CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJl 4 Bijlagen bij planregels BP Lekdijk-West 113, Bergambacht

Raadsvergadering 6 februari 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Lekdijk-West 113 Bergambacht17.415 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Waternatuur Een KRW doelstelling is de ecologische toestand die verwacht mag worden na het nemen van alle mogelijke verbetermaatregelen voor zover dit niet leidt tot onacceptabele schade aan andere functies van een gebied en het overige milieu. Het is een bestuurlijke afweging in hoeverre KRW maatregelen schade mogen brengen aan overige functies in het gebied. In dit inrichtingsplan zijn alle verbetermaatregelen voor de waternatuur zo gekozen dat ze te combineren zijn met de overige natuurdoelen en met de beheerbaarheid van land en water.

15

Over het algemeen wordt per KRW-waterlichaam, dat wil zeggen voor een netwerk aan watergangen, 1 natuurdoel aangewezen. Waternatuur in de Krimpenerwaard omvat het KRW watertype gebufferde laagveensloot (M8) of het watertype laagveen vaart (M10). Deze watertypen zijn in de praktijk slechts beperkt geschikt om de gewenste ruimtelijke differentiatie in de vele kilometers sloten en oevers mee vast te leggen. Voor het kiezen van inrichtings- en beheermaatregelen is daarom een differentiatie aan waterdoelen benoemd in plaats van één KRW-doel. Met name oeverinrichting en –beheer is hierbij belangrijk. Per natuurbeheertype en locatie in het landschap, zijn er keuzes gemaakt over welke oevers hierbij passen: 

  

De voedselarme en daarmee soortenrijke water- en oeverbegroeiing zijn vooral te verwachten/te combineren met de voedselarmere (botanische) natuurbeheertypen; Opgaande oeverbegroeiing is beter te combineren met de ecologische verbinding en moeraselementen; Weinig begroeide sloten zijn goed te combineren met hoofdwatergangen; Diepe, weinig begroeide sloten met 50% lage en 50% hoge helofyten oevers passen bij elk natuurtype.

De natuurdoelen op land en in het water zijn van invloed op elkaar. De differentiatie van de natuurdoelen en oevers op het land leidt tot een differentiatie in natuurdoelen in het water. Bijvoorbeeld: nabij percelen waar geplagd gaat worden – en nalevering van meststoffen niet meer speelt – zijn de meest ambitieuze waternatuurdoelen te verwachten. Voor de overige watergangen zijn doelen gekozen die op korte termijn meer reëel zijn. Van tijd tot tijd zal geëvalueerd moeten worden of deze doelen aangepast kunnen worden naar de meer ambitieuze doelen. Deze variatie aan doelen moeten worden gezien als werkdoelen en is geen vervanging van het officiële KRW-doel.

Inrichtingsmaatregelen De inrichting voor natuur en water zijn samen te vatten in 2 typen maatregelen:  Grondverzet;  Watersysteem verandering. Voor de verschillende natuurtypen zijn deze te specificeren naar de volgende ingrepen: Waternatuur • •

Waterpeil verhogen; Afplaggen;

16

• Natuurvriendelijke oevers; • Eigen watersysteem; • Kwaliteitsbaggeren. Botanisch gebied • Afplaggen (na onderzoek); • Waterpeil verhogen; • Oevers afgraven. Weidevogelgebied • Greppels graven; • Oevers afgraven; • Plas-dras creëren; • Waterpeil verhogen.

2.3

Wordt voldaan aan de opgave?

Na de vertaling van de opgave naar doelen zijn alle afzonderlijke doelen samengebracht op één kaart. Hierdoor werd duidelijk waar doelen elkaar in de weg zitten en waar doelen elkaar kunnen versterken. Zo is het ontwikkelen van rietoevers of andere hoog opgaande elementen in een weidevogelgebied niet gewenst, wat betekent dat de ontwikkeling van kleinschalige landschapselementen en weidevogelgebieden vaak niet samen gaat. Botanische ontwikkeling en weidevogels gaan daarentegen vaak wel samen. Praktische knelpunten zoals hoogteligging en beheerbaarheid hebben geleid tot pragmatische keuzes waardoor in sommige gevallen niet het optimale (theoretische) doelbereik is gehaald. Het landschappelijk beeld wordt echter wel benaderd en naar verwachting is de voorgestelde inrichting uitvoerbaar en beheerbaar (zie ook Figuur 2.6).

17

Figuur 2.6 Het totaalbeeld van de voorgestelde inrichting van de nog te realiseren NNN-opgave in de Krimpenerwaard. Zie voor een groter formaat van deze kaart, bijlage A.

De opgave voor de NNN-ontwikkeling in het NNN van de Krimpenerwaard zoals genoemd in Grutto en Dotter en de gebiedsovereenkomst is: 1/2 weidevogelnatuur; 1/3 botanische natuur; 1/6 kleinschalige landschapselementen

 • •

Na de uitwerking van deze opgave op basis van bestaande natuur, abiotische potenties van het gebied, praktische uitvoerbaarheid en (politiek) draagvlak, komen we tot de volgende verdeling op kaart (zie ook figuur 2.7):   

55% weidevogelnatuur; 34% botanische natuur; 11% kleinschalige landschapselementen

De berekening van de verdeling is bij benadering en dus geen absoluut gegeven. Dat ligt aan het feit dat de grens tussen botanisch en weidevogelgebied en tussen botanisch en kleinschalig landschapselement niet altijd eenduidig is. Daarnaast zijn niet alle landschapselementen weergegeven. De procentuele verdeling van de natuurtypen benadert de opgave met een marge van maximaal 6%.

18

Figuur 2.7 De verdeling van de 3 natuurtypen, weidevogelnatuur, botanische natuur en kleinschalige landschapselementen over de NNN-gebieden in de Krimpenerwaard. Zie voor een grotere versie van deze kaart, bijlage A

19

3 Gebiedsbeschrijving De Krimpenerwaard wordt gekenmerkt door unieke landschappelijke kwaliteiten met daarbij behorende karakteristieke natuurwaarden. Een veenweidelandschap van dit formaat is zeer bijzonder in Nederland. Anders dan veel andere veenweidegebieden, is de ontginnings- en verkavelingsstructuur en de lintbebouwing nog onaangetast. Hierdoor zijn lange kavels met rustige achtereinden nog steeds intact. Ook de openheid van het gebied, het vele water en de (relatief) hoge waterpeilen zijn bijzonder (Feddes et al., 2014). In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de ligging, ontstaansgeschiedenis en het unieke karakter van de Krimpenerwaard. Er vindt tevens een systeemanalyse plaats en de huidige problematiek en knelpunten in het gebied worden toegelicht.

3.1

Ligging

De Krimpenerwaard is gelegen in het Groene Hart, in de driehoek tussen Gouda, Krimpen aan de IJssel en Schoonhoven. Het gebied omvat de gemeenten Krimpenerwaard (uitgezonderd een gedeelte van de Lopikerwaard) en Krimpen aan de IJssel. De Krimpenerwaard wordt begrensd door de Hollandsche IJssel in het noorden, de Lek in het zuiden, de Nieuwe Maas in het westen en de Vlist aan de oostkant. Ten oosten van de Vlist begint de Lopikerwaard (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1 Begrenzing en ligging Krimpenerwaard.

20

3.2

Begrenzing en ligging deelgebieden

In figuur 3.2 is de begrenzing van het NNN in de Krimpenerwaard weergegeven. Het NNN is opgedeeld in verschillende deelgebieden: • Bilwijk; • Veerstalblok (Het Beijersche); • Middelblok; • Kattendijksblok; • De Nesse*; • Berkenwoudse Driehoek*; • Oudeland; • Den Hoek; • Bergambacht-West (Nespolder)*; • Kadijk-West. (*al ingericht) Deze deelgebieden vormen ieder een schakel in het NNN in de Krimpenerwaard en vormen een ecologische verbinding met aangrenzende gebieden. Een aantal deelgebieden zijn al (grotendeels) ingericht. Het gaat hierbij om De Nesse, Berkenwoudse Driehoek en een aaneengesloten verworven blok in Oudeland Zuid. In december 2011 heeft de toenmalige Strategiegroep Krimpenerwaard besloten om deze deelgebieden reeds in te richten. Inmiddels is in deze deelgebieden in totaal 500 ha natuur gerealiseerd. Het natuurgebied is in juni 2017 officieel geopend. Ook de Nespolder bij Bergambacht-West is reeds ingericht (2012-2013). Voorliggend inrichtingsplan is van toepassing op de deelgebieden die nog ingericht moeten worden, daarnaast wordt ingegaan op enkele restopgaven in de deelgebieden De Nesse en Berkenwoudse Driehoek (zie figuur 3.2). Alle deelgebieden tezamen (ook de al eerder ingerichte gebieden) vormen één geheel en een ecologische verbinding in het kader van het NNN.

21

Figuur 3.2 Deelgebieden voorliggend inrichtingsplan.

22

3.3

Ontstaansgeschiedenis Krimpenerwaard

Ontstaan van het natuurlijk landschap Veenvorming Voor de bodemvorming in de Krimpenerwaard is het Holoceen, de geologische periode na de ijstijden zo’n 10.000 jaar geleden, bepalend. De gronden die in deze periode gevormd zijn, liggen op het pleistocene zand. Door klimaatverandering begon de zeespiegel te stijgen. Daardoor werd de afwatering van de oost-west stromende rivieren aan de kust gestremd. Als gevolg van het stagnerende water kon achter de kust veenvorming optreden op het Pleistocene zand. Er ontstond een zoet, moerassig milieu waarin de ene laag afgestorven planten op de andere zonk. Door gebrek aan zuurstof in deze lagen verteerde het materiaal maar voor een deel en aldus werd een veenlaag gevormd. In het gebied van de Krimpenerwaard is de veengroei niet onderbroken geweest door latere afzettingen (onder invloed van een verder stijgende zeespiegel), zoals dit in andere veengebieden in het westen van het land wel veelal is gebeurd. Hierdoor is in de loop van duizenden jaren een dikke veenlaag ontstaan (Van Groningen, 1996). In de Krimpenerwaard vinden we vooral bos- en zeggeveen aan de oppervlakte en geen veenmosveen. Voor de turfwinning is juist het veenmosveen het meest geschikt, omdat het goed brandt en er weinig of geen as overblijft. Daarom zijn er in de Krimpenerwaard geen grootscheepse verveningen geweest.

Wel is er in de hele waard door individuele boeren op kleine schaal turf gestoken, de vele brede sloten en veenputjes getuigen hiervan. Rivierafzettingen Door de veengebieden in het westen van het land stroomden enkele wat grotere rivieren en een aantal veenstroompjes. Aanvankelijk was de sedimentatie van de rivieren beperkt en de veenvorming werd er niet door aangetast. Rond het begin van de jaarwisseling nam de activiteit van de rivieren periodiek sterk toe, terwijl ook de rivierlopen veranderen. Onder invloed van de getijdewerking van de zee vonden kleiafzettingen plaats. Bij hoog water aan de kust werd het slibhoudende rivierwater over de rivieroevers en in de veenstroompjes gestuwd en van daar uit vond sedimentatie op het omringende land plaats. Het veengebied raakte in het westen van het rivierengebied gedeeltelijk onder een kleilaag bedekt. Er ontstond een klei-op-veenbodem met overslibde oeverafzettingen. Hiertoe behoren de langs de Hollandsche IJssel en de Lek gelegen randen van de Krimpenerwaard. Het veen in het centrale deel van het gebied bleef vrij van overslibbing. Het uiteindelijke resultaat van de genoemde processen was in de Krimpenerwaard een uitgestrekt veenlandschap, met aan de randen klei-op-veen en kleioevers (Van Groningen, 1996).

23

Bewonings- en ontginningsgeschiedenis De huidige inrichting van de Krimpenerwaard vindt zijn oorsprong in de 10e eeuw. In deze eeuw begon de bevolking van Holland zodanig toe te nemen, dat het nodig werd om nieuwe woonplekken te zoeken. Daarbij werden ook de minder aantrekkelijke gebieden ontgonnen: de veengebieden en komgronden van de rivieren. Vanaf de hoger gelegen oeverwallen langs de rivieren is begonnen met de ontginning van het achterliggende veengebied. Eerst in onregelmatige verkaveling (de vrije opsteek). Vandaar uit werd vervolgens de kern van de waard ontgonnen, in de vorm van regelmatige cope-ontginningen vanaf de Vlist. Tenslotte werd de overgangszone tussen het middengebied en de randen in cultuur gebracht door middel van restverkavelingen (zie figuur 3.3). Verkaveling In de Krimpenerwaard ontstond in de 10e eeuw geleidelijk aan een nederzettingspatroon van langgerekte dorpen met loodrecht daarop de lange, smalle kavels. Aanvankelijk hadden de bewoners het recht hun kavels onbeperkt naar achteren te verlengen; de vrije opsteek. De percelen reikten tot steeds verder in het veengebied totdat men op een andere ontginning stuitte. In het westelijk deel van het gebied (o.a. in Polder Den Hoek) zijn hierdoor kavels van meer dan 3 km lengte ontstaan.

Op de achtergrens van dergelijke lange kavels werd een kade opgeworpen; de landscheiding (voorbeelden zijn de Oudekerkse en Gouderakse landscheiding). In de 11e eeuw begonnen de cope-ontginningen en kwam een einde aan het recht van de bewoners om hun kavels steeds verder in het veengebied uit te breiden. Er werden regelmatig gevormde ontginningsblokken vanaf de Vlist in het nog onontgonnen veen uitgezet. Een cope-ontginning is een planmatige ontginning op basis van een contract. Het nog niet ontgonnen gebied werd volgens een vaste maatvoering door de grondeigenaren uitgegeven, waarna deze gronden door een zogenaamde coper in kavels werden verdeeld. Deze ontginningen waren minder diep dan de ontginningen vanaf de rivier en de ontginningslinten en achterkaden kwamen hier dichter op elkaar te liggen. Daardoor heeft het middengebied een meer kleinschalig karakter gekregen dan de randen van de Krimpenerwaard. Dit verschil in schaal is nog steeds goed herkenbaar in het landschap en geeft de Krimpenerwaard een eigen onderscheidende identiteit binnen het rivierengebied. Tenslotte werd tussen 1250 en ongeveer 1600 de overgangszone tussen het middengebied en de randen in cultuur gebracht, de zogenaamde restverkavelingen. Deze zogeheten ‘bloklanden’ werden bij reeds bestaande polders toegevoegd of het werden afzonderlijke polders.

De ontginningen van Achterbroek en Berkenwoude zijn de belangrijkste van deze restverkavelingen (Haartsen, 2009).

24

Ondanks de gefaseerde ontginning is een min of meer gelijkvormig ontginningspatroon ontstaan met lange, smalle noord-zuid georiënteerde kavels en brede sloten. In het middengebied liggen achter de lintbebouwing brede vaarsloten en zones met veenputten, ontstaan door de kleinschalige veenwinning (Feddes et al., 2014). De oriëntatie op de rivieren is in het huidige landschap nog goed zichtbaar.

Figuur 3.3 Ontginningsgeschiedenis Krimpenerwaard (Feddes et al., 2014).

Bodemdaling Om het land te kunnen bewerken, moest het eerst ontwaterd worden. Er werden sloten gegraven om het regenwater af te voeren en het grondwaterpeil te laten zakken. Veen bestaat echter voor een belangrijk deel uit water en als gevolg van de ontginning begon het maaiveld te dalen. Bodem- of maaivelddaling wordt veroorzaakt door klink en oxidatie. Klink ontstaat wanneer bij een verlaging van het grondwater, het water uit het veen wegstroomt. Hierdoor neemt het volume van het veen af en daalt het land. Dit proces wordt versneld door oxidatie. Na ontwatering vullen de poriën in de veenbodem zich met lucht en worden de niet-verteerde plantenresten geleidelijk omgezet in kooldioxide en water: het veen begint te verteren (Haartsen, 2009).

25

Door inklinken en oxideren kan een maaiveld wel tot twee centimeter per jaar dalen. Hoeveel de bodem in de Krimpenerwaard inmiddels is gedaald is niet precies bekend. Verondersteld wordt dat het oppervlak vroeger op de hoogste delen van het veen ongeveer vier meter boven NAP heeft gelegen (Haartsen, 2009). In de huidige situatie treedt de sterkste daling in de Krimpenerwaard op in de noordwestrand tegen de Hollandsche IJssel aan, door wegzijging naar de Zuidplaspolder (zie verder paragraaf 3.4).

Waterbeheer Door de ontwatering en oxidatie als gevolg van het landbouwkundig gebruik begon de slappe veenbodem te dalen en kwamen grote delen van het gebied ongunstig te liggen ten opzichte van het rivierwater. Om zich tegen het water te beschermen legden de laatmiddeleeuwse bewoners terpen, kades en dijken aan. De oudste dijken dateren uit de eerste helft van de 12e eeuw, vanaf de 13e eeuw werden de doorgaande dijken langs de grote rivieren aangelegd. Door de aanleg van dijken en kaden moest het afwateringssysteem worden aangepast. In het begin van de ontginning waterden de sloten vanaf het dikke veenpakket rechtstreeks af op de rivieren. Omdat het noordelijke deel van de Krimpenerwaard, langs de Hollandsche IJssel, lager ligt dan het zuidelijke deel kreeg het gebied een natuurlijke afwatering naar de Hollandsche IJssel. Na aanleg van de dijken werd het water uit een gebied verzameld in een wetering die het water op één punt door de dijk voerde en via een klepduiker op de rivier loosde. Lange tijd bleef de afwatering per dorpsgebied of per dorpspolder geregeld. De afdamming van de Hollandsche IJssel bij Vreeswijk omstreeks 1285 betekende een belangrijke verbetering van de waterwaterhuishouding. Al het water van de Neder-Rijn moest nu via de Lek stromen. In tijden van hoogwater op de Lek waren de waterstanden op de IJssel daardoor steeds lager.

Veel polders, waaronder ook polders die direct langs de Lek liggen, hebben hun uitwatering dan ook verlegd naar de Hollandsche IJssel (Haartsen, 2009).

Bemaling In de 15e en 16e eeuw werden er, ter verbetering van de productiemethoden en agrarische bedrijfsvoering, steeds meer windmolens gebouwd om de waterstand in het lager gelegen veenweidegebied beter in de hand te kunnen houden. Na verloop van tijd kreeg vrijwel ieder ontginningsblok polderkaden en een poldermolen om het water te lozen. Voor de afwatering werden weteringen en boezems gegraven en vanuit de boezem werd het water rechtstreeks in de rivier gemalen. Later, toen door verdere maaivelddaling ook dat moeilijk werd, werden langs de Hollandsche IJssel haaks op de rivier zogeheten blokboezems aangelegd, die tijdelijk water konden bergen als de waterstand in de rivier te hoog was

26

om op te lozen. In de loop van de 19e en begin 20e eeuw werden de poldermolens vervangen door stoomgemalen. Door de komst van het stoomgemaal verloren de blokboezems hun functie en raakten gedeeltelijk bebost. De modernisering zette door en in het begin van de 20e eeuw deden de eerste dieselgemalen hun intrede in het gebied, uiteindelijk gevolgd door elektrische gemalen (Haartsen, 2009).

Ontwikkelingen in de landbouw en veeteelt Reeds lang geleden bestond de Krimpenerwaard hoofdzakelijk alleen uit grasland. Deze graslanden zijn lange tijd van weinig betekenis geweest. Voor de landbouw is de hennepcultuur eeuwenlang het belangrijkst geweest. De veehouderij was hier tot in het midden van de 19e eeuw ondergeschikt aan, ondanks het feit dat het oppervlak aan grasland vele malen groter was dan het met hennep beteelde oppervlak. De veeteelt was slechts een hulpmiddel en diende als productiebron van mest voor de hennepakkers, waarop de boer zijn stalmest van de winter bracht. De graslanden kregen in de regel niet meer mest dan excretie van het vee tijdens het weiden. Hierdoor zijn de graslanden eeuwenlang verschraald. Tot ver van de boerderijen strekten de schraalgraslanden (blauwgrasland) zich uit. Sloten langs deze schraallanden werden daarbij verwaarloosd en groeiden veelal dicht (Husson, 1983 en 1984). Na de ondergang van de hennepteelt in het midden van de 19e eeuw werd de melkveehouderij, en in het verlengde daarvan de kaasmakerij, de voornaamste inkomstenbron in de Krimpenerwaard. De gronden waren door het eeuwenlange (onbedoelde) verschralingsbeheer echter van slechte kwaliteit voor agrarisch gebruik. Net als in de henneptijd werd er veel gebaggerd. De stalmest werd met bagger gemengd (toemaak) en op de weilanden dicht bij de boerderijen en dorpen gebracht.

De verder van de boerderij gelegen hooilanden bleven in deze periode nog onbemest en dus schraal. Onder invloed van de slechte economische situatie in die tijd bleef deze situatie tot het einde van de 19e eeuw bestaan (Husson, 1983 en 1984). Door het opkomen van de kaasmakerij en het beschikbaar komen van meer meststoffen (zie ook navolgend tekstkader), werd aan het begin van de 20ste eeuw niet alleen het akkerland omgezet in grasland, door het opbrengen van grote hoeveelheden dierlijke mest verdwenen ook de schrale (onbemeste) hooilanden en maakten plaats voor voedselrijke (bemeste) weilanden. Hierdoor onderging het landschap aan het begin van de 20ste eeuw in een periode van nauwelijks 25 jaar een grote verandering, waarbij het oppervlak schraalland werd gedecimeerd tot slechts enkele tientallen hectaren (Vink, 1926).

27

Toename meststoffen Aan het begin van de 20e eeuw was er sprake van een forse groei van veestapel door het beschikbaar komen van krachtvoer dat vanuit de haven van Rotterdam werd aangevoerd. Ook de stichting van het stoomgemaal bij Gouderak even daarvoor (in 1880) betekende een stimulans voor de melkveehouderij. Als gevolg hiervan was sprake van een toename van de beschikbare hoeveelheid dierlijke mest, die geheel gebruikt werd voor het grasland. Met name varkensmest werd gebruikt, terwijl later ook kunstmest werd gebruik (maar deze is van relatief beperkte betekenis geweest in de Krimpenerwaard). Varkensmest was ruim(er) voorhanden, doordat het kaasmaken de varkenshouderij bevorderde: Voorheen werden varkens uitsluitend voor eigen gebruik gehouden, maar in het begin van de 20e eeuw stond de varkenshouderij geheel in dienst van de melkveehouderij en de kaasmakerij, die op haar beurt de varkenshouderij weer ondersteunde. De wei, nevenproduct van de kaasmakerij, was namelijk zeer geschikt als varkensvoer. De varkensmest werd vervolgens gebruikt als voedingsstof voor de graslanden waar de koeien graasden (Husson, 1983 en 1984).

3.4

Beschrijving huidige situatie en knelpunten

In deze paragraaf wordt een globale beschrijving van het (eco)systeem van de Krimpenerwaard gegeven waarbij wordt ingegaan op de belangrijkste knelpunten die aanleiding geven voor de natuuropgave en het opstellen van dit inrichtingsplan.

Watersysteem Het huidige watersysteem van de Krimpenerwaard heeft als hoofdinlaatpunt het gemaal Krimpenerwaard aan de zuidzijde van het gebied. Het gemaal ligt aan de Lekdijk aan de zuidzijde van het deelgebied Den Hoek (zie figuur 3.4). Het water wordt vanuit de rivier de Lek ingelaten onder vrij verval (240 m3 /minuut). Omdat de Krimpenerwaard aan de noordzijde lager ligt dan aan de zuidzijde, loopt het water onder vrij verval door het gebied heen. In periodes van neerslag fungeert het gemaal ook als uitslag naar de Lek.

28

Figuur 3.4 Watersysteem Krimpenerwaard huidige situatie met verschillende bemalingsgebieden, aan- en afvoerroutes en gemalen (bron figuur: HHSK).

De Krimpenerwaard bestaat uit vijf bemalingsgebieden (zie figuur 3.4):  Verdoold: het grootste bemalingsgebied, met het grootste gemaal (450 m3/min); dit bemaalt de peilgebieden Stolwijk en Berkenwoude, Middelblok, Kattendijksblok en Achterbroek;  Veurink: is het westelijke bemalingsgebied, en omvat de peilgebieden Krimpen, Den Hoek en Schuwacht en Kromme, Geer en Zijde;  Krimpenerwaard: is het bemalingsgebied voor zuidelijke (peilgebied Bergambacht) en oostelijke peilgebieden (Vlist-westzijde) en slaat uit op de Lek;  De Nesse is een kleine polder in het noorden van de Krimpenerwaard en slaat uit op de (gekanaliseerde) Hollandsche IJssel;  Beneden-Haastrecht is een kleine polder in het noordoosten en slaat uit op de Hollandsche IJssel; Het watersysteem van de Krimpenerwaard is in de huidige situatie primair ingesteld op het agrarisch gebruik en - waar relevant – op eventuele bebouwing (uitgezonderd de reeds ingerichte en bestaande natuurgebieden). De waterpeilen zijn afgestemd op de drooglegging die het beste past bij de huidige functie en de peilfluctuaties worden om dezelfde reden beperkt gehouden. Voor de agrarische gebieden met een veenbodem is het peil tot op heden steeds naar beneden aangepast aan de maaivelddaling (zie ook hierna onder het kopje “bodemdaling”). In Bijlage

29

A is overzicht gegeven van het huidige watersysteem met peilvakken en vigerende peilen. Het huidige watersysteem en peilbeheer is niet passend bij de nieuwe functie natuur en de gewenste natuur- en waterdoelen (zie hoofdstuk 5) en moet worden aangepast. Om bodemdaling tegen te gaan en de waterkwaliteit te verbeteren is peilopzet nodig en een apart watersysteem (scheiding natuur en agrarisch).

Waterkwaliteit Het water is voedselrijk, vooral wat betreft fosfaat, wat hoofdzakelijk toe te schrijven is aan de afbraak van veen (veenoxidatie), historisch en huidig mestgebruik en inlaat van (rivier)water (Schipper e.a., 2016, zie ook figuur 3.5). Ook sulfaat concentraties kunnen hoog zijn door ontwatering van het veen en inlaat van rivierwater. Als gevolg hiervan bestaat de waterplantenbegroeiing vooral uit eutrofe soorten zoals grof hoornblad, smalle waterpest, draadalgen en kroos (zie ook paragraaf 4.5). De helofytenzone is smal en bestaat vaak uit eutrofe soorten zoals liesgras. In sommige gebieden komen nog wel krabbenscheervelden voor (zie figuur 4.15); dit is vermoedelijk op plaatsen waar de sulfaatbelasting laag is en/of het rivierwater niet of nauwelijks komt.

30

Figuur 3.5 Overzicht oorzaken voedselrijkdom oppervlaktewater (Schipper e.a., 2016).

Het onderhoud van de sloten is in de huidige situatie vooral gericht op de aan- en afvoerfunctie van water en de toegankelijkheid van oevers voor drinkend vee (veedrenking). Het jaarlijks geheel opschonen (van sloot en oevers) is hierbij geen uitzondering. Onderhoudsbaggeren vindt daarnaast (ondanks een periodieke uitvoering) vaak grootschalig plaats. Structuurrijke oevers en aanwezigheid van voldoende vegetatie zijn van groot belang voor flora en fauna, maar het aanbod hiervan is door het intensieve onderhoudsregime beperkt. De aanwezige watervegetatie is daarnaast uniform als gevolg van de eutrofe omstandigheden (zie hiervoor). Met name soorten die permanent (jaarrond) of een meerjarige fase aquatische doorlopen verdwijnen als eerste bij een te intensief onderhoudsregime. De sloten in de Krimpenerwaard worden dan ook gekenmerkt door een lage diversiteit aan flora en fauna (zie ook paragraaf 4.5).

31

Bodem(daling) De bodem van de Krimpenerwaard bestaat uit slappe klei- en veenlagen (zie figuur 3.6). Vrijwel de gehele veenbodem in de Krimpenerwaard is gevoelig voor bodemdaling als gevolg van veenoxidatie. Door het verlagen van het grondwaterpeil voor het landbouwkundig gebruik oxideert het ‘drooggemaakte’ veen: het verbindt zich met zuurstof waardoor het in feite verdampt of verteert. Als gevolg hiervan daalt het niveau van de bodem, komt het maaiveld dichter bij het grondwater en wordt het te nat voor het landbouwkundig gebruik, waardoor weer verlaging van het grondwaterpeil nodig is (zie ook paragraaf 3.3). Het proces van maaivelddaling en verlaging van het polderpeil is al sinds de ontginning in de middeleeuwen gaande, waardoor het maaiveld al enkele meters ingeklonken is. In de huidige situatie varieert de drooglegging, afhankelijk van de locatie tussen de 40 en 60 cm. Voor de agrarische gebieden met een veenbodem is het peil tussentijds naar beneden aangepast aan de maaivelddaling. Bij voorzetting van het huidig beheer en gebruik daalt de bodem door veenoxidatie gemiddeld 1 cm per jaar. Het betreft een onomkeerbaar proces met een onzekere en ongecontroleerde impact en beheersbaarheid in de toekomst (Provincie Zuid-Holland, 2016).

Figuur 3.6 Bodemkaart Krimpenerwaard.

Doordat er langs de rivieren een dik zandig kleidek is afgezet, is de bodem aan de rand van de Krimpenerwaard aanzienlijk minder gedaald dan meer landinwaarts waar een veel minder dikke kleilaag is afgezet en waar vooral

32

veen aanwezig. In de loop der tijd heeft hierdoor een omkering van het reliëf (inversie) plaatsgevonden. Het centrum van de waard, oorspronkelijk het hoogste gedeelte, ligt thans veel lager dan de randen (Husson, 1983 en 1984). De gronden met de sterkste gevoeligheid voor bodemdeling, tegelijk ook de laagst gelegen gronden, liggen in de noordwestrand tegen de Hollandsche IJssel aan (zie figuur 3.7). Hier is sprake van wegzijging van (grond)water naar de lager gelegen Zuidplaspolder. Uit meetgegevens van HHSK blijkt dat in de periode 1984 – 2014 de bodem hier lokaal tot wel een halve meter is gedaald (zie ook Bijlage A).

Figuur 3.7 Overzicht bodemdalingsgevoeligheid: de afbeelding geeft de hoogteligging in relatie tot de mate van daling weer. In rood de gebieden die het laagst liggen en het snelst zakken (categorie I) en in groen de gebieden de relatief hoog liggen en het minst snel zakken (categorie IV). De gebieden met de sterkste gevoeligheid liggen aan de noordwestrand (bron figuur: HHSK).

33

Bodemdaling Bodemdaling is een langzaam en langdurig proces, dat bij ongewijzigd gebruik en beheer doorgaat met een onzekere en ongecontroleerde impact en beheersbaarheid in de toekomst. De effecten van bodemdaling zijn divers en treden wisselend in omvang, tijd en ruimte op. Het betreft veelal een onomkeerbaar proces met negatieve impact op duurzaamheid:  Veenoxidatie in heel Nederland draagt circa 2 – 4% bij aan de nationale CO2 emissie;  Beheer en onderhoud van de openbare ruimte in gemeenten met een slappe veen/kleibodem is 4x zo duur als in gemeenten met stabielere bodems;  Zonder aanvullende maatregelen ligt de funderingsschade voor huizen op slappe veen/kleigrond in Nederland, in de periode 2013 – 2050, rond de € 25 – 40 miljard;  Bodemdaling leidt tot toenemende waterbeheerkosten: door de peilen telkens mee te laten zakken met de bodemdaling (peilindexatie) liggen in 2050 de totale waterbeheerkosten (stuwen, pompen, keringen etc.) in Zuid-Holland circa 25% hoger dan bij peilfixatie;  Andersom zal peilfixatie leiden tot daling van de landbouwproductie met circa 30% in 2050 (Alterra, 2010; PBL, 2015 en 2016 en Deltares, 2013 in Provincie Zuid-Holland, 2016).

Natuur De Krimpenerwaard bestaat al eeuwenlang uit agrarisch gebied (zie paragraaf 3.3). De agrarische activiteit is gedurende die tijd op verschillende manieren veranderd maar het landschap is altijd open en waterrijk geweest en heeft, in combinatie met de agrarische activiteit altijd plaats geboden aan verschillende soorten van het veenweidegebied (zie verder hoofdstuk 4). Toen in de loop van de 20ste eeuw de landbouw intensiever werd en het landschap eenvormiger, zijn veel van deze natuurwaarden afgenomen in aantal en diversiteit. Kenmerkend is de afname van areaal blauwgrasland in de Krimpenerwaard. Tot aan het begin van de 20ste eeuw was de Krimpenerwaard nog grotendeels bedekt met soortenrijke schraalgraslanden (met name blauwgrasland). Door een forse groei van de veestapel en daarmee gepaard gaande toename van de beschikbare hoeveelheid dierlijke mest (zie ook paragraaf 3.3 onder het kopje “ontwikkelingen in de landbouw en veeteelt”) is het areaal schraalland in een periode van nauwelijks 25 jaar gedecimeerd tot slechts enkele tientallen hectaren (Vink, 1926). In de

34

huidige situatie is van het oorspronkelijke schraalland blauwgrasland nog slechts enkele hectare over op een aantal percelen bij eendenkooi Kooilust in de Berkenwoudse Driehoek (zie verder paragraaf 4.2). In de huidige situatie bestaan de (agrarische) graslanden veelal uit soortenarme beemdgras- en raaigraslanden. Dit is het direct gevolg van de toegenomen voedselrijkdom van de bodem als gevolg van grotere mestgiften en het actief verlagen van het waterpeil. Op de (agrarische) graslanden komen vrijwel alleen nog soorten van voedselrijke en droge omstandigheden voor. In de slootkanten komen op enkele plaatsen nog wel vegetaties voor met dotterbloemen en moeras-vergeet-me-nietje, daarnaast zijn op enkele plekken nog krabbenscheervelden aanwezig. De vegetatiegegevens uit het provinciaal meetnet van de afgelopen 30 jaar in de Krimpenerwaard zijn geanalyseerd, de uitkomsten hiervan worden in hoofdstuk 4 nog kort toegelicht aan de hand van enkele figuren. Uit de gegevens blijkt een duidelijke afname van de botanische diversiteit in het agrarisch gebied alsook een duidelijk verschil tussen reservaten en agrarisch gebied. De omzetting van hennepteelt naar kaasproductie begin vorige eeuw en de daarmee gepaard gaande toename van de beschikbaarheid van dierlijke mest, was in eerste instantie gunstig voor de ontwikkeling van weidevogels in de Krimpenerwaard.

Meer en voedselrijker grasland zorgde voor meer voedsel en broedgelegenheid. De intensivering van de landbouw bleef echter aanhouden waardoor de aanvankelijke gunstige verandering te ver doorzette en leidde tot een te eentonig en te voedselrijk landschap voor weidevogels. Door de toegenomen voedselrijkdom van de graslanden en lagere waterstanden, is de eerste maai-snede van het seizoen steeds vroeger mogelijk. Dit heeft een negatief effect op de weidevogels die door die steeds vroegere eerste snede niet meer in staat zijn om hun jongen groot te brengen op reguliere agrarische percelen (door verlies aan broedsels en beperkt aanbod van voedsel). Dit is een probleem dat overigens niet specifiek is voor de Krimpenerwaard maar wat op veel plekken in het agrarisch gebied in Nederland speelt. Ook het steeds verder verlagen van het waterpeil heeft een negatief effect gehad op de weidevogels omdat de wormen in de bodem steeds minder goed bereikbaar zijn waardoor de voedselbeschikbaarheid voor de vogels afneemt. Niet alleen typische weidevogels zoals de grutto en watersnip zijn afgenomen. Ook de veldleeuwerik, ooit één van de talrijkste broedvogels van de Krimpenerwaard, is sterk afgenomen. De gemiddelde dichtheid aan het eind van de jaren ’70 van de vorige eeuw bedroeg 25 – 50 paar per 100 ha in het gebied.

Inmiddels is de soort uit veel polders verdwenen en wordt de veldleeuwerik tot de schaarse broedvogels gerekend (Buisman en Terlouw, 2014).

35

In de Krimpenerwaard liggen een aantal natuurreservaten die onder beheer zijn van het Zuid-Hollands Landschap. Deze natuurreservaten bevatten o.a. waardevolle natuur- en cultuurhistorische elementen als eendenkooien, hooilanden en houtkades. Naast deze reservaten bezit het ZHL ook percelen in het (vooralsnog) agrarisch gebied binnen de NNN-begrenzing. Op veel van deze percelen vindt weidevogelbeheer plaats. Deze percelen zijn van belang voor de weidevogelpopulatie in het gebied. Zie voor een verdere beschrijving van de huidige en historische natuurwaarden hoofdstuk 4.

36

4 Natuur In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de historische en huidige natuurwaarden in de Krimpenerwaard. Als referentie voor het landschapsbeeld en de natuurdoelen, wordt de situatie zoals die voorkwam aan het begin en midden van de vorige eeuw, vóór de intensivering van de landbouw en het grondgebruik door bebouwing en infrastructuur, aangehouden. Dit landschapsbeeld is sterk gebonden aan het (historische) agrarisch gebruik van het gebied. Hieronder volgt een beschrijving van het historisch landschapsbeeld van de Krimpenerwaard van midden 19de eeuw en midden 20ste eeuwen. Daarna volgt per natuurtype een beschrijving van het historisch en huidig voorkomen van de natuurtypen in de Krimpenerwaard.

4.1

Historisch landschapsbeeld

Het landschap in veenweidegebieden wordt bepaald door de ontginningslinten: boerderijen staan op de hoger gelegen delen in een lintbebouwing (meestal nabij de rivier) en langgerekte, smalle kavels lopen naar ‘achteren’, naar het midden van het gebied. Vanaf de boerderij-linten naar het achterland liep vroeger een ‘gebruiksgradient’ van een meer intensief gebruik, op de drogere en meer voedselrijkere gronden nabij de boerderijen, naar het extensieve gebruik op het nattere, schralere en meer venige achterland. Op en nabij de huiskavels werd het vee geweid en werden ook de schaarse meststoffen gebracht. De vegetatie was hierdoor wat voedselrijker en werd gedomineerd door grassoorten zoals gestreepte witbol, reukgras en kamgras. De sloten waren hier waarschijnlijk beter geschoond. Het water was helder en vrij voedselarm. Het was weelderig begroeid met vegetaties van krabbenscheer, kleine fonteinkruiden, grote fonteinkruiden en andere water- en moerasplanten. Open water kwam daarnaast ook voor in plaatselijke veenputjes, ontstaan door kleinschalige particuliere turfwinning. Andere elementen van het ‘schone cultuurlandschap’ waren eendenkooien, geriefbosjes en veepestbosjes, die vooral in bepaalde gebiedsdelen het landschap stoffeerden.

Het landschap was dooraderd met houtkaden die op de meeste plaatsen de landscheiding vormden; de verst van de boerderijen gelegen en daarmee rustigste plekken van de polder. Deze houtkaden vormden voor veel dieren een belangrijk nestel- en foerageergebied. De graslanden vormden geschikt biotoop voor weidevogels. Grote delen van de Krimpenerwaard bestonden rond 1850 uit schrale hooilanden die niet of nauwelijks bemest en beweid werden. ‘s Winters stond het water hier aan of óp het maaiveld, ‘s zomers zakte het peil tot maximaal 40 à 50 cm onder maaiveld. Door hun blauwige kleur werden

37

deze hooilanden ‘blauwgraslanden’ genoemd. Karakteristieke soorten zijn blonde zegge, blauwe zegge en Spaanse ruiter. Plaatselijk komen ook zeer soortenrijke gemeenschappen voor, met aansprekende plantensoorten zoals verschillende orchideeën, klokjesgentiaan, kievitsbloem, harlekijn, tormentil en moerasviooltje. Ze vormden het habitat van kritische weidevogels zoals kemphaan, watersnip en tureluur, maar ook van ongewervelden zoals dagvlinder- en mierensoorten die inmiddels zeer zeldzaam zijn of zelfs uit ons land verdwenen. Er is in deze periode sprake van homogene vlakten van schraallanden afgewisseld met moerasvegetaties in de tussenliggende verlande sloten. Halverwege de 20ste eeuw wordt het gebruik van het land intensiever en neemt het gebruik van dierlijke meststoffen toe. Een grotere variatie van meer voedselrijke graslanden en schralere (nattere) graslanden ontstaat. Onder invloed van de toegenomen bemesting en uitbreiding van het areaal grasland beleven de weidevogels hun hoogtepunt in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw. Thans zeldzame of inmiddels verdwenen soorten als grutto, veldleeuwerik, watersnip, gele kwikstaart en kemphaan waren wijdverspreid aanwezig in de Krimpenerwaard.

Samenvattend kan men stellen dat de onverveende poldergebieden van de Krimpenerwaard rond de vorige eeuwwisseling een hoge biodiversiteit bezitten; ze bestaan uit soortenrijke schraallanden dooraderd met wateren moeraslevens-gemeenschappen in de sloten en weteringen en langs de boezemwateren. In deze tijd vormden de veenpoldergebieden een rijk leefgebied voor veel dieren en planten van het laagveenmoeras. Het is deze historische biodiversiteit die wordt nagestreefd binnen de NNNgebieden van de Krimpenerwaard.

4.2 Botanische graslanden, historische en huidige natuurwaarden De hooilandgemeenschappen van de Krimpenerwaard waren vroeger (rond 1900) vergelijkbaar met de heischrale graslanden op de grens van beekdal en heide. Er konden drie verschillende typen onbemest hooiland worden onderscheiden (Scheygrond en De Vries, 1940):  Blauwgraslanden;  Drogere en rijkere hooilanden;  Boezemlanden.

Blauwgrasland Het merendeel van de Krimpenerwaard was lange tijd (vanaf de ontginning tot het begin van de 20e eeuw) bedekt met blauwgrasland. Dit schraalland is blauwgroen van kleur met vrij kort en ijl gras en is opmerkelijk

38

soortenrijk, vooral wat betreft de flora. De blauwe kleur wordt veroorzaakt door de belangrijkste soorten uit deze gemeenschap: pijpestrootje, blauwe zegge, tandjesgras en Spaanse ruiter. Met name pijpestrootje trad vrijwel overal op de voorgrond en domineerde de vegetatie regelmatig.

Hooilanden Het tweede type werd op de veenkaden, waardoor de polders onderling gescheiden zijn en op een aantal percelen in de voormalige Lekkerkerkse Boezem (tegenwoordig het Loetbos) aangetroffen. Deze terreinen waren minder schraal dan de blauwgraslanden en werden ook wel nabeweid en de hooiopbrengst was hoger. Voornaamste grassen in de kruidlaag betroffen kruipend struisgras, echte witbol, reukgras en rood zwenkgras (Husson, 1983 en 1984).

Boezemlanden Het derde type was landbouwkundig van ondergeschikte betekenis en kwam voor in de voormalige boezems van Gouderak. De begroeiing van de boezemlanden bestond voor de opheffing (in 1880 – 1881 en voor Middelblok al eerder in 1850) vooral uit riet, biezen en lisdodde (Scheygrond, 1932 in Husson 1983 en 1984). Na de opheffing van de boezemfunctie werden de kaden rondom de percelen grotendeels geslecht, waardoor het waterpeil op het veel lagere niveau van de polders kwam te liggen. De boezemlanden vielen hierdoor grotendeels droog. Veenvorming werd hierdoor versneld en er ontstonden uitgestrekte rietlanden. Door verschraling van de bodem (door jarenlang riet snijden) en verzuring van het milieu (veroorzaakt door isolement ten opzichte van het voedselrijke polderwater) kwam in een groot deel van de voormalige boezems veenmosrietland tot ontwikkeling met (op de drogere stukken) overgangen naar nat schraalland (Husson, 1983 en 1984). In de Veerstalblokboezem leidde de verzuring zelfs tot aanwezigheid van soorten die een uitgesproken voorkeur hebben voor vochtige heidevelden en hoogvenen: dopheide, struikheide, rode en blauwe bosbes en kraaiheide (Westhoff et al, 1971). Zie Bijlage E voor een verder beschrijving van de soortensamenstelling van de historische hooilanden en blauwgraslanden in de Krimpenerwaard.

Huidige botanische waarden In de huidige situatie zijn er van de eens zo grote botanische rijkdom in de Krimpenerwaard slechts nog een paar relicten over. Het gaat hierbij om enkele boezemlandjes in de Veerstalblokboezem en Gouderakse en Stolwijkse boezem en het blauwgrasland naast de eendenkooi ‘Kooilust’. Daarnaast heeft er in de loop der jaren binnen de natuurreservaten op enkele plaatsen herstel plaatsgevonden van de schralere vegetaties door

39

inrichtingsmaatregelen en verschralingsbeheer. Op basis van gegevens uit het vegetatiemeetnet van de provincie Zuid-Holland is echter vast te stellen dat over de gehele Krimpenerwaard tussen 1975 en nu de kruidenrijkdom en aantallen zeldzame soorten in grasland is achteruitgegaan (zie figuur 4.1). Binnen het reeds ingerichte deel van het NNN-gebied zijn de natuurwaarden van de vegetatie gelijk gebleven of toegenomen. De trofiegraad en verzuring is in het grootste deel van het gebied toegenomen.

Natuurwaarde grasland 45,0 40,0 35,0 30,0 25,0 20,0 15,0 75-81

82-90

91-96

97-00

Deelgebieden incl res. (rood)

01-04

05-08

Overig NNN

09-12

13-17

geen NNN

Figuur 4.1 Natuurwaarde graslanden. Op de X-as zijn de opname-jaren te zien op de y-as staat de natuurwaarde. De natuurwaarde is een getal dat wordt berekend op basis van de zeldzaamheid en de achter/vooruitgang van de aanwezige soorten in de vegetatieopname. Het is een logaritmische schaal; dus 3 verschil is halvering of verdubbeling (van Heerden, 2018).

Er is, in het algemeen, een verschil aan te merken tussen gebieden binnen en buiten het NNN. Ondanks het feit dat de meeste hectares binnen de NNN-begrenzing nog niet zijn omgevormd naar natuur, is de afname van soorten buiten het NNN sterker dan binnen het NNN. Vanaf de jaren ’90 is, ten behoeve van weidevogels en vegetatie, vooral binnen de NNNbegrenzing een minder intensief beheer gevoerd. Dat is terug te vinden door bijvoorbeeld een lichte toename in kropaar en vossenstaart in de graslanden. De natuurwaarde van de deelgebieden blijft echter ver achter op de natuurwaarde in de reeds ingerichte delen van de NNN in de Krimpenerwaard (in de grafiek: ‘Overig NNN’). Opvallend is dat in de Krimpenerwaard vooral de oevers relatief soortenrijk zijn en dit ook zijn gebleven door de jaren heen (zie figuur 4.2). Met name

40

het niet bemesten van de oevers (ook door invoering van mestinjectie) speelt hierbij een rol3. Kritische soorten als dotterbloem en echte koekoeksbloem zijn echter wel achteruitgegaan, waarschijnlijk heeft dat te maken met het toenemen van de trofiegraad en het maaibeheer4.

Natuurwaarde oevers 55,0 50,0 45,0 40,0 35,0 30,0 75-81 82-90 91-96 Deelgebieden incl res

97-00

01-04 05-08 Overig NNN

09-12 13-17 geen NNN

Figuur 4.2 Verloop van natuurwaarde van de oevers in de Krimpenerwaard vanaf 1975 tot nu. ‘Overig NNN’ betreft hier de reeds ingerichte gebieden van het NNN, ´deelgebieden incl res.´ betreft de gebieden die worden behandeld in dit inrichtingsplan (zie ook deel B van dit plan).

Midden jaren ’90 zijn in de Berkenwoudse driehoek enkele botanische graslandjes aangelegd door middel van het plaggen van (delen van) percelen. Dit is terug te zien in de toename van de natuurwaarde van de schraallanden binnen de ingerichte delen van het NNN. Dit geeft aan dat de inrichtingsmaatregelen in het verleden succesvol zijn geweest (zie ook Kerkhof, 2006). Ook de actuele vegetaties in kopse einden van percelen die vanaf de jaren ’90 als proef zijn geplagd door ZHL (o.a. in Veerstalblok en Oudeland) tonen de potenties van inrichtingsmaatregelen aan (zie figuur 4.4 en 4.5).

3

In 1994 is de mestinjectie verplicht gesteld waardoor de oevers makkelijker en preciezer kunnen worden ontzien. Het lijkt er op dat het invoeren van de mestinjectie (en daardoor minder mest in de oevers) een gunstig effect heeft gehad op oevervegetaties. 4 Sloot(kanten)beheer wordt steeds meer uitgevoerd met een maaikorf in plaats van een maaibalk. Specifiek voor dotterbloem lijkt het jaarlijks maaibeheer met een maaikorf ongunstig te zijn, doordat het maaisel (inclusief zaden en wortelstokken) te hoog op de kant wordt teruggezet waar een geschikte groeiplaats ontbreekt (mondelinge mededeling R. Terlouw).

41

Natuurwaarde schraalland (binnen NNN, buiten de deelgebieden)

2500 2000 1500 1000 500 0 75-81

82-90

91-96

97-00

01-04

05-08

09-12

13-17

Figuur 4.3 Het verloop van de natuurwaarden van de schraallanden binnen het NNN van de Krimpenerwaard van af 1975 tot nu. Vanaf midden jaren ’90 is een duidelijke toename van de natuurwaarden van de schraallanden te zien. Dit is waarschijnlijk te danken aan de nieuw ingerichte (afgeplagde) percelen in Berkenwoudse driehoek.

Figuur 4.4 Perceel in Berkenwoudse Driehoek door ZHL geplagd (circa 25 jaar geleden) waar nat schraalland tot ontwikkeling is gekomen. In figuur 4.5 is de vegetatie in meer detail weergegeven.

42

Figuur 4.5 Detailweergave vegetatie geplagd perceel in Berkenwoudse driehoek (zie ook figuur 4.4) met kenmerkende soorten als ronde zonnedauw, gewone waternavel en teer guichelheil.

4.3 Kleinschalige landschapselementen, historische en huidige natuurwaarden Het landschap van de Krimpenerwaard wordt mede bepaald door pest- en geriefhoutbosjes, knotbomen, veenputten, eendenkooien, polderkaden, tiendwegen en boezems. Deze en andere elementen zijn cultuurhistorisch, landschappelijk en ecologisch waardevolle elementen die bijdragen aan het karakteristieke landschap van de Krimpenerwaard. De landschapselementen hebben vooral een cultuurhistorische achtergrond: de invloed van de mens in het verleden op het landschap is er in terug te vinden. Ze zorgen daarnaast voor variatie in het open veenweidegebied en zijn van belang voor flora en fauna. Vroeger hadden landschapselementen een belangrijke gebruiksfunctie. Ze leverden bijvoorbeeld geriefhout en brandhout. Tegenwoordig hebben veel landschapselementen geen gebruiksfunctie meer. Veel (houtige) landschapselementen uit de Krimpenerwaard zijn dan ook verdwenen. Zo zijn er veel windsingels tussen de percelen verdwenen. Doordat de akkerbouw bijna geheel uit het gebied is verdwenen, was bescherming van de gewassen tegen weerselementen niet meer nodig. Op basis van oude kaarten kan worden afgeleid dat circa een derde van het aantal landschapselementen sinds het midden van de 19e eeuw is verdwenen. Er zijn sindsdien niet alleen maar elementen verdwenen, er zijn ook

43

elementen bijgekomen. Een vijfde deel van de bestaande landschapselementen in de Krimpenerwaard is ouder dan 150 jaar (Buis en Kruk, 2006).

4.4 Weidevogels, historische en huidige natuurwaarden Al sinds de ontginning bestaat de Krimpenerwaard grotendeels uit grasland (zie ook paragraaf 3.3). Deze graslanden vormden gezien de abiotische omstandigheden (hoog (grond)waterpeil, veenbodem en het extensieve agrarische gebruik) lange tijd geschikt weidevogelbiotoop en er mag vanuit worden gegaan dat er een omvangrijke weidevogelpopulatie in het gebied aanwezig is geweest. Door Buisman en Terlouw (2014) is de ontwikkeling van de weidevogelpopulatie in de Krimpenerwaard in beeld gebracht. Hoewel gebiedsbrede gegevens over een langere periode slechts beperkt aanwezig zijn, is duidelijk dat er (overeenkomstig de landelijke trend) sprake is geweest van sterke afname van aantallen weidevogels voor het merendeel van de soorten. Zo was de veldleeuwerik ooit één van de talrijkste broedvogels van de graslanden in de Krimpenerwaard en bedroeg de gemiddelde dichtheid aan het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw 25 – 30 paar per 100 ha in het gebied. Inmiddels is de soort vrijwel geheel uit de Krimpenerwaard verdwenen en kan deze worden gerekend tot de schaarse broedvogels (er is een afname vastgesteld van meer dan 90%). Ook de grutto, die bij uitstek afhankelijk is van de Nederlandse open graslanden als broed- en foerageergebied en dus kwetsbaar is voor veranderingen daarin, is sterk afgenomen.

Van de grutto werd eind jaren ’70 van de vorige eeuw voor de Krimpenerwaard een gemiddelde dichtheid vastgesteld van 14 paar per 100 ha, welke in goede polders kon oplopen tot meer dan 40 paar per 100 ha. In 2010 werd de populatie voor het gebied nog geschat op gemiddeld 6 paar per 100 ha, terwijl meer recente gegevens een voortgaande afname laten zien. Voor enkele weidevogelsoorten, zoals tureluur en scholekster, is aanwezige populatie in de Krimpenerwaard daarentegen stabiel te noemen of is hooguit sprake van een geringe afname. Het gaat hierbij om minder kritische soorten. Voor de polders Kattendijksblok, Middelblok en Veerstalblok zijn over langere periode broedvogelgegevens beschikbaar die de hiervoor beschreven ontwikkeling als referentie goed in beeld brengen. In figuur 4.6 t/m figuur 4.8 is voor enkele typische weidevogelsoorten het aantalsverloop in deze gebieden vanaf 1985 weergegeven.

44

60 grutto

50 40

kievit 30 20

slobeend veldleeuwerik

10

2015

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1996

1995

1994

1993

1992

1991

1990

1989

1987

1986

tureluur 1985

0 -10

Figuur 4.6 Weergave aantalsontwikkeling van enkele typische weidevogelsoorten in Kattendijksblok vanaf 1985. De gestippelde lijnen geven de trend weer. Niet alle jaren en getelde soorten zijn weergegeven. 35 30

grutto kievit

25

slobeend

20 15

veldleeuwerik

10 5 0

tureluur 1985

1990

1994

1995

2000

2004

2005

2009*]

2010

2015

-5 Figuur 4.7 Weergave aantalsontwikkeling van enkele typische weidevogelsoorten in Middelblok vanaf 1985. De gestippelde lijnen geven de trend weer. Niet alle getelde soorten zijn weergegeven.

45

60 kievit 50

40 slobeend 30 grutto 20 veldleeuwerik 10

0

tureluur 1985

1990

1994

1995

1996

1997

2000

2003

2006

2009

2012

2015

Figuur 4.8 Weergave aantalsontwikkeling van enkele typische weidevogelsoorten in Veerstalblok vanaf 1985. De gestippelde lijnen geven de trend weer. Niet alle getelde soorten zijn weergegeven.

Huidige natuurwaarden van de weidevogelgebieden De Krimpenerwaard staat binnen de provincie Zuid-Holland (nog) te boek als een goed weidevogelgebied (Buisman en Terlouw, 2014, Groen, 2015). Uit recente telgegevens (2015 – 2017) blijkt dat er nog steeds relatief hoge dichtheden aan weidevogels voorkomen in de verschillende polders. In figuur 4.9 wordt de potentiële kwaliteit van het NNN-gebied in de Krimpenerwaard voor weidevogels weergegeven in de huidige situatie. De ligging van de weidevogelkernen in de Krimpenerwaard wordt vooral bepaald door de hoogteligging van de percelen (bepalend voor de mate van drooglegging en daarmee bereikbaarheid van bodemleven), kruidenrijkdom van de grasvegetatie en mate van intensiviteit van het agrarisch beheer (vooral percelen met extensief beheer of specifiek weidevogelbeheer genieten de voorkeur). Daarnaast speelt openheid en mate van verstoring (met name afkomstig van wegen, bebouwingslinten en hoogspanningsleidingen) een rol.

46

Figuur 4.9 De potentiële kwaliteit van het NNN-gebied voor weidevogels op basis van openheid van het gebied, bodemvochtigheid, verstoring en zwaarte van het gewas. Rood=zeer lage potentie, geel = lage potentie, licht groen= redelijke potentie, donkergroen= goede potentie (kennissysteem Beheer op Maat, WUR, Visser & Melman, 2018).

Over het geheel van de Krimpenerwaard genomen komen in de huidige situatie in de natuurreservaten gemiddeld de hoogste dichtheden aan weidevogels voor. Agrarische gebieden met weidevogelbeheer (beheercontracten) nemen een tussenpositie in, terwijl in agrarische gebieden zonder weidevogelbeheer de laagste dichtheden aan weidevogels worden waargenomen (o.b.v. telgegevens broedvogelmonitoring R. Terlouw en ZHL, 2015 - 2017 en Groen, 2015). Polder Kromme, Geer en Zijde (bij Oudenkerk aan Den IJssel) en Polder Vlist-Westzijde (nabij Stolwijk) vormen binnen de Krimpenerwaard in de huidige situatie de beste weidevogelgebieden. Beide polders zijn in agrarisch gebruik, maar op veel percelen vindt weidevogelbeheer (agrarisch natuurbeheer) plaats. In figuur 4.10 is een overzicht gegeven van de huidige weidevogelkernen binnen de betrokken deelgebieden. De weidevogelkernen zijn weergegeven door middel van een dichtheidskaart (ofwel een heatmap) die weergeeft in welke gebiedsdelen de territoriumdichtheid het hoogst is. Uit tabel 4.1 blijkt dat in alle deelgebieden nog substantiële aantallen territoria aanwezig. Met name deelgebied De Hoek herbergt een omvangrijke weidevogelpopulatie. Kattendijksblok en Kadijk-West maken daarnaast onderdeel uit van een grotere weidevogelkern die ook de aangrenzende agrarische polder(s) omvat.

47

Figuur 4.10 Heatmap van alle territoria van weidevogels in 2015 in de betrokken deelgebieden Krimpenerwaard. Hoe donkerder paars, hoe groter de concentratie territoria op deelgebiedniveau: per deelgebied is gekeken waar, binnen dat gebied, de grootste dichtheid weidevogels zit. De dichtheden zoals in deze figuur weergegeven, zeggen niets over het aantal weidevogels in het deelgebied of het relatieve belang van het gebied binnen de Krimpenerwaard. Territoria in aangrenzende gebieden zijn niet altijd volledig weergegeven of ontbreken.

48

Veerstalblok (2015)

Den Hoek (2016)

Middelblok (2015)

Kattendijksblok (2015)

Oudeland (2015)

Kadijk-West (2016)

Soort Bergeend Gele kwikstaart Graspieper Grutto Kievit Kleine plevier Kluut Krakeend Kuifeend Scholekster Slobeend Smient Steltkluut Tureluur Veldleeuwerik Watersnip Zomertaling

Bilwijk (2017)

Tabel 4.1 Aantallen weidevogels binnen de verschillende deelgebieden. Niet alle deelgebieden worden in dezelfde jaren gemonitord, er is in dit tabel per deelgebied uitgegaan van de laatste broedvogelmonitoring. Tussen haakjes is het jaar waarin deze heeft plaatsgevonden vermeld.

3 0 10 25 19 0 0 17 5 11 11 0 0 7 0 0 1

1 0 5 30 27 2 0 13 1 12 16 0 0 8 1 1 5

8 4 15 65 56 3 1 30 3 13 31 1 1 26 16 2 4

1 0 2 15 20 0 0 7 9 5 13 0 0 9 0 0 5

2 0 5 24 17 0 0 8 3 12 13 0 0 7 1 1 4

0 0 0 25 22 0 0 9 3 7 10 0 0 10 0 0 0

1 1 8 28 10 0 0 16 0 6 15 0 0 9 8 0 3

De zwarte stern is geen uitgesproken weidevogel, maar wordt beschouwd als een karakteristieke soort van het waterrijke veenweidelandschap van de Krimpenerwaard. De soort is afhankelijk van sloten met helder water en waterplanten, gevarieerde oevers en structuur- en soortenrijke kruidenvegetaties. Door het gebrek aan nestgelegenheid (drijvende waterplanten) in voedselrijke wateren, met name door het grotendeels verdwijnen van krabbenscheer, is de soort afhankelijk van nestvlotjes als broedlocatie. In figuur 4.11 is een overzicht gegeven van de locaties waar in 2017 nestvlotjes zijn uitgelegd in de Krimpenerwaard en het aantal broedparen op deze locatie. In figuur 4.12 is een overzicht gegeven van het aantal broedparen in de periode 2007 – 2017.

49

Figuur 4.11 Aantal vlotjes en broedparen van de zwarte sten in de Krimpenerwaard in 2017. Zwarte cirkels geven aan hoeveel nestvlotjes er laten en de groene stippen het aantal broedparen. De symbolen zijn op km-hok niveau gecentreerd en geven dus niet de exacte locatie weer (Van der Winden, 2017).

Figuur 4.12 Aantal broedparen zwarte stern in de Krimpenerwaard in terreinen van ZHL en de rest van het gebied in de periode 2007 – 2017. Max = marge van paren die voor de simultaantelling weer vertrokken waren (Van der Winden, 2017).

50

4.5 Waternatuur, historische en huidige natuurwaarden Concrete gegevens over hoe de waternatuur er in het verleden precies uit zag zijn niet beschikbaar. Op basis van het landgebruik en het slootonderhoud wordt verwacht dat – net als voor de natuurwaarden op het land – er een duidelijke ruimtelijke gradiënt aanwezig was van (relatief) voedselrijke omstandigheden nabij de erven naar voedselarme omstandigheden verder van de boerderij af. Dit zal als gevolg hebben gehad dat nabij de erven kroos en draadalgen meer voorkwamen en dat dit meer landinwaarts overging in een uniforme begroeiing met soorten als smalle waterpest en grof hoornblad en vervolgens naar een gevarieerde begroeiing met diverse soorten fonteinkruiden, waterranonkel en kranswieren. Door het extensieve onderhoud zal er een meer geleidelijke overgang geweest zijn van land- naar oever- en waterbegroeiing en zal er in ruimte en tijd vaker verlandingsvegetatie aanwezig geweest zijn met krabbenscheervelden en drijfbladplanten zoals gele plomp. Deze variatie in plantenbegroeiing zal daarbij gezorgd hebben voor een gevarieerde macrofauna en visgemeenschap. De natuurwaarde van de begroeiing met waterplanten is in de huidige situatie in veel watergangen laag.

Dit komt doordat de watervegetatie nagenoeg geheel ontbreekt, de waterlaag gedomineerd wordt door draadalgen en kroos of dat de soortenrijkdom van de waterplanten laag is (zie figuur 4.13). Waardevolle vegetaties met meerdere soorten waterplanten of veel krabbenscheer komen nog wel voor, maar dan slechts in een paar procent van alle wateren. Ook de natuurwaarde van de natte oevervegetatie (helofytenzone) is vaak beperkt Dit komt onder andere doordat de zone erg smal is en daardoor weinig toegevoegde waarde heeft voor de ecologie van het watersysteem en/of omdat eutrofe soorten zoals liesgras domineren. Dotterbloemen zijn lokaal nog aanwezig, maar zijn achteruitgegaan. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het toenemen van de trofiegraad en het maaibeheer (zie ook paragraaf 4.2). Vanuit de droge oevers groeien er wel allerlei moerassoorten het water in, waaronder diverse soorten van vochtig hooiland. De beoordeling van de water- en oevervegetatie conform de landelijk KRW maatlatten is daarom ook vaak slecht of ontoereikend.

51

Figuur 4.13 Aandeel van diverse typen waterplantbegroeiing binnen de Krimpenerwaard (op basis van meetgegevens HHSK).

Figuur 4.14 KRW-beoordeling van water- en oevervegetatie op basis van de landelijke meetlat van gebufferde veensloten of van een veenkanaal (bron: HHSK).

Er lijkt vooralsnog geen duidelijk ruimtelijk patroon aanwezig in de kwaliteit van de watervegetatie binnen de Krimpenerwaard, behalve wat betreft het voorkomen van krabbenscheer. Op basis van oude verspreidingskaarten van HHSK (vanaf 1991) kan worden geconcludeerd dat de soort in delen van het gebied (o.a. Middelblok) sterk is afgenomen. De soort wordt echter nog in de noordwesthoek van de Krimpenerwaard gevonden. De reden waarom de soort zich hier (nog) heeft kunnen handhaven is niet geheel duidelijk, maar heeft mogelijk te maken met

52

minder invloed van inlaat van rivierwater en/of met een lagere sulfaatbelasting vanuit de aanliggende veengronden. De beschikbare informatie over de huidige kwaliteit van de kleine waterdieren (macrofauna) en vissen is beperkt tot de zogenaamde KRWwaterlichamen. Dat zijn in de huidige situatie deels de afvoerwatergangen richting de gemalen, maar betreft ook een groot gebied met poldersloten rond Berkenwoude. Het vermoeden is daarom dat de toestand in de waterlichamen wel redelijk overeenkomt met die van de watergangen elders in de Krimpenerwaard, ook omdat er geen duidelijke ruimtelijke verschillen in de vegetatie bestaat. De KRW-beoordeling voor de kleine waterdieren is meestal ‘matig’ en voor vis meestal ‘goed’ (zie figuur 4.14).

Figuur 4.15 Indicatieve verspreiding van krabbenscheer in de Krimpenerwaard (bron: meetgegevens HHSK).

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=2ebd988c-55d1-453f-9eae-7909dff3e6a4