door-

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 13

gaande lijnen die de kernen verbinden met het landschap, beeldbepalende elementen, routes en zichtlijnen. Overwegingen stedenbouw Beheer en gebruik De kernen van de Krimpenerwaard zijn net als het landschap het zichtbare resultaat van een langdurige en doorgaande ontwikkeling, waarin vooral in de naoorlogse periode van groei veel is veranderd. Samen met de van oorsprong landschappelijke structuren liggen functies en gebouwen aan de basis van de stedenbouwkundige opbouw. Elke kern is een samenspel van bebouwing, openbare ruimte, groen en water met eigen kenmerken en bijzonderheden. Iedere kern heeft daarbij een eigen sfeer gekregen. Voor het beheer van de stedenbouwkundige waarden is het van belang veranderingen in te passen met respect voor gebruik, structuur en belevingswaarde. Identiteit en structuur Een buurt met seriematige woningbouw heeft een geheel ander karakter dan een bedrijventerrein of een winkelcentrum. Elke buurt of gebied heeft zijn eigen identiteit, die sterk samenhangt met de functies en de bebouwing. De huidige identiteit is een resultaat van een onwikkeling. Stedenbouwkundige patronen zijn te definiëren aan de hand van de vorm van de verhouding tussen prive en openbaar, symmetrie, opeenvolging van rooilijnen, massavorm, voorgevels en hoeken, verhouding tussen individualiteit en herhaling, verbijzonderingen en accenten.

De wijze waarop deze eigenschappen bij veranderingen invulling krijgen moet leiden tot een logisch geheel, waarin regel en uitzondering een logische plek hebben. In de Krimpenerwaard is daarnaast het respecteren van doorgaande landschappelijke structuren en de kwaliteit daarvan een punt van aandacht. Openbare ruimte De openbare ruimte is publiek terrein. In het algemeen dient het meerdere doelen , waarvan verblijven en verplaatsen de belangrijkste zijn. De inrichting van de openbare ruimte binnen de kernen hangt samen met het gebruik en gebiedskarakter. Het grooste deel ervan is ingericht als straat met daarlangs woningen, winkels of bedrijven. Dit zijn meestal straten met een eenvoudige inrichting in de vorm van een weg voor auto’s en fietsers met aan één of twee zijden parkeren en stoepen voor voetgangers. Bomen en groenperken vormen een aankleding, die de beleving ten goede komt. Straatmeubilair is overwegend functioneel en bestaat uit verlichting, afvalpunten, verkeersborden en soms een bank. Plantsoenen en speelplekken vormen een welkome afwisseling. In de oudere delen van de kernen is de aankleding van de openbare ruimte in de regel traditioneel met een smalle weg en een beperkte stoep net een plein of water als verbijzondering. Speciale elementen zijn parken zoals bij het landgoed in Haastrecht en de vestingwerken van Schoonhoven.

Wijzigingen moeten in beginsel aansluiten op de aanwezige kwaliteit en anders leiden tot een versterking van de ruimtelijke kwaliteit met oog voor de functionaliteit. Architectuur De architectuur van een bouwwerk moet binnen de hoofdlijnen van landschap en stedenbouw passen. Het vakmanschap zoals beschreven in de algemene welstandscriteria zijn hier vertaald naar uitgangspunten en overwegingen die passen bij de kenmerken van de Krimpenerwaard. Uitgangspunt architectuur  Uitgangspunt voor het beheer van de architectonische waarden in de Krimpenerwaard is het behoud van zowel de samenhang als de diversiteit van de Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 14

gebouwen op zichzelf en als onderdeel van de stedenbouwkundige en landschappelijke structuren. Van belang zijn daarbij zijn het aanzicht vanuit de openbare ruimte en landschap. Overwegingen architectuur Vorm, gebruik en constructie Een goed ontwerp heeft een vormgeving, die past bij het beoogd gebruik van het bouwwerk en de mogelijkheden om met beschikbare materialen en technieken een doelmatige constructie te maken. Dit neemt niet weg, dat de vormgeving ook zijn eigen waarde heeft. Deze heeft een samenhang en logica, die (naar verwachting) op de lange termijn begrijpbaar zijn. Bouwwerk en omgeving Van een ontwerp voor een bouwwerk mag redelijkerwijs worden verwacht, dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare ruimte en geen onredelijke aantasting is van het zicht vanaf belendende percelen. Een bouwwerk staat niet op zichzelf, maar heeft een relatie met andere bouwwerken en een landschappelijke of stedenbouwkundige context. Een passend ontwerp sluit voldoende aan bij de omgeving om deze relaties tot hun recht te laten komen. Bij het wegen van de relatie tussen bouwwerk en omgeving zijn de verwachtingen hoger naarmate de betekenis voor de openbare ruimte groter is.

Vorm, betekenis en stijl Van een ontwerp voor een bouwwerk mag redelijkerwijs worden verwacht, dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Bij nieuw- of verbouw moet duidelijk zijn wat authentiek is en wat is toegevoegd. Een eigentijds ontwerp mag geïnspireerd zijn door een bepaalde tijdsperiode, maar is hier geen imitatie van. Evenwicht, helderheid en complexiteit  Een heldere structuur en passende verhouding tussen de gebouwelementen maken een bouwwerk begrijpbaar. Ritmiek, symmetrie, schaal en samenhang in de massaopbouw en vlakverdeling zijn van belang voor de beleving van een bouwwerk. Een bouwwerk moet niet rommelig ogen, maar het ontwerp moet ook niet omslaan naar saaiheid en een te simpele vormgeving. In een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. Een bouwwerk kan toegevoegde elementen of verbijzonderingen nodig hebben om voldoende interessant en boeiend te zijn. Een goed ontwerp heeft een vormgeving, die een evenwicht weet te vinden tussen helderheid en complexiteit.

Verhouding, schaal en maat Van een ontwerp voor een bouwwerk daarvan mag redelijkerwijs worden verwacht, dat het wat betreft verhoudingen en maat en schaal past in zijn omgeving. Ook op zichzelf moeten een bouwwerk en de onderdelen daarvan in maat en schaal evenwichtige verhoudingen hebben. Daarbij gaat het ook om meer abstracte verhoudingen zoals tussen open en dicht, die van invloed zijn op onder meer zichtlijnen en lichtval. De verhoudingen van het bouwwerk op zichzelf en in relatie tot de context zijn (onbewust) van belang voor de kwaliteit van een ontwerp en de belevingswaarde van het bouwwerk. Materiaal, kleur en detail Van een ontwerp voor een bouwwerk daarvan mag redelijkerwijs worden verwacht, dat materiaal, kleur en detail passen bij het karakter van het bouwwerk en in de de Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 15

omgeving. Een zorgvuldige keuze van en samenhang in materialen en kleuren versterkt het architectonische ontwerp. Hiermee krijgt een bouwwerk zeggingskracht en wordt het visueel aantrekkelijk. Aandacht aan detaillering van overgangen en randen draagt hier eveneens aan bij. Ook de uitwerking van de afwerking moet passen bij de aard en ontstaansperiode van het gebouw en moet daarnaast goed zijn afgestemd op de directe omgeving. Erfgoed De monumenten, karakteristieke panden, het eeuwenoude landschap en de goed behouden kernen zijn essentieel voor de identiteit van de Krimpenerwaard. Het gebied kent een rijke cultuurhistorie met kerken en burgerhuizen onder meer uit agrarisch, waterstaatkundig en industrieel erfgoed. De erfgoedwaarde van een object of gebied is van invloed op de aanvaardbaarheid van plannen en wordt daarom meegewogen bij de beoordeling. Uitgangspunt erfgoed  Uitgangspunt voor het beheer van de cultuurhistorische waarden in de Krimpenerwaard is behoud. Van belang zijn daarbij zijn de waarden van de objecten en structuren op zichzelf alsmede de context en het gebruik. Overwegingen erfgoed Gebruiken en behouden Erfgoed zonder functie en gebruik gaat verloren. De (her)bestemming van objecten en gebieden is essentieel voor behoud. Deze (her)bestemming moet de cultuurhistorische waarden respecteren en zich daar naar voegen.

Onderhoud en restauratie Behoud gaat voor vernieuwing. Door een monument, terrein of gebied goed te onderhouden kan restauratie worden voorkomen. Bij restauratie is de kans groter dat historisch waardevol materiaal of resultaat van oud vakmanschap verdwijnt. Zowel bij onderhoud als bij restauratie is eerbied voor historische materialen en structuren speerpunt. De esthetische en historische waarden van het erfgoed moeten behouden blijven. Indien traditionele methoden niet toereikend zijn, is gebruik van moderne methoden en technieken denkbaar op voorwaarde dat deze doeltreffendheid zijn en uit ervaring blijkt dat er geen schade ontstaat. Onderzoeken en plannen Bij het maken van plannen staat respect voor cultuurhistorische waarden voorop. Om te bepalen wat die waarden zijn, is onderzoek nodig. Hierbij kan gedacht worden aan cultuurhistorisch, historisch geografisch, bouwhistorisch, archeologisch of restauratietechnisch onderzoek. Aan de hand van de uitkomsten van onderzoek kunnen de cultuurhistorische waarden worden gewogen. Respect voor de historische gelaagdheid Erfgoed is niet alleen van gisteren. Het is door de jaren heen tot stand gekomen. Verschillende generaties gebruikers hebben lagen toegevoegd aan de geschiedenis. Een object, plek of gebied is daardoor te zien als een levend archief.

Terugrestaureren naar een ‘oorspronkelijke’ versie is een ontkenning van deze gelaagde geschiedenis en daarmee ongewenst. De historische context en de bouwsporen van een monument hebben een eigen waarde en moeten afleesbaar blijven, landschappelijke elementen zijn niet los te zien van eeuwenoud beheer waarvan het veranderend gebruik zichtbaar moet blijven. De historische gelaagdheid is een waarde op zich.

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 16

Nieuwe elementen zijn herkenbaar Om een gebouw, plek of een gebied te kunnen blijven gebruiken, kan het nodig zijn aanpassingen te doen of om nieuwe elementen toe te voegen. Dergelijke veranderingen moeten harmonieus aansluiten op het bestaande en de historische gelaagdheid, maar daarvan ook duidelijk te onderscheiden zijn. Een ontwerp kan bijvoorbeeld aansluiting zoeken eigenschappen als maat, schaal en stijl van detailleren maar door materiaalgebruik en moderne uitvoering een eigen uitdrukking krijgen. Zo kan met respect voor de historische eigenschappen het nieuwe een herkenbare laag zijn. De suggestie dat een nieuw element van ouder datum is, moet worden voorkomen. Verdwenen onderdelen kunnen worden teruggebracht, maar alleen op eigentijdse wijze. Veranderingen moeten niet alleen herkenbaar, maar ook omkeerbaar zijn. Ze moeten, dus zonder schade weer verwijderd kunnen worden. Respect voor de context Erfgoed is niet los te zien van zijn context. Een monumentale boerderij bijvoorbeeld komt niet tot zijn recht op een groot parkeerterrein, een brug kan niet zonder water en een glas-in-lood raam is meer op zijn plaats in een oude kerk dan in de bijbehorende schuur. De context is meer dan een waarde op zichzelf, het draagt bij aan de herkenbaarheid en beleefbaarheid van het erfgoed. Een monument en de onderdelen daarvan hebben een (functionele) context.

Dit is het schaalniveau van de objecten. Deze context kan zo groot zijn als een gebied of zo klein als een interieur. Zowel de grote context van het monument in de omgeving als de kleine context van een interieurelement in een ruimte zijn van essentieel belang voor het behoud van de monumentale waarde. Het uitgangspunt is, dat het geheel in zijn context behouden blijft. Een hooiberg blijft op zijn plaats, een schoorsteen met schouw wordt niet verplaatst, decoraties worden niet verwijderd. Als behoud van onderdelen van een monument onmogelijk blijkt in de bestaande context, moet er binnen het monument of de omgeving daarvan een oplossing gezocht worden. Daarbij moet zichtbaar zijn dat er een wijziging is opgetreden, een nieuwe laag een de geschiedenis van het object is toegevoegd. Ook de verplaatsing van een geheel monument is niet toegestaan, tenzij het voortbestaan ervan wordt bedreigd of behoud op een andere manier niet mogelijk is. De omgeving van het monument draagt in schaal, materiaal en kleur bij aan de waarde van het monument. Als de originele context nog aanwezig is moet deze gehandhaafd worden. Is deze er niet, dan sluiten nieuwe bouwwerken aan op de schaal van het monument. Nieuwe toevoegingen in de omgeving van het monument mogen geen afbreuk doen aan de monumentale waarden.

Wat voor de context geldt op de schaal van monumenten, geldt ook voor structuren en gebieden. Watergangen worden gebruikt voor waterbeheer, maar hangen bijvoorbeeld ook samen met de plaatsing van molens met de bijbehorende molenbiotopen en verkavelingspatronen. De monumentale boerderijen zijn niet los te zien van de mogelijkheden om het landschap te gebruiken voor de veeteelt. Met de Oude Hollandse Waterlinie is er ook een directe relatie tussen het water en de verdedigingswerken van Schoonhoven, dat mede vanwege de strategische ligging aan de Lek een stedelijk karakter heeft met aaneengesloten straatwanden langs grachten. Op dit hogere schaalniveau vormen landschappelijke patronen en stedenbouwkundige structuren een gelaagd samenspel, dat niet los kan worden gezien van het (historisch) gebruik. De respectvolle omgang met dit erfgoed is een constant zoeken naar mogelijkheden voor inpassingen, die in evenwicht zijn met te behouden kwaliteiten.

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 17

Identiteit en beleving De Krimpenerwaard is een gemeente met bijzondere ruimtelijke kwaliteiten. Het gebied ontleent zijn identiteit aan een een eeuwenoud agrarische landschap met water en dijken, goed behouden boerderijlinten en kernen met ieder een eigen sfeer. Verder zijn er woonwijken, bedijventerreinen, voorzieningen en de verbindingen daartussen te vinden. Deze zijn minder van invloed op de identiteit de gemeente maar voor de leefbaarheid van groot belang. Ruimtelijke kwaliteit is niet vanzelfsprekend, maar vraagt om beheer. Elk nieuw plan is een wijziging in een bestaande context en vraagt om een inpassing, die rekening houdt met identiteit en beleving. De ruimtelijke kwaliteiten van de Krimpenerwaard staan niet op zich, maar vallen vaak samen. Zonder sloten en dijken geen weiden met vee of boerderijen. Een aantrekkelijk landschap en sfeervolle kernen dragen bij aan de leefbaarheid. Zonder een goede infrastructuur is de gemeente minder aantrekkelijk voor bedrijven en toeristen. De hier beschreven hoofdlijnen en overwegingen moeten dan ook in samenhang worden bezien om tot een goede afweging te kunnen komen. Een gevolg hiervan is, dat de afweging op meer onderdelen in moet gaan naarmate er meer aspecten en overwegingen spelen. Ook moet worden meegewogen op welke schaalniveaus de ingreep effecten heeft.

Wat bijvoorbeeld in het licht van landschap en architectuur een goed idee is, kan voor erfgoed en stedenbouw onredelijke gevolgen hebben. Niet elk aspect of elke overweging zal even zwaar tellen. In het planproces moeten de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit in redelijkheid worden afgewogen. Een afweging voor een verbouwing van een rijwoning in naoorlogse woonwijk is in de regel minder uitgebreid dan het bouwen van een woning tussen monumentale boerderijen, de aanleg van een nieuw recreatiegebied of de vervanging van een brug over de haven van Schoonhoven. Om ruimtelijke kwaliteit in redelijkheid te wegen is sprake van bandbreedte: • Landschap - behouden van doorgaande structuren en systemen staat voorop - nieuwe elementen laten samenvallen met bestaande structuren, geen incidentele ingrepen of onderbrekingen • Stedenbouw: - behouden van hoofdstructuren in bestaande bebouwd gebied - inpassing in de stedenbouwkndige en landschappelijke context van nieuwe structuren - accenten hebben een stedenbouwkundige aanleiding • Architectuur: - architectuur afstemmen op de stedenbouwkundige en landschappelijke context - accenten hebben een stedenbouwkundige aanleiding • Erfgoed: - monumenten en beschermde gezichten op zichzelf en in hun context behouden, overig erfgoed in zijn waarde laten - behoud met daarbij passend gebruik gaat voor vernieuwing

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 18

HOOFDSTUK 3 Kaarten

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 20

Hoofdstuk 3

KAARTEN Ter ondersteuning van het beleid zijn er twee kaarten gemaakt. Er is een niveaukaart en een gebiedenkaart. De invulling van de beleidskaarten zijn een vertaling van de hoofdlijnen van de ruimtelijke kwaliteit in de Krimpenerwaard zoals geschetst in hoofdstuk 2 ten behoeve van de toetsen van het uiterlijk van bouwwerken op zichzelf en in hun omgeving. Niveaukaart Voor elk gebied in de Krimpenerwaard is het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Onafhankelijk van het toetsingsniveau worden alle plannen in de Krimpenerwaard voorafgaand aan de vergunningverlening getoetst op de aanwezigheid van excessen (zie hoofdstuk 6). Soepel Het merendeel van de bebouwing ligt in gebied met een soepel niveau. Dit betreft de meeste woongebieden en bedrijventerreinen. In gebieden met een soepel niveau mogen bouwplannen in principe geen afbreuk doen aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte en de buurt of het terrein. In deze gebieden gaat de aandacht met name uit naar de overgangen met andere gebieden, zoals het landschap. In woongebieden betekent dit dat verbouwplannen aan woningen welstandsvrij zijn, met uitzondering van reclame. Dit geldt niet voor verbouwplannen die duidelijk zichtbaar zijn aan de gebiedsranden.

Nieuwbouw van woningen en plannen aan of voor gebouwen met een maatschappelijke functie worden altijd voorafgaand aan de vergunningverlening getoetst. Hiervoor zijn enkele criteria opgenomen. Ook op bedrijventerreinen zijn verbouwplannen aan bedrijven en bedrijfswoningen welstandsvrij, met uitzondering van reclame. Dit geldt niet voor verbouwplannen die duidelijk zichtbaar zijn vanuit het openbaar gebied aan de gebiedsranden en langs provinciale wegen. Nieuwbouw van woningen en plannen aan of voor gebouwen met een maatschappelijke functie worden altijd voorafgaand aan het verlenen van de vergunning getoetst. Hiervoor zijn enkele criteria opgenomen. Het niveau soepel is ook van toepassing voor het grootste deel van groen en parken. In deze gebieden worden zowel verbouw- als nieuwbouwplannen voorafgaand aan de vergunningverlening getoetst of besproken. Zowel de basiscriteria voor objecten als de gebiedscriteria kunnen hierbij gebruikt worden. De nota ruimtelijke kwaliteit bevat voor gebieden met een soepel welstandsniveau een overzichtelijke set criteria, waarbij de woordkeus en bandbreedte zich alleen richten op het bewaken van de ruimtelijke kwaliteit op hoofdlijnen. Gewoon Het landelijk gebied en diverse dorpslinten zijn voorbeelden van gebieden met een gewoon niveau.

Bouwplannen in gebieden met een gewoon niveau zullen ten opzichte van het soepele gebied met meer aandacht bekeken worden. De lat ligt hoger, gezien de beeldbepalende ligging en bijbehorende uitstraling op bezoekers en passanten. Uitgangspunt in gebieden met een gewoon niveau is het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen aan achterkanten kunnen hier veelal eenvoudiger beoordeeld worden dan bouwplannen aan voorkanten. De welstandsnota bevat voor gebieden met een gewoon welstandsniveau een set criteria, die aanstuurt op een inpassing van bouwplannen zonder de kwaliteit van het gebied uit het oog te verliezen. De woordkeuze en bandbreedte van de criteria bieden ten opzichte van het bijzondere niveau meer mogelijkheden om tot een eigen invulling te komen.

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 21

Niveaukaart

Gebiedenkaart

Bijzonder De gebieden waar het uiterlijk van de bebouwing van aanzienlijk belang is voor de identiteit van de Krimpenerwaard hebben een bijzonder niveau. Dit zijn onder meer de beschermde gezichten, de dorpskernen, diverse polderlinten en delen van de dijklinten langs IJssel en Lek. In deze gebieden is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. De nota ruimtelijke kwaliteit bevat voor gebieden met een bijzonder niveau een uitgebreide set criteria, die in woordkeuze en bandbreedte aanstuurt op een zorgvuldige inpassing van bouwplannen in het gebied. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld. Gebiedenkaart Ter ondersteuning van de verschillende niveaus van welstand zijn er gebieden te onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën. Per gebied is een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Afhankelijk van het gevraagde niveau zijn de onderscheidende karakteristieken meer of minder uitgebreid beschreven. De per gebiedstype opgestelde criteria moeten in samenhang met beschrijving, waardering en uitgangspunten geïnterpreteerd worden. Naast de gebieden zijn op deze kaart de geldende ontwikkelingskaders opgenomen. Dit zijn de plekken waar een beeldkwaliteitsplan geldt.

De opgenomen kaders zijn: • Bergambacht De Nieuwe Wetering - Kruiswijk, De Wetering • Gouderak Middelblok • Haastrecht Palingdreef, Tempelhof, Vingerling • Lekkerkerk  Tiendhoek II • Ouderkerk aan den IJssel De Dikke Boom, Geerestein • Schoonhoven  B ollocatie, Cemtrumontwikkeling Schoonhoven Noord, Thiendenland II, Thiendenland II - uitwerking zuidelijk plandeel 2e fase, Zevender (Noord) • Stolwijk Poort van Stolwijk, Bovenkerk, • Vlist Kruiswijk Tijdens de (her)ontwikkeling van het betreffende gebied zijn de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan aanvullend van toepassing op de gebiedsbeschrijving en criteria. Na oplevering vervalt het beeldkwaliteitsplan en worden de relevante criteria uit de nota ruimtelijke kwaliteit van toepassing. Een toelichting op de te volgen procedure bij grotere ontwikkelingen is opgenomen in hoofdstuk 6.

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 26

HOOFDSTUK 4 Criteria objecten

Voor- en achterkant In de criteria wordt onderscheid gemaakt in voorkanten en achterkanten. Deze begrippen zijn gekoppeld aan de algemene welstandscriteria (de relatie tussen een bouwwerk en zijn omgeving) en de excessenregeling. Naarmate een bouwwerk meer in het zicht staat en de openbare ruimte van groter belang is voor het aanzicht van de stad, het dorp of het landschap is er eerder sprake van een exces. Naar mate een bouwwerk of bouwdeel nadrukkelijker zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, des te hoger zijn de eisen die mogen worden gesteld aan de visuele kwaliteit. Een uitbouw op een achterterrein achter een gesloten straatwand bijvoorbeeld zal in de regel worden beschouwd als een bouwwerk aan de achterkant, terwijl aanpassingen aan een kerktoren (zoals het aanbrengen van reclame) rondom vanuit de openbare ruimte zichtbaar zijn en vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit zullen worden beschouwd als voorkant. Onder voorkant worden in dit verband verstaan de bebouwing en het erf in zoverre duidelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Onder achterkant wordt in dit verband verstaan de bebouwing en het erf in zoverre niet duidelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Aankleding met opgaand groen leidt in de regel niet tot een achterkantsituatie voor de objecten die zich achter het groen bevinden.

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 28

Hoofdstuk 4

CRITERIA OBJECTEN De gemeente streeft ernaar veel voorkomende bescheiden objecten snel te beoordelen. Het gaat daarbij om relatief eenvoudige en meetbare criteria, die de planindiener vooraf zo veel mogelijk duidelijkheid geven. Deze zogeheten objectcriteria zijn opgesteld voor aanbouwen, bijgebouwen, gevelwijzigingen, dakkapellen en dakopbouwen, erfafscheidingen, reclame en rolluiken. Vergunning De bovengenoemde bouwwerken zijn deels vergunningvrij binnen bepaalde randvoorwaarden. Dat betekent dat een deel van deze plannen niet voor de bouw worden getoetst. Indien een bouwwerk niet vergunningvrij is, is een toets op ruimtelijke kwaliteit nodig. In dit geval treedt het bestemmingsplan in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan geen bezwaar oplevert, wordt het bouwplan getoetst aan de objectcriteria. De objectcriteria geven een minimumkwaliteit aan. Het leveren van meer kwaliteit is altijd mogelijk. Voldoet het bouwplan niet aan de objectcriteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt bij de beoordeling van het bouwplan tevens gebruik maakt van de gebiedscriteria en algemene criteria. Slechts een beperkt deel van de vergunningvrije bouwmogelijkheden is ook in de beschermde gezichten en aan of bij monumenten van toepassing.

Standaardplan Een standaardplan is een plan, dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden. Ook als het enigszins afwijkt van de criteria op de volgende bladzijden. Te denken valt aan een dakkapel of nokverhoging op een rijwoning in een seriematig gebouwd woongebied. Het zijn plannen die navolging verdienen, waarbij met name een gelijke uitvoering van belang is met overeenkomstige architectonische verhoudingen, materialen en kleuren. Niet ieder bouwwerk is automatisch een standaardplan. Een eerder op dezelfde woning of hetzelfde bouwblok goedgekeurd plan is dit in de regel wel. Ook een als zodanig vastgestelde trendsetter of een bouwoptie voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een standaardplan is van toepassing op een bouwblok, cluster of een groter gebied. Basis- en aanvullende criteria Bij diverse objecten is in de criteria onderscheid aangebracht. In deze gevallen zijn de basiscriteria in alle gebieden van toepassing, de aanvullende criteria gelden alleen voor gebieden met een bijzonder welstandsniveau. Welstandsvrije objecten Daarnaast kent de gemeente enkele welstandsvrije objecten, waarvoor geen criteria gelden. Voorwaarde is dat deze objecten niet in een beschermd gezicht of binnen de context van een monument danwel karakteristiek pand geplaatst worden. Het betreft: • zwembaden aan achterkanten tot 0,50 m boven het maaiveld • vijvers

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 29

Object 1

Aanbouw  en aanbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een E gebouw zoals een erker of serre. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft de rooilijnen en maximale afmetingen en hoogten. Beoordeling Een aanbouw voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een standaardplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Aansluiten op bouwplannen van buren heeft de voorkeur bij gelijke woningen in rijen of clusters. Kleine afwijkingen van de criteria zijn denkbaar om herhalingen mogelijk te maken. Voldoet het plan hier niet aan, is er sprake van een monument of bestaat er twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria.

Basiscriteria Aanbouwen worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: • aanbouwen zijn ondergeschikte toevoegingen aan het hoofdgebouw • ten minste 1,00 m achter de voorgevelrooilijn plaatsen met uitzondering van erkers aan de voorgevel • vormgeven in één bouwlaag, aansluitend op eerste bouwlaag hoofdgebouw • plattegrond is rechthoekig, eventueel met afgeschuinde hoeken • plat afdekken danwel voorzien van eenvoudige kap of flauw hellend serredak • materialen en kleuren van zichtbare delen gelijk aan hoofdgebouw danwel bescheiden uitvoeren hetzij als serre of overkapping (glas is transparant) • bij tussenwoningen een overgang toepassen door bijvoorbeeld een gemetselde muur op de erfgrens Aanvullende criteria  oor gebied met bijzonder welstandsniveau gelden de volgende aanvullingen: V Plaatsing en aantal • aanbouw direct tegen de hoofdmassa plaatsen of een bestaande aanbouw vergroten in identieke vormgeving (geen secundaire aanbouw) • aan voorkanten: - plaatsen op minstens 2,00 m van het openbaar toegankelijk gebied - hoogstens één aanbouw per gevel - de hoeken van de hoofdmassa blijven afleesbaar, bijvoorbeeld door een ander materiaal als de hoofdmassa te gebruiken of afstand te houden van de hoeken Vorm en maat • vormgeving inclusief dakvorm afstemmen op het bestaande pand met een bescheiden detaillering zonder nadrukkelijke ornamenten, boeiborden en

overstekken • aan voorkanten: - gevels voorzien van ramen - dakvlak aanbouw niet doortrekken van dakvlak hoofdgebouw • materialen en kleuren zijn traditioneel of passen bij de detaillering, stijl en datering van het hoofdgebouw • overkappingen zijn minimaal aan twee zijden open • goothoogte aanbouw met kap maximaal 0,30 m boven vloer eerste verdieping • aan de voorgevel: - breedte tot 2/3 van de gevel met een maximum van 3,50 m - diepte hoogtens 1,50 m

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 30

Object 2

Bijgebouw  en bijgebouw is een grondgebonden bouwwerk van in beginsel één bouwlaag E aan of los van het hoofdgebouw, zoals een garage, schuur of carport. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen en hoogten. Beoordeling Een bijgebouw voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een standaardplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Aansluiten op bouwplannen van buren heeft de voorkeur bij gelijke woningen in rijen of clusters. Kleine afwijkingen van de criteria zijn denkbaar om herhalingen mogelijk te maken. Voldoet het plan hier niet aan, is er sprake van een monument of bestaat er twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria.

Basiscriteria  ijgebouwen worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: B • ondergeschikt aan hoofdgebouw (laat contour en silhouet hoofdgebouw intact) • vormgeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond • plat afdekken of aan achterkanten voorzien van een eenvoudige kap of een flauw hellend glazen kassendak • bescheiden detaillering zonder nadrukkelijke ornamenten, boeiboorden en overstekken • materialen en kleuren afstemmen op hoofdgebouw danwel uitvoeren in traditionele materialen en kleuren zoals hout en baksteen in gedekte tinten Aanvullende criteria Voor gebied met bijzonder welstandsniveau gelden de volgende aanvullingen: • op minstens 1,00 m achter de voorgevel • per erf één of twee bijgebouwen (eventueel te vergroten in identieke vormgeving) • grotere bijgebouwen hebben een kap • dakvorm en helling afstemmen op hoofdgebouw • goothoogte maximaal 0,30 m boven vloer eerste verdieping en nokhoogte maximaal 70% van de hoogte van het hoofdgebouw • een vrijstaande overkapping is minimaal aan twee zijden open • de vormgeving is verzorgd

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 31

Object 3

Gevelwijziging  an een gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, V kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Daarnaast is het aanbrengen van gevelisolatie aan de buitenzijde van de woning een gevelwijziging. De opbouw en indeling van de gevel is een belangrijk onderdeel van de architectonische vormgeving van het gebouw en het aanzicht van de straat.

Het kozijn zit in het midden, het metselwerk eromheen maakt de gevel compleet

≤ 5,00 m ≤ 2,00 m

Beoordeling Een gevelwijziging voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een standaardplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Aansluiten op bouwplannen van buren heeft de voorkeur bij gelijke woningen in rijen of clusters. Kleine afwijkingen van de criteria zijn denkbaar om herhalingen mogelijk te maken. Voldoet het plan hier niet aan, is er sprake van een monument of bestaat er twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria. Basiscriteria Gevelwijzigingen worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: • samenhang straatwand op hoofdlijnen behouden • hoofdindeling gelijk aan huidig of oorspronkelijk kozijn • dimensionering nieuwe invulling afstemmen op de gevel • gevelopeningen niet blinderen • materialen en kleuren afstemmen op de gevel Aanvullende criteria Voor gebied met bijzonder welstandsniveau gelden de volgende aanvullingen: • als binnen één bouwblok en/of bij een identieke woning in een vergelijkbare situatie aan de voorgevel al een gevelwijziging is vergund die voldoet aan de objectcriteria, dan is de vormgeving en maatvoering hiervan bepalend voor de te realiseren gevelwijziging aan de voorgevel van de overige woningen in het bouwblok of van dit woningtype • bestaande details als lateien, dorpels, raamlijsten en speklagen

behouden • materialen zijn overeenkomstig met of gelijkend op die van het hoofdgebouw • kleuren zijn terughoudend en overeenkomstig met of gelijkend op die van het hoofdgebouw • bij karakteristieke panden: - vormgeving gelijk aan de architectuur en het tijdsbeeld van de historische gevel, indeling en detaillering - profilering en materialisering kozijnen blijft gelijk • bijgebouw in beschermd gezicht voorzichtig afstemmen op historische omgeving met toepassing van traditionele materialen

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 32

Object 4

Dakkapel en dakraam  en dakkapel is een uitbouw in de kap. Dakkapellen kunnen bepalend zijn voor E het straatbeeld. Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Dakramen zijn toevoegingen aan een dakvlak, die in veel gevallen vergunningvrij zijn.

Dakkapel is een ondergeschikt element, dus niet op een wolfseind plaatsen

Beoordeling Een dakkapel of dakraam voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een standaardplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Aansluiten op bouwplannen van buren heeft de voorkeur bij gelijke woningen in rijen of clusters. Kleine afwijkingen van de criteria zijn denkbaar om herhalingen mogelijk te maken. Voldoet het plan hier niet aan, is er sprake van een monument of bestaat er twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria.  oor dakkapellen in gebieden met een soepel niveau gelden geen redelijke eisen V van welstand, waarmee ze ook aan voorkanten wat betreft de activiteit bouwen vergunningvrij kunnen worden gerealiseerd. Bij de beoordeling van eventuele vergunningplichtige dakkapellen wordt gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria.

Bij schilddaken de kleinste afstand hanteren voor de plaatsing in het dakvlak

Dakkapel in mansardekap in onderste dakvlak plaatsen en aansluiten op knik

Een staande dakkapel is verticaal in aanzicht (smaller dan hoog)

Criteria Dakkapellen en dakramen in gebied met een gewoon of bijzonder welstandsniveau worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: Plaatsing en aantal • een dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan een gebouw •  meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn aanhouden) • in een mansardekap aansluiten op de knik en in beginsel in gootlijn plaatsen • 0,50 tot 1,00 m dakvlak onder dakkapel en minstens 0,80 m dakvlak boven en naast dakkapel • dakkapellen raken de gootlijn als dit bijdraagt aan de architectuur van de gevel als onderdeel van de straatwand • dakramen op schuine daken vlak aanbrengen • dakkapellen aan voorkanten: - hoogstens één dakkapel per woning per dakvlak (geen dakkapellen op aanbouwen en bijgebouwen) - minstens 1,00 m dakvlak naast de dakkapel - kozijnen direct op het dakvlak aansluiten - dakkapellen zijn in beginsel verticaal in aanzicht (smaller dan hoog) - breedte tot 2/3 van de gevelbreedte met een maximum van 3,50 m Vorm en maat • de dakkapel is gelijkvormig aan aanwezige dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok • hoogte van plat afgedekte dakkapel aan voorkanten maximaal 1,50 m • goothoogte van de aangekapte dakkapel maximaal 1,00 m en hoogstens 50% van het dakvlak • dakkapel plat afdekken of aankappen op daken van minstens 45 graden • detaillering, materialen en

kleuren van dakkapel afstemmen op hoofdgebouw • zijwangen donker, wit, zinkgrijs of in de kleur van de rest van de dakkapel • de kap van een aangekapte dakkapel gelijk uitvoeren als kap hoofdgebouw • voorvlak grotendeels invullen met glas (dichte panelen zijn ondergeschikt)

Nota Ruimtelijke kwaliteit Krimpenerwaard 2017 CONCEPT pagina 33

Object 5

Dakopbouw Een dakopbouw wordt op een gebouw geplaatst, waarbij een nieuwe ruimte ontstaat of een bestaande ruimte wordt vergroot. Hetzelfde geldt voor het verhogen van de gevel. Hier wordt de ruimte vergroot door het gedeeltelijk of geheel vervangen van het dakvlak door een doorgetrokken gevel. Bij meerdere dakopbouwen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft de rooilijnen en maximale afmetingen en hoogten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=5ef724a5-0c17-4a65-854f-771611f6799c